Tag Archives: circulaire economie

De onmacht van de economen

29 Jul

Economen hebben het verbruid. Iedereen weet inmiddels het antwoord op de vraag waaraan je een econoom herkent: Ze zijn het nooit met elkaar eens.

Adam Smith

Adam Smith

Wat is er met deze ooit gezaghebbende wetenschap gebeurd? Oorspronkelijk hielden economen zich bezig met fundamentele vraagstukken over de oorsprong en de betekenis van rijkdom en groei. Denk aan Adam Smth’s meesterwerk “An inquiry into the nature and causes of the wealth of nations” (1766 – 1776).

Reflectie heeft in de moderne economie plaatst gemaakt voor wiskundige modellen. Over het feit dat stijgende prijzen tot dalende vraag leiden, zijn economen het nog wel eens. De onenigheid begint als zij hun modellen gaan toepassen binnen de actuele context. Economen met een socialistische achtergrond komen dan tot andere conclusies dan liberaal gezinde collegae.

Arthur Laffer

Arthur Laffer

Een goed voorbeeld van die laatste is Arthur Laffer, de denker achter Ronald Reagan. Vandaag de dag adviseert hij republikeinse presidentskandidaten in de VS. Zijn aantrekkingskracht schuilt in het feit dat hij ‘bewezen’ heeft dat minder inkomstenbelasting voor de rijken leidt tot meer economische groei.

Het zijn echter niet alleen politieke stromingen die tot uiteenlopende standpunten leiden. Bijvoorbeeld, economen die ‘geloven’ in het belang van een krachtig Europa hebben een andere visie op de wenselijkheid van een gezamenlijke munt dan economen die tot de eurosceptici behoren. Deze tegenstelling loopt dwars door het politieke spectrum heen.

De kakafonie van opvattingen onder economen illustreert de invloed van instituties op het denken. We zien ons zelf graag als autonome individuen, die zelf bepalen wat goed en slecht voor ons is. Dit geldt voor wetenschappers in het bijzonder. In plaats daarvan worden onze denkbeelden grotendeels gevormd door de instituties waarmee we verbonden zijn: Organisaties, instellingen, groeperingen, religies en stromingen. Ze confronteren ons met gedachtengoed over hoe de wereld in elkaar zit en wat we daarvan kunnen vinden. Wij maken daar onze eigen mix van.

Daniël Bell

Daniël Bell

Herhaaldelijk komt de vraag op of een bepaald gedachtengoed beter is dan een ander. In de jaren ’60 poneerde Daniël Bell in zijn boek ‘The end of ideology” de stelling dat de politieke instituties uit de 19de eeuw hebben afgedaan en dat vooruitgang vooral het gevolg is van wetenschap. We kunnen ruim 50 jaar later vaststellen dat niet de wetenschap de instituties stuurt maar omgekeerd, dat het de instituties zijn die de wetenschap sturen. Overigens zonder dat de meeste wetenschappers zich dit realiseren.

De reden dat rechtse Amerikaanse politici Arthur Laffer opzoeken is niet dat hij zulke briljante ideeën heeft. Die schrijven de politici aan zichzelf toe. Hij geeft deze ideeën echter een wetenschappelijke status. Het neoliberale denken – de aanvaarding van de markt als het hoogste goed – is onderdeel geworden van de mainstream van de economie. Andersdenkenden, bijvoorbeeld evolutionaire economen, werden lange tijd gemarginaliseerd. Dat gold tevens voor collegae die andere onderzoeksmethoden prefereren, bijvoorbeeld kwalitatief in plaats van kwantitatief.

Kennis - economen2De koers van Daniël Bell is onbegaanbaar: Niemand kan zijn verbondenheid met maatschappelijke instituties uit zijn denken verbannen. Dit geldt ook voor wetenschappers. Wat deze wel kunnen is reflecteren op de invloed van de instituties op hun denken en het ‘cognitief conflict’ met andersdenkende collegae aangaan. Hetzelfde geldt voor de aanhangers van uiteenlopende methodologische stromingen. De huidige universiteiten zijn ver van dit ideaal verwijderd geraakt. Zij zijn een archipel van eilanden waarop gelijkgezinden zich verzamelen in plaats van een smeltkroes van uiteenlopende ideeën. Was dit wel het geval, dan kon uit deze smeltkroes een hernieuwde gezaghebbende bijdrage van economen én andere wetenschappers voortkomen aan het maatschappelijke debat over welvaart en welzijn.

Advertenties

Innovatie: geen doel op zich!

9 Okt

Volgens recente EU-cijfers hoort Nederland op het gebied van innovatie in Europa eerder bij de achterblijvers dan bij de koplopers. Het wekt misschien verbazing, maar ik heb de neiging te reageren met “Nou, en?”

Innovatiedoelen

Innovatiedoelen

Innovatie is geen doel op zich. Innovatie kan leiden tot realisering van drie doelen: welvaart, ontplooiing en duurzaamheid. Gedurende de achter ons liggende jaren is innovatie in de eerste plaats voortgekomen uit het streven naar hogere productiviteit: met minder mensen meer doen. Meer welvaart was daarvan het gevolg. Dit gold voor brede lagen van de bevolking zo lang overbodige arbeidskrachten elders aan het werk konden. Dit is thans niet meer het geval en voor de steeds grotere groep waarvoor in onze samenleving geen plaats is, betalen we een hoge prijs (discriminatie, criminaliteit, no-go area’s). Maar er ligt ook een groeiende stapel onbetaalde rekeningen. Onze (klein)kinderen moeten niet alleen fors gaan betalen voor onze doktersrekening; ook de bescherming tegen de stijging van de zeespiegel en remediëren van andere (neven)effecten van 100  jaar misbruik van de natuurlijke hulpbronnen gaan een aanzienlijk deel van de collectieve uitgaven opeisen.

Meer innovatie om de productiviteit te verhogen hoeft voor mij niet. Toch is tot op de dag van vandaag is het merendeel van de investeringen in innovatie wereldwijd hierop gericht. Het net verschenen Rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving “Vergroenen en verdienen” schat dat ‘groene investeringen” in Nederland 2% bedragen van het BNP. Groene investeringen hebben tot doel om aanzienlijk zuiniger om te springen met natuurlijke hulpbronnen en de aantasting van het leefmilieu wezenlijk te verkleinen. In Duitsland ligt het percentage groene investeringen op 10%. In absolute cijfers is China koploper.

De relatieve omvang van groene investeringen in Nederland

De relatieve omvang van groene investeringen in Nederland

‘Groene’ investeringen hoeven niet ten koste te gaan van welvaartsdoelen, maar zij kunnen deze versterken. Wereldwijd groeit de markt op het gebied van duurzame energie, ‘biobased’ materialen en schone technologie jaarlijks met 12%. Landen die erin slagen het aandeel van deze producten én diensten in hun uitvoer te vergroten hebben daarvan profijt. Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken doen dit aanzienlijk beter dan wij.

Vergroening van onze productie vereist een krachtige rol van de overheid. Daarbij gaat het vooral om drie zaken:

  • Aanscherpen van het topsectorenbeleid. Méér geld voor topsectoren maar bovenal binnen topsectoren meer investeren in ‘biobased economy’, gebouwde omgeving en circulaire economie;
  • Meer publieke investeringen in (wetenschappelijk) onderzoek dat gericht is op de drie voornoemde sectoren;
  • Zelf meer producten kopen die het resultaat zijn van ‘groene innovatie’.

In mijn volgende ‘post’ ga ik in op de noodzaak om gelijktijdig eveneens de ontplooiings- (of welzijns-)doelen te bereiken of om sociale innovatie in de ruimste zin van het woord.