Hoe krijgen burgers het weer voor het zeggen met steun van digitale hulpmiddelen ?

Democratie kan veel meer inhouden dan af en toe te stemmen. In deze aflevering in de reeks ‘Bouwen aan duurzame steden’ geef ik voorbeelden, zoals de commons-beweging.

In 1339 voltooide Ambrogio Lorenzetti zijn beroemde reeks van zes schilderijen in het stadhuis van de Italiaanse stad Siena, getiteld De allegorie van goed en slecht bestuur. Het bovenstaande fragment verwijst naar de kenmerken van goed bestuur: De belangen van burgers vooropstellen, afstand doen van eigenbelang en integriteit. Maar ook samen met alle betrokkenen ontwikkelen van een visie, transparantie, dienstbaarheid, rechtvaardigheid en op doelmatige wijze de vele taken uitvoeren die naar de gemeente zijn gedelegeerd, vaak met beperkt budget. Niet niks en dit alles gaat ook niet altijd op soepele wijze samen. In dit artikel staat de betrokkenheid van burgers bij het bestuur central. Alom wordt de klacht gehoord dat democratie zich beperkt tot eens in de zoveel jaar stemmen. Zelfs dan is van tevoren niet duidelijk wat het beleid van een nieuw (stads)bestuur zal als gevolg van de noodzaak van vorming van coalities. Digitalisering kan de inbreng van de burger versterken. 

Stemmen

Ik zie bij elke verkiezing hoofdschuddend het geklungel aan met enorme stembiljetten die vervolgens met de hand geteld moeten worden. Estland is een voorbeeld van ver doorgevoerde digitalisering van publieke en private dienstverlening. Niet alleen de gebruikelijke gemeentelijke taken, maar ook aanvragen van bouwvergunningen, aanmelden voor scholen, gezondheidszaken, bankzaken, belastingen, politie én stemmen. Mensen stemmen gewoon van huis uit al jaren digitaal zonder dat de veiligheid gevaar loopt. Dit gebeurt, net als alle andere voornoemde zaken via één digitaal platform – X-road – dat aan de hoogste veiligheidseisen voldoen en dat alle gegevens decentraal via end-to-end encryptie opslaat met behulp van blockchaintechnologie. Burgers beheren hun eigen gegevens[1]. Als dit elders niet zou kunnen, dan hou ik mijn hart vast voor de veiligheid van veel andere digitale toepassingen[2].

De geïnformeerde burger; basis van de democratie

Digitale kanalen zijn een uitgelezen manier om burgers te informeren, maar tegelijkertijd nemen ook digitale desinformatie en deepfakes toe. YouTube is in dit opzicht inmiddels berucht. Politieke micro-targetting via Facebook heeft een oncontroleerbare en onweerspreekbare impact en verziekt het politieke debat[3]. Bij het correct informeren van burgers is de ‘Stemwijzer’-app van grote betekenis. Ontwikkeld door de non-profit Prodemos, is dit instrument inmiddels door een reeks landen overgenomen. 

Maar er zijn ook heel andere waardevolle digitale informatiebronnen, die het reilen en zeilen van de politiek en politici transparanter maken, inclusief voorbeelden van kleine omkoping, ‘creatieve’ boekhouding en voorkeursbehandeling. Voorbeelden zijn Prozorro[4] (Oekraïne) een website die aanbestedingen weghaalt uit de sfeer van het onderhandse, My Society[5] (UK) een omvangrijke verzameling van open source hulpmiddelen om machthebbers ter verantwoording te roepen, Zašto[6] (Servië) een website die de uitspraken van politici vergelijkt met hun daden en Funky Citizens[7] (Roemenië), een website die onverantwoorde staatsuitgaven, juridische dwalingen en vormen van oneerbaar politiek gedrag aan het licht brengt.

Meer dan verkiezingen: burgerforums

Alom klinkt de wens van veel burgers voor grotere betrokkenheid bij de politieke besluitvorming op alle niveaus. Daarbij valt te denken aan referenda en volksvergaderingen, zoals die nog steeds in Zwitserse gemeenten plaatsvinden.

Voor uitwisseling van en discussie over standpunten bieden referenda en volksvergaderingen weinig ruimte.

Verschillende schrijvers proberen de indirecte democratie te verbeteren door de rol van politieke partijen te omzeilen. In zijn boek Tegen verkiezingen (2013) stelt de Vlaamse politicoloog David van Reybrouck voor vertegenwoordigers aan te stellen op basis van gewogen loting. Loting alleen levert geen representatief ‘minipubliek’ op omdat nooit meer dan 10% van de uitverkorenen aan de uitnodiging gehoor geeft. Wat overblijft is een overwegend autochtone groep, die ouder dan 50 jaar is met een hogere opleiding, die is geïnteresseerd in politiek. 

De kracht van een burgerforum is de mogelijkheid tot deliberatie tussen onafhankelijke burgers in plaats van tussen vertegenwoordigers van politieke partijen, die gebonden zijn een coalitieakkoord te steunen of te bestrijden. 

Vooral in Ierland zijn met burgerforums goede resultaten geboekt. In Nederland zijn inmiddels ook verschillende voorbeelden. In de meeste gevallen was de acceptatie van de resultaten door de gevestigde politiek het grootste knelpunt[8]. In april heeft een commissie onder leiding van Alex Brenninkmeijer zich in een advies aan de Tweede Kamer positief uitgesproken over de rol van burgerfora bij het klimaatbeleid[9].

Digitale instrumenten

Een andere interessante optie is liquid democracy[10]. Hier kunnen burgers, net als bij directe democratie, over alle onderwerpen stemmen. Ze kunnen hun stem echter ook overdragen aan iemand anders, die volgens hen meer betrokken is. Deze persoon kan de ontvangen mandaten eveneens overdragen. Met veilige IT is dit eenvoudig te organiseren. Voorbeelden van bruikbare apps zijn: Adhocracy (Duitsland), een platform voor participatie, samenwerking en genereren van ideeën, Licracy[11], a een virtueel volksparlement, Sovrin[12], een open source gedecentraliseerd protocol voor elk soort organisatie. Insights Management Tool[13] is een applicatie om grote hoeveelheden antwoorden van burgers op concrete vragen van de gemeente om te zetten in ‘inzichten’ waarmee de politiek zijn voordeel kan doen.  Ik noem nog enkele applicaties die vooral voor steden bedoeld zijn: EngageCitizens[14] (o.a. Braga, Portugal), een plek waar burgers ideeën kunnen aandragen en deze in virtuele discussiegroepen kunnen bespreken, Active Citizens (Moskou), een applicatie waarop bewoners aan referenda kunnen deelnemen, CitizenLab[15], een medium waarop burgers denkbeelden over actuele stedelijke problemen kunnen bediscussiëren. Zeer bruikbaar voor de ontwikkeling van een breed gedragen visie op stedelijke problemen. Last but not least verwijs ik naar de veelomvattende applicaties Decide Madrid en Decidem (Barcelona), die ik elders uitgebreid heb besproken[16].

Alle voornoemde apps vergroten de betrokkenheid van een deel van de burgers bij het bestuur. Het gaat meestal om hoger opgeleiden. In Madrid en Barcelona wordt met bijeenkomsten geprobeerd om kansarme bewoners ook hun stem te laten horen.

Politieke decentralisatie

Vanwege de vele en ingewikkelde opgaven waarmee stadsbesturen te maken hebben en de vaak even ingewikkelde bestuurlijke processen tussen gemeentebestuur- en raad en gemeentebestuur en hogere overheden, valt het niet mee om burgerparticipatie tot een succes te maken. Een aantal steden zoekt de oplossing in de oprichting van deelgemeenten, soms gepaard met decentralisatie van een deel van de gemeentelijke diensten. 

Jan Schrijver laat zien hoe in Amsterdam de tot op de dag van vandaag de centralistische bestuurscultuur en de wensbeelden van co-creatie voortdurend botsen[17], ondanks het feit dat de gemeente inmiddels beschikt over een indrukwekkende reeks van beleidsinstrumenten die participatie kunnen bevorderen: Het initiëren van een referendum is laagdrempeliger gemaakt, maatschappelijke initiatieven kunnen worden gesubsidieerd, iets dat vastgelegd is in buurtrecht, waaronder het ‘right to challenge’, er zijn buurtbudgetten en uiteenlopende participatietrajecten[18]

Zeer recent heeft een miniburgerberaad plaatsgevonden onder leiding van Alex Brenninkmeijer over de concrete vraag hoe Amsterdam de energietransitie kan versnellen. Dit beraad was zeer productief[19] en de deelnemers waren tevreden over het verloop. In februari 2022 moet duidelijk worden of de gemeenteraad de voorstellen overneemt[20].

Naar een stad van commons

Tor dusver is democratisering opgevat als een besluitvormingsproces waarvan de gemeentelijke organisatie het resultaat uitvoert.

De ultieme stap richting democratisering, na decentralisering is autonomie:

Bewoners beslissen dan niet alleen over bijvoorbeeld speelgelegenheid in hun wijk, ze zorgen er ook voor dat die er komt. Steeds vaker wordt dit laatste formeel vastgesteld in het right to challenge[21]. Bijvoorbeeld een groep bewoners toont dan aan een voorheen gemeentelijke taak beter en vaak ook goedkoper zelf te kunnen uitvoer. Hiermee wordt op de participatieladder[22] een significante slag gemaakt van meepraten naar autonomie.

In Italië heeft dit proces een hoge vlucht heeft genomen. De stad Bologna is een bolwerk van stedelijke commons. Burgers worden ontwerpers, managers en gebruikers van een deel van het gemeentelijke takenpakket. Aanleg van groene gebieden, een leegstaand huis ombouwen tot betaalbare eenheden voor studenten, ouderen of migranten, exploiteren van een minibusdienst, het schoonmaken en onderhouden van de stadsmuren, de herinrichting van delen van de openbare ruimte en nog veel meer. Vanaf 2011 kunnen commons een formele status krijgen. Het belangrijkste instrument daarbij zijn samenwerkingspacts. In elk pact leggen stadsbestuur en de betrokken partijen (informele groepen, NGOs, scholen, bedrijven) afspraken vast over hun werkzaamheden, verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Sinds de goedkeuring van de verordening zijn honderden pacten getekend. De stad draagt bij wat de burgers nodig hebben – geld, materiaal, huisvesting, advies – en de burgers stellen hun tijd, vaardigheid en organisatievermogen ter beschikking. In sommige gevallen hebben commons ook een commercieel doel, bijvoorbeeld het revitaliseren van een winkelstraat door de daar gevestigde ondernemers.  Vaak verenigen deze zich dan in een coöperatie.

Het succes van commons in Italië en ook op elders ter wereld – denk aan de Nederlandse energiecoöperaties – berust op het feit dat veel mensen samen met anderen iets willen doen in plaats van alleen mee te praten. 

Democratie na de commons

Op allerlei plaatsen wordt nagedacht over de implicaties van het proces van commoning voor het stedelijk bestuur.  De Italiaanse politicoloog en kenner van de commons-beweging Christian Laione[23] ziet op langere termijn een ‘stad van commons’ ontstaan. Daarbij worden alle wezenlijke stedelijke taken uitgevoerd door commons en coöperaties. De gemeente is een netwerk van commons, de besluitvorming wordt dan gedecentraliseerd en het aantal centraal te regelen taken met bij behorende verantwoordelijkheden wordt beperkt[24]

Een vergelijkbaar idee leeft in de VS, namelijk: The city as a platform: Instead of simply voting every few years and leaving city administration to elected officials and expert bureaucrats, the networked city sees citizens as co-designers, co-producers and co-learners, aldus Stefaan Verhulst, medeoprichter van GovLab[25]. Het idee van de stad als platform is een manier om bewoners uit te nodigen gezamenlijk nieuwe en betere manieren te vinden om aan hun behoeften te voldoen en het openbare leven te verlevendigen. Het kan gaan om buurtgebonden initiatieven, bijvoorbeeld de herinrichting van een buurt of om stadsbrede initiatieven, bijvoorbeeld een coöperatie van taxichauffeurs die de concurrentie met Uber aangaat. 

Als het aantal commons of (deel)platformen groter wordt en deze ook gemeentelijke taken op zich nemen, wordt het stadsbestuur zelf een platform dat via overeenkomsten de ‘licence to operate’ regelt, binnen de randvoorwaarden van een democratisch vastgesteld Charter.

Het bovenstaande bouwt voort op twee essays die zijn opgenomen in mijn e-boek Steden van de toekomst: Humaan als keuze, smart waar dat helpt. Het eerste essay Versterking stedelijke democratie – de goed-bestuurde stad gaat uitvoerig in op de begrippen directe democratie, decentralisering en autonomie en bevat een beschrijving van digitale applicaties zowel ter verbetering van de dienstverlening als de stedelijke democratie. Het tweede essay Burgerinitiatieven – stad van de commons gaat uitgebreid in op activiteiten op verschillende plaatsen in de wereld om de betrokkenheid van bewoners bij hun woonplaats te vergroten en behandelt in dat verband uitvoerig de idee achter ‘commons’. Het e-boek kan hier worden gedownload.


[1] https://www.youtube.com/watch?v=b-r6B28qVSY&feature=emb_logo

[2] https://amsterdamsmartcity.com/updates/news/e-estonia-a-great-example-of-e-government

[3] https://www.dropbox.com/s/22ekhzws9gpb4nd/Rapport_De_stand_van_digitaal_Nederland_Rathenau_Instituut.pdf?dl=0

[4] https://prozorro.gov.ua/en

[5] https://www.mysociety.org

[6] https://zastone.ba/en/

[7] https://funky.ong/english-newsletter/

[8] https://www.dropbox.com/s/ocusjkecdit7vg9/Nationale-burgerfora-essaybundel.pdf?dl=0

[9] https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/klimaatverandering/documenten/publicaties/2021/03/21/adviesrapport-betrokken-bij-klimaat

[10] http://www.enliveningedge.org/tools-practices/liquid-democracy-true-democracy-21st-century/

[11] https://civictech.guide/wp-content/uploads/2019/10/image-126.png

[12] https://sovrin.org/library/sovrin-governance-framework/

[13] https://www.insights.us/de

[14] https://www.beesmart.city/solutions/engagecitizen-citizenry-social-network

[15] https://www.citizenlab.co/

[16] https://amsterdamsmartcity.com/updates/news/barcelona-and-madrid-forerunners-in-e-governance

[17] https://platformoverheid.nl/profiel/jan_f-_schrijver/

[18] https://www.amsterdam.nl/bestuur-en-organisatie/invloed/democratisering/#hb7eec1d5-38f4-4c45-9895-2fa4749210d8

[19] https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/11067179/1/2__HvA_voorlopige_reflectie_miniburgerberaad

[20] https://www.dropbox.com/s/ppohdkzzdb3mik3/eindadvies_mini-burgerberaad_def.pdf?dl=0

[21] https://vng.nl/artikelen/wat-is-het-right-to-challenge-en-waar-komt-het-vandaan

[22] https://www.citizenlab.co/blog/civic-engagement-nl/participatieladder-digitale-tijdperk/?lang=nl

[23] https://labgov.city/category/commonspress/page/4/

[24] https://www.enainstitute.org/wp-content/uploads/2019/03/CO-CITY-OPEN-BOOK-The-City-as-a-Commons-Papers-1.pdf

[25] https://www.dropbox.com/s/nxn47rjfmzbkxxo/City%20As%20Platform%20-%20Aspen%20Institute.pdf?dl=0

Agenda stad: Vormgeven aan samenwerking tussen gemeenten

De 15de aflevering van de reeks ’Bouwen aan duurzame steden – De bijdrage van digitale technologie’ gaat over hoe Nederlandse steden samenwerken binnen de City Deals in het project Agenda stad en regio.

De afgelopen jaren is de belangstelling van Nederlandse gemeenten voor digitalisering op stedelijk niveau toegenomen, mede door de initiërende rol van de VNG, G40 en de Future City Foundation en van een aantal voorlopers als Apeldoorn, Helmond en Zwolle. In eerste instantie ging het om kleinschalige en geïsoleerde projecten. In deze post ga ik in op twee projecten met als doel bewerken door samenwerking een schaalsprong te bewerkstelligen.

Missiegedreven aanpak

In haar nieuwe boek Mission Economy bepleit Mariana Mazzucato een missie-gedreven aanpak van projecten door de publieke sector op de wijze waarop indertijd een mens op de maan is gebracht. Het gaat daarbij om grootschalige projecten met een hoge mate van complexiteit, zoals de energietransitie, de bouw van betaalbare woningen, het welzijn van het arme deel van de bevolking en natuurbehoud. 

Wat is een missie- gedreven aanpak? Allereerst gaat het om een ambitieuze visie, vervolgens om het slechten van silo’s binnen de overheidsorganisatie, samenwerking met bedrijven en organisaties én samenwerking tussen hogere en lagere overheden[1]

Om dit soort samenwerking zou het ook moeten gaat bij de grote transities waarvoor Nederland staat en als onderdeel daarvan digitalisering. Ik wil het hebben over twee projecten die dit soort samenwerking beogen, dan wel beloven. Het eerste, Agenda stad en regio, loopt al enige tijd en daarop zal ik uitgebreid ingaan. Het andere ander is voorgesteld door G40 en komt in kort bestek aan de orde.

Agenda stad en regio en City deals

De eerste City deals zijn in 2016 gestart; er zijn er inmiddels 27, waarvan ongeveer de helft is afgerond. Zes nieuwe staan in de startblokken. Er zijn 125 gemeenten, 8 provincies, 9 ministeries, 10 overige overheidsinstanties, 5 waterschappen, meer dan 100 bedrijven, 30 kennisinstellingen en meer dan 20 overige samenwerkingsverbanden bij betrokken. Ook zijn er 14 partnerschappen met gemeenten buiten Nederland.

Voorbeelden van City deals zijn: Grensoverschrijdend werken en ondernemen, cleantech, voedsel op de stedelijke agenda, lokale weerbaarheid tegen cybercrime, binnenstedelijk bouwen, de inclusieve stad: eenvoudig maatwerk en een slimme stad, zo doe je dat.  Over die laatste zal het hierna vooral gaan.

Binnen een City deal werken de betrokken partijen samen en die samenwerking resulteert in concrete producten, variërend van wetgeving tot beleidsinstrumenten.

De belangrijkste uitgangspunten zijn:

  • Formuleren van een ambitie over de aanpak van een vraagstuk;
  • Stimuleren van schaalvoordelen door samenwerking tussen en/of binnen stedelijke regio’s;
  • Realiseren van samenwerking tussen publieke en private partijen, waaronder de rijksoverheid;
  • Innoveren door het realiseren van nieuwe vormen van probleemaanpak;
  • Opschalen, ook over de landsgrenzen.

City deals werken ook onderling samen en uit hun midden ontstaan nieuwe deals, zoal ‘Slim maatwerk’, een nieuwe City deal die voortkomt uit de bestaande City deals ‘Eenvoudig maatwerk’ en ‘Een slimme stad, zo doe je dat’.

Als ik me moet voorstellen hoe een ‘moonshot’ werkt, waarover ik in het begin van dit artikel had, dan zou Agenda stad en regio wel eens een goed voorbeeld kunnen zijn.

City deal ‘Een slimme stad, zo doe je dat’ 

Het ultieme doel van deze City deal is, zo lezen we in het jaarverslag, inzetten van digitalisering om de grote opgaven waar Europa en Nederland voor staan, aan te pakken zoals armoede, sociale samenhang en onveiligheid en al doende een samenleving te realiseren waarin iedereen in vrijheid kan leven[2]. Bij deze City deal zijn inmiddels 60 partijen betrokken.

Het doel is minstens 12 gemeentelijke processen te veranderen waarmee regio’s, steden en dorpen worden ontworpen, ingericht, beheerd en bestuurd, en de mogelijkheden die digitalisering daarbij biedt optimaal te benutten. Vertrekpunt is de bestaande praktijk om vraagsturing te garanderen. 

In de City deal ‘Een slimme stad, zo doe je dat’ fungeren 14 werkgroepen: De werkgroepen bepalen zelf welke processen ze aanpakken, met dien verstande dat drie gemeenten bereid moeten zijn het gekozen proces te testen. Belangrijk is dat deze processen later ook door andere gemeenten kunnen worden gebruikt. De City deal ‘Een slimme stad, zo doe je dat’ is inmiddels al bijna twee jaar op weg en de aan te pakken processen zijn uitgekristalliseerd. In een enkel geval is de beoogde uitwerking gereed, in de meeste gevallen zijn ze in ontwikkeling. Hier volgt een korte beschrijving van stand van zaken op 15 november 2021. Een levendige beschrijving van ervaringen van deelnemers is te lezen in ROMmagazine, jaargang 39, no. 11.

1. Open urban dataplatform

Dit project ontwikkelt een procedure voor de aanbesteding van een open dataplatform, dat deelbaar en schaalbaar is, waarin privacy en data-autonomie zijn gewaarborgd en dat voldoende garanties bevat voor cybersecuruity. Het resultaat zal een stappenplan zijn, waarin technische vragen (hoe ziet het er uit), juridische vragen (wie is de eigenaar) en financiële vragen (bekostiging) aan de orde komen.

2. Kookboek voor effectieve datastrategie

Dit project ontwikkelt een procedure voor de verwerving en de opslag van data. Er is een ‘datakookboek’ ontwikkeld dat helpt bij de verzameling, opslag en toepassing van data. Het betreft een 11-stappenplan vanaf formulering van een meetbare vraag tot de interpretatie van de meetresultaten. Van groot belang daarbij is zichtbaar maken van de aannames achter de selectie van de data. De bruikbaarheid van de stappen wordt in de praktijk getoetst. Een eerste concept vind je hier[3].

3. Slimme initiatieven toets

Doel van dit project is om initiatiefnemers (burgers, bedrijven) optimaal gebruik te laten maken van beschikbare publieke data, onder andere van data die het digitaal stelsel omgevingswet gaat bieden (DSO). Het DSO zal informatie geven over welke regels op een locatie gelden en uiteindelijk ook over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Idealiter inventariseert en optimaliseert de slimme initiatieven toets alle de data die voor een plan nodig zijn. Op dit moment wordt onderzocht aan welke soorten (geo)datagebruikers behoefte hebben (‘usercases). 

4. Sensordata en privacy

Het doel van het project is een tool te ontwikkelen waarmee een gemeente een aanbesteding kan doen voor de installatie van sensoren die precies past bij het type gegevens dat verzameld zal worden en die rekening houden met ethische vragen en AVG-regels.

5. Vormgeving van de nieuwe stad

De groeiende beschikbaarheid van uiteenlopende typen (realtime) data, bijvoorbeeld over luchtkwaliteit en geluidsoverlast) heeft implicaties voor de manier waarop steden en wijken ontwikkeld worden. De werkgroep ontwikkelt een canvas dat als een ‘vertaalmachine’ van de beschikbare data werkt. Vertrekpunt daarbij was een matrix met als ingangen de fasen van het ontwerpproces (initiatief-, ontwerp- en realisatiefase) en het gebiedstype (stedelijk, Randstedelijk en buitenstedelijk gebied). Deze matrix moet aangeven welke data op welk moment nodig zijn. De bruikbaarheid zal via pilots worden getest.

6. Iedereen (en alles) een sensor

Burgermeetinitiatieven (via telefoons en met sensoren bevestigd aan fietsen, auto’s en het eigen huis) hebben een dubbel doel: verhogen van de betrokkenheid en verbeteren van het inzicht in de eigen leefomgeving van degenen die de meting uitvoeren. Dit kan tevens bijdragen aan gedragsverandering, zeker als de metingen aansluiten bij behoeften van inwoners en zij ook bij de interpretatie van de meetresultaten worden betrokken. De werkgroep streeft naar een ‘roadmap’ gebaseerd op een aantal ‘usercases’.

7. Lokaal meten: vergelijken van projecten

Lokaal meten van gegevens – zoals in het vorige project gebeurt – kan overbodig zijn als er al gegevens van elders beschikbaar zijn. Deze moeten dan wel vergelijkbaar zijn met de gegevens die worden gezocht en om dit mogelijk te maken is standaardisatie gewenst. Tegelijkertijd kan standaardisatie tot wantrouwen leiden en de prikkel bij bewonersgroepen wegnemen om zelf aan de slag te gaan. Uiteindelijk kiest de werkgroep voor de ontwikkeling van een selfservice portal, dat samen met de Data- en Kennishub Gezond Stedelijk Leven wordt ontwikkeld. Bewonersgroepen kunnen dan zelf kiezen voor deelname aan een gestandaardiseerd project dat hun meetresultaten direct inleest of voor een ‘do-it-yourself’ oplossing. Voor deze laatste optie zal een handleiding worden geschreven.

De laatstnoemde projecten worden in samenwerking met Eurocities, een netwerk van 190 steden in 38 landen, doorontwikkeld onder de naam CitiMeasure – using citizen measurement to create smart, sustainable and inclusive cities.

8. Smart mobility: Op weg naar een veilige en duurzame stad

Digitalisering in het verkeer heeft al een hoge vlucht genomen, bijvoorbeeld door het gebruik van intelligente verkeersinstallaties (ivri’s), maar daarbij geldt meestal de bestaande situatie, bijvoorbeeld privégebruik van auto’s, als uitgangspunt. De vraag is hoe aangesloten kan worden het streven naar een betere leefbaarheid. Hiertoe heeft de werkgroep drie thema’s gekozen: betere bereikbaarheid voor hulpdiensten, deelmobiliteit en stadslogistiek.

Voor hulpdiensten wordt aan een stappenplan gewerkt, waarmee gemeenten de noodzakelijke voorzieningen kunnen realiseren om deze – en eventueel ook andere doelgroepen – altijd ‘groen licht’ te geven.

Als iedereen zich zou verplaatsen met het op dat moment meest geschikte vervoermiddel (variërend van lopen, (deel)fiets of -scooter, ov tot (deel)auto) zou het privéautogebruik aanzienlijk verminderen en de leefbaarheid van steden verbeteren. De werkgroep ontwikkelt een ‘landkaart’ om deelmobiliteit te stimuleren, die antwoord geeft op alle gerelateerde vragen.

Ontwikkelingen rond de stadslogistiek lopen al via andere trajecten. Daarom zal de bijdrage van de werkgroep in dit opzicht beperkt zijn.

9.Een businessmodel voor de smart city

Nieuwe vormen van samenwerking tussen overheden, bedrijfsleven, kennisinstellingen en burgers kunnen tot nieuwe ‘waarden’ voor gebieden leiden, maar ook tot de behoefte om kosten en baten op een andere manier te verdelen. Een nieuw ‘businessmodel’ kan dan nodig zijn. De werkgroep onderzoekt daartoe welke de gevolgen voor bedrijven en organisaties zijn van het aangaan van samenwerkingsverbanden zijn voor de succesvolle ontwikkeling van producten en diensten. Dit in vergelijking met meer traditionele opdrachtgever/opdrachtnemer relaties.

10 Ethical Boards

Binnen de City Deal ‘Een slimme stad, zo doe je dat’ geldt als uitgangspunt dat te ontwikkelen digitale instrumenten zich altijd voegen naar ethische regels. De implicaties van dergelijke regels is vaak situatiebepaald. Daarom stellen gemeenten in binnen- en buitenland een ethische commissie in, waarin deskundigen en bewoners zitting hebben. Ter ondersteuning van het werk daarvan wil de commissie tot een kennisplatform komen met informatie over welke ethische regels het beste bruikbaar zijn voor verschillende digitaliseringsprojecten.

11 Modelverorvering

Lokale overheden willen het gebruik van digitale hulpmiddelen zoals sensoren in de openbare ruimte reguleren. Anita Nijboer, als juriste werkzaam bij bureau Kennedy Van der Laan, ook partner van de City Deal ‘Een slimme stad, zo doe je dat’, heeft hiertoe een modelverordening opgesteld die onder andere in Rotterdam en Helmond is getoetst. Het belangrijkste leereffect is dat afdelingen binnen gemeenten wezenlijk verschillend aankijken tegen de manier waarop dit soort vragen juridisch ingekaderd moeten worden. De werkgroep buigt zich naar aanleiding hiervan over de vraag of een modelverordening een passend antwoord is op het verkrijgen van instemming voor de toepassing van digitale hulpmiddelen.

12 Omgaan met drukte in de stad

Meten van (te grote) drukte in delen van de stad was al lang voor de coronatijd een probleem. Doel is een digitaal model (‘digital twin’) van de stad te ontwikkelen – een zogenaamde crowd safety manager – dat realtime inzicht geeft in voetgangersstromen en -concentraties. Tevens moet zo’n model ook kunnen communiceren met mensen in de stad. Inmiddels wordt een prototype van een dashboard, ontwikkeld door partnerbedrijf Argaleo, gebruikt in ’s-Hertogenbosch, Breda en Den Haag. Dit instrument gebruikt geen persoonsgegevens. Met externe subsidies wordt dit instrument doorontwikkeld op Europees niveau.

G40: Slimme duurzame verstedelijking

In maart 2021 heeft G40, het samenwerkingsorgaan van 40 middelgrote gemeenten, een projectvoorstel gedaan om digitalisering verder in te zetten voor maatschappelijke opgaven en daarmee ook kansen te bieden aan het bedrijfsleven[5].

Het projectplan stelt dat de huidige aanpak van ‘slimme verstedelijking’ en de realisatie van ‘maatschappelijke hoofdopgaven’ geen soelaas biedt. De langdurige decentralisatie, verbreding van opgaven, vernauwing van uitvoeringsgelden en een versplinterd Rijksbeleid hebben tot een belemmerend sturingsgat en financieringstekort bij gemeenten geleid. Hiervoor in de plaats zou een gebundelde aanpak moeten komen, geleid door vertegenwoordigers van gemeenten en rijksoverheid en aan deze laatste wordt een investering van € 1 miljard gevraagd. 

Ik heb me bij het bestuderen van dit plan verbaasd over het feit dat niet of nauwelijks wordt verwezen naar de activiteiten binnen Agenda Stad en regio, de ‘City deals’, waarvan een hiervoor is uitvergroot.

Of heeft de kritiek op de versnipperde aanpak juist betrekking op de werkwijze van Agenda Stad en regio en trekt G40, als een van de deelnemende organisaties, er zijn handen vanaf?

De kracht van Agenda stad zit in zowel de dwarsverbanden tussen stedelijke projecten op het gebied van de grote transitieopgaven en digitalisering, het betrekken van de burgers en de intergemeentelijke samenwerking. Dit is iets om te koesteren.

G40 had mijns inziens veel beter een nieuwe fase van Agenda stad en regio kunnen inluiden, gekenmerkt door schaalvergroting en versnelling van de bevindingen tot nu toe. Deze nieuwe fase zou dan als doel kunnen hebben, bestendiging van de samenhang tussen de thema’s van de afzonderlijke City Deals binnen het kader van de grote transitieopgaven waar Nederland voor staat. In die samenhang zou het thema digitalisering ook het best tot zijn recht komen. De uiteindelijke waarde van digitalisering ligt immers in de bijdrage aan de energietransitie, het terugdringen van verkeersoverlast en de groei van een circulaire economie, om maar een paar voorbeelden te noemen. Dat vereist echter een ander plan.

Ondertussen hoop ik dat we op overzienbare termijn de resultaten van de werkgroepen van City deal ‘Slimme stad, zo doe je dat’ kunnen aanschouwen, samen met die van de andere ‘deals’. 


[1] https://bloombergcities.jhu.edu/news/how-moon-landing-now-inspiring-local-problem-solving

[2] https://agendastad.nl/2-0-voor-de-slimme-stad/?cd=1

[3] http://bit.ly/kookboek-datastrategie

[4] https://dutchmobilityinnovations.com/spaces/1251/toolbox-slimme-stad/toolkit-alles

[5] https://www.dropbox.com/s/gm0gzypmv1tcm7b/G40-Smart-City-Rapport-210321-ONLINE.pdf?dl=0

De digitaliseringsagenda van Amsterdam tegen het licht gehouden

In de 14de aflevering van de reeks Bouwen aan duurzame steden: De bijdrage van digitale technologie onderzoek ik het digitaliseringsbeleid van de gemeente Amsterdam vanuit de eerder geformuleerde richtlijnen en ethische principes.

Amsterdam was 25 jaar geleden met de Digitale Stad koploper op het gebied van toegang tot publiek internet. Nu wil de stad vooroplopen als vrije, inclusieve en creatieve digitale stad. Hoe de gemeente dat wil doen, is voor het eerst beschreven in de nota Een digitale stad voor en ván iedereen (2019)[1]. Een jaar later in Agenda digitale stad (2020)[2] zijn de doelen geherformuleerd tot drie speerpunten: (1) verantwoord inzetten van data en technologie (2) tegengaan van digitale ongelijkheid en (3) toegankelijk maken van de dienstlening. Deze drie speerpunten mondden uit in een reeks concrete activiteiten, waarvan in 2021 een eerste evaluatie aan de gemeenteraad is voorgelegd[3]. Aan de drie genoemde speerpunten is toegevoegd ‘Beschermen van digitale rechten’ (zie bovenstaande illustratie voor de vier speerpunten en de 22 activiteiten. Klik hier voor een grotere weergave).

In dit artikel ga ik na hoe het Amsterdamse digitaliseringsbeleid zich verhoudt tot de uitgangspunten en ethische principes voor digitalisering, die ik in de 9de aflevering heb genoemd. Ik heb deze vanwege de overlap heb samengevoegd in één lijst (zie HIER), genaamd ‘Uitgangspunten voor maatschappelijk verantwoord digitaliseringsbeleid’.  Deze lijst bevat acht uitgangspunten, elk voorzien van een niet-uitputtend aantal richtlijnen. Ik ga voor elk van deze uitgangspunten na wat Amsterdam inmiddels heeft verwezenlijkt en waaraan nu wordt gewerkt. De nummers achter de onderstaande uitgangspunten verwijzen een of meer van de 22 bovengenoemde activiteiten. Bij elk uitgangspunt voeg ik een buitenlands voorbeeld toe.

1. Inbedding (1, 4)

De digitale agenda is onderdeel is van een democratisch vastgestelde en samenhangende stedelijke agenda.

  • De gemeente Amsterdam bouwt samen met AMS Institute, de Hogeschool van Amsterdam, Waag, e.a. aan een breed kennisnetwerk op het gebied van verantwoord gebruik van data en digitale technologie. Vanuit dit netwerk zal onderzoek worden gedaan naar de impact van technologie op de stad.

In 2017 ging in de Poolse stad Lublin[4] het project Foresight Lublin 2050 van start om kansen en bedreigingen te definiëren die verband houden met sociaaleconomische, ecologische en technologische ontwikkeling. Het stelt dat beslissingen rond technologie moeten worden genomen uitgaande van de werkelijke behoeften van de bewoners en die moeten betrokken zijn bij het ontwerp en implementeren van beleid.  Als onderdeel van het democratische karakter van de besluitvorming in Lublin, bepalen bewoners de toewijzing van begrotingsmiddelen

2. Gelijkheid, inclusiviteit en sociale impact (16, 17, 19, 20)

Informatie- en communicatietechnologie toegankelijk maken voor iedereen

  • De gemeente Amsterdam wil dat de publieksdiensten toegankelijk, begrijpelijk en bruikbaar zijn voor iedereen, online en offline. Onderzoek onder laag-geletterde doelgroepen heeft aanwijzingen opgeleverd om de dienstverlening toegankelijker te maken. 
  • De Online-uitvoeringsagenda geeft informatie over lopend beleid (volg.amsterdam.nl). Mijn Amsterdam verschaft informatie over projecten op buurtniveau en mogelijkheden om daarin te participeren.
  • Kwetsbare Amsterdammers vinden op een aantal plaatsen hardware om het Internet te gebruiken en ook is op een aantal plaatsen gratis Wi-Fi beschikbaar. Ook zijn er enkele duizenden laptops beschikbaar gesteld.
  • Samen met maatschappelijke partners wordt de ontwikkeling van digitale vaardigheden ondersteund. Zo is met Cybersoek een ‘train-de-trainer’ programma uitgevoerd en de Openbare Bibliotheek zal de komende jaren alle bezoekers laten kennismaken met de thema’s datawijsheid en digitale vrijheid. 
  • Via het partnership met TechConnect worden in drie jaar 50.000 extra mensen uit ondervertegenwoordigde groepen geattendeerd op de technologie arbeidsmarkt.
  • De gemeente acht uitrol van het 5G-netwerk gewenst, maar volgt kritisch onderzoek over de gezondheidsrisico’s van dit netwerk. Via het 5G-Fieldlab worden de toepassingen van 5G onderzocht en hun belang voor de bewoners.

Barcelona en Madrid zijn voorlopers op het gebied van digitale participatie, mede dankzij hun resp. netwerken Decidem[5] en Decide Madrid[6]. Bewoners gebruiken deze op grote schaal als bron van informatie en om mee te discussiëren resulterend in een (adviserende) stem. Veel van wat de gemeenteraad behandelt, is via deze fora ter tafel gekomen.

3. Rechtvaardigheid (2, 15, 20)

Voorkomen dat toepassing van digitale systemen tot machtsconcentratie en machtsmisbruik leiden.

  • De Agenda Amsterdamse Intelligentie stelt voorwaarden aan algoritmen, om discriminatie te voorkomen. Mede in dit verband zal jaarlijks een aantal algoritmen worden geaudit en worden algoritmen in een register ondergebracht.
  • Het Civic AI Lab gaat de (onbedoelde) implicaties onderzoeken van algoritmen met betrekking tot ongelijke behandeling en discriminatie.
  • Er is voor de domeinen zorg en onderwijs een verkenning gestart naar de wijze waarop deze laagdrempelige toegang tot hun diensten kunnen geven. Hiermee zal de komende jaren verder worden geëxperimenteerd.

Met zijn 116 pagina’s omvattende strategie voor het ethisch gebruik van kunstmatige intelligentie (AI) richt New York[7] zich op het gebruik van AI om bewoners beter van dienst te zijn, het opbouwen van AI-knowhow binnen de overheid, modernisering van de data-infrastructuur, stadsbestuur en beleid rond AI, het ontwikkelen van partnerschappen met externe organisaties en het bevorderen van gelijke kansen.

4. Menselijke waardigheid (20)

Voorkomen dat technologie mensen van hun unieke eigenschappen vervreemdt en in plaats daarvan ervoor zorgen dat zij hun ontplooiing stimuleert.

  • Het programma ‘Moderne Overheid’ onderzoekt hoe digitalisering verschillende domeinen van de gemeentelijke organisatie kan ondersteunen. Voorbeelden zijn: beter matchen van werkzoekenden en werk, 18-jarigen helpen bij het beheer van hun financiën, (vroeg)signalering van mensen met schulden, geven van informatie over schoonmaken en beheer van de stad.

De Database of Affordable Housing Listings, Information, and Applications stelt bewoners van San Francisco[8] in staat om het gehele aanbod aan betaalbare woningen te doorzoeken en hun belangstelling kenbaar te maken via een eenvoudig formulier in verschillende talen. Uit de ingediende aanvragen wordt door middel van loting een kandidaat-bewoner aangewezen, die vervolgens een meer gedetailleerde aanvraag indient. De procedure is geheel in open source software ontwikkelt en andere steden sluiten zich bij dit initiatief aan.

5. Autonomie en privacy (3, 5, 6, 14, 15)

Erkenning menselijke autonomie en van daaruit het recht om in de publieke ruimte te verblijven en zich te verplaatsen zonder digitaal te worden geobserveerd.

  • De gemeente heeft een datastrategie vastgesteld die de bewoners meer zeggenschap geeft over de eigen data
  • Via de app IRMA werkt de gemeente samen met andere gemeenten aan dataminimalisatie en geeft bewoners regie over hun eigen gegevens. Via deze app kunnen bewoners ook ‘meldingen openbare ruimte’ doen. Deze app kan de basis vormen voor de ontwikkeling van een ‘Digitale identiteit’.
  • Het ‘Responsible Sensing Lab’ onderzoekt privacy-vriendelijke meetmethoden om verantwoord data te kunnen verzamelen met behulp van ‘sensing’. De mmWave-sensor bijvoorbeeld meet drukte zonder persoonsgegevens te verzamelen.
  • Een register brengt geplaatste sensoren in kaart. Via een sensorverordening zal het aanmelden van sensoren in de publieke ruimte verplicht worden gesteld.

Om de privacy van de bewoners te beschermen heeft het bestuur van Seattle[9] een reeks stappen gezet waarmee de stad in dit opzicht onbetwist voorloper is. De stad heeft een chief privacy officer aangesteld, een reeks leidende privacy principes vastgesteld en een privacy adviescommissie ingesteld, bestaande uit zowel burgers als ambtenaren. Een belangrijk onderdeel is de uitvoering van een privacy impact assessment telkens wanneer de gemeente een nieuw project ontwikkelt waarbij persoonlijke gegevens worden verzameld.

6. Open data, open software en interoperabiliteit (9, 13, 18)

Data-architectuur, inclusief standaarden, afspraken en normen gericht op hergebruik van data, programma’s en technologie en ook voorkomen van lock-in.

  • Het gemeentelijk beleid met betrekking tot open data is ‘open, tenzij’. Het stedelijk platform data.amsterdam.nl trekt 2500 unieke bezoekers per dag.
  • De sourcing- en opensourcestrategie van de gemeente legt vast het hergebruik van bestaande middelen, het gebruik van standaarden en het beschikbaar stellen van door de gemeente ontwikkelde software.
  • Samen met kennisinstellingen en bedrijven ontwikkelt de gemeente de Amsterdam DataExchange, waarin de betrokken partijen regelen welke en hoe ze data uitwisselen. Met het CBS zijn afspraken gemaakt over beschikbaar stellen van gegevens.
  • De Tada-principes zijn de uitgangspunten voor verantwoord datagebruik. Zij regelen de zeggenschap van de gebruikers en bepalen hoe data ingezet kunnen worden en dat zij open en transparant zijn. Beoogd wordt dat ook andere Amsterdamse instellingen en bedrijven deze principes overnemen.
  • Via ‘Mijn Amsterdam’ kunnen inwoners hun persoonlijke gegevens inzien. Dit geldt inmiddels ook voor ondernemers.

Om startups te ondersteunen heeft het stadsbestuur van Seoul[10] My Neighborhood Analysis ontwikkeld, een tool die een ongekende hoeveelheid commerciële informatie bevat. Het gaat onder andere om bedrijfslicenties, eigendomsinformatie, huurprijzen en transportkaartgegevens, met datasets uit het volledige zakelijke ecosysteem van Seoul. Wanneer een gebruiker informatie invoert over het voorgestelde bedrijfstype, krijgt deze een overzicht van de bedrijfsprestaties in de te verkennen wijk en een indicatie van het verwachte risiconiveau voor een nieuw bedrijf. Gebruikers kunnen vergelijkbare bedrijven selecteren om inzicht te krijgen in hun historische prestaties.

7. Veiligheid (7, 9)

Voorkomen en bestrijden van internetcriminaliteit en beperken van de gevolgen daarvan.

  • De gemeente heeft een Agenda digitale veiligheid opgesteld, mede gericht op het in bedrijf houden van vitale infrastructuur

De gemeente Den Haag[11] heeft samen met Cybersprint een ​​IoT-beveiligingsmonitor ontwikkeld. Deze geeft een realtime overzicht van alle verbonden IoT-apparaten binnen de stadsgrenzen met gedetailleerde informatie, zoals hun verblijfplaats en risiconiveau. De monitor heeft tot nu toe 3100 onveilige apparaten in Den Haag geïdentificeerd. Meestal zijn onveilige apparaten die geen wachtwoord of standaardwachtwoorden of verouderde software gebruiken

8. Operationele en financiële duurzaamheid (12, 20, 21)

Garanderen van een bedrijfszeker, robuust Internet

  • De gemeente overlegt permanent met de Internet- en telefoonaanbieders om de stabiliteit van de netten te garanderen.

Civiele werken die vereist zijn voor het uitrollen van de digitale infrastructuur voor glasvezel bedragen 90% van de totale kosten. Een “Dig Once”-beleid[12] heeft tot doel deze kosten te verminderen door samenwerking tussen steden, providers, nutsbedrijven en andere belanghebbenden. Het gaat er daarbij om dat bij nieuwbouw in een keer alle kabel- en leidingenwerkzaamheden uit te voeren en daarvoor liefst een kleine makkelijk bereikbare tunnel onder de stoep of de straat aan te leggen. De bedrijfszekerheid van alle (digitale) voorzieningen wordt hiermee aanzienlijk vergroot. Bij bestaande bebouwing zouden alle onderhouds- en vervangingswerkzaamheden in een keer uitgevoerd moeten worden.

Knelpunten

Zoals valt te verwachten doen zich bij de uitvoering van het beleid verschillende knelpunten voor. Er is immers sprake van een relatief snel verlopend ontwikkelingsproces waarbij veel partijen en belangen betrokken, terwijl technologische ontwikkelingen snel gaan. Op een aantal terreinen is nog het nodige werk te verrichten om het draagvlak te vergrote, zowel binnen het gemeentelijk apparaat, bedrijven en organisaties en de bevolking. Het gaat daarbij onder andere om de Tada-principes, de naleving van de gemeentelijke sourcingstrategie, het ‘open, tenzij’-beleid en het beleid voor dataminimalisatie. Er is verder nog het nodige te doen aan de ontwikkeling van een betrouwbare digitale infrastructuur en het tegengaan van (onbedoelde) effecten bij toepassing van kunstmatige intelligentie. Vergroting van de digitale zelfredzaamheid en het creëren van de randvoorwaarden voor alle bewoners om digitaal mee te doen vereist structurele inbedding en financiering.

Digitalisering Amsterdam.  Te vroeg voor een oordeel

Zeker is dat de gemeente Amsterdam voortvarend bezig is met op verantwoorde wijze te digitaliseren. De stad heeft een duidelijk beeld van de problematiek waarvoor ze staat. Minder duidelijk is wanneer er naar het oordeel van de gemeente sprake is van een geslaagd beleid en wat de realisering daarvan de komende jaren nog aan verdere inspanningen vraagt. Op elk van de door mij opgestelde uitgangspunten vinden acties plaats, maar er is nog geen dekkend geheel. Dat geldt overigens ook voor andere steden, maar sommige daarvan zijn op onderdelen beslist verder, denk aan de digitale participatie van bewoners van Barcelona, Madrid, Lublin, aan het privacy beleid van Seattle, de informatievoorziening van Seoul en het in ethisch opzicht verantwoord gebruik van kunstmatige intelligentie in New York waarover Milou Jansen, coördinator van de Cities Coalition for Digital Rights zegt: New York’s AI Strategy is a bold and inspiring example of how digital rights can find its way into the operationalisation of AI policies. It shows the way forward to many other cities around the globe who likewise support an approach grounded in digital rights[13].

Mijns inziens heeft de gemeente Amsterdam op het gebied van privacy (5) en open data (6) grote stappen gezet. De grootste opgaven liggen op de volgende terreinen (de nummers verwijzen naar de door mij geformuleerde uitgangspunten):

  • De inbedding van het digitaliseringsbeleid in de overige beleidsterreinen (1).
  • De beschikbaarheid van Internet, computers en digitale vaardigheden voor kwetsbare groepen (2).
  • Het gebruik van digitale middelen ter vergroting van de participatie van de bevolking aan de ontwikkeling en de vaststelling van het beleid (2).
  • De arbeidsomstandigheden van werknemers in de gig economie (3).
  • Het behouden van toezicht op de AI-systemen die autonoom oordelen over mensen vellen (4).
  • De strijd tegen cybercrime (7).
  • Een toekomstbestendige infrastructuur (8).

In de volgende aflevering verleg ik het blikveld naar een aantal andere Nederlandse gemeenten.


[1] https://waag.org/sites/waag/files/2019-03/Agenda-digitale_stad-amsterdam.pdf

[2] https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/8773731/1/2__Magazine_Digitale_stad_2020digitaal_spreads

[3] https://openresearch.amsterdam/nl/page/67000/agenda-digitale-stad-tussenrapportage-2019-2020

[4] https://hub.beesmart.city/city-portraits/smart-lublin-a-smart-city-with-a-social-dimension

[5] https://decidim.org/

[6] https://decide.madrid.es/

[7] https://www1.nyc.gov/assets/cto/downloads/ai-strategy/nyc_ai_strategy.pdf

[8] https://associates.bloomberg.org/digitalcitytools/

[9] https://www.govtech.com/data/seattle-pushes-forward-as-data-privacy-leader.html

[10] https://associates.bloomberg.org/digitalcitytools/

[11] https://associates.bloomberg.org/digitalcitytools/

[12] https://www.weforum.org/whitepapers/governing-smart-cities-policy-benchmarks-for-ethical-and-responsible-smart-city-development

[13] https://cities-today.com/new-york-launches-strategy-for-ethical-ai/

Verzamel betekenisvolle data en blijf ver weg van dataïsme.  

De vijfde aflevering van de reeks Bouwen aan duurzame steden: De rol van technologie gaat over de zin en onzin van big data. ‘Data is the new oil’ is het ergste cliché van de big data-hype tot nu toe. Nog erger dan ‘datagedreven beleid’. Ik dit artikel onderzoek ik – met digital twins als rode draad – wat de bijdrage van data aan stedelijk beleid kan zijn en hoe dataïsm, een religie die zelf de beleidsbepaling overneemt, kan worden voorkomen (lees hierover vooral Harari: Homo Deus).

Ik ben een tevreden gebruiker van een Sonos geluidssysteem. Toch moet de helpdeks er een enkele keer aan te pas komen. Nog onlangs en toen wist de helpdesk na vijf minuten dat mijn probleem het gevolg was van een defecte verbindingskabel tussen het modem en de versterker. Wat bleek, de helpdesk kon op afstand een digitale afbeelding genereren van de componenten van mijn geluidssysteem en hun verbindingen en zag dat de bewuste kabel geen signaal doorgaf. Een eenvoudig voorbeeld van een digital twin. Ik was er blij mee. Maar waar ligt de grens tussen zin en onzin van verzamelen van massa’s data.

Wat is een digital twin. 

Een digital twin is een digitaal model van een object, product of proces[2]. In mijn opleiding tot sociaal geograaf heb ik veel met kaarten te maken gehad, de oudste vorm van ‘twinning’. Kaarten hebben de basis gelegd voor GIS-technologie, die weer de basis is van digital-twins.   Geografische informatiesystemen relateren uiteenlopende data op basis van geografische locatie en maken hun samenhang in de vorm van een model inzichtelijk.  Als dit model met behulp van sensoren permanent met de werkelijkheid wordt verbonden, dan komen de dynamiek in de werkelijkheid en die in het model overeen en spreken we van een ‘digital twin’. Zo’n dynamisch model kan worden gebruikt voor simulatiedoeleinden, toezicht op en onderhoud van machines, processen, gebouwen, maar ook veel grootschaliger entiteiten, bijvoorbeeld het Nederlandse elektriciteitsnet.

Van data naar inzicht

Elke wetenschapsbeoefenaar weet dat data onmisbaarheid zijn, maar weet ook dat er een lange weg is te gaan voordat data tot kennis en inzicht leiden. Die weg begint nog voordat data worden verzameld. De eerste stap zijn aannames over het wezen van de werkelijkheid en dus ook de mogelijkheid om deze te kennen. Hierover is de nodige discussie gevoerd binnen de wetenschapsfilosofie, waaruit in het kort twee standpunten zijn gekristalliseerd, een systeembenadering en een complexiteitsbenadering. 

De systeembenadering gaat uit van de veronderstelling dat de realiteit bestaat uit een stabiele reeks van acties en reacties waarin naar wetmatige verbanden gezocht kan worden. Tegenwoordig neemt bijna iedereen aan dat dit alleen geldt voor fysische en biologische verschijnselen. Toch wordt er ook gesproken van sociale systemen. Het gaat dan niet om wetmatige samenhangen, maar om generaliserende aannames over menselijk gedrag op een hoog aggregatieniveau. De ‘homo economicus’ is daar een goed voorbeeld van. Op basis van zulke aannames kunnen ook conclusies worden getrokken hoe gedrag te beïnvloeden is.

De complexiteitsbenadering – die overigens ook een natuurwetenschappelijke achtergrond heeft – ziet de (sociale) werkelijkheid als een complex adaptief proces dat ontstaat uit ontelbare interacties, die – als het om menselijk handelen gaat – worden gevoed door uiteenlopende motieven. In dat geval wordt het veel moeilijker om generieke uitspraken te doen op een hoog aggregatieniveau en zullen interventies een minder voorspelbaar resultaat hebben. 

Verkeersmodellen

Verkeersbeleid is een goed voorbeeld om het onderscheid tussen een proces- en een complexiteitsbenadering te illustreren. Simulatie met behulp van een digital twin in Chattanooga[3] van het gebruik van flexibele rijstrooktoewijzing en fasering van de verkeerslichten, wees uit hierdoor de congestie met 30% kon afnemen[4]. Had men dit experiment in werkelijkheid uitgevoerd, dan was het resultaat waarschijnlijk heel anders geweest. Verkeersdeskundigen merken keer op keer op dat elke nieuw geopende weg na korte tijd vol slipt, terwijl het verkeersbeeld op andere wegen nauwelijks verandert. In de econometrie heet dit verschijnsel geïnduceerde vraag. In een onderzoek naar stedelijke verkeerspatronen tussen 1983 en 2003, stelden de economen Gilles Duranton en Matthew Turner vast dat autogebruik evenredig toeneemt met de groei van de wegcapaciteit. Dit is alleen te begrijpen vanuit een complexiteitsbenadering: Elke weggebruiker reageert namelijk anders op de opening of afsluiting van een weg. Die reactie kan zijn de rit naar een ander tijdstip te verplaatsen, een andere weg te gebruiken, met iemand anders mee te rijden, het openbaar vervoer te gebruiken of af te zien van de rit. 

Carlos Gershenson[5], een Mexicaanse computerspecialist, heeft verkeersgedrag onderzocht vanuit een complexiteitsbenadering en hij concludeert dat zelfregulering de beste manier is om congestie aan te pakken en de capaciteit van wegen maximaal te benutten. Als de gesimuleerde ingrepen in het verkeer in Chattanooga in werkelijkheid waren uitgevoerd, dat hadden duizenden reizigers binnen korte tijd hun rijgedrag aangepast. Zij waren de ‘smart highway’ gaan uitproberen, en als gevolg van geïnduceerde vraag, zou de congestie daar binnen de kortste tijd toenemen tot op het oude niveau. Iemand die het effect van verkeersmaatregelen zichtbaar wil maken met een digital twin, moet deze voeden met resultaten van onderzoek naar het geïnduceerde-vraageffect, in plaats van alleen historische verkeersdata te manipuleren.

De waarde van digital twins

Digital twins bewijzen hun waarde bij het nabootsen van fysieke systemen, dus processen met een parametrisch verloop. Het gaat dan bijvoorbeeld om de werking van een machine, of in een stedelijke context, de relatie tussen de hoeveelheid UV-licht, de temperatuur, de wind(snelheid) en het aantal bomen per oppervlakte-eenheid. Zo onderzoekt men in Singapore met behulp van digital twins hoe hitte-eilanden in de stad ontstaan en hoe hun effect verminderd kan worden[6]. De luchthaven Schiphol beschikt over een digital twin, die alle bewegende onderdelen op het vliegveld zoals rolbanden en -trappen toont. Daarmee kunnen monteurs in geval van storing onmiddellijk aan het werk[7]. Of de kosten van de bouw van zo’n model opwegen tegen de baten is niet bij voorbaat te zeggen.  Vaak ontwikkelen digital twins zich van klein naar groot, gestuurd door gebleken behoeften. 

Ook Boston heeft in 2017, met technische ondersteuning van ESRI, een digital twin van een deel van de stad ontwikkeld[8].  Er is een beperkt aantal processen in een virtueel 3D-model samengevoegd. Een daarvan is de schaduwvorming als gevolg van de hoogte van gebouwen.  Een van de geliefde groene ruimten in de stad is de Boston Common.  Het is al decennia gelukt om de ontwikkeling van hoogbouw langs de randen van het park en daarmee het beschaduwen ervan te beperken. Keer op keer komen projectontwikkelaars met nieuwe voorstellen voor hoogbouw. Met de digital twin kan het effect van de schaduwwerking van deze gebouwen worden gesimuleerd bij verschillende weersomstandigheden en in verschillende seizoenen (zie titelafbeelding). De digital twin is online te raadplegen, zodat iedereen deze en andere effecten van stedenbouwkundige ingrepen, thuis kan bekijken.

Vragen vooraf

Aan de bouw van een digital twin gaan drie vragen vooraf. In de eerste plaats wat de gebruiker ermee wil bereiken, vervolgens welke processen erbij betrokken gaan worden en welke kennis er van die processen en hun samenhang bestaat. Chris Andrews[9], als stedenbouwkundige werkzaam aan het ESRI ArcGIS platform, benadrukt de noodzaak om het aantal elementen in een digital twin te beperken en vooraf het verband ertussen te beredeneren: To help limit complexity, the number of systems modeled in a digital twin should likely be focused on the problems the twin will be used to solve.

Zowel het voorbeeld van de verkeersprognoses in Chattanooga, de vorming van warmte-eilanden in Singapore als het beschaduwen van de Boston Common laten zien dat onbewerkte data ontoereikend zijn om een digital twin te voeden. In plaats daarvan worden data gebruikt die het resultaat zijn van wetenschappelijk onderzoek, waarbij de onderzoeker zich tevens heeft afgevraagd of een systeem- dan wel een complexiteitsbenadering op zijn plaats is. In de woorden van Nigel Jacob, voormalig Chief Technology Officer in Boston: “For many years now, we’ve been talking about the need to become data-driven… But there’s a step beyond that. We need to make the transition to being science-driven in …… It’s not enough to be data mining to look for patterns. We need to understand root causes of issues and develop policies to address these issues.” 

Digital twins zijn waardevolle hulpmiddelen. Maar als zij gevoed worden met onbewerkte data, geven ze hooguit zicht op statistische verbanden en elke wetenschapper weet hoe gevaarlijk het is om daar conclusies uit te trekken: Trash in, trash out. 

Naarmate digitale tweelingen volwassen worden en meer vitale functies van steden in realtime vastleggen, rijst de vraag of dit de besluitvorming altijd zal verbeteren. Stedelijke maatschappelijke vraagstukken zijn ‘wicked problems’: Er zijn veel belanghebbenden met concurrerende belangen, uiteenlopende macht en invloed en incompatibele logica’s. Tegen deze achtergrond boeten meer data, snellere computers en ‘optimale’ oplossingen al snel in aan betekenis.


[1] https://singularityhub.com/2018/09/30/the-rise-of-dataism-a-threat-to-freedom-or-a-scientific-revolution/

[2] Digital Twins Haskoning

[3] Digital twins Future urban planning

[4] Digital Twins React to changes

[5] https://www.quantamagazine.org/complexity-scientist-beats-traffic-jams-through-adaptation-20200928/

[6] https://www.bloomberg.com/news/features/2020-12-01/singapore-climate-change-reducing-heat-takes-trees-and-technology

[7] Esri: Digital twin

[8] Boston digital twin 3D GIS

[9] https://www.esri.com/about/newsroom/arcuser/arcgis-a-foundation-for-digital-twins/

Digitale sociale innovatie: Welzijn voorop

De vierde aflevering in de reeks “Bouwen aan duurzame steden; de bijdrage van digitale technologie” gaat over digitale sociale innovatie en betreft mensen die met digitale middelen de samenleving willen laten gedijen en het milieu doen ontzien.

Digitale sociale innovatie – ook wel smart city 3.0 genoemd – biedt een vooralsnog bescheiden tegenwicht tegen de groeiende dominantie en de desondanks achterblijvende beloften van ‘Big Tech’.  Het gaat om “a type of social and collaborative innovation in which final users and communities collaborate through digital platforms to produce solutions for a wide range of social needs and at a scale that was unimaginable before the rise of Internet-enabled networking platforms.” 

Digitale innovatie in Europa heeft een boost gekregen door het EU-project Growing a digital social Innovation ecosystem for Europa (2015 – 2020) waaraan voor Nederland De Waag Society in Amsterdam participeerde. Een van de verworvenheden is een database van meer dan 3000 betrokken organisaties en bedrijven. Het is doodzonde dat deze database na het beëindigen van het project niet meer wordt bijgehouden en – zoals ik heb ervaren – snel aan actualiteit inboet. 

Veel organisaties en projecten kennen onderlinge verbindingen, doorgaans rond een ‘hub’. Behalve de Waag Society, zijn dat voor Europa, Nesta, Fondazione Mondo Digitale en het Institute for Network Cultures. Voor nieuwe projecten zijn deze vier organisaties ook uitstekende adviseurs. Belangrijke websites zijn: digitalsocial.eu (niet meer onderhouden) en de meer op bedrijven ingestelde techforgood

Een diversiteit aan invalshoeken

Om het veld van digitale innovatie beter te leren kennen kunnen verschillende invalshoeken worden gebruikt:

  • De aandacht voor uiteenlopende vraagstukken zoals energie en klimaat, lucht- en geluidsoverlast, gezondheidszorg en welzijn, economie en werk, migratie, politieke betrokkenheid, betaalbare huisvesting, sociale cohesie, onderwijs en vaardigheden.
  • De veelheid van hulpmiddelen variërend van open hardware kits voor het meten van luchtvervuiling, apparaten voor recycling van plastic, 3D printers, open data, open hardware en open kennis. Verder: social media, crowdsourcing, crowdfunding, big data, machine learning et cetera.
  • De verscheidenheid aan typen projecten: Webservices, netwerken, hardware, doen van onderzoek, adviseren, campagnes en evenementen, cursussen en trainingen, onderwijs en onderzoek.
  • Het uiteenlopende karakter van betrokken organisaties, ngo’s, not-for-profit organisaties burgerinitiatieven, onderwijs- en onderzoekinstellingen, gemeenten en in toenemende mate sociale en maatschappelijke ondernemingen.  

Deze vier invalshoeken komen hierna slechts aan de orde via de gekozen voorbeelden.

De nadruk ligt op een vijfde invalshoek, namelijk de verscheidenheid van doelstellingen van de betrokken organisaties en projecten.

Vervolgens sta ik stil bij hoe gemeenten digitale sociale innovatie kunnen stimuleren. Maar eerst de vraag wat de betrokken organisaties gemeen hebben. 

Een gemeenschappelijke noemer

Een aantal van deze organisaties heeft in 2017 het Manifesto for Digital Social Innovation opgesteld en daarin een aantal centrale waarden benoemd: Openheid en transparantie, democratie en decentralisering, experimenteren en adoptie, digitale vaardigheden, multidisciplinariteit en duurzaamheid. Deze geven betekenis aan de drie componenten van het begrip digitale sociale technologie:

Maatschappelijke vraagstukken. 

De veelheid aan thema’s van projecten op het gebied van digitale sociale innovatie is al vermeld. Binnen al deze thema’s neemt het perspectief van sociale ongelijkheid, diversiteit, menselijke waardigheid en gender een belangrijke rol in. In toepassingen op het gebied van stedenbouw verschuift hierdoor de aandacht deels van de fysieke omgeving naar de sociale omgeving: We’re pivoting from a focus on technology, IoT and data to a much more human-centered process, in de woorden van Emily Yates, smart cities director van Philadelphia.

Innovatie

Ben Green schrijft in zijn boek ‘The smart enough city’: One of the smart city’s greatest and most pernicious tricks is that it …. puts innovation on a pedestal by devaluing traditional practices as emblematic of the undesirable dumb city.’(p. 142). In digitale sociale innovatie verwijst de term innovatie verwijst innovatie eerder naar implementeren, experimenteren, verbeteren en opnieuw assembleren.  

(Digitale) technologie

Technologie is geen neutrale gereedschapskist die voor alle doelen gebruikt of misbruikt kan worden. Ben Green: We must ask, what forms of technology are compatible with the kind of society we want to build (p. 99). Gangbare technologieën hebben vorm gekregen vanuit commerciële of militaire doelstellingen. Technologieën die bijdragen aan ‘the common good’ moeten deels nog ontwikkeld worden. Aanhangers van digitale sociale innovatie benadrukken het belang van een robuust Europees open, universeel, gedistribueerd, privacy-bewust en neutraal peer-to-peer netwerk als platform voor alle vormen van digitale sociale innovatie.

Doelstellingen en focus

Als het om doelstelling of focus gaat, kunnen vijf typen projecten worden onderscheiden: (1) Nieuwe productietechnieken (2) zeggenschap (3) samenwerking (4 bewustmaking en (5) streven naar open access.

1. Nieuwe productietechnieken

Een groeiende groep ‘makers’ zorgt voor een revolutie in open ontwerp. 3D-productietools CAD/CAM-software is niet duur of beschikbaar in ‘fab labs’ en bibliotheken. Waag Society in Amsterdam is er een van de vele instellingen die een fab lab hosten. Dit wordt onder andere gebruikt om digitale sociale innovaties te ontwikkelen. Een voorbeeld was een 3D-geprinte prothese van $50 bestemd voor gebruik in ontwikkelingslanden.

2. Zeggenschap

Met behulp van digitale technologie kunnen burgers massaal deelnemen aan besluitvormings. In Finland mogen burgers voorstellen aan het parlement voorleggen.  Open Ministry ondersteunt burgers bij het maken van een ontvankelijk voorstel en verder bij de verwerving van de minimaal vereiste 50.000 stemmen. Open Ministry maakt nu deel uit van het Europese D-CENT-project een gedecentraliseerd sociaal netwerkplatform dat tools heeft ontwikkeld voor grootschalige samenwerking en besluitvorming in heel Europa.

3. Samenwerking

Het gaat om mensen in staat stellen om vaardigheden, kennis, voedsel, kleding, huisvesting uit te wisselen, maar omvat ook nieuwe vormen van crowdfunding en financiering gebaseerd op reputatie en vertrouwen. De deeleconomie is hard op weg een belangrijke economische factor te worden. Ook zijn wereldwijd duizenden alternatieve betaalmiddelen in gebruik.  In Oost-Afrika opent M-PESA (een mobiel financieel betalingssysteem) voor negen miljoen mensen de toegang tot beveiligde financiële diensten te worden. Goteo is een sociaal netwerk voor crowdfunding en samenwerking bij gezamenlijke die bijdragen aan het algemeen belang.

4. Bewustwording

Dit zijn instrumenten die informatie willen gebruiken om gedrag te veranderen en collectieve actie te mobiliseren. Tyzeis een besloten en online community voor familie, vrienden, buren en zorgprofessionals om rond een cliënt de onderlinge betrokkenheid te versterken en afspraken te maken, bijvoorbeeld voor bezoek. Safecast is de naam van een zelfgebouwde geigerteller waarmee een wereldwijde gemeenschap stralingsmetingen verricht en zo bewustzijn helpt vergroten in straling en (binnenkort) de aanwezigheid van fijnstof.

5. Open Access 

De open access-beweging (inclusief open inhoud, standaarden, licenties, kennis en digitale rechten) wil burgers mondiger maken. De City Service Development Kit (CitySDK) is een systeem dat open data van overheden verzamelt om deze uniform en realtime beschikbaar te stellen.  CitySDK helpt zeven Europese steden om hun data vrij te geven en biedt tools om digitale diensten te ontwikkelen. Het helpt steden ook te anticiperen op de steeds groter wordende technologische mogelijkheden, bijvoorbeeld een plattegrond waarop alle 9.866.539 gebouwen in Nederland zijn weergegeven, gearceerd volgens bouwjaar. Github is een platform voor samenwerking door inmiddels miljoenen open softwareontwikkelaars en draagt bij aan de een re-decentralisatie van de manier waarop code wordt gebouwd, gedeeld en onderhouden.

Ondersteuning door steden

Steden kunnen organisaties die digitale sociale innovaties nastreven in veel opzichten ondersteunen bij de aanpak van problemen. Ze kunnen zelf ook projecten op dat gebied starten. 

Er is wel een aantal voorwaarden.

  • Stedelijke problemen zijn altijd gecompliceerd, tegenstrijdig en verbonden met belangen en kennen zelden enkelvoudige oplossingen. Daarom moeten digitale sociale projecten, net als alle andere projecten, goed doordacht worden ingebed en hun raakvlakken met de andere aspecten van het beleid worden verkend.
  • De inzet van technologie, dus ook die in het kader van digitale sociale innovatie dient zich naadloos te voegen naar de stedelijke agenda, in plaats van dat er problemen worden geformuleerd die aansluiten bij verleidelijke technologieën 
  • De stedelijke agenda is onderdeel van een maatschappelijk krachtenveld gekenmerkt door een veelheid van vaak tegengestelde of ‘schurende’ inzichten, wensen en belangen. Digitale sociale projecten kunnen tegenwicht bieden aan de machtsverschillen tussen stakeholders en zo de stad rechtvaardiger, inclusiever en democratischer en de bewoners gelukkiger maken.
  • Digitale sociale projecten – maar zij niet alleen – kunnen een onderdeel zijn van het streven om uiteenlopende groepen binnen de stad ‘uit te dagen’ om problemen aan te pakken en te experimenteren.

Gegeven deze uitgangspunten is er een aantal manieren op digitale sociale innovatieve projecten te stimuleren. Gemeenten die dit willen kunnen veel baat hebben van de uitgebreide lijst van voorbeelden in de Digital Social Innovation Ideas Bank, An inspirational resource for local governments.

Financiering

Rechtstreekse ondersteuning door middel van subsidies, kopen van aandelen, leningen, social impact bonds, maar ook competities en matching, waarbij de gemeente het door de organisatie, bijvoorbeeld via crowdfunding verkregen kapitaal, verdubbeld. Een voorbeeld van een door de gemeente gefinancierd project is Amsterdammers, maak je stad.

Samenwerking

Betrokkenheid bij een project, variërend van gezamenlijke verantwoordelijkheid en daarmee veelal ook bijdrage in de kosten tot materiële ondersteuning door beschikbaar stellen van ruimte en vormen van dienstverlening, zoals in het geval van Maker Fairs of het Unusual Suspects Festival. Gemeenten kunnen ook samen een project oprichten en ondersteunen, zoals bijvoorbeeld Cities for Digital Rights. Een goed voorbeeld zijn de honderden commons in Bologna, waaraan de gemeente een deel van haar taken delegeert.

Inkoopbeleid

Projecten op het gebied van digitale sociale innovatie hebben een aanbod van bruikbare software opgeleverd, op tal van gebieden waaronder de verbetering van de communicatie met burgers en hun betrokkenheid bij het beleid. Consul is voor het eerst gebruikt in Madrid, maar heeft zijn weg gevonden naar 33 landen en meer dan 100 steden en bedrijven, en wordt gebruikt door meer dan 90 miljoen personen. In veel gevallen is er ook lokaal aanbod. Een alternatief is Citizenlab

Infrastructuur

Gemeenten zouden ernstig moeten overwegen een fab lab in te richten of te ondersteunen. Fab Foundation is hierbij behulpzaam. Een ander voorbeeld is the Things Network en de Smart citizen kit. Beide zijn open tools waarmee burgers en ondernemers een IoT-toepassing tegen lage kosten kunnen bouwen. Deze voorzieningen kunnen ook worden gebruikt om met burgers in een buurt lawaaioverlast, lichtvervuiling of stank te gaan meten, zonder dat er een kostbaar sensornetwerk aangelegd hoeft te worden.

Training van vaardigheden

Gemeenten kunnen burgers en scholieren gerichte programma’s aanbieden voor het trainen van digitale vaardigheden, of organisaties ondersteunen die dit kunnen uitvoeren, via een combinatie van fysieke en digitale middelen. Een van de opties is het programma leugendetector, ontwikkeld door een non-profit organisatie die jonge kinderen leert manipulatieve informatie op (sociale) media te herkennen en te weerstaan.

Incubaters en accelerators

Dit soort organisaties treffen we vooral aan in de wereld van startups, waarvan overigens ook een aantal een maatschappelijke impact heeft. Ook voor jonge DSI-organisaties zijn gerichte begeleidingsprogramma’s aanwezig. In Nederland is dat de Waag Society in Amsterdam. Een typische ‘tech for  good’ incubator in het VK is Bethnal Green Ventures. Een organisatie die ook het Nederlandse Fairphone heeft helpen groeien. In Nederland zijn verder verschillende startup in residence-programma’s actief die ook een rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van DSI-organisaties.

Een digitaal-sociaal innovatief moonshot naar bruto menselijk geluk

Het is af en toe nodig om vooruit te denken en beleidsmakers wakker te schudden en daarbij de vraag naar de implementatie even opzij te zetten.  Een mooi voorbeeld daarvan vanuit een digitaal sociaal innovatie perspectief is het moonshot dat Jan-Willem Wesselink (Future City Foundation), Petra Claessen (BTG/TGG). Michiel van Willigen en Wim Willems (G40) en Leonie van den Beuken (Amsterdam Smart City) in het kader van ‘Missie Nederland’ van de Volkskrant[1] hebben geschreven. Met dit stuk kunnen heel wat DSI-organisaties aan de slag! Ik eindig met de hoofdpunten hiervan:

In 2030 …

… is geen enkele Nederlander meer digibeet, in plaats daarvan is elke Nederlander digitaal vaardig.

… heeft elke inwoner van Nederland toegang tot hoogwaardig internet. Dat betekent dat elk huis wordt aangesloten op snel vast en mobiel internet en elk huishouden in staat is om apparaten te kopen waarmee toegang mogelijk is. Een goede laptop is net zo belangrijk als een goede koelkast.

… wordt het internet op een nieuwe manier gebruikt. Toepassingen (software en hardware) worden vanuit de gebruikers gemaakt. Met als uitgangspunt dat iedereen ze kan gebruiken. Programma’s en de daarvoor benodigde algoritmen worden zo geschreven dat ze ten dienste staan van de samenleving en niet van het bigtech-bedrijfsleven.

… heeft elke inwoner van Nederland een ‘self-sovereign-identity’ waarmee ze vrij, binnen de context van hun eigen grenzen, digitaal kunnen opereren en acteren.

… is nieuwe technologie ontwikkeld die de inwoners en bedrijven de kans mee te denken en beslissen over en mee te ontwikkelen en handelen aan welzijn regio’s, steden en dorpen.

… hebben alle Nederlandse politici verstand van digitalisering en technologisering.

… is het Nederlandse bedrijfsleven leidend in de ontwikkeling van deze oplossingen.

… zorgt dit alles voor meer welzijn en niet alleen voor meer welvaart.

… is het internet weer van ons.

Een wat uitgebreidere toelichting tref je aan onder deze link

https://amsterdamsmartcity.com/moonshot


[1] https://www.volkskrant.nl/wetenschap/niemand-nog-laaggeletterd-en-nederland-co2-negatief-dit-zijn-de-zes-winnende-inzendingen-van-missie-nederland~bc7a2cf7/

Laat kinderen meedelen in de ruimte (4): De kindvriendelijke stad.

Onlangs hebben Henk Donkers en ik een artikel geschreven over de kindvriendelijke stad in het tijdschrift Geografie (september 2021). Dat was een onderdeel van de reeks over de (lange) weg naar de humane stad. In vier posts op deze blog diep ik dit artikel verder uit. Deze laatste post gaat over gemeenten die een kindvriendelijke stad willen worden en hoe ze in dat verband jongeren in het stedelijk bestuur laten participeren. 

Veel kinderen hebben het niet makkelijk. Ook in rijke landen niet.  In de VS alleen al is 40% van kinderen slecht- of ondervoed. Hun ouders hebben weinig van de welvaarstoename gemerkt, de woonomstandigheden zijn slecht en de vooruitzichten ook. In de rijke landen van Noordwest-Europa staan de zaken er wat beter voor, maar dan nog: In 2015 leefde in Vlaanderen 12% van alle kinderen in een huishouden met een inkomen onder de armoededrempel. In Nederland is dat 10% en in een allesbehalve arme stad als Gent 20%. Hier verlaat 1 op de 7 jongeren het onderwijs zonder diploma en 20% van hen is werkloos, waarvan het merendeel een migratieachtergrond heeft.

Tegen deze achtergrond hebben de Verenigde Naties in 1996 het Child Friendly City Initiative genomen.

De aangesloten steden beloven zich in te zetten voor kinderrechten zoals verwoord in het Verdrag over de Rechten van het Kind. Dat betekent volgens het Child Friendly Cities Handbook dat de mening, de behoeften, prioriteiten en rechten van kinderen (< 18 jaar) een integraal onderdeel vormen van het beleid in de aangesloten steden. Een aantal steden in Europa, waaronder Gent en Leuven zijn voorlopers, net als de Canadese stad Surrey, die een uitgesproken kind- en jongerengericht beleid hebben. Kinderen en hun ouders hebben daar op grote schaal aan meegewerkt. Overigens heeft Rotterdam ook zo’n beleid zonder zich bij deze beweging te hebben aangesloten.

In het Child Friendly Initiative wil een verandering van het denken over deze groep. Uitgangspunt daarbij is kinderen te zien als volwaardige burgers.

Zij moeten op hun eigen wijze bijdragen aan de kwaliteit van de stedelijke samenleving en daarom politiek actief zijn en een rol spelen in beleid op alle terreinen, die voor hen van belang zijn.

De pijlers van een kindvriendelijke stad

Participatie
  • Betrokkenheid bij de totstandkoming van plannen, bijvoorbeeld door workshops.
  • Aandacht te vragen voor hun belangen en worden gehoord.
  • Deelnemen aan politieke besluitvorming, bijvoorbeeld via jongerenraden, jeugdoverleg, discussieforums.
  • Deelnemen aan activiteiten binnen en buiten de woonbuurt die als doel hebben sociale cohesie te versterken.
  • Respectvolle bejegening door medeburgers en gemeentelijke diensten.
Voorzieningen
  • Zelfstandige en tijdige toegang tot programma’s en diensten die de gezonde ontwikkeling bevorderen, ongeacht het inkomen of de achtergrond van de ouders.
  • Voldoende gelegenheid in de directe omgeving en daarbuiten om leeftijdsgenoten te ontmoeten.
  • Kunnen beschikken over een aantrekkelijk aanbod van festiviteiten, kunst en cultuuruitingen.
  • De mogelijkheid om een passende opleiding te volgen en werkervaring op doen en gebruik te kunnen maken van een aantrekkelijk aanbod van banen.
  • Veilig te kunnen leven, zonder buitengesloten, gediscrimineerd of uitgebuit dan wel slachtoffer van criminaliteit te worden.
Wonen en leefomgeving
  • Het recht om te wonen in betaalbare woningen in een aantrekkelijke, schone en veilige omgeving.
  • Leven in familiaire omstandigheden, waar genegenheid, acceptatie en respect wordt ervaren en waar voldoende geld is voor een levenswaardig bestaan van alle gezinsleden.
  • De mogelijkheid om zich op een veilige manier te verplaatsen tussen de woning en relevante voorzieningen.
  • Toegang te hebben tot de natuur, groenvoorzieningen en plaatsen voor sport en spel.
  • Zorgen voor schone lucht en conserveren van de natuur en groene ruimten.

Deze pijlers zijn gedistilleerd uit het Child Friendly Cities Handbook, beleidsplannen van Unicef, de Vlaamse regering en de steden LeuvenGent en Surrey.

Hoe kan betrokkenheid van jongeren uitzien?

Hieronder komen enkele vormen van jongerenparticipatie aan de orde. Onderscheiden worden: deelname aan besluitvorming en betrokken zijn bij de totstandkoming van beleid.

Deelname aan de besluitvorming

Voor dit doel kennen veel steden jongerengemeenteraden (de foto bij de aanhef is van een bijeenkomst van de jeugdgemeenteraad van Raalte), jongerenraden, consultaties en discussiefora. Hier worden geregeld politieke issues besproken die voor kinderen van rechtstreeks belang zijn. Dit gebeurt meestal in aanwezigheid van een of meer wethouders en ambtenaren. 

Jongeren vragen voor veel meer zaken aandacht dan voor ruimte om te spelen of voor ‘hangplekken’. Dit bleek op de in Rotterdam gehouden ‘jongerentop’ (fotocollage boven) die uiteraard sterk onder invloed stond van de impact van Covid-19. Gewezen werd op de jongeren die psychische problemen hebben, geen stageplaats kunnen krijgen, het gevoel hebben een jaar onderwijs te hebben verloren en bovenal hun sociale netwerk hebben zien verdampen.  Op de foto rechtsonder overhandigt Young010-voorzitter Chaimae Fadis de belangrijkste conclusies van de dag (‘de eerste lessen’) aan burgemeester Aboutaleb. Het gemeentebestuur wordt gevraagd te doen wat het kan op het gebied van onderwijs, jeugdzorg en het ‘heropenen’ van de stad.

Deelname aan beleidsvoorbereiding

De meest toegepaste manier om jongeren bij stedelijke ontwikkeling te betrekken zijn workshops, waarbij er parallel groepen voor verschillende leeftijdsklassen aan het werk kunnen. Uitgangspunt is een concreet probleem dat van betekenis is voor de jonge deelnemers, zoals de aanleg van nieuwe fietspaden. Daarbij gaan kinderen eerst het probleem inventariseren.  Op straat maken ze foto’s van gevaarlijke situaties en op school interviewen ze kinderen die met de fiets naar school komen. Een expert van de gemeente helpt hen zo nodig daarbij.  Aan de hand van foto’s discussiëren ze over wat de veiligheid van een fietspad bepaalt en als ze voldoende informatie hebben tekenen ze de ideale situatie, eventueel samen met een professionele ontwerper.

Sommige gemeenten organiseren een netwerk van enige tientallen jongeren, die doorgeefluik zijn van wat er in hun omgeving leeft. De leden van dit netwerk kunnen eventueel zelf gesprekken organiseren met leeftijdsgenoten en de resultaten daarvan gevraagd of ongevraagd aan de gemeente doorbrieven.  Omwille van de continuïteit, is het verstandig als de betrokken gemeente af en toe de contactpersonen uitnodigt om gezamenlijk over de bevindingen en de effectiviteit van de aanpak te praten.

Succesfactoren

Er moet worden voldaan aan een reeks voorwaarden om deelname aan de besluitvorming en aan de beleidsvoorwaarden tot een succes te maken:

  • Zorgen dat raden of werkgroepen een goede vertegenwoordiging zijn van jongens en meisjes en van etnische groepen.
  • Geef nieuwe leden de tijd om ‘al doende’ te leren en daardoor geleidelijk minder perifeer te gaan functioneren.
  • Stel vragen die aansluiten aan bij de directe belevingswereld van de deelnemers.
  • Stel duidelijke rollen met bijbehorende taken vast voor volwassenen, die deelnemen aan het proces (neutrale voorzitter, adviseur, ‘deskundige’).
  • Deelnemende docenten kunnen de rol van facilitator op zich nemen. Ze moeten het proces zo weinig mogelijk beïnvloeden door te gaan doceren.
  • Institutionaliseer deelname van kinderen aan beleidsvoorbereiding en besluitvorming, zodat de overige politieke organen gewend raken ermee rekening te houden.
  • Bied, voor zover noodzakelijk, scholingsmogelijkheden aan de deelnemers aan. 
  • Vraag kinderen niet om nota’s te schrijven, maar om visualisaties zoals maquettes, tekeningen en filmpjes te maken. Laat ze deze presenteren en toelichten.
Beoordeling door de kinderen zelf

Kinderen blijken groepsgewijs deelnemen aan het politieke proces te waarderen.  Vooral de discussie met ‘echte’ experts, het zelf doen van onderzoek, het maken van een plan en het discussiëren daarover, waar mogelijk samen met gemeenteraadsleden. Of het proces bestendig is, hangt ervan af of de politiek het resultaat serieus neemt. Met (een delegatie) van de betrokkenen in gesprek gaan met gemeenteraadsleden is soms al voldoende. Uitleg krijgen over waarom een voorstel niet kan, is ook nodig.

De belangstelling van de neemt sterk af als ‘inspraak’ slechts een verpakking is van het gewone leren, bijvoorbeeld een ‘nagespeelde’ gemeenteraadsbijeenkomst binnen de school. 

Hiermee rond ik het vierluik over het thema jongeren en stedelijke ontwikkeling af. Er moet nog veel werk worden gedaan om de stedelijke ruimte eerlijker met hen te delen. In de eerste twee afleveringen van de reeks illustreerde ik dat aan de hand van de mogelijkheden om te spelen en te bewegen, de verkeersverbindingen en de gebouwde omgeving zelf. In het derde artikel vatte ik een aantal studies samen van wat kinderen er zelf van vinden en in deze laatste aflevering kwam aan de orde hoe jongeren onderdeel van de besluitvormig kunnen worden. 

De drie hartenkreten van jongeren die in elk van de artikelen terugkomen zijn: meer ‘natuurspeelplaatsen’, gezellige plekken om te chillen en veilige autovrije verbindingen in de wijk.

Verjaag het monster achter het gordijn: Het monopoly van Big Tech

Deze post gaat de almacht van Big Tech. Groeiend verzet hiertegen heeft vooral geleid tot wetgeving om de gevolgen daarvan te verzachten. Deze raakt de kern van het probleem, de monopolypositie van de technologiereuzen maar ten dele. Wat daarom nodig is, is een streng antitrustbeleid en ook dat overheden opnieuw een leidende rol gaan spelen bij de vaststelling van de technologieagenda.

Stand digitale technologie ‘zorgelijk’

Het Rathenau instituut noemt in een recente rapport de stand van de digitale technologie zorgelijk[1]. Het instituut pleit voor een eerlijke data-economie en een robuust, veilig en voor iedereen beschikbaar Internet. Daarvan is thans geen sprake. Sterker nog, we raken hiervan steeds verder verwijderd. De risico’s dringen zich dagelijks op: Ondoorgrondelijke algoritmen, deepfakes en politieke micro-targetting, kaalslag in binnensteden door online shopping, diefstal van bedrijfsgeheimen, ongebreidelde gegevensverzameling door Google, Amazon en Facebook, slecht betaalde taxichauffeurs van Uber en de andere dienstverleners van de gig-economie, het effect van Airbnb op de hotelbranche en het hoge energiegebruik van bitcoin en blockchain.

Wetgeving

Tal van publicaties roepen de overheid op het groeiende misbruik van digitale technologie een halt toe te roepen. In zijn must read ‘the New Digital Deal’ stelt Bas Boorsma: In order to deploy digitalization and to manage platforms for the greater good of the individual and society as a whole, new regulatory approaches will be required… (p. 46). Dat is ook de mening van het Rathenau Instituut dat drie speerpunten voor een digitaliseringsstrategie noemt: Krachtige wetgevingskaders en toezicht, op waarden gebaseerde digitale innovatie gebaseerd op een kritisch parlementair debat en zeggenschap voor burgers en professionals daarover. 

‘Groeiend ongemak’

De Europese Commissie heeft de afgelopen jaren een breed pakket aan wetten gelanceerd, zoals het Digital Services Act-pakket, de Digital Market Act en de General Data Protection Regulation (GDPR). Toch raken deze de kern van de zaak niet. De bijna-monololy positie van Big Tech-bedrijven is het spreekwoordelijke monster dat zich heeft verstopt achter het gordijn. Het Rathenau instituut erkent dit wel, maar spreekt in besmuikte termen over ‘het groeiende ongemak’ van de afhankelijkheid van Amerikaanse en Chinese technologiereuzen. Zelf het Internationaal Monetair Fonds is duidelijker door te stellen dat de macht van Big Tech innovatie en investeringen remt en de inkomensongelijkheid vergroot. Door toedoen van de macht van de grote technologiebedrijven is de samenleving bezig de greep op technologie te verliezen.

Het probleem benoemd

Om de bovengenoemde risico’s te beteugelen, moet het probleem eerst klip en klaar worden benoemd en maatregelen moeten daarop vervolgens worden afgestemd. Dat gebeurt in twee recente boeken, te weten  Shoshana Zuboff’s  ‘The Age of Surveillance Capitalism: The Fight for a Human Future at the New Frontier of Power’ (2019) en Cory Doctorow’s  ‘How to destroy surveillance capitalism’ (2021). Zuboff beschrijft in detail hoe Google, Amazon en Facebook data verzamelen met slechts één doel, burgers te verleiden tot de aankoop van goederen en diensten: Big Tech’s product is persuasion. The services — social media, search engines, maps, messaging, and more — are delivery systems for persuasion.

De ongekende macht van Big Tech is het gevolg van het feit dat deze bedrijven bijna klassieke monopolies konden worden. Tot de jaren ’80 kende de VS een strenge antitrust wetgeving: De voor het grootkapitaal beruchte Sherman’s act. Ronald Reagan heeft deze in zijn jaren als president in korte tijd om zeep geholpen en hetzelfde gebeurde door toedoen van Margareth Thatcher in het UK, van Brian Mulroney in Canada en van Helmut Kohl in Duitsland. Waar Sherman monopolies zag als een bedreiging voor de vrije markt, vond Reagan c.s. dat overheidsbemoeienis de vrije markt bedreigt.  Facebook sluit hierbij aan als het zichzelf ziet als een ‘natural monopoly’: Je wil op een netwerk zitten waar ook je vrienden zitten.  Maar je zou ook je vrienden kunnen bereiken als er meer netwerken waren, die interoperabel zijn.  Facebook heeft alle economische, technische en juridische middelen uit de kast gehaald om dat laatste tegen te gaan waaronder ook overname van potentiële concurrenten: Messenger, Instagram en WhatsApp.

Kans gemist

In het begin van de 21ste eeuw was er nog een breed geloof dat de zich ontluikende digitale technologie tot een betere en genetwerkte samenleving kon leiden. Bas Boorsma: The development of platforms empowered start-ups, small companies and professionals. Many network utopians believed the era of ‘creative commons’ had arrived and with it, a non-centralized and highly digital form of ‘free market egalitarianism’ (New Digital Deal, p.52). Daarvan is niets terecht gekomen: Digitalization-powered capitalism now possesses a speed, agility and rawness that is unprecedented (New Digital Deal, p.54). De startup community is één groot R&D lab aan het worden voor Big Tech. Veel startups hopen door een van de technologiereuzen te worden overgenomen en vervolgens miljoenen te verzilveren. Big Tech is hierdoor zonder veel moeite in staat om naast de vervoerssector, ook een dominante positie te verwerven in de stedelijke ontwikkeling, de gezondheidssector en het onderwijs.

Dankzij hun monopolypositie kan Big Tech ongelimiteerd gegevens verzamelen, ook als de Europese Wetgeving beperkingen en incidenteel hoge boetes oplegt. Gegevens wordt immers ook verzameld zonder dat burgers daar bezwaar tegen maken. Dit had Mumford in 1967 al doorzien: Veel consumenten zien deze bedrijven niet alleen als absolutely irresistible, maar ook ultimately beneficial. Deze twee voorwaarden vormen de kiem van wat hij de megatechnics bribe noemde[2].

Antitrust wetgeving

De enige wetgeving die de macht van Big Tech kan breken en die we dus van overheden mogen verwachten is een krachtig antitrust beleid, ontvlechting hun onderdelen, een absoluut verbod op overnames en een rigoureuze belastingheffing.

Technologie ontwikkelt zich niet op autonome wijze. Op dit moment bepaalt Big Tech onomstotelijk de technologieagenda op het westelijk halfrond. China is een ander verhaal. Met Mariana Mazzocato[3] ben ik van mening dat overheden de leiding over de technologische ontwikkeling weer naar zich toe moeten trekken, zoals dat tot het einde van de vorige eeuw het geval was. Denk aan de rol die van instellingen als DARPA in de VS, het Fraunhofer Instituut in Duitsland en TNO in Nederland. Democratische controle is daarbij een absolute voorwaarde! Alleen dan krijgt technologie die nodig is voor de realisering van maatschappelijke doelen volop de kans zich te ontplooien.

In het hoofdstuk ‘Digitally just cities’ van het e-boek ‘Steden van de toekomst: Humaan als keuze, smart waar dat helpt’, laat ik onder meer zien hoe Facebook, Amazon en Google er na een mogelijke ontvlechting uit kunnen zien. 

Deze post is nummer 2 in de reeks Bouwen aan duurzame steden. De rol van digitale technologie


[1] https://is.gd/6FwqiO

[2] https://www.boundary2.org/2018/07/loeb/

[3] https://www.hmjvandenbosch.com/2014/10/23/geen-kleinere-maar-een-sterkere-overheid/

Proloog: Bouwen aan duurzame steden. De bijdrage van digitale technologie

De komende maanden publiceer ik op deze site wekelijks een kort artikel over de vraag hoe digitalisering kan bijdragen aan de ontwikkeling van betere steden en hun omgeving. Lees hier wat je van deze posts kunt verwachten.

Volgens het WEF Global Risk Report moet iedereen die zich inzet voor de bijdrage van digitale technologie aan de oplossing van problemen in onze samenleving, zich realiseren dat technologie en het onderliggende bedrijfsmodel zelf een van die problemen is. Het laatste wat je moet doen is kritiekloos meegaan met degenen die alleen de zegeningen van technologie zien. Van sommige voorspellingen lopen je de rillingen over de rug, zoals deze, afkomstig van SiemensSeveral decades from now cities will have countless autonomous, intelligently functioning IT systems that will have perfect knowledge of users’ habits and energy consumption and provide optimum service…The goal of such a city is to optimally regulate and control resources by means of autonomous IT systems. Het bedrijf verwoordt hiermee exact de vrees die Lewis Mumford uitte in zijn baanbrekende werk The Myth of the MachineEmerging new mega-techniques create a uniform, all-enveloping, super-planetary structure, designed for automatic operation in which man will become a passive, purposeless, machine-conditioned animal. Dit was in 1967, voordat iemand een voorstelling had van digitale technologie.

Gelukkig zijn er overheden, bedrijven en instellingen die met technologische hulpmiddelen vooral de problemen willen aanpakken waarvoor de wereld staat: Energietransitie en andere gevolgen van de klimaatverandering, mobiliteitsdruk, toepassen van het principe van de circulaire economie; discriminatie, leefbaar maken van steden en het platteland en vele andere. Dit kan echter nooit met technologie alleen. Er zijn ingrijpende sociale en economische veranderingen voor nodig, die ook ervoor moeten zorgen dat de baten van digitalisering aan iedereen ten goede komen. 

Ik schaar me bij de groep die ‘gelooft’ in de potentie van digitale technologie voor de samenleving als dat gebeurt op een verantwoorde en waardengedreven manier, maar die ook de nodige scepsis heeft of dat laatste zal gebeuren. Deze ambivalentie zal degenen die mijn eerdere publicaties kennen niet zijn ontgaan. In mijn eerste e-boek De smart city idee (2018) ben ik op zoek gegaan naar gebruik en misbruik van technologie in zogenaamde smart cities. In het tweede e-boek Steden van de toekomst, humaan als keuze, smart waar dat helpt (2020) heb ik problemen geïnventariseerd waarvoor hedendaagse steden staan, mogelijke oplossingen daarvoor verkend en in kaart gebracht welke digitale technieken hieraan kunnen bijdragen. De conclusie was dat humane steden nog ver in het verschiet liggen. 

Wat je nu leest is de eerste post in een nieuwe reeks, waarin de toepassing van digitale technologie om steden duurzaam te maken centraal staat[1]. In het eerste deel van de reeks ga ik in op de eisen die in dat geval gesteld kunnen worden aan digitale technologie. In het tweede deel pas ik de ontwerpeisen toe. De integratie van digitale technologie in beleid komt in het derde deel aan de orde. 

Ik voorzie dat er ruim 20 artikelen zullen verschijnen. Hier open je een link naar een voorlopig overzicht daarvan.  Ik neem de vrijheid om dit plan te passen aan de actualiteit of aan voortschrijdend inzicht. 


[1] De Engelse versie vind je hier:

Laat kinderen meedelen in de ruimte (3): Wat vinden kinderen er zelf van?

Onlangs hebben Henk Donkers en ik een artikel geschreven over de kindvriendelijke stad in het tijdschrift Geografie (september 2021). Dat was een onderdeel van de reeks over de (lange) weg naar de humane stad. In viertal posts diep ik dit artikel verder uit.

De vorige posts in deze reeks gingen over de vraag hoe de leefomgeving spel en beweging kan stimuleren en wat kinderen en hun ouders een aantrekkelijke gebouwde omgeving vinden. Deze post is gewijd aan onderzoek naar de voorkeuren van kinderen. De laatste post zal gaan over gemeenten die een kindvriendelijke stad willen worden en hoe ze jongeren daarbij kunnen betrekken. 

In 1989 geeft een groep onderzoekers het onderzoek naar de belevingswereld van kinderen een boost.  Ze spreken van de new sociology of childhood. Deze benadering kent drie principes: Betrek kinderen altijd bij het onderzoek, gebruik methoden die niet invasief of confronterend zijn en wees bewust van de machtsverschillen tussen kinderen en volwassenen. 

Kinderen kennen hun omgeving goed, hoe beperkt die vaak ook is.  Onderzoekers maken daarbij een onderscheid tussen first space, dat is wat de kinderen zien, second space, dat is hun waardering voor wat ze opmerken en third space, dat is hun kennis van de omgeving en de (gedrags)regels waarvan ze zich bedienen. Kinderen weten op jonge leeftijd al veel en vinden er van alles van. Ze kennen bijvoorbeeld achtjarige leeftijd de gevaarlijke plekken en de belangrijkste verkeersregels. Wel is het gebied waarin ze vrij mogen bewegen zeer klein, geen 15-minuten stad maar hooguit een tweeminutenstad.

Het navolgende is gebaseerd op zes studies. Vijf daarvan geven samen een goed beeld van de kennis die kinderen van hun omgeving hebben en wat ze daarvan vinden. Ze zijn ook samen met kinderen tot stand gekomen. De zesde gaat dieper in op de omstandigheden waardoor of kinderen veel of weinig op straat spelen. Hierin staat het spanningsveld tussen een uitdagende omgeving en de bewegingsvrijheid van kinderen centraal. 

Hoe beleven kinderen hun omgeving? 

De studies waarop het navolgende is gebaseerd gaan over van kinderen in Nederland[1] en Vlaanderen[2], de Amerikaanse stad Boulder[3] en de Canadese stad Surrey[4]. Ze maken gebruik van gesprekken met kinderen in de klas of tijdens wandelingen en van tekeningen en foto’s waarop ze hun waardering kenbaar maken. Dat doen ze bijvoorbeeld met een rood of groen kader of het op- of naar beneden steken van hun duim (zie foto’s onder de aanhef van deze post).

Deze studies geven informatie over een veelheid van aspecten, zoals natuur, milieu, directe woonomgeving, mogelijkheden om te spelen, voorzieningen, zich verplaatsen.

Natuur

Bij alle kinderen staat ‘groen’ hoog aangeschreven. Ze spelen en verblijven graag in een parkachtige omgeving, Ze zien in de natuur eindeloos veel mogelijkheden om te spelen: Water, omgevallen bomen, materiaal om hutten te bouwen, struiken om zich achter te verstoppen. Ze zouden in het park graag wc’s en een overdekte ruimte om te schuilen hebben. Vrijwel unaniem waarderen ze spelen in de natuur hoger dan het gebruik van speeltoestellen. Maar ze waarderen de natuur ook om te wandelen, te fietsen en te kijken naar dieren waarvoor ze een warm gevoel hebben. Ze betreuren dat het park vanuit hun huis slecht bereikbaar is, waardoor ze er alleen onder begeleiding naar toe mogen.  Kleine parken in de directe woonomgeving zouden een oplossing zijn.

Milieu

Kinderen willen dat het op straat netjes uitziet. Uitgesproken negatief zijn ze over zwerfafval, lampen die kapot zijn en vandalisme. Dit geldt voor de straat, maar ook voor semipublieke ruimten (gangen, galerijen en trappen) in flatgebouwen. Ze hebben een hekel aan verkeersdrukte en -lawaai en fietsen liever niet op straten waar ook auto’s rijden. Ze weten al op jonge leeftijd dat auto’s CO2 uitstoten (‘niet goed voor het milieu en voor onze gezondheid’). 

Ze waarderen kunst op straat en zijn geboeid door graffiti, maar alleen als het mag, anders is het vandalisme!

Directe woonomgeving

Kinderen willen brede stoepen en een plek (minstens 10 x 10 m2), dicht bij huis die zich leent voor (fantasie)spellen en waar eventueel ook aantrekkelijke speeltoestellen staan. Ook ruimte om te voetballen en andere sporten te beoefenen staat hoog aangeschreven. Daarom zou er in elke buurt een wat groter terrein moeten zijn dat uiteenlopende mogelijkheden biedt om te spelen en te bewegen (Zie bovenstaande impressie van Bouwfonds Property Development).

Zo’n plein trekt veel kinderen aan uit de omliggende straten en leidt ertoe dat de kinderen in wisselende combinaties met elkaar spelen. Met veilige loop- en fietspaden neemt hun actieradius aanzienlijk toe en daarmee ook de keus van speelplekken. Naarmate die er minder zijn, zoeken kinderen hun heil thuis en spreken daar af met vriendjes. Computerspelletjes zijn dan favoriet. 

De Stichting Kind & Samenleving heeft spelende kinderen geobserveerd en geteld in zeven verschillende woonwijken en vergelijkt uitkomst met eerder onderzoek uit 2008 in dezelfde wijken[5]. De conclusie is dat buitenspelen sinds 2008 met 37% is gedaald. Oorzaken: verkeer, groeiend angstgevoel bij ouders en schermtijd. Dit gaat vooral op voor buurten waar sociale cohesie op gespannen voet staat met toenemende verscheidenheid. De hierboven vermelde grotere speelterreinen doorbreken deze tendens en trekken juist meer kinderen. Gemiddeld 60% van alle spelende kinderen in de buurt was hier te vinden. Speelpleinen zijn aantrekkelijk door hun gevarieerde aanbod en omdat kinderen er altijd wel vriendjes tegenkomen of maken. Voorwaarde is wel dat deze terreinen langs veilige wegen bereikbaar zijn. Een aantal Nederlandse steden creëert als onderdeel van stadsvernieuwing zogenaamde kindlinten.  Dat zijn autoluwe routes waarover kinderen zich veilig kunnen bewegen van huis naar school, bibliotheek en speelplein, Het kindlint is hier en daar voorzien van speeltoestellen, kinderkunst en andere objecten.  De onderstaande foto’s tonen het Amsterdamse Spaarndammerplein dat in 2009 is ingericht als speelplein voor oudere en jongere kinderen en ook bereikbaar is via een kindlint (foto rechtsonder).

Veel kinderen zeggen een wijk- of buurtcentrum te waarderen, als de activiteiten maar afgestemd zijn op de eigen leeftijdsgroep en er ook een bibliotheekvoorziening is. Ze zoeken plezierige ‘reuring’ op: Samen dansen, een toneelvoorstelling maken, een (zaal)voetbaltoernooi, een spellenmarathon, mogelijkheden om iets te kopen en te snoepen en soms mogen de ouders meedoen. De tieners willen wat rondhangen – socialiseren en chillen – maar ook zij zoeken een plezierige atmosfeer en geen gore keet. Iedereen vindt het plezierig als er in de buurt of wijk activiteiten worden georganiseerd. Het onderscheid in leeftijden wordt dan ineens een stuk minder belangrijk.

Zich verplaatsen

Vrijwel alle kinderen willen alleen of bij voorkeur in groepjes naar school gaan en zich door de buurt kunnen verplaatsen.  Slechts een kleine minderheid van de kinderen onder de 10 jaar mag dat. De meeste kinderen doen dit niet omdat hun ouders de schoolweg te onveilig vinden. Oudere kinderen gaan met de fiets of met de bus; degenen die met de bus gaan vinden het wachten vaak vervelend en zouden veel frequentere verbindingen willen zien. Wie niet trouwens. Een groep ouders is ook bang dat kinderen met ‘vreemden’ in contact komen. Deze angst slaat over op de kinderen. 

Vergelijkbaar onderzoek onder jongere kinderen en oudere jeugd voegt interessante gegevens toe over de ontwikkeling van de voorkeuren. De jongste kinderen spelen het liefste thuis, in de tuin of op het balkon. Vanaf een jaar of acht neemt de behoefte aan uitbreiding van de actieradius snel toe. Een groene omgeving blijft onverkort aantrekkelijk. Vooral jongens – maar ook steeds meer meisjes – willen voetballen of andere sporten doen, meisjes hebben wat meer behoefte aan socialiseren. Naarmate ze ouder worden neemt bij allen de behoefte aan chillen toe.  

Wanneer wordt buiten zijn een feest?

Uit bovenstaande studies komt duidelijk naar voren dat vooral twee factoren bepalen of kinderen optimaal kunnen profiteren van de buitenruimte. Dat zijn (1) de mate van bewegingsvrijheid (independent mobility) en (2) de rijkdom aan feitelijke mogelijkheden die de omgeving biedt (affordances).

Markette Kytta, die verbonden is aan de universiteit van Helsinki, heeft een reeks buurten uitgezocht (in Finland en Wit Rusland)[6]. Met behulp van een vragenlijst die ze aan kinderen en hun ouders voorlegde (onafhankelijk van elkaar) heeft ze de scores van elke buurt op beide variabelen berekend. Door deze te combineren, ontstonden er vier typen buurten. Een type waar zowel de bewegingsvrijheid van de kinderen als de mogelijkheden om van alles te beleven en te spelen groot zijn. Een tweede type waarvoor het tegenovergestelde geldt, een derde type waar ouders verbieden dat kinderen de buurt verkennen en de kinderen de mogelijkheden ook niet kennen en een type waar de bewegingsruimte groot is, maar waar weinig te beleven valt. 

Kytta noemde het eerste type Bullarby, naar de beroemde boeken van Astrid Lindgren, bij ons bekend als De kinderen van Bolderburen. Dit ‘ideale’ Zweedse dorp biedt volop mogelijkheden om te spelen en van alles te beleven, er zijn genoeg kinderen en deze mogen gaan en staan waar ze willen.  De andere typen buurten noemde Cell, Wasteland en Glasshouse. 

Cell is de tegenvoeter van Bullarby. In deze buurt is mogelijk veel te beleven, maar kinderen hebben daar geen weet van of mogelijkheden toe, want ouders beperken de actieradius vanwege reële of vermeende gevaren.

In Wasteland zijn er veel minder restricties, maar daar valt weinig te ontdekken. 

In Glasshouse gelden dezelfde restricties op mobiliteit als in Cell, maar kinderen weten uit de tweede hand heel goed wat de mogelijkheden zijn en ze zullen deze stap voor stap gaan verkennen.

De foto’s hieronder vertegenwoordigen de types, Bullarby, Cell, Wasteland en Glasshouse die vrijwel overal ter wereld zijn terug te vinden. 

Voor stedenbouwkundigen geeft dit resultaat te denken. Nabij Almere is een Bullarby-achtig wijkje gebouwd dat dan ook Bolderburen heet (Zie onderstaande foto’s). Kinderen kunnen zich hier onbelemmerd verplaatsen, er zijn ruime speelmogelijkheden en er is veel groen dat aanzet tot fantasiespelen. Ook de ouders genieten van de buitenruimte. De dichtheid komt ongeveer overeen met een Vinexwijk, maar dat is niet de dichtheid waar we in Nederland naartoe moeten. Stedenbouwkundige moeten dus naar mogelijkheden zoeken om in veel dichtere bebouwing dan Bolderburen een vergelijkbare veilige actieradius een minstens even groot aantal belevings- en speelmogelijkheden te creëren. Deze en de twee voorafgaande posts zouden hiertoe moeten inspireren, maar vooral het aan banden leggen van het autoverkeer zal de nodige moeite kosten, terwijl dat wel een absolute voorwaarde is. 

Voorlopig zullen de Bolderburens, die ook in Nederland hier en daar ontstaan, de meeste aantrekkingskracht op kinderen en hun ouders uitoefenen. Maar gesitueerd in het groene buitengebied en met twee auto’s voor de deur, zijn zij niet de gedroomde inrichting van de ruimte in Nederland.

In de laatste post van deze reeks ga ik in op de wens van sommige gemeenten om een kindvriendelijke stad te worden en hoe kinderen actief betrokken worden bij dit beleid.  


[1] Bouwfonds Property Development BPD): De kindvriendelijke stad. Hoe stadsgezinnen willen wonen. 2019. Zie: https://www.bpd.nl/media/tyzao1f5/bpd-kindvriendelijke-stad.pdf

[2] Céline Ramioul: Wat maakt een stad kindvriendelijk. Op verkenning met kinderen. Masterthesis ingenieurswetenschappen, Leuven, 2019. Zie: https://scriptiebank.be/scriptie/2019/wat-maakt-een-stad-kindvriendelijk-op-verkenning-met-kinderen

[3] Mara Mintzer, Joanna Mendoza, Louise Chawla, and Aria Dellepiane: growing up in Boulder 2016. Zie:  https://www.colorado.edu/cedar/sites/default/files/attached-files/15_min_neighborhood_report.pdf

[4] Child and youth Friendly city strategy, November 2010 . Zie: https://www.surrey.ca/sites/default/files/media/documents/Child_and_Youth_Friendly_City_Strategy_City_of_Surrey.pdf

[5] Johan Meire, Sabine Miedema en Marlies Miedema: Het grote buitenspeelonderzoek. Buiten spelen in de buurt geobserveerd. Kind en samenleving, Mechelen 2020. Zie: https://k-s.be/spelen-en-vrije-tijd/spelen/het-grote-buitenspeelonderzoek/

[6] Kyttä, Marketta. 2004. The extent of children’s independent mobility and the number of actualized affordances as criteria for child-friendly environments.  Journal of Environmental Psychology 24, 179-198. Zie: 

https://www.dropbox.com/s/2usbia9fisqlw25/Chilren%27s%20independent%20mobility.pdf?dl=0

Laat kinderen meedelen in de ruimte (1): Spelen en bewegen

Onlangs hebben Henk Donkers en ik een artikel geschreven over de kindvriendelijke stad in het tijdschrift Geografie (september 2021). In viertal posts diep ik de stedenbouwkundige aspecten van dit artikel verder uit.

Het onderstaande gaat over hoe de leefomgeving spelen en bewegen beperkt, maar ook kan stimuleren. In de navolgende posts sta ik stil bij de vraag hoe gebouwde omgeving aantrekkelijker kan worden voor gezinnen in het algemeen en voor kinderen in het bijzonder. Hoe weten we wat goed is voor kinderen en wat ze zelf willen? Om die vraag te beantwoorden komt in de derde blogpost onderzoek daaromtrent aan de orde. Tenslotte ga ik na hoe jongeren meer betrokken kunnen worden bij de ontwikkeling van de leefomgeving.

Ik vat het begrip kinderen ruim op, tot ongeveer 15 jaar. Zij zullen in steeds grotere getale opgroeien in een stedelijke omgeving. De VN heeft in het verdrag voor de rechten van het kind vastgelegd dat hun belangen gelijkwaardig zijn aan die van volwassenen en spreekt gemeenten daarop aan, bijvoorbeeld in het Childfriendly cities and communities handbook. Los daarvan, steden moeten verdichten om de groeiende vraag naar wooneenheden op te vangen en de omringende groene ruimte te ontzien. Voeg dit bij de noodzaak van een afname van de broeikasgassen in de dampkring, dan kun je zachts gezegd spreken van een uitdagende opgave.

In plaats kindvriendelijk wordt vaak de term ‘beweegvriendelijk’ gebruikt: voldoende en veilige ruimte om te spelen en te bewegen. Ook belangrijk voor volwassenen trouwens. Wetenschappelijk onderzoek wijst uit dat spelen en bewegen belangrijk zijn voor lichaam en geest. De omgeving is beweegvriendelijk ingericht. Ze nodigt uit tot beweging, sport en spel. Ze zet aan tot een actieve, gezonde levensstijl en tot zachte verplaatsingen. Zo staat te lezen in het Witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Er is nog heel wat te doen voordat deze toestand is bereikt. 

Obstakels voor een beweegvriendelijke inrichting van de ruimte

Spelen en bewegen omvat een reeks van activiteiten met een bijbehorend ruimtebeslag. Het gaat daarbij om veel plekken van beperkte omvang in de nabijheid van woningen tot een kleiner aantal omvangrijke voorzieningen op buurt- en wijkniveau. Belangrijk is dat deze met elkaar in verbinding staan via veilige loop- en fietsroutes. Tal van voorbeelden en suggesties zijn te vinden in de publicatie Sport en ruimte in beweging.

Bij vrijwel alle voorstellen om voldoende en veilige ruimte om te spelen en te bewegen te creëren zitten er minstens twee dingen in de weg.

Dat is de auto in de eerste plaats. De meeste woonwijken zijn aangelegd vanuit de gedachte van bereikbaarheid met de auto.  Het wordt vanzelfsprekend beschouwd dat elk huis of appartementengebouw tot aan de voordeur met de auto bereikbaar is, dat straten in de eerste plaats zijn voor auto’s en elke wooneenheid minstens twee parkeerplaatsen nodig heeft.

Het tweede ding dat in de weg zit zijn groenvoorzieningen. Dat mag vreemd klinken. Met groenvoorzieningen wordt vooral siergroen bedoeld.  Grote grasvelden rondom flatgebouwen (balspel verboden!), aangeharkte perken en struiken.  Ook een groot deel van de (voor)tuinen – voor zover al niet versteend – hoort ook hierbij, gelet op de spastische reacties van sommige bewoners als de bal van de buurkinderen in hun tuin terechtkomt.

‘Groen’ moet zeker worden behouden en uitgebreid, maar meer worden aangelegd vanuit het perspectief van beweegvriendelijkheid. 

Hieronder volgt eerst aantal goede voorbeelden. Achtereenvolgens komen aan de orde: voortuinen, toepassing van speeltoestellen, straten en pleintjes, speelplaatsen en schoolomgeving, water, pleinen en parken, speeltuinen en grootschalige voorzieningen. Het tweede deel bevat een aantal reflecties op wat jeugdigen en andere jongeren willen.

Voortuinen

Vaak zijn voortuintjes ‘voor de sier’, soms voorzien van een bankje en met een hek of haag afgescheiden van de buren. Kinderen spelen op de stoep of tussen geparkeerde auto’s. 

Maar ook zie je op vooralsnog beperkte schaal, dat buren van hun voortuinen een (gezamenlijke) speelruimte maken.  Voortuinen zijn voor dit doel beter geschikt dan achtertuinen omdat zij ontmoetingen stimuleren van wisselende groepjes kinderen uit de buurt. Achtertuinen kunnen dan ook kleiner zijn en gebruikt worden om te zitten en te eten in gezinsverband.

Voor wie met een of meer buren en met de gemeente aan de slag wil, de publicatie Kinderen en voortuinen, biedt volop bouwstenen en inspiratie voor een dergelijk project

Speeltoestellen

In alle voorbeelden hieronder komen speeltoestellen voor. Daarom licht ik ze er even uit. 

Het belang van speeltoestellen moet niet worden overschat.  Voor veel kinderen bestaat het ideale speelpleintje uit hopen grof zand, water, klimbomen en pallets. Het oogt voor de omwonenden ongetwijfeld rommeliger dan een veldje met wipkippen. Goede speeltoestellen lokken creatieve actie uit en zijn voor meer dan een doel te gebruiken. Je kunt erop klimmen er vanaf glijden, verstoppertje spelen en meer. Van de eenvoudige apparaten zijn (schotel)schommels en klimrekken favoriet.

Speelstraten en -pleintjes

De meeste wijken hebben een saai rechthoekig stratenpatroon, ook als er nauwelijks doorgaand verkeer is. Een aantal straten kan periodiek als speelstraat worden gebruikt, maar beter is om het parkeren te concentreren in de uiteinden van de straten en daartussen ruimte te maken om te spelen, te chillen, te zonnen. Plaatsing van een beperkt aantal speeltoestellen kan, maar ook hier geldt dat een deel van de ruimte ‘open’ en enigszins ruig houden de voorkeur heeft. Als de ruimte groot genoeg is, dan zijn voetbalkooien het overwegen waard. Speelpleintjes kunnen onderling verschillen. Voor de kleinste is gewoon gras, een ondiepe waterpartij en bankjes daaromheen voor de ouders te overwegen, voor wat oudere kinderen een complex klimtoestel. 

Speelplaatsen en schoolomgeving

Steeds meer scholen vervangen kale betegelde vlakten, zogenaamde speelplaatsen, door zorgvuldig ontworpen plekken waar plaats is voor een grote verscheidenheid aan activiteiten, ook in samenhang met de lessen.  Het gaat om schooltuinen, afgebakende ruimte voor verschillende typen balspelen, zitjes, een klein amfitheater, een gebied om hutten of anderszins te bouwen.  Vaak gaat er aan zo’n herinrichting een inspraakronde vooraf, waarbij de leerlingen een eerste ontwerp maken dat zij samen met professionals afwerken.  Idealiteit blijft zo’n ‘speeltuin’ ook na schooltijd open, maar overwegingen met betrekking tot veiligheid en vandalisme beperken dit.

Ook de schoolomgeving is voor verbetering vatbaar. Allereerst dient te worden voorzien in een naadloze aansluiting op het netwerk van loop- en fietsroutes. Vanaf een jaar of zes zouden jeugdigen in principe alleen naar huis moeten kunnen komen, lopend en later eventueel op de fiets.  

Leerlingen van scholen voor het voortgezet onderwijs waarderen het als er in de directe schoolomgeving een aantal ‘ontmoetingsplekken’ zijn, waar ze desgewenst kunnen afspreken om wat te na te kletsen of te chillen.  

Water

Veel woonwijken worden doorkruist door beken en kunstmatige waterlopen, bedoeld als regenwaterbuffer. Oevers zijn uitgelezen plaatsen voor de aanleg van wandel- en looppaden, (cross)parcoursen, aanleg- en verhuurplaatsen voor bootjes, strandjes, plekken om te chillen maar niet voor kinderspel. Hekjes of een dikke ondoordringbare haag van rietsoorten zijn daarom gewenst.  

Dat ligt anders bij ‘wadi’s’. In steeds meer straten worden deze kleine waterloopjes aangelegd om overtollig (regen)water af te voeren. Zeker waar er wat meer ruimte is, bijvoorbeeld op pleintjes, kunnen deze wadi’s worden verbreed tot ondiepe waterpartijen die uitnodige tot uiteenlopende (fantasie)spellen. Maar ouderlijk toezicht op de jongste kinderen blijft nodig.

(Speel)pleinen en -parken

De meeste pleinen zijn vaak grote kale vlakten, waar je het liefst omheen loopt. In elke wijk hoort een plein ter grootte van een hectare, maar dan als plek waar uiteenlopende vormen van spel en bewegen zich concentreren. Middenin is plaats voor een multifunctionele ruimte – smaakvol betegeld of voorzien van (kunst)gras – voor balspel, manifestaties, muziekoptreden, markten en eventueel verplaatsbare banken. Idealiter ligt het centrale deel wat lager, zodat er een talud is om op te zitten, te beklimmen en af te glijden. Aan de rand is ruimte is plaats voor talloze activiteiten, zoals verschillende vormen van balspel, een ruig deel, met klimbomen, ontmoetingsplekken, ruimten om zich te verstoppen, ruimte om te barbecueën en muren om te beschilderen maar ook horeca en een of meer terrassen. In de avond is verlichting gewenst, eventueel af en toe (gekleurde) stemmingsverlichting. Er is ruimte voor onverwachte en onvoorziene activiteiten, zoals een foodcar, straatmuzikanten, wisselende kermisattracties en een salsaband die er wekelijks komt repeteren.

Zo’n plein kan eventueel worden geïntegreerd in een park dat – afgezien van zijn waarde als groenvoorziening – sowieso al mogelijkheden biedt voor kinderen om te spelen. Toevoegen van expliciete spelvoorzieningen maakt parken nog aantrekkelijker.

Bij zowel speelpleinen als parken zijn veilige loop- en fietsroutes naar de woningen een absolute must. Kinderen vinden parken vaak ontoegangelijk omdat ze drukke verkeerswegen moeten oversteken om er te komen.

Speeltuinen

Naast openbare concentraties van spelactiviteiten, zoals speelpleinen en parken is er ook behoefte aan plaatsen met uitdagende speeltoestellen, die meer toezicht vergen en daarom niet in de publieke ruimte geplaatst kunnen worden. Te denken valt aan kabelbaantjes ook fantasieprikkelende voorzieningen als forten, klimtorens, water(speel)partijen met vlotten en roeiboten, banen voor elektrische autootjes, rodelbanen, hindernisbanen en spectaculaire klimvoorzieningen en glijbanen, maar ook een eenvoudig zwembad.

Ook de hiervoor beschreven parken lenen zich voor gezinsuitstapjes, zeker als er ook mogelijkheden zijn voor begeleiders om zich aangenaam te verpozen. Naarmate het aantal vrij toegankelijke spelvoorzieningen daar toeneemt, zal de populariteit van speeltuinen afnemen. Om te blijven voortbestaan verdient hun onderscheidende vermogen alle aandacht.

Grootschalige voorzieningen

Een aantal voorzieningen, betaald of vrij toegankelijk, laat zich het best op gemeentelijk niveau organiseren. Hierbij gaat het om gebruikelijke voorzieningen als zwembaden, jongerencentra, lasergames en dergelijke. Tot deze categorie hoort ook de middenberm van de Westblaak in Rotterdam die over een aanzienlijk deel is omgevormd in een skatepark. Het ontwerp van Lagado Architects is samen met skaters tot stand gekomen. Daarbij is ervoor gezorgd dat ook BMX’ers en inliners aan hun trekken komen. 

Niet alle kinderen zijn hetzelfde

De behoeften binnen de leeftijdsgroep tot 15-jarigen lopen sterk uiteen. Vaak worden drie groepen onderscheiden. Huismussen, die hun (vrije) tijd het liefst binnenshuis doorbrengen. Soms met lezen; vaker met games of (steeds minder) naar de televisie kijken. Dan zijn er de ‘socializers’ die naar buiten gaan als zien dat een leeftijdsgenoten op straat zijn die ze kennen. Op jongere leeftijd wordt er dan snel een spel gekozen, later wordt er meer gekletst en gelachen. Bij meisjes begint dat eerder, maar na een jaar of negen laten zich een stuk minder op straat zien. De derde groep zijn outdoor kids; zij zijn vaak buiten omwille van het buiten zijn, ook omdat er thuis weinig valt te beleven.

Hele jonge kinderen spelen vaak alleen of met een vriendje of vriendinnetje vlak bij huis. Het kan knikkeren zijn of stoepkrijten. Naarmate ze ouder zijn gaan ze ook met andere kinderen spelen. De actieradius neemt geleidelijk toe van de eigen straat naar de omliggende straten en pleintjes. Favoriet zijn verstoppertje, wat rondfietsen en de ruimte het enigszins toelaat een partijtje voetbal. Soms doen tieners volop mee, soms trekken deze zich met leeftijdgenoten terug op plekken die zich daarvoor lenen en waar meer jongeren samenkomen. Bij tieners gaan spel, kletsen en chillen makkelijk in elkaar over. Ze kruipen bijvoorbeeld nog graag op een (schotel)schommel. Ouderen hebben het vaak over ‘rondhangen’, maar jongeren zelf over socializen of chillen. Naarmate er meer plekken zijn die zich daarvoor lenen – fantasievol ontworpen zit meubilair in plaats van een gore keet, slaat de verveling minder snel toe en daalt de kans op overlast. 

Door voorzieningen voor verschillende leeftijdsgroepen vooral in samenhang te zien, ontstaan er ‘weefsels’ voor uiteenlopende doelgroepen. Dit zijn favoriete plekken en de verbindingen daartussen. Het kinderweefsel omvat vooral speelplekken dicht bij huis, via veilige paden verbonden met speelpleintjes in de nabije omgeving. Voorzieningen speciaal voor tieners kunnen het beste wat afgelegen zijn gesitueerd, maar niet geïsoleerd. In wezen willen ze ‘erbij’ horen. Het tienerweefsel omvat verder plekken waar iets te eten valt, maar verder ook uiteenlopende voorzieningen om te sporten en op een gegeven moment omvat het de hele gemeente.  Ook nu blijven veilige fietsroutes van belang maar ook het ov, mitst frequent en dichtbij wordt graag gebruikt. 

Naarmate er een grotere variatie van plekken en weefsels is, zijn speciale voorzieningen voor meisjes niet nodig. Rond de leeftijd van negen à tien doen jongens het liefst regelspelen, waarbij een aanzienlijk deel van de tijd gaat zitten in het bediscussiëren, aanvechten en vaststellen van spelregels.  Meisjes zijn wat meer op zoek naar avontuur en zijn gecharmeerd van torens en spannende glijbanen, maar als gezegd, spel gaat snel over in socialiseren, in eerste instantie nog liefst onder mekaar. Zelf geven ze aan geen eigen voorzieningen te willen – ze vinden zich even stoer als jongens – als er maar voldoende plekken zijn, want ze voelen zich soms wel door ‘grote’ jongens uitgesloten.  Ze gaan ook minder snel naar plekken die ze niet kennen of het moet met een groep vriendinnen zijn.

Jeugdigen en jongeren zitten vol ideeën.  Dat blijkt als er wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan naar hun gedroomde’ leefomgeving, maar ook als de politiek hen bij de inrichting van de ruimte betrekt. Daarover later.

Bij het schrijven van deze post heb ik dankbaar gebruik gemaakt van publicaties van Kind en Samenleving: Een Vlaamse organisatie die door onderzoek, ontwikkeling en advisering ouders en gemeenten helpt om steden meer kindvriendelijk te maken. Veel foto’s zijn afkomstig van de Pinterest pagina’s van Kind en Samenleving. Deze foto’s alleen al stimuleren om aan de gang te gaan.