Archief | mei, 2017

De armoede van big data

20 Mei

Er komen steeds meer en omvangrijkere datasets, vaak met gegevens over de hele wereld. De belofte is dat de kwaliteit van beleid daarmee kan worden verhoogd. Ik bespreek twee recente toepassingen van big data, waaruit blijkt dat deze belofte bij lange na niet wordt ingelost. Sterker nog, resultaten zijn vaak triviaal en soms misleidend.

big-data

De meest innovatieve universiteiten van Europa

Het eerste rapport is een rating van de meest innovatieve universiteiten van Europa, uitgevoerd door Reuters[1]. Er is een grote hoeveelheid data per universiteit verzameld en op basis daarvan is een samengestelde score berekend. Het bijgevoegde overzichtje geeft het resultaat weer. screenshotHet rapport gebruikt tien criteria; zeven(!) daarvan betreffen de geregistreerde patenten van elke universiteit. Hier wringt de schoen. In de eerste plaats is de titel meest innovatieve universiteit misleidend. Het gaat niet om het innovatieve karakter van de desbetreffende universiteit als zodanig, maar om het aantal gepatenteerde uitvingen. De bijdrage daarvan aan innovatie is beperkt en komt van slechts een klein aantal universiteiten. Naast patenten leveren universiteiten ook op andere en vaak meer substantiële wijze een bijdrage aan innovatie. Te denken valt aan spin-offs, de vorm en inhoud van het onderwijs en samenwerking met onderzoekers binnen bedrijven[2]. Dit rapport doet hieraan nauwelijks recht.

De productiviteit van de overheidsdienstverlening

De tweede studie heet Government productivity en is uitgevoerd door het McKinsey Center for Government (MCG)[3]. De studie wil aantonen dat overheden wereldwijd $ 3500 miljard te veel uitgeven en dat geld de komende vijf jaar kunnen gebruiken om te bezuinigen of om de effectiviteit van hun dienstverlening te verbeteren (zie onderstaande afbeelding).

screenshot 2

Cruciaal is de wijze waarop effectiviteit wordt gemeten. Ik neem het hoger onderwijs – een van de besproken diensten – als voorbeeld. Voor elk land is een index berekend aan de hand van vier datasets: (1) Het aantal afgestudeerden ten opzichte van de instroom, (2) de kwaliteit van het onderwijs, de (3) baankans en het (4) inkomen van afgestudeerden. De kwaliteit van het onderwijs is gebaserd op de jaarlijkse rating van universiteiten door Times Higher Education.

Door per land effectiviteit te delen door kosten per student, berekenden de onderzoekers de productiviteit. De idee is nu dat regeringen de productiviteit van het hoger onderwijs op twee manieren kunnen verhogen: Of ze nemen een voorbeeld aan een land met een vergelijkbare effectiviteit, maar dat minder uitgeeft en ze besparen zo een hoop geld. Of ze spiegelen zich aan een land met een vergelijkbaar uitgavenniveau, maar dat dit geld effectiever besteedt en ze verbeteren zo hun effectiviteit zonder dat dit extra geld kost.

Wat MCG gedaan heeft is op zich ingenieus, maar als grondslag voor beleid schiet de berekening tekort. In de eerste plaats is manier waarop effectiviteit is geoperationaliseerd triviaal. Neem het Verenigd Koninkrijk. Dit is topscorer op het gebied van effectiviteit. Dit komt vooral door de hoge score van universiteiten in het Verenigd Koninkrijk op de rating van Times Higher Education, die overigens vooral wetenschappelijke reputatie meet. De universitaire infrastructuur in dat land is in eeuwen opgebouwd, mede dankzij omvangrijke schenkingen van particulieren. Geen enkel land kan binnen de gestelde vijf jaar voorzien in een vergelijkbaar stelsel, nog afgezien van het feit dat wetenschappelijke reputatie niet hetzelfde is als kwaliteit van het onderwijs. Maar ook op het gebied van werkgelegenheid en inkomen van afgestudeerden is de invloed van overheden beperkt. Het is een illusie dat landen geld kunnen besparen of hun geld effectiever kunnen besteden dankzij de berekeningen van McKinsey.

Businesswoman standing looking at data flowchart in cloudy landscape

In beide voorbeelden is sprake van enorme datasets, ingenieuze berekeningen, maar triviale en zelfs misleidende resultaten. Het komt omdat gecomplicerde onderwerpen, zoals het innovatieve karakter van universiteiten  en de effectiviteit van het hoger onderwijs vertaald worden naar enkele variabelen waarvoor data beschikbaar zijn (proxies). Het gevolg is een vergaand reductionisme, dat voorbij gaat aan de gecompliceerdheid van de onderwerpen en aan de uiteenlopende denkbeelden daarover.

We gaan dit reductionisme steeds vaker zien, ook binnen wetenschappelijk onderzoek. Het is immers verleidelijk om uit te gaan van bestaande datasets in plaats van eerst de gebruikte begrippen uit te diepen en op basis daarvan te bepalen welke gegevens nodig zijn. Beleid dat op deze manier tot stand komt, berust op drijfzand.

[1] Het rapport kan hier worden bekeken: http://www.reuters.com/article/us-reutersrankings-europeanuniversities-idUSKBN17Z09T#list

[2] Herman van den Bosch: Universiteit en bedrijfsleven: een moeizame relatie in:Robert Kok e.a.: Versterking van innovatie, Boom 2013, p. 201-215.

[3] Dit rapport en zijn samenvatting kan vanaf deze site worden gedownload: http://www.mckinsey.com/industries/public-sector/our-insights/the-opportunity-in-government-productivity

Advertenties

Smart cities zijn de oplossing, maar voor welk probleem?

14 Mei

Op zoek naar een antwoord op de vraag of de smart city een stad is van slimme mensen of van slimme technologie, kwam ik het verslag tegen het symposium Beware of Smart People! Redefining the Smart City Paradigm towards Inclusive Urbanism gehouden in Berlijn op 19 – 20 juni 2015[1]. Deze post is hier mede op gebaseerd[2].

De wereldbevolking groeit en concentreert zich in steden. Onnodig te zeggen dat dit – vooral in ontwikkelende landen – voor grote problemen zorgt. Tegelijkertijd concentreren bedrijvigheid en rijkdom zich eveneens binnen urbane gebieden, wat ertoe leidt dat steden elkaar op wereldniveau beconcurreren en zich – in weerwil van alle problemen – zo aantrekkelijk mogelijk positioneren.

Het begrip smart city verwijst naar een min of meer samenhangend geheel van data en digitale en andere technologieën om stedelijke problemen aan te pakken[3]

61b3f32ecf6710fae9fcf4ce8e3d83e456ccc40b

Colin McFarlane en andere deelnemers aan het symposiun zien het anders: What remains to be seen, is the extend to which the smart city agenda is anything else than another instantiation of corporate power grabs, entrenching surveillance, private control over urban management and repacking neoliberalism in the dressing of seductive technologies and reimagined municipalities and citizens[4]

De moderne stad wordt hier neergezet als een toonbeeld van marktwerking, een icoon van de consumptiemaatschappij en een plaats van ver doorgevoerde functiescheiding, sociale ongelijkheid, groeiende welvaardsverschillen en vervreemding. Toepassing van digitale technologieën wordt in deze context al snel met toezicht en machtsuitoefening geassocieerd.

Er is dan ook een heel andere visie mogelijk op wat een smart city is, namelijk een stad die ruimte biedt aan commoning: Het gezamenlijk door burgers vorm geven van de leefruimte, eerder gebaseerd op principes van deeleconomie en directe democratie dan op basis van technologie. Een vaak aangehaalde voorbeeld zijn de bewonersinitiatieven die tot een alternatieve invulling van het voormalige vliegveld Tempelhof in Berlijn hebben geleid (zie afbeelding hieronder).

screenshot 4

Een derde betekenis van het begrip ‘smart city’ is die van stedelijke utopie. Dit geldt vooral voor vanuit het niets opgebouwde steden als Songdo in Zuid Korea, Mazdar (VAE), Dholera (India) en dichter bij huis PlanIT Valley nabij Porto (Portugal). De betrokken investeerders zien deze steden vooral als troeven in de globale concurrentiestrijd. Inzet zijn aantrekkelijke woonomgeving, van alle gemakken voorziene kantoorruimte, uitmuntende connectiviteit en toegankelijkheid en ook hoge standaarden met betrekking tot duurzaamheid en milieu. Deze smart utopias beantwoorden zelden aan de verwachtingen. Soms vervallen ze tot spooksteden, zoals Ordos in China[5], of verloopt hun ontwikkeling anders dan gepland: Songdo (Z. Korea) oefent vooral aantrekkingskracht uit op bewoners van het nabijgelegen Seoul en veel minder op (internatiale) bedrijven. De $1,4 miljard kostende 12 km lange zesbaans hangbrug die de stad met het vliegveld verbindt is akelijk leeg, terwijl een goede spoorverbinding met Seoul node wordt gemist (zie afbeelding hieronder).

20211828998_52f6d4dc28_z

Zijn de verschillende benaderingen van ‘smart city’ verenigbaar?

Ik denk van wel, maar dan moeten tevens de volgende vragen worden beantwoord:

  1. Wat is het meest wenselijk gebruik van de stedelijke ruimte, gezien vanuit een multi-actor en multi-stakeholder perspectief?
  2. Hoe kunnen alle bewoners maximaal deelname aan het stedelijk leven?
  3. Welke mix aan bedrijven draagt bij aan een zo groot mogelijke en gediversifieerde duurzame werkgelegenheid?
  4. Wat is de beste manier om zo veel mogelijk stedelingen bij besluitvorming op verschillende niveaus te betrekken?

De rol van data, digitale voorzieningen en andere technologieën moet worden gekeken in samenhang met de beantwoording van deze vier vragen. The real smart city needs to start with the city and its attendant social problems, rather than looking immediately to smart technology for answers[6]. Dit verbreedt het denken en leidt ook tot onder ogen zien van low-tech of no-tech oplossingen. Een stad kan dan het predicaat smart claimen als “… investments in human and social capital and traditional (transport) and modern (ICT) communication infrastructure fuel sustainable economic growth and a high quality of life, with a wise management of natural resources, through participatory government.[7]

screenshot kopie 2Een bijzondere bijdrage aan het symposium kwam van Gautam Bahm uit India[8]. De smart city bestaat zijns inziens niet. Placeless concept have no meaning. Een smart city in India zal anders uitzien dan een in bijvoorbeeld Duitsland. In Indiase steden is commoning heel gewoon: Grote delen van steden zijn daar auto-constructed, volgens een andere logica dan die van planners en architecten (zie afbeelding hiernaast). Er is echter grote behoefte aan een basale infrastructuur: Nu is 17% van de grond bedekt met krakkemikkige pijpleidingen voor watervoorziening en riolering. Hetzelfde geldt voor de draden voor electriciteit en telefoon. Hier ligt een enorme taak voor stedelijke planning, die aansluit bij het bestaande weefsel van lokale gemeenschappen in plaats van deze te verwoesten, zoals gebeurt in China en op veel andere plaatsen.

Het begrip ‘smart city’ kan icoon worden van een nieuwe digitaal gefaciliteerde vorm van samenleven in de stedelijke ruimte. Hiervoor is een zienswijze op de stad nodig als een plaats die inclusive, shared and negociated is en op bewoners als active producers and contributors, vanwege hun lokale kennis, expertise, creativiteit, vaardigheid om te netwerken en ondernemerschap.

[1] Je vindt dit verslag op https://goo.gl/cgDemx.

[2] Ik ben gevraagd om curator te worden van Amsterdam Smart City. Om deze reden zullen er de komende tijd geregeld blogposts verschijnen over smart cities, een verschijnsel dat kan worden begrepen als een vorm van innovatie van de stedelijke ruimte.

[3] Dit en het volgende citaat is ontleend aan de bijdrage van Colin McFarlane (p.89).

[4] Smart cities worden in hoge mate ‘gepushed’ vanuit grote IT-bedrijven. In het geval van PlanIT Valley zijn ze de grootste investeerders.

[5] https://www.businessinsider.nl/surrealistische-fotos-van-chinas-mislukte-stad-van-de-toekomst/

[6] Zie: Robert Hollands: Critical Interventions into the Corporate Smart City Cambridge Journal of Regions, Economy and Society. Vol 8 (1) 2015, p. 61.

[7] Zie: Andrea Caragliu, Chiara del Bo en Peter Nijkamp: Smart Cities in Europe, Journal of Urban Technology, Vol 18(2), p. 652011, 70).

[8] De titel van deze inleiding luidde: Asking the wrong questions: Smart cities in contemporary urban India (p. 103)

Nieuwe wereld…. Andere business school

7 Mei

Drie organisaties op het gebied van duurzaamheid en management hebben in 2012 besloten om samen te werken aan vernieuwing van het bedrijfskundeonderwijs[1]. De directe aanleiding was dat 50 jaar daarvoor de rapporten van de Carnegie en de Ford Foundation waren verschenen en 20 jaar eerder de Rio Earth Summit zonder veel effect had aangedrongen op meer duurzaam gedrag van bedrijven. Vandaar de naam 50 + 20 agenda. Bekijk hieronder een korte presentatie.

De rapporten van de Carnegie en Ford Foundation hebben het bedrijfskundeonderwijs meer kwaad dan goed gedaan. Business schools waren voorheen plekken waar professionele managers werden opgeleid. De twee rapporten waren de opmaat voor de inlijving van deze instituten door gevestigde universiteiten. Door hun academisering verloren business schools gaandeweg hun betekenis voor de managementpraktijk[2]. Docenten met praktijkervaring werden zeldzaam en publicaties gaan aan de praktijk voorbij.

De 50 + 20 agenda wil het praktijkgerichte element herstellen, samen met een inhoudelijke oriëntatie op duurzaamheid[3]. De inzet is dat business schools er niet meer naar streven om de beste van de wereld willen zijn maar het beste vóór de wereld[4]. De 50 + 20 agenda heeft geleid tot de publicatie van een handboek[5] met bijbehorende website[6] met voorbeelden van good practice.

Ik sta kort stil bij de van de 50 + 20 agenda en het soort onderwijs dat deze voorstaat.

41sZKUAAmgL._SX329_BO1,204,203,200_Een andere missie

In de 50 + 20 agenda is een vooraanstaande rol weggelegd voor het bedrijfsleven bij de aanpak van armoede en opwarming van de aarde. Hiervoor is een omwenteling nodig. Bedrijven streven nu vooral naar groei en winst. Ze doen er daarom alles aan de consumptie te bevorderen. De studenten van nu – de leidinggevenden van later – kunnen deze spiraal doorbreken door te beijveren dat bedrijven hun missie afstemmen op de belangen van de samenleving[7]. Dit is op lange termijn ook goed voor de aandeelhouders.

Een ander soort onderwijs

Ook veel vakken zijn doordrongen van het denken in termen van groei en winst. Om bedrijven en hun omgeving beter in samenhang te kunnen zien, moeten de kennissilo’s worden gesloopt en plaatsmaken voor een interdisciplinaire en probleemgerichte benadering, gericht op oordeels- en besluitvorming. Hierbij moet volop aandacht zijn voor kritisch denken, ethiek, zelfkennis en soft skills. Het doceren van vakken moet plaatsmaken voor de aanpak van levensechte projecten zo veel mogelijk uitgevoerd binnen bedrijven.

screenshot 4

Hoofdlijnen 50+20 agenda

Een ander soort opleiders

De meeste docenten aan business schools moeten ervaring hebben in bedrijven of instellingen, bij voorkeur in organisaties die de belangen van alle stakeholders respecteren. Verder zijn medewerkers bereid om als public intellectuals deel te nemen aan het publieke debat over de transformatie van de samenleving en de rol van bedrijven daarin.

Een ander soort business school

Geen vakgroepen op functionele basis, maar teams die delen van het onderwijs verzorgen. De buitenwereld wordt zo veel mogelijk binnen de school gehaald, bijvoorbeeld door tegen kostprijs cursussen aan te bieden aan lokale ondernemers en startups. Er is eveneens een krachtige wisselwerking tussen fundamenteel en toegepast onderzoek.

De boodschap van de 50 + 20 agenda is binnen veel business schools aangekomen. Studenten in het bijzonder staan ervoor open. Veel dromen van een eigen innovatieve start-up waar ze hun idealen kunnen verwezenlijken. Maar de grootste opdracht ligt in de vanandering van gevestigde bedrijven. Kortom, er is nog een lange weg te gaan.

[1] Deze organisaties zijn: Global Responsible Leadership Initiative (GRLI), World Business School Council for Sustainable Business (WBSCSB) en Principles for Responsible Management Education (PRME)

[2] The 1959 Ford and Carnegie reports on business schools caused severe and probably permanent damage to business education, forcing it into a narrow and overly-theoretical mold. Daniel Carter in diens boek MBA: The First Century.

[3] De belangrijkste trekkers van dit initiatief zijn Katrin Muff (Business School Lausanne), Thomas Dylinck (University of St Gallen), Marc Bretel (GRLI), John North (Un. of Pretoria), Paul Shrivastava (Concordia University, Canada) en Jonas HeBusiness education for the worldart (PRME). Ook Paul Polman, CEO van Unilever was lid van de initiatiefgroep.

[4] http://50plus20.org/wp-content/uploads/sites/3/2012/06/5020_AGENDA_PRINT_a4_English.pdf

[5] Business education for the world. A vision for business schools serving people and planet. Edward Elgar 2013.

[6] Zie: 50plus20.org/benchmarks

[7] Bij de vaststelling van maatschappelijke doelstellingen wordt uitgegaan van de Global Goals van de VN.