Archief | november, 2014

Gaat ‘Open Loop Learning’ het hoger onderwijs voor volwassenen redden?

25 Nov

Het hoger onderwijs aan volwassenen neemt in Nederland een marginale positie in. Bij zijn vormgeving worden twee kardinale fouten gemaakt: Opleidingen voor volwassenen zijn ten onrechte kopieën van initiële dagopleidingen en de overheid heeft bepaald dat deeltijd studenten werkweken maken met een belasting van ongeveer de helft van ‘reguliere’ studenten. Naast het werk of andere activiteiten. Iets dat bijna niet is op te brengen.

In een initiële dagopleiding maken studenten zonder praktijkervaring kennis met een wetenschapsgebied. Ze leren een ‘taal’ om over de werkelijkheid te praten zonder die werkelijkheid te hoeven kennen. Een psychologie student kan symptomen benoemen van ernstige psychische afwijkingen maar komt zelden in aanraking met een patiënt. Een bedrijfskundestudent leert over ondernemerschap, zonder daar zelf iets mee te hoeven doen. Dit wordt niet als een probleem gezien. Afgestudeerden beschikken na hun studentenleven toch wel over de gewenste startcompetenties voor de meeste beroepen.

Voor volwassenen die een opleiding volgen, ligt dat totaal anders. Zij beschikken voorafgaand aan de studie reeds over een schat van praktijkkennis die tijdens de studie een waardevolle rol kon spelen. Dit gebeurt echter nauwelijks. In de studie staat de theorie centraal, net zoals bij voltijdse studies voor initiële studenten.

De kennissamenleving is de grote verliezer. Innovatie komt voort uit maken van verbindingen tussen theorie en praktijk, tussen exploreren en exploiteren. Een werknemer die een studie volgt, kan voor de werkgever van grote betekenis zijn. De werkgever wil hier graag tijd voor inruimen. Benutting van dit potentieel vereist een radicaal herontwerp van het hoger onderwijs voor volwassenen, waarin de relatie tussen theorie en praktijk centraal staat. Het hier te schetsen model van ‘Open Loop Learning’ is een stap in de goede richting[1].

Double Loop Learning 1In plaats dat studenten werk en studie náást elkaar doen, verrichten zij in Open Loop Learning vooral activiteiten die werken en studeren tegelijkertijd zijn. Het gaat om (onderzoek)projecten in of ten behoeve van het eigen bedrijf, alleen of met meer studenten samen. Studenten verrichten deze projecten in werktijd. De opleidende instelling zorgt voor deskundige begeleiders. Ter ondersteuning van het project verwerven studenten relevante kennis door een aantal cursussen te volgen. MOOCs of andere vormen van e-learning zijn hiervoor zeer geschikt. Het onderwijsaanbod kan verder worden verrijkt met activiteiten náást het werk: intensieve vaardigheidstrainingen, talenstudie, stages in andere bedrijven, verblijf in het buitenland et cetera.

De studie wordt gaandeweg ingevuld, mede afhankelijk van de manier waarop de interesse van de student én de behoeften van het bedrijf zich ontwikkelen. Hoe lang studenten erover doen is – binnen vast te stellen grenzen – onbelangrijk. De coach ziet er samen met de student op toe dat het totaal afgestemd is op de gegeven opleidingsdoelen. Als het werkende leven wordt voorgesteld als een lijn, dan zijn de studie-activiteiten ‘loops’ die daar afstand van nemen, maar toch ermee verbonden blijven.

Deze weg zal de waarde van studeren voor werkende volwassenen, voor hun werkgever en voor de samenleving danig vergroten. De belangstelling voor een studie zal hierdoor ongetwijfeld stijgen. Instituten die een rol willen spelen bij de opleiding van volwassenen, zullen ook forse veranderingen moeten ondergaan. Ontwerpen van cursussen en lesmateriaal moeten ze vooral niet meer zelf doen. MOOCs en andere reeds voorhanden zijnde e-learning cursussen bieden hiervoor een prima alternatief. Nodig zijn in de eerste plaats projectbegeleiders; deze dienen te beschikken over kennis van zowel theorie en praktijk. Daarnaast spelen studiecoaches een belangrijke rol.

Wie gaat de kar trekken? Verdient de naam Open Loop University die Stanford heeft gekozen voor zijn project navolging? Of wordt het toch gewoon Open Universiteit…….

[1] Het model van ‘open loop learning’ is geïnspireerd op het project Stanford 2025 ‘The Open Loop University’, een radicaal herontwerp van Stanford als ‘reguliere’ universiteit. Maar ook hier is het doel theorie en praktijk te verbinden. De instelling heeft een fascinerend webdocument gemaakt in de vorm van een terugblik vanuit het jaar 2100: http://natalie-whearley-a9si.squarespace.com/open-loop-university. De afbeelding in deze post komt ook uit dit document.

Innovatie is maakbaar

19 Nov

Het boek ‘The innovation journey” van Andrew van de Ven[1] bevat levendige beschrijvingen van het verloop van innovatie in 14 Amerikaanse bedrijven. Het zijn beelden van briljante vondsten, grillige processen, mislukkingen en voor- en tegenspoed. Wie het boek leest begrijpt dat van elke dollar die in R&D wordt geïnvesteerd – overigens niet hetzelfde als innovatie – de helft moet worden afgeschreven.

Het is niet verwonderlijk dat al decennia wordt nagedacht over verbetering van het rendement van het innovatieproces. Bekend is het stage-gate model van Cooper: Dit is ontwikkeld vanuit de gedachte dat innovatie afhangt van systematisch onderscheiden en consequent volgen van een aantal fasen. Tussen elke fase vindt een Go/No go-beslissing plaats.

Stage-gate model

De grote vraag is werkt het. De meeste auteurs zijn het erover eens dat de meeste kansen om de effectiviteit van het innovatieproces te vergroten, liggen in het eerste fase, ‘fuzzy front end’ of ‘ideation’ genoemd. Ik heb het afgelopen jaar onderzoek gedaan om erachter te komen of systematisch doorlopen van deze fase de effectiviteit van het innovatieproces vergroot. Daartoe zijn tien bedrijven bezocht, waar ik heb gesproken met een lid van de directie en de projectleider van het innovatieteam. Elk van deze bedrijven had in de periode 2007 – 2013 de VOORT innovatiemethode – ontwikkeld door Gijs van Wulfen – toegepast. Doel van het onderzoek was te achterhalen welke de kritieke succesfactoren waren en wat de impact van een met succes afgeronde ‘initiation’ fase was op het verdere verloop van het innovatieproces.

De VOORT innovatiemethode[2] is gestructureerd als een expeditie, waaraan een aantal medewerkers van de organisatie deelneemt. Er worden vijf fasen doorlopen:

In de fase van het Vertrekken wordt de opdracht vastgesteld en het team samengesteld. Hierbij speelt het management een belangrijke rol. Een goede opdracht geeft richting aan de expeditie en er kunnen randvoorwaarden worden geformuleerd. Een veel gemaakte fout is dat zo’n team zich meteen bezig gaat houden met het genereren van nieuwe ideeën en er in de kortste keren muren vol hangen met ‘geeltjes’. De afwezigheid van criteria maakt hieruit selecteren vervolgens erg lastig.

In de VOORT innovatiemethode gaan de deelnemers daarom eerst de fase van het Ontdekken in. Ze maken kennis met (potentiële) klanten en hun wensen omtrent nieuwe producten en diensten. Voor veel deelnemers aan het proces is deze fase een revelatie, omdat als klanten thuis worden opgezocht. Aan het einde van deze fase hebben de deelnemers een betere kijk op mogelijke kansrichtingen. Ook verkennen ze wat er al op de markt aan relevante producten wordt aangeboden en welke nieuwe technologieën bruikbaar zijn.

Voort ontdekkingMet deze bagage gaan de expeditieleden het proces van Ontwikkelen in. Nu kan er gebrainstormd worden en via een gefaseerd proces worden uiteindelijk12 ideerichtingen gekozen en aangescherpt. De criteria die aan het begin van het proces waren geformuleerd spelen bij de selectie daarvan een belangrijke rol.

In de fase van het Reflecteren staat onderzoek centraal naar wat potentiële klanten vinden van de ontwikkelde concepten. Dit kan gebeuren met focusgroepen of online. De 12 eerder ontwikkelde concepten kunnen aan de hand van de verkregen informatie verder worden verbeterd, waarna er een selectie wordt gemaakt van 3 – 5 concepten.

Deze worden in de fase van het Terugkeren uitgewerkt tot even zo veel ‘mini new business cases’, die aan het management worden voorgelegd ter verdere besluitvorming.

Alle onderzochte bedrijven zijn enthousiast over het VOORT innovatietraject. De eerste reden daarvoor is de kwaliteit van de ‘mini new business cases’. Degenen waarmee ik heb gesproken zijn van mening dat deze zonder de VOORT innovatiemethode niet tot stand gekomen zouden zijn. Men schrijft dit unaniem toe aan het systematische, coöperatieve en motiverende karakter van het doorlopen proces.

In de tweede plaats is men unaniem van mening dat het VOORT innovatietraject heeft geleid tot een verandering van de binnen de organisatie tegenover innovatie. Gesproken werd van een bijdrage aan de ontwikkeling van een innovatiecultuur of van een innovatie ‘mindset’. Als gevolg hiervan is innovatie hoger op de agenda komen te staan en is er veel animo om aan innovatietrajecten deel te nemen.

Er zijn ook enkele kritische kanttekeningen gemaakt over het verloop van het proces: Leden van innovatieteams hebben in enkele gevallen onvoldoende tijd besteed aan onderzoek naar klantfricties en klantwensen. Ook is er vaak na afronding van de ‘ideation’ fase, dus na beëindiging van het VOORT innovatietraject, nagelaten om aanvullend onderzoek te doen.

De ‘innovatie expeditie’ die Gijs van Wulfen in zijn boek beschrijft is gebaseerd op grondige kennis van wat er allemaal fout kan gaan zoals die te lezen zijn in Van de Ven’s boek ‘The innovation Journey’. Daarom ervaar ik beide boeken als de keerzijden van dezelfde medaille.

Het onderzoeksverslag kan hier worden gedownload.

Op donderdag 15 januari 2015 verzorgen Herman van den Bosch en Gijs van Wulfen een webinar naar aanleiding van het bovenstaande onderzoek. Gijs gaat in op de VOORT-Innovatiemethode en Herman op het onderzoek. Je kunt deelnemen aan het webinar.
Meld je hiervoor even aan. Ga daarvoor naar:
http://portal.ou.nl/en/web/masterclass-mw-150914
Klik op ‘Sign in before you register’ (aan de linkerkant van het scherm) en zet de stappen die daar worden vermeld.

[1] Van de Ven, A., Polley, D., Garud, R., Venkataraman, S (2008): The innovation journey, Oxford University Press, New York.

[2] Van Wulfen, Gijs (2012) : Nieuwe producten en diensten bedenken, versie 3.0 De VOORT innovatiemethode, Pearson, Amsterdam 2012

Leidt R&D tot innovatie?

12 Nov
Afbeelding 1

Afbeelding 1

Tussen de investeringen van een bedrijf in R&D en het innovatieve gehalte van dat bedrijf bestaat géén statistisch verband is (afbeelding 1). Evenmin is er een relatie tussen de investeringen in R&D en de financiële resultaten van bedrijven, de omzet, de winst en de aandeelhouderswaarde[1].

Mag je dan stellen dat de investeringen in R&D weggegooid geld zijn? Zeker niet; er is meer onder de zon dan innovatie. Permanente verbetering van de kwaliteit van de geleverde producten en diensten bijvoorbeeld. En ook patenten die verhandeld worden. Omgekeerd, de investeringen van Apple in de ontwikkeling van de iPhone waren relatief beperkt omdat slim gemaakt is gemaakt van bestaand onderzoek van de overheid.

Afbeelding 2

Afbeelding 2

Voor de meeste bedrijven staat de noodzaak van investeren in R&D niet ter discussie. De 1000 bedrijven met de grootste R&D uitgaven geven er wereldwijd jaarlijks $647 miljard aan uit. Dit bedrag is elk jaar toegenomen, zij het minder dan de toename van de omzet (afbeelding 2). De indruk bestaat dat in de Westerse wereld het plafond is bereikt. In China daarentegen was in 2013-2014 sprake van een spectaculaire toename van de uitgaven voor R&D met 40%

Terugblikkend op de afgelopen 10 jaar en vooruitblikkend op de toekomst is een aantal trends zichtbaar:

  1. De uitgaven voor R&D worden selectiever; bedrijven brengen onderzoek meer in lijn met hun innovatiestrategie. R&D medewerkers worden verspreid over het hele bedrijf in plaats van concentratie in speciale onderzoeksafdelingen.
  2. Bedrijven doen steeds meer onderzoek naar latente en manifeste behoeften van consumenten. Klanten en leveranciers worden dan ook steeds vaker bij het ontwikkelingswerk betrollen. R&D krijgt hierdoor steeds minder een technisch karakter. Dit geldt minder voor bedrijven die sterk op technologie zijn gebaseerd: Siemens, Bosch, maar ook Google.
  3. Bedrijven maken steeds meer gebruik van onderzoek van derden (open innovatie). Bedrijven en universiteiten werken samen in pre-competitief onderzoek. Dit gebeurt voor een deel in ‘campussen’. Het bekendste voorbeeld daarvan in Nederland is de High Tech Campus in Eindhoven.
  4. Globalisering gaat vaak samen met ontwikkeling van lokale netwerken van bedrijven en overheden. Het maximaal benutten van het ontwikkelingspotentieel van de regio speelt daarbij een belangrijke rol. Geënt op het voorbeeld van Silicon Valley zijn er in Nederland inmiddels diverse voorbeelden, waarvan Brainport het bekendste is[2].
  5. Bedrijven verwachten dat radicale innovatie in veel gevallen software- en internet-gerelateerd zal zijn en ze investeren hier steeds meer in. Dit geldt niet alleen voor bedrijven als Google, maar ook voor de automotive, aerospace en defensie-industrie. Het gaat dan om zogenaamde cross-overs, het benutten van ontwikkelingen in verschillende sectoren. In Nederland wringt dit enigszins met het topsectorenbeleid dat gericht is op afzonderlijke sectoren.
  6. Bedrijven willen graag samenwerken met wetenschappelijke onderzoekers, maar geven daarbij de voorkeur aan gespecialiseerde instituten als de Duitse ‘Freudental Institute’ en in Nederland TNO. Bedrijven zoeken ook samenwerking met universiteiten. Hierbij is een belangrijke rol weggelegd voor persoonlijke contacten met leden van in hun ogen belangrijke onderzoeksgroepen.
  7. De overheid speelt op talrijke gebieden potentieel een belangrijke rol. Het betreft dan investeren in (regionale) netwerken, mogelijk maken van gespecialiseerde onderzoeksinstituten ter versterking van ontwikkelende (regionale) netwerken (missie-gebonden onderzoek), zelf aanschaffen van innovatieve producten, versterking van het technisch onderwijs en universiteiten in staat (blijven) stellen tot het doen van fundamenteel onderzoek.
  8. Op generieke maatregelen, zoals belastingaftrek, zit niemand te wachten. Veel bedrijven vinden het ‘subsidiecircus’ op nationaal en Europees niveau veel te ingewikkeld en tijdrovend.

Bedrijven investeren al tientallen jaren in R&D. Investeren in innovatie is van veel recentere oorsprong. Aanvankelijk dacht men nog lineair: Investeringen in R&D leiden vanzelf tot innovatie. De meeste bedrijven zijn er tegenwoordig van doordrongen dat bij innovatie veel meer komt kijken en zeker niet alleen geld. R&D en innovatie worden daarom steeds beter onderling afgestemd, al is het oude lineaire denken nog lang niet verdwenen. Het navolgende citaat van Steve Jobs toen hij in 1998 werd geïnterviewd door Fortune spreekt boekdelen: Innovation has nothing to do with how many R&D dollars you have. When Apple came up with the Mac, IBM was spending at least 100 times more on R&D. It is not about money. It is about the people you have, how you are led and how much you get it.”

[1] Het volledige rapport “The 2014 Global Innovation 1000 Study” van Strategy& kan worden gedownload. Deze blogpost is deels gebaseerd op dit rapport. Een uitvoerige samenvatting lees je hier: http://shar.es/10PTrj

[2] Onlangs verscheen een nieuw rapport van de AWTI over “Regionale hotspots, broedplaatsen voor innovatie: http://www.awti.nl/upload/documents/publicaties/tekst/Regionale-Hotspots-_-Def.pdf

De perversiteit van ‘slim publiceren’

7 Nov

publish or perish 2De eis ‘publish or perish’ (publiceren of wegwezen) heeft al veel stof doen opwaaien. Het ligt voor de hand dat wetenschappelijk personeel van universiteiten publiceert. De samenleving heeft er recht op om te weten waartoe de onderzoekseuro’s leiden. Publiceren krijgt echter perverse trekken als voldoen aan de eis tot publiceren ertoe leidt dat medewerkers geen tijd meer hebben om onderzoek te doen. Wat is hier aan de hand? Ik leg eerst uit wat ik bedoel met ‘slim publiceren’ en daarna wat ik versta onder het doen van onderzoek.

Slim publiceren

Elke medewerker met een ‘onderzoekstaak’ moet enkele malen per jaar publiceren in een wetenschappelijke tijdschrift. Er circuleert een groot aantal tips om ‘slim’ te publiceren en zonder al te veel moeite aan deze norm te voldoen. Enkele voorbeelden:

  1. Begeleid zo veel mogelijk scripties van masterstudenten. Per jaar zijn er altijd wel een of twee die met niet al te veel moeite uitgewerkt kunnen worden tot een tijdschriftartikel.
  2. Maak scriptiegroepjes waarbij studenten samen datamateriaal verzamelen en ieder afzonderlijk een of meer hypothesen uitwerken. Deze aanpak levert minimaal een dataset op die je kunt bewerken tot een artikel.
  3. Vraag altijd een collega om je artikel te becommentariëren in ruil voor een mede-auteurschap. Als dit over en weer gebeurt, wordt je output verdubbeld, zonder er veel voor te hoeven doen.
  4. publish or perish 1Beperkt je in een artikel tot één probleem en enkele hypothesen. Vaak kun je dan twee verschillende artikelen maken op basis van dezelfde data. Bied deze dan wel aan verschillende tijdschriften aan.
  5. Zorg ervoor dat je copromotor bent van enkele promovendi. Het is gebruikelijk dat zij op artikelen promoveren en jij mag daar ook je naam bij zetten.
  6. Neem altijd citaties op uit andere artikelen uit het tijdschrift waar je een publicatie indient. Dat verhoogt de kans op plaatsing.
  7. Citeer je collega’s en spreek af dat zij dat ook met jou doen. Daarmee verhoog je de impact van je publicatie.

Met ‘slim publiceren’ moet het zeker lukken drie á vier publicaties per jaar te halen. Het brengt uiteraard wel wat werk met zich mee, maar je hoeft zelf de straat niet op om onderzoek te doen. En daar wringt de schoen…

Onderzoek doen

De samenleving stelt jaarlijks universiteiten miljarden ter beschikking om onderzoek te doen. We spreken van onderzoek als wetenschappers gefascineerd raken door een probleem zich daar langdurig diepgaand mee bezig gaan houden. Wat houdt dat in:

  1. Onderzoek doe je zelden alleen. Succesvol onderzoek is daarom het resultaat van intensieve samenwerking tussen een aantal wetenschappers.
  2. Samenwerken betekent samen bijhouden en bespreken van de literatuur over het gekozen onderwerp en hierover minstens een keer per maand een grondige discussie hebben.
  3. Onderzoekers hebben gegevens nodig en ze verzamelen deze gezamenlijk als groep. Dit kunnen kwantitatieve data zijn, maar samen kunnen ook de nodige interviews worden afgenomen. Hierbij kunnen uiteraard ook masterstudenten een rol spelen.
  4. De bestudeerde theorie en de verzamelde gegevens worden voortdurend besproken teneinde hypothesen te testen of anderzijds tot wetenschappelijk en maatschappelijk relevante inzichten te komen.
  5. De resultaten van lopende onderzoek worden op congressen gedeeld met collegae die verwant onderzoek doen. Deze uitwisseling kan leiden tot de intentie om samen te werken en tot het aanvragen van externe onderzoeksmiddelen
  6. Het onderzoeksteam spant zich in om aanvullende middelen te verwerven de aanstelling van aio’s. Het werk dat deze aio verricht staat dus niet geïsoleerd maar is onderdeel van een groter thema.
  7. Last but not least; het onderzoeksteam publiceert geregeld in uiteenlopende tijdschriften over de (tussentijdse) resultaten.

publish or perish 3Publiceren is bedoeld als middel om onderzoeksresultaten te communiceren naar vakgenoten en naar de rest van de samenleving. Dat gaat veel verder dan de vele ‘slimme’ publicaties die jaarlijks worden afgescheiden. Het resultaat is dat tijdschriften vol staan met bloedeloze artikelen, die uiteindelijk niemand meer leest. Het ergste is echter dat deze medewerkers niet meer toekomen aan het doen van ‘echt’ onderzoek en daarom noem ik de publicatiedwang een perverse prikkel.

Hiermee is tevens gezegd dat wetenschappelijk personeel niet verweten kan worden ‘slim’ te publiceren. Het is het management dat afrekent op het aantal publicaties en daarmee bijdraagt aan het beschreven gedrag. De oplossing is eenvoudig; het management moet de eis tot publiceren vervangen door de eis tot deelname aan een onderzoeksproject en medewerkers collectief verantwoordelijk te maken voor de kwaliteit,  het resultaat en de reputatie daarvan. Als dat één publicatie in Science per jaar is, zou ik al dik tevreden zijn.