Nederland democratisch? Over beleid heeft de kiezer niets te zeggen

18 Jun

images-3

Zelfs de kabinetsformateur heeft geen flauw idee wat voor soort regering Nederland zal krijgen. Het kan nog alle kanten op: links – rechts, liberaal – sociaal, progressief – conservatief. Democratie betekent dat het volk beslist. Thans is dat niet veel meer dan de omvang van de partijen in de Tweede Kamer. Over wie gaat regeren, welk beleid zal worden gevoerd en hoe het nieuwe kabinet eruit komt te zien, heeft het volk niets te zeggen.

De oplossing ligt voor de hand: Het volk stelt het regelingsbeleid vast en de volksvertegenwoordiging ziet toe op de uitvoering daarvan.

Het volk bepaalt het regeringsbeleid

Om rechtstreeks de hoofdlijnen van het regeringsbeleid te bepalen moet het volk kunnen kiezen uit alternatieve programma’s. Dus niet uit losse issues zoals bij een referendum en evenmin uit personen zoals bij de Franse presidentsverkiezingen.

images-7

Voorstellen voor programma’s kunnen afkomstig zijn van politieke partijen[1], verenigingen of bewegingen, bijvoorbeeld Nederland kantelt. Om te voorkomen dat er een onhandelbaar groot aantal programma’s wordt ingediend, kan een aantal – zeg 100.000 – handtekeningen verplicht worden gesteld.

Desondanks zal er in de eerste stemronde een aanzienlijk aantal programma’s voorliggen. Het is daarom onwaarschijnlijk dat een daarvan een duidelijke meerderheid behaalt, wat uiteindelijk wel de bedoeling is. Daarom zullen er altijd meer stemrondes zijn. Voorafgaand aan elke nieuwe ronde zullen de makers van programma’s gaan samenwerken en compromissen sluiten, waardoor het aantal propgramma’s aanzienlijk vermindert. Gaandeweg wordt duidelijk welke ministersploeg achter een programma staat. Het resultaat is een regering met een duidelijk mandaat van de meerderheid van het volk.

De volksvertegenwoordiging

De taak van de volksvertegenwoordiging is om het beleid dat de meerderheid van het volk wil nader in te vullen en om toe te zien op de uitvoering daarvan. Hoe kom zo’n volksvertegenwoordiging tot stand? Hiervoor zijn verschillende serieuze mogelijkheden. Ik noem er twee.

images-11De eerste is dat Nederland wordt opgedeeld in een aantal kiesdistricten, bij voorkeur samenvallend met herkenbare regio’s en dat elke bewoner een aantal vertegenwoordigers kiest. Kandidaten kunnen door politieke partijen of bewegingen worden voorgedragen en moeten elk een vooral vastgesteld aantal ‘supporters’ hebben, bijvoorbeeld 15.000.

Een tweede mogelijkheid is in 2013 geopperd door David van Reybrouck. Hij stelde voor het parlement volgens loting samen te stellen, vergelijkbaar met juryrechtspraak. De ‘uitverkorenen’ zijn niet aan partijen gebonden maar mogen uiteraard wel onderling samenwerken[2].

Scheiding der machten

imagesDe volksvertegenwoordiging is namens het volk gesprekspartner van de regering. Elke volks-vertegenwoordiger erkent dat de regering een beleid uitvoert waarvoor de meerderheid van het volk heeft gekozen. De regering erkent op haar beurt dat de volks-vertegenwoordiging ook door het volk is gekozen om kritisch tegenspel te bieden. Als de regering en de volks-vertegenwoordiging het niet eens worden over de uitwerking van een voorstel, dan kan aan een referendum of aan deliberative polling[3] worden gedacht.

De manier waarop de democratie in Nederland functioneert is in geen honderd jaar veranderd; de wereld wel. Mensen zijn mondiger en ICT, mits afdoende beveiligd, biedt ongekende mogelijkheden om mee te besturen. Deze schetst hoe dat zou kunnen. Er zijn ongetwijfeld meer opties. Ik ben benieuwd .

[1] Ik beschouw politieke partijen in de eerste plaats als verenigingen, die vanuit een aantal beginselen het openbaar bestuur willen beïnvloeden.

[2] In zijn boek Tegen verkiezingen schrijft David van Reybrouck dat de democratie van de eenentwintigste eeuw raakt steeds meer uitgehold. zaaien angst, het wantrouwen groeit, de redelijkheid is zoek. De politiek lijkt echter meer bezig met de volgende verkiezingen dan met de lange termijn. politiek.

[3] De methodiek hiervoor is in 1988 ontwikkeld aan de Stanford University met als doel geregeld kiezers dan wel achterbannen in staat te stellen zich uit te spreken over gangbare onderwerpen. Een ‘deliberative poll’ hanteert In tegenstelling tot een referendum een representatieve steekproef van de betrokkenen.

Smart cities kunnen ook dom zijn

10 Jun

Smart cities zetten het streven naar duurzaamheid en leefbaarheid kracht bij door de inzet van big data en state of the art informatie- en communicatietechnologie. Bij voorkeur niet alleen vóór maar vooral samen met de bevolking. Daarnaast moet de bevolking zelf initiatieven kunnen ontplooien om de kwaliteit van hun leefomgeving te vergroten[1].

2905

Wie zijn de bewoners van smart cities?

De vraag is echter wie zal smart cities bevolken, of zoals Suketu Mehta het stelt: Who is invited to the party[2]? Leven in grote steden wordt voor velen onbereikbaar. Appartementen in New York zijn zelfs voor tweeverdieners vrijwel onbetaalbaar en dat geldt ook voor het huren van een woning. Om gedurende een tijdslot van 8 uur per dag in een bed in een kamer in Chinatown NYC te mogen slapen, betaal je $ 200 per maand.

5096

‘Pensions’ in Chinatown NYC

Het resultaat is dat wonen in grote steden voor het grootste deel van de bevolking onmogelijk wordt. Nu al bedragen de woonkosten van 50% van de huishoudens van NYC minimaal 30% van hun inkomen. Voor 30% van alle huishoudens is het meer dan de helft. Hierdoor zijn het afgelopen decennium 14 miljoen huishoudens uit stedelijke gebieden vertrokken. Alleen al in Chicago is het aantal schoolgaande kinderen in deze periode verminderd met 145.000.

Sterke groei speculatieve investeringen

Vanaf de jaren ’80 is wereldwijd de omvang van speculatieve investeringen in de 500 grootste steden jaarlijks toegenomen[3]. Volgens Saskia Sassen is deze stijging de laatste vijf jaar spectaculair. In 2015 ging het om $1000 miljard, tegen $600 miljard in 2014. Daarbij gaan steeds vaker hele delen van steden onder de hamer, bijvoorbeeld een oud industriegebied of een appartementencomplex. Oogmerk is steeds afbraak en herontwikkeling tot kantoren en dure appartementen. Een recent voorbeeld is de aankoop van Atlantic Yards in NYC voor $5 miljard. Hier zijn thans kleine industrieën en woningen gevestigd. Er moeten uiteindelijk 15 gigantische appartementencomplexen komen.

3088

Atlantic Yards in NYC

Een vergelijkbaar verschijnsel zien we in Londen. De verkoop van hele gebieden heeft ook privatisering van de publieke ruimte tot gevolg. Granary Squaire nabij Kings Cross station is een voorbeeld van zo’n private-owned public space[4] met eigen regels en bewakers.

In Afrika is het proces van smartification eveneens op gang gekomen. Ook hier wordt een aantal smart cities vanuit het niets gebouwd. Een middel om ruimte voor nieuwe uitbreiding te creëren is de bulldozer en politie-inzet. Onlangs heeft de hoge raad van Nigeria de sloop van Mpape[5], een wijk met 300.000 inwoners grenzend aan het centrum van hoofdstad Abuja, tegengehouden. Er was geen enkel plan om de verdreven bewoners te herhuisvesten.

screenshot 3

Bewoners van kustgebieden te Lagos (Nigeria) op de vlucht omdat hun huizen in brand zijn bestoken om ruimte te maken voor de bouw van ‘smart’ Eko Atlantic City.

Smartification dreigt door de ongebreidelde macht van investeerders en speculanten vooral goed uit te pakken voor het rijkste deel van de stedelijke bevolking. Ook Amsterdam[6] moet hiervoor waakzaam zijn. In de periode 2013 – 2014 is de verkoop van onroerend goed aan beleggers met 248% gestegen. In 2016 is de gemiddelde prijs voor koopwoningen met bijna 23% toegenomen ten opzichten van 2015. Betaalbare huurwoningen zijn er bijna niet.

Smart cities; domme steden?

Smart cities kunnen door de uitsluiting van belangrijke groepen van de bevolking wel eens domme steden worden, overwegend bewoond door een kapitaalkrachtige elite van kosmopolieten die hun condominium in de ene wereldstad gedurende langere tijd van het jaar verruilen voor een appartement in en andere. Zonder jongeren die flaneren op de pleinen, ambachtslieden in hun werkplaatsen, middenstanders in hun kleine winkels en hun klanten, zijn het doodse steden, alle slimme techniek ten spijt.

Leidt commoning tot nieuw democratisch elan?

4 Jun

screenshot 4

Er is al veel geschreven en gezegd over de kloof tussen burgers en politiek. Veel burgers lijken apathisch, anderen zien politici bij voorbaat als tegenstanders. Er is ook een grote groep die sterk betrokken is, zeker op lokaal gebied. Van degene die tot deze groep behoren is de meest gehoorde klacht vaak tegen bureaucratie aan te lopen. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) heeft deze problemen al in 2012 uitgediept en beschreven in een uitstekend rapport: Vertrouwen in burgers[1]. Dit rapport is actueler dan ooit.

Commoning

images-2De WRR wil de politieke betrokkenheid vergroten door burgers problemen – in eerste instantie die in de directe omgeving – zelf en naar eigen inzicht te laten op te lossen. Een voorwaarde daarvoor is voldoende mate van samenhorigheid. Vroeger was dit vanzelfsprekend, nu veel minder. Er is wereldwijd echter sprake van een kentering. Commoning activiteiten voor en door buurtbewoners schieten als paddenstoelen uit de grond: Speeltuintjes, buurtfeesten, een gemeenschappelijke kruidentuin, een ‘bibliotheek’ voor weinig gebruikte gereedschappen, een terrein voor sport en spel, hulp bij huiswerk et cetera[2]. Sommige gemeentebestuurders ondersteunen deze activiteiten waar ze dat kunnen, ook financieel.

De inrichting van de ruimte werkt niet mee

Vinexwijk-LeidscheRijn-Shutterstock-578x420In dorpen is er doorgaans volop plaats voor commoning. Behalve een dorpsplein, zijn er altijd weilanden, schuren, buurtcentra en café’s. Nadat de moderne stedenbouw heeft ingezet op de eengezinswoning, gaat alle beschikbare ruimte naar woningen, tuinen, wegen, parkeerplaatsen en groenvoorzieningen, met of zonder wipkippen. De ontwerpers van deze wijken namen aan dat sociale contacten van de bewoners vooral buiten de wijk plaatsvinden of in klein gezelschap binnenshuis. Tot voor kort klopte dit ook wel. Maar nu staat deze visie de groei van commoning in de weg. Bewoners hebben tegenwoordig minder behoefte aan groen omwille van het groen. Bomen en planten staat er in elke tuin al genoeg. Wat node wordt gemist is een pleintje, een speelveld en vooral lege ruimte, waar ze zelf een speeltuintje, kruidentuin of praatplek kunnen maken of waar de kinderen hun fantasie de vrije loop kunnen laten.

Van commoning naar lokale democratie

9192621095_1b2b161c04_kCommoning als zodanig of het bewerkstelligen van een goede plek ervoor, betekent vrijwel altijd dat burgers politiek geïnvolveerd raken. Hier ligt een kans voor gemeenten die burgerparticipatie een warm hart toedragen. Vertrouwen in burgers betekent dat de gemeente bewoners actief betrekt bij de vormgeving van hun buurt, uiteraard binnen bepaalde randvoorwaarden. Deskundigen zoals stedenbouwkundigen en (landschaps)architecten bespreken dan ideeën en alternatieven met betrokken wijkbewoners in plaats van kant en klare plannen op te leveren. Het zijn de organisatie van feesten, de instandhouding van een groentetuin of een knutselwerkplaats, die de basis leggen voor deze betrokkenheid.

Van commoning naar politieke participatie

Betrokkenheid bij de eigen wijk versterkt op haar beurt deelname aan de lokale politiek. Tijdens commoning activiteiten in een nieuw stadsdeel blijkt dat iedereen ontevreden is over de ontsluiting van de wijk door openbaar vervoer. Om maar een voorbeeld te noemen. De betrokkenen hebben al snel in de gaten dat bewoners in alle nieuwe stadsdelen er net zo over denken. Met zijn allen besluiten ze om ideeën te ontwikkelen. De gemeente faciliteert dit proces, bijvoorbeeld door stedenbouwkundigen advies te laten geven en legt het resultaat voor aan de gemeenteraad. Reken maar dat de commons die bij de ontwikkeling van deze en andere plannen betrokken zijn, de deliberaties in de raad met belangstelling volgen.

Als de politiek de burgers vertrouwt, komt het vertrouwen van de burgers in de politiek vanzelf terug.

thelocals_ourfarm-12-2

[1] Dit rapport kan hier worden gedownload: https://www.wrr.nl/publicaties/rapporten/2012/05/22/vertrouwen-in-burgers

[2] Commoning staat voor activiteiten die buurtbewoners samen organiseren. Een bruikbare Nederlandse vertaling is er niet. Soms is ook sprake van placemaking. Een wetenschappelijke studie naar commoning is: The City as a Commons door Sheila R. Foster en Christian Iaione. Dit artikel kan hier worden gedownload: http://digitalcommons.law.yale.edu/cgi/viewcontent.cgi?article=1698&context=ylpr

De armoede van big data

20 Mei

Er komen steeds meer en omvangrijkere datasets, vaak met gegevens over de hele wereld. De belofte is dat de kwaliteit van beleid daarmee kan worden verhoogd. Ik bespreek twee recente toepassingen van big data, waaruit blijkt dat deze belofte bij lange na niet wordt ingelost. Sterker nog, resultaten zijn vaak triviaal en soms misleidend.

big-data

De meest innovatieve universiteiten van Europa

Het eerste rapport is een rating van de meest innovatieve universiteiten van Europa, uitgevoerd door Reuters[1]. Er is een grote hoeveelheid data per universiteit verzameld en op basis daarvan is een samengestelde score berekend. Het bijgevoegde overzichtje geeft het resultaat weer. screenshotHet rapport gebruikt tien criteria; zeven(!) daarvan betreffen de geregistreerde patenten van elke universiteit. Hier wringt de schoen. In de eerste plaats is de titel meest innovatieve universiteit misleidend. Het gaat niet om het innovatieve karakter van de desbetreffende universiteit als zodanig, maar om het aantal gepatenteerde uitvingen. De bijdrage daarvan aan innovatie is beperkt en komt van slechts een klein aantal universiteiten. Naast patenten leveren universiteiten ook op andere en vaak meer substantiële wijze een bijdrage aan innovatie. Te denken valt aan spin-offs, de vorm en inhoud van het onderwijs en samenwerking met onderzoekers binnen bedrijven[2]. Dit rapport doet hieraan nauwelijks recht.

De productiviteit van de overheidsdienstverlening

De tweede studie heet Government productivity en is uitgevoerd door het McKinsey Center for Government (MCG)[3]. De studie wil aantonen dat overheden wereldwijd $ 3500 miljard te veel uitgeven en dat geld de komende vijf jaar kunnen gebruiken om te bezuinigen of om de effectiviteit van hun dienstverlening te verbeteren (zie onderstaande afbeelding).

screenshot 2

Cruciaal is de wijze waarop effectiviteit wordt gemeten. Ik neem het hoger onderwijs – een van de besproken diensten – als voorbeeld. Voor elk land is een index berekend aan de hand van vier datasets: (1) Het aantal afgestudeerden ten opzichte van de instroom, (2) de kwaliteit van het onderwijs, de (3) baankans en het (4) inkomen van afgestudeerden. De kwaliteit van het onderwijs is gebaserd op de jaarlijkse rating van universiteiten door Times Higher Education.

Door per land effectiviteit te delen door kosten per student, berekenden de onderzoekers de productiviteit. De idee is nu dat regeringen de productiviteit van het hoger onderwijs op twee manieren kunnen verhogen: Of ze nemen een voorbeeld aan een land met een vergelijkbare effectiviteit, maar dat minder uitgeeft en ze besparen zo een hoop geld. Of ze spiegelen zich aan een land met een vergelijkbaar uitgavenniveau, maar dat dit geld effectiever besteedt en ze verbeteren zo hun effectiviteit zonder dat dit extra geld kost.

Wat MCG gedaan heeft is op zich ingenieus, maar als grondslag voor beleid schiet de berekening tekort. In de eerste plaats is manier waarop effectiviteit is geoperationaliseerd triviaal. Neem het Verenigd Koninkrijk. Dit is topscorer op het gebied van effectiviteit. Dit komt vooral door de hoge score van universiteiten in het Verenigd Koninkrijk op de rating van Times Higher Education, die overigens vooral wetenschappelijke reputatie meet. De universitaire infrastructuur in dat land is in eeuwen opgebouwd, mede dankzij omvangrijke schenkingen van particulieren. Geen enkel land kan binnen de gestelde vijf jaar voorzien in een vergelijkbaar stelsel, nog afgezien van het feit dat wetenschappelijke reputatie niet hetzelfde is als kwaliteit van het onderwijs. Maar ook op het gebied van werkgelegenheid en inkomen van afgestudeerden is de invloed van overheden beperkt. Het is een illusie dat landen geld kunnen besparen of hun geld effectiever kunnen besteden dankzij de berekeningen van McKinsey.

Businesswoman standing looking at data flowchart in cloudy landscape

In beide voorbeelden is sprake van enorme datasets, ingenieuze berekeningen, maar triviale en zelfs misleidende resultaten. Het komt omdat gecomplicerde onderwerpen, zoals het innovatieve karakter van universiteiten  en de effectiviteit van het hoger onderwijs vertaald worden naar enkele variabelen waarvoor data beschikbaar zijn (proxies). Het gevolg is een vergaand reductionisme, dat voorbij gaat aan de gecompliceerdheid van de onderwerpen en aan de uiteenlopende denkbeelden daarover.

We gaan dit reductionisme steeds vaker zien, ook binnen wetenschappelijk onderzoek. Het is immers verleidelijk om uit te gaan van bestaande datasets in plaats van eerst de gebruikte begrippen uit te diepen en op basis daarvan te bepalen welke gegevens nodig zijn. Beleid dat op deze manier tot stand komt, berust op drijfzand.

[1] Het rapport kan hier worden bekeken: http://www.reuters.com/article/us-reutersrankings-europeanuniversities-idUSKBN17Z09T#list

[2] Herman van den Bosch: Universiteit en bedrijfsleven: een moeizame relatie in:Robert Kok e.a.: Versterking van innovatie, Boom 2013, p. 201-215.

[3] Dit rapport en zijn samenvatting kan vanaf deze site worden gedownload: http://www.mckinsey.com/industries/public-sector/our-insights/the-opportunity-in-government-productivity

Smart cities zijn de oplossing, maar voor welk probleem?

14 Mei

Op zoek naar een antwoord op de vraag of de smart city een stad is van slimme mensen of van slimme technologie, kwam ik het verslag tegen het symposium Beware of Smart People! Redefining the Smart City Paradigm towards Inclusive Urbanism gehouden in Berlijn op 19 – 20 juni 2015[1]. Deze post is hier mede op gebaseerd[2].

De wereldbevolking groeit en concentreert zich in steden. Onnodig te zeggen dat dit – vooral in ontwikkelende landen – voor grote problemen zorgt. Tegelijkertijd concentreren bedrijvigheid en rijkdom zich eveneens binnen urbane gebieden, wat ertoe leidt dat steden elkaar op wereldniveau beconcurreren en zich – in weerwil van alle problemen – zo aantrekkelijk mogelijk positioneren.

Het begrip smart city verwijst naar een min of meer samenhangend geheel van data en digitale en andere technologieën om stedelijke problemen aan te pakken[3]

61b3f32ecf6710fae9fcf4ce8e3d83e456ccc40b

Colin McFarlane en andere deelnemers aan het symposiun zien het anders: What remains to be seen, is the extend to which the smart city agenda is anything else than another instantiation of corporate power grabs, entrenching surveillance, private control over urban management and repacking neoliberalism in the dressing of seductive technologies and reimagined municipalities and citizens[4]

De moderne stad wordt hier neergezet als een toonbeeld van marktwerking, een icoon van de consumptiemaatschappij en een plaats van ver doorgevoerde functiescheiding, sociale ongelijkheid, groeiende welvaardsverschillen en vervreemding. Toepassing van digitale technologieën wordt in deze context al snel met toezicht en machtsuitoefening geassocieerd.

Er is dan ook een heel andere visie mogelijk op wat een smart city is, namelijk een stad die ruimte biedt aan commoning: Het gezamenlijk door burgers vorm geven van de leefruimte, eerder gebaseerd op principes van deeleconomie en directe democratie dan op basis van technologie. Een vaak aangehaalde voorbeeld zijn de bewonersinitiatieven die tot een alternatieve invulling van het voormalige vliegveld Tempelhof in Berlijn hebben geleid (zie afbeelding hieronder).

screenshot 4

Een derde betekenis van het begrip ‘smart city’ is die van stedelijke utopie. Dit geldt vooral voor vanuit het niets opgebouwde steden als Songdo in Zuid Korea, Mazdar (VAE), Dholera (India) en dichter bij huis PlanIT Valley nabij Porto (Portugal). De betrokken investeerders zien deze steden vooral als troeven in de globale concurrentiestrijd. Inzet zijn aantrekkelijke woonomgeving, van alle gemakken voorziene kantoorruimte, uitmuntende connectiviteit en toegankelijkheid en ook hoge standaarden met betrekking tot duurzaamheid en milieu. Deze smart utopias beantwoorden zelden aan de verwachtingen. Soms vervallen ze tot spooksteden, zoals Ordos in China[5], of verloopt hun ontwikkeling anders dan gepland: Songdo (Z. Korea) oefent vooral aantrekkingskracht uit op bewoners van het nabijgelegen Seoul en veel minder op (internatiale) bedrijven. De $1,4 miljard kostende 12 km lange zesbaans hangbrug die de stad met het vliegveld verbindt is akelijk leeg, terwijl een goede spoorverbinding met Seoul node wordt gemist (zie afbeelding hieronder).

20211828998_52f6d4dc28_z

Zijn de verschillende benaderingen van ‘smart city’ verenigbaar?

Ik denk van wel, maar dan moeten tevens de volgende vragen worden beantwoord:

  1. Wat is het meest wenselijk gebruik van de stedelijke ruimte, gezien vanuit een multi-actor en multi-stakeholder perspectief?
  2. Hoe kunnen alle bewoners maximaal deelname aan het stedelijk leven?
  3. Welke mix aan bedrijven draagt bij aan een zo groot mogelijke en gediversifieerde duurzame werkgelegenheid?
  4. Wat is de beste manier om zo veel mogelijk stedelingen bij besluitvorming op verschillende niveaus te betrekken?

De rol van data, digitale voorzieningen en andere technologieën moet worden gekeken in samenhang met de beantwoording van deze vier vragen. The real smart city needs to start with the city and its attendant social problems, rather than looking immediately to smart technology for answers[6]. Dit verbreedt het denken en leidt ook tot onder ogen zien van low-tech of no-tech oplossingen. Een stad kan dan het predicaat smart claimen als “… investments in human and social capital and traditional (transport) and modern (ICT) communication infrastructure fuel sustainable economic growth and a high quality of life, with a wise management of natural resources, through participatory government.[7]

screenshot kopie 2Een bijzondere bijdrage aan het symposium kwam van Gautam Bahm uit India[8]. De smart city bestaat zijns inziens niet. Placeless concept have no meaning. Een smart city in India zal anders uitzien dan een in bijvoorbeeld Duitsland. In Indiase steden is commoning heel gewoon: Grote delen van steden zijn daar auto-constructed, volgens een andere logica dan die van planners en architecten (zie afbeelding hiernaast). Er is echter grote behoefte aan een basale infrastructuur: Nu is 17% van de grond bedekt met krakkemikkige pijpleidingen voor watervoorziening en riolering. Hetzelfde geldt voor de draden voor electriciteit en telefoon. Hier ligt een enorme taak voor stedelijke planning, die aansluit bij het bestaande weefsel van lokale gemeenschappen in plaats van deze te verwoesten, zoals gebeurt in China en op veel andere plaatsen.

Het begrip ‘smart city’ kan icoon worden van een nieuwe digitaal gefaciliteerde vorm van samenleven in de stedelijke ruimte. Hiervoor is een zienswijze op de stad nodig als een plaats die inclusive, shared and negociated is en op bewoners als active producers and contributors, vanwege hun lokale kennis, expertise, creativiteit, vaardigheid om te netwerken en ondernemerschap.

[1] Je vindt dit verslag op https://goo.gl/cgDemx.

[2] Ik ben gevraagd om curator te worden van Amsterdam Smart City. Om deze reden zullen er de komende tijd geregeld blogposts verschijnen over smart cities, een verschijnsel dat kan worden begrepen als een vorm van innovatie van de stedelijke ruimte.

[3] Dit en het volgende citaat is ontleend aan de bijdrage van Colin McFarlane (p.89).

[4] Smart cities worden in hoge mate ‘gepushed’ vanuit grote IT-bedrijven. In het geval van PlanIT Valley zijn ze de grootste investeerders.

[5] https://www.businessinsider.nl/surrealistische-fotos-van-chinas-mislukte-stad-van-de-toekomst/

[6] Zie: Robert Hollands: Critical Interventions into the Corporate Smart City Cambridge Journal of Regions, Economy and Society. Vol 8 (1) 2015, p. 61.

[7] Zie: Andrea Caragliu, Chiara del Bo en Peter Nijkamp: Smart Cities in Europe, Journal of Urban Technology, Vol 18(2), p. 652011, 70).

[8] De titel van deze inleiding luidde: Asking the wrong questions: Smart cities in contemporary urban India (p. 103)

Nieuwe wereld…. Andere business school

7 Mei

Drie organisaties op het gebied van duurzaamheid en management hebben in 2012 besloten om samen te werken aan vernieuwing van het bedrijfskundeonderwijs[1]. De directe aanleiding was dat 50 jaar daarvoor de rapporten van de Carnegie en de Ford Foundation waren verschenen en 20 jaar eerder de Rio Earth Summit zonder veel effect had aangedrongen op meer duurzaam gedrag van bedrijven. Vandaar de naam 50 + 20 agenda. Bekijk hieronder een korte presentatie.

De rapporten van de Carnegie en Ford Foundation hebben het bedrijfskundeonderwijs meer kwaad dan goed gedaan. Business schools waren voorheen plekken waar professionele managers werden opgeleid. De twee rapporten waren de opmaat voor de inlijving van deze instituten door gevestigde universiteiten. Door hun academisering verloren business schools gaandeweg hun betekenis voor de managementpraktijk[2]. Docenten met praktijkervaring werden zeldzaam en publicaties gaan aan de praktijk voorbij.

De 50 + 20 agenda wil het praktijkgerichte element herstellen, samen met een inhoudelijke oriëntatie op duurzaamheid[3]. De inzet is dat business schools er niet meer naar streven om de beste van de wereld willen zijn maar het beste vóór de wereld[4]. De 50 + 20 agenda heeft geleid tot de publicatie van een handboek[5] met bijbehorende website[6] met voorbeelden van good practice.

Ik sta kort stil bij de van de 50 + 20 agenda en het soort onderwijs dat deze voorstaat.

41sZKUAAmgL._SX329_BO1,204,203,200_Een andere missie

In de 50 + 20 agenda is een vooraanstaande rol weggelegd voor het bedrijfsleven bij de aanpak van armoede en opwarming van de aarde. Hiervoor is een omwenteling nodig. Bedrijven streven nu vooral naar groei en winst. Ze doen er daarom alles aan de consumptie te bevorderen. De studenten van nu – de leidinggevenden van later – kunnen deze spiraal doorbreken door te beijveren dat bedrijven hun missie afstemmen op de belangen van de samenleving[7]. Dit is op lange termijn ook goed voor de aandeelhouders.

Een ander soort onderwijs

Ook veel vakken zijn doordrongen van het denken in termen van groei en winst. Om bedrijven en hun omgeving beter in samenhang te kunnen zien, moeten de kennissilo’s worden gesloopt en plaatsmaken voor een interdisciplinaire en probleemgerichte benadering, gericht op oordeels- en besluitvorming. Hierbij moet volop aandacht zijn voor kritisch denken, ethiek, zelfkennis en soft skills. Het doceren van vakken moet plaatsmaken voor de aanpak van levensechte projecten zo veel mogelijk uitgevoerd binnen bedrijven.

screenshot 4

Hoofdlijnen 50+20 agenda

Een ander soort opleiders

De meeste docenten aan business schools moeten ervaring hebben in bedrijven of instellingen, bij voorkeur in organisaties die de belangen van alle stakeholders respecteren. Verder zijn medewerkers bereid om als public intellectuals deel te nemen aan het publieke debat over de transformatie van de samenleving en de rol van bedrijven daarin.

Een ander soort business school

Geen vakgroepen op functionele basis, maar teams die delen van het onderwijs verzorgen. De buitenwereld wordt zo veel mogelijk binnen de school gehaald, bijvoorbeeld door tegen kostprijs cursussen aan te bieden aan lokale ondernemers en startups. Er is eveneens een krachtige wisselwerking tussen fundamenteel en toegepast onderzoek.

De boodschap van de 50 + 20 agenda is binnen veel business schools aangekomen. Studenten in het bijzonder staan ervoor open. Veel dromen van een eigen innovatieve start-up waar ze hun idealen kunnen verwezenlijken. Maar de grootste opdracht ligt in de vanandering van gevestigde bedrijven. Kortom, er is nog een lange weg te gaan.

[1] Deze organisaties zijn: Global Responsible Leadership Initiative (GRLI), World Business School Council for Sustainable Business (WBSCSB) en Principles for Responsible Management Education (PRME)

[2] The 1959 Ford and Carnegie reports on business schools caused severe and probably permanent damage to business education, forcing it into a narrow and overly-theoretical mold. Daniel Carter in diens boek MBA: The First Century.

[3] De belangrijkste trekkers van dit initiatief zijn Katrin Muff (Business School Lausanne), Thomas Dylinck (University of St Gallen), Marc Bretel (GRLI), John North (Un. of Pretoria), Paul Shrivastava (Concordia University, Canada) en Jonas HeBusiness education for the worldart (PRME). Ook Paul Polman, CEO van Unilever was lid van de initiatiefgroep.

[4] http://50plus20.org/wp-content/uploads/sites/3/2012/06/5020_AGENDA_PRINT_a4_English.pdf

[5] Business education for the world. A vision for business schools serving people and planet. Edward Elgar 2013.

[6] Zie: 50plus20.org/benchmarks

[7] Bij de vaststelling van maatschappelijke doelstellingen wordt uitgegaan van de Global Goals van de VN.

 

Badges in plaats van diploma’s?

29 Apr

Sinds mensenheugenis worden opleidingen afgerond met een diploma. Het aantal verschillende diploma’s is echter niet meer te overzien. In de VS zijn dat er 8 maal zo veel dan 20 jaar geleden. Er zijn duizenden instanties die diploma’s verstrekken waarvan het grootste deel niet is geaccrediteerd. Daarbij komt dat we te maken hebben met diploma’s uit vele landen. Kortom, de waarde van een diploma is veelal niet meer gekend.

Er is echter ook een andere kant. Een groot aantal personen – jong en oud – ambieert geen diploma. Ze willen een specifieke baan, zich daarvoor scholen en een bewijs ontvangen dat ze over de gewenste competenties beschikken[1].

images

Voor beide problemen is een oplossing beschikbaar in de vorm van badges, micro-credentials of e-credentials: Dit zijn (digitale) bewijsstukken dat iemand over specifieke kennis en/of vaardigheden beschikt. Er zijn inmiddels ruim 3000 organisaties die badges verstrekken, waaronder onderwijsinstellingen, trainingsinstituten en bedrijfsopleidingen[2].

Voor een goed functionerend systeem van badges moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Hier zijn de belangrijkste:

Niveau

De kennis en/of vaardigheden waarnaar een badge verwijst moeten eenduidig zijn. Tevens moet er een onmiskenbare verwijzing zijn naar het beheersingsniveau. Ook moet worden geëxpliciteerd hoe dat gemeten is. Het Degree Qualifications Profile, opgesteld door Lumina is een bruikbaar hulpmiddel om het niveau aan te duiden[3].

Uitwisselbaarheid

Badges moeten technisch gesproken eenzelfde standaard hebben: ze dienen gegevens te bevatten over de eigenaar, de verstrekker, de inhoud en de wijze waarop de de onderhavige kennis en vaardigheid is vastgesteld. De Open Badges Standard van IMS Global Learning gaat waarschijnlijk als zodanig functioneren. In Nederland werkt SURF aan een technische specificatie van badges[4].

images-1

Zichtbaarheid

Bezitters moeten een platform hebben om hun badges te kunnen tonen. Hiervoor zijn inmiddels verschillende websites, zoals Backpack[5].

De snelle verbreiding van competentiegericht onderwijs heeft het systeem van badges mede mogelijk gemaakt. Dit type onderwijs vereist immers een nauwkeurige aanduiding van learning outcomes: de kennis en vaardigheden waarover iemand beschikt na deelname aan een formele, non-formele of informele leeractiviteit.

Concordia University in Wisconsin is – voor zover bekend – de eerste universiteit die een opleiding – de master in educational technology – certificeert met badges. Dat zijn er 50; elk van deze badges correspondeert met een behaald leerresultaat, doorgaans een succesvol afgeronde opdracht[6]. De tijd die daaraan is besteed, doet niet terzake.

Een andere interessante ontwikkeling is dat aanbieders van opleidingsmogelijkheden (formeel en non-formeel) in een specifieke regio of stad samenwerken binnen een gemeenschappelijk format. Ook hierbij worden lokale werkgevers betrokken[7]. Het Open Badge Network[8] (Europe) heeft hiervoor een beknopt Charter opgesteld. In de VS is er het Cities of Learning initiative, bijvoorbeeld Chicago City of learning[9].

screenshot 2 kopie

Ik zie veel voordelen in de hier geschetste ontwikkeling, maar tegelijkertijd ben ik ook bang voor een versplinterde focus op leren. Studeren wordt dan het bijeensprokkelen van badges.

In een vorige blogpost het ik beklemtoond hoe belangrijk het is dat studenten kritisch leren denken[10]. Het is ondenkbaar dat studenten kritisch leren denken door deel te nemen aan slechts één onderwijsactiviteit. Kritisch denken kan dan ook niet met één badge ‘afgevinkt’ worden. Het vermogen om kritisch te denken ontwikkelt zich doordat studenten herhaaldelijk worden geconfronteerd met realistische maatschappelijke en wetenschappelijke problemen, daarover lezen en onderzoek doen, oplossingen afwegen en uiteindelijk tot een oordeel komen. Dit betekent dat het verdienen van badges alléén niet voldoende is, maar dat er ook eisen gesteld kunnen worden aan de samenhang van de verdiende badges.

Een selectiever gebruik van het begrip competenties kan hieraan bijdragen. Een afzonderlijke badge betekent dan dat een student blijk heeft gegeven te beschikken over een bepaalde hoeveelheid kennis en vaardigheden. Badges kunnen dan ook goed worden verbonden aan modulen, cursussen of werkzaamheden in de praktijk. Een competentie daarentegen verwijst naar de (intellectuele) activiteiten die een pas afgestudeerde zelfstandig kan uitvoeren. Aannemelijk moert worden gemaakt welke reeks studieonderdelen – met de bijbehorende badges – hiervoor wenselijk is.

Het systeem van badges is nog lang niet volgroeid. Het is wel een hoopvol begin om buitenschoolse ervaringen serieus mee te tellen, na te denken over hoe bepaalde competenties verworven worden en ruimte te maken voor studenten die kennis en vaardigheden willen verwerven door studieactiviteiten te verrichten bij diverse aanbieders in binnen- en buitenland.

[1] Zie voor de eisen die aan badges gesteld kunnen worden: http://www.openbadgenetwork.com/wp-content/uploads/2016/01/O4A3-OBN-Guidelines-for-Open-Badges-in-Territories.pdf

[2] Voor een overzicht van wat er in vijf jaar is bereikt: https://drive.google.com/file/d/0B7kHRuri9QdPQmRfdXZrblpSX0U/view

[3] Het framework is volop in ontwikkeling en kent acht niveaus. Het is gespecificeerd voor kennis en vaardigheden. deze zijn op hun beurt uitgesplitst in gespecialiseerde vaardigheden, persoonlijke vaardigheden en sociale vaardigheden: https://www.luminafoundation.org/files/resources/connecting-credentials.pdf. Dit kader vertoont veel overeenkomst met het Europese kwalificatieframework voor een leven lang leren: https://ec.europa.eu/ploteus/sites/eac-eqf/files/leaflet_nl.pdf

[4] Zie hiervoor: https://www.surf.nl/binaries/content/assets/surf/nl/2017/open-badges_surfnet-pilot–scenario’s_frans-ward_3feb.pdf

[5] Op de website van Backback zijn inmiddels meer dan een miljoen badges geplaatst: https://backpack.openbadges.org/backpack/welcome

[6] Onderwijsinstellingen die deze kant verder opgaan werken samen met het afnemende veld om de badges herkenbaar relevant te maken. Dit gebeurt bijvoorbeeld door de Foundation for California Community Colleges en de New World of Work

[7] Voorbeelden hiervan zijn; de Open Badges in Scottish Education Group, het Badge the UK project en de Open Badges DACH Usergroup in Duitsland. Zie voor een bespreking; http://www.openbadgenetwork.com/wp-content/uploads/2016/01/O4A3-OBN-Guidelines-for-Open-Badges-in-Territories.pdf

[8] portal: www.openbadgenetwork.com

[9] https://chicagocityoflearning.org

[10] Zie: hmjvandenbosch.com.ln.is/ocP0r