Tag Archives: ondernemerschap

Ontbazen moet je leren: Van manager-scholen naar medewerker-scholen

4 Jun

Vier voorafgaande posts gingen over ‘ontbazen’: Meer autonomie voor medewerkers van bedrijven en organisaties leidt tot meer innovatief vermogen, betere kwaliteit van de arbeidsverhoudingen, hoger democratisch gehalte van de samenleving en meer persoonlijke ontplooiing. Het management zal zijn positie als onderdeel van de elite echter niet makkelijk prijs geven. Toch zal dat gebeuren zodra de aandeelhouders inzien dat het management in zijn huidige vorm draagvlak  kwijtraakt en er nieuwe bedrijven ontstaan met méér innovatief vermogen, ondernemerschap en elan.

De weg naar ‘ontbazen’ is daarmee nog niet geëffend. Medewerkers zijn allesbehalve voorbereid op meer autonomie en zeggenschap. De praktijk is weliswaar een goede leerschool, maar dat is niet voldoende. Een vergaande verandering van het opleidingsstelsel is vereist. Daarover gaat deze post.

???????????????????????????????????????????Zo’n verandering was toch al nodig. De op Amerikaanse leest geschoeide managersopleidingen (business schools en in het bijzonder hun vlaggenschip de MBA) staan al jaren bloot aan hevige kritiek[1]. De kritiek komt er in essentie op neer dat business schools – op enkele uitzonderingen na – geen professionele leidinggevenden opleiden, maar ‘zetbazen’ van de aandeelhouders met als voornaamste taak vergroten van de “shareholder value”[2]. Deze kritiek is overigens enigszins naïef: Dit is precies wat de maatschappelijke elite van ze verwacht.

MBA Hire meInhoudelijk hebben de critici volstrekt gelijk als ze stellen dat business schools niet de leidinggevenden opleiden die een antwoord hebben op de problemen van de ‘oude wereld’. Daarbij valt te denken aan omgaan met de opkomende economieën, met de toenemende schaarste van fossiele brand- en grondstoffen en met een nieuwe generatie ambitieuze en ondernemende jongeren. De huidige managementopleidingen zijn volgens de critici in minstens vier opzichten het vermogen kwijt geraakt om bedrijven en organisaties voor te bereiden op de toekomst. Ik noem deze kort en voeg daar een vijfde reden aan toe, die aansluit op het thema ‘ontbazen’.

Gebrek aan ondernemerschap

Business schools zijn overmatig gericht op financieel- en commercieel-analytische vaardigheden. Deze zijn ongetwijfeld handig om in de C-suite allerlei transacties en manoeuvres voor te bereiden. De basis van elke levensvatbare organisatie is echter ondernemerschap. Voor zover dit al geleerd kan worden, is daarvoor een ‘hands-on’ aanpak nodig waarbij het aankomt op het integreren en gebruiken van uiteenlopende typen kennis.

Gebrek aan vakmanschap

De idee is dat het niet veel uitmaakt om leiding te geven aan een universiteit, ambtelijke organisatie, maakindustrie of dienstverlenende instelling. Als alles op rolletjes loopt, misschien niet. Maar als het om marktinzicht, innovatie en omgaan met professionele medewerkers aankomt, is branchekennis essentieel.

Gebrek aan moreel bewustzijn

Dit gaat verder dan een vak ethiek. Moreel bewustzijn wordt versterkt met een business curriculum dat geworteld is in de sociale, cultuur- en geesteswetenschappen, dat veel aandacht besteedt aan duurzaamheid en waar ruimte is voor reflectie op het dominante paradigma van de economie en de bedrijfskunde[3].

 Gebrek aan leiderschap en teamgevoel

In business schools leren studenten alles over planning en control in een sterk competitief milieu. Minder over samenwerking, motiveren en ondersteunen en het scheppen van voorwaarden om anderen hun werk te laten doen. ‘Soft skills’ hebben een marginale positiue in het curriculum.

Ik kom nu aan de vijfde en belangrijkste omissie.

Management is pas effectief als het verbonden is met alle andere werkzaamheden in een organisatie. In tegenstelling tot wat het managerialisme veronderstelt, staat of valt een organisatie met de competenties van de medewerkers. Deze competenties zijn drieledig:

  • Hun ‘vak’: verpleegkundige, landbouwkundig ingenieur, planoloog, controller et cetera;
  • Verbinden van vakmatige kennis aan een breder perspectief (bedrijf, organisatie én samenleving);
  • Samenwerken, leidinggeven en leidingnemen.

Elke medewerker dient over deze competenties te beschikken en moet die leren. Veel medewerkers zullen in de toekomst managementtaken náást hun andere werk verrichten. Ongetwijfeld zullen er – zeker voorlopig – ook ‘vrijgestelde’ managers blijven. De noodzaak vervalt echter om voor hen alleen een heel opleidingsstelsel in te richten. Als er al sprake zal zijn van business schools, dan pleit ik ervoor dat dit medewerker-scholen zijn in plaats van manager-scholen. Vakspecialisten leren daar bij voorbeeld hoe ze samen met vertegenwoordigers van andere disciplines innovatieprojecten kunnen opzetten, managers verdiepen er hun branchekennis en stafmedewerkers zetten samen een onderneming op.

De nieuwe business schools – ik praat liever over “Schools for Work” – zijn brede interdisciplinaire instituten waarin technische, sociale en managementdisciplines nauw samenwerken met een perspectief op sociale innovatie en duurzaamheid.

 

[1]Zie: Howard Thomas e.a. (2014) “Securing the Future of Management Education”, in opdracht van de European Foundation of Management Development. Veel denkbeelden sluiten aan bij het ‘klassieke’ boek van Mintzberg (2004) Managers not MBA’s. Uit beide publicaties blijkt dat business schools uitermate langzaam veranderen. Hun curricula bestaan overwegend uit klassiek gedoceerde vakken in silo’s. Het is echter een miljarden business en weinig universiteiten wagen deze opleidingen ter discussie te stellen. In plaats daarvan vinden er over de hele linie kleine en voorzichtige aanpassingen plaats. Er zijn uiteraard voorbeelden van zeer goede scholen zoals INSEAD (Parijs) en IMD (Genève) en – mijn favoriet – Mintzberg’s International Masters Programme in Practicing Management: http://www.impm.org. Dit laatste programma is volledig interdisciplinair, internationaal, praktijkgericht én academisch (geen MBA maar MSc).

[2]Toonaangevend is in dit opzicht het boek van Khurana (2007): From Higher Aims to Hired Hands.

[3]Ghoshal: (2005) Bad management theories are destroying good management practices.

De bazen voorbij…..

28 Mei

Mijn laatste post ‘Ontbazen moet!’ ging over de ideologie van het managerialisme: De wijd verbreide opvatting dat het bedrijfsresultaat in de eerste plaats afhangt van de kwaliteit van het management. Ik stelde daar twee feiten tegenover:

  • Een groot aantal organisaties met duurbetaalde managers functioneert helemaal niet goed.
  • Het innovatieve vermogen van organisaties is gebaat bij meer autonomie en zeggenschap van medewerkers maar managers frustreren dit.
Managers; een klasse apart?

Om het verschijnsel management beter te begrijpen moeten we onze tijdshorizon verbreden. Door de eeuwen heeft de feitelijke macht in Europa gelegen bij de elite. Aanvankelijk bestond deze groep vooral uit de geestelijkheid en de adel, later voegde zich hierbij de dankzij de koloniale handel rijk geworden kooplieden. Hoge militairen en een enkele wetenschapper en kunstenaar vonden eveneens aansluiting. Deze groep verdeelde de belangrijkste bestuurlijke functies en lette er goed op dat geen van de leden iets tekort kwam.

De elite poseert

De elite poseert

De industriële revolutie vormde een belangrijke voedingsbodem voor de opkomst van het ondernemerschap. Opnieuw werd veel rijkdom geaccumuleerd, soms met het familiebezit als inzet, soms door hard te werken en meestal met een hoop geluk. Succesvolle ondernemers werden – zij het met de nodige aarzeling – toegelaten tot de elite en verwierven hierdoor invloed op wat er in het land gebeurde.

Geleidelijk droegen de eigenaren van de nieuwe industriële bedrijven de zeggenschap over aan professionele managers. In het begin was management een professie, maar naarmate het eigendom van bedrijven minder persoonsgebonden raakte, werd de rol van het management belangrijker. Topmanagers namen de posities van de ‘captains of industry’ in de elite over. Zij eisten – net als de eigenaren dat hadden gedaan – een aandeel in de opbrengst van die steeds groter en machtiger wordende bedrijven.

De elite is tot de dag van vandaag een informele groep gebleven die elkaar topposities toespeelt en ervoor zorgt dat het de leden aan niets ontbreekt. Zij oefent nog steeds een hoge mate van invloed uit op hetgeen op de wereld gebeurt.

Het managerialisme kent twee belangrijke uitgangspunten: winstmaximalisatie en ‘being in control’. Economie en bedrijfskunde hebben een verfijnd instrumentarium ontwikkeld om deze uitgangspunten te realiseren zonder de ideologische lading ervan te expliciteren of zich daar zelfs nog van bewust te zijn. Deze die uitgangspunten kunnen echter even goed worden omgekeerd: Winstmaximalisatie is dan het instrument waarmee de elite zich verrijkt en ‘controlling’ is het systeem waarmee managers hun aanwezigheid rechtvaardigen. Voor de plausibiliteit van deze zienswijzen is de nodige evidentie.

Het is economen en bedrijfskundigen die vanuit deze ‘alternatieve’ zienswijzen werken door de vakbroeders nooit makkelijk gemaakt. Daarom is er veel minder kennis van hoe economische ontwikkeling, rechtvaardige verdeling en duurzaamheid verenigd kunnen worden dan van de manier waarop bedrijven de fiscale wetgeving kunnen ontduiken of vermijden. We weten ook nog weinig over hoe werknemers persoonlijke ontplooiing en samenwerking binnen de besturing van organisaties kunnen verenigen. We weten daarentegen veel meer van competentiemanagement, prestatiemeting en variabele beloning en alle andere manieren waarmee het management ‘in control’ probeert te blijven.

Een nieuwe economie?

Het bovenstaande maakt duidelijk dat ‘ontbazen’ niet makkelijk zal gaan. Het hogere management en in zijn kielzog de lagere echelons zullen hun lucratieve posities in bedrijven en organisaties en hun informele lidmaatschap van de elite niet zo maar prijsgeven en de economische en bedrijfswetenschappen helpen hen daarbij. Ik zie echter andere krachten aan het werk.

all-is-an-illusion

all-is-an-illusion

In welvarende landen is een overduidelijke beweging die het gehad heeft met consumentisme, winstmaximalisatie en betutteling. Veel burgers hebben er genoeg van om voortdurend waakzaam te moeten zijn op de kwaliteit van het voedsel. Zij zien banen verdwijnen als sneeuw voor de zon, dankzij veelgeprezen innovaties. Werkomstandigheden verslechteren als gevolg van steeds hogere productiviteitseisen en aanhoudende reorganisaties. De CO2-uitstoot wordt voorlopig alleen maar groter, de congestie in het verkeer houdt aan en huisvesting is voor jongeren onbereikbaar. Maatschappelijke tegenstellingen in zowel economisch als sociaal opzicht nemen toe.

In reactie hierop stellen steeds meer (jonge) mensen de kwaliteit van het leven voorop en zij denken bij groei vooral aan welzijn.

Een groot deel van deze jongeren is ondernemend. Zij gaan niet in de eerste plaats voor de winst: De wens om een bedrijf op te bouwen dat goed is voor medemens en natuur op langere termijn komt vóór geldelijk gewin op korte termijn. Deze snel groeiende groep ondernemers zal samen met een groeiende groep consumenten de contouren van nieuwe werk- en consumptiepatronen uitvinden. Gelukkig is er ook een groeiende groep ‘gevestigde managers’ en eigenaren van familiebedrijven die in deze beweging meegaat.

Het perspectief is dat bedrijven maatschappelijke ondernemingen worden die ook zorgtaken van overheden overnemen, dat zelforganisatie de rol van management vermindert en verandert en dat afstemming in netwerken tot nieuwe marktplaatsen leidt voor goederen en diensten.

In deze ontwikkeling verliest de ‘oude economie’ haar betekenis. Dat geldt ook voor de wetenschap die de gedragsregels van de oude economie dicteerde. Het is verleidelijk om te spreken van nieuwe economische en bedrijfswetenschappen die uitgangspunten van winstmaximalisatie en ‘control’ verruilen voor premissen van kwaliteit, duurzaamheid, zelfbestuur en welbevinden. Beter is echter om wetenschappelijke reflectie van meet af aan te laten plaatsvinden in een breed interdisciplinair perspectief ver van de verkokerde structuren van de huidige wetenschappelijke disciplines.

In mijn laatste post in de reeks ‘ontbazen’ ga ik dieper in op wat de ‘nieuwe economie’ voor wetenschap en opleiding betekent met de titel “Van management- naar arbeidswetenschappen”

 

Ondernemerschap 2.0

6 Dec
Leest als een roman….

Leest als een roman….

Ik heb weer het boek “Op zoek naar het DNA van de Brabantse topondernemer” van Ger Post[1] voor me liggen. Deze week als aanleiding voor wat gedachten over ondernemerschap[2].

Een ondernemer is volgens Ger Post iemand die:

  • vanuit persoonlijke motivatie en kunde
  • richting, vorm en inhoud geeft aan (nieuwe) bedrijvigheid
  • en daarmee (potentiële) waarde creëert voor zichzelf, zijn organisatie en zijn omgeving.

Een prima omschrijving, althans dat vind ik. Vooral ook omdat zij een aantal aspecten uitsluit, namelijk of het al dan niet gaat om een ‘zelfstandige’, een ‘corporate entrepreneur’, een franchisenemer of een intrapreneur (p. 25).

Ik was overigens wél verbaasd dat het boek bij het zoeken naar de potentiële Brabantse topondernemers als eerste criterium ondernemen “voor eigen rekening en risico” hanteert. Dat laat de genoemde definitie juist nadrukkelijk buiten beschouwing. Maar daar gaat het nu niet over.

De voornoemde definitie benadrukt het feit dat een ondernemer iets tot stand brengt; nieuwe muziek (Tijs Michiel Verwest, alias Tiësto), een theater (Giel Pastoor) of een winkelformule (Frits van Eerd), maar ook iets in stand houdt, bijvoorbeeld een groot bedrijf in crisistijd (Wim van der Leegte). Daar  tegenover staat de benadering die de heroïek van het ondernemerschap benadrukt: je eigen zaak, waarin je je spaargeld investeert en waarvoor je 24/7 in touw bent.

De eerste benadering is vooral van belang omdat – de groei van het aantal ZZP’ers ten spijt – verreweg de meesten van ons géén nieuw bedrijf zullen vestigen. Met de definitie van Ger Post kunnen we toch allemaal ondernemer zijn. Zover is het bij lange na nog niet. Dit brengt mij tot drie opmerkingen

Iedereen ondernemer; en het management dan?

Bestaande bedrijven en andere organisaties maken voorzichtige stappen naar ‘work place innovation’ met de bedoeling personen in loondienst meer ruimte te geven om te ‘ondernemen’.  Soms denk ik dat ‘het nieuwe werken’, waarvan meer autonomie een onderdeel is, een nieuwe “management fad’ is en alleen dient om de productiviteit te verhogen. Want meer ondernemerschap aan de onderkant van een bedrijf heeft vergaande gevolgen voor het management aan de top. Daar hoor je weinig over bij de adepten van ‘performance management’. Het is waarschijnlijk dat bedrijven waar werknemers werkelijk ruimte voor ondernemerschap krijgen zullen evolueren in de richting van coöperatieve organisatievormen.

Waarde ‘heroverwogen’; niet om geld alleen

Ondernemers creëren zoals de definitie terecht opmerkt waarde. Voor sommigen is dat geld maar voor velen is dat een goed product. Waarde is sterk cultuurbepaald en het is te hopen dat met de ontwikkeling van ondernemerschap ook de opvattingen over waarde evolueren. Het is bemoedigend om te zien hoe Hans Duisters (Sioux) “waarden en normen” centraal stelt en wil gaan voor “duurzame oplossingen”.  “People, Profit & Planet” oftewel de ‘triple bottomline” zouden in het DNA van toekomstige ondernemers onverbrekelijk moeten vergroeien. Niemand zit te wachten op nog meer zakkenvullers.

Opleidingen moeten kantelen

‘Hogere’ managementopleidingen (MBA) zijn nog sterk geënt op het beeld van middelgrote en grote ondernemingen en zij besteden onevenredig veel aandacht aan ‘strategy’ en ‘leadership’ met als gevolg dat veel studenten zich vooral als een toekomstige CEO zien, gemodelleerd door het beeld van nu. Veel hogescholen gaan gelukkig al een andere kant op; zij verzorgen ‘minors’ in ondernemerschap, terecht als onderdeel van een opleiding in de techniek, logistiek, verpleging of muziek. Ik zie management als vak nog niet verdwijnen, maar het zal steeds meer faciliterend zijn en op MBA’s zouden studenten vooral moeten leren hoe ze ervoor kunnen zorgen dat in ‘hun’ bedrijven ondernemerschap kans krijgt om te ontluiken.

Ik zou graag zien dat in een volgende editie van ‘Brabantse topondernemers’ iemand genomineerd kan worden die binnen Fontys, Avans of in een van beide universiteiten het bedrijfskundeonderwijs wezenlijk in deze richting heeft helpen veranderen. Ger, iets voor jou?


[1] Uitgave Fontys Hogescholen in samenwerking met Brabants-Zeeuwse Werkgeversvereniging, Eindhoven 2013 ISBN 978-946226-012-2

[2] In mijn vorige post ‘Hoe kwantitatief onderzoek kwaliteit verhult’ uitte ik kritiek op één onderdeel van het boek, namelijk de vergelijking tussen de competenties van ervaren en startende ondernemers.

Hoe kwantitatief onderzoek kwaliteit verhult….

28 Nov

Voor mij ligt een prachtig boek: Op zoek naar het DNA van de Brabantse topondernemer[1] van Ger Post.  De kern – en tevens het sterkste deel van het boek – zijn de portretten van 25 ondernemers waarop Brabant trots mag zijn.  Er valt veel over dit boek te zeggen. In de eerste plaats; lees het! Raadpleeg dan wel de onderstaande bijsluiter[2].

Scores op competentieschalen van ervaren en onervaren ondernemers

Scores op competentieschalen van ervaren (blauw) en startende (rood) ondernemers

Ik geneer me als wetenschapper voor een onbedoelde consequentie van dit boek. Dat is de vergelijking tussen de geportretteerde ondernemers met startende ondernemers. De auteur heeft – als lector business entrepreneurship – terecht gezocht naar een wetenschappelijk kader voor de gesprekken met ondernemers. Daarvoor heeft hij aan alle geïnterviewde ondernemers gevraagd de E-scan van Driessen en Zwart in te vullen, en wel dezelfde versie die ook voor startende ondernemers wordt gebruikt. Invullen van deze scan resulteert in een score op tien voor ondernemerschap relevante competenties. Uit het nevenstaande overzicht blijkt dat de scores elkaar niet veel ontlopen.

De auteur had de vergelijking tussen ervaren en startende ondernemers beter niet kunnen maken. Zij is methodologisch onjuist. Je mag personen die zichzelf beoordelen alleen met elkaar vergelijken, als je weet dat zij ongeveer hetzelfde referentiekader hebben. Dat weet je overigens zelden en daarom is het gebruik van schalen, ook al zijn ze gevalideerd, tricky.

Als je aan een ervaren en aan een startende ondernemer vraagt hoe zij in risicovolle situaties handelen dan weet je zeker dat ze die situaties geheel verschillend beoordelen. Dat geldt ook bij elk van de andere competenties. Vergelijk het maar met het stellen van de vraag of er een Elfstedentocht gehouden kan worden aan een overenthousiaste jonge schaatser of aan een Friese ijsmeester.

Ik heb in verschillende fasen van mijn leven deelgenomen aan competentietests. Ik merkte dat ik ernaar tendeerde mezelf steeds lager in te schalen. Met ervaring neemt het aantal nuances binnen je referentiekader toe. Ervaring leidt ook tot het besef dat competenties vaak polair van aard zijn: tegenover risicobereidheid staat verantwoordelijkheid, tegenover flexibiliteit staat vasthoudendheid. Hoe meer je je van dergelijke spanningsvelden bewust wordt, hoe meer je neigt naar het midden. Tenminste, als je generieke antwoorden moet geven. In concrete gevallen waarvan je de context kent, tendeer je vaker naar een van de polen: Je kent de omstandigheden die het verschil maken tussen aanvaardbaar risico en roekeloos handelen.

Competent gedrag is met andere woorden context-specifiek. Hoe ervarener je als ondernemer bent, hoe beter je de context kunt ‘lezen’ en hoe groter de kans is dat je een goede keuze maakt. En dat gaat nog vaak genoeg fout. Ook geluk speelt een belangrijke rol.

Met mijn commentaar wil ik vooral wijzen op de grenzen van het gebruik van kwantitatieve methoden bij onderzoek als dit. De rijkdom van 25 ondernemerslevens wordt samengeperst in tien of zelfs één samengestelde score.

Ik zou hebben gekozen voor een kwalitatieve analyse van de interviews. Ik had dan uit elk gesprek een aantal kritieke succes- en faalfactoren gehaald en – indien mogelijk – daarbij ook de context vermeld[3]. Vervolgens had ik deze factoren gegroepeerd en bekeken of zij paarsgewijs polen zijn van één dimensie. Om dit mogelijk te maken is informatie over de context van belang: In de ene situatie is een acquisitie een aanvaardbaar risico; in de andere een onverantwoorde daad. Tenslotte had ik gekeken naar overeenkomsten en verschillen tussen ondernemers. Ik hoopte dan dat ik bij vergelijkbare context meer overeenkomsten dan verschillen zou vinden. Hiermee had ik een profielschets van de ervaren ondernemer kunnen maken.

De betrokken ondernemers

De betrokken ondernemers

Kwantitatief onderzoek lijkt nog steeds een hoger aanzien te hebben dan kwalitatief onderzoek. Het wordt daarom te pas en te onpas gebruikt. In dit geval levert het geen inzicht in de levensgrote verschillen tussen startende en ervaren ondernemers.


[1] Uitgave Fontys Hogescholen in samenwerking met Brabants-Zeeuwse Werkgeversvereniging, Eindhoven 2013 ISBN 978-946226-012-2

[2] In een volgende post reflecteer ik op het begrip ondernemerschap, mede naar aanleiding van dit boek

[3] Een analyse zoals hier beschreven wordt in de praktijk uitgevoerd door enkele onafhankelijke beoordelaars, die achteraf hun resultaten vergelijken en bespreken.

Meer geld voor onderwijs en wetenschap? Ja, maar dan selectief!

24 Sep

Er wordt druk getwitterd over de manier waarop de overheid de crisis aanpakt. Mijn stelling is dat overheden beperkte invloed hebben op de conjunctuur en dat geen enkel kabinet daarom in staat zou zijn afdoende maatregelen  te nemen tegen een recessie. Zelfs als er meer geld was of nog snellere stijging van de staatsschuld werd geaccepteerd.

Vooral D’66 maakt zich sterk voor forse verruiming van de begroting voor onderwijs en wetenschappen omdat dit innovatie zou stimuleren. Ik betwijfel dit, tenzij deze investeringen zeer selectief zijn.

Wetenschappelijk onderzoek

Meer geld voor wetenschappelijk onderzoek zal innovatie nauwelijks stimuleren. Nederland hoort op dit gebied al tot de wereldtop, bijvoorbeeld als het gaat om het aantal wetenschappelijke publicaties. Er doen ze echter twee problemen voor die deels wél met extra geld kunnen worden aangepakt.

1. We scoren veel minder op het gebied van samenwerking tussen universiteiten en bedrijfsleven. Om dit doel te bereiken is op zich geen extra geld nodig;  oormerken van een deel van de onderzoeksgelden volstaat. Samenwerkingsonderzoek kan ook fundamenteel  zijn. Universiteiten hoeven daarom niet te vrezen dat deze maatregel op zich hen in de richting van toepassingsgericht (‘hbo’-) onderzoek drijft. Extra geld kan eventueel worden gebruikt voor versterking van de topsectoren.

2. De financiering van het wetenschappelijk onderzoek is deels studentafhankelijk. Dit werkt in het nadeel van techniek en exacte wetenschappen. Juist in deze sector is de relatie met innovatie het meest zichtbaar. Ik pleit er daarom voor dat méér geld die kant op gaat. Zowel structureel, als in het kader van programmafinanciering.

Technisch vakonderwijs

Techniek: Leuk!

Techniek: Leuk!

De ‘ambachtschool’ van vroeger moet terug, maar dan uiteraard in een modern jasje. Voor innovatie is het van levensbelang dat we meer maakindustrie krijgen en ook daarvoor zijn goed opgeleide vakmensen nodig. In de moderne ambachtschool staat de praktijk centraal en theorie wordt alleen onderwezen voorzover deze hiermee verbonden is. Leerlingen en hun ouders moeten er trots op zijn dat deze scholen de ‘makers’ van Nederland vormt. Ik denk dat er ook een stevige inspanning nodig is op de basisschool om kinderen warm te maken of te houden voor techniek.

Minoren ondernemerschap

Studenten van alle universiteiten en hogescholen moeten in staat worden gesteld om een minor ondernemerschap te volgen. Hier ontwikkelen studenten een ondernemende ‘mindset’ en ze verwerven alle kennis en vaardigheid die nodig is om zelf een bedrijf te beginnen, alleen, samen, of in netwerkverband. Verwacht kan worden dat grotere bedrijven steeds meer een beroep doen op de ‘flexibele schil’ en daar kun je als student maar beter op voorbereid zijn.

In vergelijking met andere landen schaft de Nederlandse overheid zelf veel te weinig innovatieve apparatuur aan. Dit ten nadele van de bedrijven die deze maken. De tegenstanders moeten zich daarom troosten met de gedachte dat de aanschaf van de JSF in elk geval wél een majeure bijdrage is aan technische innovatie. Hieraan dient met het nodige cynisme toegevoegd te worden dat de meeste innovatie in de voorbije eeuw het directe gevolg was van de oorlogsindustrie….