De betaalbare stad

Mensen trekken al van oudsher naar de stad op zoek naar een beter leven. Nog voor het vinden van werk, was onderdak de hoogste prioriteit. Onderdak is een fundamenteel recht, maar het lijkt voor veel aardbewoners niet te gelden. Dit artikel onderzoekt waarom in dit opzicht zelfs de rijkste landen falen. De belangrijkste vraag is hoe mensen op een humane manier kunnen worden gehuisvest.

Eviction – Photo by Princeton University Eviction Lab (Public domain)

Wonen in de stad: balanceren tussen concentratie en spreiding

De wanhopige vrouw op de foto hierboven is een van de slachtoffers van de meer dan 2 miljoen uithuiszettingen die elk jaar in de Verenigde Staten plaatsvinden. Voor haar werd wonen in de stad een nachtmerrie.

Voor de miljoenen die hun huis verlaten en naar de stad trekken overheerst de hoop op een beter leven. Steden zijn aantrekkelijk: Alles wat je nodig hebt, lijkt binnen bereik.

Tegenover de baten van concentratie staan ook lasten. Wonen in stedelijke gebieden gaat bijna altijd gepaard met hoge kosten voor huisvesting. Dichtheid leidt vaak tot overlast, vooral voor het arme deel van de bevolking, dat last heeft van meer lawaai, meer vervuiling, meer vandalisme en een minder gezonde leefomgeving. Grote bevolkingsconcentraties stellen hoge eisen aan het bestuur van nutsvoorzieningen en dit schiet vaak tekort[1].


De betaalbare stad is het veertiende deel van een serie essays over hoe steden humaner kunnen worden. Dat betekent een balans vinden tussen duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en kwaliteit van leven. Dit vergt verregaande keuzes. Als deze keuzes eenmaal gemaakt zijn, is het vanzelfsprekend om slimme technologieën te gebruiken om deze doelen te bereiken. De essays die al zijn verschenen, zijn hier te vinden.


De concentratie van mensen en activiteiten neemt toe als de balans tussen kosten en baten positief is. Als deze negatief is, overheerst spreiding, op voorwaarde dat voor de betrokkenen iets te kiezen valt. Deze aldoor veranderende balans zorgt ervoor dat steden op elkaar lijken, maar is ook de belangrijkste oorzaak van hun onderlinge verschillen.

In de jaren vijftig en zestig veranderde in veel steden in ontwikkelde landen het evenwicht tussen de baten en de lasten van verstedelijking radicaal: Bewoners verhuisden massaal naar de buitenwijken. De ruimte die vrijkwam was voor kantoren, bedrijven en hotels voor de allerarmsten, voor wie het verlaten van de stad geen optie was. Later moesten ook de armen verhuizen vanwege gentrificatie.

De ruimtelijke functiescheiding (huisvesting, industrie, winkels, kantoren) in Amerikaanse steden ging gepaard met een enorm ruimtegebruik – in een vakterm urban sprawl – en een even zo sterke toename van mobiliteit, voornamelijk door de auto. Spreiding van functies en bijbehorende verkeersbewegingen gelden als de belangrijkste oorzaak van de verslechtering van de leefbaarheid in steden in de VS maar ook daarbuiten. Deze korte video legt uit waarom en voor welke Amerikaanse stad dit het meest geldt.

Het verschil met steden in ontwikkelingslanden kan niet groter zijn. Grote delen van deze steden bestaan uit dicht opeengepakte sloppenwijken vermengd met hoogbouw voor commerciële en residentiële doeleinden zodra de welvaart en het bijbehorende contrast tussen rijke en arme bewoners toenam. Het beruchte voorbeeld was de ommuurde stad Kowloon in Hong Kong (foto), die in 1993-1995 werd afgebroken en werd omgevormd tot een park en een bouwlocatie. Het was het dichtstbevolkte deel van de wereld.

Luchtfoto van Kow Loon Walled City in 1989. Foto: Ian Lambot. Bron: Wikimedia CC 4.0.

Gimme shelter

Hoewel deze beroemde song van de Rolling Stones niet bepaald over huisvesting ging, is het een uitdrukking van de eeuwige zoektocht van mensen naar een plek om gelukkig en veilig te zijn. Om deze reden zijn mensen altijd in beweging geweest, gedwongen om geliefde plaatsen te verlaten of in de hoop betere te vinden. Stedelijke ontwikkeling is niet alleen een beweging van plattelandsbewoners naar (en van) de stad of tussen steden. Het is ook een nooit eindigende beweging van mensen binnen de stad.


New York City: de Harlem case

/var/folders/5q/w0jt8kbx5vnc_mp7b36p_x480000gp/T/com.microsoft.Word/WebArchiveCopyPasteTempFiles/1024px-Harlem%2C_from_the_old_fort_in_the_Central_Park_%28NYPL_b13512822-424264%29.jpg
Harlem, gezien vanaf het oude fort in het Central Park, New York Public Library (public domain)

Tijdens de Amerikaanse Revolutie hebben de Britten Harlem platgebrand. Daarna beleefde Harlem vanaf 1868 een economische bloei. De buurt bleef een toevluchtsoord voor New Yorkers, maar in toenemende mate waren degenen die zich er vestigden Joods of Italiaans, maar in beide gevallen arm. In 1910 was de bevolking van Central Harlem ongeveer voor 10% zwart. In 1930 was dat 70%. In de jaren 1920 en 1930 was Centraal en West Harlem het middelpunt van de Harlem Renaissance en heette het Heaven en Black Mecca. Kort daarna werd de buurt hard getroffen door de Grote Depressie. Eind jaren vijftig en begin jaren zestig was Harlem het toneel van een reeks huurstakingen door buurtbewoners. Ze wilden dat de stad de huiseigenaren dwong de kwaliteit van de huizen te verbeteren. Het stadsbestuur probeerde de situatie te verbeteren door sociale woningbouw, maar de armoede werd alleen maar erger.

In de jaren zeventig verlieten bewoners die aan de armoede konden ontsnappen de buurt, op zoek naar betere scholen en huizen en veiliger straten. Het gemeentebestuur begon in 1985 zijn eigendommen in Harlem openbaar te veilen, wat het begin was van een enorme gentrificatie. In de jaren negentig begon Harlem weer te groeien; een groei die gepaard ging met een daling van het aandeel van de zwarte bevolking van 87,6% tot 54,4% in 2010. Het percentage blanken nam in die periode toe van 1,5% tot 10%[2].

Degenen bewoners die de stijgende huur niet konden betalen, verruilden Harlem voor de Bronx of Brooklyn. Hier gebeurt tegenwoordig hetzelfde.


De continue beweging van mensen binnen New York, zoals geïllustreerd in de Harlem-case, is kenmerkend voor alle grote steden. Het geldt ook voor Amsterdam, Kopenhagen en Barcelona, ​​steden met een vooruitstrevend imago maar met een aanhoudend gebrek aan betaalbare woningen, met als gevolg stijgende huisvestingskosten. Daarom verhuizen mensen die huur of de hypotheek meer kunnen betalen naar andere delen van de stad, naar de buitenwijken of verdwijnen ze helemaal uit de stad. Een substantiële groep die huur of hypotheek niet meer kan betalen, wordt uit huis gezet. De cijfers zijn verbluffend: alleen al in 2016 werden er volgens onderzoekers van de Princeton University ongeveer 2,3 miljoen huisuitzettingen aangevraagd bij Amerikaanse rechtbanken[3]. Niet iedereen verloor zijn huis, maar het cijfer omvat niet de talloze verhuurders die ‘informele’ middelen gebruikten om huurders te verdrijven. Veel van alle verdreven mensen werden dakloos.


De Wall Street-wolf slaat opnieuw toe

In de VS heeft het huisvestingsprobleem een ​​extra bittere dimensie. Miljoen eigenaren van huizen in de voorsteden verloren hun eigendom tijdens de huizencrises. Na de crisis begonnen tientallen private equity firma’s met kortingen van 30 tot 50 procent panden van uitgezette bewoners te kopen en te verhuren. Tegen 2016 was 95 procent van de noodlijdende hypotheken in de boeken van Fannie Mae en Freddie Mac geveild aan Wall Street-investeerders die meer dan 200.000 huizen verwierven. Hiermee was een meer dan lucratieve business gecreëerd: Verhuur van eengezinswoningen. Door deze transactie verschoof een totale waarde van $ 60 miljard van de voormalige eigenaars naar deze bedrijven, die in een aantal gevallen de huizen aan deze voormalige eigenaars verhuurden. Deze waren aanzienlijk duurder uit omdat de vastgoedprijzen gestaag stegen, zoals te lezen is in een bloedstollend verslag in de New York Times[4]. In elk ander beschaafd land zou de overheid huiseigenaren hebben gesteund hij de herstructurering van slechte hypotheken of hun hebben geholpen hun kredietwaardigheid te herstellen. In plaats daarvan heeft de Amerikaanse regering de overdracht van rijkdom van burgers naar private equity-bedrijven vergemakkelijkt[5].

/var/folders/5q/w0jt8kbx5vnc_mp7b36p_x480000gp/T/com.microsoft.Word/WebArchiveCopyPasteTempFiles/p7642
Het titelblad van de New York Times publicatie over de nasleep van de huizencrisis

De snelst groeiende steden

Wonen in steden wordt een voorrecht voor werkende stellen uit de middenklasse en hoger en voor jonge alleenstaanden die tevreden zijn met een kleine, zij het dure kamer in een privéwoning of op zijn best een co-living studio.

Het overheersende kenmerk van steden in ontwikkelings- en opkomende landen is hun snelle groei, als gevolg van immigratie uit landelijke delen van het land, emigratie en hoge geboortecijfers, net als Europese en Amerikaanse steden een eeuw geleden[6].

https://i.guim.co.uk/img/static/sys-images/Guardian/Pix/pictures/2015/11/19/1447951960277/6feee86c-cf4f-45ea-a3bc-e21de6c1fe2e-2060x1003.jpeg?width=700&quality=85&auto=format&fit=max&s=428d29b8e52c7aee2b68f5702bd35556
Stedelijke groei per uur – Bron: UN World Urbanization Prospects 2014 / LSE Cities

De stedelijke groei zal doorgaan: Vandaag wonen 4,2 miljard mensen in stedelijke gebieden, dat is 55% van de wereldbevolking. Tegen 2050 zal dit aandeel naar verwachting 68% zijn. Verstedelijking, samen met de algehele groei van de wereldbevolking, zal dan nog eens 2,5 miljard mensen aan stedelijke gebieden hebben toegevoegd. Ongeveer 90% van deze toename vindt plaats in Azië en Afrika[7].

Gebrek aan betaalbare woningen met basale kwaliteit is ook in ontwikkelings- en opkomende landen een probleem. Meestal trekken immigranten in bij familie, ze vinden ze een huis in uitgewoond appartementencomplex of zijn ze tevreden met een vervallen bouwsel in een sloppenwijk, vaak zonder elektriciteit, sanitair en water. In Afrika woont 65% van de stedelijke bevolking in sloppenwijken.

Een meer gedetailleerde blik op de sloppenwijken laat echter grote verschillen zien. Sommige zijn niet meer dan een schuilplaats; andere zijn levendige buurten, vaak voorzien van elektriciteit en (meestal) van gedeelde sanitair en drinkwater en gelegen nabij het centrum van de stad[8].

Onderstaande video geeft een indruk van de vele aspecten van het leven in een sloppenwijk in Rio de Janeiro.

Veel bewoners van deze beter toegeruste plaatsen verzetten zich het vooruitzicht om te moeten vertrekken[9]. Maar ontwikkelaars willen het land herbestemmen voor meer winstgevende doeleinden. Stadsbesturen zijn zich bewust van de commerciële voordelen daarvan en zijn bereid om voor alternatieve huisvesting te zorgen. Dit gebeurt meestal in kleine appartementen in flatgebouwen, met weliswaar basale voorzieningen, maar ver van de oorspronkelijke locatie en zonder het sociale weefsel van de sloppenwijk. In veel steden is dit een bron van veel discussie en conflicten.

Inwoners van de armste en vaak illegaal bewoonde sloppenwijken worden geregeld geconfronteerd met minder subtiele acties van de overheid: Bulldozers die de bewoners verjagen, die vervolgens weer ook zoek gaan naar een nieuw stukje marginaal land[10].

Het dubbele onrechtvaardige effect van het marktmechanisme

Hoeveel huur of hypotheek huishoudens moeten betalen en wat ze kunnen betalen, hangt af van een en hetzelfde mechanisme, de markt. Helaas verschilt het effect in beide gevallen aanzienlijk.

De prijs van onroerend goed

Vastgoedontwikkelaars betalen de grond, berekenen de bouw- en kapitaalkosten en stellen hun marges vast in verhouding tot het verwachte rendement. Bij sociale woningbouw worden de kosten verlaagd door subsidies of de beschikbaarheid van goedkope grond. 

In veel steden is grond een substantieel onderdeel van de uiteindelijke prijs van huizen. Een van de redenen daarvoor is dat grond een aantrekkelijk speculatieobject is voor particulieren of vastgoedontwikkelaars. Zij wachten tot het juiste moment om te verkopen en maken aantrekkelijke winsten. Vaak verandert grond vaker van eigenaar voordat de bouw begint, en in de tussentijd stijgt de waarde substantieel. Hetzelfde geldt voor de huizenprijzen, die een grote bron van ongelijkheid tussen generaties zijn geworden. De prijs van oudere huizen heeft geen enkele relatie meer met de initiële kosten voor grond en bouw. Daarom kopen investeerders vaak nieuwe, nog leegstaande appartementen, verhuren ze tijdelijk en op het juiste moment verkopen ze deze tegen een aanzienlijk hogere prijs dan ze ervoor hebben betaald[11].


Een gedachten-experiment: verander huisvesting in mobiliteit

Iedereen betaalt hetzelfde voor het gebruik van wegen, met uitzondering van incidentele tolwegen. Wegen worden met publieke middelen aangelegd in de openbare ruimte, vaak na onteigening van de eigenaren. Stel je voor dat wegen privé-eigendom waren en eigenaren tol konden heffen, zoals in het verleden gewoon was. Als gevolg hiervan zouden de gebruikers van de weg het meeste betalen voor trajecten waarop ze snelheid kunnen maken en het minste op drukke wegen. Het gevolg is dat de rijken kunnen doorrijden en de armen vastzitten in de file. Zo is het niet want mobiliteit wordt voornamelijk door de overheid gecontroleerd en de wonen is aan de markt overgelaten.


De betaalbaarheid van onroerend goed

Hoe zit het met de andere kant van de vergelijking, de betaalbaarheid van onroerend goed? Veel huishoudens kunnen zich geen fatsoenlijke woning permitteren. Inkomsten zijn ook het effect van de markt, met enige interferentie van onderhandelingen tussen vakbonden en werkgevers. Automatisering en offshoring bedreigen permanent de banen van lage en midden inkomensgroepen, wat verklaart dat de salarissen van deze groepen in ontwikkelde landen de afgelopen decennia nauwelijks zijn gestegen. Zij besteden een substantieel deel van hun gezinsinkomen aan huisvesting en bijbehorende reiskosten. Eenoudergezinnen zijn afhankelijk van toelagen en giften en gebruiken voedselbanken, kringloopwinkels of ze moeten verhuizen. Uit onderzoek van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) blijkt dat in de VS tussen 1981 en 2016 huisvestingskosten gemiddeld met bijna 40% zijn gestegen ten opzichte van het inkomen per huishouden[12].

Het stadsbestuur van Berlijn heeft de huren voor vijf jaar bevroren, waardoor investeerders hun activiteiten verder hebben beperkt[13]. Er is dus meer nodig.

Betaalbare wonen moet. Voorkom getto’s

In de naoorlogse periode waren betaalbare huizen in Europa ook schaars en moesten jonge stellen jaren wachten voordat er een huis beschikbaar kwam. Velen woonden jarenlang in een kamer in het huis van hun ouders, niet altijd zonder problemen. Om de huizencrisis na de oorlog te bedwingen, hebben regeringen in Europa en de VS de bouw van huizen aangejaagd en kwamen er op grote schaal goedkope huizen beschikbaar.

Helaas zijn veel van de wijken die in deze periode uit de grond zijn gestampt na korte tijd uitgegroeid tot beruchte getto’s, met name de hoogbouw ‘projecten’ omdat ze exclusief waren gebouwd voor lage inkomensgroepen – onder hen veel migranten – zonder veel uitzicht op een beter leven. Dit is gedocumenteerd in de beroemde documentaire The Great British Housing Disaster. Deze vorm van onderzoeksjournalistiek uit 1984 was een van de eerste films die werd geproduceerd door de veelgeprezen BBC-documentairemaker Adam Curtis, bekend van bekroonde films als The Century of the SelfThe Power of Nightmares en Bitter Lake.

De documentaire wilde niet de al voldoende gedocumenteerde problemen van sociale woningbouw uit de jaren zestig onderzoeken, maar vooral hoe het kwam dat deze huizen zo slecht werden gebouwd dat duizenden later moesten worden gesloopt[14]. Bekijk deze documentaire hier.

Maar het zou nog erger worden

Het politieke klimaat in de laatste twee decennia van de 20e eeuw veranderde en de markt begon te zegevieren. In het geval van huisvesting met nog dramatischer gevolgen. In Nederland is de laatste jaren niet alleen de bouw van sociale woningen ingestort, maar ook de bouw van woningen in het algemeen. Tekort aan huizen werd een wereldwijd fenomeen, behalve die van enkele miljoenen euro’s waarvan een overaanbod is. Het verklaart waarom mensen minder snel verhuizen en waarom de sociale mobiliteit is afgenomen[15]. Het resultaat is dat steden over de hele wereld exclusieve plaatsen voor de rijken worden, zoals een interactieve kaart van Los Angeles laat zien[16].


Waarom in Manhattan wolkenkrabbers leeg staan

Een overaanbod van luxeappartementen is kenmerkend voor meeste grootstedelijke gebieden. Zo is de helft van de dit soort appartementen die de afgelopen vijf jaar in Manhattan zijn gebouwd, nog steeds niet verkocht. Van 2011 tot 2019 steeg de gemiddelde prijs van nieuwe appartementen in Manhattan van $ 1,15 miljoen naar $ 3,77 miljoen. Zij zijn vooral gebouwd voor vermogende buitenlanders die een tweede (of zevende) woning willen kopen. Het aanbod overtreft inmiddels de vraag, maar ontwikkelaars zijn terughoudend om de prijzen te verlagen omdat de doelgroep van wereldwijde zillionairs nog steeds groeit. Restrictief beleid van de overheid met betrekking tot witwassen hielp ook niet[17].


Door de algehele schaarste zijn de huizenprijzen explosief gestegen. In sommige steden wordt dit probleem zelfs nog verergerd omdat het verhuren van huizen aan toeristen een aantrekkelijk alternatief is gebleken voor verkoop of verhuur aan woningzoekenden.

Soms proberen stadsbesturen wat gerechtigheid te brengen. Het bestuur van New York kon niet voorkomen dat voor de meeste inwoners van Manhattan, inclusief Harlem, wonen te duur is geworden. Dit geldt overigens ook voor de huurprijs van winkelpanden. Vandaar de enorme leegstand. Veel inwoners verhuisden naar Brooklyn en toen dit gebied ook onbetaalbaar werd, naar The Bronx, Staten Island en Queens of verlieten ze New York helemaal. Het beleid van het stadsbestuur is ontwikkelaars in staat te stellen glamour projecten te bouwen zoals Hudson Wharf in ruil voor een bepaald percentage betaalbare woningen, wat betekent dat een stel met twee middeninkomens de huur daar net kan betalen.

Vergelijkbare ‘betaalbare’ woonprojecten zijn ook in andere steden te vinden. Deze projecten zijn gunstig voor enkele gelukkige bewoners, maar ze zullen de huisvestingscrisis niet oplossen, die mensen met een midden- en zelfs hoger inkomen raakt. In feite kan 90% van de 200 steden die onlangs zijn onderzocht, als onbetaalbaar worden beschouwd wanneer de veel gebruikte norm van gemiddelde huizenprijzen wordt toegepast, namelijk meer dan driemaal het mediane inkomen. Betaalbaarheid gaat niet alleen over de mogelijkheid om een ​​huis te kopen of te huren, maar ook over het kunnen veroorloven erin te wonen.

Om succesvol te zijn, is een bredere aanpak nodig dan het aanbieden van kleine hoeveelheden huizen ‘onder de marktprijzen’ of het beschikbaar stellen van toelagen.

Om tot zo’n aanpak te komen heeft het World Economic Forum onlangs een nieuw rapport gelanceerd, Making Affordable Housing a Reality for Cities[18]. Het rapport inventariseert alle factoren die de betaalbaarheid van woningen beïnvloeden naast de directe kosten van aankoop en onderhoud, waaronder ligging, type woning, toegang tot sociale infrastructuur, de juridische en regelgevende omgeving en de toestand van de financiële markten.

Zoals hierboven uiteengezet, er zijn twee fundamentele oorzaken: het marktmechanisme en speculatie aan de ene kant, lage inkomens aan de andere kant. Overheden moeten bij het oplossen van het huisvestingsprobleem beide oorzaken en niet alleen hun symptomen aanpakken.

Het marktmechanisme en speculatie

Om tekort aan woningen op te lossen, moeten overheden zich niet langer richten op incidentele projecten, maar in plaats daarvan het marktmechanisme – tenminste gedeeltelijk – buiten werking stellen. In plaats daarvan moeten overheden zelf de belangrijkste ontwikkelaar van onroerend goed worden, net zoals ze verantwoordelijk zijn voor de wegeninfrastructuur.

In plaats van te wachten op de plannen van projectontwikkelaars, neemt het stadsbestuur dan zelf initiatieven, specificeert het de voorwaarden – bijvoorbeeld het aantal huizen in elke categorie en het budget – nodigt het partijen uit om voorstellen in te dienen, selecteert deze en keurt uiteindelijk één daarvan goed.

Om dit te doen, moetende overheid zich bezighouden met zeven hoofdactiviteiten:

  1. Inventariseren van de totale woningbehoefte in het komende decennium, gedifferentieerd naar inkomensgroepen. Deze inventaris moet vergezeld gaan van een inventaris van alle andere ruimteclaims, zoals kantoren, winkelvoorzieningen, fabrieken, parken en landbouw.
  2. Inventariseren van beschikbare ruimte binnen de stadsgrenzen. Dit omvat niet alleen leegstaand gebied, maar ook gebied dat efficiënter kan worden heringericht.
  3. Om speculatie op basis van deze plannen te voorkomen, worden alle vastgoedprijzen bevroren op het niveau van de laatste transactie.
  4. Afstemmen van de gewenste bestemmingen en de beschikbare ruimte. Uitgangspunt is een compact gebruik van de beschikbare ruimte. 
  5. Ontwikkeling van gedetailleerde plannen, samen met de eigenaren van de grond en gebouwen, projectontwikkelaars, financiële instellingen, woningbouwcorporaties en burgers.
  6. Specificeren van verdere voorwaarden, zoals de beperking van verkoop of verhuur aan potentiële bewoners en de beperking van huurverhoging of verkoopprijzen voor een lange periode.
  7. Vergemakkelijken van het proces van bouwen tegen lagere kosten vergemakkelijken door te investeren in fabrieksmatige productie van componenten van huizen en een markt te creëren voor hergebruik van componenten van afgebroken huizen[19].

Woningcoöperaties in Amsterdam en elders

Het stadsbestuur van Amsterdam promoot een nieuw ontwikkelingsmodel voor lage- en middeninkomensgroepen. Bewoners ontwikkelen, financieren en beheren een appartement-gebouwen en huren er een unit in. Het is vergelijkbaar met de activiteiten van het Mietshäuser Syndikat (MHS) in Duitsland. In 2040 moeten 40.000 woningen (10% van alle woningen) in Amsterdam in dit soort samenwerkingsverbanden zijn ontwikkeld[20].


Inkomen

Beteugeling van de ongewenste effecten van het marktmechanisme en het voorkomen van speculatie op grond en onroerend goed zal de bouw van huizen doen toenemen, de vraag en het aanbod in evenwicht brengen en het proces van huur en verkoop soepeler doen verlopen. Maar voor veel huishoudens blijft ook dan adequate huisvesting onbetaalbaar. De inkomens van deze hun huishoudens zijn te laag om een fatsoenlijk leven te leiden, laat staan een huis te huren of te kopen. Verhoging van de minimumlonen is noodzakelijk en in sommige gevallen zijn toelagen onontbeerlijk[21]. In wezen zou het de bedoeling moeten zijn dat kansarme huishoudens uitzicht krijgen op een beter leven, wat niet alleen basale huisvesting omvat, maar ook onderwijs, werk, goede voeding en voorzien in andere levensbehoeften.

Uit recent onderzoek[22] blijkt dat wonen in compacte multimodale buurten de kans met 41% vergroot dat een kind dat in armoede wordt geboren (kwintiel met het laagste inkomen) een hoog verdienende volwassene (kwintiel met het hoogste inkomen) wordt. Daarom is het verwerpelijk om betaalbare woningen in de buitenwijken te realiseren en zeker niet in zogenaamde projecten. Ook is het niet gewenst om voor dit doel verouderde middenklasse woningen te gebruiken. Trouwens, wie op deze plaatsen woont, zal ook meer reiskosten betalen. Op dit moment is de vuistregel dat huishoudens niet meer dan 30% van hun budget zouden hoeven te besteden aan huur of hypotheek. Dit is nu nog geldt het geval bij meer dan 30% van alle Amerikaanse gezinnen. Veel experts raden aan om deze limiet te stellen op 45% voor de totale kosten voor huisvesting en mobiliteit[23].

In veel snelgroeiende steden in opkomende landen vinden talloze bouwactiviteiten plaats, meestal vrij sobere en compacte hoogbouw, met voldoende voorzieningen. Een groot voordeel is dat er in opkomende landen meestal werkgelegenheid is voor groepen met een lager inkomen, wat uitzicht biedt op een fatsoenlijker leven en sociale mobiliteit.

Naar een nieuwe architectuur van de ruimte: leven met dichtheid

Verstedelijking en het bieden van adequate huisvesting voor iedereen zal de druk op de ruimte in steden en op hun omgeving vergroten. Aan de andere kant vereist de leefbaarheid van steden het behoud en zelfs de uitbreiding van groene ruimten; voor recreatie, opslag van koolstof en stadslandbouw[24]. Druk op de ruimte moet op drie manieren worden opgelost: (1) Door gebruik te maken van nog niet benutte gebieden in de stad, (2) stedelijke gebieden een nieuwe bestemming geven en het gebruik van de ruimte intensiveren en (3) het omliggende platteland te verdichten, zonder zijn karakter wezenlijk te veranderen.

Dit geldt voor steden in de hele wereld maar er zullen verschillen zijn als gevolg van de verwachte bevolkingsgroei. Europese en Amerikaanse steden zullen gematigd groeien en de groei wordt bovendien verdeeld over een veel groter aantal grotere en kleinere gemeenten. In steden in ontwikkelingslanden en opkomende landen met hun reeds dichte bevolking zijn de prioriteiten: (1) Verbetering en vervanging van bestaande woningen, (2) bouwen van nieuwe huizen en voorzieningen op lege plekken en in de buurt van werkplekken en (3) bouwen van nieuwe steden – niet in de eerste plaats ‘smart cities’- en vergroting van kleinere steden.


Corona

In dit artikel speculeer ik niet over de invloed van de huidige coronacrisis op het leven in steden, hoewel deze mij sterk bezighoudt. Het is duidelijk dat sociale afstand, gedeelde mobiliteit en ruimtelijke verdichting op gespannen voet staan. Ik vertrouw erop dat Covid-19 overwonnen wordt. Ik hoop ook dat dit onze inspanningen zal versterken om te komen tot een leefbaardere, gezondere en veilige samenleving


Hieronder geef ik een aantal voorbeelden uit ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden en opkomende landen. Nadien krijgt de herontwikkeling van het landelijk gebied aandacht.

Amerikaanse en Europese steden

Met name in Europa en de VS zijn er volop mogelijkheden om het ruimtegebruik te intensiveren in plaats van het stedelijk grondgebied uit te breiden. Tegelijkertijd moet het woningaanbod worden gediversifieerd om gemengde wijken te creëren. Daarbij gaat het om variatie in woningtypen, private en publieke ruimte, niveaus van verdichting en samenleven van sociale groepen.

In de Verenigde Staten is een verdichting van de buitenwijken begonnen als gevolg van de aanpassing van bestemmingsplannen, waardoor verschillende woningtypen mogelijk worden. De bestaande wetgeving werd jaren verdedigd door de sterke Not In My Backyard (NIMBY)-beweging. Het toenemend verzet door de Yes In My Backyard(YIMBI-beweging tegen de verdediging van de belangen van gevestigde groepen heeft eindelijk weerklank gevonden bij de politiek in sommige staten (Oregon) en steden (Seattle, Austin)[25] en elders vinden vergelijkbare initiatieven plaats.

In hun beroemde boek Retrofitting Suburbia zien Ellen Dunham-Jones en June Williamson de herontwikkeling van de voorsteden in de VS als de grootste uitdaging voor stedelijke ontwikkeling in de eerste helft van de 21e eeuw. Ze bespreken elf strategieën die kunnen worden gebruikt en die bijna allemaal tot verdichting leiden. Een korte samenvatting van hun ideeën is te zien in de korte video met Ellen Durham-Jones.

Enkele voorbeelden van de enorme winst die kan worden behaald: Acht relatief kleine huizen (eerste foto hieronder) worden gebouwd in Clarkston op een perceel van een voormalige eengezinswoning[26]. De huizen variëren in oppervlak van ongeveer 25 tot 50 m2 en ze kosten tussen de $ 100.000 en $ 125.000. De tweede foto hieronder is een impressie van 85 geplande blokken van prefab studio-appartementen in Seattle[27]. De derde foto is ook een prefab gebouw, in Vancouver, speciaal voor daklozen[28]. De vierde foto hieronder toont een cluster van zes huizen in Austin (VS) voor eenpersoonshuishoudens, geprint door de startup ICON[29].

In elk van de vier voorbeelden is sprake van geheel of gedeeltelijke industriële productie. Als een fabriek van componenten voor huizen eenmaal op maximale efficiëntie draait, biedt zij een groot aantal voordelen, vooral als er houten componenten worden gebruikt, die bovendien milieuvoordelen opleveren vanwege de opslag van koolstof[30]. De voordelen zijn:

  1. Versnelling van de bouwtijd met 35 procent dankzij de eenvoudigere montage van geprefabriceerde houten onderdelen.
  2. Afname leveringen op een bouwplaats met 85 procent, omdat de vrachtwagen in één fabriek kan worden gevuld.
  3. 75 procent minder afval dankzij gestandaardiseerde bouwdelen die klaar zijn voor montage.
  4. Daling van de totale kosten met 20 procent, wat leidt tot lagere huren of hypotheken.

Een alternatief voor singles zijn co-living appartementen. Startup Starcity ontwikkelt op veel plaatsen eenkamerappartementen voor volwassenen[31]. Huurders krijgen een gemeubileerde slaapkamer van 13 tot 22 vierkante meter en delen een gemeenschappelijke keuken en leefruimten. De huurprijzen variëren van $ 1.000 tot $ 2.400 per maand. Kijk hier voor een rondleiding[32].

Lage dichtheden zijn niet beperkt tot de Amerikaanse buitenwijken. Elders staan ook duizenden vrij grote (half)vrijstaande woningen die uiteraard te groot zijn voor de veelal oudere stellen die deze bewonen. Ze willen het huis niet uit, omdat er geen alternatieven zijn. Een voor de hand liggende oplossing is om de huizen te splitsen, ze energiepositief te maken en er twee of drie starterswoningen van te maken. Gemeenten moeten niet wachten op collectieve instemming door de hele buurt, maar modellen maken die voor individuele woningen kunnen worden uitgevoerd.

Een groot oppervlak dat opnieuw ontwikkeld moet worden, zijn wegen.  Naarmate steden beter beloopbaar worden, zal het gebruik van fietsen en gedeeld vervoer toenemen. Wegen en parkeerplaatsen zijn goed voor meer dan 50% van het grondgebied van de gemiddelde Amerikaanse stad; wat minder in Europese steden. Een deel van de voormalige wegen en parkeerplaatsen is nodig om fietsen en voetgangers meer ruimte te geven.

Steden in ontwikkelingslanden en opkomende landen

In steden in ontwikkelings- en vooral opkomende landen bestaat de neiging om sloppenwijken te vervangen door hoogbouw appartementen, voorzien van basale voorzieningen, maar vaak ver van het stadscentrum. Soms is dit beleid ingegeven door humanitaire overwegingen, maar het is ook bedoeld om ruimte te creëren voor commerciële doeleinden[33].

Renovatie favela Rio de Janeiro. Foto’s: New Castle University

Het bouwen van rijen hoogbouwapparte-menten zover het oog reikt, is vanuit stedenbouwkundig oogpunt verwerpelijk en de vrees is gerechtvaardigd dat deze enorme concentraties over tien jaar het beruchte voorbeeld van de hoogbouwappartementen in Europa en de VS zullen volgen. Daarom moet ook hier een meer gevarieerde architectuur, gebaseerd op lokale tradities met meer oog voor de leefomgeving worden overwogen.

Het komt ook voor dat de renovatie van sloppenwijken samen met bewoners ontwikkeld wordt. Deze programma’s omvatten het bouwen van nieuwe huizen op dezelfde locatie samen met familieleden en buren. De gemeente zorgt dan voor de aanleg van wegen, water en sanitaire voorzieningen. Verbetering van huisvesting moet sowieso gepaard gaan met verbetering van onderwijs, medische zorg, ondersteuning bij het vinden van banen en handhaving van de wet. De bovenstaande foto’s van een van een gerenoveerde favela in Rio de Janeiro laten het mogelijke resultaat zien.


iBuild – Doe-het-zelf bouwen mogelijk maken

Met ibuild kunnen burgers de controle over het bouwproces overnemen. Foto: iBuild

iBuild is een op de burger gerichte app zelfbouw van een huis ondersteunt. Het doel van de app is om burgers zeggenschap te geven over het bouwproces, de transparantie te verbeteren en gegevens te verzamelen om de beleidsmakers te informeren[34].


De meeste woningen in ontwikkelingslanden zijn zelfgebouwd, meestal om financiële redenen. Met behulp van het mobiele platform iBuild vinden gebruikers aannemers, kunnen deze offertes maken, kunnen materialen worden besteld en kan de voortgang van het proces worden gevolgd. E-wallets helpen ervoor te zorgen dat overheidssubsidies worden gebruikt voor het beoogde doel.

De landelijke omgeving van de stad opnieuw vormgeven

Steden hebben overal ter wereld hun territorium uitgebreid door annexatie van aangrenzende gemeenten of door onteigening van landbouwgrond. Op de nieuwverworven grond worden nieuwe wijken gepland en vroeg of laat, worden weg- of spoorverbinding met oudere delen van de stad aangelegd. Dit proces is altijd ten koste gegaan van de groene omgeving. Nieuwere inzichten zijn gebaseerd op het creëren van nieuwe wijken, door verdichting en uitbreiding van bestaande dorpen en het behoud van de landelijke omgeving, door de integratie van boerderijen in de regionale voedselketen, door parken te creëren en de natuur te laten zoals ze is. Tegelijkertijd kan het mogelijk worden gemaakt dat de natuur het stedelijke gebied binnendringt via oude bedrijventerreinen binnen de stadsgrenzen.

Biomorfe stedenbouw is een benadering voor het ontwerpen en bouwen van steden om deze uitdagingen aan te gaan[35]. Zij versterkt en herstelt natuurlijke systemen in plaats van ze te verminderen. De onderstaande afbeelding stelt de Wild Mile voor, een voorgesteld ecopark van 7 hectare dat nieuwe kansen zal creëren voor het herstel van ecotopen, onderwijs en recreatie. Het ligt langs een voorheen geïndustrialiseerd stuk van de Chicago River.

/var/folders/5q/w0jt8kbx5vnc_mp7b36p_x480000gp/T/com.microsoft.Word/WebArchiveCopyPasteTempFiles/p7152
The Wild Mile in Chicago. Afbeelding: SOM Architects

Wonen in de humane stad

In een humane stad is het aanbod van huizen voor lagere en middeninkomensgroepen voldoende en gevarieerd, de inkomens van deze groep zijn toereikend om een ​​fatsoenlijk huis te betalen en de huizenprijzen of de huurprijzen zijn een afspiegeling van de grondprijs, hun bouwkosten, kapitaalkosten, afschrijvingen en – indien van toepassing – onderhoud. Speculatie met grond en huizen is verboden. Steden die alle grond bezitten, verhuren delen ervan aan ontwikkelaars voor een prijs die afhangt van de geplande bestemming. Ze verkopen deze nooit.

Het woningaanbod zal gemengd zijn en variëren van laagbouw tot middelhoog en van eengezinswoningen tot appartementen, van tiny houses tot kleine clusters van duurdere woningen. De gemiddelde dichtheid is veel groter dan we tot nu toe gewend zijn: Daarnaast worden clusters van woonhuizen op een doordachte manier afgewisseld met andere bestemmingen: winkels, kleine industrie, kantoren, recreatiegebieden en – gewoon -onbebouwde ruimtes om te spelen voor andere activiteiten van bewoners. Parkeerplaatsen verdwijnen geleidelijk en worden vervangen door stallingen voor deelauto’s.

Hieronder wordt de bijdrage van wonen aan een humane stad samengevat.


Hoe huisvesting bijdraagt ​​aan een humane stad

1. Stedelijke groei concentreert zich in de eerste plaats in de beschikbare ruimte binnen haar grenzen. Overtollige en overmatig brede wegen, voormalige industriële complexen en bijbehorende emplacementen krijgen een nieuwe bestemming.

2. De vorm en het karakter van het plattelandsgebied wordt gerespecteerd en zelfs verbeterd indien de groei van de stedelijke bevolking bouw buiten de stadsgrenzen vereist, dankzij concentratie van de bebouwing in dorpen en kleine steden.

3. Steden maken een realistische inschatting van de voorzieningen waarover ze in de toekomst moeten beschikken. Dit geldt voor woningen, maar ook voor winkel, industrie en recreatie. Een groot deel ervan zal worden gebruikt voor de bouw van een gevarieerd aanbod van fatsoenlijke huizen. Deze huizen zijn te koop of kunnen worden gehuurd, en hun prijzen weerspiegelen een – hopelijk – meer gelijke inkomensverdeling dan tegenwoordig.

4. Terreinen, huizen en andere gebouwen kunnen openbaar of particulier eigendom zijn. In beide gevallenis speculatie verboden.

5. Investeren in onroerend goed is alleen toegestaan ​​door bemiddeling van een investeringsfonds of een ‘community land trust’. Beiden krijgen de opdracht om een ​​nieuw project te financieren tegen door de gemeenschap overeengekomen prijzen voor verkoop en verhuur en een billijke vergoeding te betalen aan de investeerders.

6. Het creëren van een aantrekkelijke woonomgeving maakt deel uit van het ontwerp van (gemengde) wijken. Voor alle te bouwen of te renoveren woningen zijn op loopafstand speelplekken en groen voorzien en op loopafstand van de fiets voorzieningen om te winkelen en voor gezelligheid.

7. In een humane stad wordt het gebruik van personenauto’s ontmoedigd. Hierdoor verdwijnen parkeerplaatsen bij elk huis ten gunste van geconcentreerde parkeerplaatsen voor deelauto’s op korte afstand.

8. In geen enkele wijk overheerst één specifiek type woning, noch in vorm (hoog versus laagbouw), noch op basis van sociale stratificatie.

9. Architectonische innovaties zoals duurzame houtbouw, flexibele modulaire gebouwen worden gestimuleerd vanwege de gewenste variatie, esthetiek en kostenreductie.


[1] https://medium.com/sidewalk-talk/the-first-principles-of-urbanism-part-i-18105c03cdcf en https://medium.com/sidewalk-talk/the-first-principles-of-urbanism-part-ii-53aec76799ff

[2] https://en.wikipedia.org/wiki/Harlem

[3] https://evictionlab.org

[4] https://www.nytimes.com/2020/03/04/magazine/wall-street-landlords.html

[5] https://medium.com/@BloombergCities/7-strategies-for-reducing-the-number-of-evictions-in-your-community-fee926daaeba

[6] https://www.theguardian.com/cities/2015/nov/23/cities-in-numbers-how-patterns-of-urban-growth-change-the-world

[7] https://www.un.org/development/desa/en/news/population/2018-revision-of-world-urbanization-prospects.html

[8] https://en.wikipedia.org/wiki/Shanty_town

[9] https://smartcityhub.com/collaborative-city/fair-cities/

[10] https://theconversation.com/in-rios-bulldozed-favelas-echoes-of-americas-shantytowns-61415

[11] https://www.ohchr.org/EN/Issues/Housing/Pages/FinancializationHousing.aspx

[12] https://www.citylab.com/equity/2019/08/home-prices-jobs-inequality-economic-mobility-data-research/594829/

[13] https://www.stadszaken.nl/ruimte/wonen/2243/berlijn-kiest-onomwonden-voor-huurder-moeten-wij-volgen

[14] https://www.stadszaken.nl/ruimte/wonen/2243/berlijn-kiest-onomwonden-voor-huurder-moeten-wij-volgen

[15] https://www.theatlantic.com/business/archive/2016/05/how-america-lost-its-mojo/484655/

[16] https://knock-la.com/this-map-shows-how-la-politicians-have-created-a-city-for-the-rich-65e45cc8902d

[17] https://medium.com/the-atlantic/why-manhattans-skyscrapers-are-empty-8af66ee2b824

[18] http://www3.weforum.org/docs/WEF_Making_Affordable_Housing_A_Reality_In_Cities_report.pdf

[19] https://medium.com/sidewalk-talk/5-minute-explainer-how-factory-construction-can-help-housing-affordability-f16d0b5cbe03

[20] https://www.stadszaken.nl/ruimte/wonen/2363/maakt-de-wooncoperatie-de-stad-weer-voor-iedereen-en-nog-4-vragen-over-de-ontwikkelvorm

[21] https://hmjvandenbosch.com/2020/03/24/de-eerlijke-stad/

[22] https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S016920461500242X

[23] https://htaindex.cnt.org

[24] https://smartcityhub.com/collaborative-city/well-fed-cities/

[25] https://gen.medium.com/america-is-finally-tackling-its-housing-crisis-59250048ec2f

[26] https://www.fastcompany.com/90348777/this-pocket-neighborhood-has-8-houses-on-a-lot-instead-of-one-mcmansion?utm_campaign=Compass&utm_medium=email&utm_source=Revue%20newsletter

[27] https://medium.com/sidewalk-talk/when-affordable-housing-starts-in-a-factory-20bad64d4fe0

[28] https://medium.com/sidewalk-talk/when-affordable-housing-starts-in-a-factory-20bad64d4fe0

[29] https://www.fastcompany.com/90469488/this-village-for-the-homeless-just-got-a-new-addition-3d-printed-houses?partner=rss

[30] https://medium.com/sidewalk-talk/5-minute-explainer-how-factory-construction-can-help-housing-affordability-f16d0b5cbe03

[31] https://www.citylab.com/life/2019/06/cohousing-san-jose-room-for-rent-starcity-coliving-housing/590731/

[32] https://starcity.com/communities

[33] https://www.cnbcafrica.com/west-africa/2016/11/12/lagos-luxury-developments/

[34] https://www.ibuild.global

[35] https://medium.com/@SOM/biomorphic-urbanism-a-guide-for-sustainable-cities-4a1da72ad656

De gezellige stad

Voor winkelen, amusement, om te kijken en gezien te worden en om andere mensen te ontmoeten, is de publieke ruimte een favoriete plaats. Met name in oudere steden. Nieuwgebouwde steden missen vaak sfeer, gezelligheid en intimiteit. Stedenbouwkundigen, architecten en politici denken erover na hoe ze dit kunnen veranderen.

Sjoerd Soeters: Schets of North Aud Block, Buffalo (VS). Bron: Website van Mollink & Soeters PPHP (Pleasant Places, Happy People).

In de ontwerpen van de Nederlandse architect Sjoerd Soeters speelt de aantrekkelijkheid van een straat of plein een belangrijke rol. Hij benadrukte dit door zijn firma Pleasant Places, Happy People te noemen. De bovenstaande schets maakt deel uit van het ontwerp van Canal side in het centrum van Buffalo (VS), dat bedoeld is om een ​​levendig deel van de stad te worden.


Covid-19

In dit artikel zie ik af van speculaties over de invloed van de huidige corona-crisis op het leven in steden, hoewel deze mij sterk bezighoudt. Het is duidelijk dat sociale afstand, gezelligheid en gedeelde mobiliteit en ruimtelijke verdichting op gespannen voet staan. Ik vertrouw erop dat Covid-19 overwonnen wordt. Ik hoop ook dat we er iets van hebben geleerd. Mogelijk versterkt dit onze inspanningen om te komen tot een leefbaardere, gezondere en veilige samenleving. Daarover gaat ook dit artikel.


Na een korte beschrijving van wat wordt verstaan onder publieke ruimte, verken ik wat het begrip ‘aantrekkelijk’ als eigenschap van publieke ruimte inhoudt en vervolgens laat ik zien hoe een overmaat aan bezoekers de publieke ruimte kan bedreigen. Dit brengt mij bij de ideale spreiding van publieke ruimte over de stad en ik zal laten zien hoe technologie kan bijdragen aan de kwaliteit van de publieke ruimte.


Gezellige steden is het dertiende deel van een reeks essays over hoe steden humaner kunnen worden. Dat betekent een balans vinden tussen duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en kwaliteit van leven. Dit vergt verregaande keuzes. Als deze keuzes eenmaal gemaakt zijn, is het vanzelfsprekend dat we slimme technologie gebruiken om deze doelen te bereiken.

De essays die al zijn verschenen, zijn hier te vinden:

  1. Inleiding: Steden in de toekomst: Vanzelfsprekend smart. Humaan als keuze
  2. De gezonde stad
  3. De veerkrachtige stad
  4. De klimaat-neutrale stad
  5. De veilige stad
  6. De goed-bestuurde stad
  7. De donut stad
  8. De kringloop stad
  9. De digitaal rechtvaardige stad
  10. De goed gevoede stad
  11. De stad van makers
  12. De eerlijke stad
  13. De stad van de commons

Over het algemeen zijn publieke ruimtes plaatsen waar iedereen zonder toestemming of tegen betaling kan verblijven – straten, pleinen, parken en (de meeste) stranden – rekening houdend met wettelijke beperkingen, bijvoorbeeld sluitingstijden van parken.

Er zijn altijd veel functies verbonden geweest aan publieke ruimtes: Pleinen waren plaatsen waar burgers bijeenkwamen om te stemmen over belangrijke aangelegenheden, marktplaatsen, festiviteiten en – op dit moment – parkeerplaatsen. Straten waren volgepakt met huizen, winkels en werkplaatsen. In dit artikel focus ik op de sociale functie van de publieke ruimte: Mensen ontmoeten, genieten van de mooie ambiance en je goed voelen. Verschillende auteurs, bijvoorbeeld Florida, Sennett en Pentland, zijn van mening dat de kwaliteit van de openbare ruimtes bijdraagt ​​aan de algehele welvaart en innovatieve mogelijkheden van de stad in het algemeen[1].

Wat maakt publieke ruimtes aantrekkelijk?

De publieke ruimte is in het verleden niet ontworpen om aantrekkelijk te zijn en niemand verwachtte dit, zolang ze functioneel was. Laten we teruggaan naar de middeleeuwen. Of een stad organisch is gegroeid of is ontworpen – meestal voor defensieve doeleinden – de ruimte was beperkt vanwege de omringende muren. Dientengevolge zijn alle functionele componenten – kerken, kloosters, ateliers, huizen, marktplaatsen en zelfs enkele boerderijen – opeen gepakt en waren de straten smal.

Quedlinburg, Town Hall, Marketplace, World Heritage
Quedlimbourg (Duitsland): Middeleeuwse markt en stadhuis. Foto: Pixabay

In de 19e eeuw veranderde alles: De stadsmuren werden afgebroken en hoewel niet elke stad zijn Haussmann had, werden ook grote delen van de middeleeuwse overblijfselen afgebroken. Overeenkomstig de heersende opvattingen kwamen hiervoor in de plaats brede boulevards en grote pleinen, monumentale gebouwen en parken. Later bleken de brede wegen een zegen voor het snelgroeiende aantal auto’s. De stedenbouw van de 19e eeuw moest het prestige van koningen en koninginnen, presidenten en het land als geheel weerspiegelen.

The Avenue de L'Opera, Paris - Camille Pissarro Als kunstdruk of ...

Zowel in de middeleeuwse als de 19e-eeuwse stad speelde aantrekkelijkheid als zodanig een ondergeschikte rol. De inwoners van een middeleeuwse stad waren mogelijk trots als de toren van hun kerk hoger was dan die van een naburige stad. De leden van de elite in de 19e eeuw slenterden met gevoelens van trots over de Haussmann-achtige boulevards. De lagere klassen waren bezig met andere dingen dan genieten van de pracht van de rijken.

In de 20e eeuw werd aantrekkelijkheid een functionele eis voor de openbare ruimte. Naast uitgebreide mogelijkheden om inkopen te doen, zochten burgers plaatsen waar ze konden kijken en worden gezien, mensen konden ontmoeten, konden neerstrijken op een terras of in een bar, café of restaurant in een sfeer van intimiteit en gezelligheid.

Tegelijkertijd begonnen mensen te reizen en bezochten ze andere steden. Ze verdrongen zich op kleine piazza’s, pleinen, straten en zijstraatjes van de overblijfselen van de oude middeleeuwse steden als Brugge, Gent, Florence en Sienna, die het 19e-eeuwse modernisme hadden overleefd. Deze buitenlandse ervaringen ondersteunden de ontwikkeling van een bepaalde ‘smaak’ voor wat als aantrekkelijk is en wat niet. Voor de meeste mensen zijn de brede, drukke boulevards dé plek voor dure winkels, restaurants, warenhuizen. Maar voor gevoelens van intimiteit en gezelligheid wisten ze dat ze de borden ‘Oude stad’ moesten volgen om kleine straatjes en intieme pleintjes te vinden met wat lijkt op middeleeuwse architectuur en met gezellige winkels die ‘lokale’ spullen verkopen. De verhoudingen van de middeleeuwse stad passen volgens velen beter bij ‘de menselijke maat’ dan de grootschalige stedenbouw van vandaag.

file:Piazza del Campo (Siena).jpg
Piazza del Campo in Siena, Italië. Gefotografeerd door Krzysztof Wysocki in augustus 2005. Licentie onder Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0

De kenmerken van aantrekkelijke publieke ruimte kunnen worden samengevat als:

  1. Compacte straten met een diversiteit aan gebouwen, die toch een eenheid vertegenwoordigen.
  2. Pleinen waarvan het oppervlak beperkt is en perfect in balans is met de hoogte van de omliggende gebouwen.
  3. Minstens één van de pleinen moet groot genoeg zijn om incidenteel te dienen als podium voor concerten en evenementen zoals de bekende Palio in Sienna.
  4. Monumenten, zoals kerken, stadhuizen en dergelijke met onderscheidende kwaliteiten.
  5. Beperkt verkeer, beloopbare afstanden en een rustige sfeer
  6. Voldoende terrassen, cafés en restaurants en uitnodigende winkels
  7. Gevoel van opgenomen zijn in het gewone leven van de eigen bevolking in plaats van zich te bevinden in een pretpark.

Sienna, de stad van de Palio, is misschien wel het beste voorbeeld. Of niet?

Helaas is het antwoord nee, maar daar kan de stad zelf niets aan doen.  Voordat ik uitleg waarom niet, maak ik een kleine omweg via de wereld van stedenbouwkundigen, om beter te begrijpen waar de publieke ruimte eigenlijk voor is.

De zienswijze van stedenbouwkundigen

Dit is niet de plek voor een inleiding in de stedenbouwkundige theorie, de verklaring van hoe mensen de stedelijke omgeving gebruiken en ervaren en de gevolgen daarvan voor het ontwerp en beheer van de publieke ruimte.

Model van het Plan Voisin voor Parijs door Le Corbusier(1925). Onder licentie van de Creative Commons Attribution-Share Alike 4.0 

Volgens Le Corbusier[2] is een stad een complex van enorme gebouwen, tot 60 verdiepingen, in een rechthoekig patroon, verbonden door wegen en groene ruimtes. Le Corbusier heeft de stadsplanning in de eerste helft van de 20e eeuw aanzienlijk beïnvloed door zijn prominente rol in het Congrès Internationaux d’Architecture Moderne (CIAM). Een overheersend idee was de functionele stad met haar radicaal gescheiden woon-, werk-, winkel- en recreatieplekken. In 1941 publiceerde Le Corbusier zijn Athene Handvest dat invloed heeft gehad op bijna alle Nederlandse steden, met Cornelis van Eesteren als prominente vertegenwoordiger[3]. Op onderstaande kaart, het eerste plan voor Slotermeer (Amsterdam), is de voorkeur voor een wijds en lineair stratenpatroon duidelijk herkenbaar. Dit soort tekeningen zijn tot eind twintigste eeuw voor de meeste Europese steden gemaakt.

Eerste plan voor tuinstad Slotermeer, het Sloterpark en de Sloterplas; 1939. Kaart: Gemeente Amsterdam

In de naoorlogse periode veranderde de stedenbouwkundige theorie radicaal. Een aanzet daartoe gaven Gordon Cullen, Jane Jacobs, Jan Gehl, Aldo Rossi, Kevin Lynch en Christopher Alexander[4]. In feite zijn ze de grondleggers van het dominante hedendaagse denken over stedelijke ontwikkeling. Ze verafschuwden de grootschalige rechthoekige stedelijke vormen, gepropageerd door de CIAM-leden en ze waren gepassioneerde voorstanders van een mix van stedelijke functies.

Gordon Cullen (The Concise Townscape) propageerde het idee van stedelijke doorkijkpunten: een reeks gekoppelde ruimtelijke eenheden, die een steeds wisselende beeld veroorzaken.

Jane Jacobs (The death and Life of American Cities) propageerde de waarde van bewoonde straten en pleinen in stedelijke centra om de levendigheid te vergroten en ook om sociale controle af te dwingen.

Aldo Rossi (Architecture of the City) accentueerde de combinatie van elementen die het collectieve geheugen van de bewoners vertegenwoordigen (historische monumenten) en moderne vormen.

Jan Gehl (Living between buildings) benadrukte dat een puur esthetisch perspectief tekortschiet om de vraag te beantwoorden wat een hoogwaardige publieke ruimte maakt. In plaats daarvan moeten stadsplanners eropuit gaan, naar de mensen kijken, veldonderzoek doen en vaststellen wat werkt en wat niet. Zijn toewijding voor de beloopbare stad heeft al geresulteerd in het autovrij maken van twee voormalige verkeersaders, Stroget in Kopenhagen en onlangs Market Avenue in San Francisco.

224-365 I heart Copenhagen | Days like this are picture-post… | Flickr
Ströget Copenhagen. Foto Karen Mardahl Onder licentie van Creative Commons ShareAlike 2.0 

Common Space

Een van de lessen van Jan Gehl is het gebruik van studies van het openbare leven om het gedrag van mensen in kaart te brengen, alvorens met ontwerpen te beginnen. Met pen en papier is dit een arbeidsintensief proces; Sidewalk Labs heeft samen met het Gehl Institute een ​​prototype gemaakt van een open source-applicatie genaamd CommonSpace[5]: Een digitaal hulpmiddel voor het verzamelen van gegevens door een consistente workflow, gestandaardiseerde invulvelden en door de onmiddellijke beschikbaarheid van gegevens. Voor geïnteresseerden is hier een demoversie te vinden.


Ze legden in feite de basis voor het new urbanism van Peter Calthorpe, Elisabeth Moule en Andrés Duany. In deze korte TED-presentatie legt Calthorpe de belangrijkste ideeën van de beweging uit, ook in relatie tot klimaatverandering en grootschalige verstedelijking.

New urbanism verzet zich tegen elke vorm van ruimte verslindende stadsuitbreiding, brede lanen,  grote pleinen en de dominantie van auto’s. De beweging introduceerde een mensgericht ontwerp, gekenmerkt door tien principes: beloopbaarheid, connectiviteit, menging van stedelijke functies en diversiteit, verschillende typen woningen, kwalitatief hoogwaardige architectuur en stedenbouw, handhaven traditionele buurtstructuur, verhogen van dichtheid, openbaar vervoer, duurzaamheid en leefbaarheid. Deze principes zijn geformaliseerd in het Congress for the New Urbanism (1993). Een van de verdiensten is het verbinden van stedenbouw, gemeenschapsontwikkeling en duurzaamheid. Het LEED-ND-systeem voor het beoordelen van milieuvriendelijk ontwerp is geworteld in de new urbanism-beweging. New urbanism bepleitte ook het belang om ruimte te reserveren die burgers zelf konden inrichten (DIY urbanism).

De nieuwe stedenbouw maakt heel duidelijk waarom de meeste hedendaagse burgers de kenmerken van de middeleeuwse stad verkiezen boven de concepten van Haussmann maar ook hoe modernistische architecten en stedebouwers in de meeste steden in de tweede helft van de 20e eeuw te werk gingen invloed van het CIAM-gedachtengoed.

De publieke ruimte staat onder druk

Wat is er mis met Sienna? Aantrekkelijke stadscentra zoals Sienna, Amsterdam en Barcelona worden overspoeld door bezoekers en toeristen. Mede ook omdat Airbnb hun overnachtingscapaciteit aanzienlijk heeft vergroot en daarbij veel woonhuizen heeft onttrokken van hun eigenlijke bestemming[6]. Als gevolg hiervan zien deze steden de prijzen van hun vastgoed stijgen, hun inwoners vertrekken, waardoor er ruimte komt voor dure appartementen, boetiekhotels, prestigieuze hoofdkantoren en dergelijke. Alle traditionele gebruikers van de centrale delen van de stad zoals universiteiten voelen ook een druk om hun eigendom in de binnenstad te verkopen en naar de rand van de stad te verhuizen. Uiteindelijk dreigen de oude stadscentra te worden omgevormd tot een themapark dat vierentwintig uur lang vermaak biedt aan bezoekers en hiermee de bewoners vervreemdt van hun eigen publieke ruimte.

A packed La Ramblas in Barcelona.
Toeristen op de Ramblas, die jaarlijks 100 miljoen bezoekers ontvangt. Foto: The Guardian.

Tegelijkertijd is het aanbod van publieke ruimte in oudere en nieuwere woonwijken buiten het stadscentrum beperkt. In de moderne stadsuitbreidingen bieden hypermarkten volop mogelijkheden voor het doen van dagelijkse boodschappen, maar het zijn geen ‘gedroomde plekken’ voor gezellige ontmoetingen. Als gevolg hiervan beginnen veel steden een gebrek aan publieke ruimte te voelen, wat de mogelijkheid tot socialiseren en netwerken beperkt. Met andere woorden, het concept publieke ruimte moet opnieuw worden uitgevonden.

De behoefte aan uiteenlopende vormen van publieke ruimte

Voor steden met meer dan 500.000 inwoners, stel ik een model voor met drie soorten publieke ruimtes. In werkelijkheid zullen er altijd gemengde vormen en varianten zijn.

‘Place making’ en ‘commoning’

In het navolgende ligt de nadruk op meer geformaliseerde vormen van publieke ruimte. De wellicht belangrijkste vormen van publieke ruimte zijn al in een eerder artikel behandeld, toen ik beschreef hoe bewoners het initiatief nemen om vrije kavels in hun directe woonomgeving om te vormen in speeltuinen, ontmoetingsplekken, groentetuinen of vele andere doeleinden[7]. Deze initiatieven – place-making of commoning – vervullen bij uitstek de behoefte aan publieke ruimtes, De ontwikkeling ervan vraagt creativiteit en toewijding en niet noodzakelijk veel geld. Het Project for Public Spaces (PPS) van de Global Placemaking Movement, verbindt mensen met ideeën, middelen, expertise en partners die bloeiende openbare plekken willen creëren[8]. De organisatie heeft een boek uitgegeven How to turn a place around, waarin 11 principes voor levendige gemeenschapsruimtes en vele voorbeelden worden behandeld[9].

Maar nu de andere ruimtes.

Oostpoort Amsterdam

Volgens de hedendaagse en invloedrijke Nederlandse architect Sjoerd Soeters draagt compactheid als geen ander kenmerk van publieke ruimtes bij aan sociale cohesie en beïnvloedt daardoor in sterke mate de attractiviteit ervan[10]. Dankzij de compactheid van straten en pleinen herkennen mensen elkaar en is er geen sprake van een beangstigende mensenmassa. Water, grachten en bruggen dragen ook bij aan de intimiteit van straten. De attractiviteit van pleinen hangt vooral af van de relatie tussen de hoogte van de omliggende gebouwen en het oppervlak van het plein. Daarom verkiest hij een afmeting van 40 – 25 meter. Hij heeft delen van bestaande straten opnieuw ontwikkeld en plaatselijk versmald, zodat er slechts een glimp opgevangen kan worden van het volgende deel van de straat. Pleinen zijn vaak verbrede delen van straten (zie onderstaande foto)

Plein in Oostpoort (Amsterdam) Architect Sjoerd Soeters. Bron: Website van Mollink & Soeters PPHP (Pleasant Places, Happy People).

Buurtcentra

Het buurtcentrum is de plek waar burgers van ’s ochtends tot ’s avonds terecht kunnen voor  hun boodschappen en contacten.  De Oostpoort in Amsterdam, ontworpen door Sjoerd Soeters is een voorbeeld, zij het een van de grotere met een station en een paar tramlijnen.

Dit type centrum heeft een supermarkt, een bakkerij, een slager en een groentewinkel, een drogisterij, een handvol cafe’s en restaurants, een fitnesscenter, een basisschool, gemeenschappelijke ruimtes, werkplaatsen en kantoren en verder een grote verscheidenheid aan huizen. Hier drinken mensen die thuis zijn hun ochtendkoffie, ontmoeten medewerkers collega’s en werken zzp’ers tijdens de rustige uren aan een cafétafel. Huismannen en -vrouwen doen hun dagelijkse boodschappen of doen een work-out in de sportschool, maken een praatje en drinken een kopje thee. Mensen ontmoeten elkaar voor de lunch, dineren en socialiseren op het terras of in de cafe’s, tot sluitingstijd, wat vrij vroeg zal zijn.

Nevencentra

Zelfs steden zonder een buitensporig aantal toeristen en bezoekers, zien een gestage groei van het aantal evenementen waardoor andere functies in de knel komen. Om deze reden is het raadzaam dat steden een aantal nevencentra hebben, die door de aanwezigheid van een of meer publiekstrekkers een gestage stroom bezoekers genereren. Voorbeelden zijn het Guggenheim-museum in Bilbao en de nieuw ontworpen publieke ruimte eromheen. In wereldsteden als Londen en New York bestaat ​dit soort centra al jaren maar zij zijn soms moeilijk ten vinden omdat hun activiteiten vaak over een groot oppervlak zijn verspreid.


Het gebruik van water: Brusselplein, Leidsche Rijn Utrecht

/var/folders/5q/w0jt8kbx5vnc_mp7b36p_x480000gp/T/com.microsoft.Word/WebArchiveCopyPasteTempFiles/Leidsche-Rijn-Centrum-1024x686.jpg
Brusselplein Leidsche Veer, Utrecht. Foto: Mooie pleinen Magazine[11]

Het ontwerpen van openbare ruimtes in nieuwe steden is een uitdaging. Leidsche Rijn wordt een nieuwe buitenwijk met 100.000 inwoners van de Nederlandse stad Utrecht en het Brusselplein is het nieuwe centrale plein. De breedte van het plein wordt gebroken door rijen fonteintjes. Het plein staat vol met bomen. Aan de rand van het plein zijn terrassen, bars, restaurants en winkels. ‘Niet slecht’, maar ik vind het plein niet opwinden en, te groot om intimiteit te bieden. De omliggende gebouwen zijn nauwelijks onderscheidend.

In veel ontwerpen van moderne en te groots opgezette pleinen spelen ‘bedriegertjes’ een prominente rol, wat voor veel hilariteit zorgt bij warm weer omdat kinderen dan drijfnat worden. Maar in het geval van minder goed weer en de terrassen leeg zijn en zijn de kleine fonteinen bedroevend ondermaatse objecten. Ik vraag me af waarom ontwerpers water niet op een meer gevarieerde en creatieve manier benutten, bijvoorbeeld door een groot rechthoekig waterbassin aan te leggen, omzoomd door weelderige planten, gevuld met bewegende objecten en trappen om te zitten, te praten en ’s avonds te kijken hoe het op een spannende wijze verlicht wordt. De foto hieronder illustreert hoe de Zaanstad (NL) in brede straten intimiteit herwint.

Gracht in Zaanstad. Architect Sjoerd Soeters. Bron: Website van Mollink & Soeters’ PPHP (Pleasant Places, Happy People).

Amsterdam heeft dringend een of meer nevencentra nodig. Het gebied tussen het Leidseplein en het Rijksmuseum heeft naar mijn mening potentie, maar mist eenheid door de chaotische kruisingen van wegen en tramlijnen. Het gebied bij Station Zuid biedt ook kansen, mede omdat Schiphol het volgende station is. Om een ​​meer intieme openbare ruimte te creëren, moet er veel werk worden verzet. In de eerste plaats om een ​​publiekstrekker te vinden.

Nieuw te ontwikkelen nevencentra kunnen het beste worden verbonden met concentraties van musea, universiteitsgebouwen, theaters, winkels, hotels, restaurants en cafés, appartementen en kantoren. Een ‘plaza’, een centrale plek met weerbestendige terrassen en aantrekkelijke winkelmogelijkheden zijn nuttig, maar compleet andere invalshoeken zijn ook effectief. Bijvoorbeeld het Superkilenpark in Kopenhagen.

Superkilen

Superkilen is een één kilometer lang gebied in Kopenhagen met uitgebreide recreatieve mogelijkheden en mogelijkheden voor sociaal contact, met name voor de vele allochtone groepen met lage inkomens die in de omliggende huizen wonen. Het heeft veel kleine restaurants, galerieën en winkels. Het trekt daardoor ook veel bezoekers aan, die opgaan bij de zestig nationaliteiten die al in het gebied wonen.

Er zijn drie gekleurde ruimtes: het Rode Plein, dat het moderne stadsleven vertegenwoordigt met cafés, muziek en mogelijkheden tot sportbeoefening, de Zwarte Markt, een klassiek plein met fonteinen en banken en het Groene Park om te picknicken of te wandelen. In alle drie de delen is er altijd een gezellig samenzijn van lokale mensen. Ook toeristen kunnen zich hier prima vermaken.

File:København - Superkilen (25363298299).jpg
Openbaar park Nørrebroruten Superkilen – het zwarte gedeelte. Architect. BIG (Bjarke Ingels) Foto: Fred Romero. Dit bestand is in licentie gegeven onder de Creative Commons Attribution 2.0 9

Perifere centra: Decentraal centrum voor bezoekers met auto’s

In de komende decennia zal nog steeds een aanzienlijk aantal bezoekers van de stad met de auto komen en het beste wat deze kan doen, is ervoor te zorgen dat bezoekers deze auto’s op veilige transferpunten achterlaten, vanwaar ze hun reis met het openbaar vervoer kunnen voortzetten. Voor bezoekers die van plan zijn langer te blijven, is deze oplossing niet optimaal, aangezien het lastig kan zijn om met het openbaar vervoer bagage naar het hotel te vervoeren. Een oplossing is om een of meer hotels naast de parking te vinden en nog mooier is wanneer deze transfergebieden een aantrekkelijke publieke ruimte worden, met winkels, cafés en restaurants. Deze centra kunnen dan ook plaats bieden aan grote evenementen, zoals een voetbalstadion, een muziekhal, bioscopen en openluchtfestiviteiten. De Amsterdam Arena wijk ontwikkelt zich in deze richting. Vroeger was het een tochtige plek, maar het wordt beter. Het gebied heeft ook uitstekende trein- en metroverbindingen.

Foto van Arena Boulevard Amsterdam Foto: Hampton hotels

En niet te vergeten, de oude stad …

De publieke ruimtes in de oude ‘middeleeuwse’ stadscentra moeten aan dezelfde eisen voldoen als de stad in haar geheel om niet te veranderen in een attractiepark voor toeristen. Afgezien van zijn zorgvuldig onderhouden en functionele geïntegreerde culturele erfenis, moet het een mix van functies bieden, waaronder woningen, kantoren, lichte industrie, ambacht en groene ruimte. Het aantal hotels moet worden beperkt en verhuren door Airbnb is verboden. Winkels zijn voor zowel de inwoners als de toeristen, de huren moeten worden bevroren en de speculatieve verkoop van huizen aan banden gelegd. Ruimte boven winkels wordt herbestemd voor appartementen.

Daarnaast moeten publiekstrekkende bestemmingen, bijvoorbeeld een gebied dat in de eerste plaats voor jongeren bestemd is, over het hele centrum verspreid zijn of in een nevencentrum gelegen zijn.

De Heuvel, Tilburg

Dit plein – eigenlijk een driehoek – was decennialang de onbetwiste ontmoetingsplek van Tilburg, een weinig aantrekkelijke stad in Nederland. De populariteit van de plaats verdween nadat de iconische lindeboom omviel. Tien jaar geleden is een grondig renovatieproces gestart. In dit proces leverden burgers in eerste instantie ideeën, vervolgens hebben drie ontwerpbureaus deze ideeën gemodelleerd die in 3D-modellen werden gepresenteerd en werd burgers gevraagd om het beste te kiezen. Dit bleek het ontwerp van Buro Sant & Co[12] bleek te zijn. De plaats is omgeven door bomen en er zijn de gebruikelijke bedriegertjes, die hier reageren op wind en geluid. Door de renovatie is De Heuvel weer druk als vanouds.

https://www.santenco.nl/wp-content/uploads/2016/09/buro-sant-en-co-landschapsarchitectuur-de-heuvel-tilburg-plein-bank.jpg
De Heuvel in Tilburg. Foto: Buro Sant & Co.

Uitstekende verbindingen

De voorgestelde spreiding van activiteiten over verschillende typen publieke ruimtes vereist uitstekende onderlinge verbindingen en met de belangrijkste woongebieden. Bovendien zullen hotels en airbnb’s over de hele stad verspreid moeten zijn, in het bijzonder in de secundaire centra.

De inrichting van openbare ruimtes: de rol van technologie

De vraag is of er behalve hetgeen dat tot dusver is vermeld, aanvullende mogelijkheden zijn die de kwaliteit van de publieke ruimte kunnen verbeteren.

Een van de criteria van Jan Gehl voor levendige plekken is een multi-zintuiglijke ervaring. Steden moeten rond het lichaam en de zintuigen van de mens worden gebouwd om mensen optimaal van steden te laten genieten[13]. Zijn favoriete voorbeeld is Venetië, waar elke straathoek een nieuwe visuele, auditieve en geur ervaring biedt.

De ervaringen kunnen worden versterkt met technologie, zoals het adaptieve karakter van de fonteinen bij De Heuvel in Tilburg. De Nederlandse stad Enschede experimenteert met videoschermen die waarop door het programma KaleidOK, caleidoscopische beelden worden getoond die de aandacht van mensen trekken[14].

page45image763429360
Muurprojecties in openbare ruimtes. Bron: Veenstra, M .: Verbonden en verbindend. De openbare ruimte in de slimme stad. Lectorale toespraak, Enschede 2016[15]. Foto’s: Kimberley Warren.

Om de aantrekkelijkheid van openbare ruimtes te vergroten, is geen enkele oplossing bij voorbaat passend. Aantrekkelijke ruimtes ontwikkelen is een continu proces van experimenteren en observeren. In Eindhoven is het nachtleven geconcentreerd in Stratumseind, een bruisende wijk die af en toe het toneel is van vechtpartijen. Daarvoor waren al CCTV-camera’s en sensoren die geluid registreren geïnstalleerd. PhD-student Indre Kalinauskaite bracht talloze nachten door in Stratumseind ​​om de atmosfeer te observeren. Ze hoopte dat aangepaste verlichting de sfeer zou verbeteren en geweld zou verminderen[16]. De stad startte een experiment en voegde ook de geur van sinaasappels toe, maar de impact daarvan was beperkt[17]. Andere experimenten waren succesvoller. De ledverlichting in de stad dimt niet alleen als de straten leeg zijn, maar elke hoek van een plein kan een andere kleur krijgen[18]. Vooral blauwachtig licht lijkt mensen te kalmeren[19].

Ledverlichtingssysteem waarbij de verlichting individueel kan worden bediend. Foto: Serge van den Berg

Aantrekkelijkheid en de humane stad

Aantrekkelijke steden, centra, plaatsen of straten ontwerpen is een uitdaging voor elke stedenbouwkundige. Waarschijnlijk omdat zij de neiging hebben om zich te concentreren op esthetische criteria: Een goed ontworpen gebouw zal jarenlang aan hun naam worden verbonden. Esthetische criteria, samen met functionele vereisten, zijn noodzakelijk maar niet voldoende. Daarom benadrukken vertegenwoordigers van new urbanism dat burgers deel moeten uitmaken van het ontwerpproces. Niet ter vervanging van de architect, maar architecten moeten het gedrag van mensen goed begrijpen, zoals Jan Gehl onderstreepte.

Een andere auteur die genoemd moet worden als onderdeel van de zoektocht naar de ontwikkeling van de humane stad is Richard Sennett. Als socioloog heeft hij geen gebruiksklare ontwerp-oplossingen gemaakt. Maar in zijn boek Building and dwelling (2018) laat hij op ongeëvenaarde wijze de spanningen zien tussen de stad als fysieke ruimte, mede het resultaat van het werk van ontwerpers (‘ville’) en de stad als het geheel van haar bewoners met hun vele achtergronden (cité). Deze twee dimensies staan ​​op gespannen voet en de opdracht van de ontwerper is om mensen een meer centrale rol te geven in het ontwerpproces. In dit essay verwees ik naar ontwerpers die elk op hun eigen manier de kloof probeerden te overbruggen.

Het is niet wenselijk de intimiteit van publieke ruimte in het centrum van een stad op te offeren omdat er incidenteel behoefte is aan een locatie voor grote evenementen. Zo’n locatie kan ook een meer perifeer deel van de stad zijn, onder voorwaarde van uitstekende bereikbaarheid met het openbaar vervoer. Deze aanpak resulteert in het creëren van een verscheidenheid aan openbare plaatsen verspreid over de stad. Mits daar voldoende activiteiten plaatsvinden helpt dit ook om het aantal bezoekers en toeristen te spreiden.

Hieronder vat ik de essentie samen van een humane benadering de publieke ruimte. 


Principes voor een humane benadering van de publieke ruimte

1. Publieke ruimtes in hedendaagse steden vervullen verschillende functies. Deze functies zijn niet in dezelfde mate verbonden met dezelfde locatie, noch met dezelfde mensen. Om aan de behoefte aan publieke ruimte te voldoen, moet daarom een ​​verscheidenheid aan publieke ruimtes worden ontwikkeld, elk met zijn eigen functionele kenmerken.

2. De kwaliteit van het ontwerp van de publieke ruimte hangt af van het vermogen van de ontwerper om te anticiperen op de verwachtingen en het gedrag van de gebruikers van die ruimte. Daarom is observatie van gebruikers een essentieel onderdeel van het ontwerpproces. Hetzelfde geldt voor experimenteren.

3. Socialiseren is een van de belangrijkste functionaliteiten van publieke ruimten. Kleinschalige, intieme straten en pleinen voorzien voor de meeste mensen beter in deze behoefte dan grote ruimtes. Nog steeds domineren in de moderne stadsplanning grote bouwvolumes, grote pleinen en rechthoekige patronen, die tot op zekere hoogte dehumaniseren.

4. Om hoogwaardige publieke ruimtes te ontwikkelen, moeten stedenbouwkundigen, architecten, kunstenaars en burgers samenwerken, wat in de eerste plaats betekent dat degenen die professioneel betrokken zijn, luisteren naar degenen die persoonlijk betrokken zijn als gebruikers.

5. De meeste moderne stadscentra missen eenheid omdat ze het resultaat zijn het ontwerp van afzonderlijke gebouwen. Dit proces belemmert de ontwikkeling van publieke ruimtes, aangezien de omliggende gebouwen als vanzelfsprekend moeten worden beschouwd. De benoeming van een masterarchitect of -planner voor elk deel van de stad helpt dit probleem op te lossen.

6. Openbare ruimtes schieten vaak te kort door stapelen van te veel functionaliteiten, bijvoorbeeld zowel ruimte geven voor gezelligheid als voor grootschalige evenementen. In plaats daarvan resulteert het verspreiden van deze functionaliteiten over verschillende locaties in een meer gelijkmatige verdeling van inwoners en toeristen.

7. Openbare ruimtes gedijen vanwege een diversiteit aan zintuiglijke ervaringen. Smaakvolle en door het publiek gestuurde projecties, getinte verlichting en verlichting van gebouwen dragen bij aan dit doel, mits goed afgestemd op het primaat van de socialiserende functie.


[1] https://www.citylab.com/life/2019/05/beautiful-cities-economic-growth-data-beauty-premium/589480/

[2] https://www.researchgate.net/publication/320219253_Designing_Urban_Building_Blocks_around_Solar_Planning_Principles/figures?lo=1

[3] http://vaneesterenmuseum.nl/nl/de-tuinsteden/slotermeer-2/

[4] https://en.wikipedia.org/wiki/Urban_design?utm_medium=website&utm_source=archdaily.com

[5] https://medium.com/sidewalk-talk/commonsource-app-9b26a6ded800?mc_cid=39f121fad9&mc_eid=f9a985d7e5

[6] https://www.theguardian.com/travel/2018/aug/30/why-tourism-is-killing-barcelona-overtourism-photo-essay

[7]

[8] https://www.pps.org/about?utm_medium=website&utm_source=archdaily.com

[9] https://www.archdaily.com/927754/11-rules-to-follow-when-creating-vibrant-public-spaces?utm_medium=email&utm_source=ArchDaily%20List&kth=

[10] https://www.stadszaken.nl/ruimte/openbare-ruimte/2535/3-ontwerpprincipes-voor-een-socialer-plein?utm_source=Mailing+Lijst&utm_medium=email&utm_campaign=stadszaken-thema-07-02-2020

[11] https://mooiepleinen.nl

[12] https://www.santenco.nl/nl/portfolio_page/de-heuvel/

[13] https://www.archdaily.com/801431/jan-gehl-5-rules-for-designing-great-cities

[14] Veenstra, M., Wouters, N., Kanis, M., Brandenburg, S., te Raa, K., Wigger, B., & Moere, A. V. (2015). Should Public Displays be Interactive? Evaluating the Impact of Interactivity on Audience Engagement. In Proceedings of the 4th International Symposium on Pervasive Displays (pp. 15-21). ACM.

[15] https://www.saxion.nl/binaries/content/assets/onderzoek/smart-industry/smart-cities/003-1449-lectorale-rede-mettina-veenstra-digitale-versie-def_lr.pd

[16] https://www.saxion.nl/binaries/content/assets/onderzoek/smart-industry/smart-cities/003-1449-lectorale-rede-mettina-veenstra-digitale-versie-def_lr.pd

[17] https://www.rtlnieuws.nl/geld-en-werk/artikel/3878641/eindhoven-experimenteert-met-geur-en-licht-tegen-agressie

[18] https://www.theguardian.com/sustainable-business/sustainable-smart-lighting-systems-cities

[19] https://www.theguardian.com/sustainable-business/sustainable-smart-lighting-systems-cities

De stad van de commons

Dit artikel beantwoordt de vraag hoe buurten en steden bloeiende gemeenschappen kunnen worden, mede dankzij hun bewoners zelf.

Elinor Ostrom. Foto: Prolineserver 2010, Wikipedia / Wikimedia Commons onder licentie van CC-BY-SA 3.0

Maar weinig mensen willen actief betrokken zijn bij de politiek. Veel meer mensen zijn bereid om deel te nemen aan activiteiten om hun leefomgeving te verbeteren als verlengstuk van hun huis[1]. In plaats van te wachten op overheidsmaatregelen, zijn ze al op veel plaatsen begonnen met het openbare groen te onderhouden, een speeltuin aan te leggen en groenten en kruiden te kweken. Maar dit was maar het begin. Voormalige winkels worden hergebruikt om boeken en gereedschap uit te lenen. Zelfs gesloten voorzieningen als een zwembad worden heropend en geëxploiteerd door groepen vrijwilligers. Niet te vergeten, de vele energiecoöperaties die verantwoordelijkheid nemen voor de lokale energievoorziening. 

Wat is er gaande? 

In steden ontwikkelen zich de ‘nieuwe commons’, geïnspireerd door Elinor Ostrom (kopfoto), Nobelprijswinnaar in 2009 en schrijver van het baanbrekende boek Governing the Commons.


Steden van commons maakt deel uit van een reeks essays over hoe steden humaner kunnen worden. Dat betekent het vinden van een evenwicht tussen duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en kwaliteit van leven. Dit vereist vergaande keuzes. Zodra deze keuzes zijn gemaakt, is het vanzelfsprekend dat we slimme technologieën gebruiken om deze doelen te bereiken.


De essays die al zijn gepubliceerd, zijn hier te vinden.

  1. Inleiding: Steden in de toekomst: Vanzelfsprekend smart. Humaan als keuze
  2. De gezonde stad
  3. De veerkrachtige stad
  4. De klimaat-neutrale stad
  5. De veilige stad
  6. De goed-bestuurde stad
  7. De donut stad
  8. De kringloop stad
  9. De digitaal rechtvaardige stad
  10. De goed gevoede stad
  11. De stad van makers
  12. De eerlijke stad

De ‘new commons’, ook wel collective human agencycivil society of het maatschappelijk middenveld genoemd, groeit (opnieuw) uit als een derde macht tussen staat en markt. Bekijk een korte en inzichtelijke video die de betekenis van de eeuwenoude oude commons toelicht[2].

Dit artikel onderzoekt de hedendaagse commoning-beweging in drie stappen.

De eerste stap is het verkennen van de wereldwijde, snelgroeiende groep activiteiten, gericht op herstel van het sociale weefsel van kwijnende stedelijke gemeenschappen. Het voornaamste doel is het zelfvertrouwen van hun inwoners te versterken, hen gelukkiger te maken en de eerste stappen te zetten om samen hun leefomgeving te verbeteren. De tweede stap is dat groepen mensen samen verantwoordelijkheid nemen (of krijgen) voor de ontwikkeling en uitvoering van werkzaamheden in hun wijk. Voorbeelden van de ‘nieuwe’ commons zijn wereldwijd te vinden; alleen al in Bologna (Italië) zijn dat er honderden. Een voorzichtige derde stap is om de stad als één common te beschouwen. Deze stap kan uitgroeien tot een nieuwe vorm van stedelijke democratie. Maar zover is het nog lang niet.

De wedergeboorte van de gemeenschap

Op veel plaatsen in de wereld initiëren burgers samen uiteenlopende activiteiten, zoals incidentele straatafsluitingen om spel en samenzijn mogelijk te maken, een tuinfeest, taalcursussen voor migranten, bomen planten en nog veel meer. Mensen die dergelijke initiatieven nemen zijn van onschatbare waarde.

De continuïteit van deze activiteiten hangt sterk af van hun doorzettingsvermogen en daarom komt het maar al te vaak voor dat initiatieven na een enthousiaste start verwateren.

Een toegewijde groep mensen in het Verenigd Koninkrijk, geïnspireerd en geleid door Tessy Britton, heeft onderzocht hoe de continuïteit van dit soort activiteiten kan worden gewaarborgd. In 2010 werd een verzameling van 28 buurtprojecten over de hele wereld gepubliceerd in Hand Made[3], gevolgd door 12 edities van de Community Lovers Guide, met nog eens 150 inspirerende casestudies in een aantal steden[4]. Op basis van deze voorbeelden organiseerde de groep op verschillende plaatsen workshops om vast te stellen welke participatieve activiteiten aantrekkelijk waren voor uiteenlopende deelnemers. Deze workshops verschaften ook inzicht in de obstakels waarmee dergelijke projecten te maken krijgen en in de essentiële voorwaarden voor een succesvolle aanpak. Deze laatste bleken te zijn de aanwezigheid van professionele ondersteuning, zorgen voor een voldoende groot aanbod en laagdrempeligheid.

Voor de organisatie van de activiteiten en de ontwikkeling van een voldoende groot aanbod bleek dat er het beste twee afzonderlijke systemen konden worden gebouwd (figuur hieronder). 

Het ondersteuningsplatform en het participatieve ecosysteem. Bron: Year Two, Tools for Acting[5]

West Norwood (London Borough of Lambeth) bood gelegenheid om de zich ontwikkelende denkbeelden te testen door middel van een proefproject van 12 maanden, genaamd Open Works. Het projectteam co-creëerde samen met bewoners een twintigtal projecten, waaronder koken, uitwisselen van vaardigheden, parkaanleg, spelen en kinderopvang. Meer dan 1000 mensen zijn in de loop van het jaar betrokken geraakt bij een en vaak meer activiteiten. Het project als geheel werd gedetailleerd geëvalueerd in het boeiende verslag Designed to Scale [6]. Het ondersteuningsplatform en het participatieve ecosysteem bleken te werken. Een van de conclusies was dat setting up a participatory culture can be achieved through small-scale activities, only when a large diversity of actions is added by many people over time (pagina 196). Hier vindt u een korte beschrijving van Open Works[7].

De volgende stap was opschaling van het Open Works-project. De Oost Londense Borough of Barking en Dagenham (208.000 inwoners) werd de locatie voor het vijfjarige Project Every One Every Day, onder auspiciën van de nieuw opgerichte Participatory City Foundation [8]. Het project zal 250 deelprojecten ontwikkelen, die duizenden mogelijkheden bieden voor minstens 22.000 lokale bewoners om deel te nemen aan praktische en plezierige activiteiten in hun buurt. Deze korte video biedt een overzicht van het project Every One Every Day.

Het projectteam heeft onlangs een uitgebreid verslag gepubliceerd van de eerste twee jaar van hectische actie, een gratis te downloaden lezenswaardig boek van 400 pagina’s.

Deze projectevaluatie bevat een schat aan informatie en geeft een gedetailleerd overzicht van de praktijk, de methodologie, het lopende onderzoek en de tussentijdse resultaten[9]. De illustraties in het eerste deel van dit artikel zijn overgenomen uit dit boek en de verwijzingen naar paginanummers betreffen eveneens dit boek. Ik ben ervan overtuigd dat deze projecten tot de beste manieren horen om een humane stad te maken, afgezien van beleid dat armoede beëindigt. Ik ben het daarom volledig eens met Marc Stears, voorzitter van de Global Advisory Group van Every One Every Day, die schreef dat it is work like this which can save the world

Het eerste deel van dit artikel is gewijd aan de activiteiten van de Participatory City Foundation in Barking en Dagenham.


Great cook

/var/folders/5q/w0jt8kbx5vnc_mp7b36p_x480000gp/T/com.microsoft.Word/WebArchiveCopyPasteTempFiles/p6941

Buurtbewoners komen samen om lekkere en gezonde maaltijden te bereiden in een grote keuken. Daarna nemen ze porties mee naar huis. Iedereen kan suggesties doen wat er wordt gekookt en aanwijzingen geven. Op deze leren deelnemers een breed scala aan gerechten kennen. De deelnemers nemen zelf de benodigde ingrediënten mee. Dit populaire project heeft tal van variëteiten, zoals het maken van desserts en babymaaltijden, koken samen met hun kinderen en koken voor beginners. Na de sessies verdienen de deelnemers een certificaat voor hygiëne.


De gemeente Barking en Dagenham is een voorbeeld van het ‘nieuwe normaal’ in de buitenwijken van Londen:

Aanhoudende bezuinigingen op de gemeentelijke uitgaven, snel stijgende de vraag naar sociale en medische diensten, veel tienerzwangerschappen, huiselijk geweld, aantasting van het milieu, gebrek aan vertrouwen, oprukkend extreem rechts , afnemende sociale cohesie en ongekende demografische verandering. In 2001 was 89% van de bevolking blank Brits, tegen 2011 minder dan de helft. Tegelijkertijd plaatst de inclusieve groeistrategie van de gemeente de belangen van de bewoners consequent centraal, nadat de Labourpartij erin slaagde de macht over te nemen van extreemrechts.

Het participatieve ecosysteem

Het participatieve ecosysteem in Barking en Dagenham biedt al na twee jaar na de start duizenden mogelijkheden voor burgers om deel te nemen aan een breed scala aan activiteiten. De projecten zijn meestal gebaseerd op praktische activiteiten in groepsverband. Iedereen kan projectideeën voorstellen en meewerken aan de realisering ervan.

De meeste projecten vereisen weinig tijd en inzet en kosten weinig. Ze zijn meestal in de buurt en hebben concrete voordelen. Ze zijn gericht op behoeften van de deelnemers en nog meer op ontdekking en ontwikkeling van talent. Een aantal projecten wordt ‘tussen de lijnen’ kort beschreven. U vindt een uitgebreid overzicht van de projecten op pagina’s 272 – 401.


Open corners

/var/folders/5q/w0jt8kbx5vnc_mp7b36p_x480000gp/T/com.microsoft.Word/WebArchiveCopyPasteTempFiles/p6942

In dit project transformeren bewoners braakliggende stukken grond in groentetuinen, speeltuintjes, parkjes of veldjes om honden uit te laten. Het komt voor dat een groep mensen een stuk grond onder handen neemt en daarna het onderhoud blijft verzorgen, jaar na jaar. Het komt ook voor dat een aantal deelnemers elkaar helpt om voor elke deelnemer een eigen tuintje in te richten.


Het ondersteuningsplatform

Het ondersteuningsplatform bestaat uit 16 projectontwikkelaars en 12 personen die verantwoordelijk zijn voor de technische infrastructuur: winkels, werkplaats, veiligheid, verzekering, financiën, training en communicatie. In Barking en Dagenham zijn vijf ‘winkels’ (tussen 150 – 250 m2) waar bezoekers worden verwelkomd met een kopje thee en worden geïnformeerd over projecten. De winkels bieden werkruimte voor de medewerkers en ruimten voor bijeenkomsten.

/var/folders/5q/w0jt8kbx5vnc_mp7b36p_x480000gp/T/com.microsoft.Word/WebArchiveCopyPasteTempFiles/p6938

Veruit het grootste deel van de infrastructuur is ‘De werkplaats’, met een omvang van 3300 m2. Deze beschikt over een scala aan hulpmiddelen, ruimtes, machines en leermogelijkheden die toegankelijk zijn voor alle bewoners in Barking en Dagenham, ook degenen die niet deelnemen aan EveryOne Every Day. Voor groepsbijeenkomsten biedt de werkplaats uitstekende accommodatie.

/var/folders/5q/w0jt8kbx5vnc_mp7b36p_x480000gp/T/com.microsoft.Word/WebArchiveCopyPasteTempFiles/p6939
Onderzoek

Tijdens het tweede jaar zijn 160 deelnemers (van de 3200) geïnterviewd. Met behulp van de methode van grounded theory zijn negen individuele effecten voor de deelnemers (individual agency) vastgesteld: (1) zich welkom voelen, (2) zich geaccepteerd voelen, (3) vrienden maken, (4) vertrouwen opbouwen, (5) actief zijn, (6) leren, (7) creatief zijn, (8) vertrouwen ontwikkelen, en (9) zich gelukkig en optimistisch voelen

/var/folders/5q/w0jt8kbx5vnc_mp7b36p_x480000gp/T/com.microsoft.Word/WebArchiveCopyPasteTempFiles/p6935
Kader voor de resultaten. Bron:  Year Two, Tools to Act[10]

De interviews laten zien dat verreweg de meeste deelnemers een persoonlijke ontwikkeling hebben doorgemaakt. Het lijkt er ook op de deze persoonlijke ontwikkeling op een zevental terreinen de deur opent naar collectieve verandering (collective agency) althans bij degenen die herhaaldelijk aan activiteiten deelnemen. Deze terreinen zijn: (1) geestelijk en lichamelijk welzijn, (2) gezinnen en jongeren, (3) leren en de buurt, (4) leren en werken, (5) cohesie en nabuurschap, (6) collectief handelen en (7) milieu.


Collaboratieve bedrijfsprogramma’s

Projecten zoals Pantry en Bowls zijn voorbeelden van gezamenlijke catering activiteiten. Dit soort programma’s biedt de mogelijkheid om relevante vaardigheden te verwerven en de ideeën om een bedrijf op te zetten onmiddellijk gezamenlijk te testen. In het geval van Bowls bieden de deelnemers schalen met uiteenlopende gerechten aan op straatmarkten en festivals.

Onderstaande afbeelding geeft een overzicht van de opzet van het leerproces. Aan het einde daarvan beschikken de deelnemers weliswaar nog niet over voldoende vaardigheden om een ​​eigen bedrijf te starten, maar ze hebben de smaak te pakken en slagen snel voor een cursus van de Kamer van Koophandel.

/var/folders/5q/w0jt8kbx5vnc_mp7b36p_x480000gp/T/com.microsoft.Word/WebArchiveCopyPasteTempFiles/p6936
Visualisatie van de vier fasen in een programma voor bedrijfsontwikkeling. Bron: Every One Every Day Year Two, pagina 122

Naast bovenstaande resultaten is tevens een aantal onderzoeksvragen beantwoord met betrekking tot het project als geheel:

1. Er is overtuigend bewijs dat de systeembenadering voor de ontwikkeling van grootschalige participatie werkt. Zoals bedoeld, is het participatieve ecosysteem sneller gegroeid dan het ondersteuningsplatform.

2. Het is overtuigend bewezen dat de activiteiten een overbruggende functie hebben in de gemeenschap en dat deelnemers representatief zijn voor de bevolkingsopbouw van de gemeente, met uitzondering van een oververtegenwoordiging van vrouwelijke deelnemers. Iedereen voelt zich welkom en geaccepteerd.

3. Door het realiseren van individuele en collectieve doelen creëert het project waarde voor de gemeenschap als geheel. Tegelijkertijd behoedt het bewoners voor isolatie, angst, ziekte en dergelijke, wat uiteindelijk resulteert in kostenbesparing voor de gemeente.

4. Ondanks zijn korte bestaan is het project inmiddels een integraal onderdeel van de sociale infrastructuur van de gemeente geworden, wat resulteert in co-creatie van activiteiten met overige instanties.

5. Beter inzicht in de essentie van de participatieve benadering vormt een uitgangspunt voor het testen in andere steden, die aangeven graag samen te werken om hun eigen lokale platforms te bouwen. Voorkomen moet echter worden dat ‘externe’ informatievoorziening en scholing afleiden van de realisering van het hoofddoel van het project.

Een gedetailleerd overzicht van alle onderzoeksmethoden, vragen en resultaten is te vinden op p. 192 -271.


Trade School

Trade School is een ruimte om te leren, gebaseerd op ruilen.  Deelnemers wisselen kennis en vaardigheden uit waar ze in geïnteresseerd of bekwaam in zijn. Het is een laag drempelachtige manier om kennis en vaardigheden te delen. Het is ook een manier waarop mensen in een vroeg stadium ideeën voor een eigen bedrijf kunnen testen of bespreken. Een variatie is de Kids Trade School. Hier zijn kinderen de presentatoren en volwassenen de luisteraars.

/var/folders/5q/w0jt8kbx5vnc_mp7b36p_x480000gp/T/com.microsoft.Word/WebArchiveCopyPasteTempFiles/p6989

Uitdagingen

Met nog drie jaar te gaan, staat het project ook voor uitdagingen, die tevens relevant zijn voor de overname van het gehanteerde model elders:

1. Het ondersteuningsplatform dat nog slechts bescheiden zal groeien, moet een werkbare aanpak vinden om een exponentiële groei van het participatieve ecosysteem mogelijk te maken. Het antwoord zal komen van standaardisatie, dalende investeringen in de ontwikkeling van nieuwe activiteiten, een groeiend aantal ervaren gebruikers en coproductie.

2. In het tweede jaar zijn enkele activiteiten gestart die afwijken van de eerdere ervaringen, bijvoorbeeld samenwerking met andere groepen en bedrijfsprogramma’s. In de toekomst zullen andere meer afwijkende activiteiten ontstaan. Het is daarbij van het grootste belang om de basisprincipes van het ontwerp te handhaven, bijvoorbeeld met betrekking tot inclusiviteit.

3. De werklast binnen het ondersteuningsplatform kan ten koste gaan van de evaluatie van de projecten en van leren en ontwikkeling van de medewerkers. Daarom moeten activiteiten waarvoor effectieve routines bestaan worden gestandaardiseerd, terwijl voor nieuwe activiteiten de benodigde investering in tijd en in teamleren moet worden gegarandeerd.

4. Oorspronkelijk waren de deelnemers betrokken bij de formele besluitvorming over projecten. Ondanks frequente pogingen werden vergaderingen slecht bezocht, waren ze ineffectief en soms frustrerend. Daarom werd overgeschakeld naar meer gedistribueerde besluitvorming, waarbij deelnemers zich ‘gaandeweg’ op een meer organische manier kunnen uitspreken. Het is nog te vroeg om het welslagen van deze maatregel te beoordelen, maar teamleden lijken er blij mee te zijn.

5. Gezien het veeleisende werk en de bereidheid van de teamleden om aan deze eisen te voldoen, moeten ze worden ook beschermd tegen burn-out, door hen af en toe vrij te stellen van intensieve persoonlijke interacties.

6. Zeker gezien de verharding in de politieke arena moet het project alleen samenwerken met partners die sleutelwaarden zoals cohesie, inclusiviteit en gelijkheid ondersteunen.

7. Het project moet van tijd tot tijd de toekomst op lange termijn onder ogen zien, na afloop van de experimentele periode.

Projectdiffusie

De overtuiging bestaat dat het participatieve model in essentie overal kan worden toegepast. Dit inzicht is gebaseerd op een ervaring van tien jaar, waarvan drie jaar grootschalig experimenteren in de praktijk (Open Works en Every One Every Day). Daarbij moet aan enkele voorwaarden worden voldaan, zoals breed gevoelde urgentie en bereidheid bij de gemeente om participatieve projecten en een ​​professionele projectorganisatie te financieren.

De diffusie van participatieve methoden is een hoofddoel van de Participatory City Foundation. Daarom heeft het de Here and Now School voor Participatory Systems and Design opgericht, dankzij een subsidie ​​van Bloomberg Philanthropies. De school is van plan een uitgebreid leertraject aan te bieden, inclusief leerhulpmiddelen en online bronnen, om teams uit uiteenlopende steden voor te bereiden op het initiëren van vergelijkbare projecten. Ervaren ontwikkelaars zullen de rol van tutor op zich nemen.

/var/folders/5q/w0jt8kbx5vnc_mp7b36p_x480000gp/T/com.microsoft.Word/WebArchiveCopyPasteTempFiles/p6937
Het implementatietraject voor geïnteresseerde stadsteams (pagina 148)

Gedurende twee jaar hebben ongelooflijk veel activiteiten plaatsgevonden en veel inwoners zijn regelmatige deelnemers geworden en geven aan dat hun leven is veranderd.

De kritieke factor in het overduidelijke succes is de aanwezigheid van een kleine professionele groep, wiens hoofdtaak is het initiëren en ondersteunen van lokale initiatieven en die ook zorgt voor contacten met de lokale autoriteiten en andere instanties.

De nieuwe commons

De tweede groep projecten die hierna aan de orde komt, legt de nadruk op een gezamenlijke aanpak van problemen in de leefomgeving. Hier beginnen sociale en politieke participatie te versmelten. In de ‘nieuwe commons’ worden burgers ontwerpers, managers en gebruikers: Aanleg van groene gebieden, een leegstaand huis ombouwen tot betaalbare eenheden voor studenten, ouderen of migranten, exploiteren van een minibusdienst en nog veel meer.

Zoals Christian Iaione schrijft: Maybe we are entering the ‘CO era’, where keywords seem to be community, cooperation, cooperation, communication, commons, co-design, co-production, co-management, co-housing, sharing … Remember all these words mean creating, living and growing together[11].


Repair Café (binnen en buiten Nederland)

Veel nuttige producten zoals kleding, textiel, speelgoed, fietsen, meubels en huishoudelijke apparaten worden als afval weggegooid omdat de meeste mensen niet over de vaardigheden en hulpmiddelen beschikken om deze te repareren. Er zijn echter mensen die wel over die vaardigheden en hulpmiddelen beschikken. In 2009 organiseerde Martine Postma het allereerste Repair Café in Amsterdam om beide groepen met elkaar te verbinden. Nu zijn 1000 Repair Café-groepen actief in 25 landen. Gemiddeld komen deze eenmaal per maand samen, waarbij ongeveer 25 reparaties worden uitgevoerd, wat neerkomt op meer dan 200.000 producten per jaar.

De starterkit van de Repair Café Foundation kan worden gekocht voor een vrijwillige donatie[12].

page173image3806912
Repair café in actie. Foto: Ilvy Njiokiktjien. Licentie onder: CC BY-SA 3.0

In Europa bestond het recht op gemeenschappelijk grondgebied of andere hulpbronnen al in de middeleeuwen en het was, zoals Peter Linebaugh in zijn boek The Magna Carta Manifesto schrijft, ook vastgelegd in de Amerikaanse grondwet[13]. Commons zijn gebaseerd op het recht om grond of een andere duurzame hulpbron te gebruiken, zonder deze als collectief eigendom te beschouwen[14], laat staan ​​om individuen gelegenheid te geven er geld aan te verdienen. Of met de woorden van Tine de Moor: In a world where markets and the state have reached their limits to manage resources in a sustainable way, society is increasingly focusing on joint resource management.

Het concept van commons heeft drie dimensies:

  1. De common pool van natuurlijke of door de mens gemaakte hulpbronnen;
  2. Het common-property regime, verwijzend naar iets tussen privaat en publiek eigendom;
  3. De common pool-setting die is opgezet om de gebruikers te organiseren.

Het baanbrekende artikel The City as a Common van Sheila Foster en Christian Iaione, gepubliceerd in de Yale Law & Policy Review in 2016[15], beschrijft de oorsprong van het begrip commons en benoemt de overeenkomsten en verschillen tussen de zienswijze van Elinor Ostrom en die van hedendaagse auteurs over stedelijke commons. 


Community Land Trust (Londen en vele andere steden)

Community Land Trusts (CLT’s) zijn gebaseerd op gescheiden eigendom van grond en huizen. De ‘Trust’ houdt de grond permanent in eigendom terwijl de huiseigenaar het huis bezit en eventuele verbeteringen initieert. Een huis verkopen is strikt gereguleerd.

In de VS zijn ongeveer 250 CLT’s actief. Steden ondersteunen deze steeds meer omdat ze effectief zijn in het uitbreiden van betaalbare woningen[16]. De London Community Land trust heeft het pand van het voormalige St. Clement’s Hospital gerenoveerd tot een gebied met 252 nieuwe woningen, die ongeveer een derde van hun open marktwaarde worden verkocht (sic!) [17].

De grootste CLT in de VS is Champlain Housing Trust van Vermont en houdt toezicht op 565 koopwoningen plus 2.200 huurappartementen.

page149image3901888
John Denham-gebouw. St. Clements’s Hospital Londen. Foto: diamant geezer. Onder licentie van CC BY-NC-ND 2.0

Ostrom’s ontwerpregels voor commons (zie hiernaast) waren bestemd voor hechte gemeenschappen (principe 1), gekenmerkt door sociale controle en sanctionering (principes 5 en 6) waardoor dezelfde personen zowel de plicht hadden om de regels te gehoorzamen als deze te handhaven (principe 3). Deze principes hebben hun waarde al eeuwen bewezen in het beheer van gedeelde schaarse, hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen zoals rivieren, meren, visserij en bossen. Steden zijn wat we ‘geconstrueerde commons’ kunnen noemen, het resultaat van langdurige sociale processen en institutioneel ontwerp. Het proces van het bouwen van commons – wat sommigen ‘commoning’ noemen – vereist daarom samenwerking tussen verschillende soorten actoren om gedeelde, gemeenschappelijke goederen en diensten te ontwerpen en te produceren, gegeven een al sterk gereguleerde, complexe en omgeving. Voor het gebruik in stedelijke omgevingen zijn de erkenning door hogere autoriteit (principe 7), het belang van diverse lagen (principe 8), het bestaan ​​van regelingen voor collectief bestuur (principe 3) en de aanpassing van hulpbronnen aan lokale omstandigheden (principe 2) het meest relevant[19].

Om de principes voor urban commons verder aan te scherpen, heeft het LabGov (Laboratory for the Government of Commons) een dataset gebouwd. Tot op heden zijn 187 steden in kaart gebracht, met 543 casestudy beschrijvingen en 95 casestudy analyses[20]. De casestudy’s zijn afkomstig uit de hele wereld en omvatten onder meer Seoul (Zuid-Korea), San Francisco (VS), Madrid en Barcelona (Spanje), Athene (Griekenland), Nairobi (Kenia), Medellin (Colombia).

Deze dataset biedt overvloedige mogelijkheden voor vergelijkende studies. Michael Bouwens heeft bijvoorbeeld 40 casestudies geanalyseerd om een ​​significant verschil te vinden tussen ‘commoning’ in ontwikkelingslanden en ontwikkelde landen[21].

De meer dan 400 energiecoöperaties in Nederland illustreren dat veel burgers niet geheel afhankelijk willen zijn van openbare diensten[22]. In deze coöperaties zijn buurtbewoners tegelijkertijd producenten en verbruikers van energie en zijn ze verantwoordelijk voor de opslag en de verhandeling van het overschot aan energie.


Energiecoöperaties (Lombok, Nederland)

Bijna 10 jaar geleden begon een aantal inwoners uit Lombok, een wijk in Utrecht, daken van huizen, scholen en andere gebouwen te bedekken met zonnepanelen. Door deze bronnen met elkaar te verbinden, werd een klein ‘virtueel’ energiebedrijf opgericht dat momenteel 3.000 huishoudens bedient. In 2014 werd een smart grid uitgerold. Een slim net is een gedeeltelijk geïsoleerd deel van het hoofdnet waarin lokaal geproduceerde elektriciteit wordt gedistribueerd, opgeslagen en uitgewisseld met het hoofdnet. Apparaten in huishoudens die energie produceren (zonnepanelen) en energie gebruiken en opslaan (elektrische auto’s en ketels) kunnen vanuit een centraal punt worden geregeld om vraag en aanbod in evenwicht te brengen. Dit is volledig geautomatiseerd en wordt beheerd door software [23].Onlangs heeft de buurt 20 elektrische auto’s beschikbaar gesteld voor energieopslag en ook voor autodelen.


Veel van deze projecten zijn gedocumenteerd in een fascinerend boek, uitgegeven door Sharable, waarin deze experimenten uitgebreid worden beschreven. De voorbeelden ‘tussen de lijnen’ in deze sectie met betrekking tot de reparatieworkshops, de Community Land Trusts, het hergebruik van lege kavels in New York City en het Miethäuser Syndikat komen uit dit boek, dat gratis kan worden gedownload[24].

Op basis van de casestudies heeft het al genoemde LabGov de acht ontwerpregels van Elinor Ostrom geherformuleerd in vijf ontwerpregels die specifiek van toepassing zijn op commons in stedelijk gebied[25].

Principe 1: Collectief bestuur verwijst naar de aanwezigheid van een multi-stakeholder governance-model waarbij de gemeenschap samenwerkt met ten minste drie verschillende stedelijke actoren.

Principe 2: De overheid vervult de rol van enabling state bij het faciliteren van de vorming van stedelijke commons en het ondersteunen van collectieve arrangementen voor het beheer en het voortbestaan ervan.

Principe 3: Stedelijke commons kennen uiteenlopende vormen van social and economic pooling die tot stand komen door middel van samenwerking tussen uiteenlopende typen actoren in de stedelijke omgeving.

Principe 4: Het vormgeven van de juridische processen en de instellingen die stedelijke commons beheren door middel van een adaptieve en iteratieve experimentele benadering.

Principe 5: Technologie ondersteunt de ontwikkeling van stedelijke commons en samenwerking in het algemeen en vereist technological justice welke inhoudt brede toegankelijkheid, de aanwezigheid van digitale infrastructuur en open gegevensprotocollen. 

De volgende fase: de Co-city

Elke stad die het aantal commons projecten ziet groeien, zal hiervan profiteren zonder dat ze haar bestuurlijke organisatie hoeft wijzigen. Op termijn kan dit echter wel wenselijk zijn om het bestuur effectiever te maken en de democratie verdiepen[26]. Om deze reden sta ik stil bij het commoning proces in Bologna (Italië).


596 Acres (New York City)

In elke stad, met name in gebieden met lage inkomens, zijn er honderden braakliggende kavels. Eén daarvan was in de wijk van Paula Segal in Brooklyn. Ze organiseerde een buurtvergadering, die uiteindelijk resulteerde in Myrtle Village Green, een gebied van een halve hectare met bloembedden, een open-lucht bioscoop, en een educatieve boerderij.

Ze stopte hier niet en ontdekte dat er 250 hectare braakliggend land in eigendom van de gemeente wacht op hergebruik en kort daarna was 596 Acres was geboren[27]. Ze verzamelde informatie over de kavels en plaatste borden op de hekken van lege kavels in de stad met zeggen: “Dit land is van jullie” en voorts met aanvullende informatie wie inlichtingen kan verschaffen. Zij ondersteun initiatiefnemers bij hun tocht door bureaucratische doolhoven.

Inmiddels zijn 39 percelen in gebruik genomen. Aan een veelvoud hiervan wordt nog gewerkt. In een tiental steden over de hele wereld, waaronder Philadelphia en Melbourne, wordt een vergelijkbare strategie gevolgd.

In 2011 is Bologna begonnen met commons een formele status te geven. Het belangrijkste instrument daarbij zijn samenwerkingspacts. Deze zijn gebaseerd op een verordening, die hier kan worden gelezen[28]. In elk pact leggen stadsbestuur en de betrokken partijen (informele groepen, NGOs, scholen, bedrijven) afspraken vast over de werkzaamheden, verantwoordelijkheden en bevoegdheden binnen de desbetreffende common. Sinds de goedkeuring van de verordening zijn honderden pacten getekend. De stad als biedt wat de burgers nodig hebben – geld, materiaal, huisvesting, advies – en de burgers stellen hun tijd, vaardigheid en organisatievermogen ter beschikking.


Mietshäuser Syndikat (MHS) in Duitsland

Het Mietshäuser Syndikat helpt initiatieven voor collectieve huisvestingsprojecten bij het overwinnen van problemen in de startfase : Omgaan met juridische kwesties, financiën en groepsdynamiek. Elk nieuw initiatief wordt beschouwd als een zelfstandige onderneming die het onroerend goed bezit. Alleen projecten die door de beoogde bewoners worden opgezet kunnen lid worden van het MHS. Bovendien moeten de initiatiefnemers van een nieuw project beloven in de toekomst nieuwe initiatieven helpen van de grond te komen. Sinds 1983 is het netwerk gegroeid naar 111 projecten met in totaal ongeveer 3.000 bewoners[29].

In Nederland heeft de stichting Stad in de Maak vergelijkbare doelstellingen als het Miethäuser Syndikat[30].

/var/folders/5q/w0jt8kbx5vnc_mp7b36p_x480000gp/T/com.microsoft.Word/WebArchiveCopyPasteTempFiles/grethagelande.jpg
Grethergelande, Freiburg, het eerste project van het Mietshäuser Syndikat. Foto: Mietshausersyndikat.

In 2015 werd een nieuwe fase ingeluid, het CO-Bologna-proces, met als doel de stap te zetten van de groei van stedelijke commons naar de ontwikkeling van de stad als een common. De stad wordt dan gezien als een netwerk van commons, de besluitvorming wordt dan sterk gedistribueerd (of gedeconcentreerd) en het aantal centraal te regelen verantwoordelijkheden wordt beperkt[31]. Doel is op de lange termijn de bestuursvorm te transformeren naar een institutioneel ecosysteem op basis van delen, samenwerken en polycentricisme[32]. Ik stel me voor dat als er in alle wijken commons komen die verantwoordelijk zijn voor het openbaar groen, het gemeentebestuur zich kan beperken tot het maken van en toezien van de afspraken daaromtrent. Los van de vraag hoe wenselijk dit zou zijn. 

Een eerste stap was het creëren van zes districten als aanvulling op de rol van het stadsbestuur. Dit lijkt nog niet op de wenselijk geachte deconcentratie van taken, verantwoordelijkheid en bevoegdheden, maar de afstand tussen burgers en commons wordt er in welk geval kleiner door. Na deze hervorming werden zes laboratoria opgericht, één in elk district, om verbindingen tussen de lokale overheid en burgers verder te versterken.


Stadslabs

Stadslabs komen op veel plaatsen voor. Bijzonder voor Bologna dat ze op buurtniveau zijn georganiseerd en een directe relatie hebben de bestaande en toekomstige commons. Het Delftse Design Lab Participatory City Making sluit nier nauw bij aan. Het verenigt twee methodische ingangen: Transitie studies en design thinking. Net als elders doorlopen de deelnemers een workshop gewijd aan een concreet project, waarbij speciale aandacht is voor jongeren die vaak wat onwennig tegenover dit soort initiatieven staan. Het resultaat van de workshops is toegenomen handelingsbekwaamheid én -bereidheid om in stadsontwikkelingsprojecten te participeren. Het is dus belangrijk dat er een rechtstreekse relatie is tussen een stadslab en concrete projecten. In Bologna is dat in elk geval geen probleem (ontleend aan op een artikel van Ingrid Mulder, directeur van het Delftse stadslab in het Tijdschrift voor Positieve Psychologie, februari 2020)


Het Civic Imagination Office is een ander project om burgerparticipatie te stimuleren en tevens een participatief budgetteringsproces organiseert. Ten slotte, werd IncrediBOL! opgericht dat creatieve startups ondersteunt door ruimten in de stad ter beschikking te stellen, geld te verstrekken en advies te verlenen[33]. Incredibol! heeft bijvoorbeeld een verlaten markt omgevormd tot de Mercato Sonato, een multifunctionele ruimte die klassieke muziek toegankelijker maakt voor bewoners.

De nieuwe regelgeving en de bijbehorende infrastructuur hebben geleid tot een golf van nieuwe commons, die een merkbare invloed hebben op het openbare leven.  Er zijn inmiddels 480 pacten getekend, waaronder het schoonmaken van 15.000 vierkante meter stadsmuren en de renovatie van 110 stadsbanken en de herinrichting van openbare ruimtes.

Een korte video geeft een indruk van de ontwikkeling van het Co-city-proces tot nu toe. Het heeft geresulteerd in veel relatief kleinschalige processen en een beter werkbaarder relatie met de overheid. Vanwege de vele door de burger geïnitieerde activiteiten werd Bologna in 2018 Winnaar van de Engaged Cities Award.

Bologna heeft duizenden burgers in staat gesteld om co-maker van de stad te worden. De stad is een voorbeeld geweest voor veel andere steden binnen en buiten Italië.

Bovendien was het niet de enige stad die burgers meer macht toekende. Een paar voorbeelden[34]:

In Athene is SynAtina vanaf 2013 ontwikkeld als een online-platform waarmee burgers hun activiteiten in kaart kunnen brengen, evenementen kunnen aankondigen, ideeën kunnen indienen voor verbeteringen in de stad en contact kunnen leggen met vrijwilligers en financiers. Tot nu toe (februari 2020) werden 4073 projecten gepost op SynAthina door meer dan 443 zelfgeorganiseerde burgergroepen.

In Brazilië heeft Porto Alegre zich ontwikkeld tot een van de koplopers van participatieve budgettering. Het proces volgt een jaarlijkse cyclus. In april en mei burgers bijeen om prioriteiten te stellen. In mei en juli leggen assemblees prioriteiten vast en deze kiezen afgevaardigden om de financieringsaanvragen te beoordelen. Ongeveer 50.000 inwoners beslissen (van de 1,5 miljoen inwoners) hoe ongeveer $ 200 miljoen jaarlijks wordt toegewezen. Na de invoering van participatieve budgettering worden meer middelen toegewezen aan gezondheid en sanitaire voorzieningen. Het aanvankelijke succes van participatieve budgettering in Porto Alegre heeft wereldwijd op 1500 andere plaatsen navolging gekregen. Door verandering van de politieke prioriteiten is de rol van participatieve budgettering in Porto Alegre inmiddels sterk verminderd.

In Zuid-Korea heeft Seoul de Metropolitan Government Ordinance on the Promotion of Sharing[35] gelanceerd met als doel gezamenlijk gebruik van hulpbronnen te maximaliseren, gemeenschapsgevoel te versterken en de regionale economie te ondersteunen. Organisaties die van plan zijn sociale problemen aan te pakken met behulp van ‘delen’ kunnen fondsen aanvragen en waar nodig openbare voorzieningen gebruiken tegen een lagere vergoeding om het algemeen belang te dienen[36].

Het hart van de ‘sharing city’ Seoul is ShareHub, een online platform dat gebruikers verbindt met deelactiviteiten. Na bijna vijf jaar te hebben bestaan is ShareHub miljoenen malen bezocht en het heeft een sleutelrol gespeeld bij het promoten van beleid, projecten en cultuur voor delen in Seoul[37].

Co-steden: nog steeds een brug te ver?

Iedereen die de Co-city-website bezoekt zal onder de indruk zijn van het grote aantal voorbeelden van commoning in meer dan honderd steden. Hetzelfde geldt voor de eerder vermelde publicatie van Sharable. Wereldwijd zijn duizenden burgers betrokken bij projecten, variërend van de aanpassing van een lege school tot het opzetten van een lokaal netwerk van stadsboeren. Commons groeien hard, maar het concept van de stad als common is nog in een beginstadium. Het groeiende aantal commons heeft in essentie de organisatie van het stedelijk bestuur nog niet veranderd. Weliswaar decentraliseerde de stedelijke organisatie in Bologna en werd de overheid gevoeliger voor de behoeften en wensen van burgers. Maar nergens is ‘het stadhuis’ vervangen door een gedistribueerd netwerk van stadshuizen, zoals Christian Iaione bepleit. 

Ook Iaione is realistisch en hij onderscheidt vier stadia waarlangs de stad als common zich langzaam zou kunnen ontwikkelen[38]:

  1. Delen en deelnemen: Het gezamenlijk gebruik van beschikbare middelen, wat in essentie gebeurt in Barking en Dagenham;
  2. Samenwerking bij het creëren en beheren van middelen, wat kenmerkend is voor de meeste voorbeelden van commoning die tot nu toe zijn besproken;
  3. Coöperatie, gebaseerd op een zekere mate van taakverdeling en institutionalisering, bijvoorbeeld een groep ondernemers in Bologna die een winkelcentrum revitaliseren;
  4. Poly-centriciteit, vormgeven van het stadsbestuur als een vorm van coördineren van commons en coöperaties en beheer van centrale taken zoals politie.

Op dit moment is het eerste en tweede stadium volop in ontwikkeling en komen er steeds meer voorbeelden van commoning op het derde niveau. Het vierde niveau bestaat nog nauwelijks en komt niet zonder meer overeen met decentralisatie.

/var/folders/5q/w0jt8kbx5vnc_mp7b36p_x480000gp/T/com.microsoft.Word/WebArchiveCopyPasteTempFiles/p6988
Gecentraliseerde, gedecentraliseerde en gedistribueerde systemen. Bron: Silke Helfrich: Imagining the (R) Urban Commons[39]

Naar mijn mening kunnen veel steden een voorbeeld nemen aan de ontwikkelingen in Bologna.

De stedelijke overheid faciliteert al jaren de groei van commons; ze heeft haar organisatie aangepast van centralistisch naar gedecentraliseerd. De ontwikkeling van een gedistribueerd (polycentrisch) alternatief wordt beschouwd als een organisch proces dat bottom-up tot ontwikkeling kan ontwikkelen.

Commoning en de humane stad

Participatie, samenwerking, coöperatie en gedistribueerde overheid zijn gebaseerd op het idee van het delen van goederen, ruimte, grondstoffen en macht, zoals Duncan McLaren en Julian Agyeman in hun baanbrekende boek Sharing Cities (2015) benadrukken. In het eerste hoofdstuk schetsen ze de deelscène in San Francisco die het laatste decennium is ontstaan ​​als een alternatief voor bezit.

De idealistische droom van het delen van auto’s, appartementen en meer werd uiteindelijk werkelijkheid in kapitalistische ondernemingen genaamd Airbnb, Uber en Lyft.

Of zoals beschreven in de genoemde publicatie van Sharable: Sharing Cities: Activating the Urban Commons (p. 30): After billions of dollars in venture capital began to flow into these once fragile and communitarian-minded startups, the concept of sharing became a moral coverage for a particularly aggressive expansion of business as usual[40].

Er gebeurde iets dat de initiatiefnemers eigenlijk niet leuk vonden, al zijn ze er miljardair door geworden. 

Achteraf gezien is er een verkeerde vorm van institutionalisering gekomen.

Het alternatief? Denk aan een stel burgers die hun appartementen delen om betaalbare vakanties mogelijk te maken. Om de snelle wereldwijde groei van belangstellenden te beheren, hebben ze wat personeel in dienst genomen en gekozen voor een coöperatieve organisatie zonder winstoogmerk. Dit beleid houdt de prijzen laag in plaats van miljarden weg te laten stromen naar het management en de aandeelhouders. Een ander voorbeeld? Een collectieve betaalbare taxi service, met goed betaalde chauffeurs ook in het bezit van de gebruikers. 

In beide gevallen nogal afwijkende vormen van institutionalisering dan die van Airb&b, Uber en Lyft, maar met behoud van de oorspronkelijke geest van delen.

Gezien de voordelen voor de samenleving van delen, is de Californische manier om dit te doen ontspoord: Een gemeenschappelijke dienst van en voor de gebruikers ervan is veranderd in een particulier bedrijf opereert ten bate van enkelen.

Helaas kunnen alle gedeelde of gemeenschappelijke activiteiten die succesvol zijn en beginnen met het genereren van financieel voordeel op dezelfde manier ontsporen zodra de financiële waarde voor enkelen de oorspronkelijke waarde voor de deelnemers verdringt. In dit geval verliezen ze hun humaniserend potentieel. Commoners moeten waakzaam zijn en zorgen dat de deelnemers beslissingsrecht houden, eventuele opbrengsten delen en in de eerste plaats blijven profiteren van de voordelen van de gedeelde activiteit, welke dat ook is.

Hieronder vat ik samen hoe de principes van delen, commoning en samenwerken ertoe bijdragen dat een stad humaner wordt.


Acties om principes van goed delen, commoning en samenwerking in overeenstemming te brengen met de ontwikkeling van een humane stad.

1. De beste bijdragen om de sociale structuur in buurten nieuw leven in te blazen, komen van de burgers zelf. Om deze te doen ontkiemen en te zorgen voor continuïteit en een breed aanbod is professionele ondersteuning geboden. 

2. Buurtprojecten bedoeld om de onderlinge omgang van bewoners te doen vergroten zijn bij voorkeur gebaseerd op praktische activiteiten zoals koken, leren, maken, repareren; altijd in een veilige, gastvrije en vriendelijke omgeving. Deelname aan projecten is laagdrempelig. Ze zijn meestal in de buurt van mensen thuis en hebben tastbare voordelen.

3. Personen die vaker aan dit soort projecten deelnemen voelen dat ze sterker worden en dit proces draagt ​​ook bij aan een groter groepsbewustzijn (sociaal kapitaal), wat gunstige effecten heeft voor de buurt als geheel.

4. Het heeft geen zin om te proberen de politieke participatie van met name de armste burgers te vergroten. Een veel grotere groep kan echter worden gemobiliseerd en is bereid betrokken te zijn bij activiteiten die op een duurzame manier de (sociale) infrastructuur van de buurt verbeteren. Dit kan een eerste stap zijn in de richting van vormen van politieke participatie.

5. Stedelijke commons moeten duidelijke regels opstellen met betrekking tot hun taken, het toezicht op deze taken en hun uitvoering en de manier waarop burgers de controle houden.

6. Zodra burgerinitiatieven volwassen worden, kunnen ze het beste worden georganiseerd in de traditie van ‘commons’, waarbij er duidelijke afspraken nodig zijn tussen burgers, marktpartijen en de overheid.

7. Het feit dat burgerinitiatieven gericht op het bouwen of verhuren van huizen de prijzen aanzienlijk kunnen verlagen, is een teken aan de wand voor de beperkte mogelijkheden van de markt om te handelen in het belang algemeen belang.

8. In steden is ruimte voor duizenden commons-achtige activiteiten. Zodra hun aantal een bepaalde drempel overschrijdt, moet het stadsbestuur overwegen zijn structuur aan te passen en verantwoordelijkheden bevoegdheden te delegeren.

9. De groei van het aantal burgerinitiatieven kan op de lange termijn resulteren in een meer gedeconcentreerde en genetwerkte vormen van stedelijk bestuur.


[1] http://hermanvandenbosch.com/2017/10/04/smart-cities-1-0-2-0-3-0-whats-next/

[2] https://thenextsystem.org/commoning-as-a-transformative-social-paradigm

[3] https://www.blurb.com/b/1541053-hand-made

[4] http://www.communityloversguide.org

[5] http://www.participatorycity.org/tools-to-act

[6] https://drive.google.com/file/d/0B28SOnHQM5HVV0pyT2p1NGNvQk0/view

[7] http://hermanvandenbosch.com/2017/10/04/smart-cities-1-0-2-0-3-0-whats-next/

[8] http://www.participatorycity.org/about

[9] http://www.participatorycity.org/tools-to-act

[10] http://www.participatorycity.org/tools-to-act

[11] https://www.enainstitute.org/wp-content/uploads/2019/03/CO-CITY-OPEN-BOOK-The-City-as-a-Commons-Papers-1.pdf

[12] https://repaircafe.org/en/start/

[13] https://www.onthecommons.org/work/what-commoning-anyway

[14] https://www.degrowth.info/en/2017/02/commoning-a-different-way-of-living-and-acting-together/

[15] https://www.dropbox.com/s/zcgpzl1vx5whuow/The%20City%20as%20a%20Commons.pdf?dl=0

[16] https://www.lincolninst.edu/publications/policy-focus-reports/city-clt-partnership

[17] https://www.londonclt.org

[18] https://www.thenatureofcities.com/2017/08/20/ostrom-city-design-principles-urban-commons/

[19] https://www.thenatureofcities.com/2017/08/20/ostrom-city-design-principles-urban-commons/

[20] https://commoning.city

[21] http://labgov.city/wp-content/uploads/sites/19/Co-cities-Open-Book-Report.pdf

[22] http://smartcityhub.com/technology-innnovation/smart-grid/

[23] https://irissmartcities.eu/content/lomboxnet-lom-nederlands

[24] https://www.shareable.net/sharing-cities/

[25] https://www.thenatureofcities.com/2017/08/20/ostrom-city-design-principles-urban-commons/

[26] https://labgov.city/explore-by-lab/bolognalab/

[27] http://596acres.org

[28] http://labgovcity.designforcommons.org/wp-content/uploads/sites/19/bolognaregulation.pdf

[29] https://www.syndikat.org/en/

[30] http://www.stadindemaak.nl/wp-content/uploads/2018-SidM-NL-A5-web.pdf

[31] https://www.enainstitute.org/wp-content/uploads/2019/03/CO-CITY-OPEN-BOOK-The-City-as-a-Commons-Papers-1.pdf

[32]  http://labgov.city/wp-content/uploads/sites/19/Protocol-.pdf

[33] https://citiesofservice.org/wp-content/uploads/2019/01/Bologna_Cities_of_Service_Case_Study.pdf

[34] https://www.shareable.net/sharing-cities/

[35] http://legal.seoul.go.kr/legal/english/front/page/law.html?pAct=lawView&pPromNo=1191

[36] http://english.seoul.go.kr/policy-information/key-policies/city-initiatives/1-sharing-city/

[37] http://sharehub.kr/homeEn/shareHomeEn.do

[38] https://labgov.city/category/commonspress/page/4/

[39] https://www.enainstitute.org/wp-content/uploads/2019/03/CO-CITY-OPEN-BOOK-The-City-as-a-Commons-Papers-1.pdf

[40] https://www.shareable.net/sharing-cities/

De eerlijke stad

Tussen steden en hun bewoners bestaan grote verschillen in de kans op een ​bevredigend bestaan. Simpel gezegd, dat is niet eerlijk. Want degenen die achtergesteld zijn kunnen hun lot zelf nauwelijks verbeteren, terwijl de samenleving als geheel dat wel kan, maar niet doet. Althans, lang niet genoeg om als humaan te worden gekwalificeerd. Wat kán de samenleving doen? Dit artikel geeft antwoorden.

De Paraisópolis favela grenzend aan het welvarende district Morumbi in São Paulo, Brazilië. Foto Tuca Viera

De foto hierboven is een treffend beeld van de kansongelijkheid tussen inwoners van Sao Paulo. Het welvarende district Morumbi aan de linkerkant en de Paraisópolic favela aan de rechterkant.

De verschillen gaan veel verder dan wat zichtbaar is.

Denk aan de banen, het inkomen en het zelfvertrouwen van volwassenen en de mogelijkheid voor kinderen om een ​​opleiding te volgen en een fatsoenlijk leven op te bouwen.

Ik laat hieronder in de eerste plaats de groeiende ongelijkheid op mondiaal en nationaal niveau zien. Daarna komen aan de orde de ongelijke kansen in steden met betrekking tot inkomen en huisvesting en de gevolgen daarvan. Ik zoom daarbij in op Nederland. Ten slotte komen oplossingen aan bod en dan wordt duidelijk waarom de verdeling van kapitaalmiddelen tussen de private en de publieke sector wezenlijk verkeerd is.


De eerlijke stad maakt deel uit van een reeks essays over hoe steden humaner kunnen worden. Dat betekent het vinden van een evenwicht tussen duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en kwaliteit van leven. Dit vereist vergaande keuzes. Zodra deze keuzes zijn gemaakt, is het vanzelfsprekend dat we slimme technologieën gebruiken om deze doelen te bereiken. De onderstaande artikelen zijn al gepubliceerd:


Rijkdom en armoede op wereldniveau

Vanaf het begin van de industriële revolutie tot op heden is de rijkdom van de nationale staten toegenomen en tegelijkertijd erg ongelijk verdeeld. Dit geldt voor de laatste decennia – het tijdperk van globalisering – in het bijzonder.

De vraag is wie de winnaars en de verliezers zijn.

Het eerste uitgebreide antwoord kwam in 2013 van de Servisch-Amerikaanse econoom Branco Milanovic en zijn collega Christoph Lakner, toen ze de beroemde olifantscurve presenteerden. Ze vergeleken de procentuele verschillen in reëel inkomen (gecorrigeerd voor inflatie) in 1988 en 2008 tussen de armste 10% en de rijkste 10% van de wereldbevolking en alle andere decielen daartussenin. De berekeningen waren gebaseerd op gegevens van de Wereldbank.

De onderstaande grafiek geeft de resultaten weer.

Deze grafiek wordt olifantscurve genoemd vanwege de opvallende gelijkenis met de rug van een olifant.

De grafiek heeft de nodige aandacht getrokken: Ik sta op het punt een olifant de zaal in te brengen. Een wilde, boze en gevaarlijke olifant zei Lilianne Ploumen, de toenmalige Nederlandse minister van handel, terwijl ze deze afbeelding aan haar publiek presenteerde.

Toename van het reële inkomen tussen 1988 en 2008 in procenten per deciel. Bron: The Economist

Uit de grafiek blijkt dat de huishoudens tussen het 85ste en 95ste percentiel van de inkomensverdeling in 2008 nauwelijks beter af zijn dan 20 jaar eerder. Deze dramatische dip in de grafiek werd gebruikt ter verklaring van de aantrekkingskracht van Donald Trump, Brexit en herlevend nationalisme en populistische bewegingen. In deze overhaaste conclusie werd echter over het hoofd gezien dat de huishoudens per deciel niet noodzakelijkerwijs dezelfde waren in 1988 en 2008, dit vanwege verschillen in de groei van de bevolking en van het inkomen in verschillende delen van de wereld.

Milanovic en Lakner waren zich hiervan bewust en ze hadden daarom al een alternatieve grafiek gemaakt waarin de personen in elk deciel wel dezelfde zijn (zie boven). Deze grafiek lijkt nog steeds op een olifant, maar het lot van de lagere middenklasse in de VS en Europa ziet er minder dramatisch, zij het nog allesbehalve florissant uit.

De data voor de Milanovic en Lakner-grafiek gaan tot 2008. Een team van economen – onder leiding van Facundo Alvaredo, Lucas Chancel en het beroemde onderzoeksteam voor ongelijkheid Thomas Piketty, Emmanuel Saez en Gabriel Zucman – heeft onlangs het World Inequality Report 2018 onthuld dat gegevens bevat tot 2016. Ze repliceerden de olifantscurve, uitgaande van de voorgenoemde alternatieve berekening.

Totale inkomstengroei in percentage per percentiel in alle wereldregio’s, 1980 – 2016. Bron: World Inequality Report 2018

Of de olifant nog steeds herkenbaar is, maakt niet zoveel uit. De slurf reikt veel hoger en de kop is veel kleiner, wat op een nog hogere inkomensgroei voor de rijken op aarde wijst. Arme inwoners in ontwikkelingslanden gaan er ook in deze berekening op vooruit, maar minder in vergelijking met top 1%, 0,1,% 0,01% en 0,001%. Van 1980 tot 2016 realiseerde zij die behoren tot de top 1% gemiddeld meer dan twee keer zoveel groei van hun inkomen als de onderste 50%.

Vanwaar deze verschillen tussen de berekeningen van Milanovic en Lakner en die van het World Inequality Report 2018? Het World Inequality Report 2018 nog meer gegevens beschikbaar dan Milanovc en Lakner, onder andere afkomstig van de inkomstenbelasting.

De belangrijkste reden is dat de rijken in 2016 een mogelijke daling van hun inkomensgroei tijdens de crisis meer dan goed hebben gemaakt.

Tegelijkertijd laten de gegevens ook zien dat extreme armoede (leven van minder dan $ 1,90 per persoon per dag) vrijwel overal ter wereld is afgenomen, dat de inkomensgroei in de opkomende landen aanzienlijk is geweest en dat de meeste inwoners van de VS en Europa tussen 1980 – 2016 slechts een bescheiden inkomensgroei hebben gekend. 

Tot nu toe laten de grafieken relatieve groei zien. Maar hoe zit het met de absolute groei van individuele inkomens (dus niet inkomens per huishouden)? De onderstaande tabel laat dit zien voor de periode 1980 en 2016 (gecorrigeerd voor inflatie).

Totale inkomstengroei in dollars per percentiel in alle wereldregio’s, 1980 – 2016. Bron: World Inequality Report 2018

De armste 20% van de bevolking ging er gedurende de periode 1980 – 2016 in totaal 82% op vooruit. Dat betekent dat mensen die in 1980 $2,40 verdienden, hun inkomen in 36 jaar zagen groeien tot $ 4,36 per dag, wat betekent dat 5 cent per dag per jaar.

Voor de minstverdienende 60% van de mensheid geldt dat het jaarlijkse inkomen per persoon over de gehele periode van 36 jaar steeg met ongeveer $1200. Degenen in het 85-95e percentiel (de verliezers in de olifantencurve) zagen hun inkomen stijgen met een factor vier ten opzichte van de armste 60% Voor de rijkste 1% was dit een factor 100.

Absolute wijzigingen in inkomen van 1980 – 2016 (gecorrigeerd voor inflatie). Gebaseerd op gegevens uit het World Poverty Report 2018

Door de toename van het inkomen grafisch weer te geven, verdwijnt de olifant en wordt deze vervangen door een onheilspellende zeis, die symboliseert hoe de rijken de overvloed van de wereld voor zichzelf oogsten.

Verschillen in inkomen op nationaal niveau

Hieronder verdiep ik me in de oorzaken van de extreme toename van de welvaart van de hoogste percentielen in de westerse wereld en in het bijzonder in de VS.

Multinationale bedrijven hebben wereldwijd vanaf 1980 goud verdiend. In 2019 was de totale winst van de 100 qua omzet grootste bedrijven ter wereld samen $15.000 miljard. Ter vergelijking, in dat jaar was het bruto nationaal product van alle landen ter wereld samen ruim $ 87.000 en de totale overheidsuitgaven $ 23.000 miljard. Zie hieronder voor meer details, zij het over het jaar 2013. 

Winsten na belastingen in miljard dollar en als een percentage van het wereldwijde bruto nationaal product van wereldwijd opererende bedrijven. Bron: Harvard Business Review

De enorme toename van de winst is een direct gevolg van de globalisering:

Groeiende handel mogelijk gemaakt door wereldwijde concurrentie, automatisering, offshoring en lage grondstofkosten, hoge verdiensten en slechts geringe groei van de lonen.

Een deel van de enorme winsten was investeringskapitaal; het andere deel ging naar aandeelhouders en ceos als onderdeel van hun totale inkomen. Het gaat daarbij om ongeveer 40% van de zeer rijken die we tegenkwamen het hoogste percentiel. De anderen zijn advocaten, consultants, en financiële adviseurs, meestal ook werkzaam voor grote internationale bedrijven.


Disney: niet leuk voor iedereen

Binnen bedrijven verschilt het aandeel van werknemers in de inkomsten enorm. Robert Iger, tot voor kort ceo van het Walt Disney-concern had een jaarinkomen van $75 miljoen. Dat is 1025 keer meer dan een gemiddelde werknemer van dat bedrijf. Als hij zijn salaris verlaagde naar 10$ (nog steeds te veel), dan zou elke werknemer van het bedrijf er gemiddeld 15% in salaris op vooruitgaan.


Volgens Paul Oyer, hoogleraar aan Stanford Graduate School of Business, zijn de afgelopen 50 jaar rampzalig geweest voor mensen met een lager inkomen. Gecorrigeerd voor inflatie is het gemiddelde inkomen van een werknemer die geen hogere opleiding heeft gevolgd nu lager dan 50 jaar geleden. Dat is ongehoord. Maar niet alleen mensen met weinig opleiding ondervinden problemen. Gezinnen met twee werkende partners uit de midden- en hogere klasse (tot een gezinsinkomen van $ 100.000) zijn er wel op vooruit gegaan, maar moeten ook kritisch op hun uitgaven letten, met name vanwege extreem hoge huren in grote steden.

Amerikaanse bedrijven zijn er onlangs toe verplicht om gegevens over de verhouding van het inkomen van de ceo tot dat van de gemiddelde werknemer openbaar te maken. Uit deze gegevens blijkt dat Disney Company geen uitzondering is, integendeel. Enkele voorbeelden: auto-onderdelenmaker Aptiv (verhouding beloning ceo-werknemer: 2.526 –  1), uitzendbureau Manpower (2.483 – 1), eigenaar van pretparken Six Flags (1.920 – 1), ceo Del Monte (1.465 – 1), en kledingfabrikant VF (1,353 – 1). Democraten en zelfs enkele republikeinen proberen deze extremen een halt toe te roepen, tot nu toe tevergeefs. 

Een goed gedocumenteerd rapport van het Economic Policy Institute, gepubliceerd op 14 augustus 2019 onthult dat de beloning van ceos in de VS in 2018 (350 grootste bedrijven) gemiddeld $ 17,2 miljoen bedroeg (inclusief $ 7,5 miljoen aan gerealiseerde aandelenopties), met een ratio van ceo-werknemer ratio van 278 – 1. Dit bedrag is 9,2% meer dan in 2017 en 52,6% meer dan in 2009. Een gemiddelde werknemer verdiende in 2018 slechts 5,3% meer dan in 2009.

In ‘betere tijden’ – in 2000 – bedroeg de gemiddelde ceo-beloning $21,5 miljoen (in 2018 dollar), hetgeen een ceo-werknemer ratio van 386 – 1 weerspiegelt.

De meest deprimerende data-visualisering ter wereld

Printing Money is het resultaat van twee weken werk van Neal Agarwal, een kunstenaar op het gebied van data-visualisering. Het stelt de uitbetaling van salarissen voor als een drukpers, die dollarbiljetten over de pagina uitstrooit in het tempo waarin ze worden verdiend door iemand met een minimumloon, een Amerikaanse leraar, een softwarespecialist, een gemiddelde ceo en … U, lezer. Daarna stromen de financiële resultaten van een aantal bedrijven over het scherm maar ook de aanwas van het financieringstekort van de VS.

Nieuwgierig? Klik op deze link (vergeet niet te scrollen). Met dank aan Fast Company

Over een langere periode gezien, is de ceo-compensatie drastisch toegenomen. In 2018 was zij gemiddeld 940,3% hoger dan in 1978. In diezelfde periode steeg het gemiddelde salaris van werknemers 11,9%. De ceo-werknemer ratio in 1978 was ‘nog maar’ 30 – 1; in 1965 ‘slechts’ 20 – 1 . In 2018 dus 278 -1.

De beloning van ceos is 4 tot 5 keer hoger dan de die van rest van het hogere management, dat overigens 40% van de 1% hoogst verdieners in de VS vertegenwoordigt. Ze hoeven niet ongerust te zijn, hun inkomsten stegen tussen 1978 en 2017 met 339,2%.

Maar dit zijn gemiddelden. Hier zijn enkele concrete voorbeelden (2018). Jeff Bezos (Amazon) inkomen: onbekend; persoonlijk vermogen $ 114 miljard. Larry Page (Google): inkomen $ 1 (sic); persoonlijk vermogen $ 31 miljard. Tim Cook (Apple): inkomen $ 136 miljoen, persoonlijk vermogen: $ 800 miljoen. Jamie Dimon (JPMorgan Chase): inkomen $ 31 miljoen, persoonlijk vermogen: onbekend.

In vergelijking met de VS is de ceo-compensatie in Nederland ‘bescheiden’, ook gezien het progressieve belastingstelsel. In 2018 stond Nancy McKinstry, ceo van uitgeverij Wolters-Kluwer, bovenaan de lijst met een inkomen van € 14,5 miljoen, waarover zij – naar eigen zeggen – 50% belasting betaalde.

In plaats van in te gaan op de negatieve impact van de extreem hoge ceo-beloning op betrokkenheid en prestaties van werknemers in het algemeen, zal ik de impact op de samenleving als geheel bespreken.

Een nieuwe klassenoorlog?

De ‘officiële’ rechtvaardiging van de extreme compensatie van ceos is hun vermeende marktwaarde. Volgens een rapport in 2013 van het Institute for Policy Studies genaamd Bailed Out, Boosted and Busted, faalde 38% van de 25 bestbetaalde ceo’s gemeten over een periode van 25 jaar . Desondanks kwamen zij daarna gemakkelijk opnieuw aan de slag in andere bedrijven. Bijna alle bankiers, die verantwoordelijk zijn voor de financiële crisis, hebben hun functie behouden.

Bovendien bestaat er geen markt voor ceos.

De meesten zijn lid van ‘old boys networks’, waarvan de leden elkaar posities bij de overheid, lidmaatschappen van invloedrijke adviescommissies en goedbetaalde banen toeschuiven. Tot grote ergernis van de ‘oude’ elite, zijn de hoogste rangen van de meest succesvolle bedrijven vandaag de dag gevuld met buitenstaanders, vaak studenten die extreem succesvolle startups hebben opgericht: Apple, Google, Amazon, Facebook, Airb&b, Spotify en dergelijke.

In de tweede helft van de 20ste eeuw verloor het begrip klassenstrijd voor menigeen zijn betekenis, ook bij progressieven.

Veel landen in de westerse wereld ontwikkelden zich tot een verzorgingsstaat, met een zekere vorm van gelijkheid, materieel welzijn voor velen, een libertijnse cultuur, democratie, vrijheid van meningsuiting, informeel overleg tussen werkgevers en werknemers (‘polderen’), internationale samenwerking en versoepeling van de koude oorlog.

Aanvankelijk leek globalisering in deze ontwikkeling te passen: één wereld die verschillende culturen en naties met elkaar verbindt en student-uitwisseling die internationale contacten bevorderde. De ware identiteit van de globalisering bleek echter snel, in de vorm van groeiende dominantie van multinationale bedrijven. Zoals eerder vermeld, waren deze bedrijven uiterst succesvol, wat tot uiting kwam in hun inkomsten en winst.

Er zijn al veel boeken geschreven over de effecten van globalisering, maar een diepgaande analyse van het effect voor de samenleving heeft op zich laten wachten. In een fascinerend boek De nieuwe klassenstrijd onderzoekt Michael Lind onder andere de bijdrage van twee grondleggers van dit begrip. Het betreft zienswijze van James Burnham op de managementrevolutie en het begrip technostructuur van John Kenneth Galbraith. In dit korte interview zet Michael Lind zijn visie op de nieuwe klassenstrijd uiteen en gaat hij tevens in op de vraag hoe de samenleving deze te boven kan komen.

Burnham en Galbraith verwijzen beide naar een nieuw type samenleving, geregeerd door degenen die de productiemiddelen beheersen: Leiders van bedrijven, technici, bureaucraten, politici en academici. We zijn al heel hard op weg daarheen. De managementrevolutie komt in de plaats van het oude ondernemerskapitalisme en het ‘oude’ publieke management. De nieuwe door managers bestuurde samenlevingen zullen de kleine, onafhankelijke staten uithollen en deze worden gegroepeerd rond de belangrijkste industriële centra in Europa, Azië en Amerika, die wedijveren om de dominantie van de rest van de wereld. Intern is elke samenleving hiërarchisch, met een elite van talent, kapitaal en invloed bovenaan de arbeidsongeschikten onderaan. Bestuurlijke elites dragen politieke en economische macht over aan uitvoerende agentschappen, transnationale bureaucratieën en verdragsorganisaties. Hun ‘technostructuur’ omvat kapitaalintensieve, op wetenschap gebaseerde, hightechindustrieën alsmede zakelijke en financiële dienstverlening waarop deze vertrouwen. Toenemend schaalvoordeel leidt ertoe dat deze industrieën groeien, resulterend in oligopolie of monopolies, die de markt vervangen door met kunstmatige intelligentie geleide besluitvorming met steun van nationale regeringen. De onderkant van de hiërarchie is echter doende om hiertegen in opstand te komen. Michael Lind zegt hierover: 

Derided and disempowered, large elements of the native working classes in Western democracies have turned to charismatic tribunes of anti-system populism in electoral rebellions against the selfishness and arrogance of managerial elites.  

Het paradoxale is dat de verliezers van de globalisering uitgerekend mensen als Trump, een vertegenwoordiger bij uitstek van deze elite, kiezen om hun positie te verbeteren.

De Edelman vertrouwensbarometer 

De Edelman vertrouwensbarometer is een instrument dat wereldwijd wordt gebruikt om het vertrouwen te meten in instellingen zoals het bedrijfsleven, de overheid, de wetenschap en de media. Ondervraagde personen kunnen daarbij een onderscheid maken tussen vertrouwen op basis van competentie dan wel ethisch handelen. Ook wordt gevraagd hoe zij denken over hedendaagse kwesties, zoals ongelijkheid, klimaat, werk en migratie. Er wordt een verschil gemaakt tussen het ‘geïnformeerde publiek (inclusief de eerdergenoemde ‘elite’) en ‘de massapopulatie’. Bekijk een korte samenvatting van de Edelman Trust Barometer 2020 door Richard Edelman zelf.

Edelman: A large majority of the masses in most parts of the world do not believe that they will be better off in five years, and 56 percent believe that capitalism in its current form now does more harm than good in the world. Fears stifle hope and long-standing assumptions about hard work that lead to upward mobility are now invalid.

De versie van 2020 toont het pessimisme van de ‘massa’ met betrekking tot de samenleving, baanzekerheid, gezondheidszorg en ongelijkheid. Dit in tegenstelling tot ‘de elite’ die veel optimistischer is. Geen enkele instelling wordt vertrouwd; de overheid het minst, het bedrijfsleven nog het meest, vooral omdat het als competenter wordt beschouwd; ethisch gezien overheerst ook hier het wantrouwen

Degenen die het meeste vertrouwen uitspreken zijn de Chinezen; het minste vertrouwen is in Rusland.

Percentage vertrouwen in het vermogen van verschillende soorten leiders om de uitdagingen van hun land aan te pakken. Bron De 2020 Edelman vertrouwensbarometer

Volgens het rapport zal in de toekomst de strijd om vertrouwen worden gevoerd op het gebied van ethisch gedrag.

Dit geeft een aanwijzing voor wat bedrijven en de overheid moeten doen: Respondenten verwachten dat bedrijven zich richten op het betalen van eerlijke lonen en het bieden omscholingsmogelijkheden in samenhang robotisering. Voor de overheid omvatten de acties verminderen van partijpolitiek, aanpakken van problemen op buurtniveau en samenwerken met bedrijven en NGO’s.

Als bedrijven en overheid goede luisteraars zijn, is de strijd in de nieuwe klasse minder onoverbrugbaar als het lijkt. Hoe dan ook, voor zowel overheid als bedrijfsleven ligt er binnen de steden veel werk om de armoede aan te pakken en een alle burgers eerlijke kansen voor de toekomst te geven. 

Hieronder ga ik in de eerste plaats in op de stedelijke armoede en vervolgens samen te vatten hoe een meer humane ontwikkeling op stedelijk niveau mogelijk is.

De nieuwe scheidingslijn dwars door de stad

De nieuwe klassenstrijd kan in alle steden overal ter wereld met eigen ogen worden aanschouwd, hoewel sommige van die plaatsen beter kunnen worden vermeden. Op zoek naar extreme rijkdom en armoede en wat daar tussenin is, volstaan ​​vijf foto’s.

Smith Mansion, VS. Foto Bestbudbrain. Onder licentie van Creative Commons 4.0

De eerste foto is een voorbeeld van hoe de rijkste mensen leven, meestal in ‘gated communities’. Ze reizen veel en hebben op verschillende plaatsen mooie pieds à terre, vaak in dure appartementen in stadscentra.

Halfvrijstaand huis in Queens, New York. Foto Piqsels. Publiek domein

De tweede foto vertegenwoordigt groene wijken, luxe appartementen, ruime eengezinshuizen, twee auto’s, bewoond door meestal blanke werkende koppel. De meesten daarvan benadrukken dat zij beiden hard werken en uren pendelen – een sluimerende burn-out negerend – en het grootste deel van hun geld uitgegeven om hun stijl van leven in stand te houden en de kosten te betalen van de opleiding van hun kinderen.

Evington, Leicester. Foto NotfromUtrecht, onder licentie van Creative Commons 3.0

Het derde beeld is van de groep mensen met een lager middeninkomen. Ze leven in minder mooiere buitenwijken, dichte concentraties van rijtjeshuizen en appartementen. Een dubbel inkomen is noodzakelijk en in het geval van slechts één werkende ouder is een beroep op de bijstand onvermijdelijk. Deze mensen staan ​​op de rand van armoede, maar slagen er meestal in zelfstandig het hoofd boven water te kunnen houden. 

Frederick Douglass Woonproject Detroit. Photo Albert Duce onder licentie van Creative Commons 3.0

Op het eerste gezicht zien beelden van deze appartementen – de vierde groep – niet naargeestig uit, maar het zijn beruchte voorbeelden van mislukte sociale woningbouw. Vele zijn concentraties geworden van stedelijke armen, immigranten, illegalen, eenoudergezinnen met een hoge mate van werkloosheid. Verder criminaliteit, jeugdbendes en vandalisme. 

Een van de grootste uitdagingen voor het stadsbestuur is bieden van fatsoenlijke huisvesting voor armere burgers zonder deze te concentreren. Op veel plaatsen wordt dit type hoogbouw dan ook gesloopt om de voormalige bewoners in staat te stellen een nieuwe start te maken.

Daklozen in tenten. Caste Street Brighton. Foto Huntersmith7 onder licentie van Creative Commons 4.0

De vijfde groep zijn treurige en beschamende beelden van daklozen en hun primitieve schuilplaatsen: Drugsverslaafden, personen met een psychische beperking en steeds meer werkende mensen die zich geen huis meer kunnen veroorloven. Dakloos zijn betekent ook niet altijd op straat slapen, maar geen thuis hebben. Deze groep groeit snel, er zijn veel projecten om aangepaste huisvesting aan te bieden.

Voor elke groep is er veel variatie en de foto’s verschillen dan ook tussen steden; de essentie is hetzelfde. In ontwikkelingslanden wonen veel inwoners in favela’s, maar ook daar zijn grote verschillen waar te nemen. Sommige zijn niet meer zijn dan schuilplaatsen, zonder sanitaire voorzieningen, water en elektriciteit. Andere zijn veel meer georganiseerd en hebben meer voorzieningen en de meeste bewoners staan niet te wachten om te worden overgeplaatst naar een dichtbevolkt appartement. Ik geef er de voorkeur aan rijk te zijn onder de armen, dan arm onder de rijken, zei een van de inwoners van een favela in Sao Paulo.

Arm zijn in Nederland

Nederland is na de Tweede Wereldoorlog een voorbeeld van tamelijk goede levensomstandigheden voor de grote meerderheid van de bevolking; velen wonen in eengezinswoningen. Foto’s van de wijze waarop sociale groepen wonen verschillen doorgaans niet spectaculair. Voeg hieraan toe goed uitgeruste buurtwinkelcentra, ruime medische, sociale, educatieve en transportvoorzieningen en een tamelijk gemêleerde bevolking. Toen in de jaren zeventig de woningnood was opgelost, was de natie gelukkiger dan ooit (en ze daarna zou worden). Ondertussen vorderde de renovatie van oude stadscentra en aangrenzende gebieden en ontstond er een grotere verscheidenheid aan huistypen.

Aan deze relatief gunstige situatie is de laatste decennia een einde aan het komen

Dit ondanks grote investeringen in de instandhouding en verbetering van de woningvoorraad. Daarvoor zijn veel redenen. De belangrijkste reden is de overheid zelf. Door herontdekking van de ‘zegeningen’ van de markt werden woningcorporaties verplicht uitsluitend huizen voor de laagste-inkomensgroepen te bouwen en te verhuren. Huizen bouwen voor degenen die het beter hebben, wordt sindsdien overgelaten aan ‘de markt’ en projectontwikkelaars zoeken naar meer aantrekkelijke locaties om deze groep te bedienen, met als gevolg toenemende ruimtelijke segregatie. Buurten met overwegend corporatie-woningen zagen hun gemengde sociale samenstelling verdwijnen en werden plaatsen waar immigranten, vluchtelingen en verstandelijk gehandicapten een steeds groter aandeel hebben. Dit versnelde op zijn beurt het vertrekproces van degenen die het beter hebben.

Tegelijkertijd hebben bezuinigingen geleid tot een afname van de zichtbare aanwezigheid van de politie, maar ook tot het verdwijnen van scholen en sociale voorzieningen, bijvoorbeeld ‘conciërges’ die vaak als de lijm in de buurt functioneerden.

De problemen in de wijken met een laag inkomen worden elk jaar groter: werkloosheid, armoede en ondervoeding, kinderen met beperkte mogelijkheden om Nederlands te spreken, hangjongeren, winkeldiefstal, diefstal en inbraak, drugsmisbruik en bendevorming. Veel buurten die dertig jaar geleden behoorlijk geïntegreerde gemeenschappen waren, zijn uiteengevallen en geven aanleiding tot individueel overlevingsgedrag met verlaten als de ultieme oplossing.

Sociale kaart van Tilburg (Nederland). De oranje en roodgekleurde segmenten van buurten, combineren een hoge mate van overlast, toename van bewoners met lage inkomens en verdere toename van overlast.

Oplossingen

Hieronder zal ik me concentreren op oplossingen. Ten eerste zal ik kort aandacht besteden aan de oplossing van armoede in het algemeen. Vervolgens zal ik ingaan op het belang van gemengde buurten. De meeste oplossingen zijn uitgebreid en duur. Daarom zal ik in het laatste deel de vraag beantwoorden waar komt het geld vandaan zou moeten komen.

De strijd tegen armoede

Zelfs in Nederland, een rijk land met naar verhouding minder ongelijkheid leeft een op de tien huishoudens in relatieve armoede en is één op de tien kinderen ondervoed. Vergelijk hiermee de VS: Het Economic Security Project heeft vastgesteld dat 40% van alle inwoners moeite hebben om in hun basisbehoeften te voorzien.

Armoede: banen of financiële hulp

Onlangs heeft de National Academy of Sciences in de VS op verzoek van het Huis van afgevaardigden een uitgebreide empirische studie laten verrichten hoe kinderarmoede in de komende tien jaar met de helft kan worden verminderd. Op basis van een grondige studie van praktijkvoorbeelden en wetenschappelijke literatuur hebben de auteurs de Roadmap for reducing child poverty ontwikkeld, die in de onderstaande korte video wordt toegelicht.

Het rapport schat dat kinderarmoede elk jaar $ 800 tot 1100 miljard kost als gevolg van toegenomen criminaliteit, verslechterde gezondheid en lagere inkomsten wanneer arme kinderen volwassen worden. Het rapport stelde een pakket voor, dat de volgende maatregelen bevatte:

  • Volledig terugbetalen van kinderopvang;
  • Verhoging van het minimumloon tot $ 10,25 per uur;
  • Scholing voor (legale) immigranten;
  • Kinderbijslag van $ 2.700 per jaar;
  • Extra kinderbijslag van $ 1.200 per jaar voor eenoudergezinnen

De kosten van dit pakket bedragen $ 111,6 miljard per jaar. Kinderbijslag – al jaren bekend in Nederland, wordt beschouwd als het belangrijkste onderdeel van het voorstel. Andere gezaghebbende organisaties pleiten voor een nog hoger bedrag, namelijk $ 3.600 per jaar. Ter vergelijking: De kinderbijslag in Nederland is gemiddeld € 3200,00 per kind per jaar.

De discussie over het ondersteunen van arme gezinnen en met name kinderarmoede gaat terug naar 1996 toen een verschuiving plaatsvond van gegarandeerde inkomenssteun voor arme huishoudens naar een aanpak van een armoedebestrijding gebaseerd op gedwongen tewerksteling. 

De auteurs van het nieuwste rapport menen dat er onvoldoende bewijs is dat dit laatste kinderarmoede vermindert. De voorkeur voor inkomenssteun boven verplichte tewerkstelling is minder verrassend dan deze lijkt. De inkomsten uit de aangeboden banen waren vrijwel hetzelfde als de inkomenssteun, waardoor de prikkel om geld te verruilen voor werk werd geminimaliseerd. Bovendien waren veel armen niet voorbereid op banen; ze misten zelfvertrouwen en basisvaardigheden. Er was uitgebreide scholing en begeleiding op de werkvloer nodig geweest om tewerkstelling tot een succes te maken.


Stanford University Basic Income Lab

Een basisinkomen is een van de middelen die de Green New Deal in de VS wil gebruiken om de groeiende ongelijkheid te keren. Steden in het hele land experimenteren om te bepalen hoe een basisinkomen er uit zou kunnen zien. Om dergelijke experimenten te vergemakkelijken, hebben het Stanford Basic Income Lab en de National League of Cities een toolkit uitgebracht getiteld Basic Income in Cities: A Guide to City Experiments and Pilot Projects. Iedereen die geïnteresseerd is, overal ter wereld, vindt er bruikbare hulpmiddelen in om proefprojecten op te zetten.


Voor zover ik kan beoordelen, is een belangrijke valkuil dat gezinnen gewend raken aan toeslagen, voedselbanken, tweedehandswinkels en uiteindelijk aan het leven in armoede. Dit stigmatiseert volwassenen en kinderen en vermindert hun kansen op een beter toekomstig leven. Daarom lijkt de weg vrijmaken voor een goedbetaalde baan voor een of beide ouders het ultieme middel om aan armoede te ontsnappen.

Het belang van goedbetaalde banen

Een baan biedt niet alleen de financiële middelen voor een fatsoenlijk leven, maar ook kansen voor persoonlijke groei, sociale contacten, waardigheid en de mogelijkheid om bij te dragen aan de samenleving. Daarom pleit de Green New Deal in de VS niet alleen voor investeringen in de overgang naar een 100% duurzame economie, maar ook voor het creëren van miljoenen goedbetaalde banen om deze overgang mogelijk te maken.

In dezelfde geest pleiten Ben Dankbaar en Johan Muysken voor gegarandeerde banen in de publieke sector voor iedereen. Zij gaan ervan uit dat (1) iedereen heeft recht op volledig en zinvol werk en (2) dat het is de plicht van de overheid is om dit mogelijk te maken. Bovendien maakt het minimumloon het mogelijk dat iemand die 36 uur per week werkt voldoende inkomen ontvangt voor een fatsoenlijk leven. Overheden op stedelijk, regionaal en nationaal niveau moeten daarom duizenden banen creëren. Niet alleen om de kwaliteit van het leven van werklozen te verbeteren maar ook om talrijke taken uit te voeren die thans blijven liggen.

Het is ook belangrijk om het recht op fatsoenlijk werk te benadrukken in tijden dat automatisering, robotisering en kunstmatige intelligentie veel banen zouden kunnen elimineren. Daarom moeten niet alleen de publieke sector, maar ook het bedrijfsleven en instellingen verantwoordelijk worden gehouden voor volledige werkgelegenheid in de toekomst, mogelijk gedurende minder uren per week, jaar of leven.

Onlangs is in Nederland een rapport verschenen dat de nadruk legt op de noodzaak van een fundamentele herziening van de arbeidsmarkt. Volgens dit rapport is de hoeveelheid flexibel werk is doorgeschoten. Bovendien heeft ongeveer 20% van de beroepsbevolking een tijdelijk contract, dat is tweemaal het gemiddelde van de OESO. Het rapport benadrukt dat het aantal reguliere banen aanzienlijk moet toenemen, het ontslagrecht moet worden versoepeld opdat werkgevers minder terughoudend worden om reguliere banen te creëren. Verder pleit de commissie voor een leven lang leren en ook voor basisbanen.

Zowel banen als basisinkomen zijn onmisbaar

De fundamentele vraag die ik in dit artikel probeer te beantwoorden, is hoe de voorwaarden kunnen worden geschapen voor huishoudens om een ​​fatsoenlijk leven te leiden.

Ik heb altijd gedacht dat een goedbetaalde baan verreweg het belangrijkste middel is om dit doel te bereiken.

Daarom was ik terughoudend om het idee van een basisinkomen te accepteren. De onderstaande video was een eyeopener. Alleenstaande werkende middenklasse-moeders – het zouden ook vaders kunnen zijn geweest – verklaren waarom hun salarissen tekortschieten voor een fatsoenlijk leven, gezien het feit dat in de VS twee inkomens de ‘nieuwe normaal’ zijn geworden en de omvang van het salaris is daarop is aangepast.

Het heeft geen zin om terug te keren naar een situatie waarin één inkomen voor elk huishouden voldoende is. In plaats daarvan stelt het Economic Security Project voor om een toelage van $ 500 per maand te verstrekken aan iedereen die tot de lagere en de middenklasse behoort, waardoor miljoenen uit de armoede worden bevrijd.

Om deze reden kwam het in mij op om twee inkomenscomponenten te onderscheiden:

Een regulier salaris voor alle (volwassen) werkende leden van een huishouden en bovendien een basisuitkering per huishouden, betaald door de overheid eventueel inclusief kinderbijslag.

Al doende zorgen een vast salaris plus een basisuitkering voor een fatsoenlijk leven voor alle leden van het huishouden. In gezinnen met een basisuitkering plus twee salarissen kan inkomstenbelasting een matigende rol spelen.

Gemengde buurten

Er is voldoende bewijs dat een gemengde bevolking en een rijke verscheidenheid aan woningtypen op buurtniveau bijdraagt om sociale problemen te verminderen. Daarom biedt alleen het verbeteren van woningen geen oplossing in probleembuurten. Alle buurten moeten een gemengde bevolkingssamenstelling krijgen, afgezien van het feit dat de inkomens van de armen substantieel moeten stijgen. Woningcorporaties moeten huurwoningen kunnen bouwen voor middeninkomens en projectontwikkelaars moeten verplicht worden om een ​​voldoende percentage sociale woningen en huizen voor starters te bouwen. Een naadloze samenwerking tussen de gemeenschap, woningcorporaties en commerciële projectontwikkelaars is noodzakelijk.

Afgebroken appartementen in de Tilburgse wijk Jeruzalem. Foto: Brabants Dagblad (2012)

Het is onvermijdelijk dat delen van de woningvoorraad moeten worden gesloopt in plaats van te worden gerenoveerd om ruimte te maken voor duurdere huizen om gemengde buurten mogelijk te maken. De weerstand van de voormalige bewoners kan worden verminderd door hen een betaalbaar alternatief te bieden in de vorm van sociale woningbouw op plaatsen waar oorspronkelijk duurdere huizen waren gepland. Niemand mag reden hebben om te geloven dat voormalige inwoners verdreven worden ten gunste van de welgestelden. Om wantrouwen te verminderen is een permanente dialoog met de inwoners van te innoveren buurten noodzakelijk.

Op peil brengen van de overheidsfinanciën

Volgens het World Inequality Report 2018 is economische ongelijkheid vooral het gevolg van de scheve verdeling van kapitaal tussen de publieke en de private sector.

De onderstaande grafiek laat zien dat sinds 1970 in bijna alle landen een enorme verschuiving heeft plaatsgevonden van publiek naar privaat bezit.

Privaat kapitaal, geconcentreerd bij multinationals en rijke personen, is aanzienlijk toegenomen. Publiek kapitaal is in de meeste welvarende landen negatief of bijna nul (Overheidsuitgaven minus staatsschuld). De enige uitzonderingen zijn Noorwegen, een land dat grote reserves heeft opgebouwd uit de inkomsten van zijn olie-export en China, dat veel van zijn bloeiende bedrijven in staatseigendom heeft gehouden.

Door de steeds schaarsere publieke middelen, kunnen overheden hun taken steeds minder naar behoren uitvoeren.

In 2015 was de waarde van het netto vermogen van de overheid in de VS negatief (-17% van het netto nationaal inkomen), terwijl de waarde van het netto particulier vermogen 500% van het nationaal inkomen bedroeg. In 1970 bedroeg het netto vermogen van de overheid nog 36% van het nationaal inkomen, terwijl het netto particulier vermogen 326% bedroeg. 

De groei van particulier vermogen en de daling van publiek vermogen in rijke landen, 2070 – 2016. Bron: World Poverty Report 2018.

Tegelijkertijd worden overheden geacht te betalen voor alle negatieve externe effecten van de groeiende ongelijkheid, zoals armoede, werkloosheid, gezondheidsklachten, honger, criminaliteit en de vermindering van broeikasgasemissies. Om niet te vergeten, ze moesten de ook financiële crisis oplossen.

Alsof dit niet genoeg is, moet nog een ander bijzonder nadelig effect van globalisering worden genoemd; vermijding van belasting. Het 2018 Global Poverty rapport hierover:  This type of tax avoidance has become an art form in which the smartest companies, such as Apple, excel. 

Vanwege deze praktijken verliezen overheden ten minste $ 500 miljard per jaar. In 2018 betaalden 60 van de 500 grootste bedrijven – waaronder Amazon, Netflix en General Motors – in de VS geen belasting, ondanks een gezamenlijke wereldwijde winst van $ 80 miljard. Dit gedrag heeft een vernietigend effect op de nationale belastinginkomsten en ondermijnt het rechtvaardigheidsgevoel van het publiek.

De verdeling van het nationale inkomen is in essentie gebrekkig. In de laatste vier decennia zijn de nationale elites erin geslaagd om deze inkomsten naar bedrijven en rijke personen te leiden, terwijl ze tegelijkertijd de oplossing van negatieve externe effecten aan de nationale regeringen overlieten, dankbaar voor hun gebrek aan onderlinge samenwerking. Nog dankbaarder waren ze voor de steun vanuit die regeringen zelf, zoals de Thatchers en de Reagans en de politieke partijen die de overheidsuitgaven nog verder willen verlagen.


Portland: belast ongelijkheid

In Oregon heeft de stad Portland het voorstel van Branko Milanović overgenomen, namelijk invoering van belasting op ongelijkheid. De stad Portland legt een belasting van 10% op aan bedrijven die topfunctionarissen meer dan 100 keer hun gemiddelde loon betalen en een toeslag van 20% als de inkomstenverschillen groter zijn dan 250 maal het gemiddelde loon.


Humaan beleid

Een menselijke samenleving gedijt als de grote meerderheid van haar leden zich vrij, gelijkwaardig, zelfstandig, en geaccepteerd voelt en trots is op hun leven en werk.

Om dit doel te bereiken, moet de trend naar grotere ongelijkheid worden gekeerd door overheden op alle niveaus en in alle delen van de wereld in staat te stellen armoede te overwinnen en triljoenen te investeren in werk, gezondheidszorg, onderwijs, gebrekkige infrastructuur en het tot stand brengen van de opwarming van de aarde.

De OESO overweegt hoe de ergste praktijken van belastingontwijking te beteugelen zijn, zoals het onderling schuiven met geld tussen dochterondernemingen maar blijft steken in lapwerk dat volgens de econoom Stiglitz het probleem niet oplost.

Er zijn meer effectieve hulpmiddelen nodig om de balans tussen vermogensopbouw door overheden en bedrijven te herstellen en overheden in staat te stellen hun werk te doen in het voordeel van de hele mensheid. Hierbij valt te denken aan:

  • Een nieuw belastingstelsel voor bedrijven, gebaseerd op omzet en winst;
  • Verbod op het gebruik van ‘transfer pricing’ bij internationale transacties binnen internationale bedrijven;
  • Alle bedrijven moeten hun bijdrage aan de samenleving (‘purpose’ vooropstellen en een gepaste winst beschouwen als een middel om hun continuïteit te handhaven. Daartoe moeten zij zich laten accrediteren als ‘benefit corporation’;
  • Garanderen van betaalde banen voor elke volwassen persoon die wil werken;
  • Veiligstellen dat elk huishouden beschikt over een inkomen dat een fatsoenlijk leven voor alle leden mogelijk maakt, bijvoorbeeld door aanvullend variabele basisinkomen;
  • Vermindering van de beloning van het topmanagement tot een maximum van tien maal het gemiddelde inkomen van de werknemers van dat bedrijf.
  • Verbod op toeslagen zoals bonussen en aandelenopties;
  • Progressieve belasting op inkomsten en opbrengsten uit persoonlijk vermogen
  • Realistische prijzen voor grondstoffen en landbouwproducten ten voordele van de arbeiders in arme landen en de boeren in rijke landen;
  • Ondersteunen van maatschappelijk ondernemerschap in de hele wereld en ontwikkelingslanden in het bijzonder;
  • Ontmoediging van arbeidsmigratie om braindrain te beperken door de vooruitzichten op een redelijk inkomen in ontwikkelingslanden te vergroten;
  • Aanhoudende steun voor vredeshandhaving in conflicten over de hele wereld, door versterking van de VN in plaats van de NAVO;
  • Op korte termijn verstrekken de nationale banken op zorgvuldige wijze investeringskapitaal voor de overheden zonder het overheidstekort te vergroten.

De strijd tegen ongelijkheid in ieders belang.

Stad van doeners

Werk kan een bron van ultieme persoonlijke voldoening zijn. Het draagt ​​ook bij aan de welvaart van bedrijven, steden en landen. In het beste geval doet het beide. Helaas is dit niet de regel. In dit artikel onderzoek ik hoe betrokkenheid en passie opnieuw hun intrede kunnen doen op de werkplek en hoe steden daaraan kunnen bijdragen.

Onbekende artiest: Middeleeuwse markt (Wikimedia Commons)

De verdwijning van het ambacht

Zoals de afbeelding hierboven laat zien, waren steden vroeger broedplaatsen van ambacht en ambachtslieden. Deze bevolkten elke straat en tijdens de vele processies en optochten presenteerden hun verenigingen, de gilden, zich in volle glorie.

Ambachtslieden en handelaars zorgden ervoor dat steden floreerden. Eeuwenlang was ondernemerschap verbonden met kunst en ambacht in ruil voor persoonlijke voldoening, tevreden klanten en het een goed bestaan. Ze waren een voorbeeldig voorbeeld van ondernemerschap.

In essentie geeft een een ondernemer vorm en inhoud aan nieuwe activiteiten op basis van persoonlijke motivatie en vaardigheden en creëert daarmee waarde voor zichzelf en de samenleving.

Een beschrijving die nog steeds van toepassing is op kleine en grote ondernemers, franchisenemers en intrapreneurs op uiteenlopende terreinen. 


Steden van makers maakt deel uit van een reeks essays over hoe steden humaner kunnen worden. Dat betekent het vinden van een evenwicht tussen duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en kwaliteit van leven. Dit vereist vergaande keuzes. Zodra deze keuzes zijn gemaakt, is het vanzelfsprekend dat we slimme technologieën gebruiken om deze doelen te bereiken. 

De essays die al zijn gepubliceerd, zijn hieronder te vinden.
  1. Inleiding: Steden in de toekomst: Vanzelfsprekend smart. Humaan als keuze
  2. De gezonde stad
  3. De veerkrachtige stad
  4. De klimaat-neutrale stad
  5. De veilige stad
  6. De goed-bestuurde stad
  7. De donut stad
  8. De kringloop stad
  9. De digitaal rechtvaardige stad
  10. De goed gevoede stad

In minder dan een generatie verdween het soort ondernemerschap dat vanaf de middeleeuwen tot de 19e eeuw domineerde. Het maakte plaats voor eenvoudig en routinematig werk (low strain-jobs): operators, bedienden, havenarbeiders en bedienden. Fabrieken, kantoren en pakhuizen verdrongen kleinschalige werkplaatsen. Zij brachten met zich mee hiërarchie, streng toezicht en vooral productie aan de lopende band. Ook het aanzien van steden veranderde wezenlijk. Voorheen bloeiende stadscentra werden overvolle woongebieden voor de arbeiders, omringd door grote industriële gebieden, kantoren, pakhuizen en spoorwegemplacementen.


Arts & Craft en Makers Movement

Door de industriële revolutie verdwenen ambachtslieden in grote delen van Europa. Maar niet helemaal: De groei van massaproductie voedde de Arts & Crafts-beweging; verspreide groepen ambachtslieden en kunstenaars, toegewijd aan de kleinschalige productie van meubels, lampen, servies, bestek. De korte video van de Open University hieronder is een mooie illustratie van de kracht van de beweging, de integratie van technologie en ambacht.

Het Italiaanse bedrijf Alessi is een goed voorbeeld. Het bedrijf slaagde erin de kloof tussen vakmanschap en industriële productie te overbruggen. Bijvoorbeeld door door prominente kunstenaars zoals Philippe Starck uit te nodigen en hun ontwerpen toegankelijk te maken voor een grote groep klanten.

De Makers Movement is gerelateerd aan de traditie van Arts & Crafts. Zij omvat duizenden kleine ambachtelijke bedrijven, die hun producten meestal aanbieden via sites als Etsy. Etsy’s omzet voor 2013 was $ 1 miljard en er waren dat jaar 1 miljoen klanten.


De nieuwe industrieën, spoorwegen, handelsfirma’s en pakhuizen waren de tastbare verschijningsvorm van het 19de-eeuwse ondernemerskapitalisme, soms meedogenloos, soms met compassie.

In de loop van de 20ste nam een ​​nieuwe generatie managers bezit van de directiekamer van grote bedrijven. Het is de vraag of deze nog steeds als ondernemer kunnen worden getypeerd omdat deze bedrijven steeds meer op bureaucratieën begonnen te lijken.

Ondernemerschap bleef domineren in de detailhandel en in de landbouw. Om nog maar te zwijgen van ontwikkelingslanden waar de informele economie nog steeds een perfecte voedingsbodem is voor ondernemersgedrag, overigens vaak vergezeld door barre arbeidsomstandigheden en armoede. 

Thans treffen we ondernemerschap vooral aan in het snelgroeiende aantal kleine en middelgrote bedrijven, die actief zijn in bijna alle sectoren van de economie. In Nederland zijn er bijna 1.782.000 bedrijven met één tot 10 werknemers. Samen hebben ze ongeveer 2,3 miljoen werknemers (inclusief de ondernemende eigenaren). Daarnaast zijn er 70.000 bedrijven met meer dan 10 werknemers, die samen banen bieden aan ongeveer 6,6 miljoen werknemers, waarvan nog maar een fractie als ondernemer kan worden betiteld (alle gegevens zijn afkomstig van het Centraal Bureau voor de Statistiek).

Ondernemerschap wordt geassocieerd met gedrevenheid, doorzettingsvermogen en passie en heeft bijgevolg een grote potentiële waarde voor groei en ontwikkeling. Zoals hieronder blijkt wordt dit potentieel maar ten dele benut.

Ondernemerschap binnen het bedrijf

Elk jaar verzamelt Gallup wereldwijd gegevens over de betrokkenheid van medewerkers en managers van bedrijven met meer dan 50 werknemers. Deze worden getypeerd als ‘actief-betrokken’, ‘actief niet-betrokken’ en ‘passief niet-betrokken’. De onderstaande tabel geeft een overzicht, waaruit blijkt dat in elk land slechts een minderheid ‘actief-betrokken’ is. Betrokken betekent dat medewerkers en managers enthousiast zijn over hun werk, hun collega’s, hun bedrijf prijzen en zich niet druk maken als ze over moeten werken. 

Percentages actief betrokken (groen), passief niet betrokken (grijs) en actief niet betrokken (zwart) van werknemers in verschillende delen van de wereld. Gallup, State of the Workplace, 2017

Gebrek aan betrokkenheid hangt sterk samen met het feit dat de meeste banen nog steeds gekenmerkt zijn door eenvoudige werkzaamheden, maar ook met de managementstijl van de bazen. Dit blijkt ook uit het grote arbeidstevredenheid onderzoek in Nederland, uitgevoerd door Frits Galle en zijn collega’s van training- en adviesbureau PER4MANCE.

Nederlanders zijn over het algemeen ontevreden over hun baas.

62% van alle werknemers heeft geen of nauwelijks werkplezier; 22% gaat met tegenzin aan het werk en verlangt op maandagochtend al naar het volgende weekend. 11% noemt de manager een dictator. Vaak zijn managers niet geïnteresseerd in de werknemers, ze missen inspiratie en communiceren kort en direct. Alles moet plaatsmaken voor het bereiken van de doelen. Dit is echter contraproductief, omdat werknemers onder dwang hun inspanningen tot een minimum beperken.

Het is duidelijk dat bedrijven graag de betrokkenheid van hun werknemers willen vergroten.

Wereldwijd besteden ze dan ook miljarden aan dit doel en aan managementopleidingen om dit te ondersteunen. Zonder veel resultaat.

De verkeerde analyse: geen betrokkenheid maar passie.

Volgens John Hagel volgen slaan managers de plank mis door zich te concentreren op betrokkenheid. Na een studie van personen die uitzonderlijk productief zijn in een breed scala van beroepen, concludeerde hij dat hetgeen deze gemeen hebben de passie van een ontdekkingsreiziger is. Luister naar John die dit in een korte video uitlegt:

Passie betekent niet dat deze mensen overmatig begaafd, ijverig, hardwerkend of slim zijn. In plaats daarvan zijn ze vastbesloten om hun doel te bereiken, ze worden enthousiast als ze tegen uitdagingen aanlopen en ze zoeken naar samenwerking met anderen met dezelfde passie (zie onderstaande afbeelding).

Passie is in veel opzichten de motor van ondernemend gedrag.

De passie van de ontdekkingsreiziger. Bron: Deloitte University Press

Het verschil tussen betrokkenheid en passie is duidelijk. Het eerste is een houding en vereist geen speciale kennis of vaardigheid. De tweede is verbonden met competenties. Om betrokkenheid te creëren, moeten werkgevers respect tonen, beter luisteren en de werkomstandigheden verbeteren. Als gevolg hiervan zullen de meeste werknemers harder werken en zal de productiviteit van het bedrijf stijgen. Echter zonder dat de competenties van de betrokkenen verbeteren. 

De drie bovengenoemde componenten van gepassioneerd gedrag – het bereiken van doelen, getriggerd worden door uitdagingen en samenwerking zoeken – zijn het resultaat van een groei- en leerproces en ze vereisen een ondersteunende organisatiestructuur en -cultuur.

Helaas is het aantal medewerkers met passie nog lager dan het aantal betrokken medewerkers. Uit het laatste onderzoek naar gepassioneerde medewerkers in de VS blijkt dat ten hoogste 13% van het personeel (inclusief managers) elk van de drie bovengenoemde kenmerken bezit. 39% beschikt over een of twee daarvan. 64% van alle werknemers en managers van organisaties in de VS zijn noch betrokken noch gepassioneerd, of met andere woorden, ze missen de essentie van ondernemend gedrag.

Dit gebrek aan ondernemerschap of intrapreneurship is heel begrijpelijk. Bedrijven in de 20ste eeuws bedrijven hebben hun productie georganiseerd volgens de principes van schaalbare efficiëntie met een bijbehorend systeem van planning en controle, top-down beoordeling op basis van prestatie-indicatoren (KPI’s) en regelmatige rapportage aan de eerstvolgende baas in de hiërarchie. Bijgevolg is ruimte voor initiatief beperkt, en wordt dit evenmin verwacht en gewenst.

Ondertussen verandert de wereld snel. Kennis is wijdverbreid en is niet langer het exclusieve bezit van kleine groepen wetenschappers aan universiteiten en R & D-centra. Bedrijven die goed geprogrammeerde en gecontroleerde productiesystemen hebben opgezet, moeten daarom radicaal veranderen. Betrokken werknemers alleen zijn niet voldoende.

Wat nodig is zijn ondernemende werknemers met een aanzienlijke mate van autonomie.

In plaats van dat werknemers in silo’s worden opgeborgen, moeten ze flexibele, interdisciplinaire teams vormen met een grote mate van zelfbestuur én ondernemend gedrag. Van belang zijn verder minder grote verschillen in beloning, actieve promotie van (open) innovatie en mogelijkheden om buiten het bedrijf samen te werken.

Omdat slechts een beperkt aantal bedrijven aan deze voorwaarden voldoen overwegen veel gepassioneerde werknemers een ​​eigen bedrijf te starten. Overigens mede om zich op het goede moment weer te laten inlijven door een andere onderneming, die hen – behalve veel geld – tevens ruimte biedt voor continu leren en innoveren. Veel gepassioneerde werknemers behouden echter liever hun onafhankelijkheid. Ik kom hier later op terug.

Hieronder ga ik in op de vraag hoe bedrijven passie – en daarmee intrapreneurship – kunnen stimuleren. 

Zelforganisatie en ondernemerschap

Er zijn sterke argumenten voor zelforganisatie en -bestuur door werknemers, denk maar aan het boek Reinventing Organisations van Frederic Laloux. Toch is er weinig onderzoek gedaan naar de relatie tussen zelfmanagement, ondernemersgedrag en prestaties.

Het recent gepubliceerde HOW-rapport heeft hier verandering in gebracht.

Het rapport onderscheidt drie soorten organisaties: In de meeste staat ‘resultaten behalen’ centraal (62%). Daarnaast zijn er organisaties op basis van ‘doen wat de baas zegt’ (30%) en organisaties op basis van ‘medewerkerszelfbestuur’. Het aandeel van deze laatste groep steeg van 3% in 2012 tot 8% in 2016.

Onderzoek in 17 landen (waaronder Nederland, Duitsland, de VS, India, Rusland, China en Japan) toonde aan dat de bedrijven op basis van zelfbestuur beter presteerden (zie onderstaande figuur). 

Verschillen in prestaties van zelfbestuurde organisaties (rood), ‘traditionele organisaties’ (zwart) en organisaties op basis van gehoorzaamheid (grijs). Bron het HOW report

Het rapport heeft ook onderzocht waarom medewerkers van dit type organisaties zich onderscheiden. Dit blijkt te zijn: Meer onderling vertrouwen, bereidheid om risico’s te nemen, viering van succes als collectieve prestatie, samenwerken, inspringen voor elkaar, informatie delen en afkeuren van ‘groupthink’. Deze kenmerken zijn nauw verbonden met de structuur en cultuur van de organisatie, met leren en in het gedrag van leidinggevenden. De vraag is hoe je zo’n organisatie kunt worden. Het Deloitte-rapport Work environment redesign, geschreven door John Hagel, John Seely Brown en Tamara Samoylova, past ontwerpprincipes toe om deze vraag te beantwoorden. Een korte samenvatting van dit rapport kan hier worden gedownload.


Ethisch leiderschap

Het onderzoeksbureau achter het HOW-rapport – Legal Research Network – ondersteunt bedrijven die de ethische grondslagen van het gedrag van werknemers en mede daardoor de morele basis van het bedrijf of de organisatie willen versterken. 

De onderstaande video is een inspirerend interview met de oprichter van dit bureau over moreel gedrag van bedrijven en ethisch leiderschap.


Starters: ondernemerschap voor velen

Elk jaar starten wereldwijd miljoenen mensen een eigen bedrijf. Alleen al in de VS geven ongeveer 2 miljoen werknemers jaarlijks goedbetaalde banen op. Het aantal zzp’ers in de VS bedraagt ongeveer 17 miljoen.

De termen starter en startup lopen vaak door elkaar wat tot verwarring leidt.

De passie van een startup is om een ​​veelbelovende technologische innovatie te commercialiseren en snel te groeien op internationaal niveau. Daarom moet dit soort bedrijven substantieel kapitaal vinden en er zijn meestal meer medewerkers in dienst.

Voor de meeste starters is de passie het hebben van een eigen bedrijf dat hen in staat stelt in hun levensonderhoud te voorzien. In Nederland hebben zich in 2018 127.000 starters ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. De snelst groeiende starters zijn uitzendbureaus, restaurants, kinderdagverblijven, cafés, maatschappelijk werk en consultancy . Slechts 200 (0,16%) voldoen aan de criteria voor een startup en hoogstens 10% van de startups is uiteindelijk succesvol.

Succesvolle startups zijn motoren van groei en innovatie. Elk jaar geeft het Global Startup Ecosystem Report,gepubliceerd door het Global Entrepreneurship Network (GEN), een beeld van de ontwikkeling en groei van startups. Het rapport is gebaseerd op onafhankelijk onderzoek en gegevens van meer dan een miljoen bedrijven in 150 steden. Een ander recent rapport Startups: Job groeimotor in Nederland geeft een uitstekend beeld van de identiteit, de groei en het potentieel van de 4.311 Nederlandse startups.

Wereldwijd zijn startups verantwoordelijk voor het grootste deel van de economische groei en de toename van nieuwe banen.

De gestage groei van startups compenseert de verliezen in werkgelegenheid in de rest van de economie. De Nederlandse startups hebben de afgelopen twee decennia meer dan 100.000 banen gecreëerd. 20.000 van deze banen dateren uit de afgelopen twee jaar. 36% van de Nederlandse startups is een online marktplaats of e-commerceplatform, 30% een softwareprovider (meestal software-as-a-service), 20% ontwikkelt hardware en 7% is biotechnisch. 55% van alle Nederlandse startups heeft minder dan 10 werknemers. Voorbeelden van succesvolle bedrijven in Nederland die als startup zijn begonnen zijn ASLM, Booking.com en Bol.com.

Techleap.nl (voorheen Startup Delta) is een door de overheid gefinancierde non-profit organisatie, die de ontwikkeling van startups helpt versnellen met programma’s en initiatieven die de toegang tot kapitaal, markt en talent verbeteren.

Wereldwijd hebben startups tussen 2016 en 2018 een waarde van $ 2,8 biljoen gecreëerd. Concentraties van startups zijn verspreid over de hele wereld, zij het in een zeer ongelijke mate. Silicon Valley is verreweg de grootste concentratie, maar in ten minste 30 steden (hieronder vermeld) groeit het aantal startups aanzienlijk en dat geldt ook voor de investeringen in deze bedrijven.

De top 30 van de concentraties van startups wereldwijd Bron: Global Startup Ecosystem Report

Amsterdam Startup Delta

Volgens het Global Startup Ecosystem Report is Amsterdam Startup Delta in 2018 is de regio met de grootste stijging op de ranking. 34% alle Nederlandse startups is hier te vinden. Deze toename is het gevolg van een sterke groei in financiering, startup-output en (‘exit’)waarde, evenals sterke prestaties in life sciences en deep technology. Bovendien vonden er twee IPO’s van meer dan twee miljard dollar plaats: Adyen (een fintech-bedrijf met een actuele beursnotering van bijna $ 23 miljard) en Elastic (een databedrijf dat nu wordt gewaardeerd op meer dan $ 6 miljard).


De onderstaande grafiek geeft een overzicht van de toe- en afname van de financiering in de startfase van startups wereldwijd voor verschillende sectoren in vergelijking tot de groei van de (‘exit’)waarde van de bedrijven, ook gedurende de afgelopen vijf jaar.

Startup sub-sector levenscyclus. Bron: Global Startup Ecosystem Report
Incubatoren en acceleratoren

Elk jaar worden er wereldwijd duizenden startups opgericht, maar slechts een op de tien wordt een succes.

Startups hebben ondersteuning nodig om te overleven. Deze komt van incubatoren en acceleratoren (versnellers).

Het is boeiend om een ​​kijkje te nemen in de wereld van incubatoren de acceleratoren. UBI Global publiceerde onlangs haar tweejaarlijkse beoording, die kan worden gedownload van haar website. 364 programma’s zijn beoordeeld. Er wordt onderscheid gemaakt tussen incubatoren en acceleratoren die verbonden zijn aan universiteiten, steden en particuliere instellingen.

In elke categorie wordt een verder onderscheid gemaakt tussen de winnaar en de top 5, 10 en 25; er is dus geen ranking. Hieronder richt ik me op de grootste categorie, universitair-gerelateerde incubatoren. Opgemerkt moet worden dat de absolute top ontbreekt, omdat instellingen zich moeten aanmelden om te worden beoordeeld. Een instelling als Stanford University in Silicon Valley voelt hiertoe begrijpelijkerwijs geen noodzaak.

Bovenaan de ranglijst van 2019 (net als bij eerdere gelegenheden) staat SETsquared Partnership. Dit is een samenwerking tussen vijf universiteiten in het zuidelijke deel van Engeland: Bath, Bristol, Exeter, Southampton en Surrey: Deze incubator voert in vier taken uit: (1) ondersteunen en huisvesten van startende bedrijven, (2) studenten oriënteren op ondernemerschap, (3) onderzoekers helpen commercieel gebruik te maken van hun bevindingen, onder meer via een uitgebreid platform voor open innovatie en (4) bemiddelen bij financiering. Zoals bij de meeste incubatoren het geval is stopt de ondersteuning niet bij een succesvolle start; er is een versnellingsprogramma (accelerator) dat bedrijven begeleidt bij hun verdere groei. Opmerkelijk is dat 90% van alle ondersteunde startende ondernemingen (niet per se startups) succesvol is.

Van de 89 Nederlandse incubators en accelerators (31 in Amsterdam) behoren er twee tot de eerste tien in de UBI-ranglijst: Yes! Delft en UtrechtInc. Andere prominente Nederlandse incubatoren en acceleratoren zijn Startupbootcamp (Amsterdam), Rockstart (Amsterdam), Collider (Amsterdam) en HighTechXL (Eindhoven).


Startup bootcamp (SBC)

Startup bootcamp is een internationale organisatie die versnellingsprogramma’s van drie maanden aanbiedt voor verschillende sectoren zoals financiën, handel en fintech in onder andere Amsterdam, Melbourne, Dubai en Milaan. Doelgroep zijn geselecteerde bedrijven en het programma biedt hen toegang tot een wereldwijd netwerk van experts, mentoren, investeerders en eventuele partners.  Bovendien zijn er masterclasses op topniveau, mogelijkheden om te pitchen en netwerkevenementen en wordt voorzien in huisvesting voor het bedrijf en € 15K om de kosten van levensonderhoud te dekken, in ruil voor 8% aandelenbezit.

Onderstaande video laat je kennismaken met de leden van het Amsterdamse SBC Commerce Class van 2019, die vertellen waarmee ze bezig zijn en wat deelname aan het bootcamp voor hen heeft betekend. 


De beoordeling van incubatoren en acceleratoren levert een beeld op van hun kritieke succesfactoren:

(1) goede professionele en commerciële begeleiding, die (2) meebeweegt met de levensfase van het bedrijf (3) met een sterk gevoel voor klantbehoeften en innovatie (4) ) een relatie met wetenschappelijke velden waarvan vooraanstaande wetenschappers bereid zijn startups en spin-offs te begeleiden; (5) scouting in de eigen universiteit van te commercialiseren potentiële kennis en (6) niet in de laatste plaats eigen financieringsmogelijkheden of actieve bemiddeling bij kapitaalverstrekkers.

Ondernemerschap en de stad

In het laatste deel ga ik verder waar ik in het eerste deel gebleven ben: De rol van de stad en de gemeentelijke overheid. Bloeiende onderneming in alle soorten en maten zijn tezamen met (onderwijs)instellingen een noodzakelijke voorwaarde voor steden om hun bewoners banen en inkomen te verschaffen.

Het stadsbestuur speelt een belangrijke mogelijk maken van economische groei en teven de afstemming daarvan met natuur, gezondheid, wooncomfort en andere eigenschappen van de kwaliteit van leven. 

Steun aan starters

Vanuit een perspectief van economische groei zijn startups relatief belangrijker dan starters in het algemeen, die gewoonlijk slechts één persoon in dienst hebben, maar wel groot in aantal zijn.

In veel landen bieden de Kamers van Koophandel bescheiden ondersteuning en mijn indruk is dat meer ondersteuning de positie van starters in vergelijking met die van startups sterk kan verbeteren.  In het geval van starters zijn steden in de eerste plaats geïnteresseerd in detailhandel, handel en ambachtelijke bedrijven die zich in centrale delen bevinden en dus een bredere impact hebben. 


Startup in residence-programma

Het Startup in Residence-programma stelt startups en scale-ups in staat belangrijke sociale uitdagingen voor het openbaar bestuur op te pakken. Het begon in Amsterdam; nu bieden ongeveer 20 andere Nederlandse steden, provinciale overheden en ministeries ook programma’s aan. Het programma staat open voor Nederlandse en buitenlandse ondernemers. Het biedt intensieve training en ondersteuning door professionele coaches. Ook is werkruimte beschikbaar. Onder bepaalde omstandigheden worden de lokale, regionale en nationale overheden ‘launching customer’ of partner.

Onlangs is een rapport gepubliceerd over de impact die het Startup in residence programma de afgelopen vijf jaar heeft gehad. 

Overzicht van het Amsterdamse startup in residence’ programma

Verwijzend naar rapporten van de Europese Unie lijkt één beleidsinstrument in het bijzonder de groei van startups te ondersteunen en dat is financiering. Seoul begreep dit en in 2012 steunde de stad de oprichting van de Dream Bank, een stichting zonder winstoogmerk die door de Koreaanse banksector wordt gefinancierd om de Koreaanse startups via één loket financiële steun te bieden.

Echter, Het Global Startup Ecosystem Report 2019 laat zien dat overheden startups met veel meer kunnen helpen dan met financiering alleen.  

Het onderstaande overzicht toont de mogelijkheden, geordend naar de mate waarin deze worden gebruikt. Financiering staat bovenaan, maar andere terreinen zijn het aanbieden van specifieke organisaties en programma’s zoals incubatoren en acceleratoren, de toelating van briljante buitenlandse wetenschappers en ondernemers, inclusief competente vluchtelingen, ondersteuning bij de export enzovoort. Hoe lager op de lijst, hoe minder de frequentie de genoemde acties voorkomen en des te groter de mogelijkheid van comparatief voordeel is.

Maatregelen om de vestiging van startups te ondersteunen. Bron: Global Startup Ecosystem Report
Fablabs

‘Makers’ zijn zoals eerder vermeld een specifieke categorie starters, die soms een startup worden. Aanvankelijk hebben ze nauwelijks de mogelijkheid om nieuwe producten te ontwikkelen.  In de VS en Canada bieden steeds meer openbare bibliotheken faciliteiten daarvoor. De Edmonton-bibliotheek (Canada) heeft een laboratorium opgezet waarin 3D-printers zijn geïnstalleerd en krachtige computers met allerlei ontwerpsoftware beschikbaar zijn. Veel andere steden volgen dit voorbeeld door fablabs op te zetten. Dit zijn werkplaatsen waar (startende) ‘makers’ gebruik kunnen maken van uiteenlopende hulpmiddelen.

Incubators en acceleratoren

Het beste wat elke stad kan doen, is actieve participatie aan een of meer incubatoren en acceleratoren, bij voorkeur in samenwerking met universiteiten en regionale bedrijven. Incubatoren zijn een one-stop-shop die alle vormen van ondersteuning bieden die in de bovenstaande tabel worden genoemd.

Binnen een incubator zou het stadsbestuur de eerste verantwoordelijke partij kunnen zijn voor juridische zaken, aanbieden van werkruimten (aanvankelijk gratis en later tegen aantrekkelijke tarieven) en inkoop.

Een groeiend aantal steden en hun aangrenzende regio’s hebben zogenaamde ‘Economic Boards’ opgezet. De Amsterdam Economic Board is bijvoorbeeld een platform voor regionale bedrijven, onderwijsinstellingen en andere instellingen, die onder andere actief de verbinding tussen grotere bedrijven en startups aanmoedigen.


Samenwerking tussen grote bedrijven en startups

In de VS fungeert een toenemend aantal organisaties, bijvoorbeeld Techstarsde Vault en Plug and Play als innovatienetwerken of -platforms waar startups, verstrekkers van risicokapitaal en bedrijfsinnovatieteams – bijvoorbeeld van Target, Panasonic, Coca-Cola, Allianz en Honeywell – samenwerken bij de ontwikkeling van nieuwe producten en diensten.

Volgens Bill O’Connor, die de Vault Innovation Academy runt, waarmee startups en bedrijven worden ondersteund, kunnen grote organisaties nu sneller en effectiever gebruikmaken van netwerken van ondernemers, technologie en disruptieve bedrijfsmodellen dan ooit tevoren.


Revitalisatie van steden

Stimuleren van de groei van starters in het algemeen en startups in het bijzonder moet waar mogelijk gepaard gaan met het vergroten van hun zichtbaarheid. Gelukkig maakt een beleid van strikte zonering van stedelijke activiteit plaats voor het creëren van gemengde gebieden, waar mensen wonen, leren en – waar mogelijk – werken. In stadscentra en buurtwinkelcentra sluiten veel winkels en dit maakt het mogelijk om de lege ruimte te gebruiken voor een uiteenlopende niet-conflicterende andere bestemmingen tegen redelijke huurprijzen

Om steden aantrekkelijker te maken voor startups, inclusief buitenlandse, is echter meer vereist. De korte video hieronder laat zien hoe de aanwezigheid van letterlijk alles – bedrijven, collega’s, concurrenten, klanten, vergadermogelijkheden, universiteiten, bars, restaurants, immigranten en zon – heeft bijgedragen aan de weergaloze groei van het aantal startups in Tel Aviv en hun succes. Deze voorwaarden kunnen niet worden gedupliceerd, net zomin als Silicon Valley kan worden gekopieerd. Maar het wijst erop dat de groei van het aantal startups niet van slechts een factor afhankelijk is.


De passie van de uitvinder laten ontkiemen

Meer jongeren dan voorheen voelen zich aangetrokken tot ondernemerschap, meer in het bijzonder het ontwikkelen van nuttige goederen, diensten of beide. Lange tijd gaven scholen prioriteit aan het werken met het hoofd in plaats van met de handen. Deze korte video laat zien hoe een groeiend aantal scholen de waarde van het maken van dingen heeft herontdekt en zo de weg heeft geopend naar een ondernemende of anderszins creatieve toekomst.


Campussen

Steden moeten bedrijven die op zoek zijn naar een geschikte locatie goed in de gaten houden. Innovatieve bedrijven moeten absoluut prioriteit krijgen en vooral voor deze bedrijven is een campuslocatie aantrekkelijk. Een campus biedt ruimte aan verscheidene bij voorkeur complementaire bedrijven, groot en klein, en biedt faciliteiten om samen te werken met wetenschappers. Een campus kan gemakkelijk worden geïntegreerd in woongebieden en voorzieningen zoals parken en vijvers. De Eindhoven High Tech Campus is een voorbeeld bij uitstek. De onderstaande video geeft een beeld van het leven en werken op deze campus.


Amsterdam Smart City

Co-locatie van aanvullende startups en andere bedrijven is gunstig, maar gezien het grote aantal bedrijven niet altijd mogelijk. Een belangrijke stap is daarom het creëren van een (virtuele) community, zoals Amsterdam Smart City. Dit is een platform voor startende ondernemers, zelfstandigen, vrijwilligers waarvan de diensten, producten van expertise worden gezocht en gemobiliseerd door grotere bedrijven en non-profit organisaties.


Een humane benadering van ondernemerschap

Passie is waarschijnlijk een van de belangrijkste drijfveren, die bijdragen de vervulling van ons leven. Passie kan ook ten grondslag liggen aan ondernemerschap en intrapreneurship, en een motor van welzijn en welvaart worden

In dit essay heb ik de verdwijning van ambacht in West-Europese steden gememoreerd tijdens de industriële revolutie. Tegenwoordig zijn de meeste mensen in westerse landen werknemer, hoewel het aantal kleine en middelgrote bedrijven groeit. Er is veel ruimte voor ondernemerschap, en de toename van het aantal startups illustreert dit. Zoals in het artikel wordt benadrukt, kunnen ook grotere bedrijven het mogelijk maken dat werknemers ondernemer – intrapreneur – worden. Lange tijd was daar geen sprake van. Industriële productie werd geleid door strategische plannen, vertaald in gedetailleerde opdrachten voor werknemers. Door middel van hiërarchische controlemechanismen werd vastgesteld of medewerkers de opgedragen rollen naar wens vervulden. Arbeid verloor zijn intrinsieke waarde en werd uitsluitend een aanleiding voor financiële beloning. Zo verdween betrokkenheid en passie op de werkplek.

Snelle maatschappelijke veranderingen maken nieuwe arbeidsrelaties nodig. De slimste organisaties zijn begonnen zichzelf opnieuw uit te vinden en geven ruimte aan ondernemerschap én zelfbestuur door de werknemers. 

Joseph Stiglitz heeft gewaarschuwd dat de creatieve kracht van ondernemerschap makkelijk omslaat in een destructieve. Een ‘maker’ wordt een ‘taker’ zodra waarde creëren wordt gereduceerd tot de groei van financiële waarde. Dit kan gebeuren wanneer bedrijven groeien en de passie en van de oprichter wordt vervangen door groei, winstgevendheid, maximalisatie van aandeelhouderswaarde en beloning van het management

Ook startups lopen het risico dat hun oorspronkelijke passie voor het maken van waardevolle producten omslaat naar het primaat van groei en hebzucht. De grootste startups ter wereld, Amazon, Google en Facebook, zijn hiervan sprekende voorbeelden. Ik heb geen idee waar de snelgroeiende Nederlandse startups zich op het continuüm tussen creatie en destructie bevinden. De hoogte van de inkomsten die de oprichters zichzelf toestaan ​​- is wellicht een indicatie.

Hieronder vat ik de essentie van een humane benadering van ondernemerschap samen


Beginselen voor een humane benadering van ondernemerschap

1. Iedereen die betrokken is bij het aanbieden van werk, moet uitgaan van het fundamentele inzicht dat de uiteindelijke doelen van werk zouden moeten zijn persoonlijke tevredenheid het leveren van een bijdrage aan welzijn en rechtvaardige welvaart.

2. Om meer ondernemend te worden, heeft intrapreneurship meer impact dan het ondernemersgedrag van managers ‘aan de top’ van bedrijven en organisaties.

3. De meest effectieve manier om ondernemerschap te ontwikkelen, is door starters in staat te stellen zich als ondernemers te gedragen.

4. Ondernemersgedrag is een van de meest effectieve drijfveren voor welzijn en welvaart zolang het streven naar nieuwe producten en diensten naast dat naar een redelijk inkomen wordt geleid door ethische en duurzaamheid-gerelateerde principes.

5. Voor betrokkenheid van werknemers te verhogen zijn arbeidsverhoudingen gebaseerd op vertrouwen, respect en flexibiliteit onmisbaar. Om passie mogelijk te maken, moeten de arbeidsverhoudingen ook gebaseerd zijn op (psychologisch) eigendom, uitdaging en autonomie, inclusief gedistribueerd leiderschap.

6. Hiërarchische organisaties staan haaks op de democratisering van kennis en vervreemden zich van de werknemers.

7. Het ultieme bewijs dat organisaties met zelfbestuur beter gebruik maken van menselijke hulpbronnen dan hiërarchische organisaties is dat zij in alle opzichten beter presteren.

8. Steden moeten contacten met bedrijven en organisaties institutionaliseren om permanente discussie over en experimenten met betrekking tot de humanisering van arbeidsrelaties, zelfbestuur en leren te doen ontstaan.

9. Gemeentebesturen kunnen een voorbeeld geven van verbetering van de arbeidsrelaties door zelfbestuur en intrapreneurship in hun eigen organisatie te ondersteunen.

10. Gemeentebesturen kunnen helpen om de ondernemerskwaliteiten van starters en startups te verbeteren, als onderdeel van hun bijdrage aan incubatoren en acceleratoren, samen met kennisinstellingen, bedrijven en andere organisaties.

11. Het stadsbestuur moet zich maximaal inzetten om betaalbare locaties voor starters, startups, bedrijven en campussen mogelijk te maken. Hiermee wordt tevens een bijdrage geleverd aan de versterking van de stedelijke structuur en wordt de milieukwaliteit behouden en verbeterd.

12. De oprichting van fablabs, adviesdiensten en betaalbare werkruimten zijn een steun in de rug voor burgers die starter willen worden.

De goed gevoede stad

Hoe kan de wereld zorgen voor voldoende voedsel van goede kwaliteit zonder de natuur te belasten? De overgang naar regeneratieve landbouw is de belangrijkste stap.

Impressies van een mediterraan gerecht. Foto: Grobery (Flickr).

Als het gaat om de uitstoot van broeikasgassen, werd tot voor kort vooral gekeken naar de industrie, de gebouwde omgeving en de transportsector. Landgebruik en landbouw hebben echter ook een aanzienlijk aandeel in de uitstoot van broeikasgassen en in de snelle achteruitgang van de biodiversiteit, waardoor de continuïteit van de voedselproductie in gevaar komt.

Tegelijkertijd krijgt de kwaliteit van het eten zelf steeds meer aandacht. Velen beschouwen het dominante dieet in de westerse wereld als ongezond, afgezien van de enorme verspilling van voedsel. Aan de andere kant is een aanzienlijk deel van de wereldbevolking nog steeds ondervoed of slecht gevoed.

Het titelplaatje toont een typerend gerecht uit het mediterrane dieet, vaak bestempeld als het gezondste dieet ter wereld. Het is gebaseerd op het normale voedingspatroon in landen rond de Middellandse Zee en bevat vis, zeevruchten, volle granen, vers fruit en groenten, noten, zaden, olijfolie van eerste persing alsmede vlees en wijn, met mate en van goede kwaliteit[1].


De goed gevoede stad maakt deel uit van een reeks essays over hoe steden humaner kunnen worden. Dat betekent het vinden van een evenwicht tussen duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en leefbaarheid. Dit vereist vergaande keuzes. Zodra deze keuzes zijn gemaakt, is het vanzelfsprekend dat we bij de uitvoering daarvan slimme technologieën gebruiken.

De artikelen die al zijn gepubliceerd, zijn hier te vinden.
  1. Inleiding: Steden in de toekomst: Vanzelfsprekend smart. Humaan als keuze
  2. De gezonde stad
  3. De veerkrachtige stad
  4. De klimaat-neutrale stad
  5. De veilige stad
  6. De goed-bestuurde stad
  7. De donut stad
  8. De kringloop stad
  9. De digitaal rechtvaardige stad

Om te beginnen onderzoek ik de bijdrage van agrarische landgebruik aan de uitstoot van broeikasgassen en de vermindering van de biodiversiteit. Daarna ga ik dieper in op oplossingen die momenteel ter discussie staan. Ik ga na in hoeverre ze tevens bijdragen aan de behoefte aan voldoende gezond voedsel voor de hele wereldbevolking op de langere termijn. Ten slotte komt de rol van steden bij de transitie van de voedselproductie aan de orde.

Wat is er mis met het boerenbedrijf

Het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) – een onafhankelijke instelling opgericht in 2012 met inmiddels meer dan 130 lidstaten – heeft een diepgaand rapport geschreven over de productie van ons voedsel. Het is gebaseerd op bijna 15.000 referenties en 150 experts in de natuur- en sociale wetenschappen uit meer dan 50 landen[2].  

De moderne landbouw heeft ontwikkelde en opkomende landen voorzien van een overvloed aan voedsel, als gevolg van grootschalige productie, het gebruik van hoogwaardige en genetisch gemodificeerde zaden, chemische bestrijdingsmiddelen en de ‘ontginning’ van een groot deel van de bosgebieden. Ontwikkelingslanden kampen daarentegen nog steeds met een aanzienlijke tekort aan voedsel.

Een halve eeuw van overvloed is ten kosten gegaan van bodem en klimaat.

Het rapport concludeert met grote stelligheid dat business as usual niet zal werken als we het verlies aan biodiversiteit willen stoppen, de achteruitgang van de natuur tot staan willen brengen en de doelstellingen voor klimaat en duurzame ontwikkeling tegen 2030 willen bereiken[3].

Broeikasgassen

De huidige manier van agrarisch grondgebruik brengt wereldwijd 24% van alle broeikasgassen voort. 11% is CO2  en afkomstig van kaslandbouw, ontbossing en grondbewerking; 7% is CH4 – methaan –  en afkomstig van vee en rijstvelden); 6% is NO2 en afkomstig van meststoffen en vee[4].

Grondbewerking, als onmisbaar onderdeel van intensief agrarisch grondgebruik, heeft de capaciteit van de bodem om CO2 vast te leggen sterk verkleind. Bovendien heeft de wereldwijze vernietiging van bossen, de regenwouden in het Amazonegebied in de eerste plaats, de immense opslagcapaciteit van CO2 in bomen aanzienlijk doen afnemen.

De vernietiging van de bodem

Bodem, de bovenste laag van de grond, is een delicate structuur van mineralen en dierenleven, die direct verantwoordelijk is voor de vruchtbaarheid van velden en weiden. Eeuwenlang zorgden gezonde bodems voor de productie van gewassen. Een roterend systeem en het gebruik van dierlijke mest maakte een aanhoudende regeneratie van de bodemstructuur mogelijk. Vandaar dat de vruchtbaarheid werd behouden en verbeterd. Onderstaande korte documentaire toont de ontwikkeling, vernietiging en conservering van bodems.

Landdegradatie heeft inmiddels wereldwijd 30% van het agrarisch grondgebied onbruikbaar gemaakt.

http://www.fao.org/world-soil-day/en/

De moderne landbouw heeft bodems gecreëerd zonder enig leven, door massaal gebruik te maken van kunstmest, chemische bestrijdingsmiddelen en door intensief te ploegen.

Aanvankelijk nam de opbrengt hierdoor aanzienlijk toe – wie herinnert zich de term Groene Revolutie niet – maar geleidelijk begon de kwaliteit van de bodem achteruit te gaan met als gevolg dat nog meer kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen werden gebruikt. Elk jaar wordt wereldwijd 39 miljoen hectare aangetast (een gebied zo groot als Zimbabwe)[5] en volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN in 2050 zal 90% van alle bodems wereldwijd niet meer productief zijn[6] en over 60 jaar 100%. Althans als ingrijpende maatregelen uitblijven[7].

Afbraak van de natuur

Vijfenzeventig procent van het landoppervlak is de afgelopen decennia aanzienlijk veranderd, 66 procent van de oceanen ondervindt nadelige effecten van menselijk handelen en meer dan 85 procent van het oppervlak van wetlands is verloren gegaan. Hetzelfde geldt voor ongeveer de helft van het levende koraal.

Het aantal inheemse soorten is met minstens 20 procent gedaald. Zelfs als de temperatuurstijging op aarde ten gevolge van het broeikaseffect beperkt blijft tot 2°C zullen de meeste diersoorten op aarde sterk krimpen.

Voedselkwaliteit

De ontwikkeling van de moderne landbouw heeft de balans tussen de afzonderlijke voedingsstoffen in het voedselpakket in ontwikkelde landen verstoord.

Het gangbare dieet bevat te veel eiwitten, koolhydraten, verzadigd vet, zout en suiker en te weinig vezels en mineralen. De gevolgen zijn ernstig: Meer dan de helft van de mensen in ontwikkelde landen is te dik, 25% is zwaarlijvig en voedsel gerelateerde vormen ziekten, waaronder kanker en hart- en vaatziekten nemen snel toe. 

Het zware bestaan ​​van boeren

Veel boeren maken zich zorgen over de continuïteit van hun bedrijf. Op de doorgaans goed toegeruste boerderijen rust een aanzienlijke schuldenlast en elk jaar van tegenvallende oogsten brengt veel boeren op de rand van faillissement. Veel boeren missen opvolgers en twijfelen aan de zin van hun leven.

Bovendien kost de subsidiëring van de landbouw en veeteelt, alleen al in de VS jaarlijks $13 miljard. Meer nog dan in Europa, wordt het gedrag van boeren in de VS sterk behalve door door deze subsidies bepaald door de kolossale agribusiness bedrijven zoals Monsanto en ADM, die boeren ertoe aanzetten zich te specialiseren in één product[8].

Overproductie van voedsel in ontwikkelde landen

Alleen al in de VS hadden zuivelproducenten – volgens het Amerikaanse ministerie van Landbouw – in juli 2018 een cumulatief overschot aan kaas van 1,39 miljard pond. Ook de productie van vlees overtreft de vraag. Amerikaanse vleesproducenten hebben 2,5 miljard kilo kip, kalkoen, varkensvlees en rundvlees in de koeling liggen. Je kunt je afvragen hoe zo’n voorraad eruitziet. Als je alle overtollige kaas en vlees gebruikt om één reuzehamburger te maken, verdwijnt het Capitool vrijwel geheel uit het zicht[9].

Amerikaanse voorraad vlees en kaas (bron US Department of Agriculture 2018)
Ongelijke verdeling van middelen

De huidige voedselproductie is voldoende om aan de wereldwijde behoeften te voldoen, maar 11 procent van de wereldbevolking is ondervoed.

Dieet-gerelateerde ziekten zorgen voor 20 procent van de voortijdige sterfte, zowel door onder- als overvoeding (obesitas).

De toename van de productie van voedsel en biomassa is ten koste gegaan van andere bijdragen van de natuur aan de kwaliteit van leven, zoals regulering van lucht- en waterkwaliteit, het klimaat, opslag van koolstof en behoud van natuurlijke ecotopen[10].

Er bestaat brede overeenstemming over de conclusie van het bovengenoemde rapport van het Intergovernmental Platform for Science Policy on Biodiversity and Ecosystem Services, dat de voedselproductie in opkomende en ontwikkelde landen op een fundamentele manier moeten veranderen om de kwaliteit van de bodem en van het voedsel te verbeteren, de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en de biodiversiteit te vergroten. 

De grootste verandering is de overgang naar regeneratief bodemgebruik.

Regeneratief bodemgebruik

De term regeneratief is voor het eerst gebruikt door Bob Rodale, die de biologische landbouw populair maakte tot hij stierf in 1990. Hij en de beweging die zijn ideeën in praktijk brengt, verkiezen de term regeneratief boven organisch en duurzaam. De term organisch benadrukt wat afwezig is zoals chemische meststoffen en bestrijdingsmiddelen. Regeneratief betekent daarentegen dat de kwaliteit van de bodem door de jaren zal verbeteren dankzij de zorg van boeren.

Regeneratieve landbouw wordt gekenmerkt door de onderstaande kenmerken[11].

  • Beperking van grondbewerking (ploegen) om bodems in staat te stellen hun kwaliteit jaar na jaar te verbeteren en CO2 op te slaan.
  • Geen of minimaal gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest.
  • Het land gedurende alle seizoenen bedekt houden om ter voorkoming van uitdroging.
  • Rotatie van een rijke variëteit aan gewassen, inclusief weiden.

De documentaire From the ground up toont de kenmerken van regeneratieve landbouw in de praktijk.

Regeneratieve landbouw kent verschillende variëteiten, bijvoorbeeld, biologische landbouw, conserverende landbouw, agro-ecologie, roterende begrazing, voedselbossen en permacultuur. Veel daarvan zijn besproken in het baanbrekende Drawdown report, dat 100 strategieën beschrijft die de uitstoot van broeikasgassen volledig kunnen stoppen of compenseren. Meer dan 30% daarvan komt voor rekening van veranderingen in agrarisch landgebruik.

De overgang naar regeneratieve landbouw omvat ook wetenschappelijk onderzoek, deskundige advisering, supermarkten die prioriteit geven aan gezonde en milieuvriendelijke producten, banken die financiële hulp bieden en overheden die bereid zijn om de overgang naar duurzame vormen van landbouw en veeteelt te subsidiëren. Hieronder belicht ik enkele aspecten van deze overgang.

Koolstofopslag

Regeneratieve landbouw vergroot het vermogen van de bodem om koolstof op te vangen. Schimmels zorgen voor het behoud van organisch materiaal door dit te verbinden aan mineralen. Het Rodale-instituut, een non-profitorganisatie die de biologische landbouw ondersteunt, stelt dat regeneratieve technieken meer dan 100% van de vrijkomende broeikasgassen opvangen[12]. Volgens Tim LaSalle, mede-oprichter van het Center for Regenerative Agriculture and Resilient Systems van California State University, is deze zienswijze gerechtvaardigd, maar ook dat er meer onderzoek is nodig om gunstige en minder gunstige omstandigheden in kaart te brengen[13].


Technologie en regeneratieve landbouw: Christine Su

Christine Su zocht, nadat ze een succesvolle ondernemer in Silicon Valley was geworden, een nieuwe uitdaging met impact voor de wereld. De eigen zoektocht naar voedsel waar ze zich goed bij voelde, had haar bewust gemaakt van de destructieve impact van de huidige geïndustrialiseerde landbouw. Ook zei kwam uit bij regeneratieve methoden. Een beginnende regeneratieve boer moet het land analyseren, weiden onderverdelen, vee laten roteren en een brede diversiteit aan gewassen telen[14]. Om hen daarbij te helpen ontwikkelde ze PastureMap[15], een digitaal planning instrument dat boeren helpt bij de beoordeling van de opbrengst en de daarmee samengaande bodemverbetering, zoals de hoeveelheid koolstof die hun grond opslaat.


Veiligstellen van de voedselzekerheid en van het inkomen van boeren in ontwikkelingslanden

In ontwikkelingslanden opent regeneratieve landbouw de weg naar economisch sterkere regio’s en mogelijk om de trek vaan de stad af te remmen. In de jaren 1990 ontwikkelde landbouwkundige Subhash Palekar een reeks landbouwmethoden die nu bekend staan ​​als Zero Budget Natural Farming. Zijn doel was het verbeteren van de voedselzekerheid en het voorkomen van hoge schulden veroorzaakt door leningen om meststoffen en zaden te betalen.

Momenteel zijn er ongeveer 160.000 boeren in de staat Andhra Pradesh in India die regeneratieve methoden toepassen. De regering is van plan om dit aantal tegen 2024 tot 6 miljoen op te schalen[16].

Vermindering van de ecologische voetafdruk van vee

De geïndustrialiseerde veehouderij worden terecht gezien als een belangrijke producent van broeikasgassen.

De dieren zelf treft geen blaam.

Integendeel, in de regeneratieve landbouw zijn zij onmisbaar vanwege het gebruik van mest. Onderstaande video illustreert de rol van veehouderij in de regeneratieve landbouw.

In dit verband is het tevens instructief om een vergelijking te maken tussen de ecologische voetafdruk van regeneratieve landbouw en boerderijen die soja produceren, ten behoeve van de productie van plantaardig vlees.


White Oak Pastures versus the Incredible Burger

White Oak Pastures is een boerderij in Zuid-Georgia (VS) die vee houdt met behulp van regeneratieve methoden. Een bedrijf genaamd Quantis voerde in dit bedrijf een levenscyclusanalyse (LCA) uit.  Daarbij werd de totale hoeveelheid uitgestoten en opgeslagen broeikasgassen gemeten en toen bleek dat de opslag in de bodem groter was dat de totale emissie[17].

Hetzelfde bedrijf voerde de een LCA uit bij een bedrijf dat de soja levert waaruit de Impossible Burger van Burger King wordt gemaakt. Uit deze analyse bleek dat zoals verwacht de uitstoot van broeikasgassen veel lager is dan die van de conventionele veehouderij. Echter, bij de teelt van genetisch gemanipuleerde soja komen nog meer broeikasgassen vrij dan er worden opgeslagen[18].

De netto-uitstoot van White Oak Farm (bron: Savory Institute)

De onderstaande grafiek geeft bij wijze van samenvatting een overzicht van de verschillen tussen conventionele en regeneratieve methoden. De eerste zijn een exponent van de take-make-waste economie, de tweede imiteren natuurlijke regeneratiesystemen waar afval niet bestaat, maar in plaats daarvan input is voor een andere cyclus.

Conventionele versus regeneratieve landbouwmethoden. Bron: Ellen MacArthur Foundation[19]

In de onderstaande video maak je kennis met de boer en de boerin van een nieuwe regeneratieve boerderij nabij Nijmegen[20].

De kwaliteit van ons voedsel

Om gezond te leven, hebben we een hoeveelheid voedingsstoffen nodig, zoals eiwitten (in vlees, vis en noten), koolhydraten (in granen en in aardappelen), onverzadigd vet (deels in vis en zuivel), vezels, mineralen, vitamines en niet te vergeten water[21].

Diëtisten adviseren volwassenen wereldwijd om dagelijks gemiddeld 2000 kilocalorieën binnen te krijgen. De helft van de dagelijkse calorieën moet afkomstig zijn van groenten en fruit, en de rest van volle granen, magere zuivelproducten en een beperkte hoeveelheid vis of vlees. Tot op zekere hoogte kunnen deze ingrediënten elkaar compenseren, bijvoorbeeld minder vlees en meer noten en bonen.

Het eerste probleem is dat in ontwikkelde landen bijna iedereen veel meer eet dan 2000 kilocalorieën. In de VS, zijn dat gemiddeld 2600 kilocalorieën per dag[22].

Als gevolg hiervan leidt nu al 25% van de bevolking van de VS aan zwaarlijvigheid (obesitas), wat resulteert in een hele reeks gezondheidsklachten.

Het tweede probleem is dat het gemiddelde menu in ontwikkelde landen niet gezond is. In het bijzonder Amerikanen eten te veel verzadigd vet, met name in rood vlees, boter, room en chocolade). De hoeveelheid geconsumeerd vlees in de VS is 125 kilo per hoofd van de bevolking per jaar, wat de geadviseerde hoeveelheid met 130% overschrijdt. Ze eten ook te veel koolhydraten (granen, aardappelen), (toegevoegde) zoetstoffen, zout en verwerkt voedsel. Amerikanen eten veruit niet genoeg fruit, groenten en (vetarme) zuivelproducten, wat resulteert in een tekort aan vezels en mineralen.

Hetzelfde geldt in wat mindere mate voor alle ontwikkelde landen en steeds meer voor alle opkomende landen

Experts geloven dat overmatige en slechte voeding 20% ​​van alle gevallen van kanker en een aanzienlijk aantal beroertes en hart- en vaatziekten veroorzaakt. Obesitas ondermijnt de gezondheid in alle opzichten[23].

Voeding-gerelateerde gezondheidsproblemen hangen samen met inkomen (sociale klasse).

Hoe armer de mensen zijn, hoe meer vet (hamburgers) en suiker (cola) en hoe minder groenten en fruit ze eten.

Er is discussie over de noodzaak om vlees en vis te eten.

Volgens sommigen is zijn vlees en met name vis belangrijk vanwege de aanwezigheid van hoogwaardige eiwitten en gezonde vetten. Anderen stellen dat vlees en vis volledig inwisselbaar zijn voor bonen en noten. Er zijn hier echter minstens twee belangrijke opmerkingen bij te maken.

In de eerste plaats hangt de impact van vlees op het milieu af van het soort vlees. De onderstaande tabel laat zien dat varkensvlees en kippen een veel kleinere impact hebben dan runderen en schapen[24].

CO2-impact van verschillende menu’s. Visualisatie: Melissa Amarello, Centrum voor biologische diversiteit

De tweede opmerking heeft betrekking op het eten van vlees dat afkomstig is van dieren die zijn grootgebracht onder regeneratieve omstandigheden. In dit geval is de opwarming van de aarde geen reden om minder vlees te eten. Minder vlees eten is dan wel nog raadzaam vanuit een gezondheidsperspectief. Ook zullen sommigen afzien van het eten van dierlijke producten om ethische of zelfs politieke redenen. 

Goed en voldoende voedsel voor de wereld

De conclusie is gerechtvaardigd dat de huidige nadruk op de productie van vlees en graan bijdraagt aan de ongezonde voeding van velen in ontwikkelde landen. Nog afgezien van de opwarming van de aarde, de achteruitgang van biodiversiteit en bodemkwaliteit en de ontginning van steeds nieuwe agrarische gebieden ten koste van de biogebieden.

Regeneratieve landbouw sluit veel beter aan bij de uitgangspunten van gezonde voeding.  

Het is ook een manier om landbouw en veeteelt in ontwikkelingslanden te verbeteren, omdat geen grote investeringen nodig zijn.

Het is nog niet mogelijk om nu al vast te stellen hoe groot de bijdrage van regeneratieve methoden ais aan de voeding van een ​​wereldbevolking van 10 miljard mensen in 2100. Hiervoor zijn meer onderzoek en praktijk nodig. Niettemin is er gegronde reden voor optimisme, zoals blijkt uit de productiviteit van grootschalige regeneratieve boerderijen[25].


Voorbeelden van de toepassing van regeneratieve methoden op grote schaal

Gepensioneerd zakenman Doug Tompkins en eigenaar van de Laguna Blanca Farm in Argentinië met een oppervlak van 3000 hectare, paste regeneratieve methoden toe om de boerderij te revitaliseren.

Laguna Blanca Farm. Afbeelding: Tompkins Conservation

Zijn eerste prioriteit was erosiebestrijding, door middel van ploegen volgens de hoogtelijnen, aanleg terrassen en keuze van gewassen. De tweede was het herstellen van vruchtbaarheid en bodemstructuur. De derde stap was diversificatie van de gewassen. Het bedrijf wil zoveel mogelijk biomassa op het bedrijf houden om de bodemvruchtbaarheid in stand te houden.

Een ander opvallend voorbeeld is Leontine Balbo’s Native Farm in Brazilië, waar de opbrengst aan suikerriet met 20% is verhoogt, na overschakeling op regeneratieve methoden. De Balbo Group is in 1986 begonnen met de introductie van deze technieken. ​​In de onderstaande video beschrijft Balbo de positieve impact daarvan op de natuur, de omgeving van de boerderijen en het bedrijf zelf.


Ook binnen de agribusiness groeit steun voor regeneratieve landbouw. Een voorbeeld is General Mills, een wereldwijd toonaangevend agrotechnisch bedrijf met een omzet in de VS in 2018 van $ 17,0 miljard. Het bedrijf kondigde onlangs aan dat het zal samenwerken met biologische en conventionele boeren, leveranciers en landbouwadviseurs om in 2030 op ruim 400.000 hectare regeneratieve methoden ingevoerd te hebben. Het bedrijf lanceert al producten met ingrediënten die zijn geteeld met behulp van regeneratieve methoden. 

Andere voorbeelden van agrotechnische bedrijven die op weg zijn naar circulaire productiewijzen zijn Danone[26] en Unilever.

Omdat de behoefte aan voedsel in deze eeuw zal verdubbelen en waarschijnlijk stabiliseert in 2100, moet de voedselvoorziening niet afhankelijk worden gemaakt van de schaalbaarheid van de regeneratieve landbouw alleen.

Er is een open oog nodig voor alle methoden die bijdragen aan de productie van gezond voedsel. Hieronder worden er enkele genoemd.

Kastuinbouw

Kassen produceren een enorme hoeveelheid tomaten, paprika’s, aardbeien, bramen, kruiden en bladgroenten en sinds kort ook bananen. Vanwege zijn kassen is Nederland de grootste exporteur van agrarische producten na de VS. Het gebruik van duurzame energie in de kastuinbouw groeit snel.

Ook andere vormen van ‘indoor’ vormen van land- en tuinbouw zijn in opkomst, zoals verticaal gestapelde kweekbedden en aquaponics (een vorm die het kweken van vis integreert met het kweken van planten).

Algen

De toepassingsmogelijkheden van algen zijn erg breed. Ze zijn een alternatief voor minder duurzame en schaarse ingrediënten, bijvoorbeeld voor visolie die wordt gebruikt als voedsel voor kweekvis en die onder druk staat door overbevissing[27]. Andere soorten algen zijn rijk aan plantaardige vetten en kunnen palmolie vervangen, waartegen steeds meer bezwaren rijzen.

Precisielandbouw

Precisielandbouw maakt eigenlijk deel uit van de geïndustrialiseerde landbouw. Het wordt hier genoemd vanwege het inherente milieubewustzijn. In precisielandbouw meten zelfrijdende kleine robottractoren en drones eigenschappen van de bodem, zoals watergehalte, aanwezigheid van zouten en de dichtheid. De gegevens worden opgeslagen in een database. Hierdoor kan de boer voor elke vierkante meter een exacte dosis bemesting en bestrijdingsmiddelen bepalen, wat de duurzaamheid verbetert. Het oogsten wordt uitgevoerd door kleine, elektrisch aangedreven tractoren[28].

Elektrisch aangedreven minitractor. Foto: Small Robot Company
Plantaardig vlees

Plantaardige alternatieven voor vlees worden aangeprezen als een levensvatbaar en duurzaam alternatief voor conventioneel vlees. Ze hebben een vergelijkbare voedingswaarde als vlees, en de productie vereist aanzienlijk minder water en energie.

Het aantal beschikbare varianten groeit snel, zoals Burger King’s “Impossible Burger” en Greggs “vegan sausage”. De smaak en textuur van vlees wordt steeds beter benaderd. Hierdoor zijn ze aantrekkelijker voor consumenten, met name als ze worden geserveerd met ketchup, mosterd en andere intensieve gearomatiseerde toevoegingen. Een volgende stap is dat dierlijke eiwitten worden vervangen door kunstmatige eiwitten, bijvoorbeeld uit gist.

Kunstmatig vlees

Het rapport Rethinking Food and Agriculture 2020-2030: The Second Domestication of Plants and Animals, the Disruption of the Cow, and the Collapse of Industrial Livestock Farming blinkt niet uit door terughoudendheid door te stellen dat in 2030 de Amerikaanse zuivel- en vee-industrie zal zijn ingestort en zijn vervangen door in het laboratorium gekweekt vlees en melk[29]. Dit zou moeten gebeuren in bioreactoren die gebruik maken van dierlijke cellen. Het resultaat is een product dat qua smaak en textuur bijna niet is te onderscheiden is van conventioneel geproduceerd vlees. De eerste in het laboratorium gekweekte hamburger is inmiddels gekeurd en goed bevonden. Van productie op grote schaal is nog geen sprake.

Het lijdt geen twijfel dat kunstmatige vormen van vlees en – wie weet – vis op de markt komen. Ze leveren ongetwijfeld een welkome bijdrage aan de voeding van de wereldbevolking. 

Tegelijkertijd is de mogelijke overname van de veehouderij door Silicon-Valley-ondernemingen een horrorscenario omdat het houden van vee in grote delen van de wereld woestijnvorming voorkomt[30].

Voedselbossen

Voedselbossen zijn niet natuurlijk van oorsprong, maar niettemin toonbeelden van regeneratieve landbouw[31].

Voedselbossen kennen doorgaans zeven lagen:

  1. De overkapping bestaat uit hoge bomen, meestal grote fruit- en notenbomen.
  2. Tussen de hoge bomen bevindt zich een laag van laag groeiende, fruitbomen tot een hoogte van 4 m.
  3. Genesteld tussen de kleine bomen staan struiken met verschillende soorten bessen.
  4. Vervolgens komt een laag met kruiden voor culinaire en medicinale doeleinden, die tevens veel bijen aantrekken.
  5. Eventuele resterende ruimte wordt ingenomen door bodembedekkers, die de grond beschermen, verdamping verminderen en voorkomen dat onkruid groeit.
  6. Het ondergrondse niveau wordt ingenomen door wortelgewassen, zoals aardappelen, wortelen en gember.
  7. Ten slotte wordt de verticale ruimte opgevuld door klimmers zoals druiven, klimbonen, bessen, passievruchten en kiwi’s.

In het afgelopen decennium is in Nederland ongeveer 100 hectare voedselbos gecreëerd en daarbij is veel kennis verzameld[32], bijvoorbeeld in Handboek aanleg en beheer van voedselbossen door Anastasia Limareva[33]. De onderstaande minidocumentaire is een illustratie van de ontwikkeling van voedselbossen in Nederland en hun bijdrage aan de productie van gezond voedsel.

De overgang naar regeneratief agrarisch bodemgebruik

Hieronder wordt de term regeneratieve landbouw gebruikt als een paraplu voor alle toepassingen van regeneratieve methoden, maar mogelijk niet allemaal tegelijk en niet volledig. Daarom is het nuttig dat onlangs een certificering voor regeneratief agrarisch bodemgebruik is ingevoerd. Deze certificering stelt de agrarische sector in staat om zich te onderscheiden. Het geldt dus voor boeren en de verwerkende industrie.

Het certificaat wordt verleend als er sprake is van de volgende kenmerken: 

  • Toename van organische materiaal in de bodem en van de opname van koolstof;
  • Bevordering van biodiversiteit
  • Verbetering van dierenwelzijn
  • Levensvatbare bedrijfsvoering en eerlijke arbeidsvoorwaarden voor werknemers;
  • Ontwikkeling van ecologisch en economisch veerkrachtige ecosystemen en netwerken.

Het transitieproces vereist veranderingen in de hele keten. De boeren, het bankwezen, de overheid, supermarkten en consumentengedrag.

Het is een illusie om te geloven dat dergelijke veranderingen gedetailleerd kunnen worden gepland. In het begin zullen er veel kleinschalige pilots en experimenten zijn. In plaats van elkaar te bekritiseren, moeten initiatiefnemers ervaringen delen en van elkaar leren.


El Hierro: Regeneratieve landbouw volgens plan

El Hierro is het kleinste Canarische eiland. 20 jaar geleden stelde de Spaanse regering voor om de 10.000 inwoners te laten verhuizen en het eiland onbewoond te houden. De inwoners ontwikkelden echter een alternatief plan en de regering stemde daarmee in[34]. Er is toen gekozen voor ​​agrarische grondgebruik op basis van regeneratieve methoden aangevuld met ecotoerisme en agro-business. In het begin verzetten boeren zich tegen de overschakeling op regeneratieve landbouw. Toen werd een proefboerderij gebouwd die na een tijdje de opbrengsten van het traditionele boerenbedrijf overtrof. Hierna deden alle boeren mee.

Naast bananen, levert het eiland ananas en druiven. Bovendien teelt de bevolking haar eigen voedsel. De eilanden voorzien in hun eigen water (door ontzilting), elektriciteit (met wind en waterkracht), gas en kunstmest (beide met een methaan bio-vergister). Alle installaties zijn co-operatief eigendom. Op dit moment is een project gestart om alle auto’s te elektrificeren[35].

In 20 jaar hebben de inwoners een veerkrachtige gemeenschap opgebouwd met coöperatieve bedrijven die vis en wijn produceren en exporteren en voorspoed brengen. Ondernemerschap bloeit en jonge mensen verlaten het eiland steeds minder. De onderstaande documentaire geeft een actuele update.

Transitie van de agrarische sector is een van de pijlers van de Green New Deal in de VS.

Deze verbindt milieuproblemen en sociale vraagstukken, omdat maar weinig boeren hun productie zullen veranderen als er geen uitzicht op een beter inkomen[36].

Deze plannen bleven niet onopgemerkt en als gevolg daarvan heeft een nationale coalitie die bijna 10.000 Amerikaanse boeren samen met 50 landbouworganisaties een brief naar het Congres gestuurd waarin ze aandringen op steun voor de Green New Deal. De overheden werden opgeroepen om hervorming van het agrarische beleid tot een prioriteit te maken voor de aanpak van zowel de klimaatcrisis als de economische crisis waarmee onafhankelijke familiebedrijven te maken hebben[37]. Deze actie is een lichtend voorbeeld voor Europese boeren.

De overheid kan op alle niveaus een faciliterende en ondersteunende rol spelen. Financiële ondersteuning is belangrijk, maar vanuit een oogpunt van governance is de belangrijkste taak van de overheid het maken van concrete plannen en het initiëren van samenwerking tussen alle belanghebbenden, uitgaande van een substantiële vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, herstel van bodems en biodiversiteit en het waarborgen van voedselzekerheid.  Financiële steun en fiscale prikkels voor boeren kunnen ook deel uitmaken van dit plan. Diversificatie van btw-tarieven, afhankelijk van de ecologische voetafdruk van de gewassen en de resulterende producten, zal de bereidheid van de agro-industrie vergroten om eerlijke prijzen aan boeren te betalen.

Aangezien er veel redenen zijn om de voedselketens te verkorten, is het wenselijk dat stedelijke en regionale overheden zich inzetten voor een versterking van regionale markten voor voedingsproducten. Ik zal dit thema in de volgende sectie verder uitwerken.

Hoe steden kunnen helpen om de productie van goed en voldoende voedsel veilig te stellen

Momenteel wordt elk jaar een derde van al het voedsel dat wereldwijd wordt geproduceerd weggegooid. Dit betekent een enorm verlies aan voedingsstoffen en het is een belangrijke oorzaak van milieuproblemen. Een van de oorzaken is de grote afstand die voedsel moet afleggen van gebieden waar het wordt geproduceerd naar de consumenten. Dit ondanks het feit dat wereldwijd 40% van alle akkers en weiden op een afstand van hoogstens 20 km van een stad verwijderd ligt, de peri-urbane zone. 

De peri-urbane zone. Bron: Ellen MacArthur Foundation

Helaas is slechts een klein deel van de oogst uit deze gebieden bestemd voor de dichtstbijzijnde stad.

In plaats daarvan wordt het grotendeels naar andere delen van de wereld geëxporteerd[38]. De onderstaande kaart geeft een indruk van de keten binnen Europa. Veel landen bevorderen de groei van de export van groenten en andere landbouwproducten. Nederland is een van de meest succesvolle voorbeelden.

Intra-Europese handel in groenten. Bron: UN-Comtrade, Eurostat 2017.

Volgens de Ellen MacArthur Foundation, een non-profitorganisatie met als doel het promoten van circulaire principes, kan het herontwerp van het regionale voedselsysteem worden geleid door de drie principes[39]:

  • Voedsel dat regeneratief wordt verbouwd, lokaal zoveel als nodig is;
  • Telen en op de markt brengen van gezondere producten;
  • Optimaal profiteren van de landbouwproductie door afval te hergebruiken.

De voedselmarkten in ontwikkelingslanden en opkomende landen zijn wel overwegend regionaal georiënteerd, al is er ook sprake van een grote uitvoer van ontwikkelde landen. Groei van het aandeel van regeneratieve landbouw en van de regionale oriëntatie van de voedselmarkt versterken elkaar wederzijds. Nieuwe bedrijfsmodellen, gebaseerd op lokale markten, zijn commercieel haalbaar, mits een grote verscheidenheid aan producten wordt geleverd. Regeneratieve landbouw kan hiervoor zorgen, samen met producten uit kassen, daktuinen en uit voedselbossen.

Stedelijke en regionale overheden kunnen deze ontwikkeling bevorderen door boeren te subsidiëren die deel willen uitmaken van deze regionale voedselmarkt.  Tegelijkertijd nemen nogal wat boeren zelfstandig initiatieven, zoals ‘De Boeren van Amstel’.


Boeren van Amstel

Het initiatief ‘Boeren van Amstel’, in de buurt van Amsterdam, is bedoeld om weidevogels ruimte te geven door natuur-inclusieve landbouwmethoden in te voeren. Dergelijke methoden omvatten: hoger waterniveau, latere maaiperioden en meer kruidachtige gewassen in het gras. Voor boeren die aan het project meedoen is een voordelig systeem van erfpacht geïntroduceerd. Een particuliere investeerder heeft kapitaal verstrekt. De melkveehouders ontvangen een extra premie voor hun melk. Een paar cent per liter is gereserveerd om te investeren in natuurherstel.

Om dit regionale bedrijfsmodel te realiseren, werd een coöperatie van deelnemende boeren gevormd. Deze financierde een eigen melkfabriek en de boeren promoten hun producten effectief in de regio Amsterdam.


Er zijn volop mogelijkheden om stadsbewoners opnieuw in contact te brengen net de boeren die hun voedsel verbouwen; burgers kunnen zelfs (parttime) deelnemers worden aan de productie van voedsel.

In plaats van het uiteinde van de voedselketen te zijn, kunnen steden zich ontwikkelen tot plaatsen waar nevenproducten via nieuwe technologieën worden omgezet in een breed scala aan waardevolle natuurlijke hulpbronnen, variërend van organische meststoffen voor regeneratieve peri-urbane landbouw, tot biomaterialen, medicijnen en bio-energie.

Het stadsbestuur kan samen met lokale organisaties acties initiëren om voedselverspilling tegen te gaan. Ze kunnen ook de verwerking van afval stimuleren door compostering, anaerobe vergisting en afvalwaterbehandeling.

Milaan is een voorbeeld van een stad, waarvan het stedelijke voedselbeleid is gericht op de ontwikkeling van een voedselsysteem dat duurzaam, rechtvaardig, veerkrachtig en gezond is. Het werkt ook om het bewustzijn van de consument te verbeteren. De stad heeft een open innovatiehub gecreëerd voor peri-urbane landbouw. Het programma regenereert 30 hectare grond in de buitenwijken van de stad. Dit land zal worden gebruikt als laboratorium voor innovators en ondernemers om verbeterde voedselsystemen te ontwikkelen.

Startups en kleinschalige bedrijven werken aan 18 projecten. Deze omvatten verticale landbouwtechnologie, tuinbouw op daken, sociale integratie en automatisering in stadslandbouw. Een speciale focus ligt op de ontwikkeling van vaardigheden voor jonge en kansarme bewoners van de stad[40].


Herenboeren

‘Herenboeren’ is een nieuw succesvol initiatief in Nederland. Dit zijn groepen van ongeveer 200 burgers die land pachten en een professionele boer inhuren om het land te cultiveren volgens regeneratieve principes. Elke week bezoeken ze hun ‘eigen’ boerderij, om hun deel van de gewassen (en vlees) op te halen, elkaar te ontmoeten en incidenteel als vrijwilliger mee te werken. De korte video hieronder geeft een beeld.

Een humane benadering van voedselzekerheid

Goede en voldoende voeding is een grondrecht. In vergelijking met veel plattelandsbewoners zijn burgers voor hun dagelijkse voedsel afhankelijk van anderen. In steden in ontwikkelingslanden bestaat vaak nog wel een directe link tussen burgers en boeren, omdat deze hun producten op lokale markten komen verhandelen. In ontwikkelde landen bestaat er daarentegen een kloof tussen de productie en consumptie van voedsel. Het voedsel komt uit de hele wereld en wordt geconserveerd, verwerkt en verpakt door de voedselverwerkende industrie en verkocht door supermarkten. Het accent ligt niet op het leveren van het beste voedsel, maar op het maken van zo veel mogelijk winst. Producten zijn ontwikkeld voor een anonieme markt die vrijwel alles absorbeert, dankzij geraffineerde reclame.

De grootschalige productie in agrarische bedrijven en de voedselverwerkende industrie heeft talrijke negatieve effecten zoals aantasting van de bodemkwaliteit, afnemende biodiversiteit, gezondheidsklachten en een enorme afvalberg. 

Consumenten worden echter kritischer en beginnen hun eigen alternatieven te ontwikkelen en het aanbod begint zich hieraan aan te passen. Verandering van de voedselproductie staat op de beleidsagenda. Een groeiende groep burgers wil een gezonder menu en tegelijkertijd heeft de politiek te maken met klimaatsverandering en biodegradatie. De transitie van geïndustrialiseerde naar regeneratieve agrarische bedrijven en van overwegend mondiaal naar overwegend lokaal georganiseerde markten is een onderdeel van de oplossing. Hieronder vat ik de essentie samen van een humane benadering van de voeding van de stedelijke bevolking.


Principes voor een humane benadering van het voedsel van burgers

  1. In economisch ontwikkelde delen van de wereld is de voedselvoorziening gemechaniseerd en geïndustrialiseerd. Verder is zij gekenmerkt door het gebruik van kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen en zij draagt ​​aanzienlijk bij aan de uitstoot van broeikasgassen. Na jaren van toenemende oogsten en stijgende productiviteit nemen bodemkwaliteit en biodiversiteit af. Om al deze redenen is een overgang naar regeneratieve vormen van agrarisch bodemgebruik wenselijk.
  2. In ontwikkelingslanden komt een groot deel van de voedselvoorziening van kleinschalige boerderijen. Hun aantal neemt snel af vanwege verstedelijking. Dit brengt de continuïteit van de voedselvoorziening van de snelgroeiende steden in gevaar. Ontwikkelingslanden en opkomende landen kunnen de efficiëntie en productiviteit van kleinschalige landbouw verbeteren, waarbij de overgang naar regeneratieve landbouw minder ingrijpend is dan in welvarende gebieden.
  3. Boeren in ontwikkelde landen zijn hecht verbonden met het wereldwijde agrarisch-industriële systeem. Daarom is het onterecht om hen in de eerste plaats verantwoordelijk te houden voor de uitstoot van broeikasgassen in hun bedrijven. Evenzeer verantwoordelijk zijn overheden die grootschalige landbouw gepromoot hebben, banken die voor het nodige geld zorgden voor investeringen, supermarkten die sterk concurreren op landbouwproducten en minimale prijzen betalen voor landbouwproducten en niet te vergeten de meerderheid van de consumenten die niet meer geld overheeft voor voedsel van een betere kwaliteit.
  4. In ontwikkelingslanden is ook verbetering van het inkomen en de existentiële zekerheid van landbouwers vereist. Dit stelt hen in staat gesteld om winstgevendheid te combineren met een beschermende rol van de natuur. In ontwikkelingslanden moet tevens de kwaliteit van het leven op het platteland verbeteren om de uitstroom van jongeren te verminderen.
  5. Wereldwijd kan de vermindering van afval bij de productie en verwerking van voedsel aanzienlijk bijdragen tot de beschikbaarheid van voedsel. In ontwikkelingslanden heeft verbeterde opslag van voedsel prioriteit om afval te verminderen.
  6. Het wordt ten zeerste aanbevolen om steden en de aangrenzende landelijke omgeving als een geheel te beschouwen. Dit principe beperkt de groei van de stad en zorgt ervoor dat de ‘peri-urbane zone’ kan voorzien in een aanzienlijk deel (minstens 40%) van de totale vraag naar voedsel vanuit de ‘centrale’ stad. Bovendien is in deze gebieden ruimte voor recreatie en bos om broeikasgassen op te vangen.
  7. Om de lokale voedselproductie te verhogen, kan in de directe omgeving van de stad een breed scala aan agrarische activiteiten plaatsvinden. Deze kunnen variëren van regeneratieve boerderijen met verscheidene gewassen tot kastuinbouw, verticale boerderijen en stadstuinen. Tegelijkertijd moeten nieuwe relaties tussen lokale (super)markten en boeren worden opgezet om ervoor te zorgen dat lokaal geteelde gewassen, vis en vlees snel hun weg vinden naar de consument. Waarschijnlijk is het realiseren van dit type toeleveringsketens eenvoudiger in ontwikkelingslanden dan in ontwikkelde landen.
  8. Erkend moet worden dat mondiale ketens van verse agrarische producten geleidelijk aan belang zullen inboeten als lokaal georganiseerde ketens de voorkeur krijgen. Wereldwijde export leidt meestal tot monoculturen en brengt ook principes van circulariteit in gevaar. Nederlandse kassen bewijzen dat bijna alle groenten en veel soorten fruit overal ter wereld kunnen worden geteeld in kassen. Vanuit een perspectief van bevordering van de lokale voedselvoorziening kan Nederland beter kassen dan de erin geteelde producten uitvoeren.
  9. In de komende jaren moet voedsel tegen reële prijzen op de markt wordt gebracht. Dat betekent dat boerderijen die er al in slagen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, moeten kunnen profiteren van bijvoorbeeld lagere btw-tarieven.
  10. Rundvlees vervangen door plantaardige varianten draagt slechts marginaal bij aan het verminderen van obesitas en het verbeteren van de gezondheid in het algemeen. Hiervoor is een wezenlijke verandering van de samenstelling van het dieet en van het eetpatroon nodig. Thans wordt het dieet gekenmerkt door gebruik van te veel eiwitten, koolhydraten, verzadigd vet, zout en suiker en te weinig groenten, fruit, zuivelproducten, mineralen en vezels.
  11. De discussie over de gewenste samenstelling van diëten wordt gecompliceerd door het door elkaar gebruiken van gezondheid-gerelateerde motieven, klimaat-gerelateerde motieven en motieven met betrekking tot de consumptie van dierlijke producten. Voor elk van deze motieven heeft de politiek een andere rol. De keuze voor een gezond voedingspatroon kan worden ondersteund door informatievoorziening en financiële prikkels. Klimaat gerelateerde motieven kunnen worden aangepakt door boeren te ondersteunen bij het verminderen van broeikasgasemissies, bijvoorbeeld door invoering van regeneratieve vormen van landbouw. Afzien van de consumptie van dierlijke producten in het algemeen is in de eerste plaats een persoonlijke keuze, waarbij het wel de taak van de overheid is om aantasting van dierenwelzijn te verbieden.
  12. Uit vergelijkend onderzoek van uiteenlopende diëten komt in de meeste gevallen het mediterrane eetpatroon als gezondste dieet naar voren. Het is gebaseerd op het normale voedingspatroon van in landen rond de Middellandse Zee en bevat vis, zeevruchten, volle granen, vers fruit en groenten, vlees en wijn, mits matig gegeten en gedronken, alsmede noten, zaden, olijfolie van eerste persing.
  13. Voor de productie van soja, het hoofdbestanddeel van plantaardig vlees, worden grootschalige productiemethoden toegepast met behulp van kunstmest, chemische bestrijdingsmiddelen en genetisch gemodificeerde zaden (niet in Europa). Deze methoden zijn verwerpelijk vanuit het oogpunt van behoud van bodemkwaliteit en biodiversiteit en zij moeten in overweging worden genomen bij de evaluatie van de waarde van kunstmatig boven echt vlees, zeker als dit uit regeneratieve boerderijen komt
  14. Grote bedrijven zoals Danone, Unilever, General Mills die agrarische producten verwerken en bijdragen aan de voedselvoorziening van miljarden mensen, hebben verantwoordelijkheden die altijd prioriteit moeten krijgen boven het verhogen van hun winst. Om deze reden moeten deze bedrijven de status van maatschappelijke onderneming (b-corporation) verwerven, zoals Danone al heeft gedaan.


[1] https://www.everydayhealth.com/mediterranean-diet/complete-mediterranean-diet-food-list-day-meal-plan/

[2] https://cdn2.hubspot.net/hubfs/4783129/Summary%20for%20Policymakers%20IPBES%20Global%20Assessment.pdf?__hstc=130722960.988ef4da5d2fdaa9dfdf8b4dbcdd02ed.1577118714863.1577118714863.1577118714863.1&__hssc=130722960.1.1577118714864&__hsfp=1482039249&hsCtaTracking=91fd55c1-7918-40d1-a145-73e8dab568a9%7C67bf054a-fcc7-448e-9235-42416b2b6e88

[3] https://lp.panda.org/ipbes

[4] https://globalecoguy.org/the-three-most-important-graphs-in-climate-change-e64d3f4ed76

[5] https://www.ellenmacarthurfoundation.org/explore/food-cities-the-circular-economy

[6] http://www.fao.org/world-soil-day/en/

[7] https://www.scientificamerican.com/article/only-60-years-of-farming-left-if-soil-degradation-continues/

[8] https://www.fastcompany.com/90366780/the-green-new-deal-could-boost-regenerative-agriculture

[9] https://www.vox.com/science-and-health/2018/7/24/17606958/meat-cheese-surplus-visualized

[10] https://cdn2.hubspot.net/hubfs/4783129/Summary%20for%20Policymakers%20IPBES%20Global%20Assessment.pdf?__hstc=130722960.988ef4da5d2fdaa9dfdf8b4dbcdd02ed.1577118714863.1577118714863.1577118714863.1&__hssc=130722960.1.1577118714864&__hsfp=1482039249&hsCtaTracking=91fd55c1-7918-40d1-a145-73e8dab568a9%7C67bf054a-fcc7-448e-9235-42416b2b6e88

[11] https://medium.com/circulatenews/regenerative-agriculture-how-to-grow-food-for-a-healthy-planet-9a5f637c0f3e

[12] https://grist.files.wordpress.com/2009/06/rodale_research_paper-07_30_08.pdf

[13] https://medium.com/@grist/regenerative-agriculture-world-saving-idea-or-food-marketing-ploy-60dbe2ac9eaf

[14] https://www.fastcompany.com/90366994/why-every-industry-in-the-u-s-needs-its-own-green-new-deal?utm_campaign=Compass&utm_medium=email&utm_source=Revue%20newsletter

[15] https://pasturemap.com

[16] https://medium.com/circulatenews/regenerative-agriculture-how-to-grow-food-for-a-healthy-planet-9a5f637c0f3e

[17] https://blog.whiteoakpastures.com/hubfs/WOP-LCA-Quantis-2019.pdf

[18] https://www.savory.global/impossible-impact/?fbclid=IwAR1PUZwIx8KAUGKCC9E_VzHpU4bVlslu52KA_s9CSuoPTUbxurAs4RGt_jY

[19] https://www.ellenmacarthurfoundation.org/explore/food-cities-the-circular-economy

[20] https://www.bodemzicht.nl

[21] https://www.choosemyplate.gov/eathealthy/start-simple-myplate

[22] https://cdn3.vox-cdn.com/assets/4585059/obesity_and_calories_2.png

[23] https://www.heart.org/en/healthy-living/healthy-eating/eat-smart/fats/saturated-fats

[24] https://medium.com/center-for-biological-diversity/solving-the-climate-crisis-also-means-tackling-what-we-grow-and-eat-328ad57ad8d5

[25] https://medium.com/circulatenews/regenerative-agriculture-how-to-grow-food-for-a-healthy-planet-9a5f637c0f3e

[26] https://www.mckinsey.com/business-functions/sustainability/our-insights/toward-a-circular-economy-in-food

[27] https://www.duurzaambedrijfsleven.nl/futurefood/32785/algen-voedsel?q=%2Ffuturefood%2F32785%2Falgen-voedsel&utm_source=nieuwsbrief&utm_medium=e-mail&utm_campaign=Daily+Focus+19+November

[28] https://www.duurzaambedrijfsleven.nl/futurefood/32703/bodemgezondheid-duurzame-teelt?q=%2Ffuturefood%2F32703%2Fbodemgezondheid-duurzame-teelt&utm_source=nieuwsbrief&utm_medium=e-mail&utm_campaign=Daily+Focus+6+December

[29] https://www.foodnavigator-usa.com/Article/2019/09/17/By-2030-the-US-dairy-and-cattle-industry-will-have-collapsed-predicts-RethinkX#

[30] https://medium.com/telegraph/fix-food-system-climate-change-36ff8ff7e55c

[31] https://permaculturenews.org/2011/10/21/why-food-forests/

[32] https://achterdesamenleving.nl/er-is-inmiddels-100-hectare-voedselbos-aangeplant-nederland/#.XgUqey1x_OQ

[33] https://drive.google.com/file/d/0BznRIYxR0GnLcEhBbXc1OTVwZVU/view

[34] https://medium.com/age-of-awareness/heroes-of-el-hierro-part-i-e6e45fa6ee85?

[35] https://medium.com/age-of-awareness/heroes-of-el-hierro-part-ii-f5a25937a21b?

[36] https://www.fastcompany.com/90366994/why-every-industry-in-the-u-s-needs-its-own-green-new-deal?utm_campaign=Compass&utm_medium=email&utm_source=Revue%20newsletter

[37] https://www.prnewswire.com/news-releases/10-000-us-farmers–ranchers-urge-congress-to-support-green-new-deal-300920636.html

[38] https://research.rabobank.com/far/en/sectors/regional-food-agri/world_vegetable_map_2018.html

[39] https://www.ellenmacarthurfoundation.org/explore/food-cities-the-circular-economy

[40] https://www.smartcity.press/food-system-in-smart-cities/

De Digitaal rechtvaardige stad

Dit artikel gaat over de impact van de nieuwste digitale technologieën, kunstmatige intelligentie in het bijzonder, de onderliggende motieven en de mogelijkheden die de samenleving heeft om negatieven gevolgen te matigen, of beter, om ze te gebruiken om een ​​meer humane plek te worden.

Animatie van neural network. Photo: Kevin Rheese, Licensed under Creative Commons 2.0.

Lewis Mumford schreef in zijn baanbrekende boek The Myth of the Machine dat opkomende nieuwe megatechnieken een uniforme, allesomvattende, boven-planetaire structuur creëren, ontworpen voor autonoom functioneren, waarin de mens een passief, doelloos, machine-geconditioneerd wezen wordt.

Dit was in 1967, voordat iemand zich een voorstelling kon maken van de impact van digitale technologie[1].

Vandaag, amper 50 jaar later, spreken we van een digitale samenleving. Nog steeds weet niemand wat de impact ervan zal zijn, noch hoe deze technologie te beheersen valt.

Aleksandra Mojsilović, directeur van IBM Science for Social Good voegt eraan toe dat als ze ’s nachts ergens van wakker ligt, dit de snelheid is waarmee kunstmatige intelligentie zich ontwikkelt en het achterwege blijven van de regels voor de ontwikkeling en toepassing ervan[2].

Zes digitale technologieën die procesautomatisering stimuleren[3]

Het navolgende gaat vooral over kunstmatige intelligentie en haar toepassingen in de stedelijke omgeving. Aan de orde komt hoe steden de belangen van hun burgers kunnen beschermen. Daarbij spelen strikte wetgeving met betrekking tot het verzamelen en gebruiken van gegevens en het terugdringen van cybercriminaliteit een belangrijke rol. 

De ultieme vraag is dat als technologie ontmenselijkt, het mogelijk is dit proces te keren?


De Digitaal rechtvaardige stad is deel acht van een reeks artikelen over hoe steden humaner kunnen worden. Dat betekent het vinden van een balans tussen duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en kwaliteit van het bestaan. Dit vereist vergaande keuzes. Zodra deze keuzes zijn gemaakt, is het vanzelfsprekend dat slimme technologieën worden gebruikt om deze doelen te realiseren.

De onderstaande artikelen zijn al gepubliceerd.

Kunstmatige intelligentie

Eenvoudig gezegd, autonome en intelligente technische systemen, of kortweg kunstmatige dan wel artificiële intelligentie (AI) verwijzen naar het vermogen van een computer om patronen correct te herkennen en ze te benoemen door zelf te leren in plaats van te worden geprogrammeerd. Zo’n patroon kan van alles zijn: Een voetganger die de weg oversteekt, in het geval van een zelfrijdende auto of het gezicht van een specifieke persoon in het geval van automatische gezichtsherkenning. De rol van mensen in dit proces is tweeledig. In de eerste plaats door een ‘instructie’ (algoritme) te schrijven, in de tweede plaats door de computer te trainen om deze instructie correct toe te passen. Bijvoorbeeld, als de computer in een zelfrijdende auto negatieve feedback ontvangt omdat deze een fiets en een motorfiets door elkaar haalt, zal het apparaat proberen de kenmerken van beide opnieuw te definiëren. 

Alle technologiebedrijven begrijpen dat AI en aanverwante technologieën essentieel zijn om hun toekomstige positie te veilig te stellen. Dientengevolge investeren ze grote hoeveelheden geld in onderzoek, vaak door de acquisitie van startups.

Wereldwijde fusie- en overnames (tot 4 december 2017) gerelateerd aan kunstmatige intelligentie. Bron: The Economist

AI is ontworpen om de betekenis van menselijke tussenkomst in planning en besluitvorming te verminderen. Hetzelfde geldt voor de herkenning van patronen in enorme dataverzamelingen. Ondertussen groeit de bezorgdheid over de negatieve gevolgen van AI, bijvoorbeeld schending van de privacy, discriminatie, afkalving van menselijke vaardigheden, risico’s voor de beveiliging van kritieke infrastructuur en vermindering van welzijn. Het voordeel van deze technologieën hangt ervan af of ontwikkelaars de werking en de toepassing van AI in overeenstemming weten te brengen met ethische principes, zoals rechtvaardigheid, ecologische duurzaamheid en het recht op zelfbeschikking en ze tegen misbruik weten te beschermen.

Gezichtsherkenning

Een van de meest bekritiseerde toepassingen van AI is gezichtsherkenning: De overhaaste introductie ervan, vooral door de politie en de detailhandel (herkenning van winkeldieven) wordt zwaar betwist. Elders ben ik dieper ingegaan op gezichtsherkenning, waarbij ik het gebrek aan nauwkeurigheid noemde, in het bijzonder met betrekking tot gekleurde mensen en vrouwen[4]. Als gevolg hiervan verbieden verschillende steden in de VS inmiddels gezichtsherkenning. Onlangs heeft Portland een totaalverbod uitgevaardigd, zowel in de publieke sector – in het bijzonder de politie – als in de particuliere sector[5].

Het wantrouwen ten opzichte van gezichtsherkenning en de twijfelachtige nauwkeurigheid van andere toepassingen van AI hebben geleid tot initiatieven om hun ontwerp te verbeteren. Het invloedrijke Institute of Electric and Electronic Engineers (IEEE) nam een ​​wereldwijd initiatief met de publicatie van een omvangrijk handboek, Ethically Aligned Design: A Vision for Prioritizing Human Well-being with Autonomous and Intelligent Systems. Dit is tot nu toe de meest uitgebreide, publieksgerichte verhandeling over de ethiek van AI en machine-leren in het algemeen[6]. Voortbouwend op dit baanbrekende werk heeft IBM een eigen gids samengesteld die vijf ethische thema’s centraal stelt[7]:

Verantwoording

Ontwerpers van AI zijn verantwoordelijk om de impact van hun product voor de samenleving in ogenschouw te nemen. Dit geldt dus niet alleen voor de bedrijven of overheden die in de ontwikkeling ervan hebben geïnvesteerd.

Relatie tot normen en waarden

Ontwerpers moeten in een ontwerp ruimte laten voor contextuele factoren die de uitkomst van een te automatiseren proces beïnvloeden, zoals eerdere ervaringen, herinneringen, opvoeding en culturele normen. AI kan dit niet zelf. Hoe groter de diversiteit van het ontwikkelteam, hoe beter de resultaten.

Verklaarbaarheid

Ontwerpers moeten de overwegingen die ten grondslag liggen aan algoritmen en de samenstelling van datasets kunnen verklaren in termen die mensen kunnen begrijpen, omdat deze kennis de sleutel is voor al dan niet instemmen met de conclusies en aanbevelingen.

Eerlijkheid

Ontwikkelaars van AI-systemen moeten zich bewust zijn van de vooroordelen die onbewust hun denken sturen. Als team moeten ze algoritmische vertekening minimaliseren door voortdurende reflectie op de inhoud zowel de gegevens als de algoritmen zelf.

Voorbeelden van onbewust vormen van bias (bron IBM)[8]

Bescherming rechten van gegevens van gebruikers

Ontwikkelaars moeten gebruikers van AI voorlichten over de mate waarin hun ontwerpen zijn afgestemd op nationale en internationale wetgeving, bijvoorbeeld de General Data Protection wetten van de EU.


 Algoritme-manager New Nork

New York City heeft een algoritmemanager aangesteld om te controleren of algoritmen voldoen aan ethische normen en wettelijke regels met betrekking tot datagebruik en privacy[9]. De burgemeester nam deze beslissing, geadviseerd door de Automated Decision Systems Task Force, die werd opgericht als reactie op de kritiek op de manier waarop de New York Police Department gezichtsherkenning toepast. In Amsterdam houdt accountantskantoor KPMG op verzoek van het stadsbestuur toezicht op de kwaliteit van algoritmen door middel van een audit.


Surveillance-kapitalisme

Bedrijven als Amazon, Facebook en Google investeringen op grote schaal in AI om ons koopgedrag te beïnvloeden. Om gericht te kunnen adverteren willen ze ieders winkelgedrag kennen en ook de voorkeuren van elke afzonderlijke consument kunnen  voorspellen en beïnvloeden[10]. Traditionele reclame heeft aan waarde ingeboet vanwege de grote hoeveelheid producten en diensten en de enorme verscheidenheid aan individuele voorkeuren. In plaats daarvan willen deze bedrijven iedereen individueel op het juiste moment een advies geven om een ​​bepaald product in de bepaalde winkel te kopen, dat wil zeggen de winkel die voor deze service heeft betaald.

Een wetenschappelijk rapport van Douglas C. Schmidt, hoogleraar computerwetenschappen aan de Vanderbilt University, onthult welke gegevens Google verzamelt en hoe[11]. Google kent de voorkeuren van miljarden mensen, weet waar deze zich bevinden en verstuurt onophoudelijk gepersonaliseerde commerciële boodschappen. De volgende stap is dat een potentiële klant een sms-bericht ontvangt bij het naderen van een winkel die een van diens favoriete artikelen verkoopt. Of – in de ogen van Google nog beter – als verkopers klanten persoonlijk begroeten dankzij gezichtsherkenning en deze een niet te versmaden aanbieding doen.

Persoonlijke gegevens van een Android-telefoongebruiker die gedurende één dag door Google zijn verzameld. De grijze cirkels vertegenwoordigen locatiegegevens die zijn verzameld terwijl de telefoon niet actief werd gebruikt. Grafiek: Pamela Saxon (Vanderbilit University).

In het geval van Amazon hoeven klanten hun huis niet meer te verlaten. Het bedrijf kan – dankzij AI – op elk moment voorspellen voor welke producten of diensten klanten openstaan en vervolgens komen met een onweerstaanbaar aanbod. De reden kan ook zijn dat de beruchte Alexa je heeft afgeluisterd.


Sidewalk Labs Toronto

Het ontwikkelingsproces van Quayside, een braakliggend stuk land van 12 hectare aan de rand van het centrum van Toronto, laat zien welke rol informatietechnologie speelt bij de ontwikkeling van steden[12]. Elders heb ik aandacht besteed aan de rol van Sidewalk Labs (een zusterbedrijf van Google) in dit project. Ik was blij met de hedendaagse stedenbouwkundige opvattingen. Tegelijkertijd wil het bedrijf een ‘digitale laag’ over Quayside bouwen. Hoe groter de hoeveelheid en diversiteit van de gegevens van bewoners en bezoekers die verzameld worden, des te beter zal Sidewalk Labs erin slagen om derden te interesseren in het doen van investeringen. De oppositie tegen Sidewalk Labs Toronto groeit snel.

Schets van hoe Quayside eruit kan komen te zien. Sidewalk Labs (publiek domein)

Amazon is erin geslaagd een Amerikaanse icoon te worden. Uit onderzoek is gebleken dat Amazon de op een na meest vertrouwde instelling in de Verenigde Staten is, vóór de regering, de politie en het hoger onderwijs. Alleen het vertrouwen in het Amerikaanse leger is groter[13].

Vanwege zijn reputatie heeft Amazon een enorme impact op het koopgedrag. Het heeft bijvoorbeeld met succes de angst voor inbraak bij de gemiddelde Amerikaan uitgebuit door Ring, een deurbel met een ingebouwde camera, te promoten. Het heeft meer dan 100 miljoen exemplaren verkocht, voor $100 per stuk. Alle opnamen worden met goedvinden van de eigenaar continue aan de politie beschikbaar gesteld. 

De reeds genoemde Alexa is een vertrouwde huisgenoot veel gezinnen (‘Alexa, hoe laat is het?’). Zij is ondertussen een bron van een grote hoeveelheid gepersonaliseerde informatie en dus inkomsten voor Amazon. Het moment dat Alexa begint met commerciële berichten is niet ver weg.

Ik begon dit artikel met een verwijzing naar de angst van Lewis Mumford voor de impact van megatechnologieën. Tegenwoordig zijn technologieën die ervoor te zorgen dat geen enkele actie onopgemerkt blijft, zoals Mumford voorspelde, volledig ingeburgerd. Het handjevol gigantische technische conglomeraten dat vandaag de dag de digitale wereld domineert, toont schrikbarende gelijkenis met de megamachines van Mumford[14].

Echter, veel mensen zien deze megamachines niet alleen absolutely irresistible maar ook ultimately beneficial. Mumford geloofde dat deze twee voorwaarden samen leiden tot wat hij de megatechnics bribe noemde. De technologiebedrijven bieden mensen een indrukwekkend scala aan goederen en diensten – vaak gratis – aan. Deze maskeren de ongebreidelde dataverzameling, milieuvernietiging, uitbuiting, vernietiging van werkgelegenheid en de concentratie van rijkdom in een paar handen die ermee samengaan[15].

Zoeken naar regulering

Platforms zoals Amazon en Alibaba mogen dan populair zijn bij veel consumenten; hun schaal heeft naast de voornoemde effecten, rampzalige gevolgen voor de leefbaarheid van stedelijke centra, ze verleiden mensen om goederen te kopen en hun ecologische voetafdruk te vergroten, en ze zijn monopolistische concentraties van economische macht. Als eigenaren van het netwerk en verkopers met het grootste aandeel op de markt, domineren ze alle andere gebruikers van het platform.

Facebook is een ander voorbeeld van een platform. Als sociaal netwerk gedijt het dankzij zijn bijna-monopolistische positie, die een enorm voordeel biedt als advertentiemedium[16].

Zelfs in de VS wordt de roep om regulering steeds luider. In een artikel in de New York Times, pleit Chris Hughes, medeoprichter van Facebook voor het opdelen van zijn voormalige liefdesbaby[17]. Hierbij zou minstens de acquisitie van Instagram en WhatsApp ongedaan gemaakt moeten worden, iets dat presidentskandidaat Elisabeth Warren ook lijkt te willen.

Mark Zuckerberg en Chris Hughes. Foto’s: Jessica Chou / The New York Times (Zuckerberg); Damon Winter / The New York Times (Hughes)

Hughes verwijst naar het feit dat de Amerika is gebouwd op de idee dat macht niet in één persoon moet worden geconcentreerd vanwege zijn of haar feilbaarheid.

Een eeuw geleden zei senator John Sherman in het congres: Als we geen koning willen als politieke machthebber, moeten we ook geen koning accepteren van de productie, het transport en de verkoop van eerste levensbehoeften. Als we ons niet zouden onderwerpen aan een keizer, moeten we ons ook niet onderwerpen aan een autocraat die concurrentie voorkomt en de prijs van artikelen bepaalt.

Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw nam de concentratie in elke economische sector toe in een voorheen onbekende mate. Facebook is 500 miljard dollar waard, het bedrijf ontvangt ongeveer 80 procent van alle inkomsten uit sociale netwerken ter wereld.

De kracht van Facebook in vergelijking met andere sociale netwerken

Wetgeving met betrekking tot Facebook moet de bescherming van de privacy regelen en giftig taalgebruik voorkomen. Mark Zuckerberg lijkt hier geen bezwaar tegen te hebben: In een ingezonden brief in de Washington Post in maart 2019 schreef hij: Wetgevers zeggen me vaak dat we te veel macht hebben over het gesproken woord en ik ben het ermee eens. Hij gaat nog verder: De regelgeving van de overheid moet niet alleen betrekking hebben op taal, maar ook op privacy en interoperabiliteit, wat betekent dat consumenten het ene netwerk naadloos kunnen verlaten en hun profielen, connecties, foto’s en andere gegevens meenemen. Zijn pleidooi voor wetgeving werd gevolgd door CEO’s van Google, Microsoft en Amazon[18].

Wat ze allemaal proberen te voorkomen, is het aanscherpen van het antitrustbeleid maar dat is nu precies wat nodig is.


Perspective

Perspective[19] is een programma dat de kans berekent dat teksten van websites of online forums als giftig worden ervaren. Om dit algoritme te ontwikkelen, werden enorme datasets gebruikt, bijvoorbeeld de commentaarpagina’s van de New York Times. Mensen werd gevraagd hoe zij deze berichten ervaarden. Hun antwoorden gingen in een machine-leermodel dat ‘leerde’ om berichten te selecteren die met grote waarschijnlijkheid als giftig worden ervaren. Het model is in staat om onderscheid te maken tussen uitdrukkingen als You are a fu … gay (giftig) en I’am a proud gay(niet-giftig)


Platforms als Amazone, Facebook en Google worden ontwikkelen zich tot ‘natuurlijke monopolies’, net als het elektriciteitsnet. Op zich zijn dit soort monopolies niet slecht: Zowel klanten als leveranciers profiteren immers van het bestaan ​​van slechts één virtuele marktplaats, waar ze ‘iedereen’ kunnen ontmoeten. Echter, in het geval van ‘natuurlijke monopolies’ moet er een verplichte scheiding zijn tussen de exploitatie van het platform als medium en de aanbieders van producten en diensten via dit medium. Dit heeft grote gevolgen:

Het nieuwe Amazon

Voor Amazon houdt dit in dat het bedrijf de virtuele marktplaats beheert en eventueel opslag- en transportdiensten aanbiedt. De andere kant van de medaille is dat het bedrijf zijn eigen verkoopactiviteiten afstoot. Elk bedrijf kan ruimte op het platform huren en de gegevens van zijn eigen klanten gebruiken als ze hiermee instemmen.

Het nieuwe Facebook

Facebook als wereldomvattend sociaal medium biedt volwassen voor een redelijke prijs de mogelijkheid om te netwerken zonder hun gegevens te verzamelen en advertenties te versturen. Facebook mag gegevens verzamelen van volwassenen en hen gepersonaliseerde advertenties aanbieden in ruil voor gratis gebruik van de netwerkdienst. Voor jongeren geldt dat het gebruik van Facebook gratis is, er geen gegevens worden verzameld en geen advertenties worden aangeboden.

Het nieuwe Google

Google lijkt iets ingewikkelder. Ik en – neem ik aan – velen met mij zijn blij met de beschikbaarheid van zijn zoekmachines, kaarten, en e-mailfaciliteiten. Ik waardeer het zelfs als het bedrijf op verzoek een overzicht aanbiedt van drogisterijen, loodgieters en dergelijke in mijn buurt. Ik wil graag voor deze service betalen als het bedrijf afziet van het verzamelen van mijn persoonlijke gegevens en het aanbieden van advertenties. Maar het bedrijf mag wat mij betreft de wettelijk toegestane gegevens verzamelen van iedereen die daar toestemming voor geeft in ruil voor gratis gebruik van zijn diensten en het ontvangen van gepersonaliseerde advertenties. 


Cities for Digital Rights Coalition

In november 2018 lanceerden Amsterdam, Barcelona en New York City de Cities for Digital Rights Coalition[20]. Zij staat voor betrouwbare en veilige digitale diensten en infrastructuur en wil op een vijftal punten burgers ondersteunen: internettoegang voor iedereen, privacy en gegevensbescherming, transparantie en niet-discriminerende algoritmen, diversiteit en inclusie, en open en ethische normen voor digitale diensten.

Deze korte video toont de lancering van de Digital Rights Coalition.

De rol van steden als beschermer van digitale rechten; Amsterdam als voorbeeld

De Europese Unie heeft een vergaande Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) aangenomen. Een samenvatting van de inhoud is hier te vinden en een overzicht van de uitgangspunten hieronder.

Lokale autoriteiten kunnen een belangrijke rol spelen bij het handhaven van netneutraliteit en open gegevensstandaarden, het beschermen van digitale rechten en de bestrijding van cybercriminaliteit[21]. Dit naast hun rol bij het bieden van snel internet voor alle burgers, het verbeteren van digitale zelfvoorziening en veerkracht, het beschikbaar stellen van digitale diensten, het installeren van sensoren om de kwaliteit van de omgeving te verbeteren en het bevorderen van digitale kunst en de creatieve industrie. Deze onderwerpen zijn deels besproken in een ander artikel[22].

Hieronder ligt de nadruk op de rol van stedelijke overheden in het debat over AI en algoritmen, de bescherming van de privacy van burgers in het algemeen, de regulering van data-eigendom, de voorkeur voor open software en de strijd tegen cybercriminaliteit.

Elk onderwerp wordt geïllustreerd met activiteiten die de gemeente Amsterdam zich in 2019 heeft voorgenomen, zoals vermeld in de publicatie Een digitale stad voor en door iedereen. Agenda voor de digitale stad-versie 1.0.

Supervisie en debat over de rol van kunstmatige intelligentie en algoritmen

Steden gebruiken al AI om talloze gegevens te analyseren en beleid te maken. Algoritmen worden geïmplementeerd bij het stroomlijnen van diensten, het prioriteren van operaties en zelfs het voorspellen wanneer restaurantinspecties, wegwerkzaamheden of bouwvergunningen vereist zijn[23].

Het is van het grootste belang om te beseffen dat geen van deze activiteiten zonder menselijke tussenkomst plaatsvindt. Algoritmen zijn ontworpen, gecontroleerd en geleid door mensen, hoewel slechts weinigen de relatie tussen deze menselijke activiteiten en de uitkomst van de berekeningen van de algoritmen begrijpen. Niet voor niets moet het kunnen verklaren van deze relatie onderdeel zijn van de competenties van AI-ontwikkelaars. 

Het is zinvol als (publieke) organisaties die kunstmatige intelligentie en algoritmen gebruiken een ​​onafhankelijke adviesraad kennen die de eerlijke en betrouwbare werking daarvan beoordeelt.

Sommige toepassingen van AI worden op dit moment kritisch onder de loep genomen. Ik noemde al praktijken met betrekking tot gezichtsherkenning, vanwege het geregeld voorkomen van bias bij ontwerpers en in datasets. Een ander voorbeeld is het opsporen van fraude; een legitieme overheidstaak, maar ook hier is transparantie nodig[24].

Activiteiten voorzien in de Amsterdamse agenda voor de digitale stad

  • Stimuleren van het publieke debat over ethische vragen met betrekking tot AI.
  • Onafhankelijke partij voor controle-algoritmen.

De Algorithm-toolkit

Netwerk van neuronen. Bron: De algoritmetoolkit, John Hopkins University

Om bias in algoritmen te helpen verminderen, heeft het Center of Government Excellence van Johns Hopkins University onlangs een toolkit voor algoritmen beschikbaar gesteld ten behoeve van lokale bestuurders[25] .

Het belangrijkste doel is ervoor te zorgen dat geautomatiseerde beslissingen eerlijk zijn en de onbedoelde neveneffecten tot een minimum worden beperkt. De toolkit helpt lokale bestuurders om proactief specifieke vragen te stellen om risico’s te kwantificeren en geeft ook aanbevelingen over de manier om met die risico’s om te gaan.


Transparantie van gegevensverzameling door de overheid zelf: privacy by design

Velen houden zich aan het principe dat mensen in een vrij land het recht hebben zich te verplaatsen, zonder te worden geobserveerd en geregistreerd, met uitzondering om redenen van wetshandhaving, mits dit zorgvuldig gebeurt.

In veel gevallen, bijvoorbeeld crowd control bij grootschalige evenementen, is persoonlijke informatie niet nodig en is hier ‘privacy by design’ op zijn plaats. Een van de regels is dat observaties minimalistisch zijn. Bijvoorbeeld mensen van achteren tellen, of auto’s van bovenaf.

Beleid met betrekking tot gegevensverzameling impliceert het zoeken naar instemming van burgers, het handhaven van ‘checks and balances’ en, in het geval van surveillance, regels vaststellen voor degenen die informatie verzamelen en verwerken.

Activiteiten voorzien in de Amsterdamse agenda voor de digitale stad

  • Openbaar register van alle sensoren.
  • Vergroot technologische kennis.
  • Onderzoek met betrekking tot digitale weerbaarheid bij jonge kinderen.
Data-eigendom; beschikbaarheid van gegevens (open data)

Het aanleggen van een collectie beelden van gezichten door particulieren is bij de wet verboden. De overheid mag dit alleen onder specifieke omstandigheden en voor vastgestelde doelen doen. In principe zijn burgers de eigenaar van alle persoonlijke gegevens, hoewel sommige verplicht aan de gemeente afgestaan dienen te worden op grond van de wet op de persoonsregistratie. Op geaggregeerd niveau zijn deze gegevens openbaar. Dit geldt voor gegevens verzameld door de overheid, maar zou ook voor particuliere bedrijven moeten gelden. Verhandelen van persoonlijke gegevens zonder toestemming van de eigenaar is eveneens verboden. In de praktijk wordt deze toestemming impliciet gevraagd en gegeven[26].

Activiteiten voorzien in de Amsterdamse agenda voor de digitale stad

  • Het zekerstellen van digitale rechten.
  • Ondersteuning van samenwerkingsverbanden die alternatieven bieden voor monopolies van platvormen.
  • Hanteren van privacy by design.
  • Digitale identiteit om burgers in staat te stellen gebruik van gegevens door derden te verminderen.
  • Strategie ontwikkelen voor dataminimalisatie en -soevereiniteit, datacommons en open data.

Decode

Decode[27] is een EU-project dat instrumenten creëert waarmee mensen het beheer over hun eigen gegevens kunnen voeren met behulp van blockchain-technologie.

De onderstaande video is een korte inleiding tot het project.


Privégegevens kunnen doorzoekbaar worden, maar alleen partijen die daar recht op hebben of toestemming hebben gekregen van de eigenaar van de gegevens, krijgen toegang. Dit nieuwe concept van datarechten is ook van toepassing op gegevens die worden verzonden naar of gebruikt door Internet of Things (IoT) -objecten.

Open software

Het gebruik van open source software is in het algemeen aan te raden om ‘lock-in’ te voorkomen als gevolg van afhankelijkheid van leveranciers van software. Deze maken het – op zich begrijpelijk – lastig om over te stappen naar een andere provider. Daarnaast kunnen leveranciers van commerciële software dankzij ingebouwde functies zoveel informatie verzamelen van hun klanten als ze willen. In het geval van open software is de code en de wijze waarop deze wordt gebruikt openbaar. Gratis beschikbaar zijn betekent overigens niet dat deze software goedkoop is, vanwege de noodzaak van maatwerk.

Activiteiten voorzien in de Amsterdamse agenda voor de digitale stad

  • Zoveel mogelijk data open en deelbaar maken op een stadsplatform.
  • Aanstelling van een voorlichtingsfunctionaris om de principes van ‘privacy by design’ en ‘openheid tenzij’ te handhaven
Internet veiligheid

Afgezien van gespecialiseerd politiewerk, kunnen steden en andere gebruikers veel doen om de cyberveiligheid te vergroten. Het Internet of Things verbindt steeds meer apparaten met het Internet. De veiligheid is doorgaans gering omdat ze ontworpen zijn om een zo laag mogelijke kostprijs te hebben. Hier is een rol weggelegd voor regelgevers om de standaarden vast te stellen.

Opvallende datalekken bij internationale bedrijven krijgen veel media-aandacht, maar cybercriminelen richten zich in steeds vaker op verenigingen, scholen, kleine bedrijven en gemeentelijke overheden, die over het algemeen een laag beveiligingsniveau hebben[28]. Door zelf vijf kritieke stappen te hanteren en burgers aan te bevelen hetzelfde te doen, kan het gemeentebestuur bijdragen aan een aanzienlijke verbetering van het beveiligingsniveau[29].

Daarnaast moeten steden burgers beter voorbereiden op denial of service (DoS) – aanvallen, die tot doel hebben functies buiten werking te stellen. Bewoners kunnen dan gebouwen niet meer betreden of verlaten en vitale systemen als verkeerslichten, betalingsverkeer of alarmcentrales worden daarbij op afstand buiten bedrijf gesteld[30].

Bedrijven en instellingen moeten bedreigingen beoordelen en de meest kritische controles ontwikkelen. (Bron: European Union Agency for Network and Information Security)

Activiteiten voorzien in de Amsterdamse agenda voor de digitale stad

  • Veilige Wi-Fi-services voor burgers en bezoekers in openbare gebouwen en op drukke plaatsen.
  • Bestrijden van cybercriminaliteit om vitale infrastructuur en administratieve stabiliteit te beschermen.
  • Productie van handboek voor sociale dienstverlening om op een veilige manier digitale voorzieningen te bieden.

De uitdaging van de digitale rechtvaardige stad

In dit artikel worden zorg voor privacy en bescherming tegen cybercrime gezien als onderdeel van de digitale rechten van burgers vanuit een humaan perspectief. Tegelijkertijd noemde ik het feit dat in de ogen van velen Amazon een van de betrouwbaarste instellingen in de VS is. Ik ben bang dat dit een uitstekend voorbeeld is van wat Lewis Mumford ‘mega technisch smeergeld’ noemt. Amazon bevredigt de materiële verlangens van Amerikaanse consumenten. Deze staan hierdoor ​​onverschillig ten aanzien van hun privacy, hun soevereiniteit als consument en uiteindelijk ook hun eigen banen in ruil voor de lage prijzen, rijke keuze en snelle levering door het bedrijf. Voor degenen die consumentisme als de heilige graal prediken, is dit geen slechte deal, maar anderen zouden beter moeten weten. In mijn zoektocht naar een humane stad, waar principes als duurzaamheid, rechtvaardigheid en levenskwaliteit overheersen, is deze tendens verontrustend.

De groeiende penetratie van megatechnologiebedrijven in ieders leven met de bedoeling om gedrag van consumenten vorm te geven is evenzeer verontrustend omdat mensen eigenlijk hun gemeenschappelijke ecologische voetstap zouden moeten verminderen, het sociaal kapitaal moeten vergroten en zich meer moesten richten op niet-materiële levenskwaliteiten. 

Helaas is vooralsnog het armste deel van de wereldbevolking van de toename van materiele welvaart uitgesloten. 

Overheden hebben een belangrijke taak. Ze moeten ervoor zorgen dat producten worden verkocht tegen reële prijzen, inclusief compensatie voor emissie van broeikasgassen en dat winsten worden aangewend voor de samenleving als geheel in plaats van een handvol megarijke tycoons ten goede komen. Dit opent de weg voor steden die tegelijkertijd humaan en welvarend zijn.

Hieronder vat ik samen hoe digitale technologie rechtvaardig kan worden toegepast om zo de ontwikkeling van humane steden te ondersteunen.


Rechtvaardige toepassing van digitale technologie ter ondersteuning van de ontwikkeling van humane steden

1. De lokale overheid kan bijdragen aan rechtvaardige en veilige digitale diensten door snel internet voor al haar burgers mogelijk te maken, digitale zelfredzaamheid en veerkracht te verbeteren, digitale diensten beschikbaar te stellen, sensoren te plaatsen om de kwaliteit van het milieu te verbeteren, digitale kunstvormen en creatieve industrie te versterken , netneutraliteit te beschermen, open datastandaarden te hanteren, privacy te beschermen, toepassingen van kunstmatige intelligentie kritisch te beoordelen en cybercriminaliteit effectief te bestrijden en te voorkomen.

2. Van eerlijke concurrentie is geen sprake als monopolistische eigenaren van platforms ook invloedrijke verkopers zijn op hun eigen platforms.

3. Wetgeving met betrekking tot monopolistische technologiebedrijven zoals Facebook, Google en Amazon moet bescherming bieden van de privacy, giftig taalgebruik verbieden, interoperabiliteit tot regel verheffen en monopolistische concentraties onmogelijk maken en opheffen.

4. Bedrijven die gratis internetdiensten aanbieden in ruil voor toegang tot de data van gebruikers, moeten dezelfde diensten eveneens tegen faire betaling aanbieden, zonder gegevens te verzamelen en advertenties aan te bieden.

5. Kunstmatige intelligentie dient afgestemd te zijn op sociale waarden en ethische principes, waaronder billijkheid, ecologische duurzaamheid en het recht op zelfbeschikking. Premature toepassing van deze en andere technologieën ten gunste van snelle winsten of resultaten moet worden verboden.

6. Het gebruik van kunstmatige intelligentie voor de beheersing van processen waarvoor het stadsbestuur verantwoordelijk is, kan bijdragen aan principes als diversiteit, respect, gelijkheid, kwaliteit van leven en duurzaamheid. Voorwaarde daarbij is dat hun ontwikkeling onderworpen is aan principes als transparantie, verantwoordingsplicht, verklaarbaarheid en billijkheid.

7. Vormen van digitale connectiviteit, inclusief het op afstand volgen van smartphones, zijn vastgelegd en overeengekomen in een brede discussie waarin voor- en nadelen voor verschillende groepen binnen de bevolking zonder terughoudendheid worden besproken.

8. In principe zijn burgers de eigenaren van hun persoonlijke gegevens. Bijgevolg moeten zij in staat worden gesteld om de overheid en andere partijen toestemming te geven voor het verzamelen daarvan, met uitzondering van gegevens waarvan de verzameling bij wet is geregeld.

9. De lokale overheid zal restrictief zijn met betrekking tot het verzamelen van persoonlijke gegevens. Het verzamelen van gegevens, volgens het principe ‘privacy by design’, is gericht op het handhaven van de wet, het verbeteren van het welzijn van de stad als geheel en het dienen van het legitieme belang van de burgers zelf.

10. Alle niet-persoonlijke gegevens die in het publieke domein worden verzameld, zijn ‘open’, wat betekent dat ze beschikbaar zijn in een openbaar gegevensportaal, tenzij er juridische bezwaren zijn.

11. Bij het functioneren van computersystemen is interoperabiliteit een leidend beginsel. Over het algemeen zal dit principe worden gerealiseerd door open software te gebruiken.

12. Aanbieders van (openbare) Wi-Fi zijn verantwoordelijk voor de veiligheid van het gebruik ervan, ook al bemoeilijkt dit de toegang tot het Internet zonder beveiligde aanmelding. Evenzo is het verplicht dat alle apparatuur die op internet is aangesloten, een ​​certificaat voor cyberkwaliteit heeft.

13. Bedrijven en organisaties die de bescherming van hun hardware, software en gegevens verwaarlozen, kunnen aansprakelijk worden gesteld voor de schade die cybercriminelen aan derden toebrengen.


[1] https://www.boundary2.org/2018/07/loeb/

[2] https://medium.com/fast-company/ais-leading-developers-share-their-fears-about-the-tech-developing-too-fast-4091c21ddaf8

[3] https://www.mckinsey.com/~/media/mckinsey/industries/public%20sector/mckinsey%20on%20government%20may%202019%202/mck-on-government_5-2019_june19.ashx

[4] https://hmjvandenbosch.com/2019/09/19/de-veilige-stad/

[5] https://www.fastcompany.com/90436355/portlands-proposed-facial-recognition-ban-could-be-the-strictest-yet?utm_campaign=eem524%3A524%3As00%3A20191202_fc&utm_medium=Compass&utm_source=newsletter

[6] https://standards.ieee.org/content/dam/ieee-standards/standards/web/documents/other/ead1e.pdf?utm_medium=undefined&utm_source=undefined&utm_campaign=undefined&utm_content=undefined&utm_term=undefined

[7] https://www.ibm.com/watson/assets/duo/pdf/everydayethics.pdf

[8] https://www.ibm.com/watson/assets/duo/pdf/everydayethics.pdf

[9] https://www.smartcitiesdive.com/news/nycs-new-algorithm-management-position-to-oversee-equitable-use-of-tech/567722/

[10] https://medium.com/the-guardian/its-not-that-we-ve-failed-to-rein-in-facebook-and-google-we-ve-not-even-tried-5567da75d3be

[11]

Klik om toegang te krijgen tot 5b7bff66f1d7a.pdf.pdf

[12] https://smartcityhub.com/urban-planning-and-building/toronto-too-smart-for-comfort/

[13] http://aicpoll.com

[14] http://aicpoll.com

[15] https://www.boundary2.org/2018/07/loeb/

[16] https://www.fastcompany.com/40567706/heres-how-to-see-the-data-that-tech-giants-have-about-you

[17] https://medium.com/new-york-times-opinion/its-time-to-break-up-facebook-8b6ae2cb3d9d

[18] https://www.businessinsider.nl/artificial-intelligence-vooroordelen-google/?tid=822213668&utm_medium=email&utm_source=nieuwsbrief

[19] https://www.perspectiveapi.com/#/home

[20] https://citiesfordigitalrights.org

[21] https://medium.com/city-as-a-service/why-urban-tech-should-empower-cities-not-solve-them-d5e02e2fd8d6

[22] http://smartcityhub.com/governance-economy/well-governed-cities/

[23] https://medium.com/@BloombergCities/the-promise-and-peril-of-algorithms-in-local-government-f1a2964769f2

[24] https://www.mckinsey.com/~/media/mckinsey/industries/public%20sector/mckinsey%20on%20government%20may%202019%202/mck-on-government_5-2019_june19.ashx

[25] https://govex.jhu.edu/wiki/center-for-government-excellence-releases-first-of-its-kind-algorithm-toolkit-to-reduce-bias-affecting-residents-from-automated-decisions-made-by-local-governments/

[26] https://medium.com/the-guardian/its-not-that-we-ve-failed-to-rein-in-facebook-and-google-we-ve-not-even-tried-5567da75d3be

[27] https://decodeproject.eu/what-decode

[28] https://theconversation.com/hackers-seek-ransoms-from-baltimore-and-communities-across-the-us-118089

[29] https://www.fastcompany.com/90391332/take-these-5-critical-steps-to-protect-yourself-from-cybercrime?utm_campaign=eem524%3A524%3As00%3A20190817_fc&utm_medium=Compass&utm_source=newsletter

[30] https://www.archdaily.com/921298/the-city-to-be-deceived-geoff-manaugh-for-the-shenzhen-biennale-uabb-2019?utm_medium=email&utm_source=ArchDaily%20List&kth=

De Kringloop stad

Onze economie wordt gekenmerkt door het “take-make-waste-principe”, wat resulteert in een overmaat aan goedkope massaproducten die aan het einde van hun levenscyclus worden weggegooid. Dit artikel onderzoekt de overgang naar een circulaire economie en de bijdrage daarvan aan een humane stedelijke samenleving.

Het ‘Waste house’, gebouwd op de universiteitscampus van Brighton. Foto Universiteit van Brighton[1]

Vorig jaar gingen thuis drie apparaten stuk. Geen enkele winkel bleek die te kunnen repareren, hoewel ik na even surfen op het Internet wist dat er vervangende onderdelen bestonden. Ik kon beter een nieuwe kopen, adviseerden ze. Een apparaat heb ik toen zelf gerepareerd: Vervangen van het handvat van het vriesvak. Het was niet moeilijk, maar de prijs van het kleine vervangende onderdeel bedroeg 25% van een nieuwe koelkast.


De kringloop stad is deel zeven van een reeks essays over hoe steden humaner kunnen worden. Dat betekent het vinden van een evenwicht tussen duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en kwaliteit van leven. Dit vereist vergaande keuzen. Zodra deze keuzes zijn gemaakt, is het vanzelfsprekend dat slimme technologieën worden gebruikt om deze keuzen te realiseren.

De volgende artikelen zijn al gepubliceerd


De stroom van grondstoffen

Het onderstaande stroomdiagram verschaft het de nodige inzichten in de stroom van grondstoffen[2]. Kijk hier voor een groter exemplaar.

Bron: The Circularity Gap Report 2019. Uitgegeven door Circle Economy (Amsterdam), als onderdeel van The Platform for Accelerating the Circular Economy (PACE), georganiseerd door het World Economic Forum

Het diagram laat zien dat in 2017 de hoeveelheid gewonnen grondstoffen 84,4 Gt (miljard ton) bedroeg, aangevuld met 8,4 Gt gerecycleerd materiaal. Het betrof mineralen (37,9 Gt), ertsen (9,6 Gt), fossiele brandstoffen (16,6 Gt) en biomassa (28,7 Gt).

Van deze input (92,8 Gt) werd 36,0 Gt gebruikt om de bestaande ‘voorraad’ aan gebouwen, wegen, auto’s en andere kapitaalgoederen uit te breiden. Het grootste deel (56,8 Gt) werd gebruikt voor de productie van goederen met een korte levensduur. Dat wil zeggen een leven dat gemiddeld tot eind 2017 zou duren.

Aan het einde van 2017 kan worden vastgesteld dat van de input van 92,8 Gt zoals gezegd 36 Gt aan de kapitaalgoederenvoorraad is toegevoegd, 51,9 Gt als emissie is verspreid en 19,4 Gt tot afval is verworden. Het grootste deel van de afval (13 Gt) komt van producten met een korte levensduur. Daarnaast is er nog eens 14,5 Gt vanuit de kapitaalgoederenvoorraad toegevoegd aan het afval. Daarmee bedroeg de totale kapitaalgoederenvoorraad eind 2017 870 Gt.

Van de hiervoor genoemde 19,4 Gt aan afval is 8,4 Gt opnieuw gebruikt, bijvoorbeeld na de zuivering van water, door de productie van biogas, door recycling (slechts 1,4 Gt) en door compostering. De resterende 9,2 Gt is ‘verloren’ en is verspreid als zwerfafval en komt deels in de oceanen terecht.

Het merendeel van het gerecycleerde materiaal is van lage kwaliteit. 

Bijna de helft van alle verwerkte materialen wordt gebruikt voor de bouw en het onderhoud van huizen, kantoren, wegen en infrastructuur (42,4 GT in 2017). Gegeven een gemiddelde levensduur van 50 – 100 jaar, kan worden verwacht dat de jaarlijkse hoeveelheid ‘afval’ de komende decennia aanzienlijk zal toenemen door afschrijving binnen de kapitaalgoederenvoorraad. Daarom moet prioriteit worden gegeven aan recycleren van bouwmaterialen tot nieuwe grondstoffen met een hoge kwaliteit.

Op weg naar een circulaire economie

Het probleem van het “take-make-waste“-principe is echter niet in de eerste plaats het ontstaan van afval. De lineaire economie waaruit dit principe voortkomt is een van de hoofdoorzaken van broeikasgasemissie en deze leidt bovendien tot de uitputting van grondstoffen door rijke en opkomende landen, of beter door de rijke minderheid van hun bevolking. De omvang van de winning van grondstoffen door vorige generaties en vooral door de huidige zal leiden tot stagnatie van de groei van de welvaart van de wereldbevolking in de toekomst. Toepassing van het circulariteitsbeginsel kan dit onrecht keren.

Een circulaire economie is regeneratief van opzet, ze beoogt producten en materialen permanent in gebruik te houden, waardoor de noodzaak om extra grondstoffen te exploiteren vervalt.

Zij is gebaseerd op vier principes:

  • Ontkoppeling van het maken van nieuwe producten en diensten van de beschikbaarheid van eindige bronnen.
  • Voorkomen van afval, vervuiling en andere negatieve externe effecten die schade toebrengen aan de menselijke gezondheid en de kwaliteit van de natuur. 
  • Behoud van de hoogste waarde van componenten en materialen door deze te ontwerpen voor hergebruik, herbewerking en recycling.
  • Instandhouding van natuurlijk kapitaal door de circulatie van voedingsstoffen en regeneratie van de bodem.

Vanaf 2012 tot nu heeft de Ellen MacArthur Foundation[3]  aanzienlijk bijgedragen aan de verwerving en verspreiding van kennis over de circulaire economie. Het navolgende is geïnspireerd op het werk van de stichting. De onderstaande video is een inleiding bij het concept van circulariteit.

Het circulariteitsprincipe kan op verschillende schalen worden toegepast: Grote en kleine bedrijven, organisaties, individuen, lokaal en wereldwijd. Dit artikel richt zich vooral op het stedelijke niveau. Het onderstaande diagram geeft de stroom van grondstoffen, voedingsstoffen, componenten en producten weer, zoals hiervoor besproken.

De twee cycli vertegenwoordigen fundamenteel verschillende materiaalstromen: biologisch (links) en technisch (rechts).

Biologische materialen kunnen probleemloos terugkeren in de natuur als ze een of meer gebruikscycli hebben doorlopen (‘cascades’).

Technische materialen, zoals metalen, kunststoffen en chemicaliën, kunnen zonder bewerking niet terugkeren in de natuur. In plaats daarvan zijn er vier manieren op hun levensduur te verlengen en hun waarde te behouden, zodat er geen nieuwe grondstoffen gewonnen hoeven te worden.

  • Repareren en delen
  • Hergebruik door andere gebruikers, zonder grote veranderingen
  • Renoveren en reviseren, demonteren en assembleren tot een nieuw product, mogelijk met toevoeging van nieuwe functionaliteiten
  • Recycling: het product herleiden tot een nieuwe grondstof, bij voorkeur op het hoogst mogelijke niveau (bijvoorbeeld plactic afval wordt ‘virgin’ plastic), zodat het oorspronkelijke product opnieuw kan worden vervaardigd.

Het ontkoppelen van de productie van goederen en het gebruik van natuurlijke grondstoffen is positief voor de natuur, de economie, het bedrijfsleven en de samenleving in het algemeen.

Voordelen voor de natuur

De voordelen voor de natuur (inclusief de mensheid) zijn het verdwijnen van afval, vervuiling en broeikasgassen, het beperken of stoppen van de winning van grondstoffen en het regenereren van water en bodem.

Economische voordelen

Economische voordelen op termijn zijn onder meer lagere kosten voor grondstoffen en het verhogen van de kwantiteit en kwaliteit van arbeid. Bedrijven zullen profiteren door zich te concentreren op het maken van producten van hoge kwaliteit en vervangende onderdelen. De omschakeling van ‘product’ naar ‘dienst’ schept voldoende nieuwe mogelijkheden. 


Nieuwe bedrijfsmodellen

Het rapport CEO Guide to the Circular Economy[4] beschrijft nieuw bedrijfsmodellen om toe te passen in een ​​circulaire economie. Drie terugkerende elementen zijn: 

  • Verlengen van de levenscyclus van producten door het gebruik van goed ontworpen en hoogwaardige componenten;
  • Repareren, upgraden en leveren van producten als een service;
  • Delen van producten waardoor deze beschikbaar zijn voor meer mensen.

In plaats van elke 5-6 jaar een nieuwe wasmachine te kopen, huurt u een kwalitatief hoogwaardige machine. Als die toch nog defect raakt en niet dezelfde dag thuis (gratis) kan worden gerepareerd, wordt een vervangende machine (gratis) geleverd en wordt uw vorige machine in de werkplaats gerepareerd, in afwachting van plaatsing elders.

Dit model verandert de bedrijfsvoering radicaal. Het aantal wasmachines dat binnen een bepaald tijdvak wordt geproduceerd, neemt met meer dan de helft af, dus ook de benodigde grondstoffen. Winkels worden showrooms, waar u een apparaat selecteert, dat direct uit de werkplaats van de winkelier wordt geleverd.

U hoeft zich nooit zorgen te maken over een kapotte machine, de werkgelegenheid in de detailhandel verschuift van verkopers naar reparateurs en de productie van wasmachines deels van massaproductie naar ambacht.


Voordelen voor de maatschappij

Op de lange termijn zal iedereen baat hebben bij deze nieuwe economie vanwege het (gedeeld) gebruik van hoogwaardige producten, inclusief voedsel. De prijzen voor voedsel zullen stijgen, maar het positieve effect op de gezondheid van mensen zal aanzienlijk zijn.

Of het principe van circulariteit zal worden geïmplementeerd, hangt af van ieders bereidheid om te veranderen, in het bijzonder de meest invloedrijke personen en zij met gevestigde belangen in de ‘take-make-waste‘-economie.

Alvorens in te gaan op de rol van steden, zal ik dieper ingaan op het circulaire principe zelf en twee cases uitwerken: De productie van kunststoffen en de bouwsector.

Kunststoffen

Kunststoffen zijn veelzijdige materialen. Hun productie draagt ​​echter bij aan de uitstoot van broeikasgassen en plastic afval kan onze gezondheid bedreigen. De manier waarop kunststoffen in omloop zijn gebracht illustreert dat een circulaire economie staat of valt met het ontwerp van de toepassing van materialen. Het ontwerp van kunststoffen vond tot nu plaats vanuit ‘take-make-waste’-principe. Elk jaar wordt wereldwijd meer dan 300 miljoen ton plastic geproduceerd, waarvan de helft voor eenmalig gebruik. Slechts 10% of alle kunststoffen is afkomstig van gerecycled materiaal.

Plastic afval dat in de natuur terechtkomt, wordt afgebroken tot microplastics, of te wel plastic soep en behoudt zijn chemische samenstelling en giftige aard. Microplastics belanden uiteindelijk in de voedselcyclus. Meer dan 100 miljoen ton plastic drijft nu in de oceanen.

Ondertussen wordt – veel te laat – naarstig gezocht naar alternatieven. Unilever loopt daarbij voorop[5]. Het bedrijf produceert momenteel 700.000 ton plastic verpakkingen per jaar. Dit zal in 2025 met 100.000 ton verminderd zijn. Bovendien wil het bedrijf dat al zijn plastic verpakkingen herbruikbaar, recyclebaar of composteerbaar worden en dat minstens 25% gerecycled plastic wordt gebruikt bij de productie ervan[6].

Hieronder wordt een kort overzicht gegeven van de verschillende opties.

Recycling

Het voorkomen dat plastic afval in de natuur terechtkomt vereist een uitgebreid en kostbaar systeem voor het verzamelen en scheiden van afval en technologie voor hoogwaardige recycling van het ingezamelde plastic.


Het scheiden van afval

In het geval van een enkelvoudig inzamelsysteem gooien mensen plastic, glas, metalen en papier in één verzamelbak. Alle items worden dan centraal gescheiden, hetgeen voor- en nadelen heeft. De onderstaande video geeft een ​​kijkje in de werking van een grootschalige scheidingslijn.

Zoals te zien is, is nog behoorlijk veel inzet van personeel nodig. Nieuwe machines beperken dit onaantrekkelijke werk dankzij kunstmatige intelligentie. Met deze machines kunnen inmiddels 20 verschillende soorten kunststof worden gescheiden[7].


Chemische recycling

Een van de grootste hindernissen bij het recyclen van kunststoffen is hun verontreiniging tijdens de productiefase, bijvoorbeeld door toevoeging van kleurstoffen. Het Nederlandse bedrijf Ioniqa kan PET-afval chemisch terugbrengen naar ‘virgin’ PET. Grote plasticgebruikers zoals Coca-Cola willen samenwerken met Ioniqa[8]. De onderstaande video laat zien hoe chemische recycling werkt.


Gebruik van duurzame grondstoffen (biobased plastics)

Het voordeel van het gebruik van duurzame grondstoffen (biomassa) bij de productie van plastic is dat hierbij geen uitstoot van broeikasgassen plaatsvindt. Biomassa is relatief schaars en de productie ervan gaat vaak ten koste van de bosbouw en de teelt van voedselgewassen. Bovendien zijn de meeste biobased plastics niet biologisch afbreekbaar. Als ze in zwerfvuil terechtkomen, zijn de effecten even schadelijk als die van andere kunststoffen. Om deze en onderstaande redenen, zijn er nogal wat nadelen verbonden aan biobased kunststoffen.

Biologisch afbreekbare kunststoffen

Idealiter zijn dit biobased materialen die in vrij korte tijd veilig in de natuur worden afgebroken. PHA bijvoorbeeld. Helaas hebben jaren van onderzoek nog niet geleid tot de grootschalige productie ervan.

Sommige andere soorten kunststoffen zoals PLA (bio-gebaseerd) en PBAT (niet bio-gebaseerd) zijn composteerbaar, maar alleen in een industriële omgeving. Deze soorten plastic mogen worden meegegeven met het organische afval. Dat is eerder een probleem dan een oplossing: De meeste consumenten kunnen geen onderscheid maken tussen biologisch afbreekbare, biobased en andere soorten kunststoffen. Hierdoor komen veel plastics per ongeluk terecht in het organisch afval en worden ze onderdeel van de plastic soep.

Hergebruik

Als kunststof vanaf het begin was ontworpen voor een circulaire economie, zou ongetwijfeld de nadruk zijn gelegd hoogwaardig gebruik. Dankzij de heffing van substantieel statiegeld zou het grootste deel opnieuw gebruikt kunnen worden.


Terug naar herbruikbare verpakking?

Samen met Coca-Cola, Proctor & Gamble en Nestlé heeft Unilever zich aangesloten bij Loop[9], een platform dat herbruikbare verpakkingen ontwikkelt. Supermarkten die producten thuis leveren, kunnen deze zonder probleem in hun assortiment opnemen. De onderstaande video laat zien hoe het systeem werkt.

Verbod op sommige soorten plastic

De inzameling van kunststoffen schiet nog steeds ernstig tekort en een groot deel van alle kunststoffen komt in de natuur terecht als zwerfvuil en keert terug in onze voedselketen via de giftige plastic soep. Dit geldt met name voor plastic zakken, bekers, bakjes voor snacks en frisdrankflessen zonder statiegeld. Hier lijkt een verbod de enige uitweg.

Bouw

De impact van circulaire principes in de bouwsector zal enorm zijn, omdat gebouwen verantwoordelijk zijn voor meer dan 50% van het totale gebruik van grondstoffen, waaronder waardevolle soorten zoals staal, koper, aluminium en zink. Bovendien produceert de gebouwde omgeving 40% van alle broeikasgassen.

Circulair bouwen is het ontwerpen, bouwen en slopen van een gebouw op een zodanige manier dat, naast de hoogwaardige inzet van materialen, ook recht wordt gedaan aan duurzaamheidsambities op het gebied van energie, water en biodiversiteit.

Structureel afval in de bouwomgeving. Bron: De circulaire economie: overgang van theorie naar praktijk, McKinsey & Company 2015[10]

In het geval van sloop worden tegenwoordig veel componenten opnieuw gebruikt echter op een zeer laag niveau, bijvoorbeeld beton en stenen als fundering van nieuwe wegen. Afgezien van de vraag of er nog veel nieuwe wegen aangelegd zouden moeten worden, vernietigt dit type recycling de intrinsieke kwaliteit van materialen en de noodzaak van de winning van nieuwe grondstoffen neemt er niet door af. 

Het minste is de scheiding van glas, staal, hout en andere materialen, wat al vaak gebeurt. Bovendien kunnen waardevolle materialen worden teruggewonnen door gericht te werk te gaan bij de afbraak van gebouwen ook al zijn de niet circulair ontworpen. Dit wordt ‘urban mining’ genoemd. Het grootste probleem is dat gerecyclede materialen dan vaak duurder zijn dan nieuwe.

Echte vooruitgang kan worden geboekt bij nieuwbouw. Hieronder wordt een aantal mogelijkheden benoemd[11].

Stedelijke planning

Een eerste stap is efficiënter gebruik van de bestaande ruimte. Bovendien kunnen eisen worden gesteld aan de bouw van nieuwe gebouwen, zoals het gebruik van minder cement, glas en staal, de verplichte toepassing van een bepaald percentage hergebruikte materialen en minstens energieneutraal zijn. Overschakelen naar duurzaam hout is een optie voor 90% van de huizen en 70% van de kantoren die worden gebouwd.

Verplicht hergebruik van bestaande componenten

Hergebruik van bestaande materialen betekent dat glas wordt hergebruikt als glas en betonnen pijlers als pijlers. Hetzelfde geldt voor deuren, kozijnen, tapijten, gevelbekledingsmaterialen, enzovoort. De eerste stap is dat alle materialen na sloop geselecteerd, schoongemaakt, geregistreerd en opgeslagen worden in nog te ontwikkelen magazijnen.

Het materialenpaspoort, dat een overzicht bevat van alle materialen en componenten die bij de bouw zijn gebruikt, is een handig hulpmiddel daarbij. De verplichting om een ​​groot percentage bestaande componenten te hergebruiken, heeft verstrekkende gevolgen voor het ontwerp en huizen en gebouwen. 


Het Circl-paviljoen van de ABN-AMRO-bank

Circle paviljoen Foto: AMN-AMRO bank

Het Circl-paviljoen van de Nederlandse ABN-AMRO-bank is een voorbeeld van een nieuw gebouw waarin zoveel mogelijk bestaande componenten zijn ingezet. Bijvoorbeeld 1200 m2 houten vloeren, scheidingswanden van een gesloopt gebouw en 16.000 kledingstukken van werknemers voor isolatiedoeleinden. Alle componenten van het gebouw zijn ontworpen om te worden hergebruikt[12].

Industriële productie en 3D-printen.

De bouw van componenten in fabrieken, met behulp van industriële processen, zal de kosten met 30 procent en de levertijd met minstens 50 procent verlagen


Geprinte huizen en gebouwen

In 2014 heeft het Chinese bedrijf WinSun[13] tien huizen, elk van ongeveer 195 vierkante meter, in 24 uur geprint en geassembleerd voor een bedrag van € 5.000 per huis. Het bedrijf gebruikte 30 – 60 procent minder materiaal dan in de traditionele bouw. De gebruikte ‘inkt’ voor de 3D-printers is een mengsel van droog cement en bouwafval. WinSun opent 100 recyclingfabrieken in China om van afval deze ‘inkt’ te maken.

Onderstaande video demonstreerde de printactiviteiten van WinSun


Delen van ruimte

De grootte van appartementen zal afnemen, deels vanwege de kosten, maar ook vanwege de aanwezigheid van gedeelde kamers, loungeruimtes en terrassen voor werken en gezelligheid, ruimtes voor wassen en drogen van wasgoed. 

De behoefte aan kantoorruimte zal eveneens afnemen vanwege het delen van ruimte en het werken in een externe omgeving. Zo heeft IBM nog slechts één bureau beschikbaar voor 12 werknemers.  Gegeven de aanwezigheid van 300.000 werknemers, leidde dit tot besparingen op onroerend goed van ongeveer € 1 miljard in de afgelopen 10 jaar.


Modulariteit en duurzaamheid

Een belangrijke barrière voor een beter gebruik van de vloerruimte is het gebrek aan flexibiliteit in de inrichting van gebouwen. Een modulair ontwerp, dat voorziet in makkelijke vervanging van scheidingswanden en plaatsing van complete functionele eenheden (keukens en badkamers) vergemakkelijkt aanpassingen als het gebruik van een gebouw verandert.


Flexibele ruimte-oplossingen

DIRTT[14] bouwt interieurcomponenten die modulair en gestandaardiseerd zijn en maximale uitwisselbaarheid bieden in zowel bestaande als nieuwe gebouwen. Onderstaande video geeft een indruk van de productie en toepassing van deze flexibele en goedkope oplossingen.

Nieuwbouw vergeten

Naarmate gezinnen kleiner worden en kantoren minder ruimte nodig hebben, wordt bestaande bebouwde ruimte minder benut. Doordachte aanpassingen van de indeling van bestaande huizen en gebouwen kan hun doelmatigheid vergroten zonder hun comfort te verminderen. 


Renovatie en splitsing van oudere woningen

Honderdduizenden huizen uit de periode 1920 – 1960 zijn ruim van opzet, maar worden door de vergrijzing onderbenut. Zij zijn doorgaans slecht geïsoleerd en zullen de komende jaren grondig gerenoveerd moeten worden. Dit is een goede gelegenheid om deze huizen te splitsen in twee meer compacte zelfstandige wooneenheden, waardoor de kosten van de renovatie dubbel en dwars terugverdiend kunnen worden. 


De impact van het circulaire principe op steden.

Circulaire bouw verlaagt de huisvestingskosten, behoedt de bodem voor degradatie, fragmentatie en niet-duurzaam gebruik; vermindert de negatieve impact op het milieu en verbetert de leefbaarheid van steden.

Tegelijkertijd zijn de huidige inkomsten van steden – 85% van wat er op de hele wereld wordt omgezet – nauw verbonden met wereldwijde stromen van olie en gas, grondstoffen, componenten en eindproducten. Als gevolg daarvan hebben toonaangevende bedrijven en invloedrijke staten een groot belang bij de ‘take-make-waste’-economie.

De ontwikkeling van een circulaire economie is een strijd om macht en invloed, die alleen kan worden gewonnen ten gunste van circulariteit door een gezamenlijke inspanning. Steden zijn bij uitstek het platform voor deze strijd, omdat hier alle belanghebbenden elkaar ontmoeten, van gedachten kunnen wisselen en op basis van gedeelde belangen overeenstemming kunnen bereiken. Ook wettelijke maatregelen zullen zich hier rechtstreeks laten voelen.

De rol van het stadsbestuur is bepalend.

In de eerste plaats door partijen samen te brengen, inspirerende doelen te stellen, barrières weg te nemen die voortvloeien uit bestaande regelgeving, delen te vergemakkelijken, innovatief onderzoek te stimuleren, startups die bijdragen aan circulaire oplossingen te ondersteunen en financiële prikkels beschikbaar stellen, bijvoorbeeld door belastingtarieven te differentiëren.

In de tweede plaats, door circulaire plannen te maken op gebieden waarvoor het stadsbestuur primair verantwoordelijk is. Lokale overheden hebben een grote en directe invloed door middel van wetgeving en investeringen met betrekking tot stedelijke planning, afgifte van bouwvergunningen, mobiliteitssystemen, stedelijke infrastructuur, stadsverwarming, productie en distributie van energie, afvalinzameling, gemeentelijke belastingen en de lokale arbeidsmarkt[15].

De stad kan zelfs het verschil maken, wat geïllustreerd kan worden aan de metropoolregio Amsterdam

Circulair Amsterdam

De gemeente Amsterdam heeft zich gecommitteerd aan de ontwikkeling van een circulaire economie als een belangrijke pijler van haar duurzaamheidsbeleid[16]. De stad wil hierin een voorloper zijn en heeft een goede uitgangspositie omdat veel burgers, bedrijven, startups en (kennis) instellingen overtuigd zijn van de noodzaak van een circulaire economie

De gemeente hanteert de volgende uitgangspunten:

  • Alle materialen zijn onderdeel van een oneindige stoffelijke of biologische cyclus.
  • Alle energie komt uit hernieuwbare bronnen.
  • Modulair en flexibel ontwerp van productieketens om het aanpassingsvermogen van gebouwen te vergroten.
  • Nieuwe activiteiten die de verschuiving mogelijk maken van bezit van goederen naar gebruik van diensten.
  • Logistieke systemen die overgaan op een meer regio-georiënteerde diensten.
  • Menselijke activiteiten die bijdragen aan regeneratie van “natuurlijk kapitaal”.

Samen met externe partijen, TNO en Circle, heeft de stad bestaande ketens beoordeeld op ecologische impact, economisch belang, behoud van waarde en transitiepotentieel. Dit resulteerde uiteindelijk in de selectie van twee ketens waarin de grootste circulaire impact kan worden bereikt, namelijk de bouw en de verwerking van organisch afval.

Bouw

Door de bouwketen circulair te organiseren en tegelijkertijd tegen 2040 70.000 nieuwe woningen te realiseren, is een productiviteitswinst van 3% haalbaar met een waarde van €85 miljoen per jaar. Dit is het resultaat van hergebruik van materiaal en verbeteringen van doelmatigheid. De onderstaande tabel verwijst naar de toekomstige activiteiten die in de komende jaren moeten worden ontwikkeld.

Bron: gemeente Amsterdam

Organische reststromen

Hoogwaardige verwerking van organische reststromen over een periode van vijf tot zeven jaar, resulteert in een toegevoegde waarde van € 150 miljoen per jaar. Dit is het resultaat van bronscheiding van organisch afval in alle huishoudens en in de voedselverwerkende industrie. De organische reststroom wordt gebruikt voor de productie van eiwitten voor diervoeding, biogas en bouwstenen voor de productie van bioplastic. De onderstaande tabel verwijst naar de belangrijkste activiteiten die in de komende jaren moeten worden ontwikkeld.

Bron: gemeente Amsterdam

In bepaalde opzichten zijn landen met een lager inkomen meer ‘circulair’ dan rijkere tegenhangers. Veel bewoners kunnen niet zich permitteren voor hen waardevol materiaal weg te gooien. In de informele sector draait in deze landen veel economische activiteit om het sorteren en hergebruiken van afval, onder andere geïmporteerd afval uit rijke landen. Ongeveer 0,5% van de stedelijke bevolking in ontwikkelingslanden – alleen al 1,5 miljoen in India – probeert aan de kost te komen met het verzamelen van items op stortplaatsen, met alle gezondheidsrisico’s van dien. Naar schatting sterven elk jaar wereldwijd 270.000 mensen door het verbranden van afval. Stortplaatsen zullen in 2025 8 – 10% van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen veroorzaken.

Ontwikkelingslanden moeten hun eigen weg volgen, die anders is dan de onze. Hierbij valt te denken aan:

  • Prioriteren van het beheer van (organisch) afval, scheiden en verwerken van stromen.
  • Het verzamelen van bruikbare componenten van te slopen gebouwen en huizen en deze ter beschikking stellen aan inwoners van sloppenwijken, samen met verbeteringen in de voorziening van drinkwater en sanitair.
  • Verhoging van de belastingen op grondstoffen en het creëren van investeringsfondsen ter ondersteuning van het recyclen van industrieel afval.
  • Inrichting van plekken in waar bewoners huisvuil kunnen deponeren zowel in als buiten steden en verbieden van verbranding van afval op ongeautoriseerde plaatsen.
  • Focus op hoogwaardige kunststofproducten en voorkom voor zover nog mogelijk de fouten die ontwikkelde landen hebben gemaakt: 

Circulariteit en de humane stad

Het lijdt geen twijfel dat op de lange termijn iedereen baat heeft bij een circulaire economie. Zij kan op korte termijn echter de koopkracht van de armen verzwakken. Arme mensen over de hele wereld hebben al een informele circulaire economie gecreëerd door het kopen of ruilen van versleten goederen zoals auto’s, koelkasten, meubels en kleding. Goederen die beschikbaar zijn op rommelmarkten, tweedehands winkels of via familie en vrienden. De beschikbaarheid van deze goederen zal dalen en hun prijzen stijgen, zodra ze onderdeel worden van een meer gereguleerd circulair traject, waar veel producten vervangen worden door diensten. Om nog maar te zwijgen van een verbod om ze te gebruiken vanwege milieu- of veiligheidsredenen. 

Dit probleem is niet inherent aan de circulaire economie, maar vloeit voort uit de groeiende kloof tussen het rijke en arme deel van de mensheid. Bijgevolg moet beleid dat gericht is op de ontwikkeling van een circulaire samenleving ook gericht zijn op het scheppen van voorwaarden voor een meer rechtvaardige en egalitaire samenleving.

Hieronder vat ik samen hoe de ontwikkeling naar een circulaire economie bijdraagt ​​aan de ontwikkeling van humane steden.


Acties om het principe van circulaire economie en de ontwikkeling van humane steden op elkaar af te stemmen

  1. Een wereldwijde stijging van de grondstofprijzen is de beste bijdrage aan een circulaire economie, op korte termijn vooral voor ontwikkelingslanden en op langere termijn voor iedereen omdat hogere grondstoffenprijzen recycling zullen stimuleren.
  2. Op dit moment zijn componenten van gesloopte gebouwen niet geschikt voor grootschalig hergebruik. In ontwikkelingslanden kunnen ze beschikbaar worden gesteld aan inwoners van sloppenwijken om hun primitieve woningen te verbeteren.
  3. Zo snel mogelijk moeten architecten het eens worden over het gebruik van een vrij beperkt aantal gestandaardiseerde, industrieel geproduceerde componenten voor nieuwe gebouwen. In de komende decennia zullen deze componenten worden aangevuld en steeds meer vervangen door componenten van gesloopte gebouwen. Opslag van deze componenten kan het beste worden georganiseerd door op gemeentelijk niveau substantiële voorraden te creëren om vervoer over lange afstanden te voorkomen.
  4. Ontwikkelde landen moeten stoppen met het exporteren van hun afval naar ontwikkelingslanden en opkomende landen. De uitvoer van afval is een verwerpelijke manier om de ecologische voetafdruk in eigen land te verminderen. Stopzetting van de uitvoer dwingt hen prioriteit te geven aan voorzieningen voor hergebruik en recycling.
  5. Tegengaan van zwerfvuil door extra belastingen voor bedrijven die verpakkingen voor eenmalig gebruik produceren is niet effectief. Ze zullen gewoon zijn prijzen verhogen. In plaats daarvan moet dit type verpakking worden verboden.
  6. De ontwikkeling van een deel-economie gaat verder dan het vervangen van producten door diensten. Het omvat ook collectief eigendom van gebruiksvoorwerpen, boeken, speelgoed en veel andere goederen. 
  7. Plastic objecten moeten kwaliteit en duurzaamheid uitstralen in plaats van te worden ervaren als iets om weg te gooien. Substantieel statiegeld voor alle plastic flessen en dozen voor het verpakken van vlees, kaas en salades moet als redelijk worden beschouwd.
  8. Plastic voorwerpen die niet worden hergebruikt, moeten in één afvalstroom worden verzameld, gericht op productie van hoogwaardige soorten nieuw plastic. Gegeven een succesvolle combinatie van hergebruik, inzameling en hoogwaardige recycling, is de productie van biologisch afbreekbare kunststoffen minder urgent.
  9. Het opruimen van plastic afval in de oceanen en het vermijden van het gebruik van microplastics in consumentenproducten heeft hoge prioriteit.

[1] http://arts.brighton.ac.uk/projects/wastehouse/learn-about-the-waste-house

[2] https://www.circularity-gap.world

[3] https://www.ellenmacarthurfoundation.org/explore

[4] http://docs.wbcsd.org/2017/06/CEO_Guide_to_CE.pdf

[5] https://www.duurzaambedrijfsleven.nl/recycling/32505/unilever-reductie-co2?q=%2Frecycling%2F32505%2Funilever-reductie-co2&utm_source=nieuwsbrief&utm_medium=e-mail&utm_campaign=Daily+Focus+9+Oktober

[6] https://medium.com/fast-company/250-organizations-are-joining-forces-to-end-plastic-waste-103736e5771d

[7] https://medium.com/scientific-american/can-robots-help-pick-up-after-the-recycling-crisis-aace4210472b

[8] https://www.duurzaambedrijfsleven.nl/industrie/31471/innovatie-ioniqa

[9] https://www.duurzaambedrijfsleven.nl/future-leadership/32641/verduurzaming-succesfactoren?q=%2Ffuture-leadership%2F32641%2Fverduurzaming-succesfactoren&utm_source=nieuwsbrief&utm_medium=e-mail&utm_campaign=Daily+Focus+29+Oktober

[10]https://www.mckinsey.com/~/media/McKinsey/Business%20Functions/Sustainability/Our%20Insights/Growth%20within%20A%20circular%20economy%20vision%20for%20a%20competitive%20Europe/Growth_Within.ashx

[11] https://www.mckinsey.com/business-functions/sustainability/our-insights/the-circular-economy-moving-from-theory-to-practice

[12] https://www.duurzaambedrijfsleven.nl/infra/24589/abn-amro-opent-deuren-van-innovatief-en-circulair-paviljoen-circl

[13] http://www.winsun3d.com/En/About/

[14] https://www.dirtt.com

[15] https://www.ellenmacarthurfoundation.org/assets/downloads/publications/Cities-in-the-CE_An-Initial-

[16] https://www.amsterdam.nl/wonen-leefomgeving/duurzaam-amsterdam/publicaties/circulair-visie/

De donut stad

Er is geen plek op de wereld waar alle bewoners hetzelfde welvaartsniveau delen, of waar deze welvaart op een sociaal of ecologisch verantwoorde manier is bereikt. Daarom is de vraag wat voor soort welvaart haalbaar is voor burgers over de hele wereld zonder de natuur aan te tasten en de vooruitzichten op een fatsoenlijk leven van medemensen en toekomstige generaties te schaden.

Kate Raworth (Foto gemeente Amsterdam)

In dit essay ben ik op zoek naar een antwoord op deze vraag. Het donut-principe van Kate Raworth is een veelbelovend startpunt, vandaar de gekozen titel. De titel had ook kunnen zijn De verantwoord-welvarende stad. Ik zal proberen de hypocrisie te vermijden waartoe een pleidooi voor vermindering van de consumptie omwille van duurzaamheid kan leiden. Immers, miljarden mensen zijn hongerig of arm en dromen van enige rijkdom. Zij zijn bovendien niet de belangrijkste vervuilers.


De donut stad is de zevende aflevering van een reeks essays over hoe steden humaner kunnen worden. Dat betekent het vinden van een evenwicht tussen duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en leefbaarheid. Dit vereist vergaande keuzes. Zodra deze keuzes zijn gemaakt, zijn slimme technologieën om ze te realiseren vanzelfsprekend.

De essays die al zijn gepubliceerd:


De sociale oorsprong van broeikasgassen

Een recent Oxfam-rapport Extreme carbon inequality toont aan dat de armste helft van de wereldbevolking – ongeveer 3,5 miljard mensen – verantwoordelijk is voor slechts 10% van de totale uitstoot van broeikasgassen: Ongeveer 50% van de uitstoot komt van de rijkste 10% van de mensen over de hele wereld. Ze hebben een gemiddelde CO2-voetafdruk die 11 keer zo hoog is als die van de armste helft en 60 keer zo hoog als die van de armste 10%. Zelfs een vermindering van de consumptie met 50% door de rijkste 10% en een verdubbeling van de consumptie door de armste 50% leidt tot een daling van de consumptie wereldwijd met ongeveer 15%[1].


De productie van broeikasgassen hangt ook binnen een land samen met het inkomen.

Inkomensgerelateerde productie van broeikasgassen

De grafiek laat zien dat het begrip rijke landen misleidend is. Een klein deel van de bevolking van de meeste landen heeft alle mogelijkheden om te consumeren en draagt bij navenant bij aan de productie van broeikasgassen; voor de meerderheid van de bevolking geldt dat in aanzienlijk mindere mate.

Economische groei blijft een politieke en economische prioriteit in bijna alle landen [2]. Conventioneel economisch denken veronderstelt dat de vraag naar goederen altijd zal groeien en dat bedrijven, in een poging om aan deze vraag te voldoen, een steeds grotere hoeveelheid goederen en diensten zullen leveren.

Al in 1968 verklaarde Robert Kennedy in een toespraak aan de Universiteit van Kansas: Gross National Product counts air pollution and advertising for cigarettes and ambulances to free our massacres. It has special locks for our doors and the prisons for the people who break them. It counts the destruction of the sequoia and the loss of our natural wonder to expand[3].

Vijftig jaar later zijn de ecologische en sociale effecten van het  conventionele economische denken zichtbaarder dan ooit.

Een groeiende groep mensen beseft dat de wereld een soort welvaart nodig heeft die voldoet aan de behoeften van de hele wereldbevolking – nu en in de toekomst – en die op een sociaal en ecologisch duurzame manier tot stand komt.


Wellbeing Economy Alliance

In 2017 sloten de regeringen van Schotland, Costa Rica, Slovenië en Nieuw-Zeeland een alliantie, de Wellbeing Economy Alliance

Costa Rica staat in de top drie van landen ter wereld met de meest gelukkige inwoners[4]. De regering van Nieuw-Zeeland accepteert het BNP niet langer als de enige maatstaf voor vooruitgang[5]We need to make sure that we look at people’s ability to live meaningful lives, where their work is sufficient to survive and sustain their families” aldus de premier.


De grote vraag is hoe zien dit soort welvaart en een samenleving die deze tot stand brengt er uit. Maar eerst moeten we begrijpen waarom dit soort samenleving nog nooit dichterbij is gekomen.

De verwenste drie-eenheid van economische groei, ongelijkheid en milieubederf

Rijkdom enerzijds en armoede en milieubederf anderzijds zijn sterk verbonden. Deze zienswijze wordt al jaren door marxisten verkondigd. Nieuw – minder ideologisch geïnspireerd – onderzoek met behulp van volkstellinggegevens tussen 1980 tot 2013 levert voldoende bewijs dat economische ongelijkheid en regionale verschillen met elkaar verweven zijn. Een studie door Harvard alumnus Robert Manduca, The contribution of national income inequality to regional economic disparities laat zien dat de groeiende regionale verschillen binnen de VS grotendeels een product zijn van economische ongelijkheid op nationaal niveau, met name de concentratie van rijkdom in handen van 1% van de bevolking[6]. De elite met zijn talloze connecties met het internationale bedrijfsleven en de politiek is tevens de belangrijkste ideologische bron achter de doctrine van eindeloze groei. Zij heeft al meer dan een halve eeuw een doeltreffend sociaal en milieubeleid voorkomen, waaronder de enige maatregelen die de opwarming van de aarde hadden kunnen stoppen, namelijk internalisering van externe kosten[7] en in het bijzonder een CO2-belasting[8].

Wat is verantwoorde groei?

Hierna volgt een aantal inzichten hoe verantwoorde welvaart, met of zonder groei, mogelijk gemaakt kan worden. Samen vormen deze een basis voor beleid voor landen, regio’s of steden.

In de eerste plaats noem ik de Sustainable Development Goals, Daarna volgt de donut-economie voorgesteld door de Britse econoom Kate Raworth, om te eindigen met de Green New Deal in de VS.

Ik had ook kunnen verwijzen naar de principes van inclusieve groei, geformuleerd door het World Economic Forum, de Millennial-doelen van de VN, de indrukwekkende film An Inconvenient Truth van Al Gore en ik had kunnen teruggegaan naar het Rapport van de Club van Rome of het boek Silent Spring van Rachel Carson.

Al deze benaderingen hebben gemeen dat de aanpak van milieuproblemen een herverdeling en herdefinitie van de essentie van welvaart vereist.

Sustainable Development Goals

In 2015 ondersteunden alle 193 leden van de Verenigde Naties de 17 ambitieuze Sustainable Development Goals (SDGs)[9]. Deze 17 doelen zijn gespecificeerd door middel van indicatoren, wier aantal sinds 2015 is gegroeid tot 232.

De sustainable development goals

Nederland was toen al begonnen met de ontwikkeling van een eigen alternatief voor het bruto nationaal product, brede welvaart[10]. Er is toen besloten om de aspecten van brede welvaart en die van de SDGs te integreren, wat heeft geleid tot een kleine aanpassing van laatstgenoemde. 

Een uniek aspect van het meten van brede welvaart in vergelijking tot de SDGs is het onderscheid tussen welvaart “hier en nu”, de druk die het huidige welvaartsniveau uitoefent op toekomstige generaties (“later”) of op andere landen (“elders”). Bij het meten van brede welvaart wordt een onderscheid gemaakt tussen de absolute omvang, de groei of achteruitgang ervan voor alle EU28-landen afzonderlijk en de positie van Nederland in vergelijking met de EU28-landen.

Welvaart hier en nu

Met betrekking tot de hier en nu-indicatoren loopt Nederland voorop bij vijf ontwikkelingsdoelen: Geen armoede (SDG 1); industrie, innovatie en infrastructuur: kennis en innovatie (SDG 9); vermindering van ongelijkheid: sociale cohesie en ongelijkheid (SDG 10); vrede, gerechtigheid en krachtige openbare diensten: instellingen (SDG 16) en partnerschap om doelstellingen te bereiken (SDG 17). Nederland staat op vier andere SDG’s in de lagere regio’s van de Europese ranglijst: Betaalbare en duurzame energie (SDG 7); klimaatactie (SDG 13); leven in het water (SDG 14) en leven op het land (SDG 15).

De trend in de ontwikkeling van brede welvaart hier en nu is ook eerder positief dan negatief. Een  positieve trend domineert in het geval van ‘einde van de honger'(SDG 2); ‘gendergelijkheid’ (SDG 5); ‘schoon water en sanitair’ (SDG 6); ‘eerlijk werk en economische groei: economie en productiefactoren’ (SDG 8) en ‘industrie, innovatie en duurzame infrastructuur: kennis en innovatie’ (SDG 9). Een dalende trend doet zich voor bij  ‘goede gezondheid en welzijn’ (SDG3);’ industrie, innovatie en infrastructuur: mobiliteit’ (SDG9); ‘vermindering van ongelijkheid’ (SDG 10); ‘duurzame steden en gemeenschappen: wonen’ (SDG 11); en ‘leven op het land’ en ‘leven in het water’ (SDGs 14 en 15).

Welvaart elders

Met betrekking tot de brede welvaart elders; er zijn meer negatieve dan positieve posities en trends. De totale import van fossiele energie en biomassa in Nederland neemt gestaag toe en ook de import van metalen en mineralen is recent begonnen te stijgen, met uitzondering van de import uit de armste landen. Deze trend wordt als negatief beschouwd vanwege de vermindering van de voorraden elders in de wereld.

Nederland staat aan de top op het gebied van buitenlandse hulp, maar ook hier is sprake van een dalende trend.

Welvaart later

De trendontwikkeling van onze brede welvaart later is overwegend positief, behalve op het gebied van natuurlijk kapitaal (negatief) en menselijk kapitaal (neutraal). Deze dalende trend met betrekking tot natuurlijk kapitaal weerspiegelt het lage percentage duurzame energie en een relatief hoge CO2-uitstoot.

De verdeling van brede welvaart

Ook interessant is de analyse van de verdeling van brede welvaart. De mate van brede welvaart hangt vooral samen met opleidingsniveau, niet met inkomen.

De eerdergenoemde analyse van het Centraal Bureau voor de Statistiek biedt een schat aan gegevens over honderden indicatoren. Veel indicatoren hebben echter uiteenlopende interpretaties. Indicatoren zoals groei van de uitgaven in de gezondheidszorg en van het aantal gewerkte uren in het onderwijs zijn geen aanwijzingen voor toenemende welvaart. Hiervan is pas sprake als het toegenomen gebruik van middelen daadwerkelijk vruchten afwerpt. Bijgevolg is de beleidsrelevantie van sommige SDGs niet meteen duidelijk en blijven er veel politieke keuzen open. Om deze reden zijn velen naarstig op zoek naar maatstaven met meer ondubbelzinnige implicaties voor sociale en ecologische duurzaamheid.

De donut economie

Het model voor een donuteconomie is ontwikkeld door de Britse econoom Kate Raworth in een rapport voor Oxfam getiteld A Safe and Just Space for Humanity en het idee verspreidde zich vervolgens snel over de hele wereld. De essentie is dat sociale en ecologische duurzaamheid de leidende principes zouden moeten zijn voor het economisch beleid van de 21ste eeuw en samen het economische gedrag en de mate van economische groei bepalen.

Er is geen drievoudige bottom line: Sociale en ecologische duurzaamheid staan ​​op de voorgrond, de economie volgt.

Het donut model

Het idee achter het donutmodel is eenvoudig. Als je naar de vorm van een donut kijkt, zie je twee cirkels. Een kleine cirkel in het midden en een grote cirkel aan de buitenkant. De kleinste cirkel vertegenwoordigt de minimale sociale doelstellingen (basisbehoeften) die voor alle landen gelden. De grote cirkel vertegenwoordigt het maximale draagvermogen van de planeet. Alle samenlevingen moeten beleid ontwikkelen tussen de twee lijnen in.

Hieronder kun je een korte video bekijken waarin Kate Raworth het model zelf uitlegt.

In tegenstelling tot de SDGs is het donut-model gebaseerd op de samenhang tussen economisch, sociaal en milieubeleid.

Positieve resultaten op het gebied van sociale voorzieningen zijn in veel westerse landen een direct gevolg van dezelfde economische groei die verantwoordelijk is voor de enorme overschrijding van de ecologische bovengrens.

De belangrijkste doelstelling voor elk land is om betere levensomstandigheden te bereiken zonder aan te nemen dat economische groei hiervoor een noodzakelijke voorwaarde is.

De onderstaande tabellen laten zien wat achterstand ten opzichte van de sociale ondergrens en overschrijden van de ecologische bovengrens inhoudt. Het is erg belangrijk dat de gestelde doelen met betrekking tot beide lijnen zo snel mogelijk worden bereikt. Vanwege aanzienlijke verschillen tussen landen in de mate van realisering van deze doelen, zal het beleid per land, regio of stad variëren.

De sociale ondergrens

Kate Raworth: Donut Economics. Seven Ways to Think Like a 21st Century Economist (appendix)

De ecologische bovengrens

De negen facetten van de ecologische bovengrens zijn gebaseerd op onderzoek door een groep aardwetenschappers onder leiding van Johan Rockström en Will Steffen en beschreven in hun boek Trajectories of the Earth System in the Anthropocene

Johan Rockström en Will Steffen: Trajectories of the Earth System in the Anthropocene

De onderstaande video toont een korte lezing van Will Steffen over de negen facetten van het ecologische plafond, die worden bedreigd door menselijk handelen.

Ondanks een oppervlakkige overeenkomst tussen de SDGs en het donut-model, zijn er verschillen[11]. De SDGs kunnen worden vergeleken met een dashboard met evenveel rode en groene lampjes als er indicatoren zijn. Er wordt aangenomen dat elk daarvan afzonderlijk kan worden beïnvloed door een schuifschakelaar. De kleur van de controlelampjes wordt echter bepaald door onderling verbonden (economische) processen: De groene kleur van de meeste sociale indicatoren in de rijkste EU28-landen is een direct gevolg van hun krachtige economie die tegelijkertijd resulteert in een donkere-rode kleur voor omgevings-gerelateerde lampjes. De belangrijkste toegevoegde waarde van het donut-model is het mogelijk maken van een kritische evaluatie van het gehele beleid van elke stad of land om duurzame welvaart te realiseren[12].

Wat werken tussen de sociale en de ecologische limieten betekent, komt in de volgende paragraaf aan de orde. Eerst zal ik nog het meest robuuste – zij het tevens meest pragmatische pragmatische – model introduceren, de Green New Deal. Dit model vereist geen ingewikkelde berekeningen en is daarom gemakkelijk te begrijpen en kan direct worden geïmplementeerd.

The Green New Deal

In 2012 en 2016 kandideerde Green Party-kandidaat Jill Stein – tevergeefs – voor het presidentschap van de VS met als voornaamste programma een Green New Deal. In 2018 heeft Alexandria Ocasio-Cortez, ondersteund door senator Ed Markey, de term overgenomen tijdens haar succesvolle campagne voor lidmaatschap van het Congres.

In de afgelopen dagen hebben presidentskandidaten, waaronder senatoren Elizabeth Warren, Cory Booker, Bernie Sanders, Kamala Harris en Kirsten Gillibrand hun steun uitgesproken voor een vorm van Green New Deal. De gouverneur van New York, Andrew Cuomo, heeft een Green New Deal voor zijn staat geschetst als onderdeel van de begroting[13].

De Green New Deal munt uit vanwege zijn transparantie en ondanks het feit dat veel presidentskandidaten met eigen plannen komen, is de steun onder de kiezers onverwacht hoog[14] (zie grafiek). Bovendien nemen verschillende staten, bijvoorbeeld New York, Californië en Minnesota wetten aan gebaseerd op die de principes van de Green New Deal.

Steun voor de Green New Deal onder geregistreerde kiezers

Het doel van de Green New Deal is het reduceren van de CO2-uitstoot tot nul in het volgende decennium en het creëren van miljoenen goedbetaalde banen om de benodigde infrastructuur te realiseren en het aantal armen, werk- en daklozen dienovereenkomstig te verminderen. Bovendien omvat de Green New Deal bescherming tegen monopolies, investeringen in openbaar vervoer, betaalbare huisvesting en gezonde voeding alsmede gerechtigheid voor gemarginaliseerde sociale groepen.

De Green New Deal pakt vier systemische nationale crises gelijktijdig aan: Torenhoge ongelijkheid, structureel verankerd racisme, klimaatverandering en de overname van de Amerikaanse democratie door de ultrarijken en de grote technologiebedrijven.

De Green New Deal-voorstellen missen de theoretische onderbouwing van het donut-principe, maar ze werken in dezelfde richting. De Green New Deal kan een impuls krijgen bij de komende presidentsverkiezingen in de VS. Op langere termijn is een meer uitgewerkt model nodig en het donut-principe leent zich hiervoor beter


Op weg naar een Global New Green Deal

Al meer dan tien jaar coördineert C40 in meer dan 65 wereldsteden klimaatbeleid[15]. Onlangs ging deze organisatie nog een stap verder en – op initiatief van Anne Hidalgo (burgemeester van Parijs) en Eric Garcetty (burgemeester van Los Angeles) is een begin gemaakt met een Global New Green Deal om ecologische en sociale actie te verbinden, waar nationale overheden achterblijven. 

Deze Global New Green Deal is gebaseerd op vier principes[16]:

  • Erkenning van de wereldwijde noodsituatie met betrekking tot het klimaat.
  • Toezegging om de opwarming van de aarde onder het doel van 1,5°C te houden door de uitstoot te verminderen in de sectoren die daaraan de grootste bijdrage leveren: Transport, industrie, gebouwen en afval.
  • Volledig en definitief afstand nemen van fossiele brandstoffen en -grondstoffen.
  • Samenwerking tussen bestuurders, bedrijven, investeerders, werknemers, het maatschappelijk middenveld, burgers, jongeren en gemeenschappen die onevenredig worden getroffen door klimaatverandering en armoede.

Verantwoorde welvaart: duurzaam en voor iedereen

Steden dragen een grote verantwoordelijkheid omdat ze het middelpunt van alle mondiale economische activiteit zijn, banen bieden en het meeste goederen en diensten produceren die nodig zijn voor een fatsoenlijk leven voor hun inwoners. Op hun grondgebied zullen de meeste investeringen plaatsvinden die nodig zijn om verantwoorde welvaart mogelijk te maken.

Als we uitgaan van het donut-principe, moeten economische activiteiten die boven het ecologische plafond uitstijgen en die de sociale ondergrens niet halen opnieuw worden ontworpen.

Herontwerp van economische activiteiten

De onderstaande acties weerspiegelen de eerdergenoemde lijsten met beleidsacties om te voorkomen dat het ecologische plafond wordt overschreden en het sociale minimum niet wordt gehaald. De tijdshorizon is 25 jaar.

Onder het ecologische plafond blijven

  • Reductie tot nul van broeikasgasemissies door gecombineerd gebruik van zon, wind en warmte. Waterstof, zout, batterijen en warmwaterreservoirs worden gebruikt voor opslag.
  • Lokale fabrieken zijn schoon; mogelijke giftige emissies worden opgevangen, opgeslagen of gezuiverd om schone lucht te behouden.
  • Ondersteuning van lokale boeren om hun activiteiten te herstructureren, de bodem te regenereren, de biodiversiteit te vergroten en meer bij te dragen aan de lokale voedselvoorziening. De verkoop van hun producten wordt gestimuleerd door aanzienlijke belastingvoordelen.
  • Vermindering van verkeer – dat is volledig elektrisch – door steden te reconstrueren.
  • Realiseren van volledige circulariteit; de invoer van grondstoffen wordt stopgezet, met de (tijdelijke) uitzondering van onmisbare componenten van batterijen.
  • De uitstoot van stikstof blijft beperkt totdat een acceptabel niveau van emissies in de lucht en in het grondwater is bereikt.
  • Bouw van reservoirs voor drinkwater en water voor agrarische toepassingen om waterwinning en watertoevoer in evenwicht te houden.

De sociale ondergrens halen

  • Goede balans tussen beloning en persoonlijke voldoening van werk
  • Radicale vermindering van de inkomensongelijkheid.
  • Verplicht algemeen-vormend en beroepsonderwijs van 2 – 18 jaar in combinatie met stages bij bedrijven en instellingen.
  • B-gecertificeerde ondernemingen krijgen een belastingvoordeel Het betreft bedrijven voor wie maatschappelijke belangen zoals de kwaliteit van het voedsel – leidend zijn.
  • Lokale overheid, bedrijven en instellingen werken samen om alle volwassenen boeiende en uitdagende banen te bieden met salarissen die een fatsoenlijk en onafhankelijk leven mogelijk maken.
  • Alle salarissen worden onderhandeld door ondernemingsraden of in collectieve arbeidsovereenkomsten. Verschillen in salarisniveaus zijn gemotiveerd; genderspecifieke verschillen zijn verboden.
  • Prijzen van (geïmporteerde) producten die de gezondheid of het milieu (of beide) schaden volgens algemeen aanvaarde criteria, worden geoormerkt en aanzienlijk belast.
  • Gevangenisstraf is gericht op terugkeer in de samenleving. De duur van de gevangenisstraf hangt echter af van de tijd die nodig is om het risico op recidive te elimineren en burgers geen angst voor de misdaad behoeven te hebben.
  • De kosten voor een ziektekostenverzekering zijn afhankelijk van iemands levensstijl.
  • Burgers kunnen hoofdelijk stemmen in zaken die verband houden met hun directe leefomgeving.
  • Fatsoenlijke en betaalbare huisvesting in een aantrekkelijke, schone en veilige leefomgeving.
  • Mogelijkheden voor burgers om zelf actief betrokken te zijn bij de inrichting van de leefomgeving en sociale activiteiten in de buurt.

Een nieuwe mondiaal georiënteerde mindset

Bij verantwoorde welvaart hoor ook een nieuwe mindset, inclusief een nieuwe betekenis van het begrip welvaart zelf. Het achterwege blijven van broeikastgas-emissies vereist niet alleen overstappen op duurzame energie, maar ook een ander consumptiepatroon: Vlees wordt een delicatesse, dienovereenkomstig te consumeren. Een circulaire economie vereist tevens andere producten: Degelijk en duurder, zuinig en slijtvast, modulair geassembleerd met het oog op reparaties en een minder mode-afhankelijk ontwerp. Lonen onder modaal zullen aanzienlijk stijgen, lonen boven modaal zullen dalen, met name de hoogste 10%.

Als we rekening houden met de wereld als geheel, zijn de beleidsimplicaties veel dramatischer. Een aanzienlijk deel van de wereldbevolking leeft nog steeds ver beneden de sociale ondergrens. Vooral het arme deel van de bevolking groeit snel en concentreert zich in steden die worden gekenmerkt door zware vervuiling, files, vuile industrieën, slechte huisvesting, sanitaire voorzieningen en watervoorziening en toenemende onveiligheid en ongelijkheid.

In deze landen zijn groei van het BNP, van de productie van goederen en diensten, en ook van de binnenlandse markt nog gedurende ten minste één decennium noodzakelijk. Dit in combinatie met beleid om bevolkingsgroei te beperken, hernieuwbare hulpbronnen in te zetten ende infrastructuur te verbeteren. Daarbij gaat het in de eerste plaats om openbaar vervoer, watervoorziening, huisvesting en sanitaire voorzieningen. In ontwikkelende landen is de invoering van het donut-principe op korte termijn vrijwel onmogelijk.

Waar (stedelijke) overheden in ontwikkelde landen zich onmiddellijk kunnen richten op een overgang van traditionele groei naar duurzame welvaart, moet zij in ontwikkelingslanden een decennium van ‘traditionele’ economische groei en een overgang naar duurzame welvaart tegelijkertijd beheren.

Hoe word je een donutstad?

Hieronder schets ik een paar ideeën om een ​​donutstad te worden.


Amsterdam en de donuteconomie

De stad Amsterdam werkt samen met Kate Raworth om een ​​donutmodel voor de stad te ontwikkelen. Bovendien is ze recentelijk benoemd tot hoogleraar aan de Hogeschool van Amsterdam[17]. Het model werd gebruikt als een krachtig hulpmiddel voor een ​​strategie voor circulair Amsterdam te creëren.

Een participerend traject bracht meer dan 50 ambtenaren van de verschillende afdelingen in de stad en de regio samen met meer dan 100 belanghebbenden uit de sectoren bouw, levensmiddelen en consumptiegoederen.

In vier workshops vergeleken de deelnemers de gangbare doelen van de stad met het Donut-model en ze benoemden uitgangspunten voor een circulaire economie. Dit resulteerde in een set van zeventien bouwstenen – bekijk hier – uitgewerkt in het rapport Building blocks for the new strategy Amsterdam circular 2020-2025. Directions for a thriving city within the planetary boundaries[19]


Dit voorbeeld is de slechts een eerste stap. Het bepalen van de kritische waarden voor de sociale ondergrens en het ecologische plafond is een essentiële volgende stap. Het meten van werkelijke waarden en het inventariseren van middelen om de kloof tussen werkelijke en beoogde waarden te overbruggen is de laatste.

De macht van het stadsbestuur is beperkt en daarom moet de route naar een donut-model worden uitgezet door alle betrokken belanghebbenden samen: Burgers, bedrijven, instellingen en overheden.

Opstellen van een charter, dat de belangrijkste principes en de daaropvolgende acties benoemd, kan de eerste stap daartoe zijn[20].

De gangbare prikkels binnen het bedrijfsleven – maximalisatie van winst en van aandeelhouderswaarde en streven naar continue groei – zijn niet verenigbaar met het donut-principe. De overheid moet bedrijven daarom aanmoedigen om hun relatie met de samenleving te heroverwegen. Een groeiende groep ‘sociale ondernemingen’ heeft deze stap al gezet en stelt maatschappelijke doelen centraal en beschouwt financiële doelen als instrumenten om de continuïteit te waarborgen[21].


We Mean Business

We Mean Business is een wereldwijde coalitie van invloedrijke bedrijven die zich sterk maken tegen klimaatverandering. 87 grote bedrijven – met een gezamenlijke waarde van meer dan US $ 2300 miljard en een jaarlijkse emissies gelijk van 73 kolencentrales – zijn van plan hun activiteiten af ​​te stemmen op wat wetenschappers zeggen dat nodig is om de ergste gevolgen van klimaatverandering te voorkomen[22]. Van de 87 bedrijven zijn de volgende al op weg om de 1,5°C doelstelling broeikasgasemissies te realiseren: AstraZeneca, BT, Burberry Limited, Deutsche Telekom AG, Dexus, Elopak, Hewlett Packard Enterprise, Intuit, Levi Strauss & Co., SAP, Schneider Electric, Signify, Sodexo, the Co-operative Group en Unilever en recentelijk ook Koninklijke DSM.


De impact van de overgang naar verantwoorde welvaart wordt geïllustreerd in een reeks artikelen in Fast Company Compass[23]. De agrarische sector, maar ook een industrietak als kleding en mode, bijvoorbeeld, moeten aanzienlijk veranderen om in lijn te komen met het donut-principe. Wat de laatste betreft, de lage prijzen voor kleding houden verband met lage lonen en gevaarlijke en vuile werkomstandigheden elders in de wereld en het verven van katoen een grote belasting van het milieu is. De film The True Cost, beschikbaar op Netflix, laat dit op indringende wijze zien. De officiële trailer kan hier worden bekeken:

Een nieuw rapport Managing the Impacts of Climate Change 2019, gepubliceerd door Zurich Insurance Group, concludeert dat het bedrijfsleven als geheel te weinig ambitie heeft op het gebied van klimaatverandering[24].

Hoe dan ook, stadsbestuur en NGO’s moeten blijven samenwerken en voortdurend coalities van burgers, kleine en grotere bedrijven, boeren, scholen en andere instellingen smeden om hun activiteiten te concentreren tussen de onder- en bovengrens van de donut.


Ecovillages

Deelnemers aan een ecovillage-ontwerpcursus in de Democratische Republiek Congo – Foto: Global Ecovillage Network

Het Global Ecovillage Network wil naar een wereld waarin burgers een centrale rol spelen op weg naar reductie van de uitstoot van broeikasgassen[25].

Het doel van Senegal is om 14.000 ecovillages te creëren die bewust zijn ontworpen door middel van lokale, participatieve processen om hun economische, sociale en culturele identiteit te versterken. Ze moeten een model worden voor regeringen die een effectieve aanpak voorstaan op het gebied van klimaatverandering, leegloop van het platteland en ontbossing[26]. Ecovillages zijn gebaseerd op vijf principes van duurzaamheid, die het donut-principe weerspiegelen. Bekijk deze hier.


Verantwoorde welvaart en de humane stad

Een van de lessen van dit essay is dat een humane stad worden niet afhankelijk is van de waarde (rood licht – groen licht) van allerlei afzonderlijke indicatoren, maar het resultaat is van hun samenhang.

Dit essay ging daarom dieper in op de interactie tussen kenmerken van het ecosysteem en van de samenleving, zoals de beschikbaarheid van voedsel, drinkwater, huisvesting en materieel welzijn. 

Het donut-principe benadrukt dat realiseren van verantwoorde welvaart een zekere keuzevrijheid kent, maar ook dat deze wordt beperkt door de aanwezigheid van een sociale ondergrens en een ecologische bovengrens. Dit houdt in dat de (neven) effecten van de productie en consumptie van goederen en diensten tussen deze lijnen moeten blijven. In de meeste delen van de wereld worden een van deze lijnen of beiden overschreden. 

Een ander inzicht uit dit essay is dat het werken tussen de lijnen contextueel is. Tijdelijke overschrijding van het ecologische plafond als gevolg van economische groei lijkt in ontwikkelingslanden onvermijdelijk om ernstige sociale tekortkomingen weg te nemen. 

Hieronder vat ik samen hoe het principe van een verantwoord-welvarende stad (kortweg de donutstad genoemd) bijdraagt aan de ontwikkeling van een humane stad.

De bijdrage van het streven naar verantwoorde welvaart aan de ontwikkeling van humane steden

1. Een humane stad komt voort uit een balans tussen duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en leefbaarheid. Deze uitgangspunten zijn veelzijdig en onderdelen ervan ​​staan met elkaar op gespannen voet. Daarom moeten de onder- en bovengrenzen worden vastgesteld waarbinnen er ruimte is voor keuzen. 

2. Verantwoorde welvaart in zijn meest gesimplificeerde vorm omvat het delen van een overeengekomen waarde voor ‘goede dingen’ (inkomen, zorg, onderwijs, etc.) door een waarde voor ‘slechte dingen’ (inkomensongelijkheid, onveiligheid, vervuiling, uitsterven van soorten, opwarming van de aarde enz.).

3. Volledige toepassing van het donut-principe vereist de vaststelling van een ecologische boven- en een sociale ondergrens op mondiaal, nationaal en regionaal niveau. Het (tijdelijk) accepteren van verschillen tussen deze limieten op nationaal en regionale niveau is nodig om beleidsmatig onderscheid te maken tussen ontwikkelingslanden, opkomende en ontwikkelde landen.

4. Het is een wijdverbreide misvatting om economische groei te zien als het doel van economisch handelen. In plaats daarvan is het doel van economisch handelen om naties, regio’s van steden op een verantwoorde manier te laten floreren.

5. Naarmate geld meer wordt beschouwd als een waarde op zich, verdringt het de intrinsieke waarde van werk. Een arbeidsloos inkomen is daarom een ​​slecht idee en moet worden vervangen door het creëren van voldoende mogelijkheden voor zinvol en goed-betaald werk voor iedereen.

6. De definitie van normen met betrekking tot het ecologische plafond (‘duurzaamheid’) is in de eerste plaats gebaseerd op lopend wetenschappelijk onderzoek. De definitie van minimumnormen met betrekking tot sociale rechtvaardigheid en de leefbaarheid zijn daarentegen wetenschappelijk onderbouwde menselijke keuzen.


[1] https://www-cdn.oxfam.org/s3fs-public/file_attachments/mb-extreme-carbon-inequality-021215-en.pdf

[2] https://medium.com/age-of-awareness/can-we-achieve-sustainability-while-ignoring-equality-4503b3954156

[3]  https://www.jfklibrary.org/learn/about-jfk/the-kennedy-family/robert-f-kennedy/robert-f-kennedy-speeches/remarks-at-the-university-of-kansas-march-18-1968

[4] https://www.fastcompany.com/2680059/if-you-count-happiness-costa-rica-is-the-richest-country-on-earth

[5] https://www.newshub.co.nz/home/election/2017/10/homelessness-proves-capitalism-is-a-blatant-failure-jacinda-ardern.htm

[6] https://www.citylab.com/equity/2019/04/economic-inequality-geographic-divide-map-census-income-data/586222/

[7] https://medium.com/@aimunm83/want-to-solve-climate-change-solve-the-economy-ce516e31d361

[8] https://medium.com/the-sensible-soapbox/british-columbias-carbon-tax-is-working-3ea81114be5a

[9] https://www.un.org/sustainabledevelopment/

[10] https://www.sdgnederland.nl/wp-content/uploads/2019/05/20190515-Monitor-Brede-Welvaart-en-SDGs-2019-2.pdf

[11] https://oxfamblogs.org/fp2p/will-these-sustainable-development-goals-get-us-into-the-doughnut-aka-a-safe-and-just-space-for-humanity-guest-post-from-kate-raworth/

[12] https://medium.com/@UNDP/five-plans-for-carbon-neutrality-f61391ce2228

[13] https://www.bloomberg.com/news/articles/2019-06-20/new-york-approves-green-new-deal-as-washington-turns-blind-eye

[14] https://climatecommunication.yale.edu/publications/the-green-new-deal-has-strong-bipartisan-support/

[15] http://smartcityhub.com/governance-economy/climate-neutral-cities/

[16] https://www.c40.org/other/the-global-green-new-deal

[17] https://www.hva.nl/content/nieuws/nieuwsberichten/2019/08/hva-benoemt-kate-raworth-tot-professor-of-practice.html

[18] https://www.dropbox.com/s/0tata5qve6d38c6/Zeventien%20bouwstenen.docx?dl=0

[19] https://www.circle-economy.com/wp-content/uploads/2019/06/Building-blocks-Amsterdam-Circular-2019.pdf

[20] https://www2.deloitte.com/global/en/pages/about-deloitte/articles/millennialsurvey.html

[21] https://onezero.medium.com/its-time-for-tech-companies-to-adopt-a-do-no-harm-approach-ebd6206cb47d

[22] https://www.wemeanbusinesscoalition.org/press-release/87-major-companies-lead-the-way-towards-a-1-5c-future-at-un-climate-action-summit/

[23] https://www.fastcompany.com/90366994/why-every-industry-in-the-u-s-needs-its-own-green-new-deal?utm_campaign=Compass&utm_medium=email&utm_source=Revue%20newsletter

[24] https://biggerpicture.ft.com/global-risks/article/human-side-climate-change-risk/?utm_source=dianomi&utm_medium=paid

[25] https://ecovillage.org

[26] https://ecovillage.org/sites/default/files/files/6_gen_future_strategy.pdf

[27] https://www.dropbox.com/s/t9py1mdr90fgdeh/Ecovillages.docx?dl=0

[28] https://wordpress.com/view/hmjvandenbosch.com

De goed-bestuurde stad

In deze post worden de mogelijkheden onderzocht die steden hebben om burgers intensiever bij het bestuur te betrekken.

Allegorie op goed bestuur – toeschrijving José Luiz Bernardes Ribeiro CC BY-SA 4.0

In 1339 voltooide Ambrogio Lorenzetti zijn beroemde reeks van zes schilderijen in het stadhuis van de Italiaanse stad Siena, getiteld “De allegorie van goed en slecht bestuur”, dat de kenmerken en de gevolgen van goed en slecht bestuur weergeeft. Het bovenstaande fragment verwijst naar de kenmerken van goed bestuur, die in essentie neerkomen op vooropstellen van de belangen van burgers, afstand doen van eigenbelang en integer zijn.

In haar boek Democrat deficit. Critical burgers revisited (2011) beschrijft politicoloog Pippa Norris de kloof tussen tevredenheid over democratische praktijken enerzijds en democratische idealen anderzijds. Deze idealen zijn geworteld in de oorspronkelijke betekenis van democratie; vertegenwoordigen van de wil van het volk. Deze komt overeen met de wens van veel burgers om meer invloed te hebben op beleidskwesties buiten de gekozen volksvertegenwoordigers om. Het concept democratie wordt tegenwoordig vaak beperkt tot politieke instituties zoals verkiezingen, politieke partijen, professionele politici en – soms gênante – debatten in de gemeenteraad of het parlement.

In de jaren negentig begonnen politieke wetenschappers het concept governance te gebruiken, waarbij ze verwijzen naar het hebben van een langetermijnvisie, handelen in het belang van stakeholders, betrokkenheid van belanghebbenden en onbaatzuchtigheid.

In dit essay zal ik bespreken hoe een coherente langetermijnvisie op de ontwikkeling van de stad kan worden toegesneden op de behoeften en wensen van de burgers, zoals deze zich manifesteren binnen en buiten de geïnstitutionaliseerde kanalen van de representatieve democratie. “Goed bestuur” omvat ook transparantie van de besluitvorming zelf, een goede werking van de democratische instituties en niet in de laatste plaats de kwaliteit van de dienstverlening aan de burgers. Ook daarover gaat dit essay.


De goed-bestuurde stad is de zesde van een reeks essays over hoe steden humaner kunnen worden. Dat betekent het vinden van een balans tussen duurzaamheid, rechtvaardigheid en leefbaarheid. Dit vereist het maken van keuzen. Zodra deze zijn gemaakt, is het gebruik van slimme technologieën vanzelfsprekend. De essays die al zijn gepubliceerd zijn:

  1. Steden in de toekomst: Vanzelfsprekend smart. Humaan als keuze
  2. De gezonde stad
  3. De veerkrachtige stad
  4. De klimaat-neutrale stad
  5. De veilige stad

In eerste instantie zal ik onderzoeken hoe het bovengenoemde “democratische tekort” kan worden aangepakt. In het tweede deel bespreek ik “smart” hulpmiddelen die de afgelopen jaren beschikbaar zijn gekomen om de betrokkenheid van burgers bij het stadsbestuur en de dienstverlening te verbeteren. In het derde deel zal ik dieper ingaan op de aanpak in Spanje en Estland, landen die in dit opzicht vooroplopen.

Visie op de stad en betrokkenheid van burgers

Visie verwijst naar het hebben van een duidelijk beeld van de beoogde ontwikkeling van de stad, de onderliggende waarden, de te bereiken doelen, de uitdagingen die moeten worden overwonnen in geval van tegenstrijdige belangen en waarden – bijvoorbeeld tussen welvaart en duurzaamheid – en concrete daden. Het is onmogelijk om een ​​visie te ontwikkelen zonder burgerbetrokkenheid die verder gaat dan de werking van formele democratische instituties. Deze schieten te kort, omdat ze uitgaan van de idee dat kiezers een politieke partij machtigen om in hun naam te opereren en daarmee afzien van verdere  betrokkenheid bij politieke besluitvorming.

De meeste stadsvisiedocumenten komen zelden voort uit een dialoog met een aanzienlijk aantal burgers

Opgemerkt kan worden dat er aanvullende vormen van deelname aan het politieke proces zijn, zoals inspraak. Het aantal personen dat daarvan gebruik maakt is achter beperkt omdat vaak de luidste stemmen het best gehoord worden. In plaats van een constructief overleg, zijn inspraakbijeenkomsten vaak een uitlaatklep voor de kwaadheid van de burger[1]. Governance zou echter moeten voorkomen dat burgers boos worden.

Het concept van governance daagt bestuurders uit om een ​​permanente dialoog met burgers tot stand te brengen en te bewijzen dat hun belangen bij hen in goede handen zijn en tegelijkertijd de rechten van de formele democratische instituties in ere te houden. Geen makkelijke opgave.

Hoe een open verbinding met de burgers uitziet, staat al lang ter discussie en deze discussie heeft verschillende potentieel bruikbare ideeën opgeleverd[2]. Deze ideeën concentreren zich rond drie principes – directe democratie, decentralisatie en autonomie – die kort zullen worden besproken.

Directe democratie

Directe democratie dateert uit de oude Griekse beschaving, althans voor mannen, en wordt nog steeds in praktijk gebracht in Zwitserse gemeenten en in referenda. Vanuit het perspectief van governance schieten deze oplossingen echter tekort omdat ze weinig mogelijkheden tot discussie tussen alle betrokkenen bieden. Bovendien kunnen mensen zich overweldigd voelen door het aantal en de verscheidenheid aan problemen die om hun aandacht vragen. Om deze reden probeerden verschillende schrijvers de transparantie van indirecte democratie te verbeteren door een meer directe verbinding tussen kiezers en vertegenwoordigers tot stand te brengen.

Burgers assemblee – Foto: Adrian Sulc CC BY-SA 3.0

Het districtssysteem kan een optie zijn, maar ook daar valt niet om politieke partijen heen te komen. In zijn boek Tegen verkiezingen (2013) stelt de Vlaamse politicoloog David van Reybrouck voor vertegenwoordigers aan te stellen op basis van gewogen loting, zoals jury’s in Angelsaksische rechtbanken. Zijn ideeën zijn overgenomen in sommige gemeenten in België en Nederland middels de instelling van burgerfora. In 2019 heeft de Duitstalige gemeenschap in België een permanente raad van burgers geïnstalleerd door middel van loting die het parlement adviseert – maar niet vervangt.

Zogenaamde liquid democracy is een andere optie[3]. Hier kunnen burgers, net als directe democratie, over alle onderwerpen stemmen. Ze kunnen ze hun stem echter ook overdragen aan iemand anders, die volgens hen meer betrokken is. Op zijn of haar beurt kan deze persoon de ontvangen mandaten eveneens overdragen. Met veilige IT is dit eenvoudig te organiseren. De onderstaande korte video legt uit hoe ‘vloeibare democratie’ werkt.

Elders stelde ik een andere oplossing voor[4].

Betrokkenheid zal gedijen als burgers een programma kunnen kiezen, in plaats van een politieke partij.

In dit scenario kan elke groep of persoon een programma voorstellen, gegeven een bepaald aantal sympathisanten. Tijdens de eerste stemronde zal een aanzienlijk aantal programma’s beschikbaar zijn en geen enkel programma zal de meerderheid bereiken. In een tweede of zelfs derde ronde kunnen de initiatiefnemers van oorspronkelijke programma’s samenwerken en programma’s voorstellen die mogelijk wel een meerderheid krijgen. Ook in dit geval is een betrouwbare ICT-infrastructuur noodzakelijk.

Een laatste oplossing is deliberative polling: Een representatieve steekproef van burgers neemt deel aan reeks bijeenkomsten waarin achtereenvolgens aan de orde komen het genereren van meningen, beraadslagingen in kleine groepen, zoeken naar alle informatie, innemen van standpunten en uiteindelijk formuleren van gewenste acties[5]. De voorstellen worden voorgelegd aan de gemeenteraad die deze voorstellen in de regel zal accepteren.

Decentralisatie

Het subsidiariteitsbeginsel wordt algemeen aanvaard, maar verdient veel vaker te worden toegepast. Dit principe houdt in dat sociale en politieke kwesties op het meest directe (of lokale) niveau worden aangepakt. Dit voorkomt dat burgers worden betrokken bij het nemen van beslissingen die geen invloed op hen hebben. Bewoners van een grote verkeersader zullen het lawaai, de vervuiling en de gevaren van het verkeer intensiever ervaren dan bewoners van een rustige zijstraat. Het is oneerlijk om vertegenwoordigers van beide straten op dezelfde manier te bevragen over de wenselijkheid van eenrichtingsverkeer, het verbreden van trottoirs of het planten van bomen.

De oplossing is om de besluitvorming te decentraliseren.

Decentralisatie betekent niet dat alle beslissingen van een centraal bestuursorgaan worden overgedragen aan vele kleinere. Integendeel, veel stedelijke problemen moeten op grootstedelijk niveau worden gedefinieerd en opgelost. Door lokale kwesties aan buurtraden te delegeren, kan het centrale bestuursorgaan zich meer op deze kwesties concentreren.

Lokaal zelfbestuur in India

Autonomie

Het bestuur moet zich realiseren dat een stad een gecompliceerd geheel is van onafhankelijke burgers, organisaties, bedrijven, verenigingen en informele groepen. Het zijn hun acties en interacties die verantwoordelijk zijn voor de dynamiek van de stad, haar welvaart en soms ook haar problemen. Gedurende de laatste decennia hebben besturen op alle niveaus ertoe geneigd hun invloed te vergroten, deels door een toenemend aantal regels. Het lijkt erop zij de ambitie hebben om de stad als een bedrijf te zien en controle te hebben over de meeste, zo niet alle, processen. Veel bedrijven hebben daarentegen ontdekt dat ze beter gedijen als werknemers zelf meer beslissingen kunnen nemen. Steden moeten daarom afstand nemen van praktijken die aan het einde van de 20e eeuw werden geïntroduceerd onder de vlag van New Public Management. In plaats daarvan doen ze er goed aan meer autonomie te creëren voor burgers en andere stakeholders.

Het uitgangspunt moet zijn dat burgers vaak goede dingen te doen, in plaats van dat de gemeente voorschrijft wat goede dingen zijn.

Slimme technologieën ter ondersteuning van goed bestuur

Elders heb ik benadrukt dat het omarmen van een langetermijnvisie belangrijker is voor elke stad die “smart” wil worden dan zich in de eerste plaats te concentreren op technologie[6]. Waar een stadsbestuur enkele decennia geleden niet alles onder controle kon hebben omdat er simpelweg geen middelen voor waren, kan technologie tegenwoordig het verschil maken. Sommige burgemeesters hopen dat slimme stadstechnologie hen meer mogelijkheden tot controle en invloed zal geven en daarmee eindelijk de beloften van New Public Management zal waarmaken.

Goed gekozen technologieën het ook mogelijk om de stem van burgers beter te horen en, als gevolg daarvan, het bestuur te versterken.

Deze weg moeten we op als we steden humaner willen maken. Hieronder zal ik het tweede alternatief verder verkennen.

Er zijn recent digitale toepassingen beschikbaar die “goed bestuur” ondersteunen. Ze worden hieronder besproken, aangevuld met voorbeelden, onder andere geselecteerd uit de Smart City Solution Database, een uitgebreide verzameling smart city-applicaties, tools en beleid[7].

In de daaropvolgende paragraaf zal ik me concentreren op twee landen, Spanje en Estland, ​​die vooroplopen bij de ontwikkeling van een ‘digitale overheid’, rekening houdend met de behoeften van burgers en hun betrokkenheid bij stedelijke aangelegenheden.


Foresight Lublin 2050

Foresight ondersteunt discussie tussen bestuurders, volksvertegenwoordigers, wetenschappers en burgers. De methode beoogt een visie op middellange of lange termijn te ontwikkelen en prioriteiten te kiezen op basis van beschikbare informatie[8].

In Lublin (Polen) namen 1500 mensen deel aan 60 workshops en bespraken daar een breed scala aan onderwerpen, wat resulteerde in een visiedocument[9]. Gezien de oriëntatie op de toekomst waren vooral jongeren en vertegenwoordigers van veel sociale groepen betrokken.


Besluitvorming

Digitale hulpmiddelen kunnen de betrokkenheid van het publiek vergroten. Om dit te doen, moet er een gedachtenwisseling (‘deliberatie’) kunnen plaatsvinden: Burgers moeten in staat worden gesteld om op elkaars meningen te reageren en er moet relevante informatie zijn.


EngageCitizens – Citizenry Social Network

EngageCitizens draagt ​​bij aan de ontwikkeling van een virtueel ecosysteem voor burgers om ideeën bij te dragen en deel te nemen aan hun uitwerking. Burgers kunnen ook praktische problemen melden, deelnemen aan discussiegroepen en antwoorden op vragen vinden[10]. Het platform werd geïntroduceerd in Braga (Portugal) en later uitgerold in 30 andere steden binnen en buiten dit land[11].


Enquêtes leveren nuttige informatie op, maar betrokkenheid van burgers gaat veel verder. Een eenvoudigste manier om burgers te organiseren is een “forum”, zoals indertijd de G1000 in België. Er is meestal een website voor nieuws en achtergrondinformatie en die mogelijkheden biedt voor deelname aan discussiegroepen. Trouwens, leden van een discussiegroep kunnen ook fysiek samenkomen om hun online contact te verdiepen. Elke stad kan zo’n forum installeren, maar gezien de complexiteit en het grote aantal onderwerpen verdient het de voorkeur om forums op thema’s te richten. Het beste is als forums toewerken naar een climax, bijvoorbeeld besluitvorming over het desbetreffende thema. De representativiteit wordt versterkt met gewogen loting bij hun samenstelling.


Insights Management Tool voor burgerparticipatie

insights Management Tool[12] is een digitaal platform voor steden maar ook voor bedrijven en instellingen. Het ondersteunt online- en offlinekanalen waarmee iedereen kan worden benaderd. Burgers kunnen reageren op specifieke vragen die op het platform worden gesteld. Hun antwoorden worden samengevat in ‘insights’ via crowd-analyse. Deze inzichten vormen een basis voor besluitvorming. Burgers worden gedurende het hele proces op de hoogte gehouden.

De tool is al met succes geïmplementeerd in meer dan 600 projecten over de hele wereld en meer dan 600.000 mensen namen deel. 82% van de beslissingen werd beïnvloed onder invloed van Insights[13]. Bekijk hier een voorbeeld van burgerparticipatie bij de ontwikkeling van dienstregelingen voor het openbaar vervoer[14].


Er zijn veel digitale tools beschikbaar om forums te ondersteunen. Sommige bevatten een hele reeks media; andere bieden handige hulpmiddelen, zoals het gebruik van kaarten als basis voor discussie.

Het niveau waarop deze tools kunnen worden toegepast, kan variëren van het grootstedelijk gebied als geheel tot een buurt. Hoe meer mensen betrokken zijn bij de besluitvorming over (de toekomst) van hun eigen leefomgeving, hoe beter.


Acive Citizens

De ambitie van de lokale autoriteiten van Moskou is om alle 12 miljoen inwoners te betrekken bij het bestuur. Met het Active Citizen-platform[15] kunnen bewoners deelnemen aan online referenda over kwesties in verband met stadsontwikkeling. Het platform is beschikbaar via webinterface en mobiele app. De belangrijkste factor voor het succes van het platform is het feit dat het stadsbestuur alle voorstellen uitvoert, waarmee een meerderheid van de burgers instemt.

Blockchain heeft het digitale stemproces in Moskou veranderd. Deelnemers kunnen stemmingen rechtstreeks volgen en de authenticiteit van de resultaten verifiëren. Elke stem wordt vermeld in een grootboek (‘ledger’) met alle uitgebrachte stemmen. Er kunnen ongeveer 1000 stemmen per minuut worden uitbrengen.

De meeste stemmingen zijn gericht op specifieke groepen. Bijvoorbeeld plaatselijke groepen die geïnteresseerd zijn in specifieke kwesties, zoals de aanleg en het onderhoud van parken, sportterreinen en speeltuinen in hun buurten, of de planning van nieuwe routes en de keuze van nieuwe treinstellen voor het openbaar vervoer.

Tot nu toe hebben 2,3 miljoen burgers deelgenomen aan 4.111 stemmingen[16].


Budgettering

Participatieve budgettering is een speciale groep digitale applicaties op het gebied van besluitvorming. Een groeiende groep gemeenten stelt burgers in staat om een ​​deel van het budget te verdelen, door prioriteit toe te kennen binnen een aantal geselecteerde projecten of door te stemmen over de hoeveelheid geld die beschikbaar is voor bepaalde projecten. Ook hier is aandacht vereist voor de representativiteit van de deelnemers, om de mobilisatie van aanhangers van een specifiek project te voorkomen. Ook moeten deelnemers worden geïnformeerd over eventuele gevolgen van budgetverschuivingen voor bepaalde sectoren.


Civic Budgetting (Lublin)

In eerste instantie voerde de stad Lublin (Polen) een experiment uit met deelname van burgers aan de vaststelling van de begroting in het district Rura. Hierbij werd veel waarde gehecht aan deelname aan fysieke bijeenkomsten met vertegenwoordigers van de gemeente. Hierin werden de afzonderlijke projecten toegelicht. In Lublin zijn in vier achtereenvolgende jaren  638 kleine projecten en 246 grote projecten aan burgers voorgelegd. Uiteindelijk is er door de burgers voor een bedrag van ongeveer € 12,5 miljoen toegewezen[17].


Participatieve budgettering wordt het meest toegepast om projecten op buurtniveau te prioriteren. In dit geval kunnen projecten ook afkomstig zijn van (groepen) burgers. Ook hier is de beschikbaarheid van informatie over de achtergronden van de verschillende projecten cruciaal. Deze informatie hoeft niet uitsluitend digitaal te worden verstrekt. Integendeel, een kleine tentoonstelling in het buurthuis kan burgers mobiliseren om deel te nemen en is een extra plek voor informele discussies. Scholen kunnen speciale stemmingen organiseren voor hun leerlingen.

Gemeentelijke diensten

Steden bieden een breed scala aan diensten, variërend van de levering van identiteitspapieren, aangiften van geboorten, tot aanbieden van openbaar vervoer, energie en huisvesting. Bovendien zijn ze verantwoordelijk voor de naleving en uitvoering van veel wetten, variërend van parkeerboetes tot bouwvergunningen. Hoe ze dit doen, kan een bron van frustratie maar ook van tevredenheid zijn voor de burgers.


CitizenApp

Het CityzenApp SaaS-platform[18] is een nieuwe opzet van de wijze waarop een gemeente haar dienstverlening levert aan haar burgers organiseert. Het doel is dat burgers diensten online regelen en hun mening geven over de kwaliteit daarvan zodat de gemeente de dienstverlening kan verbeteren. Burgers kunnen gebruik maken van hun mobiele telefoon maar ook van andere kanalen (web, e-mail, sms) [19]. De app is voor het eerst toegepast in Griekenland.


De meeste burgers waarderen dat ze op digitale wijze diensten kunnen regelen en – in geval van vragen – direct antwoord krijgen. Bij gecompliceerde digitale aanvragen, bijvoorbeeld een bouwvergunning zijn veel bijlagen vereist. Het is daarom prettig als er digitale hulpmiddelen voor handen zijn om bijlagen als tekeningen en berekeningen in te dienen.


Trimble Feedback

Trimble Feedback[20] is een webapplicatie met een geïntegreerde kaartfunctionaliteit, die het mogelijk maakt dat een gemeente, haar burgers en belangengroepen efficiënt communiceren. Alle berichten worden vastgelegd en gesorteerd, ongeacht of deze binnenkomen via de telefoon, e-mail of formulieren. Burgers kunnen meldingen maken van bijvoorbeeld kapotte straatlantaarns of gaten in het wegdek.

Eenmaal verzonden, worden meldingen doorgestuurd naar de persoon die het probleem zal aanpakken[21]. Tot nu toe wordt het systeem gebruikt in een aantal gemeenten in Finland, Duitsland en België.


De kwaliteit van de gemeentelijke dienstverlening hangt mede af van informatie vanuit de bewoners. Deze varieert van vrij eenvoudige onderwerpen als graffiti op plaatsen waar dat niet de bedoeling is, stoepen die moeten worden gerepareerd tot klachten over verbindingen in het openbaar vervoer. Via een speciale website kunnen burgers een melding maken en foto’s of andere bijlagen uploaden.

Een snelle reactie respons vanuit de gemeente is belangrijk, bijvoorbeeld een indicatie van de tijd die nodig is om de gemelde schade te herstellen of een vragenlijst die medeburgers naar hun mening vraagt, bijvoorbeeld over een nieuwe route van een buslijn.

Conflictoplossing

Conflicten ondermijnen de sociale cohesie en een rechtszaak kan één partij tevreden stellen, maar leidt meestal niet tot verbeterde relaties. Om deze reden stellen rechtbanken mediatie voor als alternatief, wat kan leiden tot aanvaardbare oplossingen voor beide partijen. Ook op dit gebied zijn digitale hulpmiddelen beschikbaar die de drempel verlagen om een ​​derde uit te nodigen om een ​​conflict te helpen oplossen. Tot nu toe is e-justitie beperkt tot relatief kleine gevallen, maar de resultaten zijn veelbelovend. Het is nuttig omdat het een nieuwe aanpak biedt, die leidt tot acceptabele uitkomsten voor beide partijen.


Matterhorn Online geschillenbeslechting

Om naar de rechter te stappen om bijvoorbeeld een bekeuring aan te vechten, vereist dat de betrokkenen vrij nemen om naar het gerechtsgebouw te gaan. Matterhorn online geschillenbeslechting[22] stelt burgers, wetshandhavingsinstanties en de rechtbank in staat om overal en met elk apparaat te communiceren om kleine overtredingen op te lossen. Het systeem wordt gebruikt door meer dan 70 rechtbanken in 10 Amerikaanse staten. Matterhorn maakt het mogelijk om een ​​breed scala van zaken aan te pakken, waaronder conflicten tussen buren, verkeersboetes, en onenigheid over betalingen.

In de onderstaande video wordt uitgelegd hoe het systeem werkt[23].


Open data

Governance is nauw verbonden met transparantie. Dit geldt voor politici zelf, maar ook voor de beschikbaarheid van alle relevante gegevens. Deze kunnen variëren van notulen van vergaderingen, onderzoeksrapporten tot statistieken. 


Geospock’s ruimtelijke big data-platform

Geospock’s Spatial Big Data Platform is software, geoptimaliseerd voor cloudarchitectuur, die zorgt voor de snelle registratie, indexering en analyse van grote geografische en historische datasets, met aanvullende analyse- en visualisatietools. Hiermee kunnen gegevens in een kaart worden beheerd, gevisualiseerd en onderzocht[24].


Onderzoek

Gemeentebesturen hebben lang niet op alle vragen een antwoord en in dit geval is onderzoek passend. Vaak kunnen burgers bij dit onderzoek worden betrokken, bijvoorbeeld door een ​​stuurgroep in te stellen die de vragen en de interpretatie van de antwoorden bespreekt.


Citybeats

Citybeats[25] helpt gemeenten en andere organisaties om meningen en stemmingen binnen het publiek te begrijpen en eventueel daarop te reageren.

Het is een AI-analyseplatform, met als doel het identificeren van trends. Het ontdekt, categoriseert en synthetiseert daartoe grote hoeveelheden gegevens en biedt kwalitatieve informatie die deze gegevens duidt[26].

Hier kun je de mobiliteitscase van Barcelona downloaden[27], waarin de belangrijkste problemen van deze stad op het gebied van mobiliteit naar voren komen, alsmede hoe gevoelig deze liggen bij de bevolking,  zoals verhoging van de treinprijzen en debat over toelaten van Uber.

Twee voorlopers: Spanje en Estland

Spanje

Barcelona is een van de oudste voorbeelden van een stad die technologie gebruikt als onderdeel van haar bestuur. Sensornetwerken produceren een aanhoudende stroom gegevens over verkeer, energieverbruik, geluidsniveaus, irrigatie en vele andere onderwerpen zonder dat deze veel impact hebben gehad op het leven van burgers of de onderliggende problemen hebben opgelost.

Francesca Bria, chief technology officer van Barcelona, ​​heeft samen met de voormalige burgemeester Ada Colau vanaf 2015 het smart city-paradigma omgekeerd: In plaats van technologie ongericht te gebruiken en alle mogelijke gegevens te verzamelen, zijn we begonnen met de technische agenda af te stemmen op de agenda van de stad, zei ze[28] .

Een van de eerste uitdagingen was het gebruik van technologie om de impact van de gewone burger op het beleid te vergroten. Een groep geëngageerde codeerders en cryptografen creëerde een gloednieuw participatief platform, Decidim (wat betekent ‘We beslissen’ in het Catalaans) [29].

Onderstaande video geeft wat aanvullende informatie over Decidem

De stad Madrid heeft ook een participatief stadsnetwerk gecreëerd, niet toevallig genaamd Decide Madrid (‘Madrid beslist’) [30] dat in veel opzichten vergelijkbaar is met Decidem.

Beide platforms hebben vergelijkbare faciliteiten:

Actieve deelname aan beleidsvorming

Decidem stelt het publiek in staat deel te nemen aan beleidsvorming door ideeën voor te stellen, hierover te debatteren en uiteindelijk deel te nemen aan de stemming. Tot dusverre hebben 40.000 burgers van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. De meest voorkomende zorgen van burgers zijn betaalbare woningen, schone energie, luchtkwaliteit en de openbare ruimte.

Het gemeentelijk actieplan omvat bijna 7.000 voorstellen van burgers. Decidem stelt burgers in staat de voortgang van alle plannen te volgen om zo de betrokkenheid van de burger te vergroten.

Decide Madrid heeft vrijwel dezelfde opties. Hieronder is een korte video over Decide Madrid.

Debatteren

Decide Madrid en Decidem benadrukken de waarde van beschikken over informatie als het startpunt voor overleg. Burgers kunnen zelf discussies starten en deelnemen aan discussies die door anderen zijn gestart.

Zowel Decide Madrid als Decidem hebben een ruimte waar burgers voorstellen kunnen doen en daarvoor steun zoeken. Over voorstellen die voldoende draagvlak hebben, kan worden gestemd. De mening van de burgers geldt in het algemeen als een belangrijk advies aan de gemeenteraad.

Beleidsvoorbereiding

Decide Madrid stelt burgers in staat wetteksten te wijzigen. Het publiek mag aanbevelingen doen en alternatieven voorstellen. Dit kan ook leiden tot discussies en de suggesties worden gebruikt om de formuleringen te verbeteren.

Gegevensbeheer

Decidem en Decide Madrid zijn ook dataportals die gegevens tonen die in de stad zijn verzameld, deels over burgers zelf. Decidem heeft de intentie om, als gevolg van haar deelname aan het Europese project Decode, elke burgers te laten beslissen over het gebruik van zijn of haar gegevens voor specifieke doeleinden[31].

Hybride oplossingen

Omdat niet elke burger een computer heeft of de bovengenoemde platforms kan gebruiken, combineren beide steden virtuele discussies en discussies in een fysieke ruimte.


Consul

Madrid heeft haar participatieve elektronische omgving ontwikkeld samen met CONSUL, een in Madrid gevestigd bedrijf[32]. CONSUL stelt steden in staat om snel en veilig burgerparticipatie op internet te ontwikkelen. Het pakket is zeer uitgebreid. De software en het gebruik ervan is gratis. CONSUL kan door elke organisatie worden aangepast om aan de eigen behoeften te voldoen. Als gevolg hiervan is Consul in gebruik in 130 steden en organisaties in 33 landen en bereikt wereldwijd zo’n 90 miljoen burgers.

Het is niet alleen de traditionele rivaliteit tussen Barcelona en Madrid die onafhankelijk van elkaar tot de ontwikkeling van twee vergelijkbare systemen heeft geleid. Het is ook het feit dat het Spaanse volk tot voor kort moest vechten voor democratie, gezien het lange voortbestaan ​​van een dictatoriaal regime in dit land.

Democratische instellingen die in veel andere landen al lang bestonden moesten opnieuw worden uitgevonden maar dan met 20e-eeuwse kenmerken.

Estland

e-Estland is op dit moment het meest ambitieuze project op het gebied van digitale overheid ter wereld. Iedereen die betrokken is bij de overheid heeft ermee te maken en het project heeft het dagelijkse leven van de burgers veranderd. Een levendige beschrijving van de impact van het project is hier te lezen[33]. Bijna alle openbare diensten zijn erbij betrokken: Wetgeving, verkiezingen, onderwijs, justitie, gezondheidszorg, bankieren, belastingen en politie. De diensten zijn digitaal aan elkaar gekoppeld via één platform. Alleen nog voor huwelijken, echtscheidingen en onroerendgoedtransacties is een bezoek aan het gemeentehuis verplicht.

De ICT-infrastructuur van het land is ontwikkeld door de overheid, samen met een paar Estse bedrijven. Tot nu toe is de staat de drijvende kracht achter dit project en deze heeft de beste specialisten van het land aangetrokken. Hieronder beschrijf ik een aantal functionaliteiten van het systeem, en waar mogelijk verwijs ik naar stedelijke toepassingen.

Infrastructuur

Estland heeft een ICT-infrastructuur ontwikkeld – de Government Cloud – waarvan alle overheidsinstanties en de meeste bedrijven gebruik maken. Hierdoor is bijna perfecte interoperabiliteit mogelijk, in overeenstemming met het hoogste niveau van de IT Security Standards (ISKE).

Om te worden beschermd tegen externe cyberaanvallen, zoals in 2007, is er een volledige back-up. Dit bevindt zich in een datacenter in Luxemburg, dat de status heeft van ambassade. Het staat onder Estlands staatsbestuur en kan de meest kritieke diensten naadloos overnemen.

Gegevensbescherming

Gegevens worden niet centraal bewaard. In plaats daarvan verbindt het gegevensplatform van de overheid, X-Road, afzonderlijke servers via end-to-end gecodeerde paden. In het Estse systeem bezit elke persoon alle informatie die over hem of haar is vastgelegd en wordt elk gebruik dat daarvan wordt gemaakt vastgelegd. Onrechtmatig gebruik is verboden[34].

In de onderstaande video worden de principes achter X-road kort uitgelegd

De ruggengraat van de digitale beveiliging van Estland is een blockchain-technologie genaamd KSI, ontworpen in Estland en nu al wereldwijd gebruikt. Deze garandeert volledige privacy en sluit uit dat iemand de gegevens kan manipuleren. KSI blockchain-technologie documenteert alle acties in het systeem en beschermt informatie zonder toegang tot de informatie zelf.

De technologie is ontwikkeld samen met Guardtime, een bedrijf dat in 2007 in Estland opgericht is en het Estse systeem wereldwijd exporteert en daarvoor kantoren heeft over de hele wereld. Het hoofdkantoor is onlangs van Tallinn naar Lausanne verhuisd.


De Nederlandse overheid gebruikt de KSI Blockchain van Guardtime voor integriteitsborging

De Nederlandse justitiële informatiedienst heeft Guardtime’s KSI Blockchain-technologie gekozen voor integriteitsborging van nieuwe e-services. De blockchain-integratie zorgt voor transparantie, controleerbaarheid en beveiliging van de informatie die wordt verwerkt in overheidssystemen.


Verkiezingen

Waar in de meeste technologisch geavanceerde landen mensen nog met pen en papier stemmen of primitieve stemmachines gebruiken, past Estland vanaf 2007 e-voting toe voor parlementsverkiezingen en verkiezingen op gemeentelijk niveau.

Met e-voting kunnen kiezers hun stem uitbrengen vanaf elke computer met internetverbinding overal ter wereld: In een daarvoor aangewezen periode logt de kiezer in op het systeem met een ID-kaart of mobiele ID en brengt een stem uit. Om anonimiteit te waarborgen wordt de identiteit van de kiezer van het stembiljet verwijderd voordatdit de Nationale Kiescommissie die de stemmen telt, bereikt. Elk systeem van stemmen op afstand, inclusief traditionele poststemmingen, riskeert het kopen of afdwingen van iemands stem.

De oplossing van Estland is de mogelijkheid om zijn of haar stem later te wijzigen waarbij alleen de laatste stem telt.

Stroomlijnen van besluitvorming

Overheidsinstanties op alle niveaus gebruiken een papierloos informatiesysteem – e-cabinet – dat de besluitvorming heeft gestroomlijnd en de tijd besteed aan vergaderingen met 80% heeft verminderd. Ruim voor het begin van een vergadering bekijken de deelnemers de agendapunten en bepalen ze hun mening. Als ze bezwaren hebben of over het onderwerp willen spreken, klikken ze op een vakje. De meningen van alle deelnemers zijn dus vooraf bekend.

Als er geen bezwaren zijn, worden beslissingen genomen zonder debat.

De onderstaande video illustreert hoe e-cabinet werkt:

Digitaal residentieprogramma

Zoals vele andere Europese staten krimpt de bevolking van Estland. Het vergroten van het aantal baby’s is ingewikkeld, daarom werd in 2014 een digitaal residentieprogramma gelanceerd, in stijl met het Estse digitale overheid-project.

Elke buitenlander kan inwoners van Estland worden zonder ooit het land te bezoeken en kan dan gebruik maken van Estlandse diensten, zoals banken.

Estland heeft liberale voorschriften voor technologisch onderzoek en de laagste belastingtarieven voor bedrijven in de Europese Unie.

Ongeveer 28.000 mensen hebben e-burgerschap aangevraagd, waaronder ondernemers uit het Verenigd Koninkrijk die in de E.U. gevestigd willen blijven.

De voorbeelden uit Spanje en uit Estland zijn heel verschillend maar vullen elkaar goed aan. De digitale systemen in Barcelona en Madrid zijn geworteld in de wens om de werking van de democratie te verbeteren door burgers in staat te stellen hun stem te laten horen. Het voornaamste motief achter e-Estland is – volgens de regering – het leven van burgers te vergemakkelijken en om de overheid efficiënter te laten werken. Dit laatste doel is zeker bereikt. Het totale bedrag aan besparingen komt overeen met 2% van het BNP. Estland heeft samengewerkt met veel IT-bedrijven, waaronder enkele grote internationale bedrijven, maar vooral met lokale bedrijven.

In tegenstelling tot veel andere landen heeft de regering de controle behouden en was ze niet gedwongen de controle terug te vorderen, zoals gebeurd is in Barcelona.

Goed bestuur en de humane stad

Terug naar Ambrogio Lorenzetti’s allegorie van goed en slecht bestuur in het stadhuis van Siena. Goed bestuur verwijst naar twee onderliggende en overlappende concepten:

  • De formele organisatie van besluitvorming en de dienstverlening aan het publiek
  • De afstemming van beleid op wat er leeft aan wensen en behoeften bij burgers en andere belanghebbenden. Voor dit laatste wordt vaak de term governance gebruikt.

Technologie kan in beide gevallen een rol spelen. Hierbij worden vaak begrippen gehanteerd als e-government (digitale overheid) en e-governance[35]. Beide dragen bij aan de ontwikkeling van een humane stad als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Ik ga daarop kort in.

e-Government

Voor veel burgers is “de gemeente” de plaats waar veel besluiten worden genomen die burgers rechtstreeks raken en een bron van onmisbare diensten zoals het verkrijgen van een nieuwe identiteitskaart of een bouwvergunning. Jarenlang hebben burgers geklaagd over de ‘bureaucratie’ waarmee zowel besluitvorming als dienstverlening gepaard ging. Het laatste decennium is veel gedaan om de transparantie van de besluitvorming en de ‘publieksvriendelijkheid’ van de dienstverlening te verbeteren. Een gang naar het stadhuis en een gesprek met een ambtenaar zijn vaak nog steeds onmisbaar. Sommige burgers waarderen overigens de mogelijkheid van persoonlijk contact. Steeds meer bewoners geven toch de voorkeur aan een digitaal proces, ervan uitgaande dat het efficiënt, gemakkelijk en veilig is.

De ontwikkeling van e-government wordt beperkt door veiligheidsrisico’s. Estland is in dit opzicht een gidsland, onder andere door blockchain-technologie in een vroeg stadium te implementeren en door wetten aan te nemen met betrekking tot gegevensbezit en interoperabiliteit. Ook andere landen, zoals Rusland, zijn onlangs begonnen met de introductie van digitaal stemmen op basis van blockchain-technologie.

Digitaal stemmen voor de Doema van Moskou – foto Alexandr Kuznetsov via Amsterdam Smart City

e-Governance

De diensten van steden gaan verder dan het beschikbaar stellen van een identiteitskaart en een bouwvergunning. Het stedelijk bestuur heeft een grote invloed op het verkeer, betaalbare woningen, bescherming van de veiligheid en bescherming van de kwaliteit van leven. Daarom willen veel burgers hun stem laten horen en de besluitvorming niet uitsluitend overlaten aan vertegenwoordigende organen.  

Burgers willen dat burgemeester, wethouders en ambtenaren aanspreekbaar, communicatief en invoelend zijn en erop kunnen vertrouwen dat hun belangen bij hen in goede handen zijn.

e-Governance weerspiegelt de wederzijdse communicatie tussen gemeentelijke autoriteiten en burgers door het gebruik van digitale hulpmiddelen.

Tot slot vat ik samen hoe ‘goed bestuur’ bijdraagt aan het streven naar een humane stad.


Acties om principes van goed bestuur en het streven naar een humane stad op elkaar af te stemmen

  1. De stad heeft een breed gedeelde visie op haar ontwikkeling, gebaseerd op principes als een fatsoenlijk inkomen, betaalbare woningen, een plezierige en gezonde leefomgeving voor al haar burgers, gelijke behandeling, respectvolle en democratische relaties en een duurzame relatie met de natuur.
  2. Burgers kunnen rechtstreeks bijdragen aan de vertaling van de visie op de stad in beleidsmaatregelen, zonder de intermediaire rol van politieke partijen. Om dit doel te bereiken, worden digitale middelen ingezet om het aantal betrokken burgers te vergroten.
  3. Voor alle burgers is er een luisterend oor naar hun zorgen, klachten en voorstellen en ze kunnen erop vertrouwen dat deze serieus worden genomen.
  4. Deelname van burgers aan stedelijk beleid biedt de mogelijkheid om over beleidsvoorstellen te discussiëren, wijzigingen voor te stellen, zorgvuldig afgestemd op de bevoegdheden van de gekozen medezeggenschapsorganen.
  5. Of het stadsbestuur een verzoek of een voorstel aanvaardt of afwijst, burgers hebben het recht om tijdig, oprecht en volledig te worden geïnformeerd.
  6. De grootstedelijke overheid richt zich op belangrijke beleidsaangelegenheden met betrekking tot de stad als geheel en op de lange termijn. Bij alle andere onderwerpen is de besluitvorming gedecentraliseerd tot het niveau waarop burgers rechtstreeks betrokken zijn.
  7. Het stadsbestuur schept de kaders voor burgers, bedrijven, instellingen en andere belanghebbenden om in vrijheid te handelen, gegeven de gangbare wetgeving. Bewuste acties van belanghebbenden om actief mee te werken aan de realisering van de visie  op de stad wordt gestimuleerd en beloond.
  8. Het stadsbestuur ondersteunt en beschermt de diversiteit van burgers en instellingen op voorwaarde dat deze geen bedreiging vormt voor de gelijkwaardige omgang ​van alle betrokkenen.
  9. Het stadsbestuur schept ruime mogelijkheden voor burgers en andere belanghebbenden om hun stem te laten horen. Eerstelijnswerkers kunnen een verbindende rol spelen en ook het gebruik van kunstmatige intelligentie om de inhoud van sociale media te analyseren kan nuttige informatie opleveren.
  10. Participatieve budgettering, met name op buurtniveau, zal bijdragen tot de betrokkenheid van de burger en ook de hechting van de burger aan zijn leefomgeving versterken.
  11. De overheid zal een samenhangend geheel van digitale overheidsdiensten ontwikkelen om de dienstverlening aan haar burgers en de efficiëntie ervan te verbeteren.
  12. Burgers die een beroep doen op bepaalde diensten of rechten, worden op een onpartijdige en empathische manier ondersteund, ongeacht of persoonlijke of digitale kanalen worden ingezet.
  13. Wat de lokale overheid ook ontwikkelt met betrekking tot e-government en e-governance, zij ziet toe op de realisering van de geformuleerde visie op de ontwikkeling van de stad. 


[1] https://www.minnpost.com/politics-policy/2017/06/town-hall-meetings-mostly-draw-angry-people-should-members-congress-hold-the/

[2] Vertrouwen in burgers. Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid (2012).

[3] http://www.enliveningedge.org/tools-practices/liquid-democracy-true-democracy-21st-century/

[4] https://wp.me/p32hqY-Yw

[5] https://cdd.stanford.edu/what-is-deliberative-polling/

[6] http://smartcityhub.com/governance-economy/smart-city-smart-mayor/

[7] https://www.beesmart.city

[8] https://www.beesmart.city/solutions/foresight-lublin-2050

[9] https://indd.adobe.com/view/6df5a05b-807c-43af-9763-1ff0c71708a1

[10] http://engagecitizen.com

[11] https://www.beesmart.city/solutions/engagecitizen-citizenry-social-network

[12] https://www.insights.us/de

[13] https://www.beesmart.city/solutions/insights-management-tool-for-citizen-participation-burgerbeteiligung

[14] https://www.insights.us/blog-de/fahrplan-regionalentwicklung-werra-meissner-kreis

[15] https://www.insights.us/blog-de/fahrplan-regionalentwicklung-werra-meissner-kreis

[16] https://www.beesmart.city/solutions/active-citizen

[17] https://www.beesmart.city/solutions/active-citizen

[18] http://www.cityzenapp.gr/en

[19] https://www.beesmart.city/solutions/cityzenapp

[20] https://localgov.trimble.com/trimble-feedback.html

[21] https://www.beesmart.city/solutions/trimble-feedback

[22] https://getmatterhorn.com/

[23] https://www.beesmart.city/solutions/matterhorn-odr

[24] https://www.beesmart.city/solutions/geospock-spatial-big-data-platform

[25] https://citibeats.net/

[26] https://www.beesmart.city/solutions/citibeats

[27] https://citibeats.net/landing-mobility-barcelona-case-study-en/

[28] http://www.wired.co.uk/article/barcelona-decidim-ada-colau-francesca-bria-decode

[29] https://decidim.org

[30] https://decide.madrid.es

[31] http://www.wired.co.uk/article/barcelona-decidim-ada-colau-francesca-bria-decode

[32] http://www.consulproject.org/en/

[33] https://www.newyorker.com/magazine/2017/12/18/estonia-the-digital-republic

[34] https://e-estonia.com/solutions/interoperability-services/x-road/

[35] https://en.wikipedia.org/wiki/E-governance