Archief | juni, 2015

Overheid besteedt innovatiemiddelen eenzijdig. Tien aanbevelingen

24 Jun

De Nederlandse overheid stelt miljarden beschikbaar voor innovatie. Het rendement van deze investeringen kon hoger zijn, als beter was geluisterd naar onderzoekers, bijvoorbeeld van het MERIT-UNU te Maastricht[1].

Innovatie - citaat René WintjesOverheden hebben in 2002 afgesproken om 3% van het BNP te investeren in R&D. Deze afspraken zijn nooit gehaald en dat is maar goed ook. Achter deze afspraken schuilt namelijk een fixatie op het ‘lineaire innovatiemodel’. Dit is het geloof dat innovatie vooral afhangt van publieke en private investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Dit model heeft in de periode 1950 – 1980 zijn vruchten afgeworpen. Daarna begonnen in het bijzonder vraagfactoren een steeds belangrijkere rol te spelen. De meest innovatieve bedrijven ter wereld (Apple, Google, Facebook) onderscheiden zich niet door de hoogte van hun R&D investeringen maar door de manier waarop ze vraag naar hun producten en diensten hebben weten te creëren[2].

Hieronder volgen tien aanbevelingen aan de overheid om het innovatiebeleid effectiever te maken.

  1. Geef fundamenteel onderzoek vrij baan

Kennis - Toepassingsgericht en fundamenteelGeef universiteiten een ‘lumpsum’ bedrag om fundamenteel onderzoek te doen. Vertrouw erop dat moderne wetenschappers daarbij tevens oog hebben voor maatschappelijke toepassingen. Het bedrag daarvoor hoeft niet hoger te zijn dan thans beschikbaar is, maar hef alle voorwaarden op die aan de besteding worden gesteld. Beëindig ook alle geldverslindende herverdelingsactiviteiten via NWO. Zorg wel voor een pot om jaarlijks een handvol werkelijk excellente onderzoeksgroepen een impuls te geven.

  1. Stimuleer samenwerkingsonderzoek

Innovatie - TNO en Daf ecotwinInvesteer krachtig in praktijkgericht onderzoek en betrek daarbij zowel universitaire onderzoekers als onderzoekers vanuit het bedrijfsleven. Breng dat NIET onder in universiteiten maar in instellingen naar het voorbeeld van de Duitse Fraunhofer Instituten of het Nederlandse TNO[3]. Neem een voorbeeld aan het strakke projectbegeleidingsregime van het Amerikaanse DARPA[4]. Bouw het topsectorenbeleid om naar een beleid dat consequent is gericht op de ‘grand challenges’ zoals benoemd door de EU (water, energie, voedsel, vergrijzing e.a.). Test potentiële innovatieve producten en diensten uit onder zo realistisch mogelijke omstandigheden (fieldlabs).

  1. Verhoog kenniscirculatie en absorptiecapaciteit

Innovatie - innovatievoucherBedrijven en organisaties benutten slechts een deel van de wereldwijd aanwezige kennis om te innoveren en hun productie duurzamer en maatschappelijk meer verantwoord te maken. Grotere bedrijven moeten daarom een of meer generalisten in dienst hebben die in staat zijn de link met kennisinstituten te leggen. Projectsubsidies kunnen hier een handje helpen. Regionale of sectorale innovatiecentra, zoals het Technologiecentrum Noord Nederland, kunnen deze rol voor kleine bedrijven vervullen. Ook hier zijn gerichte subsidies welkom; de innovatievoucher is hiervan een goed voorbeeld.

  1. Richt vestigingsbeleid op innovatieve bedrijven

big shiftIn mijn blogpost van 27 mei[5] heb ik al opgemerkt dat stimuleren zonder meer van clusters, ‘valleys’ of campussen, weggegooid geld is. Voorop moet staan aantrekken, stimuleren en behouden van innovatieve bedrijven en vergemakkelijken van vestiging daaromheen van andere bedrijven. Het is uiteraard een voordeel als daarbij wordt aangesloten bij sterke kanten van de regio (smart specialization) Het is dan vooral zaak om het proces van organische groei te ondersteunen.

  1. Organiseer demonstratieprojecten

Innovatie - demonstratieprojectHet grootste probleem van innovatieve bedrijven is dat veel potentiële afnemers terugschrikken om innovatieve technologieën aan te schaffen. Risicomijdend gedrag of puur conservatisme zijn daar debet aan. Overheden kunnen innovatieve bedrijven ondersteunen door demonstratieprojecten op te zetten. Aarzelende afnemers kunnen hiermee over de streep worden getrokken.

  1. Koop meer innovatieve producten

Innovatie - energy procurementDe Nederlandse overheid geeft slechts 3,8 miljard uit voor de aanschaf van innovatieve producten en diensten. Dit is maar een fractie van het totale bedrag dat beschikbaar is voor overheidsinkopen en kan makkelijk twee of drie keer hoger zijn. Aanbestedingen zouden best wat duurder mogen uitvallen als het uiteindelijk resultaat (bouwwerk, weg, spoorwegverbinding) een duidelijke demonstratiefunctie als innovatief product of dienst heeft.

  1. Maak (financieel) voordeel van innovatie zichtbaar

Innovatie - subsidie zonnepanelenBedrijven schrikken terug voor het aanschaffen van energiebesparende technologieën of overschakeling op zonne-energie. Dit komt niet alleen vanwege de hoge aanschafkosten maar ook door de lange terugverdientijd. Integrale subsidies waarbij de installatie wordt geleaset en men van meet af aan een lagere energieprijs betaalt, bieden dan een oplossing.

Een vergelijkbaar beleid kan ook worden gevoerd naar consumenten: Uit handen nemen van rompslomp bij de aanschaf van zonnepanelen en financieel voordeel onmiddellijk voelbaar maken.

  1. Bemiddel bij aantrekkelijke vormen van financiering

Innovatie - koploper project MKBHet is nergens voor nodig dat alle bedrijven innovatieve producten en diensten aanbieden. Wél zouden ze alle moeten overschakelen op energiebesparende machines, gebruik maken van schone technologieën en gebruik maken van bio-grondstoffen. De meeste daarvan liggen al ‘op de plank’ . De aanschaf daarvan zou met leaseconstructies, garantieleningen, laag btw-tarief en desnoods subsidies gestimuleerd moeten worden.

  1. Bevorder gewenst gedrag met wetgeving

De beste bijdrage van de overheid aan de energietransitie is het zwaar belasten van de uitstoot van CO2 en alle vormen van subsidie op fossiele energie en grondstoffen stopzetten. Kost weinig en levert – althans tijdelijk – veel op. Andere juridische stappen om bedrijven en consumenten te ‘helpen’ innoveren zijn minimumeisen op gebied van dierenwelzijn, minder maar strenge eisen aan voedselkwaliteit en verbieden van investeringen in aanleg van centrales die fossiele brandstoffen gebruiken.

  1. Onderwijs en educatie

Onderwijs - Financiële- en accountantsopleidingenDe inhoud van het onderwijs moet wezenlijk veranderen. Het gaat er NIET in de eerste plaats om dat jongeren voor technische vakken kiezen of enthousiast worden voor innovatie. Centraal staat een transitie met doel om de wereld toekomstbestendig te maken en leerlingen te mobiliseren de handen daarvoor uit de mouwen te steken. Het onderwijs zal in elk geval leiden tot een herwaardering van verantwoord ondernemerschap en vakkundigheid.

Innovatie met als doel de grote problemen van deze tijd aan te pakken kan toe met minder, maar andere, investeringen in R&D en meer investeringen die voorwaarden scheppen (onderwijs, vestigingsbeleid) en vooral investeringen die ervoor zorgen dat de beschikbare kennis en de daaruit resulterende producten en diensten ook worden gebruikt.

Innovatie - model aanbod en vraagfactoren

[1] Zie bijvoorbeeld het rapport dat dr. René Wintjes schreef voor de EU: Un-locking the potential of business and societal innovation; how to scale-up successful new business and production models? European Union Enterprise and Industry, September 2013. Downloden via http://www.merit.unu.edu/how-to-maximize-innovation-potential/

[2] Mijn blogpost van 27 mei laat zien dat tot top tien van bedrijven op het gebied van R&D allesbehalve samenvalt met de top tien van innovatieve bedrijven: http://wp.me/p32hqY-cT

[3] Universiteiten zullen dit geld besteden ter versterking van hun eigen onderzoeksprioriteiten en naar buiten mooie verhalen vertellen over het maatschappelijke belang daarvan. Voorkom deze maskarade.

[4] Zie mijn blogpost: Geen kleinere maar een sterkere overheid http://wp.me/p32hqY-9q

[5] Valleys, clusters en campussen: hoe overheden geld verspillen http://wp.me/p32hqY-cT

Advertenties

Hoger Onderwijs voor volwassenen: schenk klare wijn!

17 Jun
Zes principes van leren door volwassenen

Zes principes van leren door volwassenen

Het hoger onderwijs heeft weinig interesse voor verschillen tussen studenten. Dat is de strekking van een reeks posts die ik onlangs heb gepubliceerd[1]. Was dit wel het geval, dat zou onderwijs voor volwassenen werkende studenten anders uitzien dan onderwijs voor voltijdse initiële dagstudenten. Maar ook één type opleiding voor volwassenen is onvoldoende. Daarvoor bestaan er te veel verschillen tussen hun leerbehoeften en -mogelijkheden. Een ding is duidelijk: opleidingen die duidelijke keuzen maken en communiceren zijn het meest succesvol.

Om te beginnen de Open University, verreweg de grootste universiteit van het UK. Het succes van deze instelling voor afstandsonderwijs vloeit voort uit vier alom bekende karakteristieken: voortreffelijk materiaal voor zelfstudie, tutoren die ingeleverde opdrachten van commentaar voorzien en beoordelen, indien nodig aanvullend contactonderwijs en een vaste cursusduur.

Onderwijs - volwassen studenten 3Het venijn zit in de staart; de vaste cursusduur. Aangenomen wordt dat een vaste cursusduur studenten stimuleert de studie een vanzelfsprekende plaats in hun leven te geven en elke week ruim 10 uur te studeren. Dit zou leiden tot een betere doorstroming en een hoger rendement. Veel volwassen studenten geven echter de voorkeur aan een flexibele cursusduur, liefst in combinatie met de mogelijkheid om op elk gewenst tijdstip aan een cursus te kunnen beginnen. Studenten kunnen op deze manier de studie aanpassen aan de tijd waarover ze beschikken naast een drukke baan en activiteiten in de privésfeer. Aangenomen wordt dat deze kenmerken leiden tot meer studievertraging en -uitval[2]. Toen de Nederlandse Open Universiteit vorig jaar deze vorm van flexibiliteit afschafte en tevens het aantal startmomenten beperkte tot twee per jaar, brak er een storm van protest uit. Dit leidde tot de invoering van allerlei keuzemogelijkheden.

Het bovenstaande schetst een van de dilemma’s waarmee instellingen voor volwassenenonderwijs te maken hebben. Veel studenten opteren voor maximale flexibiliteit maar zij lopen mogelijk verhoogd risico van studievertraging en -uitval. Instellingen die voor flexibiliteit kiezen, doen er dus verstandig aan na te denken over een ‘prikkel’ die ertoe leidt dat studenten de studie permanent hoog op de prioriteitenlijst zetten, ook als de wekelijkse studietijd varieert.

Onderwijs - volwassen studentenDe Capella Universiteit in de VS heeft dit goed begrepen. Deze instelling voor afstandsonderwijs bestaat ruim 30 jaar en heeft thans 37.000 studenten. De inrichting van het onderwijs lijkt sterk op die van de Britse OU. Vanwege de aanhoudende vraag naar een meer flexibel onderwijsaanbod, is zij tien jaar geleden gestart met FlexPath. Het gaat om nieuw ontworpen én geaccrediteerde bachelor- en masterprogramma’s, vooralsnog alleen voor studenten bedrijfskunde, psychologie en informatietechnologie[3]. Deze programma’s bestaan uit geschakelde activiteiten (geen cursussen) waarvan de eindtermen rechtstreeks zijn afgeleid van de competenties die het programma wil ontwikkelen. Elke activiteit wordt afgesloten met een opdracht (adviesnota, onderzoekverslag, presentatie), die docenten binnen 48 uur van commentaar voorzien en beoordelen. Beoordelingscriterium is de mate waarin de gewenste eindtermen zijn behaald. De studieduur wordt niet uitgedrukt in uren. Aangenomen wordt dat de ene student meer tijd nodig heeft dan de andere, afhankelijk van voorkennis en -opleiding. Er is ook voorzien in een stok achter de deur om de vaart erin te houden; studenten betalen een vast bedrag per maand. Opmerkelijk is dat studenten die voor FlexPath kiezen, aanzienlijk korter over de studie doen dan ‘reguliere’ afstandsstudenten van Capella University.

Hier kun je een korte promotievideo zien

De casus is om minstens twee redenen interessant: in de eerste plaats vanwege het feit dat de programma’s consequent zijn opgebouwd vanuit de competenties waarover afgestudeerden moeten beschikken. In de tweede plaats vanwege de transparantie van het aanbod. Studenten volgen het standaardprogramma óf FlexPath. Deze laatste optie wordt aanbevolen aan studenten met méér voorkennis, ervaring en discipline. Alvorens ze worden toegelaten tot FlexPath doorlopen ze een intake-procedure.

Het hoger onderwijs voor volwassenen heeft baat bij diversiteit aan studiemogelijkheden. Bij een hoge mate aan diversiteit hoort dat aanbieders een helder profiel hebben. Studenten weten dan waaraan ze toe zijn. De Britse Open University én Capella University zijn hiervan goede voorbeelden.

[1] Zie onder andere: Wetenschappelijk onderwijs kent zijn studenten niet http://wp.me/p32hqY-cc

[2] Op basis van schaarse en onvolledige gegevens heb ik echter kunnen vaststellen dat de verschillen in studie-uitval tussen de open universiteiten in het UK en Nederland kleiner zijn dan wordt gedacht.

[3] Overzicht van de FlexPath programma’s en hun kenmerken: http://www.capella.edu/flexpath-self-paced-learning

Rumbling on performativity: Proefschrift over rendementsdenken

10 Jun

Onderwijs - OnderwijsfabriekOp talloze universiteiten in Europa en de VS vinden discussies plaats over de groeiende rol van de bedrijfsmetafoor. Kritiek – ook van binnenuit – op de schadelijke gevolgen van doorgeslagen rendementsdenken is er echter al lang. Frits Simon, adviseur van het College van Bestuur van Zuyd Hogeschool promoveert vrijdag 12 juni op een proefschrift getiteld Rumbling on performativity. The complex practice of policy development in a University of Applied Sciences. Promotoren zijn Thijs Homan en ondergetekende; copromoter is Rob Zuijderhoudt[1]. Het proefschrift is om drie redenen van belang.

Ten eerste.
Personen - Frits Simon

Frits Simon

De auteur heeft gekozen om ontwikkelingen in het hoger onderwijs te bekijken vanuit een complex responsieve proces benadering[2]. In deze benadering komt ‘de werkelijkheid’ tot stand door talloze interacties tussen mensen. Het uiteindelijke resultaat is dan ook moeilijk te voorspellen. Een College van bestuur moet ministeriële richtlijnen volgen, maar de manier waarop dat gebeurt is het gevolg van lokale dialogen, kleine stappen en reacties daarop en toevallige gebeurtenissen. Ook als een College van bestuur beslissingen doorvoert, gebruik makend van zijn macht, pakt het resultaat doorgaans anders uit dan bedoeld. Het is best wel mogelijk om (achteraf) een aantal omstandigheden te benoemen die van invloed zijn geweest op de gang van zaken, maar deze voorspellen is onmogelijk.

Ten tweede.

Onderwijs - Rumbling on performativityHet krijgen van diepgaand inzicht in wat er in een organisatie gebeurt, door iemand die er ook zelf werkt, kan worden geplaatst in de traditie van sociaal constructivistisch, auto-etnografisch of insider onderzoek. De auteur heeft drie belangrijke beleidsprocessen binnen Zuyd Hogeschool vastgelegd in narratives. Hij deelt wat hij ziet voortdurend met degenen op wiens handelingen hij reageert en omgekeerd. Vervolgens reflecteert hij op de narratives door zijn eigen veronderstellingen zo expliciet mogelijk te maken en uit te diepen met wetenschappelijke literatuur. Anders dan het geval is bij interview en surveys, ontstaat er al doende een rijk gedocumenteerd doorwrocht beeld van de bestudeerde organisatie. Medewerkers, bestuurders en beleidsmedewerkers van de eigen en andere organisaties zullen zich deels wel en deels niet in de beschrijvingen herkennen. Het helpt hen in elk geval om hun eigen handelen en de effecten daarvan beter te doorzien. Voor andere wetenschappers bevatten de beschrijvingen van beleidsprocessen, waaronder de totstandkoming van de prestatieafspraken, uniek casusmateriaal.

Ten derde.
Ralph Stacey

Ralph Stacey

Wetenschappers voeren al eeuwen een discussie over het spanningsveld tussen abstractie en ‘werkelijk-getrouwheid’ (ecologische validiteit). Abstraheren is nodig om te kunnen generaliseren. Echter, abstraheren impliceert reductie van de werkelijkheid tot enkele variabelen met als gevolg verlies aan betekenis. Zie bijvoorbeeld de economische wetenschap. Wetenschappers zoeken al eeuwen naar alternatieve methoden om ‘de werkelijkheid’ beter te vatten, maar velen zijn tevens van mening dat de daaruit voortvloeiende ‘beelden’ in de eerste plaats constructies zijn. Het combineren van een complex responsieve procesbenadering en een narratieve methode lost dit probleem deels op. De onderzoeker komt immers niet als geïsoleerd individu tot een beschrijving van de werkelijkheid, maar legt de interacties waarbij hij/zij zelf is betrokken, steeds voor aan de andere betrokkenen. Voor het wetenschappelijke debat is het van groot belang dat er niet alleen over onderzoeksmethoden wordt gesproken, maar dat deze tevens worden beproefd, ook als ze niet mainstream zijn. Het is daarom mooi dat dit proefschrift aan de Open Universiteit tot stand is kunnen komen[3]. [1] Voor wie deze link volgt is het proefschrift als e-pub of pdf beschikbaar: http://www.zuyd.nl/onderzoek/proefschrift-frits-simon [2] Deze benadering heeft vooraf bekendheid gekregen dankzij het werk van Ralph Stacey, verbonden aan de Universiteit van Hertfortshire. [3] Het proefschrift is tot stand gekomen in intensieve dialoog binnen de ‘complexiteitsgroep’ die een onderdeel is van de PhD-school van de Faculteit MST van de Open Universiteit. De komende jaren zullen meer leden van de groep promoveren op vergelijkbare proefschriften. Vergelijkbaar omdat ze alle gebruik maken van de complex responsieve proces benadering en een insidersperspectief opleveren van de organisatie waaraan de auteurs verbonden zijn. De belangrijkste ‘trekkers’ (Thijs Homan en Nol Groot) hebben overigens de Open Universiteit verlaten. Wie meer over de complexiteitsgroep wil weten kan het beste contact opnemen met Jos Roemer, de coördinator van de groep: directie@sol-identiteitsbegeleiders.nl

Het nieuwe economieonderwijs komt er aan…

3 Jun

Onderwijs - Financiële- en accountantsopleidingenHet economieonderwijs moet fundamenteel veranderen of verdwijnen. Dat was de strekking van mijn blogpost van 20 mei jl[1]. Laat nu enkele dagen daarvoor het inspiratiedocument Financiële en accountancyopleidingen voor de nieuwe economie zijn verschenen[2]. Een aantal vertegenwoordigers van banken, accountantskantoren en opleiders – verenigd in een community of practice – heeft er een jaar aan gewerkt op initiatief van Het Groene Brein. Het rapport maakt de grond bouwrijp voor ingrijpende veranderingen. Het laat ons bovendien kennismaken met vernieuwingen van opleidingen die al vorm krijgen, bijvoorbeeld in de Hogeschool van Amsterdam en in de Hanzehogeschool.

Degenen die aan het rapport hebben meegewerkt zijn het erover eens dat bedrijven verantwoordelijkheid moeten nemen voor de problemen die de wereld bedreigen. Soms hebben zij daar al op korte termijn baat bij, maar op langere termijn is het niet minder dan van levensbelang. Het écht nemen van maatschappelijke verantwoordelijkheid heeft vergaande gevolgen voor het financieel management en dus ook voor de opleidingen van financieel-managers en controllers.

De community of practice heeft als uitgangspunt voor het denken over de toekomstige beroepspraktijk van financieel-specialisten gekozen voor het rapportage raamwerk van de International Integrated Reporting Council (IIRC). Aan dit raamwerk ligt een nieuwe manier van denken over bedrijven en bedrijfsresultaat ten grondslag: Waardecreatie binnen bedrijven is het resultaat van de integrale inzet van een zestal verschillende ‘kapitalen’ en niet van geld en arbeid alleen (zie afbeelding 1). Een geïntegreerde benadering van de zes kapitalen moet voorkomen dat concentratie op een soort kapitaal leidt tot vernietiging van een ander soort. Het ‘Integrated Reporting Framework’ is een uitgangspunt voor zowel strategieontwikkeling als verslaglegging. Gelet op de steun die ‘IR’ heeft vanuit de wereld van de accountancy, komt dat laatste wel goed[3].

Organisatie - zes kapitalenHet probleem is wel hoe de zes kapitalen gemeten moeten worden. Dat moet worden ontwikkeld en geleerd. Binnen de financiële en accountancyopleidingen is daarvan nog nauwelijks sprake. Het is niet de bedoeling dat er aparte vakken komen, maar er zal een vernieuwing plaatsvinden van de leerinhoud van de bestaande vakken of thema’s. Het vakgebied risicomanagement zal bijvoorbeeld gaan over de beheersing van risico’s met betrekking tot elk van de zes kapitalen.

Terecht wordt er van uitgegaan dat het niet alleen gaat om nieuwe leerinhoud, maar ook om een andere manier van denken over kapitaal. Ik was daarom erg enthousiast over de ‘cultuurkaart’ financiële sector (afbeelding 2), die een tot de verbeelding sprekende beschrijving geeft van het nieuwe denken[4]. Zij is het resultaat van gezamenlijk werk van 100 jonge bankiers, die doordrongen zijn van de noodzaak van wezenlijke (mentaliteits)verandering in de financiële sector.

Afbeelding 2

Afbeelding 2

De opleiding Financieel Service Management van de Hogeschool van Amsterdam is druk bezig te onderzoeken of de zes kapitalen voldoende aan bod komen in de thematische blokken waaruit deze opleiding nu bestaat. Dit is – uiteraard – niet het geval en de komende jaren wordt de inhoud van het onderwijs aangepast. Terecht wordt opgemerkt dat de opleiding tot competenties moet leiden voor de beroepspraktijk in de toekomst. Dat studenten in de praktijk nog niet veel merken van  duurzaam gedrag in bedrijven waar ze stage lopen, moet op de koop toegenomen worden.

Ik ben erg onder de indruk van de wijze waarop het lectoraat Duurzaam Financieel Management maatschappelijk verantwoord ondernemen integreert in de opleiding bedrijfseconomie aan de Hanzehogeschool in Groningen. Ook hier vormen de zes kapitalen van IR het uitgangspunt. Men is gestart met een fundamentele bezinning over wat de opleiding moet bereiken. Van daaruit worden de competenties van de bestaande opleiding aangevuld en verrijkt met competenties van de integraal werkende financieel specialist. Dit resulteert uiteindelijk in een leerlijn over een viertal jaren (afbeelding 3). Deze is dermate gedetailleerd uitgewerkt, dat het ontwerp van bijbehorende onderwijsactiviteiten geen onoverkomelijke problemen zal opleveren (p. 30-31).

Afbeelding 3

Afbeelding 3

De werkzaamheden zijn nog lang niet afgerond. Ook de pioniers in Amsterdam en Groningen hebben nog veel te doen. Andere opleidingen moeten nog beginnen. Eveneens een omvangrijke klus is de nascholing van werkende professionals.

De invoering van een integrale visie op verslaglegging is één ding; het als uitgangspunt van de bedrijfsstrategie hanteren van de zes kapitalen is iets anders. Ik zie dit laatste nog niet onmiddellijk omarmd worden door het (top)management van bedrijven. Het is te hopen dat de bedrijfskunde opleidingen en de MBA’s in het bijzonder hier even voortvarend mee aan de slag gaan als de financiële en accountancyopleidingen dat doen voor rapportage. Ik hoop op afzienbare termijn hierover te kunnen berichten.

[1] Economieonderwijs vernieuwen of afschaffen? http://wp.me/p32hqY-cO

[2] http://cdn.hetgroenebrein.nl/wp-content/uploads/2015/05/HGB_Inspiratiedocument_CoP_FAN.pdf

[3] De Nederlandse Bond van Accountants heeft in 2014 een brochure geschreven over Integrated reporting in het grootbedrijf. Voornaamste insteek is de integratie van inspanningen op het gebied van duurzaamheid in de verslaglegging: https://www.nba.nl/Documents/Nieuws/2014/pdfs/Artikel%20integrated%20reporting%20in%20het%20grootbedrijf%20NBA-AIB%20juli%202014.pdf

Deloite doet al drie jaar op rij onderzoek naar de geleidelijke vorderingen die Nederlandse bedrijven maken op het gebied van geïntegreerde rapportage, waarbij de NS koploper is. http://www2.deloitte.com/content/dam/Deloitte/nl/Documents/audit/deloitte-nl-audit-integrated-reporting-in-the-netherlands.pdf

[4] Zie over de totstandkoming van de cultuurkaart voor de financiële sector: https://www.nvb.nl/nieuws/2014/2752/jonge-bankiers-doordrongen-van-de-maatschappelijke-rol-van-banken.html