Archief | Innovatie RSS feed for this section

Smart cities of resilient cities. Maakt het wat uit?

4 Sep

Wereldwijd leeft 55% van alle mensen in steden en hun aantal neemt snel toe. Steden bedekken 4% van het landoppervlak, gebruiken 67% van alle geproduceerde energie en zorgen voor 70% van alle broeikasgassen.

Steden zijn niet alleen de belangrijkste economische centra van de wereld, ook hun politieke macht groeit. Waarnemers geloven dat duurzaamheid eerder zal voortvloeien uit beleid van steden dan uit maatregelen van nationale overheden. Voor sommige landen een hele opluchting!

Om hun intenties duidelijk te maken, gebruiken veel steden adjectieven als smart, resilient, sustainable, sharing en meer.

Athene resilient city

Smart city

Een inventarisatie van wetenschappelijke artikelen leverde meer dan 30 verschillende definities op van smart city.[1] De definitie van Caragliu uit 2009 is het meest geciteerd: We believe a city to be smart when investments in human and social capital and traditional (transport) and modern (ICT) communication infrastructure fuel sustainable economic growth and a high quality of life, with a wise management of natural resources, through participatory governance.

screenshot 16

Resilient city

De eerste maal dat het begrip resilience (weerbaarheid) werd gebruikt in de context van stedelijke beleid dateert van 2002. Echter, pas in 2012 begon de frequentie van de zoekopdrachten in Google naar het begrip resilient city snel toe te nemen. In tegenstelling tot smart city is het aantal definities van resilient city beperkt. Steden die zich resilient noemen, zoals Rotterdam en Den Haag, claimen dat ze het vermogen van alle inwoners, bedrijven en instellingen om zich te ontwikkelen versterken, ook als deze worden blootgesteld aan chronische spanningen en acute schokken.

Voorbeelden van chronische spanningen zijn hoge werkloosheid, overbelast of inefficiënt openbaar vervoer, aanhoudend geweld en voedsel- en watertekort. Acute schokken zijn aardbevingen, overstromingen, uitbraken van ziekten en terrorististische aanslagen.

Oorsprong en ontwikkeling van de smart city en de resilient city

De begrippen smart city en resilient city hebben verschillende wortels.

Technologiebedrijven, zoals Cisco, IBM, Siemens en Philips zijn tijdens de economische crisis het begrip smart city gaan propageren als onderdeel van hun strategie om nieuwe markten te vinden en nieuwe klanten aan te trekken.

Het gebruik van het begrip resilient city is daarentegen bevorderd door internationale organisaties en samenwerkingsverbanden van steden en drukt de wil uit zich beter voor te bereiden op gevaren zoals de orkanen Katarina in de New Orleans regio (2005) en Sandy langs de oostkunst van Noord-Amerika (2012).

screenshot 8

De bij de 100 Resilient Cities Challenge aangesloten steden

Zoals blijkt uit de bovenstaande definitie, is het begrip gevaar inmiddels opgerekt naar externe bedreigingen in het algemeen, variërend van klimaatverandering en milieuvervuiling tot armoede en congestie.

Het begrip smart city is ook geëvolueerd. Elders heb ik een onderscheid gemaakt tussen smart cities 1.0, 2.0 en 3.0[2]. Deze typering wijst op de ontwikkeling van het denken over smart cities van de inzet van ICT als een instrument om de economische groei en het concurrentievermogen te versterken naar een brede en participatieve strategie gericht op de oplossing van problemen met betrekking tot milieu, sociale gelijkheid en versterking van sociaal kapitaal in het algemeen.

De 100 Resilient Cities Challenge

De resilient city-beweging heeft in 2014 een krachtige stimulans gekregen toen de Rockefeller Foundation 100 miljoen dollar investeerde in de 100 Resilient Cities Challenge[3]. Mede door deze vorm van institutionalisering toont het beleid van de steden die zijn toegelaten tot deze beweging meer overeenkomsten dan dat van de zelf-benoemde smart cites. Het zogenaamde City Resilence Framework, speelt een sleutelrol in elke strategie van elk van de deelnemende steden.

screenshot 2

Met behulp van het City Resilience Framework kunnen steden een analyse maken van hun veerkracht op verschillende terreinen en vervolgens een strategie ontwikkelen om zwakke punten te verbeteren. Het resultaat van de analyse in Rotterdam is hieronder aangegeven[4]. Op dit moment hebben al 30 steden strategische rapporten gepubliceerd met doel om hun veerkracht in het komende decennium te vergroten. Onder hen zijn Rotterdam[5] en Athene[6], een stad die een briljant uitgewerkte actieplan heeft gepubliceerd. Een gloednieuw rapport, Cities Taking Action, geschreven ten behoeve van de onlangs gehouden Resilience Summit in juli 2017 te New York, biedt een bloemlezing van wat de 100 betrokken steden in het recente verleden hebben bereikt[7].

screenshot 7

Beschrijving van smart city en resident city convergeert

De reeds aangehaalde publicatie van Rocco Papa e.a. laat zien dat actuele omschrijvingen van smart en resilient cities vrijwel gelijke termen hanteren (zie onderstaande inventarisatie).

screenshot 9

Bijgevolg neigen sommige publicaties ertoe het begrip resilience als een kenmerk van smart cities te zien. Andere auteurs vragen zich af of het begrip resilient city voor smart city in de plaars zal komen. Ik ben geen voorstander van de assimilatie van een van deze termen door de andere. Beide concepten hebben hun eigen wortels en krijgen gaandeweg betekenis voor de betrokken burgers. Daarom kunnen ze beter als vergelijkbaar worden beschouwd, zoals dat goed wordt begrepen door een van de Internet platforms[8]. Overigens is het City Resilence Framework vanwege zijn gedetailleerde uitwerking ook voor smart cities een zeer nuttig beleidsinstrument.

Een gezamenlijke omschrijving tot slot

Zowel smart cities als resilent cities hanteren idealiter een breed instrumentarium om chronische en acute stedelijke problemen aan te pakken en te voorkomen, waarbij ICT een passende rol speelt. Zij maken het mogelijk dat alle actoren deelnemen aan de tot standkoming en de uitvoering van het beleid. Zij investeren in de groei van sociaal kapitaal door bevordering van onderwijs, werkgelegenheid, samenwerking en delen als basis van een goed bestaan voor alle burgers.

[1] Rocco Papa. Adrina Galderisi, Maria Christina Vigo Majello, Erica Saretta: Resilient cities: A systematic approach for developing cross-sectoral strategies in the face of climate change. TeMA Journal of Land Use Mobility and Environment 1 (2015)

[2] http://smartcityhub.com/collaborative-city/smart-cities-1-0-2-0-3-0-whats-next/

[3] http://www.100resilientcities.org

[4] http://lghttp.60358.nexcesscdn.net/8046264/images/page/-/100rc/Blue%20City%20Resilience%20Framework%20Full%20Context%20v1_5.pdf

[5] http://www.100resilientcities.org/wp-content/uploads/2017/06/strategy-resilient-rotterdam.pdf

[6] http://www.100resilientcities.org/wp-content/uploads/2017/06/Athens_Resilience_Strategy_-_Reduced_PDF.compressed.pdf

[7] http://100resilientcities.org/wp-content/uploads/2017/07/WEB_170720_Summit-report_100rc-1.pdf

[8] https://www.smartresilient.com

Advertenties

Smart City 1.0, 2.0 en 3.0. Wat volgt?

2 Jul

screenshot 3

Illustratie uit: Compendium for the Civil Economy [1]

Smart City 1.0 is een stad die geavanceerde technologie inzet waar dat maar mogelijk is: Verbetering van de doorstoming van het verkeer, monitoren van de luchtkwaliteit, bewaking en toezicht, zoals ‘crowdcontrol’ et cetera. Het gebruik van technologie wordt vaak bekritiseerd als zijnde ‘technology push’; ook vanwege de rol die grote bedrijven, zoals IBM en Cisco daarbij spelen.

Het predikaat Smart City 2.0 daarentegen is van toepassing als technologische hulpmiddelen expliciet zijn ontworpen om problemen zoals vervuiling, gezondheid en verkeer aan te pakken en hun inzet plaats vindt in nauw overleg met de burgers. Een breed gedragen visie op leefbaarheid en duurzaamheid staat voorop.

De interesse van burgers om deel te nemen aan formele besluitvormingscircuits en eindeloze vergaderingen is echter beperkt. Ondertussen is wereldwijd een grootte rech aantal burgers betrokken bij activiteiten zoals collectief tuinieren, koken, het aantrekkelijk maken van straten en zelfs de productie van energie. Deze activiteiten, vaak aangeduid als commoning of place-making, beperken zich niet tot high-tech maar bedienen zich ook van low- of no-tech oplossingen[2]. Idealiter dragen deze activiteiten bij aan bredere doelen zoals sociale integratie, democratie, stichten van bedrijven en het opbouwen van sociaal kapitaal. Hier is het predikaat Smart City 3.0 in orde.

Deze post gaat over Smart Cities 3.0.

Op dit moment kan geen enkele stad zich erop beroepen om een ​​Smart City 2.0 of 3.0 te zijn. Een beperkt aantal steden kan het predikaat Smart City 1.0 claimen. De nieuw gebouwde voorstad van Seoul, Songdo, is waarschijnlijk een van hen[3]. Amsterdam en Rotterdam zijn op weg naar Smart City 2.0. en mogelijk ook naar Smart City 3.0. In beide steden vindt een groot aantal samenwerkingsprojecten van groepen burgers plaats. De Community Lovers Guide geeft daarvan fraai geïllustreerde voorbeelden[4]. Sommige worden in deze post genoemd. Volgens Tessy Britton, een van de auteurs, werken veel van deze projecten echter geïsoleerd, zonder een vorm van ondersteuning en als gevolg daarvan hangt hun continuïteit af enkele enthousiaste ‘trekkers’.

De voordelen van een platform benadering

In theorie is een platform benadering een nuttig instrument om projecten te initiëren, te ondersteunen, aan elkaar te koppelen en extern te representeren. Daarmee wordt de basis gelegd voor een participerende cultuur. In West Norwood (Zuid-Londen) is de haalbaarheid van zo’n aanpak door middel van een ‘fieldlab’-benadering onderzocht.

Het platform – genaamd The Open Works – werd zichtbaar toen het zijn ‘hoofdkwartier’ vestigde in een leegstaande winkel. Burgers werden tijdens informele bijeenkomsten op de hoogte gebracht en elke belanghebbende was welkom voor een kopje thee in het ‘hoofdkwartier’. Binnen een jaar zijn 20 projecten geïnitieerd en bijna 1000 mensen hebben daaraan geregeld deelgenomen. Een zeer leesbaar en goed geïllustreerd rapport beschrijft de resultaten[5].

screenshot 2
Het ‘hoofdkwartier’ van Open Works in West Noorwood[6]

De belangrijkste bevindingen

De onderstaande bevindingen verwijzen naar de resultaten van het proefproject, maar worden ondersteund door de resultaten van andere veldstudies.

1  Versterking van een inclusieve participatieve ecologie is haalbaar

1460110652118

Nice New West (Amsterdam)[7]

Veel burgers blijken bereid om deel te nemen aan gemeenschappelijke initiatieven, op voorwaarde dat het om activiteiten gaat die aansluiten bij hun eigen behoeften en niet om onderlinge discussies en overleg met externe instanties. Inclusiviteit – deelname van uiteenlopende bevolkingsgroepen – ligt binnen handbereik als initiële projecten goed gekozen worden. Bijvoorbeeld een multiculturele proeverij tijdens informatiemarkten en festivals.

2  Het aantal activiteiten moet een bepaalde drempel overschrijden

Opschaling van het aantal en de verscheidenheid van activiteiten is nodig om te voorkomen dat zij geïsoleerd raken en meer in het algemeen om de ontwikkeling van een participatieve cultuur te stimuleren. De drempel is vrij hoog: 10% van de burgers zal gemiddeld drie keer per week moeten deelnemen aan een project. Bovendien moeten er  binnen 15 minuten loopafstand minstens 5 alternatieve projecten zijn te vinden.

3  De wenselijkheid van verschillende typen projecten

banner-5-community

Pendrecht Universiteit (Rotterdam)[8]

Een eerste type omvat samenwerkingsactiviteiten, gericht op de dagelijkse behoeften. In het tweede type biedt een kleine groep mensen diensten aan voor de gemeenschap als geheel. Een bekend voorbeeld is The Library of Things, gebaseerd op delen van gereedschap en apparatuur. Mettertijd kunnen dergelijke activiteiten economische waarde en werkgelegenheid creëren.

4  Projecten vloeien voort uit de behoeften van de burgers

Het starten, inrichten en uitvoeren van projecten gebeurt informeel. Schriftelijke plannen en formele goedkeuring zijn niet nodig en er is enig ‘seed capital’ beschikbaar. Ondersteuning door het platform (‘het hoofdkwartier’) is van kritieke waarde. De deelnemers blijven echter verantwoordelijk voor hun eigen project met inbegrip van het zoeken naar aanvullende financiering.

5  Reanimeren van collectieve dienstverlening ligt binnen handbereik

1460043830845

‘Mens sheds’ (in veel steden)[9]

Een participatieve cultuur kan bijdragen aan het reanimeren van vormen van collectieve dienstverlening, zoals wijkwinkels, een minibusverbinding met nabijjgelegen metrostations, herinrichting van braakliggende percelen, buurtpreventie en de heropening van voormalige voorzieningen zoals een oud sportfondsenbad. Alles gebaseerd op vrijwilligerswerk maar ondersteund door gemeentelijke overheden.

6  Zorg voor kwetsbare burgers

Participatie van kwetsbare burgers aan gemeenschapsactiviteiten kan voorkomen dat ze aan lager wal raken. Recent onderzoek, samengevat in het bovengenoemde Open Works eindrapport, bevestigt Putnam’s conclusie dat gemeenschapsactiviteiten het maatschappelijk kapitaal van de samenleving vergroten en bijdragen aan de fysieke en mentale gezondheid van de betrokkenen[10].

7  De platformbenadering heeft bewezen waardevol te zijn

De drie deeltijdse medewerkers hielpen bij het ontstaan van projecten, brachten mensen bijeen, organiseerde vergaderingen, verlichttten administratieve lasten, bemiddelde met externe partijen en konden kleine bedragen uitkeren voor projectkosten. De gemeentelijke investering in het platform bedroeg slechts € 10 per inwoner.

banner1

Het Wadebridge Energiebedrijf. Een energiebedrijf opgericht en beheerd door burgers. Het levert energie aan op 10% van de bevolking van Wadebridge[11]

8  Ook de gemeente moet zich aanpassen

Voor een goed verloop van de samenwerking met de burgers is het wenselijk dat het gemeentebestuur projecten die op tal van plaatsen ontstaan mede als uitgangspunt neemt in plaats van deze in de eerste plaats te toetsen aan het bestaande gemeentelijk beleid. Ook hier zijn platforms onontbeerlijke intermediairen.

Hoe verder?

screenshot 4

Doelstellingen van het nieuwe pilotproject[12]

Aanvankelijk was het de bedoeling om de Norwood-pilot met twee jaar te verlengen en deze op te schalen naar een gebied met 50.000 inwoners. Ook dit is nog slechts een fractie van de Londense bevolking. Daarom is een nieuw project ontworpen – Participatory City North London – dat minstens 200.000 bewoners omvat. De start is voorzien eind 2017 en het zal vijf jaar duren. Hiernaast staat opgesomd wat dit project moet opleveren. Als dit lukt is deze gemeente misschien de eerste ter wereld die terecht het predikaat Smart City 3.0 mag claimen. Ondertussen streven ook andere steden vergelijkbare doelen na, waaronder Amsterdam en Rotterdam. Je kunt hopen dat deze steden leren van de West Norwood-pilot en geduchte concurrenten worden van Participatory City London North.

En wat volgt er na Smart City 3.0?

Het ligt voor de hand dat dit Smart City 4.0 is. Het gaat dan niet meer alleen om dat burgers met hun activiteiten de inrichting van de leefomgeving mede vormgeven, maar dat zij daartoe ook gelijke kansen hebben, onder andere dankzij de beschikbaarheid van betaalbare woningen en een samenleving met een meer gelijke inkomesverdeling die het werk rechtvaardige verdeelt. Uit een eerdere post blijkt dat dit nog een hele klus zal zijn[13].

[1] https://issuu.com/architecture00/docs/compendium_for_the_civic_economy_publ

[2] Zie mijn eerdere post: Leidt commoning tot nieuw democratisch elan? http://wp.me/p32hqY-1cf

[3] Zie mijn eerdere post: Smart cities zijn de oplossing, maar voor welk probleem? http://wp.me/p32hqY-1ai

[4] http://www.communityloversguide.org

[5] https://drive.google.com/file/d/0B28SOnHQM5HVV0pyT2p1NGNvQk0/view

[6] https://drive.google.com/file/d/0B28SOnHQM5HVV0pyT2p1NGNvQk0/view

[7] https://issuu.com/communityloversguide/docs/nicenewwest

[8] https://issuu.com/communityloversguide/docs/pendrecht_university

[9] https://issuu.com/communityloversguide/docs/handmade_-_new_-_mens_sheds

[10] Putnam, R. (2001) “Social Capital: Measurement and Consequences”. [online] http://www.oecd.org/innovation/research/1825848.pdf

[11] http://www.wren.uk.com/wren-the-facts/wadebridge-energy-company

[12] http://www.participatorycity.org/history-of-the-project/#intro5

[13] Zie mijn eerdere post: Smart Cities kunnen ook dom zijn: http://wp.me/p32hqY-1cW

Smart cities zijn de oplossing, maar voor welk probleem?

14 Mei

Op zoek naar een antwoord op de vraag of de smart city een stad is van slimme mensen of van slimme technologie, kwam ik het verslag tegen het symposium Beware of Smart People! Redefining the Smart City Paradigm towards Inclusive Urbanism gehouden in Berlijn op 19 – 20 juni 2015[1]. Deze post is hier mede op gebaseerd[2].

De wereldbevolking groeit en concentreert zich in steden. Onnodig te zeggen dat dit – vooral in ontwikkelende landen – voor grote problemen zorgt. Tegelijkertijd concentreren bedrijvigheid en rijkdom zich eveneens binnen urbane gebieden, wat ertoe leidt dat steden elkaar op wereldniveau beconcurreren en zich – in weerwil van alle problemen – zo aantrekkelijk mogelijk positioneren.

Het begrip smart city verwijst naar een min of meer samenhangend geheel van data en digitale en andere technologieën om stedelijke problemen aan te pakken[3]

61b3f32ecf6710fae9fcf4ce8e3d83e456ccc40b

Colin McFarlane en andere deelnemers aan het symposiun zien het anders: What remains to be seen, is the extend to which the smart city agenda is anything else than another instantiation of corporate power grabs, entrenching surveillance, private control over urban management and repacking neoliberalism in the dressing of seductive technologies and reimagined municipalities and citizens[4]

De moderne stad wordt hier neergezet als een toonbeeld van marktwerking, een icoon van de consumptiemaatschappij en een plaats van ver doorgevoerde functiescheiding, sociale ongelijkheid, groeiende welvaardsverschillen en vervreemding. Toepassing van digitale technologieën wordt in deze context al snel met toezicht en machtsuitoefening geassocieerd.

Er is dan ook een heel andere visie mogelijk op wat een smart city is, namelijk een stad die ruimte biedt aan commoning: Het gezamenlijk door burgers vorm geven van de leefruimte, eerder gebaseerd op principes van deeleconomie en directe democratie dan op basis van technologie. Een vaak aangehaalde voorbeeld zijn de bewonersinitiatieven die tot een alternatieve invulling van het voormalige vliegveld Tempelhof in Berlijn hebben geleid (zie afbeelding hieronder).

screenshot 4

Een derde betekenis van het begrip ‘smart city’ is die van stedelijke utopie. Dit geldt vooral voor vanuit het niets opgebouwde steden als Songdo in Zuid Korea, Mazdar (VAE), Dholera (India) en dichter bij huis PlanIT Valley nabij Porto (Portugal). De betrokken investeerders zien deze steden vooral als troeven in de globale concurrentiestrijd. Inzet zijn aantrekkelijke woonomgeving, van alle gemakken voorziene kantoorruimte, uitmuntende connectiviteit en toegankelijkheid en ook hoge standaarden met betrekking tot duurzaamheid en milieu. Deze smart utopias beantwoorden zelden aan de verwachtingen. Soms vervallen ze tot spooksteden, zoals Ordos in China[5], of verloopt hun ontwikkeling anders dan gepland: Songdo (Z. Korea) oefent vooral aantrekkingskracht uit op bewoners van het nabijgelegen Seoul en veel minder op (internatiale) bedrijven. De $1,4 miljard kostende 12 km lange zesbaans hangbrug die de stad met het vliegveld verbindt is akelijk leeg, terwijl een goede spoorverbinding met Seoul node wordt gemist (zie afbeelding hieronder).

20211828998_52f6d4dc28_z

Zijn de verschillende benaderingen van ‘smart city’ verenigbaar?

Ik denk van wel, maar dan moeten tevens de volgende vragen worden beantwoord:

  1. Wat is het meest wenselijk gebruik van de stedelijke ruimte, gezien vanuit een multi-actor en multi-stakeholder perspectief?
  2. Hoe kunnen alle bewoners maximaal deelname aan het stedelijk leven?
  3. Welke mix aan bedrijven draagt bij aan een zo groot mogelijke en gediversifieerde duurzame werkgelegenheid?
  4. Wat is de beste manier om zo veel mogelijk stedelingen bij besluitvorming op verschillende niveaus te betrekken?

De rol van data, digitale voorzieningen en andere technologieën moet worden gekeken in samenhang met de beantwoording van deze vier vragen. The real smart city needs to start with the city and its attendant social problems, rather than looking immediately to smart technology for answers[6]. Dit verbreedt het denken en leidt ook tot onder ogen zien van low-tech of no-tech oplossingen. Een stad kan dan het predicaat smart claimen als “… investments in human and social capital and traditional (transport) and modern (ICT) communication infrastructure fuel sustainable economic growth and a high quality of life, with a wise management of natural resources, through participatory government.[7]

screenshot kopie 2Een bijzondere bijdrage aan het symposium kwam van Gautam Bahm uit India[8]. De smart city bestaat zijns inziens niet. Placeless concept have no meaning. Een smart city in India zal anders uitzien dan een in bijvoorbeeld Duitsland. In Indiase steden is commoning heel gewoon: Grote delen van steden zijn daar auto-constructed, volgens een andere logica dan die van planners en architecten (zie afbeelding hiernaast). Er is echter grote behoefte aan een basale infrastructuur: Nu is 17% van de grond bedekt met krakkemikkige pijpleidingen voor watervoorziening en riolering. Hetzelfde geldt voor de draden voor electriciteit en telefoon. Hier ligt een enorme taak voor stedelijke planning, die aansluit bij het bestaande weefsel van lokale gemeenschappen in plaats van deze te verwoesten, zoals gebeurt in China en op veel andere plaatsen.

Het begrip ‘smart city’ kan icoon worden van een nieuwe digitaal gefaciliteerde vorm van samenleven in de stedelijke ruimte. Hiervoor is een zienswijze op de stad nodig als een plaats die inclusive, shared and negociated is en op bewoners als active producers and contributors, vanwege hun lokale kennis, expertise, creativiteit, vaardigheid om te netwerken en ondernemerschap.

[1] Je vindt dit verslag op https://goo.gl/cgDemx.

[2] Ik ben gevraagd om curator te worden van Amsterdam Smart City. Om deze reden zullen er de komende tijd geregeld blogposts verschijnen over smart cities, een verschijnsel dat kan worden begrepen als een vorm van innovatie van de stedelijke ruimte.

[3] Dit en het volgende citaat is ontleend aan de bijdrage van Colin McFarlane (p.89).

[4] Smart cities worden in hoge mate ‘gepushed’ vanuit grote IT-bedrijven. In het geval van PlanIT Valley zijn ze de grootste investeerders.

[5] https://www.businessinsider.nl/surrealistische-fotos-van-chinas-mislukte-stad-van-de-toekomst/

[6] Zie: Robert Hollands: Critical Interventions into the Corporate Smart City Cambridge Journal of Regions, Economy and Society. Vol 8 (1) 2015, p. 61.

[7] Zie: Andrea Caragliu, Chiara del Bo en Peter Nijkamp: Smart Cities in Europe, Journal of Urban Technology, Vol 18(2), p. 652011, 70).

[8] De titel van deze inleiding luidde: Asking the wrong questions: Smart cities in contemporary urban India (p. 103)

Innovatief afstandsonderwijs stelt individuele student centraal

26 Mrt

Wereldwijd zoeken heel wat volwassenen naar mogelijkheden om verder te studeren. Zij krijgen doorgaans te maken met een aanbod – online of face2face – dat in essentie is afgeleid van het reguliere onderwijs. Dit betekent dat zowel het startmoment als de duur van de opleiding vastliggen.

images-11

Nu kunnen er ook vraagtekens bij worden gezet of dit systeem voor ‘reguliere’ studenten geschikt is. Velen vinden van niet. Maar voor volwassenen die een studie combineren met een baan, een gezin en een sociaal leven is het zeker ongeschikt. De verschillen tussen deze studenten onderling zijn immers veel groter dan die tussen ‘reguliere’ studenten[1]. Dit geldt voor de tijd die ze per week beschikbaar hebben, voor de spreiding van de beschikbare tijd over het jaar, voor de snelheid waarmee ze studeren én voor de kennis en vaardigheden die ze inmiddels hebben verworven.

Het kan anders en de organisatie hoeft niet ingewikkeld te zijn.

In een groeiend aantal onderwijsinstellingen in de VS bepaalt de tijd die studenten nodig hebben om de vereiste leerresultaten te behalen de studieduur in plaats van andersom. Learning outcomes are fixed; time is variable. Studenten kunnen bovendien met de opleiding beginnen als het uitkomt.

De volgende twee instellingen – beide behorend tot de vijf meest innovatieve opleidingsinstituten in de VS – gelden als inspirerende voorbeelden: Het College for America van de Southern New Hampshire University (60.000 studenten) en de Western Governors University (70.000 studenten)[2].

Onderwijs - volwassen studenten 2
Helder geformuleerde leerresultaten vormen het uitgangspunt

Studenten volgen geen vakken of cursussen. Ze werken achtereenvolgens aan het realiseren van duidelijk geformuleerde leerresultaten (competenties). Studenten bestuderen aan de hand van opdrachten veelal online beschikbaar gesteld materiaal. Deze opdrachten leggen waar mogelijk een relatie tussen theorie en de eigen werksituatie. Na het ontvangen van feedback verbeteren studenten de uitwerking van de ingeleverde opdracht totdat hieruit voldoende beheersing blijkt van de beoogde competentie.

De organisatie van het onderwijs in deze instellingen wijkt wezenlijk af van wat in universiteiten gebruikelijk is. Ingewikkelder is deze zeker niet.

Samenstelling wetenschappelijk personeel

Elke opleiding beschikt over vier typen wetenschappelijk personeel:

  • Teams van vakspecialisten die samen verantwoordelijk zijn voor het hele curriculum.
  • Onderwijstechnologen die zorgen voor een aantrekkelijke en doelmatige leeromgeving.
  • Mentoren – het front office – die studenten helpen en van advies dienen. Zij maken met elke student een studieplanning en houden de studievoortgang in de gaten.
  • Reviewers – doorgaans parttimers – die feedback geven op de gemaakte opdrachten en beoordelen wanneer studenten aan de eisen hebben voldaan.
images-8
Rol reviewer

Reviewers nemen elk een aantal opdrachten voor hun rekening. Zij ontvangen wekelijks een vastgesteld aantal uitwerkingen. Het feit dat deze opdrachten verspreid over het hele jaar binnenkomen maakt deze taak aantrekkelijker dan die van docenten die in korte tijd honderden identieke opdrachten moeten beoordelen. Het aantal reviewers is afhankelijk van de hoeveelheid studenten, wat de schaalbaarheid van dit type onderwijs vergroot.

Personaliseren

De mentor kan studenten met studieproblemen extra opdrachten geven. Ook het toekennen van vrijstellingen is mogelijk als duidelijk is dat een student de bijbehorende competenties al onder de knie heeft.

Verdienmodel

Studenten betalen per maand een vast bedrag volgens de formule learn as much as you can, waarmee wordt gestimuleerd dat studenten de beschikbare tijd zo effectief mogelijk gebruiken en de studie maximale prioriteit geven. Mentoren zijn hierbij behulpzaam. Mede daardoor is het aantal uitvallers gering. Het College for America maakt ook afspraken met werkgevers die in de opleiding voor medewerkers betalen en die studiefaciliteiten beschikbaar stellen.

images-1

De Open Universiteit – in Nederland en Vlaanderen de enige universiteit voor volwassen en werkende studenten – heeft onlangs de principes van het vrije startmoment en de vrije studieduur verruild voor het principe van de vaste doorlooptijd. Dit tot groot verdriet van veel zittende studenten. Deze keuze is gemaakt onder druk van het ministerie om het rendement te vergroten. Dit was laag vooral door het grote aantal studiestakers. Het feit dat studenten per module betalen en de inschrijvingsduur van een module ruim een jaar was, stimuleerde niet bepaald het blijvend toekennen van hoge prioriteit aan de studie. Uitstel leidt dan vaak tot afstel. Door het voorbeeld van het College for America en de Western Governors University te volgen, had de Open Universiteit het rendementsprobleem op een meer innovatieve wijze kunnen aanpakken[3].

We leven in een wereld waarin design thinking en lean production een grote rol spelen. Kenmerkend voor beide is dat aanbieders van een product of dienst hun bedrijfsproces radicaal inrichten om waarde voor de gebruiker te creëren. Voor studerende volwassenen betreft deze waarde niet alleen het diploma, maar ook een goede balans van leven, werken en studeren.

[1] Dit geldt overigens niet meer voor een snel groeiende groep landen met de VS voorop. Van degenen die instromen in een university of college vormen initiële, voltijdse dagstudenten de minderheid.

[2] Zie voor een bespreking van de vijf meest innovatieve universiteiten in de VS: College transformed: Five institutions leading the charge in innovation, by Alana Dunagan http://www.christenseninstitute.org/wp-content/uploads/2017/02/College-transformed.pdf

[3] In kwantitatief opzicht zijn de maatregelen effectief gebleken omdat ze tot vermindering van de uitval en tot vergroting van de doorloopsnelheid leiden. Studenten die het hoge tempo niet volhouden, kunnen de studie voortzetten zonder begeleiding.

Van concurrentiekracht naar vitaliteit: onderwijs, ondernemerschap en innovatie

13 Nov

Hoe concurrerend zijn landen ten opzichte van elkaar? Vanaf 2005 gaf de Global Competitiveness Index (GCI) – gepubliceerd door het World Economic Forum – het meest gezaghebbende antwoord op deze vraag. Na ruim tien jaar is het fundament van de GCI sleets aan het worden: Veel indicatoren zijn achterhaald en voor andere zijn betere cijfers beschikbaar. Vandaar het besluit om de GCI 2017 – 2018 grondig te herzien. De onderstaande figuur toont de pijlers waarop de nieuwe GCI is gebouwd. Na een bespreking van enkele onderdelen van de nieuwe GCI die nu al bekend zijn, sta ik stil bij vraag of deze index wellicht iets anders meet dan concurrentiekracht.

screenshot-6De samenstellers van de nieuwe GCI hebben enkele pijlers alvast opnieuw ontworpen en berekend[1]. Het betreft de pijlers onderwijs en vaardigheden, dynamiek bedrijven en innovatie capaciteit.

Onderwijs en vaardigheden

De huidige berekening van onderwijs en vaardigheden maakt overwegend gebruik van kwantitatieve maatstaven zoals de instroom in verschillende typen onderwijs en de beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs naar internationale maatstaven. Onderstaand overzicht toont de nieuwe indicatoren. Deze leunen op twee gedachten: De kwaliteit van de huidige beroepsbevolking en de manier waarop het onderwijs leerlingen voorbereidt op hun toekomstig functioneren. Hierbij wordt veel waarde gehecht aan ICT-vaardigheden, ontwikkelen van kritisch denken en minder aan het memoriseren van leerstof.

screenshot-5

Een vergelijking van beide typen indicatoren toont de dynamiek van de ontwikkeling die verschillende landen in dit opzicht doormaken. Ook de meest ontwikkelde landen kunnen hun voorsprong verliezen als het onderwijs niet meegroeit met de veranderende eisen die vanuit de samenleving worden gesteld.

Onderstaande tabel toont de hoogst scorende landen. Denemarken staat op de eerste plaats. De gerichtheid kennis en vaardigheden op de toekomst blijkt onder andere uit het feit dat informatiekunde onderdeel is van het curriculum van de basisschool.

screenshot-4

De vergelijking van de scholingsgraad van de huidige beroepsbevolking met die van de toekomst levert boeiende inzichten op. Een aantal landen gaat hierbij (fors) achteruit: Zwitserland (1 resp. 12), Duitsland (2 resp. 15) en de VS (5 resp. 18). Maar ook: Luxemburg (14 resp. 52!) en de Russische Federatie (28 resp. 40). De nieuwe manier van berekenen maakt het behoudende karakter van deze landen op het gebied van onderwijs pijnlijk duidelijk.

Andere landen vertonen een tegenovergestelde beeld; in het bijzonder Finland (23 resp. 1) en IJsland (24 resp. 3). Deze landen hebben meer geïnvesteerd in onderwijsvernieuwing dan welk Europese land ook en zij verschijnen beide in de top drie. Daar komen ze Nederland tegen dat een goede beurt maakt door op te schuiven van de 9de plaats als het gaat over de beroepskwalificaties van de huidige werknemers naar de 2de plaats als het de werknemers van de toekomst betreft. Andere landen die in dit verband opvallen zijn de verenigde Arabische Emiraten (50 resp. 14) en Nieuw Zeeland (17 resp. 4). China opereert in de achterhoede, maar maakt wel progressie (85 resp. 58).

Innovatie

Hierna sta ik stil bij de pijlers dynamiek bedrijven en innovatiecapaciteit. De pijler dynamiek bedrijven verwijst naar een ondernemende en adaptieve (‘agile’) wijze van denken en doen. Illustratief in dit opzicht zijn het gemak om nieuwe bedrijven te stichten, financiering te krijgen en de houding ten opzichte van ondernemersrisico.

screenshot-3

Bij innovatie capaciteit gaat het om de vraag of deze houding ook tot innovatief ondernemen leidt. Indicatoren hierbij zijn de hoeveelheid R&D en patenten alsmede de bereidheid van bedrijven om innoverende producten op de markt te brengen. Maar ook het stimuleren van creativiteit en samenwerking tussen individuen en organisaties.

screenshot-10

Dynamiek bedrijven

 

Innovatie vindt plaats waar deze pijlers elkaar versterken. Immers innovatie vereist niet alleen een klimaat waar nieuwe ideeën kunnen ontstaan, maar ook de bereidheid en het vermogen deze in te praktijk te realiseren. De neven- en onderstaande figuren geven een overzicht van de indicatoren voor beide pijlers.

Landen die op beide pijlers hoog scoren zijn Zweden (2 resp. 2), Nederland (4 resp. 3), Denemarken (5 resp. 5) en ook Finland op een lager niveau dan enige tijd geleden (11 resp. 8)

screenshot-9

Innovatie-capaciteit

De VS staan op de eerste plaats als het gaat om dynamiek bedrijven, maar blijven achter op het gebied van innovatiecapaciteit (6). Hetzelfde geldt voor Noorwegen (3 resp. 15), Verenigd Koninkrijk (6 resp. 12) en Nieuw Zeeland (7 resp. 21). Op aanzienlijke achterstand volgt de Russische federatie (37 resp. 59). De landen die hoog scoren op het gebied van dynamiek bedrijven, maar waar de innovatiecapaciteit achterblijft, kennen wetgeving die vestiging van bedrijven stimuleert en ondernemerschap bevordert. Ze tonen verder aan dat ondernemingen om succesvol te zijn niet altijd innovatief hoeven te zijn.

Het omgekeerde is het geval bij Zwitserland. Dit land scoort op de eerste plaats als het gaat om innovatiecapaciteit, maar bij dynamiek bedrijven komt dit land op plaats 9. Een vergelijkbaar verschil geldt voor Duitsland (4 resp. 10), Luxemburg (7 resp. 40!) en op flinke achterstand China (36 resp. 68). Voor deze groep geldt dat er kennelijk is voldaan aan de voorwaarden om te innoveren, maar dat de stap naar innovatief ondernemerschap lastiger is.

In landen die op beide pijlers hoog scoren, gedijt innovatief ondernemerschap. Dit is zeker voor Nederland het geval.De vooruitzichten voor Nederland zijn nog beter als de gegevens over opleiding en vaardigheden bij de beschouwing worden betrokken. Immers Nederlandse scholieren en studenten behoren na de Finnen tot degenen die het best op de toekomst worden voorbereid. Althans voor wie meegaat in de berekeningsmethode van het World Economic Forum.

Het positieve beeld van Nederland hoeft niet te verbazen. In enkele decennia is de aantrekkingskracht van ondernemerschap opmerkelijk toegenomen. In alle hoeken en gaten verschijnen startups, waarvan vele met een innovatief karakter. Hun financiering is beter geregeld dan vijf jaar geleden. Maar ook, in veel traditionele bedrijven leidt sociale innovatie langzaam tot nieuwe vormen van management en zelfsturing, waardoor ook daar innovatief ondernemerschap wortel kan schieten.

Het begrip concurrentiekracht dekt maar ten dele de dynamiek van landen als Denemarken, Nederland, Finland en Zweden. Dat deze landen een hoog concurrerend vermogen hebben is zonneklaar, maar dat is eerder het gevolg van een vitaliteit die veel verder rijkt dat het streven naar productiviteitsverbetering. Deze vitaliteit heeft te maken met andere waarden en normen, kwaliteit boven kwantiteit en groeiend langetermijnperspectief. De nieuwe GCI neemt veel van dit soort indicatoren mee. Ondanks het feit dat dit proces zeker nog niet is afgerond lijkt de nieuwe GCI te evalueren naar een maatstaf voor de vitaliteit van landen in plaats van de veel beperktere concurrentiekracht. Dit kan belangrijke en positief te waarderen consequenties hebben voor het beleid.

[1] Zie: https://www.weforum.org/reports/the-global-competitiveness-report-2016-2017-1/

Moedig besluit World Economic Forum: De ‘global competitiveness index’ wordt herzien.

7 Nov

Onlangs publiceerde het World Economic Forum de global competitiveness Index (GCI) 2016-2017[1]. Voor wat het waard is: Nederland stijgt van de vijfde naar de vierde plaats. De score is berekend door de gemiddelde scores te nemen van 122 indicatoren verspreid over 12 onderwerpen (‘pijlers’), die in verband gebracht kunnen worden met concurrentiekracht. Een van deze pijlers is innovatie. Op deze pijler nam Nederland een 8ste plaats in; dit jaar een 7de. De onderstaande afbeelding laat de 12 pijlers en de afzonderlijke indicatoren zien.Samenleving - competitiveness 4Bij de presentatie van de vorige editie van het rapport toonden de opstellers van de GCI zich kritisch over de berekening van de index. Dit jaar is aangekondigd dat in de nabije toekomst een groot aantal indicatoren wordt verwijderd en vervangen. Er zijn thans maar liefst 5 indicatoren van diverse tropische ziekten. Er komen daarnaast nieuwe indicatoren die onder andere verwijzen naar de rol van de financiële markten, het ontstaan van nieuwe consumptiemodellen en de snelheid van technologische verandering.

Samenleving - competitiveness 3

GCI 2015-2016

Het grootste bezwaar tegen de huidige GCI gaat over de manier waarop innovatie wordt gemeten. Ik sta hier kort bij stil en ga vervolgens in op de nieuwe aanpak.

De score op de pijler innovatie is – net als de scores op andere pijlers – een cocktail van indicatoren. In dit geval zijn er dat zeven. Zes daarvan corresponderen de onderstaande vragen. Deze zijn voorgelegd aan en op een zevenpuntsschaal beantwoord door managers van bedrijven in de afzonderlijke landen.

  1. Beschikken bedrijven in uw land over de capaciteit om te innoveren?
  2. Hoe beoordeelt u de kwaliteit van de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek in uw land?
  3. In welke mate investeren bedrijven in uw land in R&D?
  4. In welke mate werken in uw land bedrijven en universiteiten samen op het gebied van R&D?
  5. In welke mate stimuleert het inkoopbeleid van de overheid in uw land innovatie?
  6. In hoeverre zijn er in uw land voldoende technisch geschoolde hoger opgeleiden aanwezig?

De zevende indicator betreft het aantal patenten per 1.000.000 inwoners en hiervoor zijn bestaande statistieken gebruikt.

Deze zeven vragen zijn uitermate willekeurig en de betrouwbaarheid van de antwoorden is twijfelachtig. De score op de pijler innovatie verandert dan ook meteen als andere indicatoren worden gebruikt. Dat bleek nadat ik een herberekening had gemaakt voor 15 landen, waarbij aan de zeven indicatoren werd toegevoegd: De kwaliteit van het onderwijs, het gemak om geld te lenen, de absorbtiecapaciteit van bedrijven en de bereidheid om de macht te delen (horizontaal georganiseerde bedrijven zijn meestal meer innovatief). Het resultaat was een forse verschuiving binnen de rangorde. De VS, Zweden en Noorwegen scoorden dankzij de toegevoegde indicatoren een stuk beter. Voor Zwitserland, Israël en Denemarken gold het omgekeerde. Nederland bleef stabiel op de 8ste plaats.

Het fundamentele probleem ligt echter dieper dan de selectie van de juiste indicatoren. Geen enkele ranking is namelijk gebaseerd op een rechtstreekse meting van innovatie[2]:

The implementation of a new or significantly improved product (good or service), a new process, a new marketing method or a new organizational method in business practices, workplace organization, or external relations[3].

Gegevens om deze definitie op het niveau van landen te operationaliseren zijn er blijkbaar niet. Hiervoor in de plaats verzamelt men zo veel mogelijk ‘proxi’s’. In dit geval zijn dat gegevens over ‘het klimaat’ waarin innovatie gedijt en ‘de infrastructuur’ die voor innovatie nodig is. Om deze aanpak enig realiteitsgehalte te geven, is het nodig op zijn minst te expliciteren op grond waarvan de indicatoren zijn geselecteerd.

Innovatie - Europese landen eigen berekening 2Een stap in de goede richting is het European Innovation Union Scoreboard. Hier worden 25 indicatoren gebruikt die worden gegroepeerd in drie categorieën: enablers, firm activities en outputs. In een andere post[4] heb ik laten zien dat geen van de indicatoren van de pijler innovatie in de Global Competitiveness Index hoort tot de categorie ‘outputs’, die de definitie van innovatie nog het meest benadert. Ik heb vervolgens de afzonderlijke scores berekend van alle Europese landen met betrekking tot enablers, firmactivities en output aan de hand van data die het European Innovation Union Scoreboard gebruikt. Zie daarvoor de nevenstaande tabel.

De tabel bevat opmerkelijk resultaten. Ierland en Luxemburg zijn – uitgaande van output – de meest innovatieve landen en niet Zwitserland en Zweden. Hun scores op het gebied van enablers en firmactivities behoren tot de middelmaat. Duitsland scoort hoog op output en firmactivities, maar veel lager op enablers. Bij Zwitserland, Zweden, Noorwegen en Finland en in zekere zin ook Nederland en België is het tegenovergestelde het geval. Deze landen danken hun hoge score – ook op de Global Competitiveness Index – aan de kwaliteit van hun enablers en/of firmactivities.

Zo lang innovatie niet rechtstreeks kan worden gemeten, blijven we aangewezen op gebruik van proxi’s. Maar dan moeten deze wel beredeneerd worden geselecteerd en evenwichtig worden verdeeld over een aantal hoofdcategorieën. Dit is precies wat het World Economic Forum gaat doen bij de herberekening van de Global Competitiveness Index.

Een belangrijke overweging is dat de gekozen indicatoren meer recht doen aan nieuwe inzichten en gebruik maken van de nieuwste data. Na de financiële crisis zijn er bijvoorbeeld gegevens beschikbaar gekomen over de gezondheid van de bancaire sector. Bovenal moeten de indicatoren een sterkere oriëntatie op de toekomst krijgen. Om deze reden krijgt de ICT-infrastructuur maar ook het verwerven van beroepsvaardigheden in het onderwijs een sterker gewicht.

Onderstaande figuur toont de nieuwe structuur voor de berekening van de GCI. Het meest in het oog springt is de herziening van de berekening van innovatie.

screenshot-6De selectie van indicatoren is minder dan voorheen ingegeven door de idee dat innovatie het gevolg is de omzetting van technische kennis in vernieuwende producten. Daarentegen vindt innovatie plaats in een ecosysteem waarin bedrijven, wetgeving, waarden en normen het aangaan van verbindingen, creativiteit ondernemerschap, samenwerking en het gebruik van de nieuwste technieken bevorderen. Dit met het oog op de ontwikkeling van nieuwe ideeën en het naar de markt brengen van nieuwe producten en diensten. Ook de vernieuwing van het onderwijssysteem speelt daarbij een rol: Leven lang leren en nadruk op kritisch denken, meer diversiteit, minder hiërarchie.

Er zijn ook al nieuwe berekeningen gemaakt op basis van deze nieuwe inzichten. Deze bieden een boeiend perspectief. Hierop ga ik mijn volgende post op in.

[1] Zie voor een kritische bespreking van de waarde van deze index: De wankele basis van de innovatieranking: http://wp.me/p32hqY-fB

[2] Zie overigens ook mijn recente post over het innovatiespook, waarin ik de tot dusver meest valide innovatieranking bespreek: De ‘Global innovation index 2016’ kan hier ingezien of gedownload worden: https://www.globalinnovationindex.org/gii-2016-report

[3] Definitie ontleend aan de Oslo manual, die ook de makers van de Global Innovation Index gebruiken.

[4] De volatiliteit van innovatierankings: http://wp.me/p32hqY-fH

Innovatie hoger onderwijs leidt zelden tot betere kwaliteit

17 Apr

Onderwijs EU Innovation studyEen rapport van de EU biedt een boeiende kijk op innovatie binnen hoger onderwijs [1]. Na lezing kan ik niet anders concluderen dat daarbij zelden sprake is van verbetering van de kwaliteit van het onderwijs.

Het EU-rapport vat innovaties in het hoger onderwijs samen onder drie noemers: (1) opkomst van nieuwe vormen van onderwijs en leren, (2) gebruik van data-analyse en (3) globalisering.

Nieuwe vormen van leren

Lag het accent de laatste decennia van de 20ste eeuw op de doorbraak van activerende onderwijsvormen als project- en probleemgestuurd onderwijs, de 21ste eeuw kan worden getypeerd als de periode van de digitalisering. Alleen Coursera bedient met zijn MOOCs inmiddels meer dan 5 miljoen studenten met op zich hoogwaardig instructiemateriaal.

Gebruik data-analyse

Het gebruik van learning analytics neemt een hoge vlucht. Onderwijsinstellingen beschikken over veel data om het studiegedrag van studenten te volgen en zo mogelijk te beïnvloeden. Ook zijn er inmiddels monitoringsystemen voor studenten waarmee ze hun vorderingen van week op week kunnen volgen.

Globalisering

De 20ste eeuw was de eeuw van de uitwisselingsprogramma’s, vaak met een idealistische tintje. Gaandeweg is het aantrekken van kwalitatief goede en/of goed betalende studenten en het openen van buitenlandse campussen voor een aantal universiteiten big business geworden.

De cruciale vraag is, leiden deze innovaties tot beter onderwijs en zo niet, waartoe dan wel?

De kwaliteit van onderwijs is goed als studenten een uitdagend leerproces doorlopen dat de gestelde doelen ruimschoots realiseert. De American Association of Higher Education heeft hiervoor een aantal principes geformuleerd, waaronder (1) samenhang theorie en praktijk, (2) actief leren, (3) intensieve feedback, (4) samenwerkend leren, (5) personaliseren en (6) duidelijke afspraken[3]. Op elk van deze principes valt in de meeste universiteiten het nodige te verbeteren.

Onderwijs - 2000 in 1910Geen van de hierboven aangeduide innovaties heeft direct of indirect betrekking op een van deze principes. MOOCs zijn meer efficiënte en soms ook meer effectieve manieren van kennisoverdracht in vergelijking tot hoorcolleges. Maar niemand vindt dat verbetering van de kwaliteit van het hoger onderwijs in de eerste plaats om verbeterde kennisoverdracht vraagt[4]. Het gebruik van data-analyse is vooral ingegeven door het tijdig opmerken van studievertraging en daarmee verbetering van het numeriek rendement en globalisering vindt plaats omwille van financiële motieven, het aantrekken van goede studenten en het streven naar een hogere ranking.

De Europese Unie stelt miljarden beschikbaar voor de innovatie van het hoger onderwijs. Dat hun bijdrage aan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs beperkt is, is geen toeval. Sally Findlow beschrijft hoe onderwijsvernieuwers alleen kans maken op overheidsmiddelen als zij meetbare resultaten kunnen overleggen[5]. Deze voorwaarde beïnvloedt welke projecten worden ingediend en welke niet. Verbetering van de competenties van afgestudeerden is pas na jaren vast te stellen en wie dit ambieert kan dus geen ‘harde cijfers’ overleggen en verliest ook binnen instellingen de slag om het binnenhalen van subsidies.

Dat het ook andere kan laat een van de besproken casestudies zien. Het Olin College of Engineering is in 1997 gesticht met de bedoeling om meer en betere ingenieurs op te leiden. Daartoe is gekozen voor een multidisciplinaire aanpak, waarin onderwijsprojecten een centrale rol spelen (Zie onderstaand videofragment)

Ook bijzonder is dat alle studenten behalve technische vakken ook vakken volgen op het gebied van ondernemerschap en liberal arts. Docenten en studenten werken samen aan de verdere ontwikkeling van het onderwijs. Het instituut is inmiddels een van de beste undergraduate colleges is van de VS. Toch zegt men nog jaren nodig te hebben om zeker te weten of het doel, meer en betere ingenieurs, wordt gerealiseerd. Maar men hoeft dan ook geen beroep te doen op subsidie van de EU.

In een van de volgende blogposts ga ik dieper in op het curriculum van Olin. Onze eigen technische opleidingen kunnen er hun voordeel mee doen.

[1] Brennan, John, Broek, Simon, Durazzi, Niccolo, Kamphuis, Bregtje, Ranga, Marina and Ryan, Steve (2014) Study on innovation in higher education: final report. European Commission Directorate for Education and Training Study on Innovation in Higher Education, Publications Office of the European Union, Luxembourg. http://eprints.lse.ac.uk/55819/

[3] in samenwerking met het Education Commission of the States en de Johnson Foundation. De principes zijn gebaseerd op theorie, onderzoek en praktijkervaringen van docenten.

[4] MOOCs: The announcement of the wrong revolution https://hermanvandenbosch.com/2013/04/15/moocs-the-cutting-announcement-of-the-wrong-revolution/

[5] Sally Findlow: Accountability and innovation in higher education: a disabling tension. Studies in higher education Volume 33, Issue 3, June 2008, pages 313-329