De klimaat-neutrale stad

Wetenschappelijk is de relatie tussen opwarming van de aarde en de uitstoot van broeikasgassen onbetwist. Ook staat vast dat een temperatuurstijging van meer dan 1,5°C ten opzichte van de temperatuur in de pre-industriële periode rampzalig is. Desondanks valt te vrezen dat de stijging van de temperatuur ruim boven de 2°C zal uitkomen.

Advertenties
Energieneutraal gebouw: The Edge Amsterdam, hoofdkantoor van Deloitte – foto Deloitte

De wereld heeft zijn kortetermijndoelstellingen niet gehaald: In plaats van de beoogde daling van de CO2-emissie, steeg de wereldwijde uitstoot in 2017 met 1,6% en in 2018 met 2,7%. De belangrijkste redenen zijn groeiend autobezit en toenemend gebruik van kolen ten behoeve van de elektriciteitsproductie. De onderstaande grafiek laat zien dat alle continenten, behalve Europa, hiervoor verantwoordelijk zijn.

Wereldwijd waren de broeikasgas emissie groter dan ooit, namelijk 31.1 miljard ton – Bron: University of East Anglia

De meeste overheden benadrukken de urgentie van een vermindering van de CO2-uitstoot en zijn van plan de emissies tegen 2030 te halveren, dat wil zeggen over tien jaar. Of deze intenties gehaald worden, bestaan gerede twijfels. Gezaghebbende instellingen zoals Bloomberg[1]en Arcadis[2]voorspellen, uitgaande van thans beschikbare plannen, dat in 2050 het gebruik van steenkool en aardolie hooguit met 50% zal zijn afgenomen. Ik begin met een samenvatting van het probleem om een ​​goed kader voor het beleid te hebben.


De Klimaat-neutrale stad is de derde van een reeks essays over hoe onze steden humaner kunnen worden. Dat betekent vinden van een balans tussen duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en leefbaarheid. Dit vereist verreikende keuzes. Zodra deze keuzes zijn gemaakt, spreekt het voor zich dat we slimme technologieën gebruiken om ze te realiseren.

Eerdere afleveringen in deze reeks zijn:


Waar hebben we het over?

In de eerste plaats, we kunnen beter niet spreken over CO2-emissies, omdat er ook andere broeikasgassen zijn[3]. Elk van deze gassen ontstaat door menselijke activiteiten en draagt ​​bij aan de opwarming van de aarde. 76% van de verwarming over een periode van 100 jaar wordt veroorzaakt door koolstofdioxide (CO2) afkomstig van verbranding van fossiele brandstoffen, landgebruik (ontbossing, ploegen) en industriële processen (respectievelijk 62, 11 en 3 procent van totale verwarming). Methaan (CH4) is afkomstig van verbranding van biomassa, rijstvelden en vee (16% van de totale verwarming), stikstofoxide (NO2) is afkomstig van meststoffen (6%) en gefluoreerde gassen zijn afkomstig van koelmiddelen en industriële processen (2 %).

In de tweede plaats kunnen we in navolging van het baanbrekende werk van het Drawdown-project[4] beter uitgaan van de sectoren van de economie die verantwoordelijk zijn voor het broeikaseffect dan van het type emissies. Dat vergemakkelijkt de discussie over oplossingen.

Diagram: Drawdown-project

Vijf belangrijke sectoren – elektriciteit, voedsel en grondgebruik, industrie, transport, gebouwen en woningen – veroorzaken het probleem. Het verbranden van steenkool, olie en aardgas om elektriciteit op te wekken is de grootste bron van wereldwijde uitstoot, maar de sector voeding en landgebruik volgt op korte afstand.


Na de energiesector is de cementindustrie[5]de grootste bron van CO2-uitstoot. Zij is goed voor 5 à 6% van alle emissies. Onderzoekers in de VS hebben een methode ontwikkeld voor de productie van cement zonder CO2-uitstoot. Ze schatten dat het nieuwe productieproces ook goedkoper zal zijn dan het bestaande proces. Zonne-energie wordt rechtstreeks gebruikt om de kalksteen boven 800oC te verwarmen en te smelten. Vervolgens vindt elektrolyse plaats, wat resulteert in kalk met koolmonoxide en zuurstof als bijproducten. Het proces vereist wel nog steeds veel warmte.


In de derde plaats moeten we ons realiseren dat de aarde zelf in staat is om 55% van de broeikasgas-emissies te absorberen; de oceanen en de bossen in het bijzonder. Aanleg van nieuwe bossen, herstel van koolstofrijke bodems in agrarische gebieden en herstel van kustecosystemen zullen bijdragen aan de verhoging van de absorptiecapaciteit die door ontbossing is vernietigd.

Tenslotte, de impact van het broeikaseffect verschilt tussen en binnen landen[6]. Volgens een recente studie in de Proceedings van de National Academy of Sciences krijgen landen in Afrika, Zuid-Azië en Midden-Amerika er meer mee te maken want ze liggen al in de warmste delen van de wereld. Een warmer klimaat in landen in gematigde klimaatzones kan leiden tot een hogere productiviteit, meer landbouwopbrengsten en een hoger welzijn. Opwarming in Noorwegen heeft bijvoorbeeld nu al het nationaal product per hoofd van de bevolking met 34% verhoogd, terwijl India 31% minder groei kende dan zonder opwarming van de aarde zou hebben plaatsgehad. 

Dit betekent niet dat rijkere naties als geheel profiteren. De zuidelijke staten van de VS zien nu al extreme weersomstandigheden, orkanen, droogte en bosbranden toenemen, wat zal leiden tot een verschuiving van welvaart naar het noorden en westen en daarmee tot nog meer regionale ongelijkheid.

National Academy of Sciences

De rol van gemeenten

In een bespreking van het beleid van steden met betrekking tot klimaatverandering kan het werk van de C40 Climate Leadership Group niet onbesproken blijven. De groep bestaat meer dan 12 jaar en vertegenwoordigt inmiddels 96 van ’s werelds grootste steden met samen meer dan 650 miljoen inwoners, waaronder Londen, New York, Parijs, Amsterdam en Rotterdam.

De C40-steden willen een ​​substantiële bijdrage leveren aan het slagen van de Parijse akkoorden. Daarvoor zijn gedetailleerde plannen gemaakt. Er wordt geschat dat in 2050 aan de opwarming van de aarde gerelateerde rampen 1,3 miljard mensen en activa ter waarde van $ 158 biljoen in gevaar zullen brengen. 

De meeste steden ervaren nu al veranderingen in het klimaat. Welke, laat onderstaande diagram zien. 

Binnen steden waargenomen gevolgen van klimaatsveranderingen Bron: C40

Het is noodzakelijk dat de C40 steden de uitstoot van broeikasgassen tussen nu en 2050 beperken tot 22 GtCO2-e. Dan blijft de opwarming van de aarde beperkt tot 1.5oC. Uiteraard moeten de nationale overheid, het bedrijfsleven en de overige steden dan ook hun bijdrage leveren. Daarnaast moet 31GtCO2-e. uit de atmosfeer worden verwijderd (negatieve emissie).

C40 heeft – samen met Arup en McKinsey – enkele degelijke rapporten gepubliceerd die samen een routekaart voor het 1,5oC-traject zijn, waarbij verschillende typen steden zijn onderscheiden. Elders heb ik deze rapporten samengevat[7]. In het nieuwste rapport The future of urban consumption in a 1,5oC world[8]  (juni 2019) zijn ook op consumptie gebaseerde emissies – wat stedelijke bedrijven en burgers gebruiken, eten en dragen en hoe deze zaken zijn gemaakt en vervoerd – in kaart gebracht. Dat is geen sinecure; 85% van de emissies die samenhangen met goederen en diensten die burgers van de C40-steden gebruiken, vindt buiten deze steden plaats.

Zoals hierboven vermeld, omvat de bijdrage van steden aan de vermindering van het broeikaseffect zowel de uitstoot die wordt geproduceerd in de stad zelf of die het gevolg is van consumptie van de burgers. Al deze acties samen kunnen leiden tot een beperking van de uitstoot met 51%. 

Van deze 51% is slechts 20% het resultaat van activiteiten die worden geïnitieerd door het bestuur van de betrokken gemeenten. De overige 80% komt voort uit activiteiten van andere stakeholders binnen deze steden, al dan niet gestimuleerd, gecoördineerd en gesubsidieerd door de gemeentelijke overheid.

Tot nu toe worden deze streefgetallen bij lange na niet bereikt. Uit een inventarisatie van het Carbon Disclosure Project[9] bleek dat van de 696 grootste steden slechts 43 steden ingrijpende maatregelen nemen, waaronder 24 in Noord-Amerika, zoals Toronto, Boston en New York. Verder enkele Europese steden als Barcelona, ​​Reykjavik. Londen en Den Haag[10].

Bij activiteiten om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen zijn wereldwijd miljoenen mensen betrokken. Ze moeten besluiten om minder kinderen te krijgen, om meisjes te laten studeren, om energiebesparende apparaten te gebruiken, om hun daken te bedekken met zonnepanelen, om te investeren in isolatie en warmtepompen en om hun consumptiepatroon te veranderen. Echter, de impact van deze beslissingen valt in het niet bij beslissingen die op bedrijfsniveau moeten worden genomen.

In een tot nadenken stemmend artikel benadrukt Derrick Jensen dat in de VS het huishoudelijke energieverbruik in de periode 1994 – 2009 minder dan 25% van het totale energieverbruik bedroeg, dat 90% van het zoete water naar de landbouw en de industrie gaat en dat huishoudelijk afval slechts 3% van de totale afvalproductie omvat. Hij concludeert dat als alle Amerikanen er alles aan zouden doen om hun ecologische voetafdruk te verkleinen door niet auto te rijden en veganist te worden, de emissie van broeikasgassen in de VS met slechts 22% zou verminderen[11].

Een recent rapport van het Carbon Disclosure Projectonthult dat 100 globale olie- en gas producerende bedrijven verantwoordelijk zijn voor 71% van alle broeikasgasemissies sinds 1988[12]. Deze bedrijven hebben de belangrijkste sleutel in de hand voor vermindering van de productie van koolstofhoudende brandstoffen. Te denken geeft dat in de jaren na de ondertekening van het Parijse akkoord financiële instellingen meer dan $ 478 miljard hebben geïnvesteerd in de exploitatie van kolen[13].

Gemeenten hebben een uitgebreide informatieve, coördinerende, ondersteunende en wetgevende taak, zoals blijkt uit het voorbeeld van Amsterdam hieronder. Hierbij moeten gemeenten streven naar overeenstemming met zoveel mogelijk belanghebbenden, variërend van bedrijven tot (groepen van) burgers. Dat kost veel tijd en het gevaar is dat in plaats van een substantiële aanpak vele kleinschalige proefprojecten ontstaan.


De Amsterdamse ‘wegenkaart’ voor klimaatneutraliteit

Marieke van Doornik – Wethouder stedelijke ontwikkeling en duurzame ontwikkeling – Foto: Gemeente Amsterdam

De gemeente Amsterdam is nagegaan hoe ze zoveel mogelijk inwoners, bedrijven en andere instellingen kan stimuleren om klimaatacties te ondernemen[14]. Er worden vier sectoren onderscheiden, elk met een aanzienlijke hoeveelheid CO2-emissies: Gebouwde omgeving (28%), verkeer op het lokale wegennet (9%), energie (51%) en industrie en haven (11%). Op het gebied van energievoorziening, industrie en haven is de rechtstreekse rol van de gemeente beperkt. In de sectoren gebouwde omgeving en mobiliteit kan de gemeente zelf veel meer doen. Dit laatste geldt ook voor de gemeentelijke organisatie.


De bijdrage van economische sectoren aan de beperking van broeikasgassen – Bron: C40


Hieronder wordt de bijdrage van activiteiten op stedelijk niveau aan de beperking van de belangrijkste bronnen van broeikasgassen besproken, met de nadruk op activiteiten die het stedelijke bestuur initieert. Hierbij doet ook het perspectief van de humane stad zijn intrede doen, want het is niet denkbeeldig is dat beleid ten bate van de vermindering broeikasgassen de kloof tussen arm en rijk zal vergroten. Bij voorbeeld: 78,9% van de subsidies voor elektrische auto’s in de VS ging naar personen met een inkomen van meer dan $ 100.000[15].

Energie

De vermindering van het broeikaseffect wordt meestal in verband gebracht met de vervanging van koolstofhoudende brandstoffen door hernieuwbare energiebronnen. Het Drawdown-rapport noemt een groot aantal aanvullende opties. Hieronder vermeld ik enkele, met de nadruk op bronnen die de uitstoot verminderen met meer dan 10 gigaton CO2-equivalenten. Daarbij verwijs ik tussen haakjes naar de rangorde van elke maatregel (tussen 1 – 100) en de geschatte vermindering van de uitstoot van CO2-equivalenten (in gigaton): Wind op het land (2; 89.60), zonneparken (8; 36.90), zonnepanelen op daken (10; 24.60), geothermische warmte (18; 16.60), kernenergie (20; 10.09), wind op zee (22; 14.09) en geconcentreerde zonne-energie (25; 10.90). In Nederland zijn de prioriteiten anders: Eerst wind op zee, dan zonnepanelen op het dak, als derde biomassa en dan thermische warmte). Deze laatste energiebron is nog grotendeels onontgonnen.

Veel steden willen de productie van elektriciteit in de komende 10 jaar met 50% ‘vergroenen’, echter beslissingen over grootschalige elektriciteitscentrales worden zelden genomen op gemeentelijk niveau, met uitzondering van wereldsteden zoals Londen en New York die hun eigen centrales hebben. Aan de andere kant schaffen veel eigenaars (en soms huurders) van huizen en gebouwen massaal zonnepanelen aan, vaak met behulp van de gemeenten waar ze wonen. Steden zijn actief betrokken bij of promoten campagnes van derden die huizen en commercieel vastgoed voorzien van gratis zonnepanelen. Vaak is het verplicht dat nieuwe huizen en gebouwen energie-neuraal zijn.

De staat Californië heeft een belangrijke stap gezet: Vanaf 2020 worden alle nieuwe woningen voorzien van zonnepanelen en een eigen batterijopslag[16]. Er zijn voor burgers nog veel mogelijkheden om op energiegebruik te bezuinigen.


Nest en Sense: betaalbare apparaten om burgers te helpen hun energieverbruik te verminderen

Nest thermostaat – foto: NEST

De Nest lerende thermostaat  program-meert zichzelf[17]. Zij onderzoekt eerst de gewoonten van een gebruiker wanneer deze de temperatuur handmatig instelt. Vervolgens kiest ze op elk moment van de dag automatisch de meest waarschijnlijke temperatuur en blijft ze het leren van handmatige aanpassingen. Ze houdt tevens het energieverbruik bij in de loop van de tijd, zodat gebruikers hun gewoonten kunnen aanpassen. Met een ander hulpmiddel, Sense, kunnen consumenten op elk moment zien welke elektronische apparaten worden gebruikt en hoeveel elektriciteit ze verbruiken[18]. Als gevolg hiervan kunnen consumenten desgewenst apparaten of lampen vervangen.


Op veel plaatsen zijn de mogelijkheden om het aantal zonnepanelen uit te breiden beperkt vanwege capaciteitsproblemen op het elektriciteitsnet. Het was beter als gemeenten de oprichting van energiecoöperaties op buurtniveau stimuleren in plaats van dat ze zich concentreren op de aanschaf van zonnepanelen. Energiecoöperaties beperken zich niet tot de productie van elektriciteit, maar regelen ook de opslag en verhandeling van energie in geval van overschotten of tekorten. 

De ontwikkeling van slimme netwerken (‘smart grids’) is een alternatief voor dure uitbreiding van de capaciteit van het bestaande netwerk als gevolg van het toenemend gebruik van elektriciteit en van het aantal energieleveranciers[19]. De productie en consumptie van energie op buurtniveau kan worden geoptimaliseerd door met behulp van IoT alle apparaten die energie gebruiken, opslaan en produceren met elkaar te laten communiceren. In het ideale geval beslissen de leden van energiecoöperaties over de regels achter de algoritmen in het computergestuurde besturingssysteem.


Het slimme net in de praktijk

Batterijsysteem geïnstalleerd in Amsterdam – foto City-zen project

Het Amsterdam Citi-zen-project[20]heeft 10.000 woningen verbonden met een smart grid, met behulp van meer dan 9.000 slimme meters, 13 gemonitorde midden-spanningsstations en 22 gemonitorde laagspanningslijnen. Vijftig batterijsystemen in huizen stellen hun eigenaren in staat om energie van zonnepanelen op te slaan en op de energiemarkt te verhandelen en zodoende de echte energieprijs te betalen en te ontvangen. Een ander project had al aangetoond dat prijsdifferentiatie een stimulans is voor mensen om deel te nemen aan projecten als dit[21]. De derde component was het gebruik van elektronische voertuigen als energiebuffers.

Het project resulteerde in waardevolle inzichten om het volledige potentieel van het smart grid beter te benutten. In eerste instantie is exacte kennis van de ligging van het laagspanningsnet een voorwaarde. Pas dan kan worden bepaald waar de apparatuur moet worden geplaatst om de potentiële (over)belasting van het net te meten.

De batterijsystemen hadden verschillende tekortkomingen. Batterijen konden niet effectief worden gebruikt omdat ze vanwege geldende installatienormen waren verbonden met een andere fase van het 3-fasennet dan waarmee de zonnepanelen en de andere elektronische apparatuur verbonden waren. Bovendien verkochten de batterijen elektriciteit op het moment dat ook energie werd opgewekt. Dit resulteerde in een extra piekbelasting op het laagspanningsnet in plaats van de belasting te verminderen. Het aantal personen dat actief handelde was echter te gering om de impact van de batterijen op de belasting van net te volgen. Hetzelfde geldt voor de rol van elektrische voertuigen.


Gebouwen en woonhuizen

Gebouwen en woonhuizen zijn grootste verbruikers van energie in steden (verwarming, koeling, warm kraanwater en verlichting) om te zwijgen van de energie die de productie van bouwmaterialen verbruikt. Ze zijn goed voor 40% van het wereldwijde energieverbruik. Massale realisering van energie-neutrale gebouwen is dan ook topprioriteit.

Kopenhagen is van plan CO2-neutraal te zijn in 2025 en ligt op schema, ondanks een substantiële groei van het aantal inwoners en banen[22]. Stadsverwarming en -koeling van vrijwel de hele stad is het belangrijkste middel om dit doel te bereiken, samen met de beperking van het gebruik van de auto. Kopenhagen implementeert een slim thermisch net, dat alle restwarmte gebruikt die afkomstig is van industriële en commerciële activiteiten. Zeewater wordt ingezet voor koeling.

Kopenhagen is een lichtend voorbeeld voor de rest van Europa. Er is genoeg industriële restwarmte om 90% van de warmtevraag van alle gebouwen en woonhuizen te leveren. Het Heat Europe-project probeert gebieden met een overschot aan restwarmte te koppelen aan gebieden met een tekort aan restwarmte. Onderstaande video toont de ambities, contouren en mogelijk – fascinerende – resultaten van dit project.

De resultaten zijn gepresenteerd in de pan-Europese thermische atlas[23].

New York is op een andere manier een voorbeeld. De Dirty Buildings Billvereist dat 50.000 gebouwen in de stad de uitstoot met 40% verminderen tegen 2030 en met 80% tegen 2050[24]. Dit omvat onder andere de installatie van nieuwe ramen en isolatie. De wet is van toepassing op gebouwen van meer dan 2,500 m2. Samen zijn deze goed zijn voor de helft van alle emissies ondanks dat het om maar 2% van het onroerend goed in de stad gaat[25]

In een informatief artikel beschrijven experts tientallen beschikbare technologieën op het gebied van kunstmatige intelligentie om de uitstoot van broeikasgassen in de gebouwde omgeving te verminderen[26]. Hier een voorbeeld:


Kunstmatige intelligentie en warmwatervoorziening

Gebouwen bieden talrijke mogelijkheden om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Opmerkelijke resultaten zijn gemeld met vrij elementaire apparaten en het gebruik van kunstmatige intelligentie[27]. Kazmi en zijn collega’s hebben kunstmatige intelligentie toegepast in verwarmings- en koelingssystemen (HVAC), die notoir inefficiënt zijn. Met behulp van slechts drie sensoren (luchttemperatuur, watertemperatuur en energieverbruik), paste een computer ‘deep learning’ technieken toe om te achterhalen hoe warm het water in het opslagvat moet zijn om aan de vraag van de gebruikers te voldoen. Het resultaat was een schaalbare energiebesparing van 20%.

Voorspelde en waargenomen watertemperatuur in het opslagvat – Bron: Kazmi et al.

Bouwvergunningen zijn bruikbare middelen om het energieverbruik te beïnvloeden en circulariteit te bevorderen. Zij kunnen eisen bevatten over het gebruik van minder cement en staal en uiteraard ook de beperking van het energieverbruik. Overschakelen naar duurzaam hout is een optie voor 90% van de huizen en 70% van de kantoren die worden gebouwd. Anderzijds biedt het bouwen op een energie-neutrale of zelfs energie-positieve manier veel voordelen. Daarom is 37% van de Britse ontwikkelaars ervan overtuigd dat hun portefeuille over enkele jaren voor een groot deel zal bestaan uit ‘groene’ gebouwen.

Overigens kan een stad als Londen de komende 5 jaar meer dan $11 miljard besparen door bestaande gebouwen efficiënter te gebruiken en nieuwbouw te vermijden.


BREEAM: Duurzame gebouwen

Hoofdkantoor Bloomberg London – Foto: Bloomberg

De Building Research Establishment Environmental Assessment Method(BREEAM) is een reeks indicatoren voor de duurzaamheid van gebouwen. Een voorbeeld van een bijna volledig duurzaam gebouw is het hoofdkantoor van Bloomberg in Londen. Een van de vele deels technologische middelen die in dit gebouw zijn toegepast is een groene levende muur, een natuurlijk ventilatiesysteem en 4.000 geïntegreerde plafondpanelen die verwarming, koeling en verlichting combineren. Waarschijnlijk is het beste voorbeeld in Nederland The Edge, het hoofdkantoor van Deloitte in Amsterdam. Het gebouw is energieneutraal. Om dit te bereiken, is de hele zuidelijke gevel voorzien van zonnepanelen. Regenwater wordt opgevangen en hergebruikt. Er is een warmte-koude opslaginstallatie die thermische energie gebruikt. Beide gebouwen maken gebruik van Philips Ethernet-aangedreven led-verlichtings-systeem, waarmee ongeveer 40% energie wordt bespaard.


Een andere invalshoek voor stedelijke bestuurders is isolatie van de bestaande voorraad gebouwen en huizen. In het geval van nieuwbouw is regulering mogelijk, in het geval van vernieuwbouw, kan de gemeente een ondersteunende rol vervullen door projecten van individuele eigenaren van huizen en gebouwen en woningcorporaties te subsidiëren. Handig is dat veel woningcorporaties en institutionele beleggers zich ook hebben gecommitteerd aan de overeenkomsten van Parijs.

Mobiliteit

Vermindering van emissies door auto’s draagt aanzienlijk bij aan de vermindering van de totale emissies binnen gemeenten. Het besef groeit dat de positieve impact van elektrische auto’s wordt overschaduwd door de neveneffecten van de productie van batterijen[28]. Hetzelfde geldt overigens ook voor de productie van grondstoffen voor zonnepanelen. Deze grondstoffen moeten worden geïmporteerd uit een beperkt aantal landen waar productie twijfelachtige ecologische en sociale effecten heeft[29].

Vanuit energieperspectief is het promoten van elektrische auto’s een goede zaak, zelfs als deze voorlopig overwegend ‘grijze’ elektriciteit gebruiken. Vanuit het oogpunt van leefbaarheid is vermindering van het totale aantal auto’s echter noodzakelijk. Steden kiezen terecht voor een autoverbod in bepaalde delen van de stad. Zoals in veel andere opzichten, moeten dergelijke beslissingen wel voldoende draagvlak hebben, anders riskeren ze na de eerstvolgende verkiezingen te worden teruggedraaid. Als gevolg van beperking van het bezit en gebruik van particuliere auto’s In C40-gemeenten kan 170 miljoen m2parkeerruimte op straat worden hergebruikt, bijvoorbeeld voor het planten van 2,5 miljoen bomen of de aanleg van 25.000 km fietspaden.

Hoe dan ook, de vervanging van benzineauto’s door (groene) elektrische auto’s zal geleidelijk verlopen. Tegelijkertijd moeten gemeentebesturen alternatieven bieden, zoals een efficiënt, veilig, betaalbaar en gebruiksvriendelijk openbaar vervoer, aangevuld met een veilige en snelle verbinding voor microtransport zoals (deel)fietsen of elektrische steps. In aanvulling hierop kan een door software ondersteund MaaS-systeem goede diensten vervullen. Hiermee kunnen huurauto’s worden toegevoegd aan het aanbod van beschikbare alternatieven.

Consumptie

Gemeenten kunnen de overgang naar duurzame vormen van landbouw, zoals beschreven in het Drawdown-rapport binnen hun grenzen stimuleren. Bovendien kunnen ze een meer plantaardig voedingspatroon bevorderen en verspilling van voedsel vermijden. Het stimuleren van gezamenlijke verbouwen van gewassen door bewoners kan daarbij helpen. Het Drawdown-rapport adviseert om vleesconsumptie te verminderen tot maximaal 16 kg per persoon per jaar en zuivelproducten tot 90 kg per persoon per jaar. In de VS is dat nu 58 kg vlees en 155 kg zuivel.

Ik ben niet ingegaan op de noodzakelijke veranderingen in industrie, luchtvaart en (internationaal) transport want stedelijke autoriteiten hebben hier nauwelijks invloed op.

Investeringen

Het definitief beëindigen van emissies van broeikasgassen in C40-steden in 2050 vereist enorme investeringen, ruwweg $ 50 tot $ 200 per ‘bespaarde’ kubieke meter. Tegelijkertijd gaat van deze investeringen een wereldwijde economische stimulans uit van $ 16,600 miljard.

Van 2016 tot 2050 zal elke C40-stad gemiddeld $ 10 miljard moeten investeren om aan de ambitie van de Overeenkomst van Parijs te voldoen. Dit is een investering van meer dan $ 1000 miljard in alle C40-steden samen. Alleen al de komende vier jaar is $ 375 miljard nodig. 

Duurzaamheid in de humane stad

Om de Parijse doelen te halen werken gemeentebesturen samen met alle belanghebbenden, burgers niet in de laatste plaats, om de opwarming van de aarde te verminderen.

De belangrijkste activiteiten om dit doel te bereiken zijn:

  • Bedekken van alle geschikte daken met zonnepanelen;
  • Installeren van windmolens in zeeën grenzend aan dichtbevolkte gebieden en op andere geschikte plaatsen;
  • Creëren van voldoende opslagmogelijkheden voor energie;
  • Aanleggen van ‘smart grids’ om de productie en het verbruik van elektriciteit te beheren;
  • Verwarmen van huizen door stadsverwarmingssystemen aangedreven door industriële restwarmte, waterstof, thermische energie of warmtepompen;
  • Aanzienlijke vermindering van het energiegebruik door isolatie en slimme thermostatische systemen;
  • Aanzienlijke vermindering van het aantal autokilometers door het vergroten van loop- en fietsmogelijkheden en uitbreiding van het openbaar vervoer;
  • Uitbannen van het gebruik van fossiele brandstoffen of in elk geval terugdringen daarvan tot het niveau waarop de aarde zelf de uitstoot van broeikasgassen kan afbreken;
  • Hergebruik van afval op het hoogst mogelijke niveau;
  • Intensivering van verantwoorde productie van voeding;
  • Aanpassing van het consumptiepatroon door burgers.

Dit alles komt slechts tegemoet aan de helft van de uitdaging waarvoor steden staan.

In veel landen is sprake van energiearmoede. Deze term verwijst naar toenemende ongelijkheid als gevolg van de vermindering van de broeikaseffecten. Populistische politici voeden dit groeiende ongemak. Begrijpelijk, zo lang andere politici niet in actie komen.

Het Green New Deal-initiatiefin de VS door lid van het huis van afgevaardigden Alexandria Ocasio-Cortez en senator Ed Markey uit Massachusetts is een goed voorbeeld van het verbinden van de strijd tegen opwarming van de aarde met die tegen armoede en groeiende sociale ongelijkheid, veelal langs raciale scheidingslijnen[30]. Tegelijkertijd vereist de ambitie om de opwarming van de aarde te verminderen een enorme toename van geschoolde arbeidskrachten. Daarom zijn massale opleidingsprogramma’s voor de sectoren duurzame energie, isolatie en renovatie noodzakelijk. Dergelijke programma’s zijn ook gewenst voor werknemers in de fossiele brandstofindustrie. 

De onderstaande korte video, uitgegeven door het Amerikaanse persbureau Fox, vat de New Green Deal samen.

Op zich moet de overgang naar klimaat-neutrale steden nog steeds kunnen, al is er een steeds grotere trendbreuk voor nodig. En ook andere overheden, bedrijven en burgers kunnen nog steeds hun noodzakelijke aandeel leveren. Deze transitie kan met bestaande kennis en technologieën. Ook geld is niet het grote probleem. De benodigde investeringen zullen zichzelf op de lange termijn terugverdienen en de overgang naar schone technologie zal bijdragen tot een verantwoorde economische groei. 

Wat meer hoofdbrekens kost is het gebrek aan geschoolde arbeid en hier ligt de verbinding met de humane stad. De zorg voor banen, een redelijk inkomen, voldoende huisvesting en scholing gaat hand in hand gaan met tegengaan van de opwarming van de aarde. Banen zijn de beste garantie voor een redelijk inkomen en kansen op werk zijn een stimulans om te investeren in scholing. Maar er zijn niet genoeg uitdagende banen. De transitie naar een klimaat-neutrale samenleving kan deze bieden.

Het allesoverheersende probleem is het besef van de urgentie van het probleem en de wil om daarnaar te handelen.

Dit geldt voor het bedrijfsleven, de overheid en de burgers. Ten opzichte van de pre-industriële periode in de temperatuur inmiddels 1% gestegen. In de komende 30 jaar zou de temperatuurstijging tot gemiddeld 0,5% beperkt moeten blijven. Aangezien er nog nooit zo veel broeikasgassen zijn uitgestoten dan in 2018, ligt dit doel verder dan ooit. Of het desondanks kan worden gehaald, gaat in de komende drie jaar blijken.

Tot slot vat ik de kenmerken van een humane benadering van duurzaamheid in onze steden samen, rekening houdend met de relatie tussen een de beëindiging van de uitstoot van CO2, werk, inkomen, gelijkheid en scholing.

Acties voor een humane aanpak van klimaat-neutrale steden


  • Het verminderen van CO2-uitstoot en de consumptie van producten met een grote ecologische voetafdruk , ook vanwege de samenhang met gezondheid.
  • Steden zetten zich collectief in voor de vermindering van de ongewenste milieu- en sociale effecten van de productie van grondstoffen voor batterijen en zonnecellen.
  • De internationale gemeenschap staat toe dat landen die onevenredig worden getroffen door de gevolgen van de opwarming van de aarde invoer belasten uit landen die onevenredig bijdragen aan de uitstoot van broeikasgassen. Dit geld wordt gebruikt voor projecten om de effecten van wereldwijde opwarming op stedelijk, regionaal en nationaal niveau te verminderen
  • Acties binnen steden om de gevolgen van de opwarming van de aarde te verminderen, zijn in de eerste plaats gericht op de bescherming van de dichtbevolkte buurten.
  • Steden ondersteunen de ontwikkeling van energiecoöperaties op lokaal niveau. Deze coöperaties worden gefinancierd om huizen te isoleren en uit te rusten met duurzame verwarmings-, koel- en kookapparatuur. Deze investeringen worden – althans gedeeltelijk – betaald door het verschil tussen de werkelijke en nieuwe maandelijkse uitgaven voor energie.
  • Als een rechtvaardiger alternatief voor de belasting op CO2-emissies, mogen bedrijven – inclusief boeren – tijdelijk een bepaald emissieniveau hebben dat jaar na jaar zal afnemen. Rentevrije leningen zijn beschikbaar om te investeren in dit doel. Overschrijden van de toegestane emissie wordt bestraft.
  • Alle steden ontwikkelen transitieplannen naar een koolstofarme toekomst. Deze zijn het resultaat van samenwerking tussen bedrijven, (kennis) instellingen, groepen burgers en gemeentelijke overheden. Ze worden om de twee jaar herzien op basis van de gerealiseerde vooruitgang en nieuwe inzichten.
  • Steden investeren niet langer in uitbreiding van de wegcapaciteit voor personenauto’s. In plaats daarvan investeren ze in het vrij maken van delen van de stad van auto’s, in het openbaar vervoer in microtransport en in voorzieningen voor koolstofvrije levering van goederen. Als speciaal aandachtspunt zal de mobiliteit van gehandicapten worden verbeterd.
  • Om het gebruik en de efficiëntie van stadsverwarming te maximaliseren, werken steden op regionaal niveau samen om vraag en aanbod van industriële restwarmte of koeling af te stemmen.
  • Steden investeren in grootschalige onderwijsprojecten om duizenden nieuwe medewerkers op te leiden voor de duurzaamheidsindustrie (zonnepanelen, het uitrollen van warmtenetten, isolatie). Omdat veel van deze werknemers geen werkervaring zullen hebben, wordt hun introductie op de arbeidsmarkt zorgvuldig begeleid.
  • Eigenaren van huizen en gebouwen zijn verplicht geschikte daken te bedekken met zonnepanelen voor eigen gebruik of gebruik door energiecoöperaties. Waar mogelijk worden zonnepanelen in het dak geïntegreerd. Monumentale gebouwen kunnen om esthetische redenen kiezen voor vrijstellingen.

[1]https://www.duurzaambedrijfsleven.nl/energie/31837/bloomberg-duurzame-energie-2050?q=%2Fenergie%2F31837%2Fbloomberg-duurzame-energie-2050&utm_source=nieuwsbrief&utm_medium=e-mail&utm_campaign=Daily+Focus+21+Juni

[2]https://www.duurzaambedrijfsleven.nl/energie/29961/dnv-gl-toekomst-energiesysteem-2050

[3]https://globalecoguy.org/the-three-most-important-graphs-in-climate-change-e64d3f4ed76

[4]https://www.drawdown.org

[5]https://phys.org/news/2012-04-solar-thermal-cement-carbon-dioxide.html

[6]https://medium.com/mit-technology-review/climate-change-has-already-made-poor-countries-poorer-and-rich-countries-richer-b847197a5b97

[7]http://smartcityhub.com/governance-economy/the-role-of-cities-in-the-pursuance-of-the-paris-agreement/

[8]https://c40-production-images.s3.amazonaws.com/other_uploads/images/2259_C40_CBE_MainReport_190613-HDA3.original.pdf?1561382579

[9]https://www.duurzaambedrijfsleven.nl/stad-van-de-toekomst/31563/cdp-steden-klimaat?q=%2Fstad-van-de-toekomst%2F31563%2Fcdp-steden-klimaat&utm_source=nieuwsbrief&utm_medium=e-mail&utm_campaign=Daily+Focus+14+Mei

[10]https://www.duurzaambedrijfsleven.nl/infra/30337/duurzaamheid-stad

[11]https://orionmagazine.org/article/forget-shorter-showers/

[12]https://b8f65cb373b1b7b15feb-c70d8ead6ced550b4d987d7c03fcdd1d.ssl.cf3.rackcdn.com/cms/reports/documents/000/002/327/original/Carbon-Majors-Report-2017.pdf?1499691240

[13]  https://coalexit.org/node/1142

[14]https://www.duurzaambedrijfsleven.nl/infra/31817/klimaatakkoord-amsterdam?q=%2Finfra%2F31817%2Fklimaatakkoord-amsterdam&utm_source=nieuwsbrief&utm_medium=e-mail&utm_campaign=Daily+Focus+21+Juni

[15]https://medium.com/radical-urbanist/the-electric-vehicle-revolution-will-be-dirty-and-unequal-674d9184ee6f

[16]https://www.fastcompany.com/90366185/green-new-deal-100-percent-clean-energy-will-help-economy?utm_campaign=Compass&utm_medium=email&utm_source=Revue%20newsletter

[17]https://store.google.com/us/product/nest_learning_thermostat_3rd_gen?hl=en-US&GoogleNest

[18]https://sense.com

[19]https://www.duurzaambedrijfsleven.nl/energietransitie-business/31677/interflex-energietransitie?q=%2Fenergietransitie-business%2F31677%2Finterflex-energietransitie&utm_source=nieuwsbrief&utm_medium=e-mail&utm_campaign=Daily+Focus+28+Mei

[20]http://www.cityzen-smartcity.eu/wp-content/uploads/2019/05/2019-04-01_cityzen_final_report_v1-0.pdf

[21]https://medium.com/cgo-benchmark/the-electrical-grid-is-changing-6a2e89b04a

[22]https://medium.com/everything-thats-next/this-is-how-copenhagen-plans-to-go-carbon-neutral-by-2025-70849d2d67dc

[23]http://stratego-project.eu/pan-european-thermal-atlas/

[24]https://www.fastcompany.com/90336307/new-york-city-is-about-to-pass-its-own-green-new-deal?utm_source=postup&utm_medium=email&utm_campaign=Fast%20Company%20Daily&position=5&partner=newsletter&campaign_date=04182019

[25]https://www.archdaily.com/915656/new-york-citys-mayor-is-planning-to-ban-new-glass-skyscrapers?utm_medium=email&utm_source=ArchDaily%20List&kth=

[26]  https://arxiv.org/pdf/1906.05433.pdf

[27]https://www.researchgate.net/publication/321632475_Gigawatt-hour_Scale_Savings_on_a_Budget_of_Zero_Deep_Reinforcement_Learning_based_Optimal_Control_of_Hot_Water_Systems

[28]https://medium.com/bloomberg/saving-the-planet-with-electric-cars-means-strangling-this-desert-64d65cfd3329

[29]https://medium.com/radical-urbanist/the-electric-vehicle-revolution-will-be-dirty-and-unequal-674d9184ee6f

[30]https://www.fastcompany.com/90366185/green-new-deal-100-percent-clean-energy-will-help-economy?utm_campaign=Compass&utm_medium=email&utm_source=Revue%20newsletter

Limburg en de januskop van de digitale samenleving

Vrijwel elke gemeente of provincie heeft inmiddels wel een nota die de zegeningen van technologie beschrijft, of anders deze wel onderzoekt. Dat laatste is het geval in de “Strategische verkenning digitale samenleving Limburg”. In dit artikel bespreek ik de nota.

De manier waarop de nota Strategische verkenning digitale samenleving Limburg tot stand is gekomen, is niet alledaags. De provincie Limburg heeft begin 2018 aan een zestal ‘verkenners’ gevraagd om in kaart te brengen welke mogelijkheden ‘de digitale samenleving’ biedt voor respectievelijk welzijn, onderwijs, stedelijke ontwikkeling & mobiliteit, klimaat en energie, regionale economie en provinciale organisatie in en van Limburg. Je kunt het rapport met behulp van deze link downloaden [1].

De provincie staat voor de opgave “zich te verhouden tot de gevolgen van digitale ontwikkeling” (p. 14) en daaraan draagt hetgeen de auteurs te berde brengen zeker bij. Maar de uiteindelijke waarde van hangt toch af van de follow-up. Ik doe het provinciebestuur aan het einde hiervoor een suggestie. 

Technologie: Oplossing of bedreiging

De afbeelding bevat een januskop, een tweekoppig wezen. Deze verwijzen naar de rollen van technologie, enerzijds als oplossing, anderzijds als bedreiging
Welzijn

De afzonderlijke bijdragen – op persoonlijke titel geschreven – laveren tussen omarming van en kritiek op het gebruik van digitale technologieën en data. De balans verschilt per auteur. De meesten lijken het wel eens te zijn met Paulien Strijland, de auteur van de bijdrage over regionale economie. Zij schrijft dat “digitalisering van de samenleving in een versneld tempo plaats vindt en onvermijdelijk is.” Om deze reden staan we voor de opgave na te gaan “welke maatschappelijke vraagstukken met digitale middelen opgelost kunnen worden, hoe we ons digitale innovatieklimaat snel kunnen verbeteren en hoe we omgaan met de noodzakelijke sociale veranderingen die digitalisering met zich mee brengt” (p.68).

De auteurs realiseren zich – de een meer dan de ander – dat gebruik van digitale technologie voordelen heeft maar ook risico’s meebrengt.

De auteur met de meeste reserve jegens de ‘zegeningen’ van de technologie is Egid van Houtem in zijn beschouwing over het thema welzijn. Daarbij citeert hij Robert Went, onderzoeker bij de WRR, die spreekt over ‘technologisch chauvinisme’: Het geloof dat techniek een oplossing biedt voor elk stedelijk probleem, tien jaar geleden succesvol gepredikt door IBM (p. 13), zie ook het kader. 

Technologie kent doorgaans twee gezichten, namelijk van oplossing en van bedreiging. Egid van Houtem heeft ook het spraakmakende boek Radical Technologies. The Design of Everyday Lifevan Adam Greenfield bestudeerd: De wijze waarop technologie zich ontwikkelt is allesbehalve autonoom en onvermijdelijk, maar wordt bepaald door de (markt)partijen met de meeste macht om er hun commerciële belangen mee te behartigen. Technologische chauvinisten hebben hier geen oog voor [2]. Van Houtem citeert tevens met instemming de visie van het Rathenau Instituut om in te zetten op waarden gedreven (digitale) innovatie. Deze visie komt bij verschillende andere auteurs terug, iets dat wel weer veronderstelt dat er ruimte is om de technologische ontwikkeling te beïnvloeden. De auteurs zijn in dit opzicht ambivalent. Elders spreek ik uit dat een humane samenleving het in de toekomst moet hebben van een goede balans tussen waarden als duurzame groei, rechtvaardigheid, leefbaarheid en van digitale rechten[3]en dat bepaalde digitale hulpmiddelen daarbij helpen.

Digitale samenleving: Een wenkend perspectief?

In het voorwoord merkt gedeputeerde Hans Teunissen op dat de nota “een schatkamer is aan ideeën voor de digitale transformatie van Limburg ” Maar is dat wel zo?

Eigenlijk vind ik de opsomming van digitale technieken en voorbeelden van zinvol datagebruik in het rapport nogal mager en nauwelijks iets om naar uit te zien.  

Een recent rapport van McKinsey Global Institute (juni 2018), getiteld Smart Cities: Digital solutions for a more livable future  is op dit gebied veel rijker van inhoud en de website Bee Smart City bevat ongeveer 700 voorbeelden van de manier waarop digitale hulpmiddelen op terreinen als economie, gezondheidszorg, verkeer en leefbaarheid ingezet kunnen worden. Overigens ook lang niet allemaal overtuigend.

Van Houtem groepeert zijn bijdrage rond een aantal maatschappelijke opgaven, zoals gezondheid van jongeren, vereenzaming van ouderen, burgerparticipatie en digitale geletterdheid. Bij elk thema geeft hij voorbeelden van de bijdrage van digitalisering. Bij de gezondheid van jongeren wordt verwezen naar ‘serious games’ en ‘wearables’, die worden gecombineerd in het project Boosth, dat thans wordt uitgeprobeerd (p. 15). Een andere mogelijkheid is het gebruik van ‘big data’ om interventies gerichter te maken, bijvoorbeeld de Stimuliz, een instrument voor tijdige signalering van de ontwikkeling van kinderen. Om de vereenzaming van ouderen tegen te gaan, komen aan de orde beeldbellen, VR-brillen en sociale robots die ouderen helpen met de dagindeling.

Mobiliteit en stedelijke ontwikkeling

Problemen rond de ontwikkeling van steden en platteland, inclusief mobiliteit, zijn het thema van de bijdrage van Marc Smits en Louis Reinders. Het verkeer loopt vast, maar op de korte termijn bieden digitale hulpmiddelen en data weinig soelaas: Sensoren, adaptieve lantaarnpalen, car sharing, verbetering van de navigatie en oproepbare busjes. 

Voor ‘echte’ oplossingen op de lange termijn moeten we wachten op zelfsturende auto’s, drones en hyperloops. Maar ook hun merites zijn twijfelachtig.

Planologen zijn het erover eens zijn eerst de vraag moet worden beantwoord hoe het gebruik van particuliere auto’s – al dan niet elektrisch – drastisch kan worden verminderd.

Op basis van simulaties staat nu al vast, dat autonome auto’s de congestie alleen maar zullen vergroten[4]. Wat nodig is, is in de eerste plaats een ander soort steden in plaats van hyperloops en autonome auto’s[5].

Oplossingen voor andere problemen van de leefomgeving zijn triviaal. Neem veiligheid. Net als in veel andere geschriften, wordt het Eindhovense Stratumseind met zijn CCTV-camera’s, sensoren en adaptieve verlichting aangehaald. Echter, het aantal geweldsdelicten is niet hierdoor verminderd, zoals de bedoeling was. Wel hebben ze geleid tot een groter veiligheidsgevoel. 

Of neem de lediging van de ‘slimme’ vuilnisbakken in Brussel: Dat dit zesmaal minder vaak hoeft te gebeuren komt omdat hun capaciteit zesmaal groter is dan voorheen. De rol van de ingebouwde sensoren die melden als ze vol zijn, is marginaal.

Technologie staat niet los

Sommige bijdragen gaan slechts in beperkte mate in op concrete technologische maatregelen, maar benadrukken vooral de beleidsmatige voorwaarden waaraan moet worden voldoen om deze te laten slagen.

Onderwijs

Tamara de Boer onderscheidt in haar bijdrage over onderwijs een aantal problemen waarbij technologie theoretisch een oplossing kan bieden. Een daarvan is gepersonaliseerd leren en daarmee samenhangend ‘learning analytics’. Terecht stelt ze dat dit thema aansluit bij jarenlange pleidooien van onderwijskundigen om te meer personaliseren. Hiervan is zo goed als niets terecht gekomen. Dat komt niet omdat de vereiste technologische hulpmiddelen er (nog) niet waren. De auteur is zich hiervan bewust en wijst op de noodzaak van een wezenlijke verandering van de organisatie en de cultuur van het onderwijs. Het is ook niet voor het eerst dat iemand dit verzucht. Technologische oplossingen ‘van bovenaf’ invoeren is wel het laatst dat gaat helpen. In plaats daarvan moeten scholen de middelen krijgen zich in deze middelen te verdiepen en om leraren vrij te maken om deze te implementeren. Maar ook dat zal niet gaan gebeuren zonder oplossing van het lerarentekort en verandering van de ‘leerstoffige’ onderwijscultuur. 

Regionale economie en innovatie

De al gememoreerde bijdrage van Paulien Strijland is eerder een beschouwing over regionale economie en innovatie in brede zin dan een over de rol van digitale technologieën en data. Dat is als compliment bedoeld! Zij stelt onomwonden vast dat het innovatieklimaat in Limburg te kort schiet, mede vanwege verkokering en onderling wantrouwen. De Brightland campussen kunnen een belangrijke stimulerende rol spelen, maar daarvoor is het misschien beter is als ze apart gaan opereren om al doende de inbedding in de lokale economie te versterken. 

Digitale samenleving: eenzijdige focus

De auteurs van de bijdrage over de provinciale organisatie zelf, René Bijlmakers en Ron Helwig, benadrukken dat de provincie de hoeder is van publieke waarden, en van daaruit ook de plicht heeft om het gebruik van digitale technologie en van data kritisch te volgen. Tegelijkertijd stellen ze dat het nodig is om ‘vertrouwen te hebben in de digitale samenleving’. Dat is niet direct wat ik me bij ‘kritisch volgen’ voorstel en waarom zouden we? Technologie geeft kansen, maar brengt evenveel bedreigingen met zich mee. 

Wat mij tegen de borst stuit, is dat er voortdurend sprake is dat we ons bewegen naar een digitale samenleving.

Provinciale organisatie

Een dergelijke terminologie verabsoluteert één aspect van de toekomst, net als het geval was bij begrippen als de verzorgingsstaat, de participatie samenleving en de kenniseconomie. Als er sprake zou zijn van de ontwikkeling naar een humane samenleving, kon ik daar nog in meegaan. De (toekomstige) samenleving in de eerste plaats als digitaal typeren is erg eenzijdig.

Nu we het toch over irritaties hebben; een ander punt dat mij irriteerde zijn de herhaaldelijke verwijzingen naar de toekomstige koploper-rol van Limburg, terwijl tegelijkertijd wordt gewezen op de achterstand die deze provincie thans op diverse terreinen heeft. Inzet moet zijn, realiseren wat waardevol is en dan zal blijken dat het in sommige opzichten goed zal gaan en in andere minder. Er zijn zo veel lokale omstandigheden die daarbij een rol spelen, dat hanteren van lineaire schalen om prestaties te vergelijken geen enkel doel dient. 

Hoe verder?

De waarde van de voorliggende nota hangt af van de follow up. Wat – mijns inziens – in dit stadium vooral niet moet gebeuren, is voortborduren op de besproken voorbeelden voor digitalisering en datagebruik.  Niet alleen omdat deze relatief beperkt zijn en deels ook triviaal. Maar vooral omdat de vraag welke technologieën en toepassingen van datagebruik de provincie zou moeten ondersteunen, zich ook na publicatie van deze nota nog niet laat beantwoorden.

Aan de keuze van technologische hulpmiddelen en de inzet van data moeten duidelijke beleidskeuzen voorafgaan.

De nota Strategische verkenning digitale samenleving Limburg zet een eerste stap, door beleidsproblemen te definiëren, uitdagingen voor toekomstig beleid te omschrijven en voorbeelden te geven van bruikbare digitale technieken en het gebruik van data. Er ontbreken twee tussenstappen:

  • Een inventarisatie van het huidige beleid en van de successen of tekortkomingen van de gebruikte instrumenten.
  • De formulering van beleidskeuzen voor de toekomst. 
Klimaat en energie

In dit opzicht is de bijdrage van Lotte Loeber’s over klimaat en energie nog het meest uitgebalanceerd. Ze beschrijft eerst voor welke problemen we staan: De noodzaak van een betrouwbaar en duurzaam energiesysteem, verduurzaming van de gebouwde omgeving, een toekomstbestendig agrofoodcomplex, verduurzaming van de glastuinbouw en toename klimaatbewustzijn in Limburg. Vervolgens inventariseert ze oplossingen in algemene zin en pas daarna komt de bijdrage van digitale technologie aan de orde.

Overigens, of het zo eenvoudig is als de auteur stelt, valt te betwijfelen: Alle (huishoudelijke) apparaten zullen in de toekomst worden verbonden aan het internet door middel van Internet of Things en wordt het mogelijk om al deze apparaten op afstand aan- of uit te zetten. Experimenten binnen de Amsterdamse ‘virtual energy plant’ laten zien dat dit inderdaad kan, maar dat het nog niet betekent dat de bewoners dit ook willen of doen[6].

De provincie moet als follow-up van de nota in de eerste plaats de twee voornoemde ontbrekende tussenstappen zetten.

Vervolgens kunnen beleidsinstrumenten worden gekozen: Digitale hulpmiddelen en de inzet van data zijn daar onderdelen van, niets meer en niets minder. Beide moeten naadloos aansluiten op overige instrumenten op het gebied van wetgeving, communicatie, infrastructuur en financiën. Deze aanpak maakt het mogelijk de merites van technologie en van het gebruik van data veel kritischer te beoordelen.

Tenslotte is het van belang dat de beleidskeuzen en de keuze van instrumenten, waaronder het gebruik van techniek en data een breed draagvlak hebben en dat burgers weten welke de consequenties ervan kunnen zijn – met name ook op het gebied van de inzet van technologie.


[1]De kleurrijke afbeeldingen in het dit artikel zijn afkomstig uit de nota ‘Strategische verkenning digitale samenleving Limburg’. De afbeelding van de januskop komt uit het boek Science in Action(1987) van Latour en verwijst naar de interne tegenstrijdigheid van onze wetenschappelijke kennis.

[2]Verso, London 2017. In mijn essay Digital technology eats politics for breakfastbespreek ik het boek Radical Technologiesin samenhang met een ander spraakmakend boek, A New digital dealvan Bas Boorsma (Rainmaking publications 2017).

[3]http://smartcityhub.com/collaborative-city/long-read-beyond-the-smart-city-challenges-for-a-humane-city/

[4]http://smartcityhub.com/mobility/autonomous-vehicles-heaven-nightmare/

[5]https://hmjvandenbosch.com/2018/10/22/vergeet-even-de-autonome-auto-en-denk-na-over-leefbaarheid/

[6]http://smartcityhub.com/technology-innnovation/smart-grid/

Sociaal ondernemen: Het nieuwe normaal?

De wereld zou er een stuk beter op worden als ondernemingen besloten de creatie van (maatschappelijke) waarde boven het maken van winst en het belonen van het topmanagement te stellen, overigens zonder hun continuïteit te verwaarlozen

Enkele Nederlandse sociale ondernemingen

Wat is er mooier dan een onderneming waar gedreven medewerkers voor hun klanten én voor de samenleving de best mogelijke producten of diensten tot stand te brengen. Waarde creëren heet dat. We spreken dan van een sociale onderneming. Voor heel wat bedrijven – zeker bij startups – is dat inderdaad het geval, overigens zonder dat zij hun continuïteit uit het oog verliezen.

Voor de meeste bedrijven is het streven naar waarde ondergeschikt aan het streven naar zo veel mogelijk winst voor de aandeelhouders en inkomen voor het (top)management. Veel medewerkers zien dit met lede ogen aan.

In de Verenigde Staten komen bedrijven die expliciet kiezen voor de voortbrenging van goederen en diensten met een hoge toegevoegde maatschappelijke waarde, in aanmerking voor de wettelijke status benefit corporation[1]. Zij kunnen zich tevens als zodanig laten certificeren en ontvangen dan van een onafhankelijk instituut het predicaat certified B-corporation[2].

Wereldwijd zijn er inmiddels 2600 bedrijven met het predicaat certified B-corporation

De Amerikaanse tak van Danone hoort hier ook bij. Enige maanden geleden kondigde het Franse moederbedrijf van Danone met 36.000 werknemers aan eveneens de status van certified B-corporation aan te vragen. Het bedrijf trekt tien jaar uit om aan alle voorwaarden te voldoen.

Emmanuel Faber

De CEO van Danone, Emmanuel Faber plaatst dit besluit tegen de achtergrond van het groeiende wantrouwen van consumenten tegenover de voedingsmiddelenindustrie. Het bedrijf wil de komende jaren bewijzen dat zijn producten een betrouwbare bijdrage leveren aan gezonde voeding, wereldwijd.

Het bedrijf blijft – als veel andere B-corps – beursgenoteerd, maar de aandeelhouders niet tornen aan de maatschappelijke missie[3]. Hierover is inmiddels overeenstemming bereikt. 

Ook in Nederland is geregeld discussie of de status van benefit corporation wettelijk erkend zou moeten worden.

Dit weerhoudt een aantal bedrijven er niet van om zich nu al sociale of maatschappelijke onderneming te noemen. Woorden die overigens voor verwarring zorgen. De term sociale onderneming wordt in Nederland vaak gebruikt voor bedrijven die vooral mensen met een beperking in dienst nemen, zoals Downies & Brownies. Het begrip maatschappelijke onderneming komt ook voor, maar wordt gebruikt voor not-for-profit instellingen, zoals onderwijsinstellingen, ziekenhuizen of de NS.

In zijn zeer recente rapport over sociale ondernemingen, stelt de OECD uit te gaan van de definitie van sociale ondernemingen van de Europese Commissie[4]Een sociale onderneming als een particuliere onderneming die haar bestaansrecht ontleent aan het streven de samenleving te verbeteren. Dit houdt onder andere in dat winst wordt gebruikt om dit doel te consolideren, dat de bedrijfsvoering en het bestuur transparant zijn en dat er geen buitensporige beloningen worden uitgekeerd. Ik denk dat deze definitie intuïtief wel verhelderend is, maar ook de vraag oproept wat verbeteren van de samenleving inhoudt.  

Ik suggereer daarom in de definitie van een sociale onderneming de nadruk te leggen op het creëren van waarde in plaats van het maken van een zo hoog mogelijke winst. 

Echter, al is het streven naar winst ondergeschikt aan het streven naar waarde; van tafel is het niet. Het vermelde OECD-rapport positioneert sociale ondernemingen middenin een continuüm van vormen van ondernemerschap (figuur). 

Recent nog heeft de ‘koepel’ van Nederlandse sociale ondernemingen, Social Enterprise NL gepleit voor een eigen legale status. Dat staat weer op gespannen voet met het feit dat thans de legale status sterk varieert, van Stichting, coöperatie, vereniging, VOF tot BV en NV.  

Misschien is het ook beter om ervoor te ijveren dat de keuze voor maatschappelijke doelen het nieuwe normaal wordt.

Streven naar een passende winst is dan een middel daartoe. Winst maakt het mogelijk een reserve op te bouwen en extra te investeren, bijvoorbeeld in onderzoek. Salaris voor de directie en werknemers, een beloning voor de kapitaalverschaffers en een eventueel extraatje voor alle werknemers worden tot de normale bedrijfskosten berekend. 

Onlangs is een interessant onderzoek gepubliceerd dat de Erasmus Universiteit heeft verricht in opdracht van Stichting Management Studies (VNO-NCW)[5]. Het belicht 17 Nederlandse bedrijven die uitgaan van een maatschappelijke missie. De vraag die de studie beantwoordt, is hoe deze bedrijven dat doen en tegelijkertijd hun continuïteit waarborgen. Ze hebben de tijd mee. Nadat Danone had aangekondigd zich te gaan profileren als maatschappelijke onderneming, kreeg het bedrijf aanzienlijke korting op een lening van 12 miljard bij een Europees consortium van banken. Blackrock, ’s werelds grootste vermogensbeheerder zegt zich voortaan in de eerste plaats te richten op maatschappelijke ondernemingen. Dit is geen filantropie; maatschappelijke ondernemingen doen het gewoon goed. 

Om te voorkomen dat het begrip sociale ondernemen verwatert, maakt de voornoemde studie een onderscheid tussen drie typen sociale ondernemingen, afgezien van degene die vooralsnog geen enkele maatschappelijke impact beogen (Zie onderstaand schema). 

Een aantal bedrijven streeft maatschappelijke doelen na om tactische redenen, bijvoorbeeld versterking van de reputatie, maar maximalisatie van de winst blijft het voornaamste doel. 

Het tweede en derde type beschouwen het maatschappelijke waarden als de reden voor hun bestaan en als middel om zich van andere bedrijven te onderscheiden. Enkele van deze bedrijven gaan nog verder. Tony Chocolonelly bijvoorbeeld wil de cacao-keten ‘slavenvrij’ maken en spendeert (met succes) veel energie om andere producenten van chocolade mee te krijgen. Het bedrijf zou meegaan in een overname als dit doel daarmee gediend zou zijn.

Een ander onderscheid betreft de origine van de sociale onderneming. Sommige kennen deze status vanaf de oprichting (Triodosbank en in zekere zin ook de Rabobank), anderen zijn stapsgewijs in sociale richting geëvolueerd (Volksbank, Aliander). In het onderzoek wordt dit het hybridiseringsproces genoemd. Niettemin beschouwen al deze ondernemingen commercieel verantwoorde bedrijfsvoering als middel en niet als doel: De Triodosbank heeft vastgesteld wat het voor haar continuïteit minimaal wenselijke financiële resultaat is en zij streeft dat na. Is de winst hoger dan wordt deze geïnvesteerd in maatschappelijke doelen. 

Hoewel sociale ondernemingen onderling sterk verschillen, bijvoorbeeld op het vlak van control, blijken uit het onderzoek ook opmerkelijke overeenkomsten. Ze bieden meer ruimte voor entrepreneurship, leidinggevenden zijn eerder coachend dan directief, ze werken vaak met zelfsturende teams, er is veel aandacht voor diversiteit en er werken naar verhouding veel mensen met een beperking. Helaas geeft het onderzoek geen informatie over beloning van het topmanagement. 

Er zou best wel wat meer maatschappelijke druk uitgeoefend kunnen worden op bedrijven om stappen te zetten richting sociaal ondernemen.

Vakbonden zouden zich er eens in kunnen verdiepen, consumentenorganisaties kunnen deze bedrijven in het zonnetje zetten, de overheid zou bij voorkeur met dit type bedrijven zaken kunnen doen, banken kunnen voor gunstige financiering zorgen en ‘wij’ zouden er klant of aandeelhouder van kunnen worden.

Enkele benefit corporations

[1]Zie hier een overzicht van alle benefit corporations: http://benefitcorp.net/businesses/find-a-benefit-corp

[2]Zie voor het verschil tussen ‘benefit corporation’ en ‘certified B-corps’: http://benefitcorp.net/businesses/benefit-corporations-and-certified-b-corps

[3]https://www.businessinsider.nl/danone-planning-to-be-worlds-largest-benefit-corporation-2018-10/?international=true&r=US

[4]OECD/EU (2019), Boosting Social Entrepreneurship and Social Enterprise Development in the Netherlands, In-depth Policy ReviewOECD LEED Working Papers, 2019, OECD Publishing, Paris: https://www.oecd-ilibrary.org/docserver/4e8501b8-en.pdf?expires=1550830975&id=id&accname=guest&checksum=305CA6EEFD03AA3DB0B6B82AB9B73E05

[5]Karen Maas, Carly Relou, Tasneem Sadiq, Mark Hillen, Rob van Tulder: Sociaal ondernemen. Uitgave: Uitgeverij Koninklijke Van Gorcum, Assen 2018.

De smart city voorbij: Uitdagingen voor een humane stad

De wens smart city te zijn roept tegenstrijdige gevoelens op: Verzet, als technologiebedrijven steden zien als een dankbaar afzetgebied voor sensoren en andere hardware, besturingssoftware en als een onuitputtelijke bron van data. Instemming, als technologie zorgvuldig wordt ingezet ten bate van de bevolking.

In de afgelopen jaren heb ik herhaaldelijk laten merken weinig op te hebben met steden die zich prominent als smart city profileren[1]: Een middel dat tot doel wordt verheven. In plaats daarvan pleit ik voor de humane (of inclusieve) stad. Het gaat daarbij om vier kernwaarden, die elkaar wederkerig beïnvloeden. Deze kernwaarden zijn:

Duurzame welvaart:

Veel mensen vinden het plezierig om werk en voldoende inkomen te hebben totdat ze zich realiseren dat dit inkomen deels het gevolg is van roofbouw op de aarde en op medemensen.

Vandaar:

  • Welvaartsgroei binnen een circulaire en op solidariteit gerichte economie.
  • Mogelijkheid om op zinvolle wijze bij te dragen aan en zeggenschap te hebben over de productie van goederen en diensten.

Rechtvaardigheid en democratie:

Een gevoel van rechtvaardigheid is onlosmakelijk verbonden aan de manier waarop we met anderen samenleven en als vrije burger in staat zijn daar invloed op te kunnen uitoefenen.

Vandaar:

  • Eerlijke beloning.
  • Reële politieke invloed
  • Medezeggenschap over de eigen leef- en werkomgeving.
  • Vrijheid en veiligheid

Welzijn en leefbaarheid:

Naast werk, inkomen is het plezierig om te beschikken over een reeks voorzieningen zoals huisvesting, onderwijs, zorg, winkels en vervoer.  Maar uiteindelijk gaat het erom dat deze voorzieningen bijdragen aan ons welzijn en daarmee helpen – samen met anderen – gelukkig te zijn. 

Vandaar:

  • Een gezonde en leefbare omgeving voor alle burgers.
  • Voorzieningen die bijdragen aan ontplooiing en daarmee meer bieden dan bevrediging van materiële behoeften.
  • Aantrekkelijke vervoersmogelijkheden.

Hieronder volgt een beschrijving van de viernkernwaarden, de stedelijke uitdagingennen de bijbehorende activiteiten

Digitale technologie:

Basaal gaat hier om alle stadsbewoners te laten delen in de mogelijkheden van (digitale) (communicatie) technologie. Maar meer dan dat, gaat het om de realisering van de bijdrage van digitale technologie aan de belangen van de burgers.

Vandaar:

  • Een veilig en snel internet
  • De beschikbaarheid van faciliteiten, diensten en data die het leven vergemakkelijken en de participatie in de samenleving verdiepen. 
  • Zeggenschap over de verspreiding van persoonlijke gegevens  

De belangrijkste vraag is hoe deze vier kernwaarden in samenhang gerealiseerd kunnen worden. 

Stedelijke uitdagingen en activiteiten

De figuur hieronder bevat in essentie het antwoord. De vier kernwaarden geven richting aan de activiteiten die een stedelijk bestuur, samen met bedrijven, instellingen en bewoners, kan uitvoeren. Dit leidt tot 20 clusters (A t/m T), die ik stedelijke uitdagingen noem. In elk van deze uitdagingen speelt één kernwaarde een dominante maar niet exclusieve rol. 

Elke uitdaging bestaat uit een aantal activiteiten. Ik beschrijf deze hierna. Bij een aantal activiteiten geef ik voorbeelden van de ondersteunende rol van digitale technologie. 

Bij de beschrijving van de stedelijke uitdagingen is een groot aantal bronnen gebruikt. Aan het einde van dit essay beschrijf ik enkele daarvan.

Duurzame welvaart

Hieronder komen vijf uitdagingen aan de orde waarbij duurzame welvaart centraal staat:

(A) Economische activiteiten komen ten goede aan alle bewoners en gaan niet ten koste van de welvaart van toekomstige generaties en van mensen elders ter wereld.

(B) De ontwikkeling van ondernemerschap in het bijzonder van innovatieve en maatschappelijke bedrijven.

(C) De beëindiging van de uitstoot van CO2op de kortst mogelijke termijn.

(D) Hergebruik van alle grondstoffen. 

(E) Bewoners voorbereiden op en behoeden voor (natuur)rampen.

Elke uitdaging wordt beschreven aan de hand van een aantal activiteiten. Waar mogelijk zijn deze voorzien van voorbeelden van digitale hulpmiddelen.

De United Nations Global Goals vormen een volledig overzicht van de voorwaarden voor verantwoorde groei.

A. Economische activiteiten komen ten goede aan alle bewoners en gaan niet ten koste van de welvaart van toekomstige generaties en van mensen elders ter wereld.

  • Streven naar volledige en volwaardige werkgelegenheid door bedrijven en instellingen en een minimumbeloning die werknemers in staat stelt om op volwaardige wijze aan de samenleving deel te nemen.
  • Zorgdragen voor een breed aanbod van scholingsmogelijkheden, samen met kennisinstellingen en bedrijven, waarbij zowel beroepsvaardigheden als brede ontplooiing tot hun recht komen.
Gepersonaliseerd onderwijs op basis van persoonlijke gegevens over
leerdoelen en reeds verworven kennis.
College for America van de Southern New Hampshire University
(60.000studenten). 
Western Governors University (70.000 studenten).
http://www.christenseninstitute.org/wp-content/uploads/2017/02/College-transformed.pdf 
  • Voortbrengen van de best mogelijke producten en diensten. Dit geldt ook voor de gemeentelijke overheid zelf.
Digitalisering van procesautomatisering.
CityGrowth  https://citygro.ws/
Tomi  https://tomiworld.com/ 

B. De ontwikkeling van ondernemerschap in het bijzonder van innovatieve en maatschappelijke bedrijven.

  • Beschikbaar stellen van volop ruimte voor startups, inclusief incubators en andere vormen van ondersteuning.
Overzicht van bedrijven die inmiddels de status van maatschappelijke onderneming hebben.
  • Verlenen van faciliteiten op het gebied van huisvesting, energie, personeel en overheidscontracten aan bedrijven die bewust de status van maatschappelijke onderneming (B-corporation) kiezen.
  • Aangaan van onderlinge samenwerking door bedrijven en (kennis)instellingen.
Plaatselijke platforms die samenwerking tussen bedrijven en instellingenondersteunen.
New Makeit http://www.newmakeit.com/ 

C. De beëindiging van de uitstoot van COop de kortst mogelijke termijn.

  • Zo snel mogelijk overgaan op veilige alternatieven voor koolstofhoudende brand- en grondstoffen door gemeentelijke overheid, bedrijven en instellingen. Dit geldt voor de hele supply-chain.
  • (Ver)bouwen van energie-neutrale huizen en gebouwen.
  • Aandringen op een afdoende belasting van CO2-uitstoot.
In Nederland geproduceerde elektrische bus. Foto: VDL
  • Aanleg van smart gridsvoor een soepele afstemming van grootschalige en kleinschalige energievoorziening.
Software ter ondersteuning van smart grid technologie.
Envelio Intelligent Grid Platform (IGP)  http://envelio.com/ 

Automatische aanpassing van prijs voor elektriciteit om vraag in piek- en dalperioden te beïnvloeden.
City-zen: smart grid in Amsterdam Nieuw West 
http://www.cityzen-smartcity.eu/end-2-end-smartification/ 
  • Hergebruik van alle grondstoffen. 

D. Hoogwaardig hergebruiken van alle (bouw)materialen

  • Stimuleren van kleinschalige faciliteiten voor delen en verkoop van gebruikte spullen mede door deze te repareren en schoon te maken.
  • Mogelijk maken van drastische afname van de hoeveelheid afval als gevolg van circulair gebruik van materialen en producten en het delen van goederen. Het feit dat steeds meer goederen worden aangeboden als dienst draagt hieraan bij.
Digitale verrekening van afvalverwijdering, inclusief feedback aan
gebruikers.
SmartUp Cities  https://www.smartupcities.com/ 

Sensoren bepalen of vuilcontainers vol zijn en programma optimaliseert vervolgens de route voor ophalen van vuilnis.
GreenQ’s  https://greenq.gq/ 
Afvalverwerker nabij Oberhausen (Duitsland). Foto Michiel Verkeek (licentie via Creative Commons)

E. Voorkomen van en voorbereiden op (natuur)rampen.

  • Toezien op de kwaliteit van dammen, dijken, waterkeringen en bruggen.
  • Nauwgezet bijhouden van de invloed van activiteiten binnen de gemeentegrenzen op de omliggende (kwetsbare) natuur.
  • Beperking van risico’s voortvloeiend uit luchtvaart, industriële activiteiten, wegen en spoorwegen, samen met andere overheden
Bekorting van de tijd die nodig is voor hulpverleners om de plaats des
onheils te bereiken.
Fire plan  http://www.fireplan.de/de/startseite.html 
  • Gebruik van sensoren en kunstmatige intelligentie om op de dreiging van natuurrampen te anticiperen.
Alerts voor naderende natuurrampen, zoals orkanen, aardbevingen,
overstromingen en bosbranden.
Smart Rainfall System http://www.artys.it/ 
  • Voorbereiden van burgers en hulpverlenende instanties op mogelijke (natuurrampen)
De rol van het leger bij verhoging van de weerbaarheid tegen (natuur)rampen. Foto VS corps mariniers (publieke domein)

Rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid

Hieronder komen vijf uitdagingen aan de orde waarbij rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid centraal staan:

(F) Gelijktijdig versterken van sociale cohesie en diversiteit.

(G) Funderen van de legitimiteit van het bestuur op draagvlak bij de bevolking. 

(H) Mogelijk maken van directe deelname van grote groepen burgers aan de besluitvorming.

(I) Bewoners spelen een belangrijke rol bij de inrichting van de leefruimte. 

(J) De stad is in alle opzichten een veilige plaats om te leven en te werken.

Elke uitdaging wordt beschreven aan de hand van een aantal activiteiten. Waar mogelijk bevatten deze voorbeelden van digitale hulpmiddelen.

De mens: autonoom en sociaal. Foto: Pixabay

F. Gelijktijdig versterken van sociale cohesie en diversiteit.

  • Veiligstellen van de gewenste mate van autonomie voor haar burgers en de daarmee samenhangende diversiteit van uitingsvormen, zo lang deze geen bedreiging vormt voor het samenleven van alle betrokkenen.
  • Als uitgangspunt hanteren van zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid van burgers én deze daartoe in staat te stellen. Tegelijkertijd is er ‘bijstand’ voor degenen die hiertoe (tijdelijk) niet in staat zijn.
Online platform voor de oplossing van conflicten van beperkte omvang
in plaats van een beroep te doen op de rechter.
Matterhorn  https://getmatterhorn.com/ 

G.Funderen van de legitimiteit van het bestuur op draagvlak bij de bevolking. 

  • Concretiseren van beleid in een beperkt aantal samenhangende plannen. Deze geven de richting voor de lange termijn, monden uit in actieplannen voor de korte termijn en worden jaarlijks aangepast.
  • Totstandbrenging van hechte samenwerking tussen medewerkers van de gemeente en externe partijen bij de uitvoering en zo detaillering van plannen.

H. Mogelijk maken van directe deelname van grote groepen burgers aan de besluitvorming. 

  • Kennisnemen van opvattingen in de samenleving, de politiek en bij medewerkers van de gemeente bij de ontwikkeling van plannen. 
Directe democratie bij plaatselijke besluitvorming. Foto: Gemeente Appenzell (Zwitserland). (Licentie via Creative Commons)
  • In staat stellen van maatschappelijke groepen, buurt- en wijkbewoners om zelf bepaalde taken.
Toepassingen die betrokkenheid van burgers bij het openbaar bestuur
mogelijk maken, variërend van melding van defecte straatverlichting en stellingname inzake politieke beslissingen onder andere met betrekking
tot de begroting.
Mi Ciudad https://goo.gl/BGaNxF 
  • Toepassing van methoden als participative budgetting(stemmen over de besteding van een deel van het budget) en deliberative polling(zich uitspreken over onderdelen van beleid) 
  • Inzetten van digitale hulpmiddelen om een grote groep burgers te horen.
Simulaties van werkelijkheid, gebaseerd op actuele en historische data
om realistische reacties te verkrijgen.
The Digital Twin https://goo.gl/LV8Q72 

I. Bewoners spelen een belangrijke rol bij de inrichting van de leefruimte. 

  • Toekennen van een belangrijke rol aan (toekomstige) bewoners bij het ontwerp van nieuwe wijken en de inrichting daarvan.
‘Commoning’ Foto: Kathryn Greenhill (licensie via Creatice Commons)
  • Faciliteren van gemeenschapsactiviteiten in alle buurten en wijken, ook als dat gepaard gaat met een zekere ‘rommeligheid’.
Plaatselijke platformen waarmee buurtbewoners onderling contact
kunnen zoeken.
Mijnbuurhttps://www.mijnbuur.nl/
Eventz.today City Platform  https://www.eventz.international/ 
  • Bevorderen en ondersteunen van buurtgebonden energiecoöperaties. 
Van oudsher levert de brandweer een belangrijke bijdrage aan de veiligheid van de burgers. Foto: Amsterdams brandweercorps 1908

J. De stad is in alle opzichten een veilige plaats om te leven en te werken.

  • Voorwaarden scheppen dat burgers zich veilig voelen en veilig zijn, ongeacht hun leeftijd, etnische en religieuze achtergrond en seksuele geaardheid.
  • Hanteren van veiligheid als belangrijkste uitgangspunt voor verkeersbeleid, onder meer door verantwoordel weggebruik, scheiden van verkeerssoorten en aanpassing van de snelheid. 
  • Gebruik van digitale hulpmiddelen, data en kunstmatige intelligentie door handhavingsinstanties met inachtneming van de wetgeving inzake privacy.
 Voorspellen van tijden en plaatsen waar misdaden zullen plaatsvinden met grote precisie door analyse van big data, inclusief monitoren sociale media). 
CrimeRadar https://rio.crimeradar.org 

Welzijn en leefbaarheid

Hieronder komen de zes stedelijke uitdagingen aan de orde die bijdragen aan welzijn en leefbaarheid.

(K) Steden zijn een gezonde plaats om te leven.

(L) Diversiteit aan betaalbare woonmogelijkheden, verspreid over het gehele stedelijke gebied. 

(M) Menging van functies over het gehele stedelijke gebied. 

(N) De aantrekkelijkheid van centra en subcentra voor wonen, winkelen, werken en recreëren.

(O) Ontwikkeling van stedelijk vervoer in samenhang met verbeteren van leefbaarheid. 

(P) Beschikbaarheid van aantrekkelijke vervoersoplossingen als alternatief voor gebruik van een eigen auto. 

Elke uitdaging wordt beschreven aan de hand van een aantal activiteiten. Waar mogelijk voorzien van voorbeelden van beschikbare digitale hulpmiddelen.

K. Steden zijn een gezonde plaats om te leven.

  • Voorzien in veel groen, verdeeld over grote en kleine parken, maar ook door middel van beplanting van straten en ‘tiny woods’.
  • Meten, beperken en doen verdwijnen van de uitstoot van schadelijke stoffen door bedrijven en autoverkeer.
 Sensoren om de aard en de hoeveelheid schadelijke stoffen in de lucht te meten en via een gedetailleerde kaart zichtbaar te maken.
Polisensio https://polisens.io/ 
  • Zorg dragen voor de beschikbaarheid van hoogwaardige voorzieningen op het gebied van gezondheidszorg, bestaande uit zelfzorg, eerste- en tweedelijnsvoorzieningen.
Op afstand bewaken van gezondheidsgegevens van patiënten en op basis van uitgebreide gegevens adviseren inzake gedrag en medicatie.
Personal Health Record OS(phrOS) https://phros.io/ 
  • Garanderen van kwalitatief goed drinkwater en ontwikkelen van afzonderlijk netwerk voor verbruikswater.
Op afstand toezichthouden op de kwaliteit van (drink)waterleiding met
behulp van sensors en van de waterdruk, mede om lekkages op te sporen en te kunnen verhelpen.
LeakNet  https://www.quensus.com/ 
  • Opname van rioleringsstelsel in kringloop.
Rioleringssysteem dat ‘zwart water’ plaatselijk verwerkt met het oog op
de terugwinning van energie en mineralen.
Neighborhood bio refinery project http://www.cityzen-smartcity.eu/neighbourhood-bio-refinery-producing-nutrients-and-heat-from-waste/ 
  • Verwerven van meer inzicht in de rechtstreekse relatie tussen de inrichting van de leefomgeving en het welzijn en geluk van de bevolking.
 Weergave van het ervaren niveau van welbevinden en hulpmiddelen om dit te verbeteren op basis van data met betrekking tot gezin en vrienden, thuis, vrije tijd, professionele ontwikkeling, liefde en geld.
HappinessPlay https://www.happinessplay.com/ 
Bouw van betaalbare huizen in het Verenigd Koninkrijk. Foto: Sebastian Ballard (licentie via Creative Commons)


L. Diversiteit aan betaalbare woonmogelijkheden, verspreid over het gehele stedelijke gebied. 

  • Verplicht stellen dat woningen uitsluitend en nagenoeg het gehele jaar worden bewoond door de eigenaar of de huurder om betaalbaarheid te bevorderen en speculatie tegen te gaan.
  • In het kader van een bouwvergunning, maken van bindende afspraken over de bandbreedtes waarbinnen de huur en de verkoopprijs zich binnen een reeks van jaren mogen ontwikkelen.
  • Realiseren van een aantrekkelijke leefomgeving voor alle te bouwen en te renoveren woningen, bijvoorbeeld speelgelegenheid en groen op loopafstand en winkelvoorzieningen fietsafstand).
  • Voorkomen van dominantie op wijkniveau van één bepaald type woningen, noch qua bouwwijze (hoog- versus laagbouw) noch qua sociale stratificatie.
  • Experimenteren met duurzame houtbouw, flexibele modulaire gebouwen, aanleg van ondergrondse tunnels voor aan- en afvoer en andere bouwkundige innovaties. 
  • Stellen van eisen op het gebied van isolatie, energieverbruik en duurzaamheid bij nieuwbouw en renovatie.

M. Menging van functies over het gehele stedelijke gebied.

  • Ontwikkeling van steden concentreren binnen de ruimte die thans beschikbaar is om zo de directe omgeving te ontzien. Dit betekent maximaal benutten van de mogelijkheden om te verdichten met behoud en versterking van de kwaliteit van de openbare ruimte.
  • Vermijden van concentratie van winkels en bedrijven die meer toestroom van auto’s opwekken dan het bestaande wegennet kan verwerken. 
  • Versterken van de banden met het omliggende platteland, door dit sterker te betrekken bij de levering van voedingsmiddelen en energie.
Las Vegas: Enkelvoudig gebruik van de grond vermindert de leefbaarheid. Foto: Pixabay.


N. De aantrekkelijkheid van centra en subcentra voor wonen, winkelen, werken en recreëren.

  • Verschuiven van het primaat van het autoverkeer naar een dominante rol voor voetgangers, fietsers, openbaar en andere vormen van gedeeld vervoer.
  • Versterken van een hoogwaardige verblijfsfunctie door samenwerking tussen architecten, kunstenaars en burgers.
  • Behoud van erfgoed en ruimte bieden voor kunst, parken en bijzondere architectuur. 
  • Voorkomen van hinderlijke dominantie van enkele functies, zoals toerisme en grootschalige evenementen.
  • Versterken van de woonfunctie, in het bijzonder door de aanwezigheid van betaalbare woningen voor hen die graag in (sub)centra wonen.
  • Vermijden van de bouw van speculatieobjecten. 
  • Beperken van zowel oppervlak als huurprijs van winkelvoorzieningen in verband met de groei van ‘Internet shoppen’.
Impressie van een centrumstraat met gemengd gebruik van de grond. Quayside Toronto. Foto Sidewalk Labs


O. Ontwikkeling van stedelijk vervoer als onderdeel van een leefbaar stadsmilieu. 

  • Hanteren van prijsmechanisme om de keuze van vervoermiddelen te stimuleren dan wel te ontmoedigen.
  • Afbouwen van mogelijkheid om te parkeren voor de deur, in het bijzonder in stedelijke gebieden met een dichte bebouwing. 
  • Scheiden van verkeerssoorten. Waar dat niet kan, passen snellere verkeersdeelnemers hun gedrag aan degenen die zich langzamer bewegen aan. 
  • Dynamisch verkeersregulatiesysteem om veiligheid te vergroten en lawaai en uitstoot van CO2te verminderen.
 Verbetering van de doorstroming van het verkeer met behulp van
verkeerslichten en regulering van de snelheid evenals het reguleren van
voorrang voor hulpdiensten en openbaar vervoer
Lublin Traffic Management System https://goo.gl/W69ewW 

Intelligente navigatiesystemen die op real-time basis filevorming
doorgeven en alternatieven berekenen en tevens naar een beschikbare
parkeerplaats kunnen verwijzen in de buurt van de gekozen bestemmingWaze https://goo.gl/Ftoi2B 

P. Beschikbaarheid van aantrekkelijke vervoersoplossingen als alternatief voor gebruik van een eigen auto 

  • Zichtbaar maken van alle beschikbare vervoersopties tussen twee punten met behulp van een real-time informatiesysteem, inclusief vertrektijden en duur van de reis en mogelijkheden om vervoersopties te reserveren en te betalen.
Directe informatie over prijzen, tijden en beschikbaarheid van alle
beschikbare vormen van vervoer en waarmee gebruikers deze tevens
kunnen betalen.
Moovel https://www.moovel-transit.com/
Citymapper https://citymapper.com/ 
  • Voorzien in gerieflijk, schoon, betaalbaar en veilig massatransport om op efficiënte wijze grote reizigersstromen te accommoderen.
  • Voorzien in micro-transit in minder druk bevolkte delen van het stedelijke gebied en het aanpalende platteland.
Vraag-gestuurde vormen van micro-transit met vaste routen en/of vaste
halten, dan wel door bewoners georganiseerd gezamenlijk transport met bijbehorend reserveringssysteem met behulp van smart phone. 
GoKid https://gokid.mobi/ 
e-steps een vertrouwd gezicht in de VS, maar niet altijd even geliefd.
  • Mogelijk maken van (gedeeld) vervoer naar elke bestemming op elk gewenst tijdstip.
  • Reguleren en faciliteren van deelfietsen en –steps.
Op elk moment kunnen oproepen van een (gedeeld) vervoersmiddel
(taxi, minibus) waardoor tevens de capaciteit van de beschikbare
transportmiddelen kan worden geoptimaliseerd.
Shotl https://shotl.com/ 
Software voor gebruikers en exploitanten van fietsen of steps met of
zonder dock.
Mobilock https://www.mobilock.nl/ 

Digitale technologie

Hierna komen de vier uitdagingen aan de orde waarin digitale technologie een centrale rol speelt.

(Q) De aanwezigheid voor alle burgers van mogelijkheden tot digitale communicatie.

(R) Zorgdragen voor veilig Internet.

(S) Datamanagement.

(T) Bescherming privacy.

Elke uitdaging wordt beschreven aan de hand van een aantal activiteiten. Waar mogelijk bevatten deze voorbeelden van digitale hulpmiddelen.

Jongeren zijn in het algemeen rijk voorzien van middelen om te communiceren, in elk geval digitaal. Foto auteur.

Q. De aanwezigheid voor alle burgers van mogelijkheden tot digitale communicatie.

  • De voor snel internet vereiste (kabel)voorzieningen horen tot de openbare infrastructuur en staan ter beschikking aan verschillende aanbieders.
  • Steden beschikken over een chief technology officerdie handelend vanuit de belangen van burgers een interface vormt tussen het gemeentebestuur en technologiebedrijven die hun diensten aanbieden.
  • Gemeenten voeren een actief beleid om zinvolle vormen van digitalisering, kunstmatige intelligentie en automatisering te stimuleren, gepaard aan uitbreiding van persoonsgebonden dienstverlening om zodoende gevarieerde en uitdagende werkgelegenheid in stand te houden.
  • Toestaan van autonome voertuigen is gerelateerd aan de beschikbaarheid van zinvolle banen voor voormalige professionele chauffeurs. Technologiebedrijven hebben hier een eigen verantwoordelijkheid.

R. Zorgdragen voor veilig Internet

  • Alle apparatuur die aan het Internet wordt verbonden heeft een speciaal cyberkeurmerk dat een vast te stellen niveau van beveiliging garandeert.
  • Aanbieders van (openbare) wifi zijn verantwoordelijk voor de veiligheid van het gebruik daarvan.
  • Bedrijven en organisaties die nalatig zijn op de bescherming van hun hardware, software en data kunnen aansprakelijk worden gesteld voor de schade die internetcriminelen bij derden veroorzaken.
  • Bestrijden en voorkomen van cybercriminaliteit heeft hoge prioriteit.

S. Datamanagement

  • Gebruiken van open source software om ‘lock in’ te voorkomen door afhankelijkheid van leveranciers. 
  • Uitsluitend samenwerken met bedrijven die de regels op het gebied van datagebruik en transparantie van software onderschrijven. 
Regelgeving met betrekking tot gebruik van data.
TADA, manifest voor datagebruik www.tada.city 

Integratieve software om verschillende applicaties en hardware-
toepassingen af te stemmen.
The Living PlanIT UOS http://www.living-planit.com/ 
Gezichtsherkenning: Waar begin ten eindigt privacy? Foto Pixabay


T. Bescherming privacy

  • Nalaten van onnodig bespieden van burgers en waarborgen van hun privacy (‘privacy by default’)
Eigenlijk gebruik van software veiligstellen, beschermen van
persoonlijke informatie tegen ongewenst gebruik door indringers en
garanderen privacy. 
DECODE   https://decodeproject.eu/ 
  • Bezit van zeggenschap van burgers over eigen data en verbod op ongevraagd verzamelen (‘mining’) van data.
  • Openbaar maken van data verzameld door sensoren in de openbare ruimte.
De verzameling en openbaarmaking van gegevens die met sensoren zijn verzameld ten behoeve van burgers, bedrijven en instellingen.
DataBroker https://databrokerdao.com/ 
  • Toegang voor alle burgers tot de gegevens die overheden, bedrijven en instellingen over hen verzamelen
De beschikbaarheid van gegevens over de publieke ruimte.
data.amsterdam.nl https://data.amsterdam.nl/
CitySDKhttps://citysdk.waag.org/ 
  • Het ongeoorloofd gebruik van data over burgers en bedrijven is strafbaar, voor zover de wet dit niet anders regelt.

Enkele bronnen

Bij de beschrijving van de stedelijke uitdagingen is een groot aantal bronnen gebruikt. Ik noem er enkele: 

  • Het VN-rapport New Urban Agenda, Habitat 3[2]en de omgevingswet en alle discussie eromheen[3], in het bijzonder het ‘Kabinetsperspectief Nationale Omgevingsvisie[4]. Beide bronnen geven een beeld van te verwachten en wenselijke ontwikkelingen van de stedelijke omgeving. 
  • De recente studie van McKinsey: Smart Cities: Digital solutions for a more livable future[5]en de publicatie Smart & leefbaarvan de Future City Foundation[6]. Beide beschrijven hoe digitale connectiviteit de overige kernwaarden kan ondersteunen. De Smart city solution databasebevat honderden concrete voorbeelden daarvan[7]. Het rapport Data driven cities[8]van het World Economic Forum biedt aansprekende voorbeelden van datagebruik.
  • Het WRR-rapport Vertrouwen in burgers(2012)[9]biedt uitdagende aanknopingspunten om de het democratisch gehalte van de stad verder te ontwikkelen. 
  • Voor de ontwikkeling van de leefbaarheid van steden in de VS is de website Smart Growth America[10]van betekenis. De website Participatory City[11]geeft een inspirerend inzicht in de manier waarop samenwerking op buurtniveau kan leiden tot verbetering van de leefbaarheid.

[1]Zie bijvoorbeeld ‘De smart city idee’, een e-boek met 24 opstellen over smart cities. Je kunt dit hier gratis downloaden: https://www.dropbox.com/s/k03uilw32un3mp0/2018%2008%2025%20De%20smart%20city%20idee.pdf

[2]http://habitat3.org/wp-content/uploads/NUA-English.pdf

[3]https://www.omgevingswetportaal.nl/wet-en-regelgeving/voortgang-wet–en-regelgeving

[4]https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/omgevingswet/documenten/rapporten/2018/10/05/kabinetsperspectief-novi

[5]https://www.mckinsey.com/~/media/mckinsey/industries/capital%20projects%20and%20infrastructure/our%20insights/smart%20cities%20digital%20solutions%20for%20a%20more%20livable%20future/mgi-smart-cities-full-report.ashx

[6]http://future-city.nl/wp-content/uploads/smartenleefbaar.pdf

[7]https://www.beesmart.city

[8]http://www3.weforum.org/docs/Top20_Global_Data_Stories_report_2017.pdf

[9]http://www.wrr.nl/actueel/nieuwsbericht/article/vertrouwen-in-burgers-1/

[10]https://smartgrowthamerica.org

[11]http://www.participatorycity.org

Het innovatiespook

Onlangs is de Global Innovation Index 2016 verschenen. Ik leg uit dat het instrument niet valide is, weinig zegt over innovatie en onbruikbaar is voor beleid.

In verschillende blogposts, zoals Stop de innovatiegekte[1], Vooruit en achteruit innoveren[2] en Niet innovatie maar missie bepaalt of bedrijven zullen overleven[3] heb ik mij kritisch uitgelaten over innovatie. Ik zie overigens het belang van de ontwikkeling van nieuwe of verbeterde goederen terdege in. In deze blogpost sta ik – ook niet voor het eerst – stil bij innovatieratings. Dit naar aanleiding van de publicatie van de Global Innovation Index 2016[4]. De validiteit van deze en soortgelijke ratings is naar mijn mening vrijwel nihil; ze verklaren niets en ze zijn ongeschikt als basis voor beleid.

images-2

In de Achterhoek wordt soms met enige huiver over ‘witte wieven’ gesproken. Dat zijn flarden grondmist, waarin onze voorouders spoken zagen. Innovatieratings lijken daarop: Ze zijn niet wat je denkt. Je denkt dat je met innovatie te maken hebt, maar het gaat om iets anders.

Innovation is …..the implementation of a new or significantly improved product (good or service), a new process, a new marketing method or a new organizational method in business practices, workplace organization, or external relations[5].

Echter, zo stellen de makers van de Global Innovation Index, gegevens om deze definitie op het niveau van landen te operationaliseren ontbreken. Jammer, denk je dan. Dan maar geen rating. In plaats daarvan gebruiken de makers gegevens over ‘het klimaat’ waarin innovatie gedijt en ‘de infrastructuur’ die voor innovatie nodig is. In totaal ruim 80 variabelen, die geordend zijn in een aantal pijlers en sub-pijlers (Zie de onderstaande figuur).

screenshot-2

Het manco van deze werkwijze is dat voor elke variabele wel een relatie met innovatie te bedenken is. Zo’n relatie kan echter net zo goed worden beredeneerd tussen elk van deze variabelen en concurrentiekracht, groeipotentieel of zelfs welzijn. Het is niet toevallig dat een andere prestigieuze rating, de Global Competitiveness Index 2015 – 2016[6] deels dezelfde variabelen gebruikt, maar dan als indicatoren van de concurrentiekracht van landen. Maar hoe die beïnvloeding precies gaat, hoe de variabelen op elkaar inwerken, en welke het meeste gewicht in de schaal leggen, blijft buiten beschouwing. De innovatierating zegt nog het meest over de welvaart van landen. Uit onderstaande figuur blijkt dat de innovatie-indices sterke samenhang vertonen met het bruto nationaal product. Dat ligt voor de hand: Hoe welvarender een land is, hoe meer middelen er zijn om nieuwe producten en diensten te ontwikkelen en deze leiden op hun beurt weer tot toename van de welvaart.

screenshot

Een opvallende uitzondering op de regel dat innovatie-indices en welvaart nauw samenhangen is China. Dit land is opgeklommen naar de 25ste plaats van de index, terwijl het tot de landen met een hoger-middeninkomen behoort. Alle andere landen op de plaatsen 1 – 34 behoren tot de hoogste inkomensgroep. China heeft deze hoge score te danken aan de omvang van leningen aan de private sector (een bedenkelijk gegeven!), de hoeveelheid verhandelde aandelen, de omvang van de thuismarkt, de investeringen in R&D, de import en export van technisch-geavanceerde producten (niet noodzakelijkerwijs innovatief, denk aan de export naar Afrika) en de hoeveelheid in eigen land geregistreerde patenten. Niet onmiddellijk zaken waaraan je denkt bij innovatie.

Een ander voorbeeld is Nederland. Dit land neemt de 9de plaats in. Vorig jaar was dat nog de 4de plaats. De teruggang komt vooral doordat een aantal nieuwe indicatoren nadelig voor Nederland  uitpakt. Deze plaats is toe te schrijven aan hoge scores op de volgende indicatoren: De effectiviteit van onze overheid, de naleving van de wet, de efficiëntie van transport en vervoer, het grote aantal domeinregistraties, het aantal uploads op youtube (sic), de kennisintensieve werkgelegenheid (hiertoe behoren managers, ambtenaren en alle vormen van professionals), de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven en de rol van ICT bij nieuwe business- en organisatiemodellen. Typerend voor een postindustriële samenleving, maar ook weer niet hetzelfde als innovatie.

Het bezwaar tegen het rapport is dat het innovatieve karakter van een land gelijk wordt gesteld aan de optelsom van scores op een reeks indicatoren van uiteenlopende aard, waarvan de keuze niet nader wordt beredeneerd. De processen die schuilgaan achter de score van China zijn echter van totaal andere aard dan die achter de score van Nederland en dat geldt voor alle landen. De enige zekerheid is dat hoe welvarender een land is, hoe hoger de score.

Wie door de bossen in de Achterhoek loopt en witte flarden ziet, twijfelt er niet aan dat het mist is. Wie innovatieratings ziet, doet er verstandig aan hetzelfde te doen.

[1] 14 november 2013: http://wp.me/p32hqY-61

[2] 5 maart 2015: http://wp.me/p32hqY-bs

[3] 25 februari 2016: http://wp.me/p32hqY-sA

[4] De ‘Global innivation index 2016’ kan hier ingezien of gewownload worden: https://www.globalinnovationindex.org/gii-2016-report

[5] Gangbare definitie ontleend aan de Oslo Manual, die ook de makers van de Global Innovation Index gebruiken.

[6] Bekijken en downloaden: http://reports.weforum.org/global-competitiveness-report-2015-2016/

Beter hoger onderwijs hoeft niet meer te kosten

De reflex is dat toename aantal studenten en aanbieden beter onderwijs meer geld kosten. Met een verstandige combinatie van docenten en technologie hoeft dat niet zo te zijn

Elke docent binnen het hoger onderwijs ervaart het onderwijstrilemma. Meer studenten, achterblijvende inkomsten en een roep om beter onderwijs. Deze drie gegevenheden worden onverenigbaar geacht. De VS konden dit trilemma oplossen door het collegegeld te verhogen; gemiddeld betalen studenten inmiddels $25.000 per jaar. Geld van de ouders of anders geleend[1]. Dit hoge collegegeld pakt slecht uit voor de toegankelijkheid van het onderwijs. In de VS wordt naar analogie van ons trilemma gesproken van de iron triangle: de toegankelijkheid van het onderwijs moet omhoog, de kwaliteit moet beter maar het collegegeld moet omlaag. Zowel in Nederland als de VS is de kans op veel extra geld van de overheid voor het hoger onderwijs klein. Dus het trilemma lijkt onoplosbaar.

Personen - Amade M'charekIn de VPRO tegenlicht documentaire ‘De slimme universiteit’[2] betoogt de Amsterdamse hoogleraar wetenschapsantropologie Amade M’charek dat universiteiten in honderden jaren niet zijn veranderd. Ze heeft gelijk, als je afziet van de schaalvergroting: Aan het einde van de 19de eeuw stonden hoogleraren voor zaaltjes met enkele tientallen studenten; nu kunnen er dat honderden zijn. Maar wat ze daar doen – voorlezen uit eigen werk of een interessant betoog houden – is hetzelfde gebleven. De grootste prijs van de massaliteit is dat opdrachten en werkstukken nauwelijks van feedback worden voorzien of worden nagekeken door onderwijsassistenten aan de hand van antwoordmodellen.

Volgens velen is het onderwijstrilemma daarom alleen oplosbaar is met minder studenten, acceptatie van kwaliteitsverlies of meer geld. Ik ben het daar niet mee eens. Een alternatief is het hoger onderwijs vanaf de grond opnieuw te doordenken.

De eerste stap is daartoe is teruggaan naar twee essentiële doelen van hoger onderwijs:

  1. Studenten raken vertrouwd met denkbeelden van een of meer wetenschapsgebieden.
  2. Ze leren ze deze gebruiken om complexe vraagstukken te doorgronden en mogelijk op te lossen, bijvoorbeeld door het doen van onderzoek.

Onderwijs - Frontaal onderwijsHoor- en werkcolleges, literatuurstudie en practica zijn al eeuwenlang middelen om te werken aan de eerste doelstelling. Hier staat de docent centraal. Het tweede doelstelling komt aan de orde in projecten, werkstukken, ontwerpopdrachten. Essentieel hierbij is dat studenten eigen initiatief tonen, samenwerken en grondige feedback krijgen van deskundige docenten.

Onderwijs - onderwijsinnovatie2Helaas komt de tweede doelstelling er in veel opleidingen bekaaid vanaf. De afstudeerscriptie is meestal de enige grote opdracht die studenten zelfstandig tot een goed einde moeten brengen. Ze zijn hier dan ook nauwelijks op voorbereid. Dit ligt anders als studenten al vanaf het begin van de opleiding onderzoek doen, problemen analyseren, referaten schrijven en ontwerpopdrachten maken. Bij voorkeur over realistische problemen en in aansluiting op hun eigen interesse. Alleen of in kleine groepen van hoogstens zes personen, gedurende ongeveer de helft van de beschikbare studietijd. Het leereffect is groot, maar twee tot vier uur per week feedback door ervaren onderzoekers en ontwerpers is noodzakelijk.

Onderwijs - Collegezaal2In het huidige onderwijs ontbreekt hiervoor de tijd want in wetenschappelijke opleidingen gaat onvoorstelbaar veel tijd zitten in de eerste doelstelling. Loop door een willekeurige universiteit en wat je ziet zijn docenten die in zalen van allerlei formaat het woord voeren. Kleine ruimten waar studenten projectwerk doen zijn, zie je niet of veel minder. Overdracht van informatie kan effectiever als studenten op een tijdstip dat hen uitkomt een kwalitatief hoogwaardige online presentatie volgen, hun eigen kennis achteraf toetsen en zaken die ze niet begrijpen voorleggen aan een online community. Instellingen kunnen besluiten hun online materiaal zelf te maken, maar ze kunnen beter putten uit de immense hoeveelheid ‘open educational resources’ (inclusief MOOCs) die wereldwijd beschikbaar is.

De combinatie van online informatieoverdracht en kleinschalige begeleiding leidt tot onderwijs dat schaalbaar, betaalbaar, toegankelijk en van goede kwaliteit is. Het moge duidelijk zijn dat deze aanpak tijd creëert voor docenten om zich met de tweede doelstelling bezig te houden. Hierdoor kunnen ze laten zien dat hun werkelijke betekenis ver uitstijgt boven die van the sage at the stage en dat ze inderdaad onvervangbaar zijn.

Onderwijs - flipped classroom 3

[1] De studieschuld van studenten in de VS is inmiddels opgelopen tot $1200 miljard.

[2] http://tegenlicht.vpro.nl/afleveringen/2015-2016/slimme-universiteit.html.

Niet innoveren omwille van de innovatie

Het begrip innovatie wordt te pas en te onpas gebruikt en verliest daardoor zijn betekenis

Innovatie - tweet 2De term innovatie begint me de keel uit te hangen. Of beter, de schijn van innovatie en het te pas en te onpas gebruik van de term. Marketeers hebben in menig bedrijf innovatie gegijzeld met als doel consumenten te verleiden tot de aanschaf van de nieuwste gadgets.

De nieuwe iPhone 7 is een mooi voorbeeld. Bekend is dat deze in technisch opzicht weinig nieuws zal bieden. Apple doet daarom zijn uiterste best om met veranderingen in het uiterlijk voldoende nieuwe kopers te kunnen trekken om daarmee zijn aandeelhouderswaarde op peil te houden.

Innovatie - tweet 4De hype rond innovatie neemt onzinnige proporties aan. Alleen al in het Verenigd Koninkrijk hebben bedrijven in 2014 64,7 miljard pond weggegooid aan mislukte innovatieprojecten[1]. Reken maar dat bij dat geld een hoop overheidssteun zat. Want ook voor veel politici hangt onze toekomstige welvaart af van innovatie[2]. Onzin, voor onze welvaart is het belangrijk dat we ons wereldwijd profileren met hoogwaardige producten en kennis en ons concentreren op wat de wereld écht nodig heeft.

Wat dat is, is niet zo moeilijk te bedenken. Daarom een klein gedachten-experiment:

Bedenk vijf veranderingen waardoor de wereld een betere plek wordt voor ons en onze kinderen

Dit zijn antwoorden die de meeste mensen geven:

– minder oorlog, waardoor mensen niet hoeven te vluchten;

– minder zorgen over de kwaliteit van je voeding;

– overschakelen op duurzame energie en grondstoffen;

– een betrouwbaar transportnetwerk;

– een onbezorgde oude dag;

– minder stress op mijn werk;

– een effectief middel tegen kanker.

Innovatie - EU Grand challenges
Ter vergelijking: De ‘Grand challenges’ waarvan de EU uitgaat

Innovatie - tweet 1De meesten van ons willen dat de manier waarop we met elkaar en met onze leefomgeving omgaan verandert. Stel nu dat we het in Nederland of in Europa eens worden over een lijst met de tien meest wenselijke veranderingen.

Met zo’n lijst kunnen we aan de slag gaan. Waar ontbreekt het nog aan kennis? Welke belangentegenstellingen spelen een rol? Is de politieke wil aanwezig?

Innovatie - tweet 3Zodra bekend is wat de belangrijkste omissies in onze kennis zijn, kan er gericht worden geïnvesteerd in onderzoek om de gewenste veranderingen mogelijk te maken. Overheden moeten daarbij een sturende rol vervullen; het bedrijfsleven sluit aan en benut zijn kansen.

Het woord innovatie is tot dusver niet gevallen en wie heeft het gemist? Of iets een innovatie is kan immers pas na jaren worden vastgesteld. Of de wereld er beter van wordt, dan weten we al veel eerder.

[1] Dit is 50% van hun totale innovatiebudget. PA Consulting: “Innovation As Unusual”: http://www.paconsulting.com/our-thinking/innovation-research/#form1

[2] Ook NETH-ER, het lobbykantoor namens Nederlandse kennisinstellingen in Brussel bedient zich van turbo-taal om de zegeningen van innovatie te beschrijven: http://www.neth-er.eu/nl/nieuws/Beren-op-weg-naar-innovatiesamenleving