Limburg en de januskop van de digitale samenleving

Vrijwel elke gemeente of provincie heeft inmiddels wel een nota die de zegeningen van technologie beschrijft, of anders deze wel onderzoekt. Dat laatste is het geval in de “Strategische verkenning digitale samenleving Limburg”. In dit artikel bespreek ik de nota.

Advertenties

De manier waarop de nota Strategische verkenning digitale samenleving Limburg tot stand is gekomen, is niet alledaags. De provincie Limburg heeft begin 2018 aan een zestal ‘verkenners’ gevraagd om in kaart te brengen welke mogelijkheden ‘de digitale samenleving’ biedt voor respectievelijk welzijn, onderwijs, stedelijke ontwikkeling & mobiliteit, klimaat en energie, regionale economie en provinciale organisatie in en van Limburg. Je kunt het rapport met behulp van deze link downloaden [1].

De provincie staat voor de opgave “zich te verhouden tot de gevolgen van digitale ontwikkeling” (p. 14) en daaraan draagt hetgeen de auteurs te berde brengen zeker bij. Maar de uiteindelijke waarde van hangt toch af van de follow-up. Ik doe het provinciebestuur aan het einde hiervoor een suggestie. 

Technologie: Oplossing of bedreiging

De afbeelding bevat een januskop, een tweekoppig wezen. Deze verwijzen naar de rollen van technologie, enerzijds als oplossing, anderzijds als bedreiging
Welzijn

De afzonderlijke bijdragen – op persoonlijke titel geschreven – laveren tussen omarming van en kritiek op het gebruik van digitale technologieën en data. De balans verschilt per auteur. De meesten lijken het wel eens te zijn met Paulien Strijland, de auteur van de bijdrage over regionale economie. Zij schrijft dat “digitalisering van de samenleving in een versneld tempo plaats vindt en onvermijdelijk is.” Om deze reden staan we voor de opgave na te gaan “welke maatschappelijke vraagstukken met digitale middelen opgelost kunnen worden, hoe we ons digitale innovatieklimaat snel kunnen verbeteren en hoe we omgaan met de noodzakelijke sociale veranderingen die digitalisering met zich mee brengt” (p.68).

De auteurs realiseren zich – de een meer dan de ander – dat gebruik van digitale technologie voordelen heeft maar ook risico’s meebrengt.

De auteur met de meeste reserve jegens de ‘zegeningen’ van de technologie is Egid van Houtem in zijn beschouwing over het thema welzijn. Daarbij citeert hij Robert Went, onderzoeker bij de WRR, die spreekt over ‘technologisch chauvinisme’: Het geloof dat techniek een oplossing biedt voor elk stedelijk probleem, tien jaar geleden succesvol gepredikt door IBM (p. 13), zie ook het kader. 

Technologie kent doorgaans twee gezichten, namelijk van oplossing en van bedreiging. Egid van Houtem heeft ook het spraakmakende boek Radical Technologies. The Design of Everyday Lifevan Adam Greenfield bestudeerd: De wijze waarop technologie zich ontwikkelt is allesbehalve autonoom en onvermijdelijk, maar wordt bepaald door de (markt)partijen met de meeste macht om er hun commerciële belangen mee te behartigen. Technologische chauvinisten hebben hier geen oog voor [2]. Van Houtem citeert tevens met instemming de visie van het Rathenau Instituut om in te zetten op waarden gedreven (digitale) innovatie. Deze visie komt bij verschillende andere auteurs terug, iets dat wel weer veronderstelt dat er ruimte is om de technologische ontwikkeling te beïnvloeden. De auteurs zijn in dit opzicht ambivalent. Elders spreek ik uit dat een humane samenleving het in de toekomst moet hebben van een goede balans tussen waarden als duurzame groei, rechtvaardigheid, leefbaarheid en van digitale rechten[3]en dat bepaalde digitale hulpmiddelen daarbij helpen.

Digitale samenleving: Een wenkend perspectief?

In het voorwoord merkt gedeputeerde Hans Teunissen op dat de nota “een schatkamer is aan ideeën voor de digitale transformatie van Limburg ” Maar is dat wel zo?

Eigenlijk vind ik de opsomming van digitale technieken en voorbeelden van zinvol datagebruik in het rapport nogal mager en nauwelijks iets om naar uit te zien.  

Een recent rapport van McKinsey Global Institute (juni 2018), getiteld Smart Cities: Digital solutions for a more livable future  is op dit gebied veel rijker van inhoud en de website Bee Smart City bevat ongeveer 700 voorbeelden van de manier waarop digitale hulpmiddelen op terreinen als economie, gezondheidszorg, verkeer en leefbaarheid ingezet kunnen worden. Overigens ook lang niet allemaal overtuigend.

Van Houtem groepeert zijn bijdrage rond een aantal maatschappelijke opgaven, zoals gezondheid van jongeren, vereenzaming van ouderen, burgerparticipatie en digitale geletterdheid. Bij elk thema geeft hij voorbeelden van de bijdrage van digitalisering. Bij de gezondheid van jongeren wordt verwezen naar ‘serious games’ en ‘wearables’, die worden gecombineerd in het project Boosth, dat thans wordt uitgeprobeerd (p. 15). Een andere mogelijkheid is het gebruik van ‘big data’ om interventies gerichter te maken, bijvoorbeeld de Stimuliz, een instrument voor tijdige signalering van de ontwikkeling van kinderen. Om de vereenzaming van ouderen tegen te gaan, komen aan de orde beeldbellen, VR-brillen en sociale robots die ouderen helpen met de dagindeling.

Mobiliteit en stedelijke ontwikkeling

Problemen rond de ontwikkeling van steden en platteland, inclusief mobiliteit, zijn het thema van de bijdrage van Marc Smits en Louis Reinders. Het verkeer loopt vast, maar op de korte termijn bieden digitale hulpmiddelen en data weinig soelaas: Sensoren, adaptieve lantaarnpalen, car sharing, verbetering van de navigatie en oproepbare busjes. 

Voor ‘echte’ oplossingen op de lange termijn moeten we wachten op zelfsturende auto’s, drones en hyperloops. Maar ook hun merites zijn twijfelachtig.

Planologen zijn het erover eens zijn eerst de vraag moet worden beantwoord hoe het gebruik van particuliere auto’s – al dan niet elektrisch – drastisch kan worden verminderd.

Op basis van simulaties staat nu al vast, dat autonome auto’s de congestie alleen maar zullen vergroten[4]. Wat nodig is, is in de eerste plaats een ander soort steden in plaats van hyperloops en autonome auto’s[5].

Oplossingen voor andere problemen van de leefomgeving zijn triviaal. Neem veiligheid. Net als in veel andere geschriften, wordt het Eindhovense Stratumseind met zijn CCTV-camera’s, sensoren en adaptieve verlichting aangehaald. Echter, het aantal geweldsdelicten is niet hierdoor verminderd, zoals de bedoeling was. Wel hebben ze geleid tot een groter veiligheidsgevoel. 

Of neem de lediging van de ‘slimme’ vuilnisbakken in Brussel: Dat dit zesmaal minder vaak hoeft te gebeuren komt omdat hun capaciteit zesmaal groter is dan voorheen. De rol van de ingebouwde sensoren die melden als ze vol zijn, is marginaal.

Technologie staat niet los

Sommige bijdragen gaan slechts in beperkte mate in op concrete technologische maatregelen, maar benadrukken vooral de beleidsmatige voorwaarden waaraan moet worden voldoen om deze te laten slagen.

Onderwijs

Tamara de Boer onderscheidt in haar bijdrage over onderwijs een aantal problemen waarbij technologie theoretisch een oplossing kan bieden. Een daarvan is gepersonaliseerd leren en daarmee samenhangend ‘learning analytics’. Terecht stelt ze dat dit thema aansluit bij jarenlange pleidooien van onderwijskundigen om te meer personaliseren. Hiervan is zo goed als niets terecht gekomen. Dat komt niet omdat de vereiste technologische hulpmiddelen er (nog) niet waren. De auteur is zich hiervan bewust en wijst op de noodzaak van een wezenlijke verandering van de organisatie en de cultuur van het onderwijs. Het is ook niet voor het eerst dat iemand dit verzucht. Technologische oplossingen ‘van bovenaf’ invoeren is wel het laatst dat gaat helpen. In plaats daarvan moeten scholen de middelen krijgen zich in deze middelen te verdiepen en om leraren vrij te maken om deze te implementeren. Maar ook dat zal niet gaan gebeuren zonder oplossing van het lerarentekort en verandering van de ‘leerstoffige’ onderwijscultuur. 

Regionale economie en innovatie

De al gememoreerde bijdrage van Paulien Strijland is eerder een beschouwing over regionale economie en innovatie in brede zin dan een over de rol van digitale technologieën en data. Dat is als compliment bedoeld! Zij stelt onomwonden vast dat het innovatieklimaat in Limburg te kort schiet, mede vanwege verkokering en onderling wantrouwen. De Brightland campussen kunnen een belangrijke stimulerende rol spelen, maar daarvoor is het misschien beter is als ze apart gaan opereren om al doende de inbedding in de lokale economie te versterken. 

Digitale samenleving: eenzijdige focus

De auteurs van de bijdrage over de provinciale organisatie zelf, René Bijlmakers en Ron Helwig, benadrukken dat de provincie de hoeder is van publieke waarden, en van daaruit ook de plicht heeft om het gebruik van digitale technologie en van data kritisch te volgen. Tegelijkertijd stellen ze dat het nodig is om ‘vertrouwen te hebben in de digitale samenleving’. Dat is niet direct wat ik me bij ‘kritisch volgen’ voorstel en waarom zouden we? Technologie geeft kansen, maar brengt evenveel bedreigingen met zich mee. 

Wat mij tegen de borst stuit, is dat er voortdurend sprake is dat we ons bewegen naar een digitale samenleving.

Provinciale organisatie

Een dergelijke terminologie verabsoluteert één aspect van de toekomst, net als het geval was bij begrippen als de verzorgingsstaat, de participatie samenleving en de kenniseconomie. Als er sprake zou zijn van de ontwikkeling naar een humane samenleving, kon ik daar nog in meegaan. De (toekomstige) samenleving in de eerste plaats als digitaal typeren is erg eenzijdig.

Nu we het toch over irritaties hebben; een ander punt dat mij irriteerde zijn de herhaaldelijke verwijzingen naar de toekomstige koploper-rol van Limburg, terwijl tegelijkertijd wordt gewezen op de achterstand die deze provincie thans op diverse terreinen heeft. Inzet moet zijn, realiseren wat waardevol is en dan zal blijken dat het in sommige opzichten goed zal gaan en in andere minder. Er zijn zo veel lokale omstandigheden die daarbij een rol spelen, dat hanteren van lineaire schalen om prestaties te vergelijken geen enkel doel dient. 

Hoe verder?

De waarde van de voorliggende nota hangt af van de follow up. Wat – mijns inziens – in dit stadium vooral niet moet gebeuren, is voortborduren op de besproken voorbeelden voor digitalisering en datagebruik.  Niet alleen omdat deze relatief beperkt zijn en deels ook triviaal. Maar vooral omdat de vraag welke technologieën en toepassingen van datagebruik de provincie zou moeten ondersteunen, zich ook na publicatie van deze nota nog niet laat beantwoorden.

Aan de keuze van technologische hulpmiddelen en de inzet van data moeten duidelijke beleidskeuzen voorafgaan.

De nota Strategische verkenning digitale samenleving Limburg zet een eerste stap, door beleidsproblemen te definiëren, uitdagingen voor toekomstig beleid te omschrijven en voorbeelden te geven van bruikbare digitale technieken en het gebruik van data. Er ontbreken twee tussenstappen:

  • Een inventarisatie van het huidige beleid en van de successen of tekortkomingen van de gebruikte instrumenten.
  • De formulering van beleidskeuzen voor de toekomst. 
Klimaat en energie

In dit opzicht is de bijdrage van Lotte Loeber’s over klimaat en energie nog het meest uitgebalanceerd. Ze beschrijft eerst voor welke problemen we staan: De noodzaak van een betrouwbaar en duurzaam energiesysteem, verduurzaming van de gebouwde omgeving, een toekomstbestendig agrofoodcomplex, verduurzaming van de glastuinbouw en toename klimaatbewustzijn in Limburg. Vervolgens inventariseert ze oplossingen in algemene zin en pas daarna komt de bijdrage van digitale technologie aan de orde.

Overigens, of het zo eenvoudig is als de auteur stelt, valt te betwijfelen: Alle (huishoudelijke) apparaten zullen in de toekomst worden verbonden aan het internet door middel van Internet of Things en wordt het mogelijk om al deze apparaten op afstand aan- of uit te zetten. Experimenten binnen de Amsterdamse ‘virtual energy plant’ laten zien dat dit inderdaad kan, maar dat het nog niet betekent dat de bewoners dit ook willen of doen[6].

De provincie moet als follow-up van de nota in de eerste plaats de twee voornoemde ontbrekende tussenstappen zetten.

Vervolgens kunnen beleidsinstrumenten worden gekozen: Digitale hulpmiddelen en de inzet van data zijn daar onderdelen van, niets meer en niets minder. Beide moeten naadloos aansluiten op overige instrumenten op het gebied van wetgeving, communicatie, infrastructuur en financiën. Deze aanpak maakt het mogelijk de merites van technologie en van het gebruik van data veel kritischer te beoordelen.

Tenslotte is het van belang dat de beleidskeuzen en de keuze van instrumenten, waaronder het gebruik van techniek en data een breed draagvlak hebben en dat burgers weten welke de consequenties ervan kunnen zijn – met name ook op het gebied van de inzet van technologie.


[1]De kleurrijke afbeeldingen in het dit artikel zijn afkomstig uit de nota ‘Strategische verkenning digitale samenleving Limburg’. De afbeelding van de januskop komt uit het boek Science in Action(1987) van Latour en verwijst naar de interne tegenstrijdigheid van onze wetenschappelijke kennis.

[2]Verso, London 2017. In mijn essay Digital technology eats politics for breakfastbespreek ik het boek Radical Technologiesin samenhang met een ander spraakmakend boek, A New digital dealvan Bas Boorsma (Rainmaking publications 2017).

[3]http://smartcityhub.com/collaborative-city/long-read-beyond-the-smart-city-challenges-for-a-humane-city/

[4]http://smartcityhub.com/mobility/autonomous-vehicles-heaven-nightmare/

[5]https://hmjvandenbosch.com/2018/10/22/vergeet-even-de-autonome-auto-en-denk-na-over-leefbaarheid/

[6]http://smartcityhub.com/technology-innnovation/smart-grid/

Sociaal ondernemen: Het nieuwe normaal?

De wereld zou er een stuk beter op worden als ondernemingen besloten de creatie van (maatschappelijke) waarde boven het maken van winst en het belonen van het topmanagement te stellen, overigens zonder hun continuïteit te verwaarlozen

Enkele Nederlandse sociale ondernemingen

Wat is er mooier dan een onderneming waar gedreven medewerkers voor hun klanten én voor de samenleving de best mogelijke producten of diensten tot stand te brengen. Waarde creëren heet dat. We spreken dan van een sociale onderneming. Voor heel wat bedrijven – zeker bij startups – is dat inderdaad het geval, overigens zonder dat zij hun continuïteit uit het oog verliezen.

Voor de meeste bedrijven is het streven naar waarde ondergeschikt aan het streven naar zo veel mogelijk winst voor de aandeelhouders en inkomen voor het (top)management. Veel medewerkers zien dit met lede ogen aan.

In de Verenigde Staten komen bedrijven die expliciet kiezen voor de voortbrenging van goederen en diensten met een hoge toegevoegde maatschappelijke waarde, in aanmerking voor de wettelijke status benefit corporation[1]. Zij kunnen zich tevens als zodanig laten certificeren en ontvangen dan van een onafhankelijk instituut het predicaat certified B-corporation[2].

Wereldwijd zijn er inmiddels 2600 bedrijven met het predicaat certified B-corporation

De Amerikaanse tak van Danone hoort hier ook bij. Enige maanden geleden kondigde het Franse moederbedrijf van Danone met 36.000 werknemers aan eveneens de status van certified B-corporation aan te vragen. Het bedrijf trekt tien jaar uit om aan alle voorwaarden te voldoen.

Emmanuel Faber

De CEO van Danone, Emmanuel Faber plaatst dit besluit tegen de achtergrond van het groeiende wantrouwen van consumenten tegenover de voedingsmiddelenindustrie. Het bedrijf wil de komende jaren bewijzen dat zijn producten een betrouwbare bijdrage leveren aan gezonde voeding, wereldwijd.

Het bedrijf blijft – als veel andere B-corps – beursgenoteerd, maar de aandeelhouders niet tornen aan de maatschappelijke missie[3]. Hierover is inmiddels overeenstemming bereikt. 

Ook in Nederland is geregeld discussie of de status van benefit corporation wettelijk erkend zou moeten worden.

Dit weerhoudt een aantal bedrijven er niet van om zich nu al sociale of maatschappelijke onderneming te noemen. Woorden die overigens voor verwarring zorgen. De term sociale onderneming wordt in Nederland vaak gebruikt voor bedrijven die vooral mensen met een beperking in dienst nemen, zoals Downies & Brownies. Het begrip maatschappelijke onderneming komt ook voor, maar wordt gebruikt voor not-for-profit instellingen, zoals onderwijsinstellingen, ziekenhuizen of de NS.

In zijn zeer recente rapport over sociale ondernemingen, stelt de OECD uit te gaan van de definitie van sociale ondernemingen van de Europese Commissie[4]Een sociale onderneming als een particuliere onderneming die haar bestaansrecht ontleent aan het streven de samenleving te verbeteren. Dit houdt onder andere in dat winst wordt gebruikt om dit doel te consolideren, dat de bedrijfsvoering en het bestuur transparant zijn en dat er geen buitensporige beloningen worden uitgekeerd. Ik denk dat deze definitie intuïtief wel verhelderend is, maar ook de vraag oproept wat verbeteren van de samenleving inhoudt.  

Ik suggereer daarom in de definitie van een sociale onderneming de nadruk te leggen op het creëren van waarde in plaats van het maken van een zo hoog mogelijke winst. 

Echter, al is het streven naar winst ondergeschikt aan het streven naar waarde; van tafel is het niet. Het vermelde OECD-rapport positioneert sociale ondernemingen middenin een continuüm van vormen van ondernemerschap (figuur). 

Recent nog heeft de ‘koepel’ van Nederlandse sociale ondernemingen, Social Enterprise NL gepleit voor een eigen legale status. Dat staat weer op gespannen voet met het feit dat thans de legale status sterk varieert, van Stichting, coöperatie, vereniging, VOF tot BV en NV.  

Misschien is het ook beter om ervoor te ijveren dat de keuze voor maatschappelijke doelen het nieuwe normaal wordt.

Streven naar een passende winst is dan een middel daartoe. Winst maakt het mogelijk een reserve op te bouwen en extra te investeren, bijvoorbeeld in onderzoek. Salaris voor de directie en werknemers, een beloning voor de kapitaalverschaffers en een eventueel extraatje voor alle werknemers worden tot de normale bedrijfskosten berekend. 

Onlangs is een interessant onderzoek gepubliceerd dat de Erasmus Universiteit heeft verricht in opdracht van Stichting Management Studies (VNO-NCW)[5]. Het belicht 17 Nederlandse bedrijven die uitgaan van een maatschappelijke missie. De vraag die de studie beantwoordt, is hoe deze bedrijven dat doen en tegelijkertijd hun continuïteit waarborgen. Ze hebben de tijd mee. Nadat Danone had aangekondigd zich te gaan profileren als maatschappelijke onderneming, kreeg het bedrijf aanzienlijke korting op een lening van 12 miljard bij een Europees consortium van banken. Blackrock, ’s werelds grootste vermogensbeheerder zegt zich voortaan in de eerste plaats te richten op maatschappelijke ondernemingen. Dit is geen filantropie; maatschappelijke ondernemingen doen het gewoon goed. 

Om te voorkomen dat het begrip sociale ondernemen verwatert, maakt de voornoemde studie een onderscheid tussen drie typen sociale ondernemingen, afgezien van degene die vooralsnog geen enkele maatschappelijke impact beogen (Zie onderstaand schema). 

Een aantal bedrijven streeft maatschappelijke doelen na om tactische redenen, bijvoorbeeld versterking van de reputatie, maar maximalisatie van de winst blijft het voornaamste doel. 

Het tweede en derde type beschouwen het maatschappelijke waarden als de reden voor hun bestaan en als middel om zich van andere bedrijven te onderscheiden. Enkele van deze bedrijven gaan nog verder. Tony Chocolonelly bijvoorbeeld wil de cacao-keten ‘slavenvrij’ maken en spendeert (met succes) veel energie om andere producenten van chocolade mee te krijgen. Het bedrijf zou meegaan in een overname als dit doel daarmee gediend zou zijn.

Een ander onderscheid betreft de origine van de sociale onderneming. Sommige kennen deze status vanaf de oprichting (Triodosbank en in zekere zin ook de Rabobank), anderen zijn stapsgewijs in sociale richting geëvolueerd (Volksbank, Aliander). In het onderzoek wordt dit het hybridiseringsproces genoemd. Niettemin beschouwen al deze ondernemingen commercieel verantwoorde bedrijfsvoering als middel en niet als doel: De Triodosbank heeft vastgesteld wat het voor haar continuïteit minimaal wenselijke financiële resultaat is en zij streeft dat na. Is de winst hoger dan wordt deze geïnvesteerd in maatschappelijke doelen. 

Hoewel sociale ondernemingen onderling sterk verschillen, bijvoorbeeld op het vlak van control, blijken uit het onderzoek ook opmerkelijke overeenkomsten. Ze bieden meer ruimte voor entrepreneurship, leidinggevenden zijn eerder coachend dan directief, ze werken vaak met zelfsturende teams, er is veel aandacht voor diversiteit en er werken naar verhouding veel mensen met een beperking. Helaas geeft het onderzoek geen informatie over beloning van het topmanagement. 

Er zou best wel wat meer maatschappelijke druk uitgeoefend kunnen worden op bedrijven om stappen te zetten richting sociaal ondernemen.

Vakbonden zouden zich er eens in kunnen verdiepen, consumentenorganisaties kunnen deze bedrijven in het zonnetje zetten, de overheid zou bij voorkeur met dit type bedrijven zaken kunnen doen, banken kunnen voor gunstige financiering zorgen en ‘wij’ zouden er klant of aandeelhouder van kunnen worden.

Enkele benefit corporations

[1]Zie hier een overzicht van alle benefit corporations: http://benefitcorp.net/businesses/find-a-benefit-corp

[2]Zie voor het verschil tussen ‘benefit corporation’ en ‘certified B-corps’: http://benefitcorp.net/businesses/benefit-corporations-and-certified-b-corps

[3]https://www.businessinsider.nl/danone-planning-to-be-worlds-largest-benefit-corporation-2018-10/?international=true&r=US

[4]OECD/EU (2019), Boosting Social Entrepreneurship and Social Enterprise Development in the Netherlands, In-depth Policy ReviewOECD LEED Working Papers, 2019, OECD Publishing, Paris: https://www.oecd-ilibrary.org/docserver/4e8501b8-en.pdf?expires=1550830975&id=id&accname=guest&checksum=305CA6EEFD03AA3DB0B6B82AB9B73E05

[5]Karen Maas, Carly Relou, Tasneem Sadiq, Mark Hillen, Rob van Tulder: Sociaal ondernemen. Uitgave: Uitgeverij Koninklijke Van Gorcum, Assen 2018.

De smart city voorbij: Uitdagingen voor een humane stad

De wens smart city te zijn roept tegenstrijdige gevoelens op: Verzet, als technologiebedrijven steden zien als een dankbaar afzetgebied voor sensoren en andere hardware, besturingssoftware en als een onuitputtelijke bron van data. Instemming, als technologie zorgvuldig wordt ingezet ten bate van de bevolking.

In de afgelopen jaren heb ik herhaaldelijk laten merken weinig op te hebben met steden die zich prominent als smart city profileren[1]: Een middel dat tot doel wordt verheven. In plaats daarvan pleit ik voor de humane (of inclusieve) stad. Het gaat daarbij om vier kernwaarden, die elkaar wederkerig beïnvloeden. Deze kernwaarden zijn:

Duurzame welvaart:

Veel mensen vinden het plezierig om werk en voldoende inkomen te hebben totdat ze zich realiseren dat dit inkomen deels het gevolg is van roofbouw op de aarde en op medemensen.

Vandaar:

  • Welvaartsgroei binnen een circulaire en op solidariteit gerichte economie.
  • Mogelijkheid om op zinvolle wijze bij te dragen aan en zeggenschap te hebben over de productie van goederen en diensten.

Rechtvaardigheid en democratie:

Een gevoel van rechtvaardigheid is onlosmakelijk verbonden aan de manier waarop we met anderen samenleven en als vrije burger in staat zijn daar invloed op te kunnen uitoefenen.

Vandaar:

  • Eerlijke beloning.
  • Reële politieke invloed
  • Medezeggenschap over de eigen leef- en werkomgeving.
  • Vrijheid en veiligheid

Welzijn en leefbaarheid:

Naast werk, inkomen is het plezierig om te beschikken over een reeks voorzieningen zoals huisvesting, onderwijs, zorg, winkels en vervoer.  Maar uiteindelijk gaat het erom dat deze voorzieningen bijdragen aan ons welzijn en daarmee helpen – samen met anderen – gelukkig te zijn. 

Vandaar:

  • Een gezonde en leefbare omgeving voor alle burgers.
  • Voorzieningen die bijdragen aan ontplooiing en daarmee meer bieden dan bevrediging van materiële behoeften.
  • Aantrekkelijke vervoersmogelijkheden.

Hieronder volgt een beschrijving van de viernkernwaarden, de stedelijke uitdagingennen de bijbehorende activiteiten

Digitale technologie:

Basaal gaat hier om alle stadsbewoners te laten delen in de mogelijkheden van (digitale) (communicatie) technologie. Maar meer dan dat, gaat het om de realisering van de bijdrage van digitale technologie aan de belangen van de burgers.

Vandaar:

  • Een veilig en snel internet
  • De beschikbaarheid van faciliteiten, diensten en data die het leven vergemakkelijken en de participatie in de samenleving verdiepen. 
  • Zeggenschap over de verspreiding van persoonlijke gegevens  

De belangrijkste vraag is hoe deze vier kernwaarden in samenhang gerealiseerd kunnen worden. 

Stedelijke uitdagingen en activiteiten

De figuur hieronder bevat in essentie het antwoord. De vier kernwaarden geven richting aan de activiteiten die een stedelijk bestuur, samen met bedrijven, instellingen en bewoners, kan uitvoeren. Dit leidt tot 20 clusters (A t/m T), die ik stedelijke uitdagingen noem. In elk van deze uitdagingen speelt één kernwaarde een dominante maar niet exclusieve rol. 

Elke uitdaging bestaat uit een aantal activiteiten. Ik beschrijf deze hierna. Bij een aantal activiteiten geef ik voorbeelden van de ondersteunende rol van digitale technologie. 

Bij de beschrijving van de stedelijke uitdagingen is een groot aantal bronnen gebruikt. Aan het einde van dit essay beschrijf ik enkele daarvan.

Duurzame welvaart

Hieronder komen vijf uitdagingen aan de orde waarbij duurzame welvaart centraal staat:

(A) Economische activiteiten komen ten goede aan alle bewoners en gaan niet ten koste van de welvaart van toekomstige generaties en van mensen elders ter wereld.

(B) De ontwikkeling van ondernemerschap in het bijzonder van innovatieve en maatschappelijke bedrijven.

(C) De beëindiging van de uitstoot van CO2op de kortst mogelijke termijn.

(D) Hergebruik van alle grondstoffen. 

(E) Bewoners voorbereiden op en behoeden voor (natuur)rampen.

Elke uitdaging wordt beschreven aan de hand van een aantal activiteiten. Waar mogelijk zijn deze voorzien van voorbeelden van digitale hulpmiddelen.

De United Nations Global Goals vormen een volledig overzicht van de voorwaarden voor verantwoorde groei.

A. Economische activiteiten komen ten goede aan alle bewoners en gaan niet ten koste van de welvaart van toekomstige generaties en van mensen elders ter wereld.

  • Streven naar volledige en volwaardige werkgelegenheid door bedrijven en instellingen en een minimumbeloning die werknemers in staat stelt om op volwaardige wijze aan de samenleving deel te nemen.
  • Zorgdragen voor een breed aanbod van scholingsmogelijkheden, samen met kennisinstellingen en bedrijven, waarbij zowel beroepsvaardigheden als brede ontplooiing tot hun recht komen.
Gepersonaliseerd onderwijs op basis van persoonlijke gegevens over
leerdoelen en reeds verworven kennis.
College for America van de Southern New Hampshire University
(60.000studenten). 
Western Governors University (70.000 studenten).
http://www.christenseninstitute.org/wp-content/uploads/2017/02/College-transformed.pdf 
  • Voortbrengen van de best mogelijke producten en diensten. Dit geldt ook voor de gemeentelijke overheid zelf.
Digitalisering van procesautomatisering.
CityGrowth  https://citygro.ws/
Tomi  https://tomiworld.com/ 

B. De ontwikkeling van ondernemerschap in het bijzonder van innovatieve en maatschappelijke bedrijven.

  • Beschikbaar stellen van volop ruimte voor startups, inclusief incubators en andere vormen van ondersteuning.
Overzicht van bedrijven die inmiddels de status van maatschappelijke onderneming hebben.
  • Verlenen van faciliteiten op het gebied van huisvesting, energie, personeel en overheidscontracten aan bedrijven die bewust de status van maatschappelijke onderneming (B-corporation) kiezen.
  • Aangaan van onderlinge samenwerking door bedrijven en (kennis)instellingen.
Plaatselijke platforms die samenwerking tussen bedrijven en instellingenondersteunen.
New Makeit http://www.newmakeit.com/ 

C. De beëindiging van de uitstoot van COop de kortst mogelijke termijn.

  • Zo snel mogelijk overgaan op veilige alternatieven voor koolstofhoudende brand- en grondstoffen door gemeentelijke overheid, bedrijven en instellingen. Dit geldt voor de hele supply-chain.
  • (Ver)bouwen van energie-neutrale huizen en gebouwen.
  • Aandringen op een afdoende belasting van CO2-uitstoot.
In Nederland geproduceerde elektrische bus. Foto: VDL
  • Aanleg van smart gridsvoor een soepele afstemming van grootschalige en kleinschalige energievoorziening.
Software ter ondersteuning van smart grid technologie.
Envelio Intelligent Grid Platform (IGP)  http://envelio.com/ 

Automatische aanpassing van prijs voor elektriciteit om vraag in piek- en dalperioden te beïnvloeden.
City-zen: smart grid in Amsterdam Nieuw West 
http://www.cityzen-smartcity.eu/end-2-end-smartification/ 
  • Hergebruik van alle grondstoffen. 

D. Hoogwaardig hergebruiken van alle (bouw)materialen

  • Stimuleren van kleinschalige faciliteiten voor delen en verkoop van gebruikte spullen mede door deze te repareren en schoon te maken.
  • Mogelijk maken van drastische afname van de hoeveelheid afval als gevolg van circulair gebruik van materialen en producten en het delen van goederen. Het feit dat steeds meer goederen worden aangeboden als dienst draagt hieraan bij.
Digitale verrekening van afvalverwijdering, inclusief feedback aan
gebruikers.
SmartUp Cities  https://www.smartupcities.com/ 

Sensoren bepalen of vuilcontainers vol zijn en programma optimaliseert vervolgens de route voor ophalen van vuilnis.
GreenQ’s  https://greenq.gq/ 
Afvalverwerker nabij Oberhausen (Duitsland). Foto Michiel Verkeek (licentie via Creative Commons)

E. Voorkomen van en voorbereiden op (natuur)rampen.

  • Toezien op de kwaliteit van dammen, dijken, waterkeringen en bruggen.
  • Nauwgezet bijhouden van de invloed van activiteiten binnen de gemeentegrenzen op de omliggende (kwetsbare) natuur.
  • Beperking van risico’s voortvloeiend uit luchtvaart, industriële activiteiten, wegen en spoorwegen, samen met andere overheden
Bekorting van de tijd die nodig is voor hulpverleners om de plaats des
onheils te bereiken.
Fire plan  http://www.fireplan.de/de/startseite.html 
  • Gebruik van sensoren en kunstmatige intelligentie om op de dreiging van natuurrampen te anticiperen.
Alerts voor naderende natuurrampen, zoals orkanen, aardbevingen,
overstromingen en bosbranden.
Smart Rainfall System http://www.artys.it/ 
  • Voorbereiden van burgers en hulpverlenende instanties op mogelijke (natuurrampen)
De rol van het leger bij verhoging van de weerbaarheid tegen (natuur)rampen. Foto VS corps mariniers (publieke domein)

Rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid

Hieronder komen vijf uitdagingen aan de orde waarbij rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid centraal staan:

(F) Gelijktijdig versterken van sociale cohesie en diversiteit.

(G) Funderen van de legitimiteit van het bestuur op draagvlak bij de bevolking. 

(H) Mogelijk maken van directe deelname van grote groepen burgers aan de besluitvorming.

(I) Bewoners spelen een belangrijke rol bij de inrichting van de leefruimte. 

(J) De stad is in alle opzichten een veilige plaats om te leven en te werken.

Elke uitdaging wordt beschreven aan de hand van een aantal activiteiten. Waar mogelijk bevatten deze voorbeelden van digitale hulpmiddelen.

De mens: autonoom en sociaal. Foto: Pixabay

F. Gelijktijdig versterken van sociale cohesie en diversiteit.

  • Veiligstellen van de gewenste mate van autonomie voor haar burgers en de daarmee samenhangende diversiteit van uitingsvormen, zo lang deze geen bedreiging vormt voor het samenleven van alle betrokkenen.
  • Als uitgangspunt hanteren van zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid van burgers én deze daartoe in staat te stellen. Tegelijkertijd is er ‘bijstand’ voor degenen die hiertoe (tijdelijk) niet in staat zijn.
Online platform voor de oplossing van conflicten van beperkte omvang
in plaats van een beroep te doen op de rechter.
Matterhorn  https://getmatterhorn.com/ 

G.Funderen van de legitimiteit van het bestuur op draagvlak bij de bevolking. 

  • Concretiseren van beleid in een beperkt aantal samenhangende plannen. Deze geven de richting voor de lange termijn, monden uit in actieplannen voor de korte termijn en worden jaarlijks aangepast.
  • Totstandbrenging van hechte samenwerking tussen medewerkers van de gemeente en externe partijen bij de uitvoering en zo detaillering van plannen.

H. Mogelijk maken van directe deelname van grote groepen burgers aan de besluitvorming. 

  • Kennisnemen van opvattingen in de samenleving, de politiek en bij medewerkers van de gemeente bij de ontwikkeling van plannen. 
Directe democratie bij plaatselijke besluitvorming. Foto: Gemeente Appenzell (Zwitserland). (Licentie via Creative Commons)
  • In staat stellen van maatschappelijke groepen, buurt- en wijkbewoners om zelf bepaalde taken.
Toepassingen die betrokkenheid van burgers bij het openbaar bestuur
mogelijk maken, variërend van melding van defecte straatverlichting en stellingname inzake politieke beslissingen onder andere met betrekking
tot de begroting.
Mi Ciudad https://goo.gl/BGaNxF 
  • Toepassing van methoden als participative budgetting(stemmen over de besteding van een deel van het budget) en deliberative polling(zich uitspreken over onderdelen van beleid) 
  • Inzetten van digitale hulpmiddelen om een grote groep burgers te horen.
Simulaties van werkelijkheid, gebaseerd op actuele en historische data
om realistische reacties te verkrijgen.
The Digital Twin https://goo.gl/LV8Q72 

I. Bewoners spelen een belangrijke rol bij de inrichting van de leefruimte. 

  • Toekennen van een belangrijke rol aan (toekomstige) bewoners bij het ontwerp van nieuwe wijken en de inrichting daarvan.
‘Commoning’ Foto: Kathryn Greenhill (licensie via Creatice Commons)
  • Faciliteren van gemeenschapsactiviteiten in alle buurten en wijken, ook als dat gepaard gaat met een zekere ‘rommeligheid’.
Plaatselijke platformen waarmee buurtbewoners onderling contact
kunnen zoeken.
Mijnbuurhttps://www.mijnbuur.nl/
Eventz.today City Platform  https://www.eventz.international/ 
  • Bevorderen en ondersteunen van buurtgebonden energiecoöperaties. 
Van oudsher levert de brandweer een belangrijke bijdrage aan de veiligheid van de burgers. Foto: Amsterdams brandweercorps 1908

J. De stad is in alle opzichten een veilige plaats om te leven en te werken.

  • Voorwaarden scheppen dat burgers zich veilig voelen en veilig zijn, ongeacht hun leeftijd, etnische en religieuze achtergrond en seksuele geaardheid.
  • Hanteren van veiligheid als belangrijkste uitgangspunt voor verkeersbeleid, onder meer door verantwoordel weggebruik, scheiden van verkeerssoorten en aanpassing van de snelheid. 
  • Gebruik van digitale hulpmiddelen, data en kunstmatige intelligentie door handhavingsinstanties met inachtneming van de wetgeving inzake privacy.
 Voorspellen van tijden en plaatsen waar misdaden zullen plaatsvinden met grote precisie door analyse van big data, inclusief monitoren sociale media). 
CrimeRadar https://rio.crimeradar.org 

Welzijn en leefbaarheid

Hieronder komen de zes stedelijke uitdagingen aan de orde die bijdragen aan welzijn en leefbaarheid.

(K) Steden zijn een gezonde plaats om te leven.

(L) Diversiteit aan betaalbare woonmogelijkheden, verspreid over het gehele stedelijke gebied. 

(M) Menging van functies over het gehele stedelijke gebied. 

(N) De aantrekkelijkheid van centra en subcentra voor wonen, winkelen, werken en recreëren.

(O) Ontwikkeling van stedelijk vervoer in samenhang met verbeteren van leefbaarheid. 

(P) Beschikbaarheid van aantrekkelijke vervoersoplossingen als alternatief voor gebruik van een eigen auto. 

Elke uitdaging wordt beschreven aan de hand van een aantal activiteiten. Waar mogelijk voorzien van voorbeelden van beschikbare digitale hulpmiddelen.

K. Steden zijn een gezonde plaats om te leven.

  • Voorzien in veel groen, verdeeld over grote en kleine parken, maar ook door middel van beplanting van straten en ‘tiny woods’.
  • Meten, beperken en doen verdwijnen van de uitstoot van schadelijke stoffen door bedrijven en autoverkeer.
 Sensoren om de aard en de hoeveelheid schadelijke stoffen in de lucht te meten en via een gedetailleerde kaart zichtbaar te maken.
Polisensio https://polisens.io/ 
  • Zorg dragen voor de beschikbaarheid van hoogwaardige voorzieningen op het gebied van gezondheidszorg, bestaande uit zelfzorg, eerste- en tweedelijnsvoorzieningen.
Op afstand bewaken van gezondheidsgegevens van patiënten en op basis van uitgebreide gegevens adviseren inzake gedrag en medicatie.
Personal Health Record OS(phrOS) https://phros.io/ 
  • Garanderen van kwalitatief goed drinkwater en ontwikkelen van afzonderlijk netwerk voor verbruikswater.
Op afstand toezichthouden op de kwaliteit van (drink)waterleiding met
behulp van sensors en van de waterdruk, mede om lekkages op te sporen en te kunnen verhelpen.
LeakNet  https://www.quensus.com/ 
  • Opname van rioleringsstelsel in kringloop.
Rioleringssysteem dat ‘zwart water’ plaatselijk verwerkt met het oog op
de terugwinning van energie en mineralen.
Neighborhood bio refinery project http://www.cityzen-smartcity.eu/neighbourhood-bio-refinery-producing-nutrients-and-heat-from-waste/ 
  • Verwerven van meer inzicht in de rechtstreekse relatie tussen de inrichting van de leefomgeving en het welzijn en geluk van de bevolking.
 Weergave van het ervaren niveau van welbevinden en hulpmiddelen om dit te verbeteren op basis van data met betrekking tot gezin en vrienden, thuis, vrije tijd, professionele ontwikkeling, liefde en geld.
HappinessPlay https://www.happinessplay.com/ 
Bouw van betaalbare huizen in het Verenigd Koninkrijk. Foto: Sebastian Ballard (licentie via Creative Commons)


L. Diversiteit aan betaalbare woonmogelijkheden, verspreid over het gehele stedelijke gebied. 

  • Verplicht stellen dat woningen uitsluitend en nagenoeg het gehele jaar worden bewoond door de eigenaar of de huurder om betaalbaarheid te bevorderen en speculatie tegen te gaan.
  • In het kader van een bouwvergunning, maken van bindende afspraken over de bandbreedtes waarbinnen de huur en de verkoopprijs zich binnen een reeks van jaren mogen ontwikkelen.
  • Realiseren van een aantrekkelijke leefomgeving voor alle te bouwen en te renoveren woningen, bijvoorbeeld speelgelegenheid en groen op loopafstand en winkelvoorzieningen fietsafstand).
  • Voorkomen van dominantie op wijkniveau van één bepaald type woningen, noch qua bouwwijze (hoog- versus laagbouw) noch qua sociale stratificatie.
  • Experimenteren met duurzame houtbouw, flexibele modulaire gebouwen, aanleg van ondergrondse tunnels voor aan- en afvoer en andere bouwkundige innovaties. 
  • Stellen van eisen op het gebied van isolatie, energieverbruik en duurzaamheid bij nieuwbouw en renovatie.

M. Menging van functies over het gehele stedelijke gebied.

  • Ontwikkeling van steden concentreren binnen de ruimte die thans beschikbaar is om zo de directe omgeving te ontzien. Dit betekent maximaal benutten van de mogelijkheden om te verdichten met behoud en versterking van de kwaliteit van de openbare ruimte.
  • Vermijden van concentratie van winkels en bedrijven die meer toestroom van auto’s opwekken dan het bestaande wegennet kan verwerken. 
  • Versterken van de banden met het omliggende platteland, door dit sterker te betrekken bij de levering van voedingsmiddelen en energie.
Las Vegas: Enkelvoudig gebruik van de grond vermindert de leefbaarheid. Foto: Pixabay.


N. De aantrekkelijkheid van centra en subcentra voor wonen, winkelen, werken en recreëren.

  • Verschuiven van het primaat van het autoverkeer naar een dominante rol voor voetgangers, fietsers, openbaar en andere vormen van gedeeld vervoer.
  • Versterken van een hoogwaardige verblijfsfunctie door samenwerking tussen architecten, kunstenaars en burgers.
  • Behoud van erfgoed en ruimte bieden voor kunst, parken en bijzondere architectuur. 
  • Voorkomen van hinderlijke dominantie van enkele functies, zoals toerisme en grootschalige evenementen.
  • Versterken van de woonfunctie, in het bijzonder door de aanwezigheid van betaalbare woningen voor hen die graag in (sub)centra wonen.
  • Vermijden van de bouw van speculatieobjecten. 
  • Beperken van zowel oppervlak als huurprijs van winkelvoorzieningen in verband met de groei van ‘Internet shoppen’.
Impressie van een centrumstraat met gemengd gebruik van de grond. Quayside Toronto. Foto Sidewalk Labs


O. Ontwikkeling van stedelijk vervoer als onderdeel van een leefbaar stadsmilieu. 

  • Hanteren van prijsmechanisme om de keuze van vervoermiddelen te stimuleren dan wel te ontmoedigen.
  • Afbouwen van mogelijkheid om te parkeren voor de deur, in het bijzonder in stedelijke gebieden met een dichte bebouwing. 
  • Scheiden van verkeerssoorten. Waar dat niet kan, passen snellere verkeersdeelnemers hun gedrag aan degenen die zich langzamer bewegen aan. 
  • Dynamisch verkeersregulatiesysteem om veiligheid te vergroten en lawaai en uitstoot van CO2te verminderen.
 Verbetering van de doorstroming van het verkeer met behulp van
verkeerslichten en regulering van de snelheid evenals het reguleren van
voorrang voor hulpdiensten en openbaar vervoer
Lublin Traffic Management System https://goo.gl/W69ewW 

Intelligente navigatiesystemen die op real-time basis filevorming
doorgeven en alternatieven berekenen en tevens naar een beschikbare
parkeerplaats kunnen verwijzen in de buurt van de gekozen bestemmingWaze https://goo.gl/Ftoi2B 

P. Beschikbaarheid van aantrekkelijke vervoersoplossingen als alternatief voor gebruik van een eigen auto 

  • Zichtbaar maken van alle beschikbare vervoersopties tussen twee punten met behulp van een real-time informatiesysteem, inclusief vertrektijden en duur van de reis en mogelijkheden om vervoersopties te reserveren en te betalen.
Directe informatie over prijzen, tijden en beschikbaarheid van alle
beschikbare vormen van vervoer en waarmee gebruikers deze tevens
kunnen betalen.
Moovel https://www.moovel-transit.com/
Citymapper https://citymapper.com/ 
  • Voorzien in gerieflijk, schoon, betaalbaar en veilig massatransport om op efficiënte wijze grote reizigersstromen te accommoderen.
  • Voorzien in micro-transit in minder druk bevolkte delen van het stedelijke gebied en het aanpalende platteland.
Vraag-gestuurde vormen van micro-transit met vaste routen en/of vaste
halten, dan wel door bewoners georganiseerd gezamenlijk transport met bijbehorend reserveringssysteem met behulp van smart phone. 
GoKid https://gokid.mobi/ 
e-steps een vertrouwd gezicht in de VS, maar niet altijd even geliefd.
  • Mogelijk maken van (gedeeld) vervoer naar elke bestemming op elk gewenst tijdstip.
  • Reguleren en faciliteren van deelfietsen en –steps.
Op elk moment kunnen oproepen van een (gedeeld) vervoersmiddel
(taxi, minibus) waardoor tevens de capaciteit van de beschikbare
transportmiddelen kan worden geoptimaliseerd.
Shotl https://shotl.com/ 
Software voor gebruikers en exploitanten van fietsen of steps met of
zonder dock.
Mobilock https://www.mobilock.nl/ 

Digitale technologie

Hierna komen de vier uitdagingen aan de orde waarin digitale technologie een centrale rol speelt.

(Q) De aanwezigheid voor alle burgers van mogelijkheden tot digitale communicatie.

(R) Zorgdragen voor veilig Internet.

(S) Datamanagement.

(T) Bescherming privacy.

Elke uitdaging wordt beschreven aan de hand van een aantal activiteiten. Waar mogelijk bevatten deze voorbeelden van digitale hulpmiddelen.

Jongeren zijn in het algemeen rijk voorzien van middelen om te communiceren, in elk geval digitaal. Foto auteur.

Q. De aanwezigheid voor alle burgers van mogelijkheden tot digitale communicatie.

  • De voor snel internet vereiste (kabel)voorzieningen horen tot de openbare infrastructuur en staan ter beschikking aan verschillende aanbieders.
  • Steden beschikken over een chief technology officerdie handelend vanuit de belangen van burgers een interface vormt tussen het gemeentebestuur en technologiebedrijven die hun diensten aanbieden.
  • Gemeenten voeren een actief beleid om zinvolle vormen van digitalisering, kunstmatige intelligentie en automatisering te stimuleren, gepaard aan uitbreiding van persoonsgebonden dienstverlening om zodoende gevarieerde en uitdagende werkgelegenheid in stand te houden.
  • Toestaan van autonome voertuigen is gerelateerd aan de beschikbaarheid van zinvolle banen voor voormalige professionele chauffeurs. Technologiebedrijven hebben hier een eigen verantwoordelijkheid.

R. Zorgdragen voor veilig Internet

  • Alle apparatuur die aan het Internet wordt verbonden heeft een speciaal cyberkeurmerk dat een vast te stellen niveau van beveiliging garandeert.
  • Aanbieders van (openbare) wifi zijn verantwoordelijk voor de veiligheid van het gebruik daarvan.
  • Bedrijven en organisaties die nalatig zijn op de bescherming van hun hardware, software en data kunnen aansprakelijk worden gesteld voor de schade die internetcriminelen bij derden veroorzaken.
  • Bestrijden en voorkomen van cybercriminaliteit heeft hoge prioriteit.

S. Datamanagement

  • Gebruiken van open source software om ‘lock in’ te voorkomen door afhankelijkheid van leveranciers. 
  • Uitsluitend samenwerken met bedrijven die de regels op het gebied van datagebruik en transparantie van software onderschrijven. 
Regelgeving met betrekking tot gebruik van data.
TADA, manifest voor datagebruik www.tada.city 

Integratieve software om verschillende applicaties en hardware-
toepassingen af te stemmen.
The Living PlanIT UOS http://www.living-planit.com/ 
Gezichtsherkenning: Waar begin ten eindigt privacy? Foto Pixabay


T. Bescherming privacy

  • Nalaten van onnodig bespieden van burgers en waarborgen van hun privacy (‘privacy by default’)
Eigenlijk gebruik van software veiligstellen, beschermen van
persoonlijke informatie tegen ongewenst gebruik door indringers en
garanderen privacy. 
DECODE   https://decodeproject.eu/ 
  • Bezit van zeggenschap van burgers over eigen data en verbod op ongevraagd verzamelen (‘mining’) van data.
  • Openbaar maken van data verzameld door sensoren in de openbare ruimte.
De verzameling en openbaarmaking van gegevens die met sensoren zijn verzameld ten behoeve van burgers, bedrijven en instellingen.
DataBroker https://databrokerdao.com/ 
  • Toegang voor alle burgers tot de gegevens die overheden, bedrijven en instellingen over hen verzamelen
De beschikbaarheid van gegevens over de publieke ruimte.
data.amsterdam.nl https://data.amsterdam.nl/
CitySDKhttps://citysdk.waag.org/ 
  • Het ongeoorloofd gebruik van data over burgers en bedrijven is strafbaar, voor zover de wet dit niet anders regelt.

Enkele bronnen

Bij de beschrijving van de stedelijke uitdagingen is een groot aantal bronnen gebruikt. Ik noem er enkele: 

  • Het VN-rapport New Urban Agenda, Habitat 3[2]en de omgevingswet en alle discussie eromheen[3], in het bijzonder het ‘Kabinetsperspectief Nationale Omgevingsvisie[4]. Beide bronnen geven een beeld van te verwachten en wenselijke ontwikkelingen van de stedelijke omgeving. 
  • De recente studie van McKinsey: Smart Cities: Digital solutions for a more livable future[5]en de publicatie Smart & leefbaarvan de Future City Foundation[6]. Beide beschrijven hoe digitale connectiviteit de overige kernwaarden kan ondersteunen. De Smart city solution databasebevat honderden concrete voorbeelden daarvan[7]. Het rapport Data driven cities[8]van het World Economic Forum biedt aansprekende voorbeelden van datagebruik.
  • Het WRR-rapport Vertrouwen in burgers(2012)[9]biedt uitdagende aanknopingspunten om de het democratisch gehalte van de stad verder te ontwikkelen. 
  • Voor de ontwikkeling van de leefbaarheid van steden in de VS is de website Smart Growth America[10]van betekenis. De website Participatory City[11]geeft een inspirerend inzicht in de manier waarop samenwerking op buurtniveau kan leiden tot verbetering van de leefbaarheid.

[1]Zie bijvoorbeeld ‘De smart city idee’, een e-boek met 24 opstellen over smart cities. Je kunt dit hier gratis downloaden: https://www.dropbox.com/s/k03uilw32un3mp0/2018%2008%2025%20De%20smart%20city%20idee.pdf

[2]http://habitat3.org/wp-content/uploads/NUA-English.pdf

[3]https://www.omgevingswetportaal.nl/wet-en-regelgeving/voortgang-wet–en-regelgeving

[4]https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/omgevingswet/documenten/rapporten/2018/10/05/kabinetsperspectief-novi

[5]https://www.mckinsey.com/~/media/mckinsey/industries/capital%20projects%20and%20infrastructure/our%20insights/smart%20cities%20digital%20solutions%20for%20a%20more%20livable%20future/mgi-smart-cities-full-report.ashx

[6]http://future-city.nl/wp-content/uploads/smartenleefbaar.pdf

[7]https://www.beesmart.city

[8]http://www3.weforum.org/docs/Top20_Global_Data_Stories_report_2017.pdf

[9]http://www.wrr.nl/actueel/nieuwsbericht/article/vertrouwen-in-burgers-1/

[10]https://smartgrowthamerica.org

[11]http://www.participatorycity.org

Het innovatiespook

Onlangs is de Global Innovation Index 2016 verschenen. Ik leg uit dat het instrument niet valide is, weinig zegt over innovatie en onbruikbaar is voor beleid.

In verschillende blogposts, zoals Stop de innovatiegekte[1], Vooruit en achteruit innoveren[2] en Niet innovatie maar missie bepaalt of bedrijven zullen overleven[3] heb ik mij kritisch uitgelaten over innovatie. Ik zie overigens het belang van de ontwikkeling van nieuwe of verbeterde goederen terdege in. In deze blogpost sta ik – ook niet voor het eerst – stil bij innovatieratings. Dit naar aanleiding van de publicatie van de Global Innovation Index 2016[4]. De validiteit van deze en soortgelijke ratings is naar mijn mening vrijwel nihil; ze verklaren niets en ze zijn ongeschikt als basis voor beleid.

images-2

In de Achterhoek wordt soms met enige huiver over ‘witte wieven’ gesproken. Dat zijn flarden grondmist, waarin onze voorouders spoken zagen. Innovatieratings lijken daarop: Ze zijn niet wat je denkt. Je denkt dat je met innovatie te maken hebt, maar het gaat om iets anders.

Innovation is …..the implementation of a new or significantly improved product (good or service), a new process, a new marketing method or a new organizational method in business practices, workplace organization, or external relations[5].

Echter, zo stellen de makers van de Global Innovation Index, gegevens om deze definitie op het niveau van landen te operationaliseren ontbreken. Jammer, denk je dan. Dan maar geen rating. In plaats daarvan gebruiken de makers gegevens over ‘het klimaat’ waarin innovatie gedijt en ‘de infrastructuur’ die voor innovatie nodig is. In totaal ruim 80 variabelen, die geordend zijn in een aantal pijlers en sub-pijlers (Zie de onderstaande figuur).

screenshot-2

Het manco van deze werkwijze is dat voor elke variabele wel een relatie met innovatie te bedenken is. Zo’n relatie kan echter net zo goed worden beredeneerd tussen elk van deze variabelen en concurrentiekracht, groeipotentieel of zelfs welzijn. Het is niet toevallig dat een andere prestigieuze rating, de Global Competitiveness Index 2015 – 2016[6] deels dezelfde variabelen gebruikt, maar dan als indicatoren van de concurrentiekracht van landen. Maar hoe die beïnvloeding precies gaat, hoe de variabelen op elkaar inwerken, en welke het meeste gewicht in de schaal leggen, blijft buiten beschouwing. De innovatierating zegt nog het meest over de welvaart van landen. Uit onderstaande figuur blijkt dat de innovatie-indices sterke samenhang vertonen met het bruto nationaal product. Dat ligt voor de hand: Hoe welvarender een land is, hoe meer middelen er zijn om nieuwe producten en diensten te ontwikkelen en deze leiden op hun beurt weer tot toename van de welvaart.

screenshot

Een opvallende uitzondering op de regel dat innovatie-indices en welvaart nauw samenhangen is China. Dit land is opgeklommen naar de 25ste plaats van de index, terwijl het tot de landen met een hoger-middeninkomen behoort. Alle andere landen op de plaatsen 1 – 34 behoren tot de hoogste inkomensgroep. China heeft deze hoge score te danken aan de omvang van leningen aan de private sector (een bedenkelijk gegeven!), de hoeveelheid verhandelde aandelen, de omvang van de thuismarkt, de investeringen in R&D, de import en export van technisch-geavanceerde producten (niet noodzakelijkerwijs innovatief, denk aan de export naar Afrika) en de hoeveelheid in eigen land geregistreerde patenten. Niet onmiddellijk zaken waaraan je denkt bij innovatie.

Een ander voorbeeld is Nederland. Dit land neemt de 9de plaats in. Vorig jaar was dat nog de 4de plaats. De teruggang komt vooral doordat een aantal nieuwe indicatoren nadelig voor Nederland  uitpakt. Deze plaats is toe te schrijven aan hoge scores op de volgende indicatoren: De effectiviteit van onze overheid, de naleving van de wet, de efficiëntie van transport en vervoer, het grote aantal domeinregistraties, het aantal uploads op youtube (sic), de kennisintensieve werkgelegenheid (hiertoe behoren managers, ambtenaren en alle vormen van professionals), de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven en de rol van ICT bij nieuwe business- en organisatiemodellen. Typerend voor een postindustriële samenleving, maar ook weer niet hetzelfde als innovatie.

Het bezwaar tegen het rapport is dat het innovatieve karakter van een land gelijk wordt gesteld aan de optelsom van scores op een reeks indicatoren van uiteenlopende aard, waarvan de keuze niet nader wordt beredeneerd. De processen die schuilgaan achter de score van China zijn echter van totaal andere aard dan die achter de score van Nederland en dat geldt voor alle landen. De enige zekerheid is dat hoe welvarender een land is, hoe hoger de score.

Wie door de bossen in de Achterhoek loopt en witte flarden ziet, twijfelt er niet aan dat het mist is. Wie innovatieratings ziet, doet er verstandig aan hetzelfde te doen.

[1] 14 november 2013: http://wp.me/p32hqY-61

[2] 5 maart 2015: http://wp.me/p32hqY-bs

[3] 25 februari 2016: http://wp.me/p32hqY-sA

[4] De ‘Global innivation index 2016’ kan hier ingezien of gewownload worden: https://www.globalinnovationindex.org/gii-2016-report

[5] Gangbare definitie ontleend aan de Oslo Manual, die ook de makers van de Global Innovation Index gebruiken.

[6] Bekijken en downloaden: http://reports.weforum.org/global-competitiveness-report-2015-2016/

Beter hoger onderwijs hoeft niet meer te kosten

De reflex is dat toename aantal studenten en aanbieden beter onderwijs meer geld kosten. Met een verstandige combinatie van docenten en technologie hoeft dat niet zo te zijn

Elke docent binnen het hoger onderwijs ervaart het onderwijstrilemma. Meer studenten, achterblijvende inkomsten en een roep om beter onderwijs. Deze drie gegevenheden worden onverenigbaar geacht. De VS konden dit trilemma oplossen door het collegegeld te verhogen; gemiddeld betalen studenten inmiddels $25.000 per jaar. Geld van de ouders of anders geleend[1]. Dit hoge collegegeld pakt slecht uit voor de toegankelijkheid van het onderwijs. In de VS wordt naar analogie van ons trilemma gesproken van de iron triangle: de toegankelijkheid van het onderwijs moet omhoog, de kwaliteit moet beter maar het collegegeld moet omlaag. Zowel in Nederland als de VS is de kans op veel extra geld van de overheid voor het hoger onderwijs klein. Dus het trilemma lijkt onoplosbaar.

Personen - Amade M'charekIn de VPRO tegenlicht documentaire ‘De slimme universiteit’[2] betoogt de Amsterdamse hoogleraar wetenschapsantropologie Amade M’charek dat universiteiten in honderden jaren niet zijn veranderd. Ze heeft gelijk, als je afziet van de schaalvergroting: Aan het einde van de 19de eeuw stonden hoogleraren voor zaaltjes met enkele tientallen studenten; nu kunnen er dat honderden zijn. Maar wat ze daar doen – voorlezen uit eigen werk of een interessant betoog houden – is hetzelfde gebleven. De grootste prijs van de massaliteit is dat opdrachten en werkstukken nauwelijks van feedback worden voorzien of worden nagekeken door onderwijsassistenten aan de hand van antwoordmodellen.

Volgens velen is het onderwijstrilemma daarom alleen oplosbaar is met minder studenten, acceptatie van kwaliteitsverlies of meer geld. Ik ben het daar niet mee eens. Een alternatief is het hoger onderwijs vanaf de grond opnieuw te doordenken.

De eerste stap is daartoe is teruggaan naar twee essentiële doelen van hoger onderwijs:

  1. Studenten raken vertrouwd met denkbeelden van een of meer wetenschapsgebieden.
  2. Ze leren ze deze gebruiken om complexe vraagstukken te doorgronden en mogelijk op te lossen, bijvoorbeeld door het doen van onderzoek.

Onderwijs - Frontaal onderwijsHoor- en werkcolleges, literatuurstudie en practica zijn al eeuwenlang middelen om te werken aan de eerste doelstelling. Hier staat de docent centraal. Het tweede doelstelling komt aan de orde in projecten, werkstukken, ontwerpopdrachten. Essentieel hierbij is dat studenten eigen initiatief tonen, samenwerken en grondige feedback krijgen van deskundige docenten.

Onderwijs - onderwijsinnovatie2Helaas komt de tweede doelstelling er in veel opleidingen bekaaid vanaf. De afstudeerscriptie is meestal de enige grote opdracht die studenten zelfstandig tot een goed einde moeten brengen. Ze zijn hier dan ook nauwelijks op voorbereid. Dit ligt anders als studenten al vanaf het begin van de opleiding onderzoek doen, problemen analyseren, referaten schrijven en ontwerpopdrachten maken. Bij voorkeur over realistische problemen en in aansluiting op hun eigen interesse. Alleen of in kleine groepen van hoogstens zes personen, gedurende ongeveer de helft van de beschikbare studietijd. Het leereffect is groot, maar twee tot vier uur per week feedback door ervaren onderzoekers en ontwerpers is noodzakelijk.

Onderwijs - Collegezaal2In het huidige onderwijs ontbreekt hiervoor de tijd want in wetenschappelijke opleidingen gaat onvoorstelbaar veel tijd zitten in de eerste doelstelling. Loop door een willekeurige universiteit en wat je ziet zijn docenten die in zalen van allerlei formaat het woord voeren. Kleine ruimten waar studenten projectwerk doen zijn, zie je niet of veel minder. Overdracht van informatie kan effectiever als studenten op een tijdstip dat hen uitkomt een kwalitatief hoogwaardige online presentatie volgen, hun eigen kennis achteraf toetsen en zaken die ze niet begrijpen voorleggen aan een online community. Instellingen kunnen besluiten hun online materiaal zelf te maken, maar ze kunnen beter putten uit de immense hoeveelheid ‘open educational resources’ (inclusief MOOCs) die wereldwijd beschikbaar is.

De combinatie van online informatieoverdracht en kleinschalige begeleiding leidt tot onderwijs dat schaalbaar, betaalbaar, toegankelijk en van goede kwaliteit is. Het moge duidelijk zijn dat deze aanpak tijd creëert voor docenten om zich met de tweede doelstelling bezig te houden. Hierdoor kunnen ze laten zien dat hun werkelijke betekenis ver uitstijgt boven die van the sage at the stage en dat ze inderdaad onvervangbaar zijn.

Onderwijs - flipped classroom 3

[1] De studieschuld van studenten in de VS is inmiddels opgelopen tot $1200 miljard.

[2] http://tegenlicht.vpro.nl/afleveringen/2015-2016/slimme-universiteit.html.

Niet innoveren omwille van de innovatie

Het begrip innovatie wordt te pas en te onpas gebruikt en verliest daardoor zijn betekenis

Innovatie - tweet 2De term innovatie begint me de keel uit te hangen. Of beter, de schijn van innovatie en het te pas en te onpas gebruik van de term. Marketeers hebben in menig bedrijf innovatie gegijzeld met als doel consumenten te verleiden tot de aanschaf van de nieuwste gadgets.

De nieuwe iPhone 7 is een mooi voorbeeld. Bekend is dat deze in technisch opzicht weinig nieuws zal bieden. Apple doet daarom zijn uiterste best om met veranderingen in het uiterlijk voldoende nieuwe kopers te kunnen trekken om daarmee zijn aandeelhouderswaarde op peil te houden.

Innovatie - tweet 4De hype rond innovatie neemt onzinnige proporties aan. Alleen al in het Verenigd Koninkrijk hebben bedrijven in 2014 64,7 miljard pond weggegooid aan mislukte innovatieprojecten[1]. Reken maar dat bij dat geld een hoop overheidssteun zat. Want ook voor veel politici hangt onze toekomstige welvaart af van innovatie[2]. Onzin, voor onze welvaart is het belangrijk dat we ons wereldwijd profileren met hoogwaardige producten en kennis en ons concentreren op wat de wereld écht nodig heeft.

Wat dat is, is niet zo moeilijk te bedenken. Daarom een klein gedachten-experiment:

Bedenk vijf veranderingen waardoor de wereld een betere plek wordt voor ons en onze kinderen

Dit zijn antwoorden die de meeste mensen geven:

– minder oorlog, waardoor mensen niet hoeven te vluchten;

– minder zorgen over de kwaliteit van je voeding;

– overschakelen op duurzame energie en grondstoffen;

– een betrouwbaar transportnetwerk;

– een onbezorgde oude dag;

– minder stress op mijn werk;

– een effectief middel tegen kanker.

Innovatie - EU Grand challenges
Ter vergelijking: De ‘Grand challenges’ waarvan de EU uitgaat

Innovatie - tweet 1De meesten van ons willen dat de manier waarop we met elkaar en met onze leefomgeving omgaan verandert. Stel nu dat we het in Nederland of in Europa eens worden over een lijst met de tien meest wenselijke veranderingen.

Met zo’n lijst kunnen we aan de slag gaan. Waar ontbreekt het nog aan kennis? Welke belangentegenstellingen spelen een rol? Is de politieke wil aanwezig?

Innovatie - tweet 3Zodra bekend is wat de belangrijkste omissies in onze kennis zijn, kan er gericht worden geïnvesteerd in onderzoek om de gewenste veranderingen mogelijk te maken. Overheden moeten daarbij een sturende rol vervullen; het bedrijfsleven sluit aan en benut zijn kansen.

Het woord innovatie is tot dusver niet gevallen en wie heeft het gemist? Of iets een innovatie is kan immers pas na jaren worden vastgesteld. Of de wereld er beter van wordt, dan weten we al veel eerder.

[1] Dit is 50% van hun totale innovatiebudget. PA Consulting: “Innovation As Unusual”: http://www.paconsulting.com/our-thinking/innovation-research/#form1

[2] Ook NETH-ER, het lobbykantoor namens Nederlandse kennisinstellingen in Brussel bedient zich van turbo-taal om de zegeningen van innovatie te beschrijven: http://www.neth-er.eu/nl/nieuws/Beren-op-weg-naar-innovatiesamenleving

De geldkraan is een slecht beleidsinstrument

Overal ter wereld probeert de politiek haar doelen te bereiken met de geldkraan. Het onderwijs voorop. Meestal mislukt dat. Vertrouwen in docenten is een betere investering

Onderwijs - perverse financiering 3Subsidie komt altijd met voorwaarden. Neem de universiteiten. Tot voor kort was accreditatie voldoende. Daar kwamen enkele jaren geleden prestatieafspraken bij. Een nieuw element, want met prestatieafspraken, zoals studieduurverkorting, beperking van de uitstroom en toename van het aantal promoties wil de overheid haar eigen beleid uitvoeren.

Er rijzen nu twee vragen: werkt deze aanpak en is deze wenselijk.

Werkt het? De geldkraan als beleidsinstrument

De VS heeft de afgelopen 50 jaar vier uiteenlopende vormen van bekostiging van de publieke universiteiten gekend. Het is dus een ideale plek om hun impact te bestuderen[1].

Jarenlang werden universiteiten beleidsarm gefinancierd. Zij ontvingen elk jaar een vast bedrag, soms aangepast aan de inflatie. De ongelijke groei van het aantal studenten leidde tot een systeem dat uitgaat van het aantal instromende studenten. Dit heeft lange tijd gefunctioneerd totdat het probleem van de studiestakers hoog op de agenda kwam. In sommige instellingen liep dit aantal op tot 70%. De volgende stap was daarom toevoegen van prestatiecriteria aan de financiering op basis van instroom. Deze betroffen overigens zelden meer dan 10% van de totale geldstroom.

Onderwijs - perverse financiering 6

Het effect van de invoering van een prestatiecomponent is uitvoerig onderzocht. Vast staat dat instellingen er hun beleid door aanpasten, bijvoorbeeld door invoering van een student-volgsysteem en verbetering studieadvisering. Het effect van deze maatregelen op het studierendement bleek minimaal[2]. De reactie vanuit de politiek is herkenbaar: Als beleid niet werkt wordt het versterkt. Outcomes-based funding is de nieuwe mantra. Vooralsnog gaat het om een beperkt aantal staten, zoals Indiana, Tennessee en Ohio. De resultaat-gebonden component kan hier oplopen tot 100% van de gehele financiering. Harnisch spreekt van a shift from state inputs to campus outcomes, and from institutional needs to state priorities.[3]

Voorstanders wijzen op de dalende kwaliteit van het publiek gefinancierde onderwijs, in het bijzonder binnen de community colleges en nog meer in het bijzonder ten behoeve van de gekleurde bevolkingsgroepen. Zij willen dat er serieus werk wordt gemaakt van drop-out, participatie, betekenisvol leren en doorstroom naar betaalde banen. Ze hopen dat outcomes-based funding hiertoe zal leiden Er zijn incidentele successen geboekt maar grootschalig onderzoek – voor zover thans reeds mogelijk – heeft deze vooralsnog nog niet kunnen bevestigen[4].

Moet je het willen: Wat motiveert professionals?

Voorstanders van prestatiegerichte bekostiging van het onderwijs combineren over-optimistisch maakbaarheidsdenken met fixatie op planning & control. Ze denken dat zij wenselijk geachte resultaten kunnen bereiken via budgettaire instrumenten en snel ook. Dat dit lastig is, bewijst de praktijk in de VS. Erger nog, van dergelijke instrumenten gaan vaak perverse prikkels uit. Zo stelt Laurence D. Richards, vice chancellor van de Universiteit van Indiana East: The biggest allocation in the state’s funding formula is tied to graduation rates, so we put resources into those things that help students be successful, because that’s what we’re rewarded on. De kwaliteit van het onderwijs is in het geding[5].

Onderwijs - perverse financiering 5

De vooralsnog beperkte resultaten van prestatiegerichte bekostiging in de VS maken de vraag actueel of de samenleving ook zonder prestatieafspraken ervan verzekerd kan zijn dat investeringen in onderwijs goede resultaten opleveren. Misschien is het veel beter om de budgettering vooral te baseren op de onderwijsvraag en te vertrouwen op de professionaliteit van de docenten als het gaat over de inrichting van het onderwijs. Met vertrouwen, een hoge mate van autonomie en waardering valt bij professionals veel meer te bereiken dan met financiële prikkels.

[1] De volgende publicatie beschrijft de verschillende systemen uitvoerig en analyseert hun voor- en nadelen: James Hearn: Outcomes-based funding in historical and comparative context: https://www.luminafoundation.org/files/resources/hearn-obf-full.pdf

[2] Tandberg, D.A., Hillman, N.W. & Barakat, M. (2014). State higher education performance funding for community colleges: Diverse effects and policy implications. Teachers College Record, 116 (12), 1-31.

[3] Harnisch, T.L.: Performance-Based Funding: A Re-Emerging Strategy in Public Higher Education Financing (policy brief). American Association of State Colleges and Universities, (July 2011) www.aascu.org/uploadedFiles/AASCU/Content/Root/PolicyAndAdvocacy/PolicyPublications/

[4] Zie voor de resultaten: Dougherty, K.J. and Reddy, V. (2013). Performance Funding for Higher Education: What Are the Mechanisms? What Are the Impacts? ASHE Higher Education Report, Volume 39, Number 2. Wiley.

[5] Een zorgvuldige invoering van outcomes-based funding kan deze nadeligen effecten mitigeren: Alison: Kadlec: Outcomes-based funding and stakeholder engagement: https://www.luminafoundation.org/files/resources/kadlec-shelton-ofb-full.pdf