Tag Archives: visitatie

Pak nu door als het om accreditatie van het hoger onderwijs gaat

21 Jan

Onderwijs - Academically adrift 4In de Tweede Kamer vindt een interessante discussie plaats over de toekomstige accreditatie van het hoger onderwijs[1]. Het aardige is dat zich daarbij een ongebruikelijke coalitie aftekent: VVD, SP en Groen Links versus de Minister, die  PvdA en CDA aan haar zijde heeft. Het belangrijkste discussiepunt is of het zwaartepunt van accreditatie op instellings- dan wel op opleidingsniveau moet liggen.

VVD, SP en Groen Links willen accreditatie op opleidingsniveau. Daarbij staat de vraag centraal of het niveau van de afgestudeerden aan de maat is. Deze partijen vinden ook dat accreditatie tot beter onderwijs moet leiden.

Alle betrokkenen zijn overigens van mening dat de lastendruk aanzienlijk minder moet.

Het zijn de instellingen die worden gesubsidieerd, dus het ligt op het eerste gezicht voor de hand om op instellingsniveau te beoordelen of de toegewezen middelen doelmatig worden besteed. Ook kan daarbij worden vastgesteld of de opleidingen van die instelling adequate voorzieningen hebben, variërend van docenten, huisvesting tot systemen voor kwaliteitszorg. Hiervoor is echter geen accreditatie nodig. De Minister kan volstaan met de instellingen te vragen deze informatie op te nemen in het jaarverslag. Ze kan vervolgens hierover met elke instelling in gesprek gaan.

Onderwijs - Academically adrift 7VVD, SP en Groen Links hebben gelijk als ze stellen dat de samenleving in de eerste plaats wil weten of het niveau van de afgestudeerden aan de maat is en wat de waarde van een diploma is. Visitatiecommissies keken hier in het verleden ook naar, maar ze verzamelden tevens gedetailleerde informatie over onderwijs en toetsing. Beperking van de beoordeling tot het gerealiseerde niveau, zal de lastendruk aanzienlijk verminderen.

Onderzoek naar het gerealiseerde eindniveau kan overigens nog aanzienlijk worden verbeterd. Visitatiecommissies kijken nu vooral naar het afstudeerwerkstuk. Dat dekt lang niet alle doelen van de opleiding af. Een portfolio ter aanvulling kan waardevolle informatie opleveren. De visitatiecommissie moet ook kunnen nagaan of de inhoud van het onderwijs naadloos op de beoogde doelen is afgestemd. Ook kan het afnemende veld meer betrokken worden bij de beoordeling van het eindniveau.

Zowel voor opleidingen als voor de visitatiecommissies is het wenselijk dat een opleiding met een onvoldoende een ‘herstelperiode’ krijgt. Dus niet, zoals in het voorstel van VVD, SP en Groen Links, een volledige opleidingsaccreditatie moet ondergaan. Zo’n opleiding kan de beschikbare tijd beter besteden aan de verbetering van het onderwijs dan aan de voorbereiding van een tijdrovende volledige visitatie.

Onderwijs - visitatie 4VVD, SP en Groen Links moeten één stokpaardje opgeven. Een opleidingsaccreditatie kan niet tegelijkertijd vaststellen of het eindniveau aan de maat is én een bijdrage leveren aan de verbetering van het onderwijs. Om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren moeten docenten en studenten vrijuit kunnen spreken over tekortkomingen in het niveau van afgestudeerden en hoe het onderwijs beter kan. Dat zullen ze zeker niet doen tijdens het bezoek van een commissie die komt oordelen of de opleiding accreditatie verdient.

Een goede gelegenheid om dat wél te doen is een midterm review. Dit is een discussie tussen docenten en externe deskundigen over de verbetering van kwaliteit van de opleiding, tussen twee visitaties in. De Minister kan deze eventueel verplicht stellen. Hiermee spreekt de Minister tevens uit dat de primaire verantwoordelijkheid voor de inrichting van het onderwijs bij de opleiding zelf ligt. Tegelijkertijd kan de Minister er via de jaarverslagen op toezien dat er voor een opleiding voldoende gekwalificeerde docenten en andere voorzieningen aanwezig zijn, waaronder een kwaliteitszorgsysteem.

Onderwijs - visitatiejpgHet heeft weinig zin om te streven naar verbeteringen van een kostbaar maar weinig effectief stelsel waaraan in 30 jaar voortdurend is gesleuteld. Dit is het moment om te kiezen welke informatie noodzakelijk is voor de verantwoording naar de samenleving en waar deze vandaan moet komen.

Door de nadruk te leggen op de competenties waarover afgestudeerden moeten beschikken, geeft de politiek tevens het signaal af dat het de taak van de opleidingen zelf is om te bepalen hoe die competenties het best ontwikkeld kunnen worden. Op zo’n signaal wordt gewacht.

Naschrift: 

Enkele dagen nadat ik deze blogpost schreef heeft de Tweede Kamer een compromis bereikt. Er komt een experiment met een instellingstoets (wens van de Minister) in drie universiteiten en drie hogescholen. In de instellingen die aan deze toets meedoen wordt de accreditatie van opleidingen ingericht volgens de ideeën van VVD, SP en Groen Links die hierboven staan beschreven. Voor de instellingen die niet aan de pilot meedoen blijft het huidige visitatiestelsel bestaan. Als de resultaten van de pilot bekend zijn, wordt beslist over de wijze waarop het accreditatie stelsel de jaren daarna gaat uitzien.

[1] Zie hiervoor de volgende publicaties in ScienceGuide: Liberalen halen OCW links in http://scienceguide.nl/201512/liberalen-halen-ocw-links-in.aspx en Twee sporen naar kwaliteit HO http://scienceguide.nl/201512/twee-sporen-naar-kwaliteit-ho.aspx

 

Advertenties

Hoger onderwijs: meer kwaliteitszorg; minder toezicht

12 Aug

Een onderwijs terriër, zo beschreef het Nijmeegse Universiteitsblad mij bij mijn afscheid in 2001. Ik begreep dat het vlijend bedoeld was. Verbeteren van onderwijs was de rode draad in de dertig voorafgaande jaren als docent en onderwijsdirecteur. Wat me zoal bezig hield, had ik een paar jaar daarvoor in tien korte essays beschreven: Over de vonken en het vuur[1]. Nog steeds actueel.

Personen - Herman van den BoschAls onderwijsdirecteur van de Faculteit beleidswetenschappen (later managementwetenschappen) te Nijmegen ben ik meer dan tien keer betrokken geweest bij onderwijsvisitaties[2]. Bij de oprichting van deze faculteit in 1988 was probleemgestuurd onderwijs naar Maastrichts model ingevoerd. Tijdens de eerste visitatieronde – begin jaren negentig – bleek dat commissies kritisch waren tegenover nieuwe onderwijsvormen. Vanaf dat moment had mijn inzet bij visitaties maar één doel, een positief oordeel verkrijgen. Dat is gelukt. De vele visitaties zorgden voor routine en ik moet zeggen, tijdens de tweede visitatieronde toonden commissies oprecht begrip voor de inrichting van ons onderwijs.

Slap gelulVisitatie heette netjes ‘externe kwaliteitszorg’ maar niemand geloofde in de bijdrage hiervan aan de verbetering van de opleidingskwaliteit[3]. Toch hebben externe deskundigen een doorslaggevende rol gespeeld bij de invoering van het nieuwe onderwijsconcept. Dit waren niet de leden van visitatiecommissies, maar ‘sparring partners’, bestaande uit collegae van de Universiteit Maastricht, aangevuld met enkele interne ‘critical friends’.

Kwaliteitszorg kan niet serieus genoeg worden genomen. Een enthousiaste groep docenten met hart voor het onderwijs doet dat. Maar het is bij kwaliteitszorg precies gesteld als bij veel andere praktijken met op zich goede intenties. Denk aan competentiemanagement, opleidingsmanagement en innovatiemanagement. In plaats van ruggensteun verworden ze tot blok aan het been op het moment waarop institutionalisering plaatsvindt. Een autoriteit – bij kwaliteitszorg is dat de overheid – neemt dan het initiatief over. De zorg voor onderwijskwaliteit wordt vastgelegd in wetten en procedures en de verantwoordelijkheid bij speciale organen of commissies. In plaats van enthousiaste docenten te prijzen, worden deze bejegend met een systeem gebaseerd op wantrouwen.

visitatieNa het visitatiesysteem heeft nu ook het accreditatiesysteem afgedaan. Vrijwel iedereen is van mening dat zijn opbrengst in geen verhouding staat tot de kosten. Het denken over een nieuw ‘systeem’ is al in volle gang. Een vaak gehoorde mening is dat we ons moeten beperken tot de accreditatie van instellingen. Als de huidige instellingsaudit daar model voor staat, dan vrees ik het ergste. De instellingsaudit is een krachtig instrument gebleken om de macht van de colleges van bestuur te versterken, om regelingen binnen de instellingen te ‘stroomlijnen’ en vooral om talloze nieuwe procedures in te voeren op het gebied van kwaliteitszorg, personeelsbeleid, planning en control[4]. Dan liever terug naar de opleidingsvisitatie uit de jaren ’90.

Maar, ik zie kansen voor een sprong voorwaarts. Daarvoor moeten we terug naar de vragen waar het allemaal om ging. Dat zijn er twee:

– Welke ondersteuning van buitenaf helpt opleidingen bij de verbetering van hun kwaliteit (externe kwaliteitszorg)

– Hoe kan de samenleving erop vertrouwen dat een opleiding of instelling overheidsgeld goed gebruikt (toezicht)

Een ding weten we inmiddels zeker: Een ‘systeem’ dat antwoord geeft op beide vragen bestaat niet. Consequentie is, dat voor elk een eigen voorziening nodig is. Aan te raden is om bij het denken hierover een frisse start te maken en even alle bestaande criteria, procedures, commissie en organen te vergeten.

Externe kwaliteitszorg

Te regelen op opleidingsniveau: De basis is een heterogene groep personen van buiten de opleiding (‘critical friends’) waarin de docenten vertrouwen hebben. Deze groep kijkt geregeld mee daar de uitvoering en de evaluatie van het onderwijs en naar verbeterings- en vernieuwingsplannen. Commentaar hoeft niet altijd in alle openbaarheid. Wel geregeld nieuwe personen aantrekken.

Toezicht

Te regelen op instellingsniveau: Het college van bestuur weet hoe opleidingen hun kwaliteit bewaken en hoe zij zwakke punten aanpakken. Dat opleidingen daarbij onderling verschillen is geen probleem. Het college spreekt geregeld met de opleidingen over hun kwaliteitszorg. Eventueel laat het zich hierbij ondersteunen door een ‘internal reviewer’[5]. Een keer per jaar jaar doet het college uitgebreid verslag aan de minister of daartoe aangewezen personen (‘external reviewers’). De Minister rapporteert aan de Kamer.

Het lijkt te eenvoudig; geen dikke nota’s, commissies en accreditatieorganen. De aanpak levert daarom veel geld op voor goed onderwijs. Dat is pas echte kwaliteitszorg.

[1] Dit boekje kan worden gedownload op: https://www.researchgate.net/publication/257926635_Over_de_Vonken_en_het_Vuur_tien_smeedproeven_van_wetenschappelijk_onderwijs

[2] Deze faculteit had zeven opleidingen die elk afzonderlijk warden gevisiteerd, ondanks het geïntegreerde opleidingsconcept.

[3] Het accreditatiestelsel, dat het visitatiestelsel verving vanaf begin 2000, pretendeerde dan ook niet meer om bij te dragen aan de opleidingskwaliteit.

[4] Er wordt wel gezegd dat het hoger onderwijs de laatste instellingen zijn die het slachtoffer zijn van het New public management.

[5] Veel organisaties denken over deze functie na. Het is een soort ‘controller’, maar met een veel ruimer blikveld dan financiën. Het is ook een luis in de pels, die tegenspraak ontlokt en vertolkt. Er is daarom soms sprake van een ‘corporate jester’ (hofnar).

Universiteiten realiseren hun eigen doelen niet

5 Aug

Underachieving collegesHet wetenschappelijk onderwijs in Nederland realiseert zijn eigen doelen niet. Het gaat overigens om een wereldwijd probleem. Maar het verschil tussen Nederland en bijvoorbeeld de Verenigde Staten is dat aldaar het probleem wordt erkend – zie bijvoorbeeld Derek Bok’s boek Underachieving colleges (2008). Hiermee is de weg naar verbetering geopend[1]. Universiteitsbestuurders in Nederland tonen zich tamelijk zelfgenoegzaam, waar volgens de NVAO lang niet altijd reden toe is.

De doelstellingen

Wat is het probleem? Alle universiteiten in de Europese onderwijsruimte zeggen dat studenten aan het einde van de opleiding over vijf competenties beschikken (de Dublin descriptoren): Ze kunnen:

(1) kennis van een vakgebied tonen,

(2) deze kennis toepassen,

(3) complexe problemen op kritische wijze beoordelen,

(4) over het geleerde communiceren,

(5) reflecteren en zelfstandig verder leren.

In de meeste opleidingen speelt de eerste competentie een dominante rol. Tijdens mijn vele visitatiebezoeken heb ik kunnen vaststellen dat het aandeel van reproductievragen in tentamens erg groot is. Ook competentie 2 krijgt aandacht. Studenten krijgen dan een cases voorgelegd en moeten deze aan de hand van een gegeven theorie verduidelijken. Of ze moeten zelf praktijkvoorbeelden van een theorie zoeken. De aandacht voor beide competenties blijkt ook uit de meest voorkomende onderwijsvormen: hoor- en werkcolleges.

Van systematisch ontwikkelen van competentie 3 is tijdens de opleiding zelden sprake. Dit geldt ook voor de competenties 4 en 5, die hierna buiten beschouwing blijven.

Onderwijs - critical thinking 1De tweede en de derde competentie verschillen wezenlijk van elkaar. De tweede competentie houdt in dat (net) afgestudeerden de werking van een gegeven theorie in de praktijk kunnen demonstreren. Onderwijskundigen spreken van near transfer. De derde competentie houdt in dat (net) afgestudeerden een realistisch probleem kritisch kunnen beoordelen. Ze weten op voorhand niet welke kennis zij daarvoor nodig hebben. Ook moeten zij vaak aanvullende gegevens verzamelen. Onderwijskundigen spreken in dit geval van far transfer.

Ik ben zelden docenten en opleidingsmanagers tegengekomen met een duidelijk plan voor de ontwikkeling van de derde competentie (en evenmin voor de vierde en de vijfde). Sommige docenten verwijzen naar het eindwerkstuk. Dit is echter bedoeld om aan te tonen dat studenten over de beoogde kennis en vaardigheden beschikken, niet om deze aan te leren. Het niveau van de meeste scripties is dan ook navenant, ondanks de intensieve begeleiding. Gefundeerde oordelen over een realistisch probleem zijn meestal ver te zoeken[2].

Het gebrek aan visie op de realisering van de derde, vierde en vijfde competentie komt tot uitdrukking in de afwezigheid van werkvormen die hier potentieel geschikt voor zijn. Het beste is om elk semester de nodige tijd te besteden aan het analyseren van een probleem, het verzamelen van data en het beschrijven en presenteren van de uitkomsten daarvan, kortom het leren bedrijven van wetenschap. Een soort rode draad door het hele curriculum dus.

Projectgroep Universiteit Aalborg

Projectgroep Universiteit Aalborg

De Universiteit van Aalborg (Denemarken) is een van de weinige instellingen die consequent op deze manier werkt. Studenten besteden ongeveer de helft van de tijd aan projecten en tijdens de resterende tijd volgen ze hoor- en werkcolleges, die het projectwerk inhoudelijk en methodisch ondersteunen. Naarmate de opleiding volgt worden de projecten complexer en vereisen ze meer eigen onderzoek. Bijna alle projecten gaan uit van realistische problemen, die vanuit de samenleving worden aangedragen. Studenten onderhouden intensieve contacten met de probleemeigenaars en ontwikkelen al doende inzicht in de maatschappelijke rol van wetenschappelijke kennis en de beperkingen daarvan[3]. De Technische Universiteit Twente past het ‘Aalborgse model’ gedeeltelijk toe. Overigens zijn er in de andere technische universiteiten steeds meer aanzetten te zien van de realisering van de derde competentie.

De eerste drie hiervoor genoemde competenties hangen nauw samen. Ze kunnen worden opgevat als de hoekpunten van een driehoek. De onderstaande afbeelding geeft op schematische wijze weer hoe de competenties in de praktijk worden gerealiseerd. Het zwaartepunt daarbij ligt aan de linkerzijde, terwijl idealiter sprake moet zijn van een gelijkmatige vulling van de ruimte.

competentiedriehoek

competentiedriehoek

In mijn ruim 40-jarige carrière als docent en opleidingsmanager heb ik veel veranderingen de revue zien passeren. Achteraf moet ik zeggen dat daarbij vaak ontbrak aan een goede probleemanalyse. Een uitzondering daarbij was de invoering van probleemgestuurd onderwijs aan de Universiteit van Maastricht. Probleemgestuurd onderwijs heeft een belangwekkende bijdrage geleverd aan de realisering van de tweede competentie. Wat opleidingen nu te doen staat is belangrijke stappen te zetten die ertoe leiden dat studenten kritischer leren oordelen, beter leren communiceren en beter vorm kunnen geven aan hun eigen ontwikkeling na de studie. Kortom: Een inhaalslag met betrekking tot de competenties drie, vier en vijf.

Bok, Derek. (2008). Our underachieving colleges. A candid look at how much students learn and what they should be learning more. Princeton: Princeton University Press.

Fischer, Karin. (2013). A college degree sorts job applicants, but employers wish it meant more Chronicle of Higher Education.

Sledge, Linsey, & Fishman, Tiffany Dovey. (2014). Reimagining higher education: How colleges, universities, businesses, and governments can prepare for a new age of lifelong learning. http://dupress.com/articles/reimagining-higher-education/

Van den Bosch, H.M.J., & Kieft, M. (2001). The hybrid curriculum; the acquisition of academic competencies in the university curriculum. In W. Gijselaers (Ed.), Educational innovation in economics and business administration, part VII. (pp. 41-56). Dordrecht: Kluwer, Academic Press.

[1] Werkgevers vinden graduates “woefully underprepared. In hun ogen hebben studenten te weinig taalvaardigheid, analytisch en probleem-oplossend vermogen (Fischer, 2013; Sledge & Fishman, 2014)

[2] De kritiek van Derek Bok, president van de universiteit van Harvard. ging veel verder dan die van werkgevers. Van universiteiten mag worden verwacht dat ze studenten opleiden tot kritisch denken en moreel oordelen en besef hebben van wat zich in de wereld afspeelt. Uit zijn uitvoerig gedocumenteerd boek blijkt dat universiteiten dit doel in de naoorlogse periode niet realiseren. Hij hekelt bovendien dat onderwijs vaak wordt overgelaten aan weinig ervaren docenten en dat deze nauwelijks interesse hebben in de verbetering van hun eigen lesmethoden.

[3] Zie voor een beschrijving van het Aalborgse model: Van den Bosch and Kieft (2001)

Kwaliteitszorg hoger onderwijs moet doorstart maken

6 Mei

In mijn vorige blogposts stelde ik dat het wetenschappelijk onderwijs zijn doelen maar ten dele waarmaakt. Voor de VS haalde ik een tweetal toonaangevende publicaties aan; voor Nederland memoreerde ik mijn eigen ervaringen als lid van een tiental visitatiecommissie.

Station_Maastricht_tegels_visitatieIk heb mezelf tijdens en na het schrijven van deze posts herhaaldelijk afgevraagd of ik als lid van visitatiecommissies tekortgeschoten ben. Ik heb immers tijdens visitaties zelden de noodzaak gevoeld om tegen het overwegend positieve oordeel van mijn collega-leden in te gaan.

Hierover nadenkend. herinnerde ik me een voorzitter die een opleiding ‘up to par’ noemde, waar anderen over voldoende spreken. ‘Up to par’ komt uit de golfwereld en betekent ruwweg dat je score overeenkomt met het gemiddelde. Het oordeel ‘voldoende’ is dus relatief en komt overeen wat een commissie gangbaar vindt.

visitatieHet relatieve karakter van de beoordeling is inherent aan het system van ‘peer review’. Medewerkers van gevisiteerde opleidingen en leden van visitatiecommissies behoren tot dezelfde ‘community’ en zitten geregeld aan beide kanten van de tafel. Ze hebben een overeenkomstig beeld van wat redelijkerwijs verwacht mag worden van een opleiding. De overheersende visie is dat de Dublin descriptoren 1 en 2 (kennis en toepassing) belangrijker zijn dan de nummers 3, 4 en 5 (oordeelsvorming, communicatieve vaardigheid en leervermogen). Visitatiecommissies vragen daarom zelden door over de realisering van de laatste drie.

In de blogposts van de afgelopen weken heb een poging gedaan om meer in absolute zin te beoordelen of het hoger onderwijs zijn eigen doelen waarmaakt. Dit oordeel was kritisch.

Ik heb me vaak afgevraagd wat de invloed van 25 jaar visiteren en accrediteren is op de kwaliteit van het wetenschappelijk onderwijs. Ik kom niet verder dan beperkt. Wel is de kwaliteitszorg vergaand geïnstitutionaliseerd. Cursussen worden geëvalueerd en er worden jaarlijks opleidings- en toetsingsplannen gemaakt. Ook is er een groot aantal commissies actief, die veel vergaderen.

kritische universiteitEen aantal medewerkers en studenten geeft de laatste tijd uiting aan hun kritiek op de eenzijdigheid van rendementsdenken. De betrokkenen wijzen er terecht op dat het rendementsdenken heeft geleid tot een veel normen, procedures, verslaglegging en momenten van verantwoording. Deze stimuleren calculerend gedrag van studenten en maar ze dragen nauwelijks bij aan de vormende waarde van de studie. De kritiek op het rendementsdenken kan makkelijk worden uitgebreid tot het geïnstitutionaliseerde kwaliteitsdenken. in het algemeen.

Afschaffen van opleidingsvisitaties en de kwaliteitszorg ophangen aan een instellingsaccreditatie biedt géén soelaas. Bij instellingsaccreditaties staat de vraag centraal of een college van bestuur ‘in control’ is. Om dit bevestigend te kunnen beantwoorden zullen colleges de planning- en control cyclus intensiveren, alle faculteiten aan vergelijkbare procedures onderwerpen en instellingsbrede prestatienormen opleggen. In plaats van een keer in de zes jaar, zullen faculteiten en opleidingen jaarlijks een zelfonderzoek moeten verrichten en vooral heel veel gegevens moeten verzamelen.

Een alternatief? Stop met instellingsaccreditaties en laat opleidingen zelf bepalen wat kwalitatief goed onderwijs is. Verplicht ze om één keer in de drie jaar hun onderwijs grondig laten doorlichten door een externe commissie, die niet alleen bestaat uit ‘peers’. Deze commissie rapporteert door middel van een openbaar rapport. Daarnaast is er een onderwijsinspectie die optreedt bij eventuele uitwassen.

We moeten terug naar de het gesprek vorm en inhoud van het onderwijs en ophouden met het overwegend procedureel discours daarover.

Wetenschappelijk onderwijs: Tien keer beter

30 Okt

De afgelopen jaren heb ik als lid van een visitatiecommissie tientallen opleidingen mee mogen beoordelen. Het resultaat: Bijna altijd voldoende, maar ook niet meer dan dat. Hier volgen de tien meest gemaakte kritische opmerkingen[1]. Voor opleidingen die er serieus mee omgaan ligt de weg naar het predicaat ‘goed’ of zelfs ‘excellent’ open.

1. De kwaliteit van de afstudeerscriptie

Station_Maastricht_tegels_visitatieEr zijn maar weinig scripties die zonder meer ‘goed’ zijn. Studenten hebben veel moeite met het doen van en rapporteren over onderzoek. Opvallend is dat dit weinig te maken heeft met de aanwezigheid van vakken als methodologie en methoden van onderzoek. Het grootste probleem is dat studenten veel te weinig gelegenheid krijgen om toe te passen wat ze in die vakken leren. De ontwikkeling van een zekere routine in het doen van onderzoek is niet alleen van belang voor het handjevol studenten dat een wetenschappelijke carrière kiest, maar ook voor hen die als afgestudeerd academicus in de praktijk werkzaam zullen zijn. Een serieus (onderzoek)project per jaar is in mijn ogen wel het minimum.

2. Samenhang

Veel curricula zijn nog steeds verzamelingen van onvoldoende samenhangende vakken. Het vermoeden rijst dat het curriculum  de neerslag is van het streven van de afzonderlijke vakgroepen naar voldoende zendtijd voor hun specialismen. Een stap in de goede richting is het uitzetten van leerlijnen; een reeks opeenvolgende vakken die op elkaar voortbouwen. Het verband tussen de leerlijnen is overigens moeilijk na te gaan omdat de beschrijving van de vakken en hun doelen meestal summier zijn.

3. Profilering

Voor de meeste opleidingen is de formulering van opleidingsdoelen en eindtermen geen probleem. Een beschrijving hoe deze doelen zich verhouden tot die van vergelijkbare opleidingen in binnen- en buitenland ontbreekt doorgaans, evenals de keuze van één of meer eigen zwaartepunten waarmee de opleiding zich van andere opleidingen onderscheidt. Studenten én docenten hebben trouwens nauwelijks weet van deze doelen.

4. Afstemming tussen curriculum en opleidingsdoelen

Vaak bevatten zelfstudies een indrukwekkende matrix die de opleidingsdoelen relateert aan de doelen van de afzonderlijke vakken. Meestal heeft een ijverige opleidingscoördinator deze lijst speciaal voor de zelfstudie gemaakt. Het komt zelden voor dat het formuleren van de opleidingsdoelen én de selectie van onderwijsvormen, vakinhoud en opleidingsonderdelen gelijktijdig heeft plaatsgevonden bij het maken van het curriculum. Daarbij valt te denken aan een iteratief proces waaraan de meest betrokken stakeholders, het afnemende veld inbegrepen, hebben deelgenomen.

5. Eigenaarschap

Slap gelulDe meeste docenten maken zich sterk voor hun vak. Systematische afstemming met andere vakken blijft meestal beperkt tot collegae in de eigen vakgroep. Docenten voelen zich zelden in de eerste plaats betrokken bij een opleiding als geheel, laat staan dat een groep docenten samen verantwoordelijk is voor de opleiding. Deze taak is belegd bij een opleidingscoördinator of –directeur, die vaak eindeloos afstemmingsoverleg met vakgroepen voert. Opvallend is dat de opleidingscoördinator zelden deelneemt aan het overleg binnen de opleidingscommissie. Overigens is er een tendens om de adviestaak van dit orgaan te verruimen naar een aantal opleidingen. Daarmee verdwijnt de mogelijkheid dat alle directbetrokkenen om samen nadenken over hún opleiding.

6. Werkvormen

Veel colleges van bestuur hebben bepaald dat er meer contacturen nodig zijn. Dat is de gemiddelde groepsgrootte niet ten goede gekomen. In de meeste opleidingen zijn hoorcolleges dan ook nog steeds prominent aanwezig. Door de omvang van het aantal deelnemers zijn in werkcolleges de docenten ook meestal aan het woord. Wel hebben opleidingen goed begrepen dat tentamens alléén onvoldoende zijn om de toepassing van leerstof te toetsen. Het gevolg is een proliferatie van opdrachten. Opdrachten zijn echter alleen effectief als er voldoende feedback plaatsvindt. Daaraan ontbreekt het vaak. Tijdens de generieke bespreking van opdrachten in werkcolleges komt de inzet van studenten individueel amper tot zijn recht. De doelmatigheid van hoor- en werkcolleges kan aanzienlijk worden vergroot door slim gebruik van ICT. Overigens doen opleidingen er verstandig aan, om de hoeveelheid opdrachten te beperken en de vrijkomende tijd te investeren in de hiervoor al bepleite (onderzoek)projecten.

7. Werken in ‘teams’

Als opdrachten al afzonderlijk worden beoordeeld, dan gaat het meestal om groepsopdrachten. Hiermee is in principe niets mis. Studenten moeten later ook in teams werken en dat moet worden geleerd. Maar daaraan ontbreekt het. ‘Teams’ gaan doorgaans zonder begeleiding aan de slag. Er zijn nauwelijks richtlijnen over de uitvoering van groepsopdrachten, laat staan dat er toezicht is op de handhaving daarvan. Meeliftgedrag (of erger) ligt dan op de loer. Deze vrijblijvendheid ontmoedigt in het bijzonder die studenten voor wie deze aanpak het meest uitdagend is.

8. Behalen van opleidingsdoelen

Opleidingen verrichten zelden onderzoek naar de realisering van hun eigen doelen. De scriptie alléén geeft daar géén goed beeld van. Een potentieel goede aanpak is het maken van een portfolio. Maar dan moeten studenten dat minimaal één maal per jaar doen en de opleiding dient het resultaat grondig te analyseren en met de studenten te bespreken. Ook een analyse van tentamens en andere toetsresultaten kan een beeld geven van de verworven intellectuele vaardigheden. Onderzoek onder (net) afgestudeerden is wel het minste wat een opleiding kan doen.

9. De werkwijze van de examencommissie

visitatieOorspronkelijk hield de examencommissies zich bezig met toelating, vrijstelling, verlenen van extra tentamenkansen en behandelen van klachten van studenten over de tentaminering. Na de wetswijziging in 2010 is de examencommissie formeel verantwoordelijk voor de examinering. Onderzoek naar de realisering van de opleidingsdoelen zou dus onder haar auspiciën moeten plaatsvinden. Dit gebeurt zelden tot nooit. Wat wel mondjesmaat op gang komt, is de beoordeling door de examencommissie van de kwaliteit van de tentamens van afzonderlijke vakken. Daarbij krijgt gelukkig ook de beoordeling van de scripties aandacht.

10. Studieduur

Het aantal studenten dat binnen de wettelijke termijn afstudeert is nog steeds klein. In de praktijk vinden de meeste instellingen dat vier jaar voor de bachelor en twee jaar voor de master acceptabel is. Maar ook dit wordt bij lange na niet gehaald. Opleidingen neigen ernaar om de handen in onschuld te wassen, onder verwijzing naar de vrijheid van studenten. Inderdaad, studenten beginnen vaak aan een tweede studie zonder de eerste formeel af te ronden of ze entameren een extra stage om hun kans op een baan te vergroten. Zeer begrijpelijk. Het wordt kwalijk als opleidingen eigenlijk niet weten waar en hoe studievertraging bij individuele studenten ontstaat en er dus nauwelijks sprake is van gericht beleid. Helaas is dit geen uitzondering.

Gelukkig gaat er veel goed. Docenten zijn betrokken, studenten prijzen de toegankelijkheid van de leiding, van ondersteunende diensten en van studieadviseurs in het bijzonder. De faciliteiten zijn meestal uitstekend, behalve die voor werken in kleine groepen.

Wat vooral gemist wordt is een visie op de opleiding als zodanig en een consequente doorwerking daarvan in doelen, inhoud, werkvormen en rollen van docenten. Ook ontbreekt het aan een vorm van governance van de opleiding als geheel. De vraag hoe de opleiding uitdagender kan worden krijgt daardoor onvoldoende aandacht.

Passie voor de studie ben ik vooral tegengekomen in de University Colleges. De vraag die dan altijd rees was hoe dit te realiseren is voor alle studenten. Gelukkig zijn ook daarvan, zij het schaarse, voorbeelden.

[1] Ik baseer mijn selectie op lidmaatschap van tien commissie, verspreid over zeven jaar. Uiteraard komt de selectie en verwoording van de verbeterpunten geheel voor mijn eigen rekening.