Jeremy Rifkin: Weg met de economische wetenschap vanwege medeplichtigheid aan uitputting hulpbronnen

22 Okt

In een vorige blogpost besprak ik het boek De derde industriële revolutie van Jeremy Rifkin[1]. in zijn visie op de toekomst spelen hernieuwbare grondstoffen, internettechnologie en kleinschaligheid de hoofdrol. Het zijn alsmaar toenemende consumptie, groeiende productiviteit en stijging van het nationaal product waarvoor de economie als wetenschap zich inspant, die dit toekomstbeeld in de weg staat.

Het selectieve gebruik van natuurwetenschappelijke analogieën

Unknown-4 kopieDe grondleggers van de economische wetenschap, Adam Smith en Jean-Baptiste Say zochten naar wetmatigheden achter het economisch handelen. Ze meenden deze gevonden te hebben in een analogie met de mechanica, de wetten van Newton in het bijzonder: Zoals de deeltjes in het heelal elkaar aantrekken en afstoten en uiteindelijk in een positie van evenwicht komen, zo gedragen mensen zich op de markt gedreven door hun eigenbelang. Als iedereen zijn eigenbelang nastreeft zorgt de ‘onzichtbare hand’ ervoor dat vraag en aanbod in een evenwichtstoestand raken.

De analogie was slecht gekozen: In de mechanica zijn processen omkeerbaar, maar in de economie niet. Dat komt door de rol van energie. De thermodynamica was daarom een veel geschiktere bron geweest voor analogieën van economische processen: De totale hoeveelheid energie in het heelal is constant, maar bij het gebruik van energie treedt entropie op. In elke economische activiteit verandert hoogwaardige energie in energie met een lagere waarde. Hierbij komt een reeks schadelijke stoffen vrij: Bijvoorbeeld, onze veestapel is verantwoordelijk voor 18% van de uitstoot van broeikasgassen, 65% van alle lachgas (stikstofoxide; 300 maal schadelijker dan CO2) en 37% van alle methaan (23% schadelijker is dan CO2).

Economen hebben vanouds een blinde vlek voor de neveneffecten van de transformatie van grondstoffen naar eindproducten, zij zagen alleen de waarde die hierdoor werd gecreëerd[2]. De weinige economen die de gelijkenis tussen economische en thermodynamische processen wel zagen, waren dan ook de grondleggers van het duurzaamheidsdenken[3].

De vanzelfsprekendheid van groei en stijging van de productiviteit

De economische wetenschap gaat uit van de wenselijkheid van groei van het nationale product en van stijging van productiviteit. Beide resulteren uit de inzet van (extra) arbeid en in het bijzonder van kapitaal[4]. Toch was het alom bekend dat arbeid en kapitaal samen maar maximaal 14% van de groei van de productiviteit verklaren. Het waren de natuurkundige Reiner Kümmel (Universitität Würzburg) en de hoogleraar milieu en management Robert Ayres (INSEAD) die op basis van groeigegevens in de periode 1945 – 2000 aantoonden dat de ontbrekende 86% vrijwel geheel kan worden verklaard uit de groei van het energiegebruik. Economische groei is dus voor het overgrote deel het resultaat van het steeds meer energie-intensieve karakter van productie, dienstverlening en consumptie. Groei en entropie met al zijn negatieve gevolgen voor het milieu zijn onlosmakelijk verbonden.

Het is daarom niet alleen noodzakelijk om fossiele door herbruikbare brandstoffen te vervangen maar ook dat de efficiëntie van het gebruik van energie en van grondstoffen drastisch toeneemt. Bij gevolg is een aanpassing van ons consumptiepatroon meer dan gewenst. In het bijzonder afstand doen van bezit en omarmen van de deel-economie leveren hieraan een cruciale bijdrage[5]. Een deel-auto vervangt minstens 20 privéauto’s.

Het belang van consumptie en bezit

Unknown-3 kopiePleiten voor de deeleconomie staat echter haaks op een ander leerstuk van de economische wetenschap. Volgens John Locke is privébezit een natuurrecht omdat het mensen motiveert om te werken. Immers grondstoffen zijn nutteloos; waarde ontstaat pas als de mens deze bewerkt.

De opvatting dat bezit de motor is achter het verrichten van arbeid staat overigens haaks op de meeste studies van antropologen en historici. Zij wijzen op de waarde van samenwerking en gemeenschappelijk eigendom (‘commons’) in de geschiedenis. Het waren vooral de adel en kooplieden die zich toeëigenden wat agrariërs en ambachtslieden meer produceerden dan ze zelf nodig hadden.

Het verderfelijke karakter van het economie onderwijs

In het onderwijs komt heden ten dage de milieuproblematiek uitvoerig aan de orde en de meeste leerlingen vinden het milieu erg belangrijk. Maar tegelijkertijd – zo stelt Rifkin – doordringen de lessen economie hen van de denkbeelden van de neoklassieke economie: Mensen handelen primair uit eigenbelang, de markt schept een natuurlijke ordening, bezit is ultieme motivatie van arbeid en de noodzaak van groei van het nationaal product en van arbeidsproductiviteit staan niet ter discussie. Daarmee wordt de weg naar een fundamentele oplossing van het ‘milieuprobleem’ geblokkeerd. Economieonderwijs in zijn huidige vorm moet daarom op zo kort mogelijke termijn van scholen verdwijnen[6].

Tot zover de aanklacht van Rifkin. Ik ben benieuwd wat ter verdediging van de waarde van economische wetenschap kan worden opgemerkt.

 

[1] The Third Industrial revolution: How lateral power is transforming energy, economy and the world. Palgrave MacMillan, 2011. Vertaald in Nederlands: De derde Industriële revolutie. Naar een transformatie van economie en samenleving, Nieuw Amsterdam Uitgevers (2014)

[2] Economen besteden tegenwoordig aandacht aan de externe kosten, maar dan gaat het uitsluitend om dat deel van de kosten van het productieproces dat door ‘derden’ wordt betaald.

[3] Nobelprijswinnaar: Frederick Soddy (1911), Nicolaas Georgescu-Roegen: ‘The entropy law and the economic proces’(1971) en zijn leerling: Herman Daly: Toward a steady state economy (1973). Jeremy Rifkin is door deze laatste auteur geïnspireerd bij zijn nieuwste The Zero Marginal Cost Society: The internet of things, the collaborative commons, and the eclipse of capitalism (2014).

[4] De rol van arbeid in de stijging van de productiviteit neemt alleen maar af: De productiviteit groeit de laatste 20 jaren zonder dat er veel nieuwe banen ontstaan.  Tussen 1995 – 2002 verdwenen in 20 grootste economieën meer dan 31 miljoen industriebanen. De productiviteit steeg met 4,3% en productie groeide met 30%. De staalindustrie in de VS groeide tussen 1982 en 2012 70 tot 102 miljoen ton terwijl de werkgelegenheid daalde van 289.000 tot 74.000.

[5] Zie hiervoor McLaren & Agyeman: Sharing Cities. Ik heb aan dit boek onlangs een blogpost gewijd; http://wp.me/p32hqY-1sm

[6] Dit is ook de strekking van een wat oudere blogpost: Economieonderwijs vernieuwen of afschaffen http://wp.me/p32hqY-cO

Advertenties

De profeten van een nieuwe industriële revolutie

7 Okt

Unknown-4
In 2011 baarde Jeremy Rifkin opzien met zijn boek The Third Industrial Revolution[1]. Ten tijde van de publicatie van het boek was menigeen bezig de wonden te likken die de (financiële) crisis had veroorzaakt. De prijs voor brandstof was op zijn hoogst en politici overal ter wereld zochten naar een uitweg. De derde industriële revolutie was een welkom perspectief. Zij verenigt internettechnologie, duurzame energie en het een kleinschalige samenleving.

Een grote schare wereldleiders klopte voor advies bij Jeremy Rifkin aan, zoals Barosso, Merkel en Cameron. Ook besturen van grote steden waaronder Rome, San Antonio, Parijs Utrecht en Rotterdam vroegen hem om raad. Overal leefde het besef dat het roer om moet en zijn boodschap deed de hoop op een betere samenleving gloren.

images-3Alle wereldleiders is wat te veel gezegd. De autoriteiten van zijn moederland, de VS, moeten niet veel van de voormalige activist hebben. Hij verzette zich tegen de plannen van de regering Obama om op grote schaal elektrische energie te produceren in de woestijngebieden en die met een superhoogspanningsnet naar de rest van de VS te transporteren. Over zijn relatie met de huidige president zullen we het maar niet hebben.

Rifkin schrijft de voorliefde voor grootschalige oplossingen in de VS toe aan de vergaande vervlechting van overheid en bedrijfsleven. Er is niet alleen sprake van een omvangrijke lobby, maar regeringsfunctionarissen schuiven tevens moeiteloos door naar het bedrijfsleven en omgekeerd. Bovendien spekt het bedrijfsleven de kassen van hem welgevallige politici royaal.

De 5 peilers van de derde industriële revolutie

De derde industriële revolutie zoals Rifkin die ziet, rust op vijf peilers die nauw samenhangen:

– Volledige vervanging van fossiele door hernieuwbare brandstoffen en zuinig gebruik en maximale recycling van grondstoffen.

– Decentrale opwekking van duurzame energie; alle gebouwen worden mini-energiecentrales en koolstofneutraal.

– Inzet van waterstof om gewonnen energie op te slaan.

– Gebruik van internet om het hele gedistribueerde systeem te beheren.

– Omvorming van de transportvloot tot elektrische en brandcelvoertuigen die energie verkopen, kopen en opslaan.

Unknown-1

De derde industriële revolutie zal een vergaande impact hebben op de samenleving en het einde inluiden van de logge multinationale bedrijven en hun autocratisch leiderschap. Hiervoor in de plaats komt een kleinschalige democratische organisatie van de samenleving, althans volgens Rifkin. Aan de ene kant zal (duurzame) energie royaal beschikbaar zijn, aan de andere kant zullen schaarse grondstoffen aanzetten tot hergebruik en delen van goederen en diensten[2]. Elke deelauto vervangt minimaal 20 particuliere auto’s. Als producten in bezit blijven van de makers, kunnen deze de productie ervan maximaal afstemmen op hergebruik van materialen.

In de loop van de 21ste eeuw verdwijnen de meeste banen die we nu kennen. De overblijvende en nieuwe banen zullen worden verdeeld en daarnaast is er een arbeidsloos inkomen. Verder is er genoeg te doen. Het gaat dan om activiteiten in de sfeer van ambacht, kunst en cultuur, zorg en natuur. Deze zullen de kwaliteit van ons bestaan aanzienlijk vergroten. Er is weer hoop op een aards paradijs.

Rifkin, Schwab en Vermeend

Rifkin is niet de enige met visionaire verhalen over op handen zijnde veranderingen. Ik denk aan het essay van Klaus Schwab, de voorman van het World Economic Forum, die een beeld neerzet dat in plaats van op een aards paradijs meer lijkt op science fiction. Dit blijkt overduidelijk ook uit de effecten in het fimpje dat het World Economic Forum heeft laten maken en dat vooral lijkt te willen imponeren[3].

Een ander visionair betoog is de oratie van Willem Vermeend ter geledenheid van zijn benoeming tot bijzonder hoogleraar aan de Open Universiteit[4]. Hij hamert op de noodzaak voor bedrijven om te innoveren, gebruik makend van alle mogelijkheden die nieuwe technologieën bieden. Zo niet, dan zullen de steeds kritischer consumenten hen links laten liggen. Waar Schwab nog vreest voor de groeiende sociale ongelijkheid, het verlies aan banen en aan privacy, bij Vermeend is er sprake van een onomkeerbaar proces waarin een ieder zich heeft aan te passen.

De waarde van toekomstvisies

Bij elk van deze publicaties rijst de vraag welke waarde we eraan kunnen hechten. Ik juich het toe dat wetenschappers deelnemen aan discussies over de toekomst van de samenleving. Maar wat me bij elk van de drie auteurs tegen de borst stuit is elk gebrek aan relativering. De drie auteurs zijn erg van zichzelf overtuigd; een eigenschap die eerder bij een profeet dan bij academus past. Van een wetenschapsbeoefenaar verwacht je een nauwkeurige beschrijving van actuele trends en een inschatting van de verschillende ontwikkelingen die hieruit kunnen voortvloeien. Het gebrek aan exactheid blijkt pijnlijk als Rifkin het heeft over de derde industriële revolutie en de andere auteurs over de vierde. Ik denk overigens dat Rifkin gelijk heeft. Hij heeft tevens het meeste oog voor de samenhangen tussen de mogelijkheden van de technologie, de omwenteling in de productie van energie, de beperkingen die we ons moeten opleggen in de groei van de productie en de gevolgen die dat heeft voor de samenleving.

Ik een volgende blogpost ga ik in op een onderdeel van het boek van Rifkin dat me intrigeerde, namelijk het verband tussen de opkomst van de economische wetenschap, de grootschalige industriële productie en de vernietiging van de leefomgeving. Ook hier geldt ‘van dik hout zaagt men planken’, maar zijn betoog biedt zeker stof tot nadenken.

[1] The Third Industrial revolution: How lateral power is transforming energy, economy and the world. Palgrave MacMillan, 2011. Vertaald in Nederlands: De derde Industriële revolutie. Naar een transformatie van economie en samenleving, Nieuw Amsterdam Uitgevers (2014)

[2] Zie mijn recente post over de verschillende aspecten van de deeleconomie: http://wp.me/p32hqY-1sm

[3] https://www.weforum.org/agenda/2016/01/the-fourth-industrial-revolution-what-it-means-and-how-to-respond/

[4] https://www.emerce.nl/wire/oratie-willlem-vermeend-ou-revolutie-economie-40

Aftreden leden studentenraad Open Universiteit: uiteenlopende visies op onderwijs voor volwassenen

30 Sep

images

Het aftreden van de meerderheid van de leden van de studentenraad van de Open Universiteit openbaart langdurige onvrede bij een deel van de studenten van deze instelling.

De Open Universiteit heeft zich vanaf haar oprichting van andere instellingen voor wetenschappelijk onderwijs onderscheiden door het feit dat studenten konden studeren waar en wanneer ze wilden, op elk moment met een studie mochten beginnen en hun studietempo zelf konden bepalen. Deze kenmerken zijn – zeker op het eerste gezicht – ideaal voor de doelgroep van de Open Universiteit. Dit zijn volwassenen die een studie combineren met een baan, een gezin en een sociaal leven. De verschillen tussen deze studenten onderling zijn groter dan die tussen ‘reguliere’ studenten . Dit geldt voor de tijd die ze per week beschikbaar hebben, voor de spreiding van de beschikbare tijd over het jaar, voor de snelheid waarmee ze studeren én voor de kennis en vaardigheden die ze inmiddels hebben verworven.

Onderwijs - volwassen studenten 3

Toch had dit systeem een nadeel. Juist omdat studenten aan de Open Universiteit het zo druk hebben, leidde de afwezigheid van een prikkel om de studie blijvend hoge prioriteit toe te kennen geregeld tot uitstelgedrag. Het staat onomstotelijk vast dat naarmate het studietempo daalt, de kans toeneemt op voortijdig staken van de studie. In tijden van opkomend rendementsdenken bleef dit niet onopgemerkt. Mede onder druk van de politiek werden de principes van het vrije startmoment en de vrije studieduur opgegeven en een vaste doorlooptijd werd de norm. Een deel van de studenten heeft zeker baat bij deze maatregel, wat ook blijkt uit verbeterde rendementscijfers. Voor anderen heeft de Open Universiteit haar aantrekkelijkheid verloren.

Om studenten te motiveren geregeld te studeren, waren er ook andere middelen beschikbaar, die meer recht doen aan de grote verscheidenheid van de studenten aan de Open Universiteit. Daarover aanstonds meer.

Onderwijs - Collegezaal3

Het wo is een schoolvoorbeeld van ontwerp volgens het batch principe

Bij het organiseren van onderwijs kunnen twee fundamenteel verschillende principes worden onderscheiden, ‘batch’ en ‘flow’. Batch komt het meeste voor; het gaat ervan uit dat studenten gelijktijdig deelnemen aan de geplande onderwijsactiviteiten. Studenten worden overwegend als zijnde overeenkomstig beschouwd. In wezen is dit het zelfde principe dat ook voor massaproductie van goederen wordt gehanteerd. Flow betekent dat studenten een gepersonaliseerd programma volgen en dat de tijd die ze nodig hebben om de doelen te bereiken kan verschillen. De verschillen tussen studenten wordt als uitgangspunt genomen. Vrijwel iedereen zal de voordelen van flow inzien, maar zal denken dat de organisatie erg lastig is. Bovendien moet er in het geval van flow een voorziening zijn om studenten te motiveren de beschikbare tijd daadwerkelijk te gebruiken. Bij batch is hiervoor een duidelijke prikkel ingebouwd: Wie niet meekomt blijft zitten.

Ontwerpers van onderwijs staan dus voor twee vragen. Kan (hoger) onderwijs op doelmatige manier volgens het flow principe worden ontworpen en hoe help je studenten om – gegeven de vrijheid van studietempo – zich optimaal voor de studie in te zetten.

Vrijheid van studietempo

Organisatie - autonomie1Een hele reeks instellingen voor afstandsonderwijs in de VS brengt het principe learning outcomes are fixed; time is variable in praktijk. Het gebruik van ICT speelt hierbij een belangrijke rol. In een eerdere blogpost heb ik besproken hoe deze instellingen dit aanpakken. In essentie werken studenten individueel aan een reeks opdrachten met behulp van online beschikbaar gesteld materiaal. Ook de selectie van de opdrachten kan per student verschillen, afhankelijk van reeds aanwezige kennis en vaardigheden. De opdrachten worden becommentarieerd door reviewers (vaak promovendi). Deze ontvangen wekelijks een vastgesteld aantal uitwerkingen. Op basis van hun commentaar maken studenten indien nodig een volgende versie. Het feit dat deze opdrachten verspreid over het hele jaar binnenkomen maakt de taak van een reviewer aantrekkelijker dan die van een docent die in korte tijd honderden identieke opdrachten moet beoordelen.

Optimale inzet van studenten

De Open Universiteit maakte het studenten wel heel verleidelijk om de studie op een laag pitje te zetten ten gunste van andere prioriteiten. Niet alleen was de studieduur flexibel; studenten betalen bovendien voor elke cursus afzonderlijk. Studenten aan de Amerikaanse universiteiten die het studietempo van studenten vrij laten, betalen per semester een vast bedrag volgens de formule learn as much as you can. Dit blijkt een krachtige stimulans om voldoende aandacht aan de studie te besteden. Mentoren helpen daarbij.

De Open Universiteit kan nog steeds kiezen voor flow in plaats van voor batch. Het aanwezige onderwijsmateriaal leent zich hier uitstekend voor. Veel cursussen zijn opgebouwd uit opdrachten die door docenten worden beoordeeld. Niet zij, maar de mentor houdt dan de studievoortgang van studenten bij en kan deze erop aanspreken als het moet.

Volwassenen kunnen alleen gemotiveerd blijven studeren, als de onderwijsinstelling hen in staat stelt een persoonlijke balans te vinden tussen leven, werken en studeren. Bovendien willen zij dat de onderwijsinstelling de inspanning respecteert die het elke week opnieuw inplannen van studietijd kost, ongeacht of het gaat om 5, 10, 15 of meer studie-uren.

Amsterdam Smart City, Amsterdam Sharing City; missie of marketing?

22 Sep
gluqiqn47f9d0tv4

Ook in Seoul is steeds meer openbare ruimte ingericht voor ontmoeting

Behalve smart cities en resilient cities[1] is er ook een groeiend aantal steden dat zich sharing city noemt. De eerste stad die deze benaming gebruikte was Seoul in 2013. Twee jaar later afficheerde Amsterdam zich als de eerste sharing city in Europa, na al enige tijd als smart city door het leven te zijn gegaan. Ik vind dit strooien met adjectieven niet echt handig, of het nu om het uitdragen van een missie of om markening gaat. Daarover later. Maar eerst wat zijn sharing cities?

San Francisco

De meest opvallende initiatieven met betrekking tot delen zijn afkomstig uit San Francisco, de thuishaven van iconen van de deeleconomie zoals Twitter, Dropbox, Lyft en Airbnb. De geneigdheid om te delen kenmerkt de levensstijl van veel millennials uit deze stad: Samen een bedrijf oprichten, samen een huis betrekken, auto als vervoermidddel en niet als statussymbool zien en prefereren dicht bij het stadscentrum te wonen en te werken.

De deel-economie die we aantreffen in San Francisco is commercieel gemotiveerd en kent naast winnaars ook verliezers, bijvoorbeeld de bestuurders van Uber, Lyft en andere taxibedrijven.
Volgens Duncan McLaren & Julian Agyeman[2] is de deel-economie een onderdeel van een veel meer omvattend deel-paradigma. Het gaat daarbij om het gebruik van goederen en diensten door verschillende personen, zonder deze (exclusief) te bezitten. Bij voorbeeld, medegebruik van fietsen, auto’s, huizen, gereedschappen, patenten en boeken. Maar ook recycling, gemeenschappelijke faciliteiten voor sportboefening, de opwekking van energie en transport en coöperaties en netwerken (Zie afbeelding).

Vormen van Sharing

The sharing paradigm. Uit: McLaren & Agyeman, Sharing Cities, p. 15

Sharing kan gemotiveerd zijn als middel tot kostenreductie maar ook vanuit sociale motieven en omwille van duurzaamheid. McLaren & Agyeman illustreren al deze facetten aan de hand van voorbeelden afkomstig uit steden als Seoul, Medellin, Kopenhagen en Amsterdam.

Seoul

De stad Seoul kent talrijke vormen van delen vanuit sociale motieven[3]. Het begrip jeong speelt hierbij een sleutelrol: Mensen geloven dat elkaar vriendelijk en coöperatief bejegenen een ieder op termijn zal baten. Bewoners houden gezamenlijk de appartementsgebouwen leefbaar waarin ze dicht opeengepakt wonen. Het gemeentebestuur hecht veel waarde aan de mening van burgers.

screenshot

Het luisterend oor voor het stadhuis van Seoul

Mensen kunnen klachten, verzoeken en ideeën inspreken in het ‘luisterende oor’ voor het stadhuis. Het gemeentebestuur ondersteunt start-ups onder andere door de Dreambank, een financieel loket in samenwerking met 20 banken.

Medellin

images-5 kopie

Biblioteca de Espagna

Een ander opvallend voorbeeld is Medellin, de tweede stad in Colombia en het voormalige centrum van drugshandel en ooit de meest moordadige stad ter wereld. Nadat het leger de beruchte bendeleider Pablo Escobar had doodgeschoten, begon het stadsbestuur aan het herstel van het verwoeste sociale weefsel van de stad. Grote bedragen zijn geïnvesteerd in onderwijs en welzijnsvoorzienigen. Hiervoor verrezen diverse qua architectuur opvallende gebouwen zoals de Biblioteca de Espagna, meestal midden in arme gebieden om de bewoners een gevoel van trots te geven.

 

Tegelijkertijd werden alle delen van de op heuvels gebouwde stad verbonden door een nieuw stelsel van metrolijnen, kabelbanen en liften. Bewoners kregen inspraak bij de prioritering van gemeentelijke projecten.

Kopenhagen en Amsterdam

Unknown kopie

Fietsinfrastructuur Kopenhagen

McLaren & Agyeman zien ook in Kopenhagen en Amsterdam talrijke voorbeelden van sociaal gemotiveerd delen. Kopenhagen heeft het delen van ruimte in het stadscentrum verbeterd met een infrastructuur gebaseerd op het gebruik van fietsen. Amsterdam deed hetzelfde met zijn dichte openbaar vervoersnetwerk. Daarnaast heeft het Amsterdamse huisvestingsbeleid geleid tot een betere integratie van migranten dan in menige andere stad.

In het licht van de bovenstaande gevallen vragen een paar begrippen om verheldering.

Delen en samenwerking

Samenwerking (collaboration) wordt ten onrechte gebruikt als synoniem voor delen. Samenwerking betekent samen iets doen, maar delen leidt doorgaans tot een opeenvolging van individuele activiteiten. Het is dus eerder een aanvulling op het begrip delen. Samenwerking vindt plaats in het economische domein, bijvoorbeeld een coöperatie, maar ook in het sociale domein, bijvoorbeeld gemeenschappelijke activiteiten als tuinieren, koken en gemeenschappelijk wonen.

Delen en mediatie

Commerciële vormen van delen bestaan veelal bij de gratie van mediërende IT-platforms, denk aan Airbnb en Uber. Maar mediatie is soms ook van belang voor overwegend sociaal geïnspiteerde vormen van delen. Een mooi voorbeeld is een app waarop bewoners van Jakarta direct schade melden in geval van overstroming of extreme neerslag. Hiermee kunnen reddings- en herstelacties veel sneller op gang komen[4].

Delen en smart

Smart cities hoeven geen sharing cities te zijn. Smart is een veel breder begrip dan delen; in sommige smart cities kan delen echter een belangrijke rol spelen. Dit is het geval in de steden die ik reken tot de categorie smart city 3.0[5].

screenshot 2 kopie

Opvattingen van Amsterdammers over delen

Amsterdam profileert zich al enkele jaren als smart city. Onlangs eigende de stad zich ook de adjectieven sharing en collaborative toe. Uitgaande van de voorbeelden van McLaren & Agyeman zijn daarvoor goede inhoudelijke redenen die verder gaan dan city marketing. Toch vind ik het naast elkaar gebruiken van beide termen niet verstandig. De missies van Amsterdam Smart City[6] en Amsterdam Sharing City[7] verschillen weinig en onder de burgers leven ze nauwelijks. Vanuit een communicatieoogpunt had ik ervoor gekozen om eenduidig te kiezen voor Amsterdam Smart City en dit begrip te verhelderen aan de hand van een beperkt aantal trefwoorden. Een daarvan zou samen delen (sharing) zijn. Uitgaande van de voornoemde missies zou mijn keuze van de andere zijn: De burger centraal (citizen-based), iedereen telt (inclusive), ondernemend (entrepreneurial), samenwerkend (collaborative),  duurzaam (sustainable) en digitaal verbonden (IT-enabled). Wie weet heeft alsnog iemand wat aan mijn advies.

[1] Zie mijn artikel over smart versus resilient steden: http://smartcityhub.com/collaborative-city/smart-cities-resilient-cities-make-difference/

[2] Sharing Cities, A case for truly smart and sustainable cities (MIT Press, 2015)

[3] Zie ook de volgende infographic: [3] http://english.sharehub.kr/infographic-sharing-city-seoul-4-years-achievements/

[4] Het volgende filmpje geeft hier een beeld van: https://www.youtube.com/watch?v=O7VDjjeEdN8&feature=youtu.be

[5] Dit artikel geeft een overzicht van de betekenissen die aan het begrip smart city worden toegekend: http://smartcityhub.com/collaborative-city/smart-cities-1-0-2-0-3-0-whats-next/

[6] https://amsterdamsmartcity.com

[7] http://www.sharenl.nl/amsterdam-sharing-city/

‘Commoning’ als middel om gemeenschapsvoorzieningen te behouden

16 Sep

 

images

De Polfermolen in Valkenburg aan de Geul

De gemeente waarin ik woon, Valkenburg aan de Geul, exploiteert een schitterende sport- en theateraccomodatie, inclusief een 25-meterbad en verschillende recreatieve baden. Het complex – de Polfermolen – is in 2001 opgeleverd. Sloop ligt echter in het verschiet. De gemeente wil om begrijpelijke redenen de kosten (gemiddeld € 1,5 miljoen per jaar) niet langer dragen.

Vrijwel elke gemeente heeft hoofdpijndossiers als de Polfermolen. De meeste daarvan hebben een vergelijkbare voorgeschiedenis.

De nadagen van de verzorgingsstaat

Vooropgesteld, ik vind dat de overheid naast de zorg voor openbare orde en veiligheid verantwoordelijk is voor de beschikbaarheid van nutsvoorzieningen, onderwijs, zorg en openbaar vervoer. Dit betekent niet dat de overheid deze voorzieningen ook zelf zou moeten exploiteren. Dit geldt in nog veel mindere mate voor voorzieningen waarvan incidenteel of door slechts een deel van de bevolking gebruik wordt gemaakt, zoals sportcomplexen, schouwburgen, musea, bibliotheken en zwembaden. In de hoogtijdagen van de verzorgingsstaat werd hier anders over gedacht met de voornoemde hoofdpijndossiers als gevolg.

Van welvaartsstaat naar burgerinitiatieven

De idee dat de burger in de eerste plaats consument is en dat de overheid moet voorzien in alle welzijnsvoorzieningen die commercieel niet of  tegen een te hoge prijs aangeboden kunnen worden, is aan het veranderen.

Overal ter wereld nemen burgers zelf het initiatief om samen zaken van gemeenschappelijke waarde te creëren en nemen zij de verantwoordelijkheid voor de exploitatie ervan. De deeleconomie is onderdeel van dit streven. Het is inmiddels heel gewoon dat huiskamerrestaurants ontstaan, gemeenschappelijke (groenten)tuinen worden aangelegd, speeltuinen worden beheerd, vervoersoplossingen worden bedacht, ouderen samen voor passende huisvesting zorgen en ga zo maar door[1]. Drijfveer is niet alleen het beschikbaar komen van ontbrekende voorzieningen en het op afstand houden van betutteling door de overheid, maar ook de voldoening die het samen creëren en in stand houden ervan schenkt. In dit verband is vaak sprake van sociaal kapitaal [2].

De vraag ligt daarom voor de hand of het een optie is dat de gebruikers van voorzieningen als het sportcomplex de Polfermolen in Valkenburg aan de Geul, de exploitatie daarvan samen overnemen in plaats van te berusten in de sluiting ervan.

zwembad jekerdal 41

Het Jekerbad in Maastricht

Op korte afstand van Valkenburg – in Maastricht – speelde in de jaren ’80 een vergelijkbaar probleem. De gemeente vond de exploitatie van het Jekerbad te duur en wilde het sluiten. Dit leidde tot een burgerinitiatief met als doel het bad te behouden. Er werd een vereniging opgericht, die inmiddels 6000 leden heeft en een wachtlijst van 10 jaar (sic) kent. De leden kunnen onbeperkt zwemmen voor een bedrag van € 55 per jaar en ze verrichten af en toe werkzaamheden. Gerard Peters, een van de leden van het eerste uur: “De grote aantrekkingskracht van het bad is dat het van de leden is. Dat is zo’n bindende factor dat mensen zich verantwoordelijk voelen. Het is je eigen bad en daar zet je je graag voor in.”[3]  Dat kun je helaas niet zeggen van menige overheidsvoorziening.

De oprichting van een vereniging van gebruikers van de Polfermolen – en vergelijkbare gevallen – kan een alternatief bieden voor sluiting, al gaat het vaak om meer complexe projecten dan het Jekerbad. Een onderzoek naar de haalbaarheid is echter alleszins de moeite waard. Ik benadruk dat het  – net als bij het Jekerbad – om meer gaat dan de vervanging van betaalde arbeidskrachten door vrijwilligers. namelijk het verwerven van zeggenschap – niet per se juridische eigenaarschap – en de verantwoordelijkheid voor de exploitatie.

De civil society

Poortje_gevangenis_-_Amsterdam_-_20017122_-_RCE

Ingang Heiligewegbad in Amsterdam

Eigenlijk is er niets nieuws onder de zon. De tweede helft van de 19de eeuw en de eerste helft van de 20ste eeuw staan bekend vanwege de opkomst van de civil society. Burgers onttrokken zich geleidelijk aan patriachale en autoritaire verbanden en hun gevoelens van eigenwaarde en onderlinge solidariteit groeiden. Dit had onder andere een ongekende bloei van het verenigingsleven tot gevolg en bevorderde ook de opkomst van coöperaties, spaarkassen, onderlinge verzekeringen en sportfondsen. Deze laatste maken de cirkel rond: Zwemmen deed je vroeger niet in een commercieel of in een gemeentebad, maar in een sportfonsenbad, voortgekomen uit burgerinitiatieven[4].

Terug naar het heden. Ik zou het fantastisch vinden als gebruikers van de Polfermolen samen het beheer en de exploitatie ervan ter hand nemen. Wie weet, gaat ‘de Molen’ draaien als nooit te voren en wordt zij een voorbeeld voor vergelijkbare gevallen.

[1] Creëren van gezamenlijke voorzieningen wordt doorgaans ‘commoning’ genoemd. Engeland loopt hierin voorop, mede ook vanwege de kaalslag van openbare voorzieningen de afgelopen decennia. Zie voor een verslag van een grootschalig project in de Londense wijk West Noorwood: https://drive.google.com/file/d/0B28SOnHQM5HVV0pyT2p1NGNvQk0/view

[2] Een schitterende studie van ‘sociaal kapitaal’ is het boek Bowling Alone, The Collapse and Revival of American Community van Robert Putman. Deze studie onderzoekt het verdwijnen en weer deels herstellen van het gemeenschapsgevoel in de VS.  Zij is gebaseerd op 500.000 interviews die Putman en zijn studenten afnamen over een reeks van vele jaren. Het feit dat burgers samen iets opzetten en beheren schept gemeenschapsgevoel, dat zich volgens de auteur uit in meer onderling vertrouwen, meer sociale betrokkenheid, meer tevredenheid in het leven en zelfs een betere gezondheid. Zie http://bowlingalone.com

[3] Zie: https://verenigingflevoparkbad.wordpress.com/2014/11/02/succesverhaal-buitenbad-jekerdal-al-30-jaar-van-buurtbewoners/

[4] Sportfondsenbaden zijn eind 19de eeuw ontstaan uit een voorloper van crowd funding:  https://nl.wikipedia.org/wiki/Sportfondsenbad. Het eerste Sportfondsenbad in Nederland was het Heiligewegbad in Amsterdam, dat in 1987 ondanks protest van de bewoners van Amsterdam-Centrum plaats moest maken voor een nieuw winkelcentrum.

 

Smart cities of resilient cities. Maakt het wat uit?

4 Sep

Wereldwijd leeft 55% van alle mensen in steden en hun aantal neemt snel toe. Steden bedekken 4% van het landoppervlak, gebruiken 67% van alle geproduceerde energie en zorgen voor 70% van alle broeikasgassen.

Steden zijn niet alleen de belangrijkste economische centra van de wereld, ook hun politieke macht groeit. Waarnemers geloven dat duurzaamheid eerder zal voortvloeien uit beleid van steden dan uit maatregelen van nationale overheden. Voor sommige landen een hele opluchting!

Om hun intenties duidelijk te maken, gebruiken veel steden adjectieven als smart, resilient, sustainable, sharing en meer.

Athene resilient city

Smart city

Een inventarisatie van wetenschappelijke artikelen leverde meer dan 30 verschillende definities op van smart city.[1] De definitie van Caragliu uit 2009 is het meest geciteerd: We believe a city to be smart when investments in human and social capital and traditional (transport) and modern (ICT) communication infrastructure fuel sustainable economic growth and a high quality of life, with a wise management of natural resources, through participatory governance.

screenshot 16

Resilient city

De eerste maal dat het begrip resilience (weerbaarheid) werd gebruikt in de context van stedelijke beleid dateert van 2002. Echter, pas in 2012 begon de frequentie van de zoekopdrachten in Google naar het begrip resilient city snel toe te nemen. In tegenstelling tot smart city is het aantal definities van resilient city beperkt. Steden die zich resilient noemen, zoals Rotterdam en Den Haag, claimen dat ze het vermogen van alle inwoners, bedrijven en instellingen om zich te ontwikkelen versterken, ook als deze worden blootgesteld aan chronische spanningen en acute schokken.

Voorbeelden van chronische spanningen zijn hoge werkloosheid, overbelast of inefficiënt openbaar vervoer, aanhoudend geweld en voedsel- en watertekort. Acute schokken zijn aardbevingen, overstromingen, uitbraken van ziekten en terrorististische aanslagen.

Oorsprong en ontwikkeling van de smart city en de resilient city

De begrippen smart city en resilient city hebben verschillende wortels.

Technologiebedrijven, zoals Cisco, IBM, Siemens en Philips zijn tijdens de economische crisis het begrip smart city gaan propageren als onderdeel van hun strategie om nieuwe markten te vinden en nieuwe klanten aan te trekken.

Het gebruik van het begrip resilient city is daarentegen bevorderd door internationale organisaties en samenwerkingsverbanden van steden en drukt de wil uit zich beter voor te bereiden op gevaren zoals de orkanen Katarina in de New Orleans regio (2005) en Sandy langs de oostkunst van Noord-Amerika (2012).

screenshot 8

De bij de 100 Resilient Cities Challenge aangesloten steden

Zoals blijkt uit de bovenstaande definitie, is het begrip gevaar inmiddels opgerekt naar externe bedreigingen in het algemeen, variërend van klimaatverandering en milieuvervuiling tot armoede en congestie.

Het begrip smart city is ook geëvolueerd. Elders heb ik een onderscheid gemaakt tussen smart cities 1.0, 2.0 en 3.0[2]. Deze typering wijst op de ontwikkeling van het denken over smart cities van de inzet van ICT als een instrument om de economische groei en het concurrentievermogen te versterken naar een brede en participatieve strategie gericht op de oplossing van problemen met betrekking tot milieu, sociale gelijkheid en versterking van sociaal kapitaal in het algemeen.

De 100 Resilient Cities Challenge

De resilient city-beweging heeft in 2014 een krachtige stimulans gekregen toen de Rockefeller Foundation 100 miljoen dollar investeerde in de 100 Resilient Cities Challenge[3]. Mede door deze vorm van institutionalisering toont het beleid van de steden die zijn toegelaten tot deze beweging meer overeenkomsten dan dat van de zelf-benoemde smart cites. Het zogenaamde City Resilence Framework, speelt een sleutelrol in elke strategie van elk van de deelnemende steden.

screenshot 2

Met behulp van het City Resilience Framework kunnen steden een analyse maken van hun veerkracht op verschillende terreinen en vervolgens een strategie ontwikkelen om zwakke punten te verbeteren. Het resultaat van de analyse in Rotterdam is hieronder aangegeven[4]. Op dit moment hebben al 30 steden strategische rapporten gepubliceerd met doel om hun veerkracht in het komende decennium te vergroten. Onder hen zijn Rotterdam[5] en Athene[6], een stad die een briljant uitgewerkte actieplan heeft gepubliceerd. Een gloednieuw rapport, Cities Taking Action, geschreven ten behoeve van de onlangs gehouden Resilience Summit in juli 2017 te New York, biedt een bloemlezing van wat de 100 betrokken steden in het recente verleden hebben bereikt[7].

screenshot 7

Beschrijving van smart city en resident city convergeert

De reeds aangehaalde publicatie van Rocco Papa e.a. laat zien dat actuele omschrijvingen van smart en resilient cities vrijwel gelijke termen hanteren (zie onderstaande inventarisatie).

screenshot 9

Bijgevolg neigen sommige publicaties ertoe het begrip resilience als een kenmerk van smart cities te zien. Andere auteurs vragen zich af of het begrip resilient city voor smart city in de plaars zal komen. Ik ben geen voorstander van de assimilatie van een van deze termen door de andere. Beide concepten hebben hun eigen wortels en krijgen gaandeweg betekenis voor de betrokken burgers. Daarom kunnen ze beter als vergelijkbaar worden beschouwd, zoals dat goed wordt begrepen door een van de Internet platforms[8]. Overigens is het City Resilence Framework vanwege zijn gedetailleerde uitwerking ook voor smart cities een zeer nuttig beleidsinstrument.

Een gezamenlijke omschrijving tot slot

Zowel smart cities als resilent cities hanteren idealiter een breed instrumentarium om chronische en acute stedelijke problemen aan te pakken en te voorkomen, waarbij ICT een passende rol speelt. Zij maken het mogelijk dat alle actoren deelnemen aan de tot standkoming en de uitvoering van het beleid. Zij investeren in de groei van sociaal kapitaal door bevordering van onderwijs, werkgelegenheid, samenwerking en delen als basis van een goed bestaan voor alle burgers.

[1] Rocco Papa. Adrina Galderisi, Maria Christina Vigo Majello, Erica Saretta: Resilient cities: A systematic approach for developing cross-sectoral strategies in the face of climate change. TeMA Journal of Land Use Mobility and Environment 1 (2015)

[2] http://smartcityhub.com/collaborative-city/smart-cities-1-0-2-0-3-0-whats-next/

[3] http://www.100resilientcities.org

[4] http://lghttp.60358.nexcesscdn.net/8046264/images/page/-/100rc/Blue%20City%20Resilience%20Framework%20Full%20Context%20v1_5.pdf

[5] http://www.100resilientcities.org/wp-content/uploads/2017/06/strategy-resilient-rotterdam.pdf

[6] http://www.100resilientcities.org/wp-content/uploads/2017/06/Athens_Resilience_Strategy_-_Reduced_PDF.compressed.pdf

[7] http://100resilientcities.org/wp-content/uploads/2017/07/WEB_170720_Summit-report_100rc-1.pdf

[8] https://www.smartresilient.com

Hoe geld weer middel wordt in plaats van doel

14 Aug

Vooropgesteld, lang niet alles op deze wereld (en zeker niet in Nederland) is kommer en kwel. Wereldwijd is veel bereikt, onder andere op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg (zie onderstaande grafiek) . De welvaart in een aantal landen is gestegen. De kwaliteit van veel producten en diensten is verbeterd, vaak op basis van aanzienlijke investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Een groeiend aantal bedrijven kiest bewust voor de status van maatschappelijke onderneming om lange termijndoelen te realiseren die een positieve impact hebben op de samenleving.

Ctb3FtEWIAA3Tr8Niettemin kent de wereld kent een aantal chronische problemen. In een eerdere post heb ik een aantal daarvan herleid op het kapitalisme[1]. In essentie gaat het daarbij om het feit dat in de samenleving geld doel is geworden in plaats van middel. In deze post ga ik in op de vraag hoe dit kan veranderen. Zich socialistisch noemende landen zijn wat mij betreft geen lichtende voorbeelden. Zij hebben de meeste kenmerken van het kapitalisme inmiddels overgenomen en ze nemen het niet zo nauw met liberate vrijheden en de rechtstaat zoals wij die kennen.

images-1Maar ook programma’s van politieke partijen kunnen mij maar matig bekoren. Het grootste probleem met partijen aan de linker zijde is dat zij de kracht van het ondernemerschap onderschatten en de uitwassen daarvan willen bestrijden met steeds méér toezicht, wet- en regelgeving. Zij overschatten het effect van overheidsbemoeienis en zien de perverse effecten daarvan over het hoofd. De politieke partijen ter rechterzijde hebben hun ziel en zaligheid verbonden aan economische groei. Ze hebben weinig oog voor de verschillen tussen mensen in macht, rijkdom en ontplooïngskansen en de negatieve gevolgen daarvan.

Ik ga eerst in op de vraag wat er zoal zou moeten gebeuren en daarna hoe veranderingen tot stand kunnen komen. Mijn opsomming is allesbehalve volledig.

Bedrijven en organisaties[2]:

  1. Alle bedrijven en organisaties verwerven binnen tien jaar de status van (gecertificeerde) ‘benefit corporation’. Dat wil zeggen dat ze hun handelen baseren op een expliciete bijdrage aan de (wereld)samenleving als geheel (‘purpose’) en niet in de eerste plaats streven naar maximaliseren van de aandeelhouderswaarde.employee-benefits-header1
  2. Aandeelhouders verliezen directe invloed op het bedrijfsbeleid, bijvoorbeeld door aandelen onder te brengen in stichtingen. IKEA heeft dit al gedaan. Vijandige overnames worden ook met andere middelen voorkomen.
  3. Bedrijven en organisaties stimuleren zeggenschap en autonomie van werknemers. Leiderschap wordt gedeeld en verantwoordelijkheden en bevoegdheden gedecentraliseerd.
  4. Alle inkomens zijn openbaar. De hoogste inkomens bedragen maximaal tien maal het modale inkomen. Minimuminkomens zijn voldoende voor een menswaardig bestaan.Unknown-3
  5. Beurzen stoppen met ‘high frequency trade’ (computergestuurde handel in aandelen) en aandelen dienen minimaal een jaar in iemands bezit te zijn, voordat ze kunnen worden verkocht.
  6. Banken zorgen ervoor dat bedrijven goedkoop geld kunnen lenen. Zij richten een onderling risicofonds op. Hoe meer geld rechtsstreeks van banken of via crowd funding kan worden verkregen, des te minder wordt de noodzaak van een beursgang.

Overheid

  1. De overheid baseert haar beleid op inclusieve groei in plaats van op vergroten van het bruto nationaal product. Uitgangspunt daarbij zijn de doelen voor duurzame ontwikkeling van de VN. [3screenshot-4
  2. Overheden beperken wet- en regelgeving tot essentiële zaken. Ze stimuleren zelfregulering en zien toe op stringente uitvoering daarvan.
  3. Wet- en regelgeving sluit aan op internationale verdragen (zoals het verdrag van Parijs). Waar deze verdragen tekortschieten gelden nationale wetten. Concurrentievoordeel voor buitenlandse goederen of diensten dat hieruit voortvloeit, wordt vereffend met belastingmaatregelen.
  4. De beschikbaarheid van nuts- en andere essentiële voorzieningen is gegarandeerd. Dit houdt niet in dat de overheid deze zelf exploiteert.
  5. Overheden ondersteunen burgers die zelf gemeenschappelijke voorzieningen willen beheren, bijvoorbeeld door ‘commoning’ of ‘sharing’.
  6. De overheid beijvert zich voor internationale afspraken die ertoe leiden dat bedrijven en personen belasting afdragen over de inkomsten die ze in het desbetreffende land verdienen.images-4
  7. Baanomvang (werktijd per week) en persioengerechtigde leeftijd worden verder geflexibiliseerd. Als de werkgelegenheid als gevolg van automatisering lager wordt dan de vraag naar arbeid, treedt de overheid regulerend op.
  8. Op termijn worden voorzieningen voor niet-arbeidgebonden inkomens ondergebacht in een basisinkomen.
  9. De invloed van burgers op de politiek wordt aanzienlijk vergroot, bijvoorbeeld door het stemmen op programma’s in plaats van op partijen[4]

Onderwijs

  1. Onderwijs stelt ontplooing van aanwezige talenten voorop. Het biedt meer keuzemogelijkheden en vrijheidsgraden in tempo en duur dan thans. Onderwijs bereidt voor op alle aspecten van het leven.AAEAAQAAAAAAAAekAAAAJDk5OGIyMzdhLWIxMWYtNDI4Yi05MWQzLTYzN2ZmNWE4ZjZjNw
  2. Sectoren in de samenleving kunnen kwalificeringseisen stellen en zullen er opleidingen ontstaan die daarop anticiperen. Een logisch gevolg is ook dat vervolgonderwijs ingangseisen kan stellen.
  3. Het onderwijs draagt ertoe bij dat kinderen van jongs af aan minder op bezit en competitie ingesteld raken en er zo meer draagvlak ontstaat voor een economie waarin hergebruik en delen van goederen en diensten normaal is.

Hoe komt verandering tot stand?

  1. Verandering zal niet vanuit de bestaande partijen komen, tenzij er naar Frans voorbeeld een volksbeweging alle stemmen naar zich toetrekt. De kans daarop is minimaal door de verschillen tussen het Franse en Nederlandse kiesstelsel.Unknown-3
  2. Een werkend alternatief is massaal lid worden van een ‘volksbeweging’ geënt op een beperkt aantal waarden en daaruit voortvloeiende fundamentele veranderingen. ‘Nederland kantelt’ kan hiertoe een aanzet geven. Het beste is als gelijktijdig een aantal ‘bekende Nederlanders’ uit het bedrijfsleven en de wereld van politiek, kunst en wetenschap zich voor deze waarden uitspreken en andere Nederlanders zich hierbij aansluiten.
  3. Een aantal politieke partijen zou dat vervolgens ook kunnen doen en kunnen besluiten om een kabinet te vormen dat deze waarden als uitgangspunt neemt. Over allerlei andere kwesties kan de Kamer op basis van (wisselende) meerderheden besluiten.

Het zou mooi zijn als lezers bovenstaande opsomming zouden aanvullen en er over niet al te lange termijn een ‘charter’ geformuleerd zou kunnen worden, bestaande uit een aantal kernwaarden.

[1] Zie: http://wp.me/p32hqY-1jd

[2] De navolgende maatregelen zijn geinspireerd door de uitkomsten van het Purpose of the Corporation project van Cass Business School te London, waarover ik eerder heb geschreven: http://wp.me/p32hqY-Sv

[3] Over het verschil tussen inclusieve groei en bruto nationaal product heb ik geschreven in de volgende blogposts: Welvaart zonder bijsmaak http://wp.me/p32hqY-Va en Geen economische groei maar inclusieve ontwikkeling: http://wp.me/p32hqY-XB

[4] Zie voor een uitwerking van het principe stemmen op programma’s in plaats van op partijen: Nederland democratisch? Over beleid heeft de kiezer niets te zeggen http://wp.me/p32hqY-1dP