Tag Archives: World Economic Forum

Geen economische groei maar inclusieve ontwikkeling

29 Jan

Als het aan het World Economic Forum ligt, meten we de welvaart van landen niet meer met het bruto nationaal product per capita (bnp/c) maar met de Inclusive Development Index (ID-index)[1]

Het bruto nationaal product zegt niets over hoe een land zijn rijkdom vergaart en verdeelt. Een hoog bnp als gevolg van de productie van goederen en diensten is heel wat anders dan een hoog bnp als gevolg van de uitverkoop van natuurlijke hulpbronnen. Hetzelfde geldt voor een hoog bnp waarvan slechts een minderheid van de bevolking profiteert.

De ID-index brengt zowel het economisch potentieel van een land in kaart als de mate waarin dit bijdraagt aan goede levensomstandigheden voor de hele bevolking. De berekening ervan is gebaseerd op drie pijlers elk bestaande uit vier indicatoren[2]. De score van elke indicator varieert van 1 – 7.

Pijler 1: Growth and development
  • Bruto nationaal product per capita
  • Arbeidsproductiviteit
  • Levensverwachting in gezonde jaren[4]
  • Werkgelegenheid[5]
Pijler 2: Social Inclusion

De mate waarin de bewoners van een land meedelen in de welvaart:

  • Inkomens-ginicoëfficiënt[6]
  • Aantal mensen dat leeft onder de armoedegrens[7]
  • Vermogens-ginicoëfficiënt, de spreiding van het bezit.
  • Modale inkomen per huishouden
Pijler 3: Intergenerational equity and sustainability

De mate waarin welvaart en welzijn van nu ten koste gaan van die van toekomstige generaties.

  • Netto kapitaalopbouw[8]
  • CO2-intensiteit[9]
  • Staatsschuld
  • Afhankelijkheidsratio[10]

screenshot-2

Het bovenstaande overzicht toont de ID-index voor de welvarende landen. Hierbij is per land een vergelijking gemaakt tussen de score op de ID-index en de score op basis van het bnp/c.

Hieronder vergelijk ik de 12 indicatoren waaruit de ID-index is opgebouwd van Nederland met die van Noorwegen en de VS. Noorwegen is topscorer op vrijwel elk van de 12 indicatoren van de ID-index en scoort ook hoog op het bnp/c. Het bnp/c van de VS is vergelijkbaar met dat van Nederland, maar de ID-index van dit land staat bijna onderaan op de lijst van welvarende landen. Zie hiervoor ook het onderstaande overzicht. De relatieve plaats van elke indicator binnen de groep van meest welvarende landen is daarin met een kleur aangegeven.growth-and-development

Op de pijler growth and development scoort Nederland een stuk lager dan Noorwegen. De arbeidsproductiviteit in ons land ligt ver beneden die van Noorwegen én de VS. Met de gezondheid is het in Nederland en Noorwegen stukken beter gesteld dan in de VS.

Van de pijler social inclusion valt op de hoge vermogens-ginicoëfficiënt op van zowel Noorwegen als de VS. In tegenstelling tot de VS, is de inkomens-ginicoëfficient in Noorwegen laag, wat wijst op relatief geringe inkomensverschillen. Ook in vergelijking met Nederland. Dit wijst erop dat het belastingstelsel in Noorwegen zorgt voor een krachtige herverdeling. Zowel in Nederland als Noorwegen is het percentage armen ongeveer de helft van dat in de VS.

Wat de intergenerational equity and sustainability betreft, hier scoort Noorwegen duidelijk het hoogst. Nederland staat in de middenmoot en de VS bungelt onderaan.

Noorwegen heeft zijn rijke resources goed gebruikt om voorzieningen te scheppen voor toekomstige generaties. Positief voor de VS is dat de overheid decennia fors heeft geïnvesteerd in onderzoek. Hiermee is een basis gelegd voor de hightech industrie en daarmee voor de hedendaagse welvaart, althans van een deel van de bevolking.

Een aandachtspunt voor het Nederlandse beleid is dat zowel Noorwegen als de VS de afgelopen jaren een lichte verbetering tonen op de ID-index, terwijl Nederland achteruit gaat. De onderstaande matrix toont de positie van alle welvarende landen, rekening houdend met de hoogte en de ontwikkeling van de ID-index[3].hoogte-en-groei-id-index

Het rapport heeft ook de relatie onderzocht tussen het gevoerde beleid en de scores op de ID-index. Daartoe is een beleidskader opgesteld, dat zeven pijler bevat en 15 bijbehorende instrumenten. In mijn volgende blogpost sta ik stil bij dit kader en vergelijk ik wederom Nederland, Noorwegen en de VS.

[1] Het Inclusive growth and Development Report 2017 kan hier worden gedownload. Via deze website kunnen uitgebreide landenprofielen worden aangemaakt.: http://reports.weforum.org/inclusive-growth-and-development-report-2017/

[2] Zie pagina 102 voor de berekeningswijze van elke indicator

[3] Een vergelijkbare matrix is beschikbaar voor de ontwikkelende landen. Zie het voornoemde rapport op pagina 22.

[4] De healthy life expectancy is een nieuwe international maatstaf voor levensverwachting waarin de tijd wordt verdisconteerd waaraan wordt geleden aan ziekten of verwondingen

[5] Het deel van de bevolking ouder dan 15 jaar dat een betaalde baan heeft

[6] De Gini-coëfficienten meten de mate van inkomens- en vermogensongelijkheid. Hoe hoger, des te meer ongelijkheid.

[7] Voor welvarende lanen wordt hierbij uitgegaan van een gezinsinkomen dat lager is dan de helft van het modale inkomen

[8] Het betreft hier de totale nationale besparingen, plus de investeringen in onderwijs minus het verbruik van grondstoffen en de schade door vervuiling (met uitzondering van de schade veroorzaakt door CO2)

[9] Dit betreft de hoeveelheid CO2 die vrijkomt in verhouding tot een eenheid bruto nationaal product

[10] De omvang van de totale bevolking ten opzichte van de bevolking tussen 15 – 64 jaar

Van concurrentiekracht naar vitaliteit: onderwijs, ondernemerschap en innovatie

13 Nov

Hoe concurrerend zijn landen ten opzichte van elkaar? Vanaf 2005 gaf de Global Competitiveness Index (GCI) – gepubliceerd door het World Economic Forum – het meest gezaghebbende antwoord op deze vraag. Na ruim tien jaar is het fundament van de GCI sleets aan het worden: Veel indicatoren zijn achterhaald en voor andere zijn betere cijfers beschikbaar. Vandaar het besluit om de GCI 2017 – 2018 grondig te herzien. De onderstaande figuur toont de pijlers waarop de nieuwe GCI is gebouwd. Na een bespreking van enkele onderdelen van de nieuwe GCI die nu al bekend zijn, sta ik stil bij vraag of deze index wellicht iets anders meet dan concurrentiekracht.

screenshot-6De samenstellers van de nieuwe GCI hebben enkele pijlers alvast opnieuw ontworpen en berekend[1]. Het betreft de pijlers onderwijs en vaardigheden, dynamiek bedrijven en innovatie capaciteit.

Onderwijs en vaardigheden

De huidige berekening van onderwijs en vaardigheden maakt overwegend gebruik van kwantitatieve maatstaven zoals de instroom in verschillende typen onderwijs en de beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs naar internationale maatstaven. Onderstaand overzicht toont de nieuwe indicatoren. Deze leunen op twee gedachten: De kwaliteit van de huidige beroepsbevolking en de manier waarop het onderwijs leerlingen voorbereidt op hun toekomstig functioneren. Hierbij wordt veel waarde gehecht aan ICT-vaardigheden, ontwikkelen van kritisch denken en minder aan het memoriseren van leerstof.

screenshot-5

Een vergelijking van beide typen indicatoren toont de dynamiek van de ontwikkeling die verschillende landen in dit opzicht doormaken. Ook de meest ontwikkelde landen kunnen hun voorsprong verliezen als het onderwijs niet meegroeit met de veranderende eisen die vanuit de samenleving worden gesteld.

Onderstaande tabel toont de hoogst scorende landen. Denemarken staat op de eerste plaats. De gerichtheid kennis en vaardigheden op de toekomst blijkt onder andere uit het feit dat informatiekunde onderdeel is van het curriculum van de basisschool.

screenshot-4

De vergelijking van de scholingsgraad van de huidige beroepsbevolking met die van de toekomst levert boeiende inzichten op. Een aantal landen gaat hierbij (fors) achteruit: Zwitserland (1 resp. 12), Duitsland (2 resp. 15) en de VS (5 resp. 18). Maar ook: Luxemburg (14 resp. 52!) en de Russische Federatie (28 resp. 40). De nieuwe manier van berekenen maakt het behoudende karakter van deze landen op het gebied van onderwijs pijnlijk duidelijk.

Andere landen vertonen een tegenovergestelde beeld; in het bijzonder Finland (23 resp. 1) en IJsland (24 resp. 3). Deze landen hebben meer geïnvesteerd in onderwijsvernieuwing dan welk Europese land ook en zij verschijnen beide in de top drie. Daar komen ze Nederland tegen dat een goede beurt maakt door op te schuiven van de 9de plaats als het gaat over de beroepskwalificaties van de huidige werknemers naar de 2de plaats als het de werknemers van de toekomst betreft. Andere landen die in dit verband opvallen zijn de verenigde Arabische Emiraten (50 resp. 14) en Nieuw Zeeland (17 resp. 4). China opereert in de achterhoede, maar maakt wel progressie (85 resp. 58).

Innovatie

Hierna sta ik stil bij de pijlers dynamiek bedrijven en innovatiecapaciteit. De pijler dynamiek bedrijven verwijst naar een ondernemende en adaptieve (‘agile’) wijze van denken en doen. Illustratief in dit opzicht zijn het gemak om nieuwe bedrijven te stichten, financiering te krijgen en de houding ten opzichte van ondernemersrisico.

screenshot-3

Bij innovatie capaciteit gaat het om de vraag of deze houding ook tot innovatief ondernemen leidt. Indicatoren hierbij zijn de hoeveelheid R&D en patenten alsmede de bereidheid van bedrijven om innoverende producten op de markt te brengen. Maar ook het stimuleren van creativiteit en samenwerking tussen individuen en organisaties.

screenshot-10

Dynamiek bedrijven

 

Innovatie vindt plaats waar deze pijlers elkaar versterken. Immers innovatie vereist niet alleen een klimaat waar nieuwe ideeën kunnen ontstaan, maar ook de bereidheid en het vermogen deze in te praktijk te realiseren. De neven- en onderstaande figuren geven een overzicht van de indicatoren voor beide pijlers.

Landen die op beide pijlers hoog scoren zijn Zweden (2 resp. 2), Nederland (4 resp. 3), Denemarken (5 resp. 5) en ook Finland op een lager niveau dan enige tijd geleden (11 resp. 8)

screenshot-9

Innovatie-capaciteit

De VS staan op de eerste plaats als het gaat om dynamiek bedrijven, maar blijven achter op het gebied van innovatiecapaciteit (6). Hetzelfde geldt voor Noorwegen (3 resp. 15), Verenigd Koninkrijk (6 resp. 12) en Nieuw Zeeland (7 resp. 21). Op aanzienlijke achterstand volgt de Russische federatie (37 resp. 59). De landen die hoog scoren op het gebied van dynamiek bedrijven, maar waar de innovatiecapaciteit achterblijft, kennen wetgeving die vestiging van bedrijven stimuleert en ondernemerschap bevordert. Ze tonen verder aan dat ondernemingen om succesvol te zijn niet altijd innovatief hoeven te zijn.

Het omgekeerde is het geval bij Zwitserland. Dit land scoort op de eerste plaats als het gaat om innovatiecapaciteit, maar bij dynamiek bedrijven komt dit land op plaats 9. Een vergelijkbaar verschil geldt voor Duitsland (4 resp. 10), Luxemburg (7 resp. 40!) en op flinke achterstand China (36 resp. 68). Voor deze groep geldt dat er kennelijk is voldaan aan de voorwaarden om te innoveren, maar dat de stap naar innovatief ondernemerschap lastiger is.

In landen die op beide pijlers hoog scoren, gedijt innovatief ondernemerschap. Dit is zeker voor Nederland het geval.De vooruitzichten voor Nederland zijn nog beter als de gegevens over opleiding en vaardigheden bij de beschouwing worden betrokken. Immers Nederlandse scholieren en studenten behoren na de Finnen tot degenen die het best op de toekomst worden voorbereid. Althans voor wie meegaat in de berekeningsmethode van het World Economic Forum.

Het positieve beeld van Nederland hoeft niet te verbazen. In enkele decennia is de aantrekkingskracht van ondernemerschap opmerkelijk toegenomen. In alle hoeken en gaten verschijnen startups, waarvan vele met een innovatief karakter. Hun financiering is beter geregeld dan vijf jaar geleden. Maar ook, in veel traditionele bedrijven leidt sociale innovatie langzaam tot nieuwe vormen van management en zelfsturing, waardoor ook daar innovatief ondernemerschap wortel kan schieten.

Het begrip concurrentiekracht dekt maar ten dele de dynamiek van landen als Denemarken, Nederland, Finland en Zweden. Dat deze landen een hoog concurrerend vermogen hebben is zonneklaar, maar dat is eerder het gevolg van een vitaliteit die veel verder rijkt dat het streven naar productiviteitsverbetering. Deze vitaliteit heeft te maken met andere waarden en normen, kwaliteit boven kwantiteit en groeiend langetermijnperspectief. De nieuwe GCI neemt veel van dit soort indicatoren mee. Ondanks het feit dat dit proces zeker nog niet is afgerond lijkt de nieuwe GCI te evalueren naar een maatstaf voor de vitaliteit van landen in plaats van de veel beperktere concurrentiekracht. Dit kan belangrijke en positief te waarderen consequenties hebben voor het beleid.

[1] Zie: https://www.weforum.org/reports/the-global-competitiveness-report-2016-2017-1/

Moedig besluit World Economic Forum: De ‘global competitiveness index’ wordt herzien.

7 Nov

Onlangs publiceerde het World Economic Forum de global competitiveness Index (GCI) 2016-2017[1]. Voor wat het waard is: Nederland stijgt van de vijfde naar de vierde plaats. De score is berekend door de gemiddelde scores te nemen van 122 indicatoren verspreid over 12 onderwerpen (‘pijlers’), die in verband gebracht kunnen worden met concurrentiekracht. Een van deze pijlers is innovatie. Op deze pijler nam Nederland een 8ste plaats in; dit jaar een 7de. De onderstaande afbeelding laat de 12 pijlers en de afzonderlijke indicatoren zien.Samenleving - competitiveness 4Bij de presentatie van de vorige editie van het rapport toonden de opstellers van de GCI zich kritisch over de berekening van de index. Dit jaar is aangekondigd dat in de nabije toekomst een groot aantal indicatoren wordt verwijderd en vervangen. Er zijn thans maar liefst 5 indicatoren van diverse tropische ziekten. Er komen daarnaast nieuwe indicatoren die onder andere verwijzen naar de rol van de financiële markten, het ontstaan van nieuwe consumptiemodellen en de snelheid van technologische verandering.

Samenleving - competitiveness 3

GCI 2015-2016

Het grootste bezwaar tegen de huidige GCI gaat over de manier waarop innovatie wordt gemeten. Ik sta hier kort bij stil en ga vervolgens in op de nieuwe aanpak.

De score op de pijler innovatie is – net als de scores op andere pijlers – een cocktail van indicatoren. In dit geval zijn er dat zeven. Zes daarvan corresponderen de onderstaande vragen. Deze zijn voorgelegd aan en op een zevenpuntsschaal beantwoord door managers van bedrijven in de afzonderlijke landen.

  1. Beschikken bedrijven in uw land over de capaciteit om te innoveren?
  2. Hoe beoordeelt u de kwaliteit van de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek in uw land?
  3. In welke mate investeren bedrijven in uw land in R&D?
  4. In welke mate werken in uw land bedrijven en universiteiten samen op het gebied van R&D?
  5. In welke mate stimuleert het inkoopbeleid van de overheid in uw land innovatie?
  6. In hoeverre zijn er in uw land voldoende technisch geschoolde hoger opgeleiden aanwezig?

De zevende indicator betreft het aantal patenten per 1.000.000 inwoners en hiervoor zijn bestaande statistieken gebruikt.

Deze zeven vragen zijn uitermate willekeurig en de betrouwbaarheid van de antwoorden is twijfelachtig. De score op de pijler innovatie verandert dan ook meteen als andere indicatoren worden gebruikt. Dat bleek nadat ik een herberekening had gemaakt voor 15 landen, waarbij aan de zeven indicatoren werd toegevoegd: De kwaliteit van het onderwijs, het gemak om geld te lenen, de absorbtiecapaciteit van bedrijven en de bereidheid om de macht te delen (horizontaal georganiseerde bedrijven zijn meestal meer innovatief). Het resultaat was een forse verschuiving binnen de rangorde. De VS, Zweden en Noorwegen scoorden dankzij de toegevoegde indicatoren een stuk beter. Voor Zwitserland, Israël en Denemarken gold het omgekeerde. Nederland bleef stabiel op de 8ste plaats.

Het fundamentele probleem ligt echter dieper dan de selectie van de juiste indicatoren. Geen enkele ranking is namelijk gebaseerd op een rechtstreekse meting van innovatie[2]:

The implementation of a new or significantly improved product (good or service), a new process, a new marketing method or a new organizational method in business practices, workplace organization, or external relations[3].

Gegevens om deze definitie op het niveau van landen te operationaliseren zijn er blijkbaar niet. Hiervoor in de plaats verzamelt men zo veel mogelijk ‘proxi’s’. In dit geval zijn dat gegevens over ‘het klimaat’ waarin innovatie gedijt en ‘de infrastructuur’ die voor innovatie nodig is. Om deze aanpak enig realiteitsgehalte te geven, is het nodig op zijn minst te expliciteren op grond waarvan de indicatoren zijn geselecteerd.

Innovatie - Europese landen eigen berekening 2Een stap in de goede richting is het European Innovation Union Scoreboard. Hier worden 25 indicatoren gebruikt die worden gegroepeerd in drie categorieën: enablers, firm activities en outputs. In een andere post[4] heb ik laten zien dat geen van de indicatoren van de pijler innovatie in de Global Competitiveness Index hoort tot de categorie ‘outputs’, die de definitie van innovatie nog het meest benadert. Ik heb vervolgens de afzonderlijke scores berekend van alle Europese landen met betrekking tot enablers, firmactivities en output aan de hand van data die het European Innovation Union Scoreboard gebruikt. Zie daarvoor de nevenstaande tabel.

De tabel bevat opmerkelijk resultaten. Ierland en Luxemburg zijn – uitgaande van output – de meest innovatieve landen en niet Zwitserland en Zweden. Hun scores op het gebied van enablers en firmactivities behoren tot de middelmaat. Duitsland scoort hoog op output en firmactivities, maar veel lager op enablers. Bij Zwitserland, Zweden, Noorwegen en Finland en in zekere zin ook Nederland en België is het tegenovergestelde het geval. Deze landen danken hun hoge score – ook op de Global Competitiveness Index – aan de kwaliteit van hun enablers en/of firmactivities.

Zo lang innovatie niet rechtstreeks kan worden gemeten, blijven we aangewezen op gebruik van proxi’s. Maar dan moeten deze wel beredeneerd worden geselecteerd en evenwichtig worden verdeeld over een aantal hoofdcategorieën. Dit is precies wat het World Economic Forum gaat doen bij de herberekening van de Global Competitiveness Index.

Een belangrijke overweging is dat de gekozen indicatoren meer recht doen aan nieuwe inzichten en gebruik maken van de nieuwste data. Na de financiële crisis zijn er bijvoorbeeld gegevens beschikbaar gekomen over de gezondheid van de bancaire sector. Bovenal moeten de indicatoren een sterkere oriëntatie op de toekomst krijgen. Om deze reden krijgt de ICT-infrastructuur maar ook het verwerven van beroepsvaardigheden in het onderwijs een sterker gewicht.

Onderstaande figuur toont de nieuwe structuur voor de berekening van de GCI. Het meest in het oog springt is de herziening van de berekening van innovatie.

screenshot-6De selectie van indicatoren is minder dan voorheen ingegeven door de idee dat innovatie het gevolg is de omzetting van technische kennis in vernieuwende producten. Daarentegen vindt innovatie plaats in een ecosysteem waarin bedrijven, wetgeving, waarden en normen het aangaan van verbindingen, creativiteit ondernemerschap, samenwerking en het gebruik van de nieuwste technieken bevorderen. Dit met het oog op de ontwikkeling van nieuwe ideeën en het naar de markt brengen van nieuwe producten en diensten. Ook de vernieuwing van het onderwijssysteem speelt daarbij een rol: Leven lang leren en nadruk op kritisch denken, meer diversiteit, minder hiërarchie.

Er zijn ook al nieuwe berekeningen gemaakt op basis van deze nieuwe inzichten. Deze bieden een boeiend perspectief. Hierop ga ik mijn volgende post op in.

[1] Zie voor een kritische bespreking van de waarde van deze index: De wankele basis van de innovatieranking: http://wp.me/p32hqY-fB

[2] Zie overigens ook mijn recente post over het innovatiespook, waarin ik de tot dusver meest valide innovatieranking bespreek: De ‘Global innovation index 2016’ kan hier ingezien of gedownload worden: https://www.globalinnovationindex.org/gii-2016-report

[3] Definitie ontleend aan de Oslo manual, die ook de makers van de Global Innovation Index gebruiken.

[4] De volatiliteit van innovatierankings: http://wp.me/p32hqY-fH

Is de ‘top 100 duurzame bedrijven’ een flop?

27 Jan
Klaus Schwab in gesprek met Hassan Rouhanie, president van Iran

Klaus Schwab in gesprek met Hassan Rouhanie, president van Iran

Het World Economic Forum (WEF) bracht vorige week honderden regeringsleiders, topmanagers, lobbyisten en journalisten bijeen in Davos. Het WEF besteedt, mede dankzij zijn bezielende voorzitter Klaus Schwab, steeds meer aandacht aan wereldproblemen, innovatie en duurzame ontwikkeling. Een hoogtepunt is al enige jaren de presentatie van de ‘Global 100’; een rating van de 100 meest duurzame bedrijven ter wereld[1]. Deze lijst wordt samengesteld door Corporate Knights, een Canadees adviesbureau.

De keuze van de indicatoren waarop de bedrijven worden vergeleken dekken het veld van corporate social responsibility (CSR) goed af: Het gaat om:

  • Energiegebruik
  • Uitstoot broeikasgassen
  • Watergebruik
  • Afvalproductie
  • Innovatiecapaciteit
  • Percentage afgedragen belastingen
  • Verhouding beloning CEO ten opzichte van gemiddelde salaris
  • Dekkingsgraad pensioenfondsen
  • Zorg voor personeel en veiligheid
  • Verloop personeel
  • Aandeel vrouwen in topmanagement.

Er wordt per bedrijfstak een ranking opgesteld en de hoogst scorende bedrijven worden opgenomen in de ‘Global 100’. Het aantal bedrijven dat per bedrijfstak wordt opgenomen, correspondeert met het aandeel van deze bedrijven in de economie. Bedrijven uit de tabaksindustrie en oliebedrijven waarin zich ernstige milieuproblemen hebben voorgedaan, worden uitgesloten. Dat overkwam Shell in 2012. De opzet van de ‘Global 100’ lijkt goed doordacht.

Toch heb ik ernstige twijfels of we de Global 100 kunnen vertrouwen. Mijn twijfel ontstond, toen ik de ratings uit 2014 vergeleek met die van twee jaar geleden[2].

De eerste drie kolommen van de onderstaande tabel zijn de 25 hoogst scorende bedrijven uit de editie 2014, met hun ratings in 2014 en 2012. De laatste drie kolommen bevatten de 25 hoogst scorende bedrijven uit de editie 2012 met hun ratings in 2012 en 2014. Bedrijven zonder rating (-) kwamen niet in de ‘Global 100’ van de het desbetreffende jaar voor.

Global 100 (2014) 2014 2012 Global 100 (2012) 2012 2014
Westpac Banking Corporation 1 14 Novo Nordisk A/S 1 7
Biogen Idec Inc 2 Natura Cosmeticos SA 2 23
Outotec OYJ 3 Statoil ASA 3 4
Statoil ASA 4 3 Novozymes A/S 4
Dassault Systemes SA 5 32 ASML Holding NV 5 15
Neste Oil OYJ 6 19 BG Group plc 6 71
Novo Nordisk A/S 7 1 Vivendi SA 7 40
Adidas AG 8 38 Umicore SA/NV 8 9
Umicore SA 9 8 Norsk Hydro ASA 9
Schneider Electric SA 10 26 Atlas Copco AB 10 46
Cisco Systems Inc 11 Sims Metal Management Ltd. 11
BASF SE 12 Koninklijke Philips ElectronicsNV 12 48
Bayerische Motoren Werke AG 13 Teliasonera AB 13
Aeroports de Paris 14 Westpac Banking Corp. 14 1
ASML Holding NV 15 5 Life Technologies Corp. 15 21
The Sage Group PLC 16 Credit Agricole SA 16
Keppel Land Limited 17 Henkel AG & Co. KGaA 17
UCB SA 18 Intel Corp. 18
Australia & New Zealand Banking Group Limited 19 Neste Oil Oyj 19 6
Sigma-Aldrich Corporation 20 Swisscom AG 20
Life Technologies Corporation 21 15 Toyota Motor Corp. 21
Tim Hortons Inc 22 Centrica plc 22 26
Natura Cosmeticos SA 23 2 Koninklijke DSM NV 23
Bombardier Inc 24 Geberit AG 24 36
Commonwealth Bank 25 Roche Holding AG 25 94

Tot de 25 hoogste noteringen in 2014 horen 14 bedrijven, die nog niet voorkwamen op de top 100 van 2012. Omgekeerd, van de hoogste 25 noteringen in 2012 zijn in 2014 tien verdwenen uit de top 100.

Ratings van bedrijven, die in beide jaren op de index voorkwamen, lopen in veel gevallen sterk uiteen. Bekijk ter illustratie de noteringen van Nederlandse bedrijven in 2012 resp. 2014: ASML (5, 15), Philips (12, 46), DSM (23, – ) Unilever (51, 93), Shell ( – , 51). Het om zijn duurzaamheid alom geroemde bedrijf Neslé SA, is in 2012 niet genoteerd en staat in 2014 op de 93ste plaats.

Bij het beoordelen van onderzoek gelden twee overwegingen: validiteit en betrouwbaarheid.

De gebruikte indicatoren sluiten goed aan bij wat we onder ‘corporate social responsibility’ verstaan. Met de validiteit zit het dus wel goed.

Betrouwbaarheid betreft de vraag of de meting correct en consistent is, of de onderzoeker een geëigend meetinstrument gebruikt en of het resultaat robuust is. Ik twijfel of dit bij een of meer van deze criteria het geval is. Uit het bovenstaande blijkt dat de resultaten van de metingen van 2012 en 2014 aanzienlijk afwijken. Het kan niet waar zijn dat DSM in 2012 nog op plaats 23 scoort en twee jaar later uit de lijst is verdwenen. Hetzelfde geldt voor de ‘koersval’ van Unilever en zo zijn er talloze voorbeelden.

Een andere aanwijzing voor het feit dat er iets aan de hand is met wijze van meten of de gebruikte cijfers, is het feit dat de lijst in de verste verte niet overeenkomt met een andere rating van duurzame bedrijven, de Dow Jones Sustainability Index (DJSI)  Van de 24 bedrijven, die op de DJSI voor hun bedrijfstak op de eerste plaats staan, vermeldt de nieuwste ‘Global 100’ er in maar 8. De ‘Global 100’ noteert daarvan niet één als koploper in de desbetreffende bedrijfstak.

De volatiliteit van de scores op de ‘Global 100’ in de jaren 2012 en 2014 en de afwijkingen ten opzichte van de DJSI maken het onwenselijk om veel waarde te hechten aan deze meting. Ik pleit voor een onafhankelijk keurmerk voor dit soort onderzoek. Zeker als de resultaten ervan over de hele wereld gaan en tot onbillijke reputatieschade leiden.


[1] Bekijk hier de ‘ratings’ van de Global 100 Index: http://global100.org Deze website bevat tevens een gedetailleerde verantwoording van de berekeningswijze.

[2] Ik had bewust een jaar overgeslagen om beter zicht te krijgen op eventuele veranderingen. De gegevens voor de drie achtereenvolgende jaren zijn hier te vinden:

http://static.corporateknights.com/CK47.pdf (2014)

http://www.jack-dylan.com/ART-DIRECTION-CK-Winter-2013 (2013; laat je niet afleiden door de URL!)

http://static.corporateknights.com/Global_100_report.pdf (2012)

Je treft hier ook de scores aan per bedrijf op elk van de hiervoor genoemde indicatoren.