Archive | Economie RSS feed for this section

Niemand kan twee heren dienen……het is God of de mammon (Of toch wel?)

5 Mrt

(vrij naar) Matteüs 6:24

Vorige week las ik het rapport van de Business and Sustainable Development Commission, opgericht tijdens de WEF-bijeenkomst[1] in Davos in 2016. Deze ziet een vooraanstaande rol weggelegd voor het bedrijfsleven bij de aanpak van armoede en opwarming van de aarde. Een van de auteurs is Paul Polman, CEO van Unilever[2]. Ik vond het een goed onderbouwd rapport. Wel vroeg ik me af of bedrijven de verwoorde intenties kunnen waarmaken. Toen las ik het volgende bericht[3]:

screenshot-kopie

mammon

De mammon

Dit bericht raakt de kern van het probleem. Ik twijfel niet aan de goede bedoelingen van topmanagers als Paul Polman, maar ook zij kunnen er niet omheen dat de meeste geldschieters van multinationals (institutionele beleggers deels uitgezonderd) uit zijn op een zo hoog mogelijke aandeelhouderswaarde en wel op korte termijn[4]. Volgens Polman hebben ook de aandeelhouders er op lange termijn baat bij als bedrijven een op mens en milieu gerichte koers varen. Volgens hem gaan God en de mammon wel degelijk samen.

De aanvaarding van de sustainable development goals (kort samengevat Global Goals – zie onder) door de VN en ook de totstandkoming van het Parijse klimaatverdrag – beide in 2015 – gaven aanleiding tot enig optimisme over een meer sociale en duurzame toekomst. De grote vraag bleef echter wie zet de volgende stap. Overheden hebben beperkte mogelijkheden of werken tegen[5]. Consumenten? NGO’s? volksbewegingen?

screenshot-4De Business and Sustainable Development Commission zag – zoals gezegd – een stuwende rol weggelegd voor het bedrijfsleven. Vorige maand, opnieuw tijdens de bijeenkomst van het WEF te Davos, heeft zij haar eerste rapport gepresenteerd: Better Business, Better World. Het rapport bevat een alomvattende strategie om de Global Goals van de VN in 15 jaar te realiseren[6] en het geeft voorbeelden van bedrijven die reeds hoge ESG-standaarden hebben[7]. Deze strategie kan wereldwijd 380 miljoen nieuwe banen opleveren en minstens $ 12.000 miljard additionele inkomsten voor het bedrijfsleven.

De gedetailleerde uitwerking van de winstkansen voor het bedrijfsleven roept soms irritatie op, maar deze dient ongetwijfeld om het draagvlak binnen de eigen achterban te vergroten. Daar staat tegenover dat de maatschappelijke en milieueffecten eveneens in detail zijn uitgewerkt. De koers wekt al met al vertrouwen, maar ik denk dat bedrijven meer moeten doen om hun morele licence to operate terug te winnen. Bijvoorbeeld door overtuigende beschermingsconstructies tegen activistische aandeelhouders te maken, door de status van maatschappelijke onderneming aan te nemen, door matiging van de hoge inkomens van het topmanagement en door geen relatie meer te leggen tussen inkomens van het management en de koers van het aandeel.

De commissie heeft de marktkansen van een nieuwe duurzame groeistrategie in vier sectoren laten onderzoeken: Voeding en landbouw, stedelijke gebieden, energie en materialen en gezondheid en welzijn. Hieruit zijn 60 ‘hotspots’ voor actie voortgekomen (zie afbeelding).

screenshot-3

De leden van de Commissie zien voor zichzelf de volgende taken weggelegd:

  • Steun verwerven voor de Global Goals binnen eigen en andere bedrijven.
  • De Global Goals als hoeksteen maken van de groeistrategie van het eigen bedrijf.
  • Ontwikkelen van zinvolle, betaalbare en duurzame producten en diensten in het bijzonder op het gebied van watervoorziening en energie, voeding, gezondheidszorg en huisvesting.
  • Samen met de politiek werken aan reële grondstoffenprijzen, die alle ‘externe kosten’ insluiten.
  • Investeren in een duurzaam transport- en vervoersysteem.
  • Nieuw sociaal contract: transparante betaling van belastingen, fatsoenlijke lonen voor alle werknemers in de hele supply chain[8].

Per jaar is $2400 miljard nodig om de Global Goals (voor) te financieren. Op de kapitaalmarkt gaat $290.000 miljard om, waarvan ongeveer $100.000 miljard in bezit is van pensioenfondsen. Geld is er genoeg, het grootste obstakel is volgens het rapport het kortetermijndenken van de meeste geldschieters. Meer dan 50% van CEO’s voelt zich onder druk gezet om de aandeelhouderswaarde op korte termijn te vergroten[9]. Hoe waar dat is blijkt uit het bovenstaande bericht.

Het werk van de Business and Sustainable Development Commission verdient kritische volgers maar vooral navolging. Goedwillende CEO’s verdienen steun van de groeiende groep aandeelhouders die opkomt voor hoge ESG-standaarden. Verder is het wenselijk dat bedrijven die dankzij afdoende beschermingsconstructies voor hun aandelen onbedreigd een langetermijn koers kunnen varen, het gelijk van de Business and Sustainable Development Commission aantonen[10].

[1] World Economic Forum; de jaarlijkse ontmoeting van topmanagers, regeringsleiders en vertegenwoordigers van NGO’s en pers. Het WEF vertolkt een gematigd progressieve koers met betrekking tot sociaaleconomische ontwikkeling en milieubeleid.

[2] Verder zijn onder andere lid: Lord Mark Malloch-Brown (voormalig plaatsvervangend secretaris-generaal UN, voorzitter), Peter Bakker (World Business Council on Sustainable Development), Jack Ma (voorzitter Alibaba group), en Elaine Weidman Grunewald (CEO, Ericson).

[3] In Management Team 26 februari 2017.

[4] Het Purpose of the Corporate project toont aan na een uitvoerige analyse van de wetgeving in een aantal landen dat aandeelhouders geen enkel juridisch, laat staan moreel recht hebben om een korte-termijn beleid gericht op maximalisering van de aandeelhouderswaarde te eisen: http://wp.me/p32hqY-Sv

[5] Zie mijn post: Het vertrouwen is weg onder andere gebaseerd op de 2017 edutie van de edemnan trust ˜Barometer: http://wp.me/p32hqY-Zd

[6] Het rapport is te downloaden vanaf de website van de commissie: http://report.businesscommission.org Hier staat ook een korte inleidende video en andere relevante informatie, bijvoorbeeld over de leden van de commissie.

[7] Doelstellingen met betrekking tot E(nvironment), S(ociaal beleid) en G(overnance).

[8] Dit houdt onder andere in volledige implementatie van ‘UN Guiding Principles on Business and Human Rights’.

[9] Her rapport verwijst onder andere naar de volgende studie waarop ik spoedig hoop terug te komen: Barton, D., Bailey, J., and Zoffer, J., 2016. Rising to the challenge of short-termism. FCLT Global. http://www.fcltglobal.org/docs/default-source/default-document-library/fclt-global-rising-to-the-challenge. pdf?sfvrsn=0.

[10] Zie de aanbevelingen van het Purpose of the Corporation Project: http://wp.me/p32hqY-U6

Hoe realiseert een land inclusieve ontwikkeling?

24 Feb

In een eerdere blogpost beschreef ik de contouren van de Inclusive Development Index (ID-index)[1], een alternatief voor het bruto nationaal product per capita[2]. Deze nieuwe index houdt rekening met de negatieve effecten van de wijze waarop een land economische groei realiseert. De VS staan op de 10de plaats als het om het bruto nationaal product gaat, maar het land zakt naar de 27ste plaats op de ID-index.

Hoe realiseert een land stijging op de ID-index?

Het Inclusive Growth and Development Report 2017 van het World Economic Forum presenteert een beleidskader bestaande uit 15 Policy and institutional Indicators (PII’s), verspreid over 7 pijlers die eraan bijdragen dat economische groei een inclusief karakter krijgt. Ik bespreek deze hieronder in het kort[3]. De onderstaande figuur toont hun samenhang.

screenshot-4

Pijler 1: Onderwijs en vaardigheden

  1. De beschikbaarheid voor een ieder van opleidings- en trainingsmogelijkheden in overeenstemming met zijn of haar potenties.
  2. Kwalitatief hoogwaardig onderwijs met betrekking tot de effectiviteit van het leren, de beschikbare (IC-)faciliteiten dat is afgestemd met het afnemende veld en aan internationale normen voldoet.
  3. Gelijke ontplooiingsmogelijkheden en kansen op voltooiing van de opleiding voor alle leerlingen en studenten, ongeacht hun achtergrond.

Pijler 2: Diensten en infrastructuur

  1. Toegankelijkheid via (spoor)wegen, beschikbaarheid van nuts- en ICT-voorzieningen en kwalitatief goede huisvesting voor brede lagen van de bevolking.
  2. Bereikbaarheid en betaalbaarheid van gezondheidszorg, aanwezigheid drinkwater en afvalverwerking, voorkomen ondervoeding, gelijke levensverwachting van mannen en vrouwen.

Pijler 3: Tegengaan van corruptie en trustvorming

  1. Integriteit van politici, ondernemers, overheidsdiensten (belastingdienst) en rechterlijke macht.
  2. Tegengaan van machtsconcentratie die initiatieven van zelfstandigen en startups bedreigen.

Pijler 4: Financiering van investeringen

  1. Toegankelijkheid en betaalbaarheid van financieringsmogelijkheden voor ondernemers en startups en initiatieven vanuit het armste deel van de bevolking.
  2. Stimuleren van investeringen in de reële economie in plaats van speculatieve investeringen in onroerend goed en financiële producten.

Pijler 5: Ondernemerschap en bezit van activa

  1. Maximaal faciliteren van starten van nieuwe bedrijven.
  2. Stimuleren en bescherming van bezitsvorming in brede lagen van de samenleving, inclusief pensioenopbouw.

Pijler 6: Werkgelegenheid en beloning

  1. Beschikbaarheid van uitdagende banen voor de hele bevolking, inclusief sociale mobiliteit en bescherming van tijdelijk en flexwerk.
  2. Een solide en transparant beloningssysteem (in geld en natura) zonder ongemotiveerde inkomensverschillen met afdoende mate van ontslagbescherming en adequate behartiging van belangen van arbeidende bevolking.

Pijler 7: Belastingen en uitkeringen

  1. Een belastingstelsel dat inkomensverschillen beperkt zonder het groeipotentieel van de economie aan te tasten.
  2. De beschikbaarheid van uitkeringen om personen zonder inkomsten uit arbeid in staat te stellen menswaardig te leven.

In mijn eerdere post over inclusieve ontwikkeling vergeleek ik de ID-index van Noorwegen, Nederland en de VS. Het onderstaande overzicht toont hoe elk van deze drie landen scoort op de 15 genoemde Policy and institutional Indicators (PII’s). Donker- en lichtgroen betekenen (hoog) bovengemiddeld, geel betekent gemiddeld en oranje en rood betekenen beneden en ver beneden het gemiddelde van de 27 rijke landen.

pii-1

pii-2

Door gericht beleid op een of meer van de hiervoor genoemde policy and institutional indicators kan elk van deze drie landen een hogere score op de ID-index realiseren.

  • Nederland en Noorwegen scoren in vergelijking met de VS hoog op het gebied van onderwijs. Maar in de VS en ook in Nederland kan beleid gericht op gelijke kansen voor alle jongeren worden versterkt (3).
  • De gezondheidszorg in de VS scoort matig, maar ook Nederland zou beter moeten kunnen scoren, bijvoorbeeld door wachtlijsten terug te dringen (5).
  • Op het gebied van ethisch handelen in politiek en bedrijfsleven loopt de VS in vergelijking met Noorwegen en in iets mindere mate in vergelijking met Nederland duidelijk achter (6).
  • Opvallend zijn de matige scores van zowel Nederland als de VS als het gaat om investeringen in de reële economie in verhouding tot speculatieve investeringen (9). Noorwegen doet het in dit opzicht zeer goed.
  • Ook ondernemerschap én startups worden in Nederland en de VS goed gefaciliteerd (10). Hier valt er voor Noorwegen nog wel wat te verbeteren.
  • Nederland en Noorwegen hebben een goed, resp. uitstekend arbeidsmarktbeleid (12). De VS scoort nier ronduit slecht.
  • Nederland heeft net als Noorwegen een uitstekend sociaal vangnet (15), maar het belastingsysteem kan nog wel een tandje bijzetten als het om het verminderen van inkomens- en vermogensverschillen gaat (14), zelfs ten opzichte van de VS.

[1]Het Inclusive growth and Development Report 2017 kan hier worden gedownload. Via deze website kunnen uitgebreide landenprofielen worden aangemaakt.: http://reports.weforum.org/inclusive-growth-and-development-report-2017/

[2] Geen economische groei maar inclusieve ontwikkeling: http://wp.me/p32hqY-XB

[3] Elk van de 15 subdomeinen is een composiet-index. Zie voor een uitgebreide beschrijving van de variabelen binnen elk subdomein: blz. 97 en volgende van het rapport. De online versie van het rapport bevat alle waarden voor alle variabelen per land.

De winnaars en de verliezers van globalisering

18 Feb

In de periode 1980 – 2013 hebben multinationale ondernemingen[1] wereldwijd ongekend veel verdiend. In 2013 bedroeg hun winst na belasting $7200 miljard, dat is bijna 10% van het bruto nationaal product van de gehele wereld. Dit is aanmerkelijk meer dan in 1980, toen het ook al om een respectabel bedrag ging.

screenshot-2

Deze winst kwam voor de helft terecht in N. Amerika en W. Europa[2]. Dat de winst zo kon stijgen werd mogelijk gemaakt door de globalisering: De enorme toename van de productie van (consumptie)goederen die wereldwijd werden afgezet tegen een steeds lagere prijs. Deze lagere prijzen waren het gevolg van wereldwijde concurrentie, automatisering en offshoring en lage grondstoffenprijzen[3].

samenleving-olifantscurveDe vraag is, wie heeft het meest van de toegenomen rijkdom geprofiteerd en wie het minst? De Servisch-Amerikaanse econoom Branco Milanovic heeft zich jarenlang toegelegd op de beantwoording van deze vraag[4]. Daartoe heeft hij – simpel gezegd – de wereldbevolking in de periode 1988 – 2008 jaarlijks in 10 groepen verdeeld: De armste 10%, de op een na armste 10% en zo voort[5]. Hij is voor elk van deze groepen nagegaan hoe hun inkomen in deze periode is veranderd. Die verandering heeft hij weergegeven in een grafiek. Deze wordt de olifantcurve genoemd vanwege de sprekende gelijkenis met de rug van een olifant.

screenshot

Wereldwijd zijn er twee groepen ‘winnaars’ en twee groepen ‘verliezers’.

De winnaars zijn:

  • De rijkste 5% van de wereldbevolking, in het bijzonder de 1% allerrijksten. De helft van de economische groei is naar deze groep gegaan. Puissant rijken komen in alle landen ter wereld voor, maar de meeste wonen in N. Amerika en W. Europa.
  • De middenklasse van de opkomende economieën, vooral in Aziatische landen. Zij heeft haar inkomen met 200 à 300% zien toenemen. Het gaat om honderden miljoenen mensen, maar de totale geldwaarde van deze groei is relatief beperkt, omdat de inkomens laag waren.

De verliezers zijn:

  • De armste 10% van de wereldbevolking. Deze heeft er niets bijgekregen. In de Republiek Congo is het gemiddelde reële inkomen in 100 jaar onveranderd gebleven. Oorzaken zijn corruptie, zelfverrijking door machthebbers en oorlogen.
  • De middenklasse in de rijke landen. Ook deze groep heeft in 30 jaar geen vooruitgang gezien. Wel zijn veel banen verloren gegaan als gevolg van offshoring en automatisering. Veel mensen, die jaren geleden nog tot de middenklasse behoorden, moeten nu genoegen nemen met een baan in de laagstbetaalde sector en de concurrentie aangaan met migranten.

De sociaaldemocratie in de rijke landen heeft deze ontwikkeling gemist en mede hierdoor heeft zij haar achterban grotendeels verloren aan extreem links of extreem rechts. De gefrustreerde middenklasse heeft in de VS Donald Trump aan de macht geholpen en in het Verenigd Koninkrijk de Brexit bewerkstelligd. Andere voorbeelden van de boosheid van deze groep zullen ongetwijfeld volgen.

De beleidsmakers in Westerse landen kunnen hun voordeel doen met de olifantcurve en draagvlak onder de bevolking terugverdienen door de volgende maatregelen:

  • Breed aanbod van banen met minder grote verschillen in status en inkomen dan nu het geval is.
  • Verdeling van de beschikbare werkgelegenheid door werktijdverkorting en een flexibele pensioenleeftijd aangevuld met de optie van een arbeidsloos inkomen.
  • Bedrijven betalen mee aan een rechtvaardig werkgelegenheidsbeleid, wat hen confronteert met de integrale kosten van automatisering.
  • Hogere prijzen voor grondstoffen. Dit is zowel in het belang van de eigen boerenbevolking als voor arbeiders in arme landen. Daarom eerder bilaterale handelsovereenkomsten dan generieke handelsverdragen.
  • Beperking van arbeidsmigratie. Dit is overigens ook in het belang van landen van oorsprong, die hun best opgeleide mensen zien vertrekken.
  • Blijvende steun aan vredeshandhaving bij conflicten wereldwijd in VN-verband eerder dan versterking van de NAVO. Minder oorlogen leiden tot meer welvaart en tot minder vluchtelingen.

Iets voor een volgende regering?

[1] Het betreft al dan niet beursgenoteerde ondernemingen met een omzet van minstens $200 miljoen.

[2] Zie hiervoor: https://hbr.org/2015/10/the-future-and-how-to-survive-it

[3] Bedrijven maken wereldwijd nog steeds grote winsten, maar het aandeel van ‘westerse landen’ daarin wordt kleiner omdat de productie zich steeds gelijkmatiger over de wereld verspreidt. Bovendien  nemen kleine innovatieve bedrijven een groeiend deel van de productie over van de machtige maar weinig flexibele multinationals.

[4] Hij is vanaf 2014 hoogleraar aan de New York City University en was daarvoor onderzoeker bij Wereldbank. Zie voor een recent interview: Humo 8 februari 2017: https://blendle.com/getpremium/item/bnl-humo-20170207-132032

[5] Waar nodig heeft hij die groepen verder onderverdeeld.

Geen economische groei maar inclusieve ontwikkeling

29 Jan

Als het aan het World Economic Forum ligt, meten we de welvaart van landen niet meer met het bruto nationaal product per capita (bnp/c) maar met de Inclusive Development Index (ID-index)[1]

Het bruto nationaal product zegt niets over hoe een land zijn rijkdom vergaart en verdeelt. Een hoog bnp als gevolg van de productie van goederen en diensten is heel wat anders dan een hoog bnp als gevolg van de uitverkoop van natuurlijke hulpbronnen. Hetzelfde geldt voor een hoog bnp waarvan slechts een minderheid van de bevolking profiteert.

De ID-index brengt zowel het economisch potentieel van een land in kaart als de mate waarin dit bijdraagt aan goede levensomstandigheden voor de hele bevolking. De berekening ervan is gebaseerd op drie pijlers elk bestaande uit vier indicatoren[2]. De score van elke indicator varieert van 1 – 7.

Pijler 1: Growth and development
  • Bruto nationaal product per capita
  • Arbeidsproductiviteit
  • Levensverwachting in gezonde jaren[4]
  • Werkgelegenheid[5]
Pijler 2: Social Inclusion

De mate waarin de bewoners van een land meedelen in de welvaart:

  • Inkomens-ginicoëfficiënt[6]
  • Aantal mensen dat leeft onder de armoedegrens[7]
  • Vermogens-ginicoëfficiënt, de spreiding van het bezit.
  • Modale inkomen per huishouden
Pijler 3: Intergenerational equity and sustainability

De mate waarin welvaart en welzijn van nu ten koste gaan van die van toekomstige generaties.

  • Netto kapitaalopbouw[8]
  • CO2-intensiteit[9]
  • Staatsschuld
  • Afhankelijkheidsratio[10]

screenshot-2

Het bovenstaande overzicht toont de ID-index voor de welvarende landen. Hierbij is per land een vergelijking gemaakt tussen de score op de ID-index en de score op basis van het bnp/c.

Hieronder vergelijk ik de 12 indicatoren waaruit de ID-index is opgebouwd van Nederland met die van Noorwegen en de VS. Noorwegen is topscorer op vrijwel elk van de 12 indicatoren van de ID-index en scoort ook hoog op het bnp/c. Het bnp/c van de VS is vergelijkbaar met dat van Nederland, maar de ID-index van dit land staat bijna onderaan op de lijst van welvarende landen. Zie hiervoor ook het onderstaande overzicht. De relatieve plaats van elke indicator binnen de groep van meest welvarende landen is daarin met een kleur aangegeven.growth-and-development

Op de pijler growth and development scoort Nederland een stuk lager dan Noorwegen. De arbeidsproductiviteit in ons land ligt ver beneden die van Noorwegen én de VS. Met de gezondheid is het in Nederland en Noorwegen stukken beter gesteld dan in de VS.

Van de pijler social inclusion valt op de hoge vermogens-ginicoëfficiënt op van zowel Noorwegen als de VS. In tegenstelling tot de VS, is de inkomens-ginicoëfficient in Noorwegen laag, wat wijst op relatief geringe inkomensverschillen. Ook in vergelijking met Nederland. Dit wijst erop dat het belastingstelsel in Noorwegen zorgt voor een krachtige herverdeling. Zowel in Nederland als Noorwegen is het percentage armen ongeveer de helft van dat in de VS.

Wat de intergenerational equity and sustainability betreft, hier scoort Noorwegen duidelijk het hoogst. Nederland staat in de middenmoot en de VS bungelt onderaan.

Noorwegen heeft zijn rijke resources goed gebruikt om voorzieningen te scheppen voor toekomstige generaties. Positief voor de VS is dat de overheid decennia fors heeft geïnvesteerd in onderzoek. Hiermee is een basis gelegd voor de hightech industrie en daarmee voor de hedendaagse welvaart, althans van een deel van de bevolking.

Een aandachtspunt voor het Nederlandse beleid is dat zowel Noorwegen als de VS de afgelopen jaren een lichte verbetering tonen op de ID-index, terwijl Nederland achteruit gaat. De onderstaande matrix toont de positie van alle welvarende landen, rekening houdend met de hoogte en de ontwikkeling van de ID-index[3].hoogte-en-groei-id-index

Het rapport heeft ook de relatie onderzocht tussen het gevoerde beleid en de scores op de ID-index. Daartoe is een beleidskader opgesteld, dat zeven pijler bevat en 15 bijbehorende instrumenten. In mijn volgende blogpost sta ik stil bij dit kader en vergelijk ik wederom Nederland, Noorwegen en de VS.

[1] Het Inclusive growth and Development Report 2017 kan hier worden gedownload. Via deze website kunnen uitgebreide landenprofielen worden aangemaakt.: http://reports.weforum.org/inclusive-growth-and-development-report-2017/

[2] Zie pagina 102 voor de berekeningswijze van elke indicator

[3] Een vergelijkbare matrix is beschikbaar voor de ontwikkelende landen. Zie het voornoemde rapport op pagina 22.

[4] De healthy life expectancy is een nieuwe international maatstaf voor levensverwachting waarin de tijd wordt verdisconteerd waaraan wordt geleden aan ziekten of verwondingen

[5] Het deel van de bevolking ouder dan 15 jaar dat een betaalde baan heeft

[6] De Gini-coëfficienten meten de mate van inkomens- en vermogensongelijkheid. Hoe hoger, des te meer ongelijkheid.

[7] Voor welvarende lanen wordt hierbij uitgegaan van een gezinsinkomen dat lager is dan de helft van het modale inkomen

[8] Het betreft hier de totale nationale besparingen, plus de investeringen in onderwijs minus het verbruik van grondstoffen en de schade door vervuiling (met uitzondering van de schade veroorzaakt door CO2)

[9] Dit betreft de hoeveelheid CO2 die vrijkomt in verhouding tot een eenheid bruto nationaal product

[10] De omvang van de totale bevolking ten opzichte van de bevolking tussen 15 – 64 jaar

Welvaart zonder bijsmaak

15 Jan

Een van de meest gebruikte indexen om de concurrentiekracht van landen te vergelijken is de Global Competitiveness Index, jaarlijks uitgebracht door het World Economic Forum. In de nieuwste editie staat Nederland op de 4de plaats, wat tot duizenden trotse tweets leidde van politici en ondernemers die meenden aan dit resultaat bijgedragen te hebben.

De vraag die onbeantwoord bleef was hoeveel deze plaats heeft gekost. Deze kosten bestaan onder meer uit uitstoot van CO2 en fijnstof, afval, verkeershinder, stress, uitbuiting en kinderarbeid ergens in de keten. 

De nieuwe Sustainability Competitiveness Index houdt wél rekening met onbetaalde rekeningen op het gebied van mens en milieu[1]Opvallend is dat de Scandinavische landen alle topposities innemen. Blijkbaar komen zij het meest in de buurt van ‘welvaart zonder bijsmaak’. De top 20 bestaat overigens op Nieuw Zeeland en Japan na geheel uit Europese landen, met uitzondering van Nederland en België!

screenshot-3-kopie

De Sustainability Competitiveness Index is gebaseerd op 105 indicatoren, verdeeld over vijf categorieën.

  • De voor de toekomst bewaarde natuurlijke hulpbronnen. Hoog scoren: Republiek Congo, Zweden en Canada (natural capital depletion)
  • De doelmatige inzet van natuurlijke en menselijke hulpbronnen. Hoog scoren in het bijzonder Afrikaanse landen (resource intensity)
  • De gezondheid, gelijkheid, veiligheid en vrijheid van de bewoners van een land. Hoog scoren alle landen van Noord West Europa met Noorwegen bovenaan (social capital)
  • De scholingsgraad van de bevolking en de investeringen in onderzoek, ontwikkeling en innovatie. Hoog scoren: Zuid Korea, Zweden en Finland (Intellectual capital)
  • De wijze waarop een land wordt bestuurd (democratisch, vrij van willekeur) en de kwaliteit van de infrastructuur. Hoog scoren: Estland, Indonesië, Noorwegen en Duitsland (governance)

screenshot-13

De keuze van deze vijf pijlers opent onze ogen voor het feit dat in de Global Competitiveness Index, welvaartskenmerken een dominante rol spelen. Hierdoor zijn begrippen als ‘rijk’, ‘ontwikkeld’ en ‘concurrentiekracht’ vrijwel synoniem geworden. De Sustainable Competitiveness Index benadrukt de potentiële rijkdom van sommige landen vanwege hun natuurlijke hulpbronnen en rekent andere landen af op de negatieve gevolgen van hun welvaart. De indicatoren die zijn gebruikt bij de berekening van deze twee pijlers, geven hier een goed beeld van (zie onder)[2]

screenshot-2-kopiescreenshot-2-kopie-2

Europese landen scoren laag op het gebied van natuurlijk kapitaal[3] en vanwege de manier waarop ze hulpbronnen hebben verbruikt (gas!), terwijl andere – veelal de opkomende landen – positief scoren vanwege hun beperkte ecologische voetafdruk. Deze is overigens zelden een gevolg van verstandig beleid maar van een laag economisch ontwikkelingsniveau.

Er is nog een ander wezenlijk verschil tussen de Sustainability Competitiveness index[4] en de Global Competitiveness Index. De eerste is vrijwel uitsluitend berekenend op basis van kwantitatieve data; de tweede is voor bijna 75% gebaseerd op enquêtes onder managers en andere leidinggevenden. Je kunt je terecht afvragen of dit wel de juiste personen zijn om informatie over armoede, werkloosheid, arbeidsverhoudingen en
gezondheidszorg te geven.


[1] Dit rapport kan hier worden gedownload : http://www.duurzaam-ondernemen.nl/2016-global-sustainable-competitiveness-index-topped-5-scandanavian-countries/

[2] Zie voor een beschrijving van de indicatoren van de overige pijlers pagina 46 en volgende.

[3] Het grote potentieel aan windenergie is in deze berekening overigens niet verdisconteerd.

[4] Het is overigens boeiend om de scores van de bovenstaande tabel te vergelijken met vingeroefeningen voor een meer gebalanceerde manier van indexering van landen door het World Economic Forum zelf. Zie mijn posts Vooruitgang is meer dan concurrentiekracht en innovatie (over ‘sustainability-adapted competitiveness): http://wp.me/p32hqY-fP en Groei moet, maar dan wel inclusief (over inclusieve groei): http://wp.me/p32hqY-fY

Hoe komt topmanagement van zijn graaiersimago af?

1 Jan

Het inkomen van topmanagers – wereldwijd – is vanaf de jaren ’80 explosief gestegen[1]. Dit komt mede doordat hun beloningspakket bewust voor een groot deel bestaat uit aandelen(opties). De gedachte is dat hierdoor de financiële belangen van managers in de pas lopen met die van de aandeelhouders met maximalisering van de aandelenkoers als resultaat.

samenleving-greed-484x336

In mijn voorlaatste post[2] ben ik ingegaan op de bevindingen van het Purpose of the Corporation Project, die onder andere gaan over nadelige gevolgen van deze ontwikkeling[3]. Een daarvan is overmatige gerichtheid op het kortetermijnbeleid. De vernieuwde Nederlandse corporate governance code moet deze en andere uitwassen voorkomen. In mijn laatste post betwijfelde ik of dat gaat lukken[4]. De code-Tabaksblat en haar opvolger zijn niet in staat gebleken om het management van kortetermijnbeleid en zelfverrijking af te houden, laat staan het tij in de financiële crisis te doen keren.

screenshotLange termijnbeleid betekent dat een onderneming rekening houdt met de belangen van alle stakeholders, inclusief de samenleving als geheel en de natuur. De keuze hiervoor moet uiteindelijk van het bestuur van de ondernemingen zelf komen, al dan niet onder druk van groeiende verzet binnen de samenleving.

Het Purpose of the Corporation Project houdt het bestuur van ondernemingen twee opties voor. Volharden in de bestaande koers, die er uiteindelijk toe zal leiden dat de onderneming van de kaart verdwijnt. Of varen van een nieuwe koers, waarmee een onderneming zich als maatschappelijke institutie profileert en de belangen van alle stakeholders aan hun trekken laat komen.

Hieronder volgt een selectie van de aanbevelingen van het Purpose of the Corporation Project bestemd voor voor ondernemingen die de nieuwe koers willen inslaan[5].

  1. Waarden (‘Purpose’)

Ondernemingen expliciteren hun waarden en omschrijven welke verantwoordelijkheden ze nemen voor stakeholders zoals medewerkers, klanten en aandeelhouders en voor samenleving en natuur. Het management formuleert de consequenties daarvan voor strategie en (investerings)beleid en tevens hoe aan deze doelen verbonden risico’s beperkt kunnen worden.

Bedrijven kunnen hun intenties ten aanzien van de realisering van maatschappelijke doelen accentueren door de status van B(enefit) Corporation aan te nemen.

  1. Bedrijf als gemeenschap

Het heet dat managers medewerkers ‘aansturen’. Vaak gaat dit ten koste van de betrokkenheid van de medewerkers en het kwaliteit van hun werk. Het zijn immers in het bijzonder de medewerkers die product- en marktkennis hebben en die relaties onderhouden met leveranciers en klanten. De onderneming heeft er baat bij als medewerkers hun werkzaamheden zelfstandig kunnen inrichten en uitvoeren. Dit vereist een minder hiërarchische organisatie, reductie van het aantal managers en de spreiding van managementtaken over medewerkers.

  1. Herziening inkomensprikkel

Het topmanagement ontvangt een vast salaris dat onderdeel is van het beloningsgebouw van de onderneming. Bonussen zijn bestemd voor alle medewerkers en zijn gekoppeld aan de realisering van lange termijndoelstellingen en de tevredenheid van de klanten. Alle inkomens zijn transparant.

  1. Stakeholders

De relatie tussen onderneming (management) en stakeholders kan worden versterkt door vertegenwoordigers van belangrijke groepen (personeel, klanten en aandeelhouders) op te nemen in de raad van bestuur en in de algemene vergadering.

  1. Zoeken naar patient capital

Ook stewardship door aandeelhouders wordt gestimuleerd, bijvoorbeeld door het maken van een onderscheid tussen verschillende categorieën aandeelhouders. Dit kan onder andere gebeuren door stemrecht van aandeelhouders afhankelijk maken van de duur van het aandelenbezit in dat bedrijf, maar ook door het verlies van stemrecht na verhandeling van aandelen.

  1. Bescherming tegen vijandige overnames

Bedrijven ontwikkelen een beschermingsconstructie om vijandige overnames tegen te gaan om daarmee de lange termijnkoers te beschermen. Bedrijven als Ikea, Tridosbank maar ook het Deense farmaceutische bedrijf Novo Nordisk hebben een deel van hun aandelen in een stichting ondergebracht.

  1. Verslaglegging

De methode van verslaglegging is afgestemd op het lange termijnbeleid. De gangbare accountingregels zijn vooral bedoeld voor het op juiste wijze informeren van investeerders. Een alternatief is het Integrated Reporting Framework, dat leidt tot verslaglegging van waardencreatie in brede zin, ook met betrekking tot niet-financieel kapitaal.

images-1Of en hoe snel ondernemingen zich in bovenstaande richting zullen bewegen is niet te zeggen. Wat méér helpt dan corporate governance codes is als bedrijven die kiezen voor de geschetste koers, deze samen uitdragen. Bedrijven als Unilever, DSM en Interface zouden hierin voorop kunnen gaan. Het groenboek dat de Nederlandse Vereniging van Commissarissen en Directeuren (VCD) in het vooruitzicht stelde als antwoord op de corporate governance code kan hierbij een rol spelen[6].

[1] In de periode van 1993 – 2013 is de verhouding tussen het salaris van de 25 hoogst betaalde CEO’s en het gemiddelde salaris van alle inwoners van de VS veranderd van 195:1 naar 354:1. Peter Drucker heeft ooit betoogd dat de verhouding 10:1 om allerlei redenen het maximum zou moeten zijn: Institute for Policy Studies
 1112 (16th Street NW, Suite 600)
Washington, DC 20036

[2] Wie vertrouwt het topmanagement van bedrijven nog: http://wp.me/p32hqY-Sv

[3] Voor een kort overzicht van de achtergronden van het project: https://goo.gl/vNJQjr

[4] De nieuwe Nederlandse Corporate Governance Code. Window dressing? http://wp.me/p32hqY-TE

[5] Het lezenswaardige eindrapport “Corporate Governance for a changing world: Final Report of a Global Roundtable Series” is hier te downloaden: https://goo.gl/bdEaQp

[6] Hierbij valt te denken aan ‘good practices’, maar ook een aanpassing van de aanbevelingen van het Purpose of the Corporation Project aan de Nederlandse verhoudingen.

De nieuwe Nederlandse Corporate Governance Code. Window dressing?

27 Dec

governancecode3_8december20Op 8 december heeft de monitoring commissie onder leiding van prof. Jaap van Manen de vernieuwde Nederlandse Corporate Governance Code overhandigd aan minister van economische zaken Kamp[1]. Dit is de derde herziening van ze code-Tabaksblat uit 2003.

De corporate governance code is een milde vorm van zelfregulatie. Zij is geïnitieerd door de werkgeversverenigingen, de vakbeweging, Euronext en de belangenvereniging van aandeelhouders, Eumedion.

De code vraagt bestuurders en commissarissen van ondernemingen om een visie op lange termijn te formuleren en hierbij de belangen van alle stakeholders te betrekken. Bestuurders dienen potentiële risico’s voor de continuïteit van de onderneming onder ogen te zien en systemen in te richten voor de beheersing darvan.  Het gaat daarbij om financiële risico’s maar ook over risico’s die voortkomen uit milieu, sociale en personele aangelegenheden, supply-chain, mensenrechten en tegengaan van corruptie en omkoping (pag. 13). De beloning van de bestuurders moet passen binnen het langetermijnbeleid van de onderneming en transparant zijn (pag. 31).

Inhoudelijk zijn er overeenkomsten tussen de code en de stellingen van het Purpose of the Corporation Project, waarover ik in de voorafgaande post heb gerapporteerd[2]:

  • Bedrijven dienen het lange termijn belang van alle stakeholders, de samenleving en de natuur.
  • Het principe van maximalisering aandeelhouderswaarde leidt tot korte termijn beleid.
  • Er is geen enkele wettelijke grond om de belangen van aandeelhouders te laten prevaleren boven die van andere stakeholders, de samenleving en de natuur.
  • Variabele beloning, gekoppeld aan aandelen(opties) appelleert aan het eigenbelang van bestuurders en kan deze verleiden te sturen op maximalisering van aandeelhouderswaarde.

images-8Het valt echter te betwijfelen of de deelnemers aan het Purpose of the Corporation project erg tevreden zijn met de vernieuwde Nederlandse Corporate Governance Code en vergelijkbare codes. De code-Tabaksblat en de aanscherping daarvan in 2008 hebben op geen enkele manier kunnen voorkomen dat de markt is overspoeld met woekerpolissen, dat bedrijven kartels vormden en ongeoorloofde prijsafspraken maakten, dat belastingen op grove schaal werden ontweken, dat corruptie niet uitzonderlijk is en dat de inkomens van topmanagers tot absurde hoogte zijn gestegen. Nog maar te zwijgen van de bankencrisis.

Ook geeft de commissie Van Manen zelf aan dat de code niet leeft bij bestuurders, commissarissen en aandeelhouders. Zij bezorgt vooral controllers, adviseurs en accountants handen vol werk en deze groepen hadden daarom graag een meer stringente code gezien![3] De commissie wilde hierin niet meegaan en zij bepleit in plaats daarvan kernwaarden te formuleren en – al doet het wat naïef aan – een cultuur te creëren die deze ondersteunt.

De Nederlandse Vereniging van Commissarissen en Directeuren (VCD) is desondanks van oordeel dat controledrift overheerst[4]. Zij had liever gezien dat gekozen was voor een aanpak gebaseerd op vertrouwen in plaats van op toenemend wantrouwen. Hiermee stapt men wel erg luchtig heen over het feit dat het vertrouwen in het (top)management van bedrijven binnen de samenleving tot een minimum is gedaald.  Toch heeft de VCD wel een punt, namelijk de samenlevingsbrede tendens om alles in regels te willen vatten. Ze kondigt daarom een groenboek met vernieuwende denkbeelden vanuit ondernemingen zelf. Voor dit groenboek heb ik hieronder nog een goed idee.

De vakbeweging is verrassend positief maar betreurt terecht de afwezigheid van handvaten voor topinkomens. Ook in 2016 stegen de toch al hoge inkomens van bestuurders vele malen sneller dan die van de gemiddelde werkgever. Dat zal met de nu voorliggende code niet anders worden[5].

screenshot-kopieOverigens is er reden om te twijfelen of de code wel eenduidig kiest voor langetermijnbeleid boven maximalisering van de aandeelhouderswaarde op de korte termijn. Zij hecht namelijk aan het bestaan van een stelsel van ‘checks and balances’ tussen de drie bestuurlijke organen, te weten bestuur, raad van commissarissen én de aandeelhoudersvergadering, eufemistisch algemene vergadering genoemd. Hiermee staat de gelijkwaardigheid van alle stakeholders ernstig onder druk.

Bijna 15 jaar ervaring met een code voor corporate governance geeft aanleiding om niet alleen te kijken naar sympathieke formuleringen maar vooral naar de wijze waarop zij heeft gefunctioneerd. Dat ligt dicht tegen window dressing aan. Met de resultaten van het Purpose of the Corporation project kunnen bedrijven veel grotere stappen zetten, als zij werkelijk waarde voor de samenleving als geheel willen nastreven. In de volgende post vat ik daarom de aanbevelingen uit het Purpose of the Corporation Project samen. Het zijn deze aanbevelingen die corporate governance body kunnen geven. De Vereniging van Commissarissen en Directeuren (VCD) kan hier haar voordeel mee doen bij het schrijven van haar groenboek.

[1] Het volledige rapport kan hier worden gelezen en gedownload: http://www.commissiecorporategovernance.nl/download/?id=3364

[2] Zie hiervoor mijn korte beschrijving van het Purpose of the Corporation project: http://wp.me/p32hqY-Sv

[3] ‘Governance code is niet gemaakt voor de Zuidas’ https://www.accountant.nl/nieuws/2016/12/governance-code-is-niet-gemaakt-voor-de-zuidas

[4] Nederlandse Vereniging van Commissarissen en Directeuren (VCD) teleurgesteld in resultaat herziene Corporate Governance Code: http://ncd.nl/2016/12/commissarissen-teleurgesteld-resultaat-herziene-corporate-governance-code/

[5] 4,5% tegen 1,5%. Zie: Herziene Corporate Governance code belangrijke stap vooruit: http://www.fnv.nl/over-fnv/nieuws/nieuwsarchief/2016/december/FNV-en-CNV-Herziene-Corporate-Governance-code-belangrijke-stap-vooruit/