Aftreden leden studentenraad Open Universiteit: uiteenlopende visies op onderwijs voor volwassenen

Een deel van de studenten van de Open Universiteit is het niet eens met de keus van de instelling voor een vaste studieduur als norm

Advertenties

images

Het aftreden van de meerderheid van de leden van de studentenraad van de Open Universiteit openbaart langdurige onvrede bij een deel van de studenten van deze instelling.

De Open Universiteit heeft zich vanaf haar oprichting van andere instellingen voor wetenschappelijk onderwijs onderscheiden door het feit dat studenten konden studeren waar en wanneer ze wilden, op elk moment met een studie mochten beginnen en hun studietempo zelf konden bepalen. Deze kenmerken zijn – zeker op het eerste gezicht – ideaal voor de doelgroep van de Open Universiteit. Dit zijn volwassenen die een studie combineren met een baan, een gezin en een sociaal leven. De verschillen tussen deze studenten onderling zijn groter dan die tussen ‘reguliere’ studenten . Dit geldt voor de tijd die ze per week beschikbaar hebben, voor de spreiding van de beschikbare tijd over het jaar, voor de snelheid waarmee ze studeren én voor de kennis en vaardigheden die ze inmiddels hebben verworven.

Onderwijs - volwassen studenten 3

Toch had dit systeem een nadeel. Juist omdat studenten aan de Open Universiteit het zo druk hebben, leidde de afwezigheid van een prikkel om de studie blijvend hoge prioriteit toe te kennen geregeld tot uitstelgedrag. Het staat onomstotelijk vast dat naarmate het studietempo daalt, de kans toeneemt op voortijdig staken van de studie. In tijden van opkomend rendementsdenken bleef dit niet onopgemerkt. Mede onder druk van de politiek werden de principes van het vrije startmoment en de vrije studieduur opgegeven en een vaste doorlooptijd werd de norm. Een deel van de studenten heeft zeker baat bij deze maatregel, wat ook blijkt uit verbeterde rendementscijfers. Voor anderen heeft de Open Universiteit haar aantrekkelijkheid verloren.

Om studenten te motiveren geregeld te studeren, waren er ook andere middelen beschikbaar, die meer recht doen aan de grote verscheidenheid van de studenten aan de Open Universiteit. Daarover aanstonds meer.

Onderwijs - Collegezaal3
Het wo is een schoolvoorbeeld van ontwerp volgens het batch principe

Bij het organiseren van onderwijs kunnen twee fundamenteel verschillende principes worden onderscheiden, ‘batch’ en ‘flow’. Batch komt het meeste voor; het gaat ervan uit dat studenten gelijktijdig deelnemen aan de geplande onderwijsactiviteiten. Studenten worden overwegend als zijnde overeenkomstig beschouwd. In wezen is dit het zelfde principe dat ook voor massaproductie van goederen wordt gehanteerd. Flow betekent dat studenten een gepersonaliseerd programma volgen en dat de tijd die ze nodig hebben om de doelen te bereiken kan verschillen. De verschillen tussen studenten wordt als uitgangspunt genomen. Vrijwel iedereen zal de voordelen van flow inzien, maar zal denken dat de organisatie erg lastig is. Bovendien moet er in het geval van flow een voorziening zijn om studenten te motiveren de beschikbare tijd daadwerkelijk te gebruiken. Bij batch is hiervoor een duidelijke prikkel ingebouwd: Wie niet meekomt blijft zitten.

Ontwerpers van onderwijs staan dus voor twee vragen. Kan (hoger) onderwijs op doelmatige manier volgens het flow principe worden ontworpen en hoe help je studenten om – gegeven de vrijheid van studietempo – zich optimaal voor de studie in te zetten.

Vrijheid van studietempo

Organisatie - autonomie1Een hele reeks instellingen voor afstandsonderwijs in de VS brengt het principe learning outcomes are fixed; time is variable in praktijk. Het gebruik van ICT speelt hierbij een belangrijke rol. In een eerdere blogpost heb ik besproken hoe deze instellingen dit aanpakken. In essentie werken studenten individueel aan een reeks opdrachten met behulp van online beschikbaar gesteld materiaal. Ook de selectie van de opdrachten kan per student verschillen, afhankelijk van reeds aanwezige kennis en vaardigheden. De opdrachten worden becommentarieerd door reviewers (vaak promovendi). Deze ontvangen wekelijks een vastgesteld aantal uitwerkingen. Op basis van hun commentaar maken studenten indien nodig een volgende versie. Het feit dat deze opdrachten verspreid over het hele jaar binnenkomen maakt de taak van een reviewer aantrekkelijker dan die van een docent die in korte tijd honderden identieke opdrachten moet beoordelen.

Optimale inzet van studenten

De Open Universiteit maakte het studenten wel heel verleidelijk om de studie op een laag pitje te zetten ten gunste van andere prioriteiten. Niet alleen was de studieduur flexibel; studenten betalen bovendien voor elke cursus afzonderlijk. Studenten aan de Amerikaanse universiteiten die het studietempo van studenten vrij laten, betalen per semester een vast bedrag volgens de formule learn as much as you can. Dit blijkt een krachtige stimulans om voldoende aandacht aan de studie te besteden. Mentoren helpen daarbij.

De Open Universiteit kan nog steeds kiezen voor flow in plaats van voor batch. Het aanwezige onderwijsmateriaal leent zich hier uitstekend voor. Veel cursussen zijn opgebouwd uit opdrachten die door docenten worden beoordeeld. Niet zij, maar de mentor houdt dan de studievoortgang van studenten bij en kan deze erop aanspreken als het moet.

Volwassenen kunnen alleen gemotiveerd blijven studeren, als de onderwijsinstelling hen in staat stelt een persoonlijke balans te vinden tussen leven, werken en studeren. Bovendien willen zij dat de onderwijsinstelling de inspanning respecteert die het elke week opnieuw inplannen van studietijd kost, ongeacht of het gaat om 5, 10, 15 of meer studie-uren.

Amsterdam Smart City, Amsterdam Sharing City; missie of marketing?

Het begrip deel-paradigma is aanzienlijk breder dan dat van deel-economie. Dit artikel illustreert dit aan de hand van voorbeelden uit diverse steden

gluqiqn47f9d0tv4
Ook in Seoul is steeds meer openbare ruimte ingericht voor ontmoeting

Behalve smart cities en resilient cities[1] is er ook een groeiend aantal steden dat zich sharing city noemt. De eerste stad die deze benaming gebruikte was Seoul in 2013. Twee jaar later afficheerde Amsterdam zich als de eerste sharing city in Europa, na al enige tijd als smart city door het leven te zijn gegaan. Ik vind dit strooien met adjectieven niet echt handig, of het nu om het uitdragen van een missie of om markening gaat. Daarover later. Maar eerst wat zijn sharing cities?

San Francisco

De meest opvallende initiatieven met betrekking tot delen zijn afkomstig uit San Francisco, de thuishaven van iconen van de deeleconomie zoals Twitter, Dropbox, Lyft en Airbnb. De geneigdheid om te delen kenmerkt de levensstijl van veel millennials uit deze stad: Samen een bedrijf oprichten, samen een huis betrekken, auto als vervoermidddel en niet als statussymbool zien en prefereren dicht bij het stadscentrum te wonen en te werken.

De deel-economie die we aantreffen in San Francisco is commercieel gemotiveerd en kent naast winnaars ook verliezers, bijvoorbeeld de bestuurders van Uber, Lyft en andere taxibedrijven.
Volgens Duncan McLaren & Julian Agyeman[2] is de deel-economie een onderdeel van een veel meer omvattend deel-paradigma. Het gaat daarbij om het gebruik van goederen en diensten door verschillende personen, zonder deze (exclusief) te bezitten. Bij voorbeeld, medegebruik van fietsen, auto’s, huizen, gereedschappen, patenten en boeken. Maar ook recycling, gemeenschappelijke faciliteiten voor sportboefening, de opwekking van energie en transport en coöperaties en netwerken (Zie afbeelding).

Vormen van Sharing
The sharing paradigm. Uit: McLaren & Agyeman, Sharing Cities, p. 15

Sharing kan gemotiveerd zijn als middel tot kostenreductie maar ook vanuit sociale motieven en omwille van duurzaamheid. McLaren & Agyeman illustreren al deze facetten aan de hand van voorbeelden afkomstig uit steden als Seoul, Medellin, Kopenhagen en Amsterdam.

Seoul

De stad Seoul kent talrijke vormen van delen vanuit sociale motieven[3]. Het begrip jeong speelt hierbij een sleutelrol: Mensen geloven dat elkaar vriendelijk en coöperatief bejegenen een ieder op termijn zal baten. Bewoners houden gezamenlijk de appartementsgebouwen leefbaar waarin ze dicht opeengepakt wonen. Het gemeentebestuur hecht veel waarde aan de mening van burgers.

screenshot
Het luisterend oor voor het stadhuis van Seoul

Mensen kunnen klachten, verzoeken en ideeën inspreken in het ‘luisterende oor’ voor het stadhuis. Het gemeentebestuur ondersteunt start-ups onder andere door de Dreambank, een financieel loket in samenwerking met 20 banken.

Medellin

images-5 kopie
Biblioteca de Espagna

Een ander opvallend voorbeeld is Medellin, de tweede stad in Colombia en het voormalige centrum van drugshandel en ooit de meest moordadige stad ter wereld. Nadat het leger de beruchte bendeleider Pablo Escobar had doodgeschoten, begon het stadsbestuur aan het herstel van het verwoeste sociale weefsel van de stad. Grote bedragen zijn geïnvesteerd in onderwijs en welzijnsvoorzienigen. Hiervoor verrezen diverse qua architectuur opvallende gebouwen zoals de Biblioteca de Espagna, meestal midden in arme gebieden om de bewoners een gevoel van trots te geven.

 

Tegelijkertijd werden alle delen van de op heuvels gebouwde stad verbonden door een nieuw stelsel van metrolijnen, kabelbanen en liften. Bewoners kregen inspraak bij de prioritering van gemeentelijke projecten.

Kopenhagen en Amsterdam

Unknown kopie
Fietsinfrastructuur Kopenhagen

McLaren & Agyeman zien ook in Kopenhagen en Amsterdam talrijke voorbeelden van sociaal gemotiveerd delen. Kopenhagen heeft het delen van ruimte in het stadscentrum verbeterd met een infrastructuur gebaseerd op het gebruik van fietsen. Amsterdam deed hetzelfde met zijn dichte openbaar vervoersnetwerk. Daarnaast heeft het Amsterdamse huisvestingsbeleid geleid tot een betere integratie van migranten dan in menige andere stad.

In het licht van de bovenstaande gevallen vragen een paar begrippen om verheldering.

Delen en samenwerking

Samenwerking (collaboration) wordt ten onrechte gebruikt als synoniem voor delen. Samenwerking betekent samen iets doen, maar delen leidt doorgaans tot een opeenvolging van individuele activiteiten. Het is dus eerder een aanvulling op het begrip delen. Samenwerking vindt plaats in het economische domein, bijvoorbeeld een coöperatie, maar ook in het sociale domein, bijvoorbeeld gemeenschappelijke activiteiten als tuinieren, koken en gemeenschappelijk wonen.

Delen en mediatie

Commerciële vormen van delen bestaan veelal bij de gratie van mediërende IT-platforms, denk aan Airbnb en Uber. Maar mediatie is soms ook van belang voor overwegend sociaal geïnspiteerde vormen van delen. Een mooi voorbeeld is een app waarop bewoners van Jakarta direct schade melden in geval van overstroming of extreme neerslag. Hiermee kunnen reddings- en herstelacties veel sneller op gang komen[4].

Delen en smart

Smart cities hoeven geen sharing cities te zijn. Smart is een veel breder begrip dan delen; in sommige smart cities kan delen echter een belangrijke rol spelen. Dit is het geval in de steden die ik reken tot de categorie smart city 3.0[5].

screenshot 2 kopie
Opvattingen van Amsterdammers over delen

Amsterdam profileert zich al enkele jaren als smart city. Onlangs eigende de stad zich ook de adjectieven sharing en collaborative toe. Uitgaande van de voorbeelden van McLaren & Agyeman zijn daarvoor goede inhoudelijke redenen die verder gaan dan city marketing. Toch vind ik het naast elkaar gebruiken van beide termen niet verstandig. De missies van Amsterdam Smart City[6] en Amsterdam Sharing City[7] verschillen weinig en onder de burgers leven ze nauwelijks. Vanuit een communicatieoogpunt had ik ervoor gekozen om eenduidig te kiezen voor Amsterdam Smart City en dit begrip te verhelderen aan de hand van een beperkt aantal trefwoorden. Een daarvan zou samen delen (sharing) zijn. Uitgaande van de voornoemde missies zou mijn keuze van de andere zijn: De burger centraal (citizen-based), iedereen telt (inclusive), ondernemend (entrepreneurial), samenwerkend (collaborative),  duurzaam (sustainable) en digitaal verbonden (IT-enabled). Wie weet heeft alsnog iemand wat aan mijn advies.

[1] Zie mijn artikel over smart versus resilient steden: http://smartcityhub.com/collaborative-city/smart-cities-resilient-cities-make-difference/

[2] Sharing Cities, A case for truly smart and sustainable cities (MIT Press, 2015)

[3] Zie ook de volgende infographic: [3] http://english.sharehub.kr/infographic-sharing-city-seoul-4-years-achievements/

[4] Het volgende filmpje geeft hier een beeld van: https://www.youtube.com/watch?v=O7VDjjeEdN8&feature=youtu.be

[5] Dit artikel geeft een overzicht van de betekenissen die aan het begrip smart city worden toegekend: http://smartcityhub.com/collaborative-city/smart-cities-1-0-2-0-3-0-whats-next/

[6] https://amsterdamsmartcity.com

[7] http://www.sharenl.nl/amsterdam-sharing-city/

‘Commoning’ als middel om gemeenschapsvoorzieningen te behouden

Het is van grote waarde als burgers zelf het beheer van gemeenschappelijke voorzieningen ter hand nemen

 

images
De Polfermolen in Valkenburg aan de Geul

De gemeente waarin ik woon, Valkenburg aan de Geul, exploiteert een schitterende sport- en theateraccomodatie, inclusief een 25-meterbad en verschillende recreatieve baden. Het complex – de Polfermolen – is in 2001 opgeleverd. Sloop ligt echter in het verschiet. De gemeente wil om begrijpelijke redenen de kosten (gemiddeld € 1,5 miljoen per jaar) niet langer dragen.

Vrijwel elke gemeente heeft hoofdpijndossiers als de Polfermolen. De meeste daarvan hebben een vergelijkbare voorgeschiedenis.

De nadagen van de verzorgingsstaat

Vooropgesteld, ik vind dat de overheid naast de zorg voor openbare orde en veiligheid verantwoordelijk is voor de beschikbaarheid van nutsvoorzieningen, onderwijs, zorg en openbaar vervoer. Dit betekent niet dat de overheid deze voorzieningen ook zelf zou moeten exploiteren. Dit geldt in nog veel mindere mate voor voorzieningen waarvan incidenteel of door slechts een deel van de bevolking gebruik wordt gemaakt, zoals sportcomplexen, schouwburgen, musea, bibliotheken en zwembaden. In de hoogtijdagen van de verzorgingsstaat werd hier anders over gedacht met de voornoemde hoofdpijndossiers als gevolg.

Van welvaartsstaat naar burgerinitiatieven

De idee dat de burger in de eerste plaats consument is en dat de overheid moet voorzien in alle welzijnsvoorzieningen die commercieel niet of  tegen een te hoge prijs aangeboden kunnen worden, is aan het veranderen.

Overal ter wereld nemen burgers zelf het initiatief om samen zaken van gemeenschappelijke waarde te creëren en nemen zij de verantwoordelijkheid voor de exploitatie ervan. De deeleconomie is onderdeel van dit streven. Het is inmiddels heel gewoon dat huiskamerrestaurants ontstaan, gemeenschappelijke (groenten)tuinen worden aangelegd, speeltuinen worden beheerd, vervoersoplossingen worden bedacht, ouderen samen voor passende huisvesting zorgen en ga zo maar door[1]. Drijfveer is niet alleen het beschikbaar komen van ontbrekende voorzieningen en het op afstand houden van betutteling door de overheid, maar ook de voldoening die het samen creëren en in stand houden ervan schenkt. In dit verband is vaak sprake van sociaal kapitaal [2].

De vraag ligt daarom voor de hand of het een optie is dat de gebruikers van voorzieningen als het sportcomplex de Polfermolen in Valkenburg aan de Geul, de exploitatie daarvan samen overnemen in plaats van te berusten in de sluiting ervan.

zwembad jekerdal 41
Het Jekerbad in Maastricht

Op korte afstand van Valkenburg – in Maastricht – speelde in de jaren ’80 een vergelijkbaar probleem. De gemeente vond de exploitatie van het Jekerbad te duur en wilde het sluiten. Dit leidde tot een burgerinitiatief met als doel het bad te behouden. Er werd een vereniging opgericht, die inmiddels 6000 leden heeft en een wachtlijst van 10 jaar (sic) kent. De leden kunnen onbeperkt zwemmen voor een bedrag van € 55 per jaar en ze verrichten af en toe werkzaamheden. Gerard Peters, een van de leden van het eerste uur: “De grote aantrekkingskracht van het bad is dat het van de leden is. Dat is zo’n bindende factor dat mensen zich verantwoordelijk voelen. Het is je eigen bad en daar zet je je graag voor in.”[3]  Dat kun je helaas niet zeggen van menige overheidsvoorziening.

De oprichting van een vereniging van gebruikers van de Polfermolen – en vergelijkbare gevallen – kan een alternatief bieden voor sluiting, al gaat het vaak om meer complexe projecten dan het Jekerbad. Een onderzoek naar de haalbaarheid is echter alleszins de moeite waard. Ik benadruk dat het  – net als bij het Jekerbad – om meer gaat dan de vervanging van betaalde arbeidskrachten door vrijwilligers. namelijk het verwerven van zeggenschap – niet per se juridische eigenaarschap – en de verantwoordelijkheid voor de exploitatie.

De civil society

Poortje_gevangenis_-_Amsterdam_-_20017122_-_RCE
Ingang Heiligewegbad in Amsterdam

Eigenlijk is er niets nieuws onder de zon. De tweede helft van de 19de eeuw en de eerste helft van de 20ste eeuw staan bekend vanwege de opkomst van de civil society. Burgers onttrokken zich geleidelijk aan patriachale en autoritaire verbanden en hun gevoelens van eigenwaarde en onderlinge solidariteit groeiden. Dit had onder andere een ongekende bloei van het verenigingsleven tot gevolg en bevorderde ook de opkomst van coöperaties, spaarkassen, onderlinge verzekeringen en sportfondsen. Deze laatste maken de cirkel rond: Zwemmen deed je vroeger niet in een commercieel of in een gemeentebad, maar in een sportfonsenbad, voortgekomen uit burgerinitiatieven[4].

Terug naar het heden. Ik zou het fantastisch vinden als gebruikers van de Polfermolen samen het beheer en de exploitatie ervan ter hand nemen. Wie weet, gaat ‘de Molen’ draaien als nooit te voren en wordt zij een voorbeeld voor vergelijkbare gevallen.

[1] Creëren van gezamenlijke voorzieningen wordt doorgaans ‘commoning’ genoemd. Engeland loopt hierin voorop, mede ook vanwege de kaalslag van openbare voorzieningen de afgelopen decennia. Zie voor een verslag van een grootschalig project in de Londense wijk West Noorwood: https://drive.google.com/file/d/0B28SOnHQM5HVV0pyT2p1NGNvQk0/view

[2] Een schitterende studie van ‘sociaal kapitaal’ is het boek Bowling Alone, The Collapse and Revival of American Community van Robert Putman. Deze studie onderzoekt het verdwijnen en weer deels herstellen van het gemeenschapsgevoel in de VS.  Zij is gebaseerd op 500.000 interviews die Putman en zijn studenten afnamen over een reeks van vele jaren. Het feit dat burgers samen iets opzetten en beheren schept gemeenschapsgevoel, dat zich volgens de auteur uit in meer onderling vertrouwen, meer sociale betrokkenheid, meer tevredenheid in het leven en zelfs een betere gezondheid. Zie http://bowlingalone.com

[3] Zie: https://verenigingflevoparkbad.wordpress.com/2014/11/02/succesverhaal-buitenbad-jekerdal-al-30-jaar-van-buurtbewoners/

[4] Sportfondsenbaden zijn eind 19de eeuw ontstaan uit een voorloper van crowd funding:  https://nl.wikipedia.org/wiki/Sportfondsenbad. Het eerste Sportfondsenbad in Nederland was het Heiligewegbad in Amsterdam, dat in 1987 ondanks protest van de bewoners van Amsterdam-Centrum plaats moest maken voor een nieuw winkelcentrum.

 

Smart cities of resilient cities. Maakt het wat uit?

De begrippen smart city en resilient city hebben een verschillende achtergrond maar ze worden tegenwoordig als synoniemen gebruikt.

Wereldwijd leeft 55% van alle mensen in steden en hun aantal neemt snel toe. Steden bedekken 4% van het landoppervlak, gebruiken 67% van alle geproduceerde energie en zorgen voor 70% van alle broeikasgassen.

Steden zijn niet alleen de belangrijkste economische centra van de wereld, ook hun politieke macht groeit. Waarnemers geloven dat duurzaamheid eerder zal voortvloeien uit beleid van steden dan uit maatregelen van nationale overheden. Voor sommige landen een hele opluchting!

Om hun intenties duidelijk te maken, gebruiken veel steden adjectieven als smart, resilient, sustainable, sharing en meer.

Athene resilient city

Smart city

Een inventarisatie van wetenschappelijke artikelen leverde meer dan 30 verschillende definities op van smart city.[1] De definitie van Caragliu uit 2009 is het meest geciteerd: We believe a city to be smart when investments in human and social capital and traditional (transport) and modern (ICT) communication infrastructure fuel sustainable economic growth and a high quality of life, with a wise management of natural resources, through participatory governance.

screenshot 16

Resilient city

De eerste maal dat het begrip resilience (weerbaarheid) werd gebruikt in de context van stedelijke beleid dateert van 2002. Echter, pas in 2012 begon de frequentie van de zoekopdrachten in Google naar het begrip resilient city snel toe te nemen. In tegenstelling tot smart city is het aantal definities van resilient city beperkt. Steden die zich resilient noemen, zoals Rotterdam en Den Haag, claimen dat ze het vermogen van alle inwoners, bedrijven en instellingen om zich te ontwikkelen versterken, ook als deze worden blootgesteld aan chronische spanningen en acute schokken.

Voorbeelden van chronische spanningen zijn hoge werkloosheid, overbelast of inefficiënt openbaar vervoer, aanhoudend geweld en voedsel- en watertekort. Acute schokken zijn aardbevingen, overstromingen, uitbraken van ziekten en terrorististische aanslagen.

Oorsprong en ontwikkeling van de smart city en de resilient city

De begrippen smart city en resilient city hebben verschillende wortels.

Technologiebedrijven, zoals Cisco, IBM, Siemens en Philips zijn tijdens de economische crisis het begrip smart city gaan propageren als onderdeel van hun strategie om nieuwe markten te vinden en nieuwe klanten aan te trekken.

Het gebruik van het begrip resilient city is daarentegen bevorderd door internationale organisaties en samenwerkingsverbanden van steden en drukt de wil uit zich beter voor te bereiden op gevaren zoals de orkanen Katarina in de New Orleans regio (2005) en Sandy langs de oostkunst van Noord-Amerika (2012).

screenshot 8
De bij de 100 Resilient Cities Challenge aangesloten steden

Zoals blijkt uit de bovenstaande definitie, is het begrip gevaar inmiddels opgerekt naar externe bedreigingen in het algemeen, variërend van klimaatverandering en milieuvervuiling tot armoede en congestie.

Het begrip smart city is ook geëvolueerd. Elders heb ik een onderscheid gemaakt tussen smart cities 1.0, 2.0 en 3.0[2]. Deze typering wijst op de ontwikkeling van het denken over smart cities van de inzet van ICT als een instrument om de economische groei en het concurrentievermogen te versterken naar een brede en participatieve strategie gericht op de oplossing van problemen met betrekking tot milieu, sociale gelijkheid en versterking van sociaal kapitaal in het algemeen.

De 100 Resilient Cities Challenge

De resilient city-beweging heeft in 2014 een krachtige stimulans gekregen toen de Rockefeller Foundation 100 miljoen dollar investeerde in de 100 Resilient Cities Challenge[3]. Mede door deze vorm van institutionalisering toont het beleid van de steden die zijn toegelaten tot deze beweging meer overeenkomsten dan dat van de zelf-benoemde smart cites. Het zogenaamde City Resilence Framework, speelt een sleutelrol in elke strategie van elk van de deelnemende steden.

screenshot 2

Met behulp van het City Resilience Framework kunnen steden een analyse maken van hun veerkracht op verschillende terreinen en vervolgens een strategie ontwikkelen om zwakke punten te verbeteren. Het resultaat van de analyse in Rotterdam is hieronder aangegeven[4]. Op dit moment hebben al 30 steden strategische rapporten gepubliceerd met doel om hun veerkracht in het komende decennium te vergroten. Onder hen zijn Rotterdam[5] en Athene[6], een stad die een briljant uitgewerkte actieplan heeft gepubliceerd. Een gloednieuw rapport, Cities Taking Action, geschreven ten behoeve van de onlangs gehouden Resilience Summit in juli 2017 te New York, biedt een bloemlezing van wat de 100 betrokken steden in het recente verleden hebben bereikt[7].

screenshot 7

Beschrijving van smart city en resident city convergeert

De reeds aangehaalde publicatie van Rocco Papa e.a. laat zien dat actuele omschrijvingen van smart en resilient cities vrijwel gelijke termen hanteren (zie onderstaande inventarisatie).

screenshot 9

Bijgevolg neigen sommige publicaties ertoe het begrip resilience als een kenmerk van smart cities te zien. Andere auteurs vragen zich af of het begrip resilient city voor smart city in de plaars zal komen. Ik ben geen voorstander van de assimilatie van een van deze termen door de andere. Beide concepten hebben hun eigen wortels en krijgen gaandeweg betekenis voor de betrokken burgers. Daarom kunnen ze beter als vergelijkbaar worden beschouwd, zoals dat goed wordt begrepen door een van de Internet platforms[8]. Overigens is het City Resilence Framework vanwege zijn gedetailleerde uitwerking ook voor smart cities een zeer nuttig beleidsinstrument.

Een gezamenlijke omschrijving tot slot

Zowel smart cities als resilent cities hanteren idealiter een breed instrumentarium om chronische en acute stedelijke problemen aan te pakken en te voorkomen, waarbij ICT een passende rol speelt. Zij maken het mogelijk dat alle actoren deelnemen aan de tot standkoming en de uitvoering van het beleid. Zij investeren in de groei van sociaal kapitaal door bevordering van onderwijs, werkgelegenheid, samenwerking en delen als basis van een goed bestaan voor alle burgers.

[1] Rocco Papa. Adrina Galderisi, Maria Christina Vigo Majello, Erica Saretta: Resilient cities: A systematic approach for developing cross-sectoral strategies in the face of climate change. TeMA Journal of Land Use Mobility and Environment 1 (2015)

[2] http://smartcityhub.com/collaborative-city/smart-cities-1-0-2-0-3-0-whats-next/

[3] http://www.100resilientcities.org

[4] http://lghttp.60358.nexcesscdn.net/8046264/images/page/-/100rc/Blue%20City%20Resilience%20Framework%20Full%20Context%20v1_5.pdf

[5] http://www.100resilientcities.org/wp-content/uploads/2017/06/strategy-resilient-rotterdam.pdf

[6] http://www.100resilientcities.org/wp-content/uploads/2017/06/Athens_Resilience_Strategy_-_Reduced_PDF.compressed.pdf

[7] http://100resilientcities.org/wp-content/uploads/2017/07/WEB_170720_Summit-report_100rc-1.pdf

[8] https://www.smartresilient.com