Ethische principes en kunstmatige intelligentie

In de 11de aflevering van de reeks Bouwen aan duurzame steden: De bijdrage van digitale technologie pas ik de ethische principes uit aflevering 9 toe op ontwerp en gebruik van kunstmatige intelligentie.

Hieraan voorafgaand beschrijf ik in het kort wat kunstmatige intelligentie is. Aan bod komen de betekenis van onder andere big data, algoritmen en machineleren. Voor wie er meer van wil weten: Radical technologies van Adam Greenfield (2017) is een zeer leesbare inleiding, ook op technologieën als blockchain, augmented en virtual reality , Internet of Things en robotica, die in de volgende afleveringen aan de orde komen.

Kunstmatige intelligentie

Kunstmatige intelligentie kent waardevolle toepassingen maar ook grove vormen van misbruik.  Waardevol is bijvoorbeeld het gebruik van kunstmatige intelligentie bij de indeling van huizen en buurten, rekening houdend met gebruiksgemak, uitzicht en zonnelicht met AI-technologie van Spacemaker[1] of het maten van lawaai in het centrum van Genk met behulp van Nokia’s Scene Analytics-technologie[2]. Verwerpelijk is het discrimineren van bevolkingsgroepen door de politie in de VS met programma’s als PredPol en de manier waarop de Nederlandse overheid met de toekenning van toelagen is omgegaan.

Algoritmen

Dankzij kunstmatige intelligentie kan een computer zelfstandig patronen herkennen en op grond daarvan ‘beslissingen’ nemen. Op zichzelf is herkennen van patronen niets nieuws Dat kon allang met daartoe geschreven computerprogramma’s. Om bijvoorbeeld afbeeldingen van honden en katten te onderscheiden maakte een programmeur een beschrijving in ‘als….dan’-vorm van alle relevante kenmerken van honden en katten met behulp waarvan kon een computer beide diersoorten onderscheiden.  Het aantal fouten hing af van de gedetailleerdheid van het programma. Als het om meer soorten dieren gaat en om dieren die vanuit verschillende hoeken zijn gefotografeerd is het maken van zo’n programma erg ingewikkeld. In dat geval kan een computer getraind worden zelf relevante patronen te onderscheiden. In dit geval spreken we van kunstmatige intelligentie. Overigens spelen mensen daarbij nog steeds een belangrijke rol. Deze bestaat in de eerste plaats uit het schrijven van een instructie – een algoritme – en vervolgens uit de samenstelling van een trainingset, een selectie van een grote aantal voorbeelden, bijvoorbeeld van dieren zijn die gelabeld als hond of kat en desnoods leeuw, tijger en meer. De computer gaat vervolgens ‘zelf’ op zoek naar bijbehorende kenmerken.  Als er nog te veel fouten voorkomen, worden nieuwe afbeeldingen toegevoegd. 

Deep learning

De manier waarop de dieren zijn afgebeeld kan eindeloos variëren, waarbij het niet meer zozeer om hun kenmerken gaat, maar om schaduwwerking, beweging, stand van de camera of de aard van de beweging. De grootste uitdaging is om de computer ook daar rekening mee te leren houden. Dat gebeurt door de imitatie van de neurale netwerken. Beeldherkenning gebeurt daarbij net als in onze hersenen dankzij het onderscheiden van lagen, variërend van het onderscheiden van simpele lijnen, patronen, kleuren tot verschillen in scherpte.  Vanwege deze gelaagdheid wordt gesproken van ‘deep learning’. Hierbij is uiteraard sprake van grote datasets en veel rekenkracht, maar het is ook een arbeidsintensief proces.

Zelflerende computers

Leren toepassen van algoritmen onder begeleiding, levert betrouwbare resultaten op en de instructeur kan ook na veel iteraties het resultaat nog steeds verklaren. Maar dat houdt op als er verschillende processen tegelijkertijd spelen, bijvoorbeeld als dieren elkaar aanvallen, het soms overleven en dan weer niet en de computer moet voorspellen welke dieren onder welke omstandigheden de grootste overlevingskans hebben. Denk ook aan de patronen die de computer van een auto moet kunnen onderscheiden om veilig zonder chauffeur de weg op te kunnen. Vanwege de vrijwel onbeperkte variatie, werkt begeleid leren dan niet meer.

In het geval van onbegeleid leren, wordt de computer gevoed met gegevens van vele miljoenen realistische situaties, in geval van auto’s van verkeerssituaties en de manier waarop de bestuurders daarop reageerden. Hier kan met recht van ‘big data’ en ‘machine leren’ worden gesproken, al worden deze termen vaak ook breder gebruikt.  Zo ‘leert’ de computer van de auto hoe en wanneer deze binnen de rijstroken moet blijven, mag passeren, hoe voetgangers, fietsen of welk ‘object’ dan ook, ontweken kan worden, wat stoptekens zijn en verkeersborden betekenen en welke de daarbij behorende actie is. Tesla’s geven nog steeds al deze gegevens door aan een datacenter, dat er patronen uit destilleert waarmee de ‘autopilots’ van alle Tesla’s geregeld worden geüpdatet.  Op den duur zou elke Tesla, waar ook ter wereld, elk denkbaar patroon moeten herkennen, daar correct nop moeten reageren en zo het hoogst mogelijke niveau van veiligheid kunnen garanderen. Zover is het nog (lang?) niet en Tesla’s ‘autopilot’ mag daarom niet zonder de aanwezigheid van een chauffeur ’in control’ worden gebruikt. Niemand weet op basis van welke criteria de algoritmen van een Tesla werken, uiteraard wel als ze niet werken. 

Zelflerende computers worden ook ingezet als het gaat om de voorspelling van (belasting)fraude, de kans dan bepaalde personen ‘in de fout’ gaan of plaatsen waar op een bepaald moment de kans op een misdaad het grootst is. Maar ook bij de beoordeling van sollicitanten en de toewijzen van woningen.  Voor deze doelen wordt de waarde van kunstmatige intelligentie overschat[3]. In al deze gevallen is de wijze waarop de computer ‘besluiten’ neemt een ‘blackbox’. Mede om die reden is het moeilijk zo niet onmogelijk om achteraf eventuele fouten op te sporen en recht te zetten.  Dit is een van de problemen bij de beruchte toelagenaffaire.

De cybernetische cirkel

Algoritmische besluitvorming is een onderdeel van een nieuwe digitale golf, gekenmerkt door een cybernetische cirkel van meten (data verzamelen), profileren (data analyseren) en interveniëren (toepassen van data). Op zich komen deze aspecten terug in elk besluitvormingsproces, maar daarbij maken de betrokkenen, politici, volksvertegenwoordigers stapsgewijs bewuste keuzen, terwijl nu het hele proces een blackbox is. 

De rol van ethische principes

Ondertussen groeit de bezorgdheid over het negeren van nagenoeg alle ethische principes die in aflevering 9 zijn genoemd, door de toepassing van kunstmatige intelligentie: Schending van de privacy, discriminatie, gebrek aan transparantie en machtsmisbruik met als gevolg groot (deels onbedoeld) leed, risico’s voor de beveiliging van kritieke infrastructuur, afbrokkeling van menselijk denkvermogen en ondermijning van het vertrouwen in de samenleving. Het is daarom noodzakelijk om richtlijnen te formuleren die de toepassing van kunstmatige intelligentie weer in lijn brengen met de genoemde ethische principes. 

Hiertoe is een belangwekkende aanzet gegeven in de publicatie van het Institute of Electric and Electronic Engineers: Ethically Aligned Design: A Vision for Prioritizing Human Well-being with Autonomous and Intelligent Systems[4]. Ook het Rathenau instituut[5] heeft in diverse publicaties een aantal richtlijnen gepubliceerd.

De belangrijkste richtlijnen die uit deze en andere publicaties kunnen worden gedestilleerd, zijn:

  1. Verantwoordelijkheid voor de impact van het gebruik van kunstmatige intelligentie leggen bij zowel degenen die besluiten nemen over de toepassing ervan (politiek, leiding van organisatie of bedrijven) als de ontwikkelaars. Deze verantwoordelijkheid betreft zowel de gebruikte systemen als de kwaliteit, nauwkeurigheid, volledigheid en representativiteit van de data(set).
  2. Voorkomen dat ontwerpers (onbewust) hun eigen normen gebruiken bij de instructie van leerprocessen. Teams met een diversiteit aan achtergronden zijn een goed middel om dit te voorkomen.
  3. Kunnen herleiden van ‘beslissingen’ door computersystemen op de gehanteerde algoritmen, de werking daarvan begrijpen en deze kunnen uitleggen.
  4. Wetenschappelijk kunnen onderbouwen van het model dat aan de algoritme en aan de keuze van de data ten grondslag ligt.
  5. Handmatig verifiëren van ‘beslissingen’ die negatief uitpakken voor de betrokkene. 
  6. Uitsluiten van alle vormen van bias in de inhoud van datasets, de toepassing van algoritmen en het hanteren van uitkomsten[6].
  7. Verantwoording afleggen over de wettelijke grondslag van de combinatie van datasets.
  8. Vaststellen of de berekening beoogt valse positieven dan wel valse negatieven te minimaliseren.
  9. Terugkoppelen naar opdrachtgevers door auteurs van algoritmen als deze in het bronnenmateriaal gebrek aan eenduidigheid aantreffen.
  10. Hanteren van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, wat betekent van geval tot geval vaststellen of de baten van gebruik van kunstmatige intelligentie opwegen tegen de risico’s[7].
  11. Verbieden van toepassingen van kunstmatige intelligentie die een groot risico vormen voor schending van ethische principes, zoals gezichtsherkenning, persuasieve technieken en deep-fake technieken[8].
  12. Intrekken van wettelijke bepalingen als blijkt dat deze vanwege hun complexiteit of vaagheid niet op transparante wijze gehandhaafd kunnen worden.  

De derde, de vierde en de vijfde richtlijn moeten in samenhang worden gezien.  Ik leg hieronder uit waarom.

De wetenschappelijke fundering van algoritmische besluitvorming

Bij het gebruik van zelflerende computers zijn het de computers zelf die de algoritmen aanpassen en uitbreiden en gegevens uit uiteenlopende datasets combineren.  Het gevolg kan zijn dat de uiteindelijke ‘beslissingen’ die de computer neemt niet uitgelegd kunnen worden. Dit is uitsluitend aanvaardbaar, nadat gebleken is dat deze beslissingen ‘foutloos’ zijn, bijvoorbeeld omdat, in het geval van ‘zelfsturende’ auto’s, deze vele malen veiliger blijken te rijden dan auto’s met chauffeur.

In de toelagen affaire was hier geen sprake van. Daar zou de vijfde richtlijn uitkomst hebben kunnen bieden.  Met behulp van wetenschappelijk ontwerpgericht onderzoek kan worden onderzocht, uit welke stappen en welke regels een beslissingsproces bestaat om te bepalen wie terecht een toelage krijgt en wie eventueel ten onrechte bezwaar maakt tegen de afwijzing van een verzoek. Aan de hand van zo’n beslisboom kan door een steekproef met voldoende omvang de overeenkomst met de ‘beslissingen’ van de computer worden vastgesteld. Als dit inderdaad in nagenoeg alle gevallen zo is, dan mogen de criteria die in de handmatige berekening zijn gehanteerd worden gebruikt om uit te leggen wat zich in de ‘blackbox’ van de computer heeft afgespeeld. Als er veel en grote afwijkingen zijn, dan moet de computerberekening worden verworpen.

Door toepassing van zelflerende algoritmen kunnen onvermoede verbanden worden ontdekt tussen verschijnselen. Dat kan van grote betekenis zijn. Er is dan altijd sprake van statistische relaties en niet van causale.  

Op basis van deze verbanden kunnen geen maatregelen worden gerechtvaardigd, wel kunnen ze vertrekpunt voor verder onderzoek. 

Governance

In de VS is het gebruik van algoritmen inmiddels in een kwaad daglicht komen te staan, vooral door de ongewenste gevolgen van toepassing door de politie, waarover aflevering 16 gaat.  De problemen daarbij gaan veel verder dan het optreden van ‘bias’. De stad New York heeft daarom een algoritme manager aangesteld, die onderzoekt of de gebruikte algoritmen voldoen aan ethische en wettelijke regels. In steeds meer gemeenten vervult een ethische commissie deze rol.

Op bestuurlijk vlak zijn zowel op Europees niveau als binnen Nederland al stappen gezet om uitwassen van algoritmische besluitvorming tegen te gaan.  

De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), die is in 2018 in werking getreden is heeft de bescherming van de privacy aanzienlijk verbeterd. In april 2019 publiceerde de Europese High Level Expert Group on AI ethische richtlijnen voor de toepassing van kunstmatige intelligentie In februari 2020 heeft ook de Europese Commissie zulke richtlijnen vastgesteld onder meer in het White Paper On Artificial Intelligence en een AI-verordening. Verder stelde de regering onder meer vast de nationale digitaliseringsstrategie, het Strategisch Actieplan AI en de beleidsbrief AI, mensenrechten en publieke waarden[9].

Ik realiseer me dat het binden van overheden en hun uitvoeringsorganen aan ethische principes koren op de molen is van degenen die deze principes aan de laars lappen. Daarom blijft de zoektocht naar legitieme methoden om misdaad, corruptie en malversaties met behulp van moderne technieken op te sporen, brede steun verdienen.

Er is nog heel wat werk te verzetten om de kracht van kunstmatige intelligentie voor dit doel op gewetensvolle wijze te gebruiken.


[1] https://stadszaken.nl/artikel/3961/rekenkracht-ai-maakt-gebiedsontwikkeling-beter?utm_source=Mailing+Lijst&utm_medium=email&utm_campaign=24-12-2021_Grote+verdeeldheid+over+Omgevingswet

[2] https://www.smartcitiesworld.net/news/belgian-city-uses-artificial-intelligence-to-tackle-noise-pollution-7243?utm_source=newsletter&utm_medium=email&utm_campaign=Weekly%20Newsletter

[3] https://www.dropbox.com/s/22ekhzws9gpb4nd/Rapport_De_stand_van_digitaal_Nederland_Rathenau_Instituut.pdf?dl=0

[4] https://www.dropbox.com/s/508gjrmdaexj563/2020_029_Digitale_technologie_Eng.docx?dl=0

[5] https://www.dropbox.com/s/hdx3gwjx1rni3on/Rathenau-Grip_op_algoritmische_besluitvorming_overheid_Rathenau_Instituut.pdf?dl=0

[6] https://medium.com/@BloombergCities/the-promise-and-peril-of-algorithms-in-local-government-f1a2964769f2

[7] https://www.dropbox.com/s/xe962n2m7ik6gt2/Rathenau-Zeven_aandachtspunten_voor_de_AI-verordening_Bericht_aan_het_Parlement_Rathenau_Instituut.pdf?dl=0

[8] https://www.dropbox.com/s/q2zji5s60y989ea/Rathenau-Verantwoord_Innoveren_met_AI_Rathenau_Instituut.pdf?dl=0

[9] https://www.dropbox.com/s/22ekhzws9gpb4nd/Rapport_De_stand_van_digitaal_Nederland_Rathenau_Instituut.pdf?dl=0

Toegankelijkheid, software, digitale infrastructuur en data: De roep om ethiek

De 10de aflevering in de reeks Bouwen aan duurzame steden – De bijdrage van digitale technologie gaat over de betekenis van ethische principes voor vier belangrijke pijlers van digitalisering: toegankelijkheid, programmatuur, infrastructuur en data.

In de vorige aflevering kwam een aantal uitgangspunten (richtlijnen en ethische principes) voor digitale technologie aan de orde. Uit het rapport van het Rathenau Instituut[1] Opwaarderen – Borgen van publieke waarden in de digitale samenleving blijkt dat overheid, bedrijfsleven en samenleving deze nog onvoldoende hanteren. Hieronder sta ik stil wat deze principes en waarden betekenen voor vier fundamentele aspecten van digitalisering: toegankelijkheid, programmatuur, infrastructuur en data.  In de volgende twee afleveringen komen hun implicaties voor een zestal technologieën aan de orde. 

Toegankelijkheid

Toegankelijkheid verwijst naar de beschikbaarheid van snel Internet voor iedereen. Dit gaat verder dan alleen technische toegang.  Het houdt ook in dat een gemeente toeziet op de begrijpelijkheid van de eigen berichtgeving en dat gebruikers de aangeboden opties ook kunnen hanteren. Niet in de laatste plaats zou iedereen moeten beschikken over een werkende computer.

Gratis Internet voor alle inwoners is een waardevolle basisvoorziening, inclusief Wi-Fi in de publieke ruimte, mits goed beveiligd tegen indringers. Overlaten van een Wi-Fi voorziening aan private aanbieders, zoals de LinkNYC reclamezuilen in New York, die ook in andere steden opduiken, is een slechte zaak. Bedrijven als Sidewalk Labs verleiden gemeenten door deze zuilen gratis te plaatsen. Ze zijn uitgerust met sensoren die een enorme hoeveelheid gegevens verzamelen via elk apparaat dat verbinding maakt met hun Wi-Fi-netwerk: Niet alleen de locatie en het besturingssysteem, maar ook het MAC-adres. Met behulp van analysetechnieken kan daarmee het loop-, kijk- en koopgedrag van burgers worden gereconstrueerd. Gecombineerd met andere openbare gegevens van Facebook of Google leveren ze inzicht in persoonlijke interesse, seksuele geaardheid, ras en politieke overtuiging van de betrokkenen.

Het enorme internet dat alles en iedereen verbindt, roept ook schrikbeelden op, die te maken hebben met waarborgen van privacy en in relatie daarmee uiteenlopende vormen van misbruik, tot het hacken van apparatuur die je hartslag regelt toe. Daarom wordt er breed gezocht naar alternatieven.

Wereldwijd komen P2P buurtinitiatieven voor om een besloten eigen netwerk aan te leggen. Veel daarvan maken deel uit van The Things Network[2]. In plaats van Wi-Fi, gebruikt dit netwerk een protocol genaamd LoRaWAN. Door robuuste end-to-end-codering hoeven gebruikers zich geen zorgen te maken over beveiligde draadloze hotspots, mobiele data-abonnementen of haperende Wi-Fi-connectiviteit. Het Things-netwerk beheert duizenden gateways en biedt dekking aan miljoenen mensen en biedt een reeks open tools waarmee burgers en ondernemers IoT-applicaties kunnen bouwen tegen lage kosten, met maximale beveiliging en die makkelijk op te schalen zijn.

Programmatuur

Computerprogramma’s zorgen voor uiteenlopende toepassingen, variërend van tekstverwerking tot managementsystemen. Op zoek naar oplossingen die het best passen bij de richtlijnen en ethische principes uit de vorige aflevering, komen we al snel uit bij open-source software, in tegenstelling tot propriëtaire producten van commerciële aanbieders. Niet dat deze laatste bij voorbaat verwerpelijk zijn of dat ze altijd goedkoper zijn. Het belangrijkste waar je op moet letten is uitwisselbaarheid (interoperabiliteit) met producten van andere aanbieders om te voorkomen dat je er lastig vanaf komt (lock in). 

Open source software kan veel voordelen bieden ten opzichte van prioriëtaire oplossingen, zeker als gemeenten dit stimuleren. Barcelona loopt hierbij voorop[3]. De stad beoogt volledig zelfbeheer van haar ICT-diensten en radicale verbetering van digitale openbare dienstverlening voor de burgers, inclusief ‘privacy by design’ en databescherming dankzij het gebruik van blockchain. Dit resulteert in gegevenssoevereiniteit en in het gebruik van vrije software, open dataformats, open standaarden, interoperabiliteit en herbruikbare applicaties en diensten. 

Wie zich oriënteert op open source software kan niet om de Fiware-gemeenschap[4] heen, qua organisatie vergelijkbaar met Linux en bestaande uit bedrijven, startups en freelance ontwikkelaars en voortgekomen uit een initiatief van de EU. Fiware is een organisatie met als missie bouwen van open, en duurzame software rond publieke, royaltyvrije en implementatie gedreven standaarden

Infrastructuur

Computers zijn inmiddels niet meer de grootste groep onderdelen van de digitale infrastructuur. Hun aantal is overtroffen door zogenaamde ubiquitous sensor networks (USN), zoals slimme meters, CCTV, microfoons en sensoren. Sensornetwerken hebben de meest uiteenlopende taken, ze bewaken de omgeving (luchtkwaliteit, verkeersdichtheid, ongewenste bezoekers) en ze zitten in machines, treinen en auto’s en zelfs mensen en geven informatie over het functioneren van vitale onderdelen door. Mike Matson[5] berekende verder dat er in 2050 een stad van 2 miljoen inwoners wel een miljard sensoren zal zijn. Deze zijn verbonden door miljoenen kilometers glasvezelkabel of via Wi-Fi met elkaar, met datacenters, carrier hotels (dat zijn knooppunten waar particuliere netwerken samenkomen) om uiteindelijk het Internet te vormen.

Deze hiërarchisch georganiseerde verknoping staat op gespannen voet met de richtlijnen en ethische principes uit de vorige post. Internet criminelen krijgen vrij baan, bijvoorbeeld door het veroorzaken van denial of service (DoS) en dataleks kunnen grote gevolgen hebben. Bovendien loopt het energieverbruik gigantisch op, ook zonder blockchain. Het kan ook anders. Met edge computing[6] vindt de bewerking van de gegevens lokaal plaats en alleen resultaten worden op verzoek geüpload. Dit geldt voor sensoren, mobiele telefoons en mogelijk ook voor geautomatiseerde auto’s. Een mooi voorbeeld is het Array of things Initiative[7]. Uiteindelijk gaat dit 500 sensoren omvatten, die in overleg met de bevolking in Chicago worden opgehangen en data gaan verzamelen.  Deze data worden in elke sensor opgeslagen en kunnen indien nodig online worden geraadpleegd, waarbij steeds een aantal sensoren en een deel van de data betrokken is. 

Vergelijkbaar zijn federatieve datasystemen[8]. Hierbij worden data decentraal bewaard, maar geautoriseerde gebruikers kunnen dankzij gebruiksinterfaces wel van alle gegevens gebruik maken.

Data

Het besef dringt door dat het bij data niet alleen om de hoeveel gaat, maar ook om de kwaliteit van zowel de data zelf en de bewerking ervan. Ik stip een aantal aspecten aan

Toegang tot data

Als het om gegevens van personen gaat, dan zou de regel moeten zijn dat privégegevens alleen doorzoekbaar zijn na toestemming van de eigenaar. Om deze data te beschermen stelt het EU-project Decode voor eigenaars hun gegevens via blockchaintechnologie te laten beheren[9]. Veel steden hebben inmiddels privacyrichtlijnen, maar slechts een aantal voert privacy impact assessment uit als onderdeel van het beleid (p.18)[10]

Kwaliteit

Er komen steeds meer aanwijzingen dat veel data die voor kunstmatige intelligentie worden gebruikt als ‘leersets’ ondeugdelijk zijn.  Dat was al pijnlijk duidelijk geworden uit data voor gezichtsherkenning waarin minderheidsgroepen disproportioneel zijn vertegenwoordigd[11]. Nieuw onderzoek laat zien dat dit ook geldt op het gebied van de gezondheidszorg. Er is hier sprake van data cascades, een optelsom van achtereenvolgende fouten, waarvan de gevolgen pas na enige tijd duidelijk worden[12]. Data bleken niet relevant, onvolledig, onvergelijkbaar en zelfs gemanipuleerd[13]

Data commons

Voor wie specifieke data van groot belang zijn, en daarmee ook hun kwaliteit, zal zich extra daarvoor inzetten. Samen kunnen de betrokkenen dan een datacommon vormen. Commons are shared resources managed by empowered communities on the basis of mutually agreed and enforced rules[14]

Een mooi voorbeeld is de Data- en Kennishub Gezond Stedelijk Leven (p.152)[15], waarin overheden, bedrijven, milieugroepen en bewoners kennis verzamelen voor de ontwikkeling van een gezonde leefomgeving, met gebruikmaking van een federatief datasysteem. Het gaat hierbij niet alleen om data, maar ook om de terugkoppeling van het effect van maatregelen. 

Open data

Veel steden hanteren het ‘open by default’ principe en maken de meeste gegevens openbaar, al laat de gebruikersvriendelijkheid en doelmatigheid soms nog te wensen over. Er zijn verschillende datamanagementsystemen als open-source portal beschikbaar. Een van de meest vooraanstaande is CKAN, beheert door de Open Knowledge Foundation[16]. Het bevat middelen voor het beheren, publiceren, vinden, gebruiken en delen van gegevensverzamelingen. Het biedt een uitgebreide zoekfunctie en maakt het mogelijk om gegevens te bekijken in de vorm van kaarten, grafieken en tabellen. Er is een actieve gemeenschap van gebruikers, die het systeem verder ontwikkelt en lokaal aanpast. 

Om de gegevens daadwerkelijk toegankelijk te maken bieden sommige steden ook trainingen en workshops aan. Barcelona’s Open Data Challenge is een initiatief voor leerlingen uit het secundair onderwijs, dat hen wegwijs maakt in de enorme gegevensverzameling van de stad[17].

Veiligheid

Naarmate de omvang van de verzamelde data, de hoeveelheid ‘entry points’ en de verbondenheid op het Internet toeneemt, worden de veiligheidsrisico’s ook groter. Decentralisering, onder andere door middel van edgecomputingen federatieve opslag met blockchaintechnologie dragen zeker bij aan de veiligheid. Er is verder nog een lange weg te gaan. Slechts de helft van de steden heeft een seniorbeleidsmedewerker op dit gebied en technieken voor authenticatie, versleuteling en ondertekening die samen de basis vormen voor attribute-based identity worden lang niet altijd toegepast. Het gaat hierbij om identiteitsbepaling op basis van een aantal kenmerken van een gebruiker, zoals functie, locatie en afdeling[18]

Iets heel anders is Me and my shadow, een project dat gebruikers van het Internet leert hun eigen spoor te minimaliseren en daarmee hun vindbaarheid voor Internetcriminelen[19].

Er is nog een wereld te winnen voordat voldoende is voldaan aan de richtlijnen en ethische principes die in de vorige aflevering werden genoemd.

Het belangrijkste is wellicht een zekere relativering van begrippen als ‘big data’, ‘datagericht beleid’ en de omvang van datasets.

Het is raadzaam zich opnieuw te verdiepen in de grondslagen van wetenschappelijk onderzoek. Hierin staat voorop een goed geformuleerde vraagstelling, vervolgens de keuze van een hierbij passende onderzoeksmethode, bijvoorbeeld de formulering van hypothetische verbanden op basis van materiekennis, de beantwoording van de vraag welke gegevens hiervoor nodig zijn, de verzameling van deze gegevens en hun statistische bewerking om te zien in hoeverre de onderbouwde hypothetische verbanden aangetroffen worden. In de volgende aflevering komt onder andere machine leren aan de orde en dan zal blijken dat het bij de automatische verwerking van grote datasets vooral gaat om de ontdekking van statistische verbanden en dat kan nare consequenties hebben. 

Volg deze link als je snel een van de vorige afleveringen uit deze reeks wil vinden of wilt zien welke de volgende afleveringen zijn. Vol deze link voor de Engelstalige versie


[1] https://www.dropbox.com/s/qom95p4hwph1cie/Rathenau-Opwaarderen.pdf?dl=0

[2] https://www.thethingsnetwork.org/

[3] https://www.barcelona.cat/digitalstandards/

[4] https://www.fiware.org

[5] http://smallwarsjournal.com/jrnl/art/complex-cyber-terrain-in-hyper-connected-urban-areas

[6] https://searchdatacenter.techtarget.com/definition/edge-computing

[7] https://datasmart.ash.harvard.edu/news/article/a-guide-to-chicagos-array-of-things-initiative-1190

[8] https://statetechmagazine.com/article/2021/04/researchers-eye-machine-learning-secure-iot-data

[9] https://www.youtube.com/watch?time_continue=2&v=_-ooCbgIiyo&feature=emb_logo

[10] https://www.weforum.org/whitepapers/governing-smart-cities-policy-benchmarks-for-ethical-and-responsible-smart-city-development

[11] https://www.verdict.co.uk/ethnic-data-bias/

[12] https://storage.googleapis.com/pub-tools-public-publication-data/pdf/0d556e45afc54afeb2eb6b51a9bc1827b9961ff4.pdf

[13] https://www.theverge.com/2021/4/27/22403741/deepfake-geography-satellite-imagery-ai-generated-fakes-threat

[14] https://www.dropbox.com/s/wxf4c6x16hb2xdy/Waag-AMS-Strategy-for-urban-data.pdf?dl=0

[15] https://www.dropbox.com/s/qoqp17grtsfoh9u/future-city-magazine-2020-mr.pdf?dl=0

[16] https://ckan.org

[17] https://opendata-ajuntament.barcelona.cat/en/repte-barcelona-dades-obertes

[18] https://media.erepublic.com/document/CDG21_BRIEF_SailPoint_AWS_V.pdf

[19] https://tacticaltech.org/#/projects/me-and-my-shadow

Digitale technologie en de stedelijke duurzaamheidsagenda. Een kader

Digitale technologie is waardevol voor steden als ze ingepast is in het beleid en er samenhang is met andere beleidsinstrumenten. Dit en meer lees je in de 8ste aflevering van de reeks Bouwen aan duurzame steden – De bijdrage van digitale technologie

De oplossing van stedelijke problemen is vanaf de allereerste publicatie over smart cities (1992) tot op de dag van vandaag genoemd als motief voor de toepassing van (digitale) technologie. Deze relatie is echter allesbehalve vanzelfsprekend. Denk aan het discriminerende effect van de toepassing van kunstmatige intelligentie door de politie in de VS – waarop ik later nog terugkom – en aan de ellende die deze heeft veroorzaakt in de toelagenaffaire in ons land. 

De keuze en de toepassing van (digitale) technologie is daarom een onderdeel van zorgvuldig en democratisch proces, waarin prioriteiten worden gesteld en middelen worden afgewogen. Zie hiervoor ook het artikel van Jan-Willem Wesselink en Hans Dekker: Slimme stad versterkt leefbaarheid en stelt burger centraal (p.15)[1]. Hieronder bespreek ik een bestuurlijk kader, dat in de volgende vijf posts wordt ingevuld. 

Wat ik voorstel, is een iteratief proces waarin drie clusters van activiteiten zijn te onderscheiden:

  • De ontwikkeling van een visie op de stad
  • De ontwikkeling en keuze van doelstellingen
  • De instrumentatie van de doelstellingen 

Visie op de stad

Vertrekpunt voor een democratisch stedelijk beleid is een breed gedragen visie op de stad en haar ontwikkeling. Burgers en andere stakeholders moeten zich hierin kunnen herkennen en hun stem moet zijn gehoord. De visie op de stad is onderdeel van een maatschappelijk krachtenveld gekenmerkt door een veelheid van tegengestelde of ‘schurende’ inzichten, wensen en belangen. Tegenwicht bieden aan de machtsverschillen tussen betrokkenen groepen is een voorwaarde om de stad rechtvaardiger, inclusiever en democratischer en de bewoners gelukkiger te maken.

Het concept van een donuteconomie is het beste kader dat ik ken om een visie op een dergelijke stad te ontwikkelen. Het is uitgewerkt door de Britse econoom Kate Raworth in een rapport getiteld A Safe and Just Space for Humanity[2]. Het rapport neemt de gelijktijdige toepassing van sociale en ecologische duurzaamheid als uitgangspunten voor beleid. 

Als je naar een donut kijkt, zie je een kleine cirkel in het midden en een grote cirkel aan de buitenkant (zie boven). De kleine cirkel verwijst naar 12 principes op het gebied van sociale duurzaamheid, de minimale levensstandaard waar iedereen recht op heeft. Deze uitgangspunten sluiten aan bij de ontwikkelingsdoelen van de VN. De grote cirkel verwijst naar 9 gangbare principes op het gebied van ecologische duurzaamheid. Een tabel met beide soorten principes kun je hier bekijken. Deze principes hebben betrekking op zowel de eigen stad als haar impact op de rest van de wereld. Aan de hand van deze principes kan de stad vaststellen op welke terreinen zij tekortschiet; denk aan huisvesting, gendergelijkheid en uitstoot van broeikasgassen.

Amsterdam heeft dit proces doorlopen, samen met Kate Raworth. In de loop van een interactief proces is een stadsdonut tot stand gekomen. Hieraan deden burgers uit zeven verschillende wijken, ambtenaren en politici mee. Het is de moeite waard om de stadsdonut eens te bekijken [3].

De stadsdonut van Amsterdam levert een brede visie op stedelijke ontwikkeling op, in het bijzonder vanwege de referentie naar zowel sociale als ecologische principes als het gelijktijdig refereren aan haar mondiale voetafdruk. De eerste versie is zeker niet af. Het is te zien hoe Amsterdam heeft geworsteld met de omschrijving van de impact van de internationale dimensie.

De formulering van gewenste doelstellingen

Politiek en burgers zullen ook zonder de stadsdonut wel weten waar de belangrijkste knelpunten liggen. Voor Amsterdam zijn dat bijvoorbeeld de volgende thema’s: afvalproblematiek, de klimaattransitie, vermindering van het autogebruik, betaalbare huisvesting en inclusiviteit. Inhoudelijk worden deze thema’s ook gevoed vanuit de Europese Agenda Stad en de 21 doelen van de Nationale Omgevingsvisie. De stadsdonut nodigt uit om vanuit verschillende perspectieven naar deze problemen te kijken: Een breed scala van sociale implicaties, de ecologische effecten en de internationale dimensie. Hiermee legt deze de basis voor de formulering van doelstellingen.  

In de formulering van doelstellingen kunnen vijf stappen worden onderscheiden:

  • Voor elk van de gekozen thema’s mede aan de hand van de stadsdonut vaststellen waar zich de belangrijkste knelpunten bevinden (probleemanalyse), bijvoorbeeld onvoldoende groen in de wijken.
  • Verzamelen van gegevens over de bestaande situatie met betrekking tot deze knelpunten. Bijvoorbeeld het feit dat in arbeiderswijken viermaal minder bomen per hectare voorkomen dan in middenklasse wijken.
  • Maken van voorlopige keuzen met betrekking tot de gewenste verbetering van deze knelpunten. Bijvoorbeeld verdubbeling van het aantal bomen in vijf jaar.
  • Formuleren van de wijze waarop de kloof tussen bestaande en gewenste situatie kan worden overbrugd. Bijvoorbeeld parkeerplaatsen vervangen door bomen of gevelbegroeiing. 
  • Formuleren van (voorlopige) doelstellingen

Ook dit proces geschiedt bij voorkeur samen met stakeholders.  Bij de totstandkoming van de plannen van de circulaire economie in Amsterdam waren meer dan 100 personen betrokken, vooral vertegenwoordigers van de gemeenten, bedrijven en kennisinstellingen. 

Prioriteren van doelstellingen en hun Instrumentatie

Gegeven de voorlopige doelstellingen met betrekking tot de oplossing van problemen kan het zoeken beginnen naar beschikbare en wenselijke middelen, variërend van voorlichting, juridische maatregelen, reorganisatie tot (digitale) technieken. Daarbij kan worden gekeken naar verwachte effectiviteit, gewenste samenhang, aanvaardbaarheid en kosten. Met deze kennis kunnen de doelen definitief worden geformuleerd en zo nodig geprioriteerd. Het is ook wenselijk om een korte- en langetermijnperspectief te onderscheiden om de ontwikkeling van innovatieve oplossingen mogelijk te maken.  

De inventarisatie, keuze en ethische beoordeling van middelen en het in samenhang hiermee aanscherpen van de doelstellingen kan in eerste instantie het beste gebeuren door teams waarin verschillende disciplines, waaronder deskundigheid op het gebied van digitale technologie zijn vertegenwoordigd, uiteraard gevolgd door democratische sanctionering.

Het heeft mijn voorkeur om het proces van instrumentatie te beleggen bij een ‘Dienst voor stedelijke ontwikkeling en innovatie’, naar het model van het Majors Office of New Urban Mechanics (MONUM) in Boston. Vanuit een dergelijk bureau, dat wortelt in de andere afdelingen kunnen wisselende teams worden samengesteld. Hiermee kan de samenhang tussen de afzonderlijke doelen en actiepunten en de inbreng van wetenschappelijk onderzoek worden veiliggesteld. Volgens Ben Green, de auteur van het boek The smart enough city en jarenlang werkzaam bij MONUM, bleek keer op keer dat het effect van technische innovatie versterkt wordt als deze samengaat met andere vormen van innovatie, zoals sociale innovatie. 

Technologie is daarom zelden of nooit het enige of belangrijkste middel voor de oplossing van stedelijke problemen. Ik begrijp daarom niet waarom sommige steden zo gebrand zijn op het predicaat ‘smart city’. 

Van visie naar actiepunten: Overzicht

Hieronder geef ik een overzicht van de belangrijkste bouwstenen om tot een visie te komen en vanuit deze visie actiepunten te ontwikkelen

  1. Het proces van visie naar actiepunten is zowel lineair als iteratief. Onderscheiden van de fasen van visieontwikkeling, formuleren van ontwikkelingsrichtingen en instrumentatie is nuttig maar deze beïnvloeden elkaar wederzijds en vormen op den duur een cyclisch proces.
  2. Stedelijke problemen altijd gecompliceerd, vol interne tegenstellingen en complex. Er zijn dus zelden enkelvoudige oplossingen.
  3. De burgemeester (en dus niet een aparte wethouder) is primair verantwoordelijk voor de samenhang binnen de beleidsagenda, inclusief het gebruik van (digitale) technologie. Bij voorkeur vertaalt zich dit in de structuur van de gemeentelijke organisatie, bijvoorbeeld een ‘Dienst voor stedelijke ontwikkeling en innovatie’.
  4. Het formuleren van een visie, oplossingsrichtingen en ambities is onderdeel van een democratisch proces. Hierbij spelen zowel gekozen volksvertegenwoordigers als stakeholders een belangrijke rol. 
  5. Vanwege hun complexiteit en samenhang overstijgt de inhoud van de beleidsagenda doorgaans de directe belangen van de stakeholders, maar deze moeten wel ervaren dat hun problemen worden geadresseerd.
  6. Elke stad kiest uiteindelijk een reeks samenhangende acties om tot een effectieve, doelmatige en gedragen oplossing van haar problemen te komen. De keuze van deze acties, zeker als het om (digitale) technieken gaat, kan altijd worden uitgelegd als een functie van de adresseren problemen.
  7. De inzet van technologie voegt zich naadloos naar de stedelijke agenda, in plaats van dat problemen worden ge(her)formuleerd zodat ze aansluiten bij verleidelijke technologieën.
  8. Implementatie is minstens zo belangrijk dan grootse plannen, maar zonder visie boeten concrete acties in aan legitimiteit en draagvlak.
  9. Bij het zoeken naar draagvlak voor oplossingen en de uitvoering van plannen wordt samengewerkt met stakeholders en deze kunnen bevoegdheid en middelen krijgen om zelf problemen aan te pakken en te experimenteren.
  10. Bij veel stedelijke problemen vormt het adresseren van de schadelijke gevolgen van eerder hanteerde technologieën (variërend van broeikasuitstoot, luchtvervuiling tot welvaartsziekten en discriminatie) een noodzakelijk uitgangspunt.

Terug naar digitale techniek

(Digitale) technologie is een gegeven en ontwikkelt zich in snel tempo. Soms zou je wel eens anders willen.

Het is zeer te betreuren dat niet democratisch gekozen overheden maar Big Tech de drijvende kracht achter de ontwikkeling van de techniek is en dat deze ontwikkeling daardoor in de eerste plaats is ingegeven door commerciële belangen.

Dit noopt tot verzet tegen de monopolies van ‘Big Tech’ en terughoudendheid tegenover hun producten. Bedrijven daarentegen die werken aan technologische ontwikkelingen die een duurzame stedelijke agenda ondersteunen, verdienen alle steun. 

In mijn e-book Steden van de toekomst. Humaan als keuze. Smart waar dat helpt, heb ik de exercitie die ik in deze post beschrijf uitgevoerd op basis van gangbare kennis over stedelijk beleid en stedelijke ontwikkelingen.  Dit heeft geleid tot het onderscheiden van 13 thema’s en 75 actiepunten, waar mogelijk voorzien van verwijzingen naar potentieel bruikbare technologie. Je kunt het e-boek hier downloaden[4].


[1] https://www.dropbox.com/s/94iuozmph0dlv00/future-city-2019-een-slimme-stad-zo-doe-je-dat.pdf?dl=0

[2] https://www-cdn.oxfam.org/s3fs-public/file_attachments/dp-a-safe-and-just-space-for-humanity-130212-en_5.pdf

[3] https://www.dropbox.com/s/t5tqb3v9frbq6go/Donut%20amsterdam-portrait%20NL.pdf?dl=0

[4] https://www.dropbox.com/s/i37xo24smn6zmng/01%20Steden%20van%20de%20toekomst%20NL%20-%20verkleind.pdf?dl=0

Het ‘Future of urban tech’-project

Wie durft te voorspellen of wij technologie de baas blijven of dat het omgekeerde gebeurt? De zevende editie van de serie Bouwen aan duurzame steden – De bijdrage van digitale technologie gaat over prognoses, trends en signalen met betrekking tot de rol van technologie bij de ontwikkeling van steden, zoals het Future of Urban Tech-project van Cornell University in New York die ziet.

Een bron van nieuwe inzichten

Technologie heeft de planeet ten goede en ten kwade veranderd. Zal deze verandering doorzetten en welke richting zal domineren? Om deze vraag te beantwoorden hebben wetenschappers van het Jacobs Institute aan de Cornell University in New York een horizonscan gemaakt. Als onderdeel van dit ambitieuze project The Future of Urban Tech maakten ze een inhoudsanalyse van honderden recente wetenschappelijke publicaties, waaruit ze 217 signalen destilleerden. Deze signalen werden gegroepeerd in 49 deels tegengestelde trends. Elke trend is voorzien van een indicatie van tijdsbestek, waarschijnlijkheid en maatschappelijke impact. Uiteindelijk hebben ze zes prognoses gemodelleerd. Deze beschrijven dominante richtingen voor verandering.

Elke lezer kan het project dat wordt gepresenteerd door middel van een website, op eigen manier gebruiken. Ik ben uitgegaan van de 17 sectoren zoals gebouwde omgeving, logistiek, mobiliteit en energie en heb de daaraan gerelateerde trends verkend. Het is ook mogelijk om top-down te beginnen met een van de zes prognoses en de plausibiliteit ervan onderzoeken in het licht van de gerelateerde trends en signalen. Ik laat hieronder zien dat elk van de prognoses uitdagend is en uitnodigt tot verder lezen.

De selectie van de inhoud wordt ondersteund door dynamische afbeeldingen, die alle signalen, trends en prognoses met elkaar verbinden en de lezer in staat stellen de onderlinge relaties te overzien. Begin gewoon te scrollen en laat je nieuwsgierigheid de vrije loop en beslis na wat verkenningen hoe je systematischer te werk wilt gaan.

De website beschrijft elk van de prognoses, trends en signalen in het kort. Elk signaal weerspiegelt de inhoud van een handvol (populair) wetenschappelijke publicaties die kort worden samengevat. Lees de artikelen die je intrigeren of beperkt je tot de samenvatting.

Neem de tijd om deze site te verkennen, want je zult veel nieuwe inzichten en meningen tegenkomen.  De link naar het project staat aan het einde van dit artikel.

Hieronder zal ik enkele aspecten van de inhoud van het project toelichten, gevolgd door enkele kanttekeningen.

Zes prognoses

De prognoses weerspiegelen de veelheid aan standpunten in hedendaagse wetenschappelijke literatuur, wat lezers prikkelt om tot een oordeel te komen. Hieronder is de formulering van de prognoses in verkorte vorm overgenomen.

1. Alle gebouwen, huizen, verkeersmiddelen, de infrastructuur maar ook bomen en parken zullen met sensoren en camera’s worden verbonden en één web vormen

Nu al zijn veel gebouwen, bussen, treinen en wegen uitgerust met digitale detectie, maar ze zijn nog slechts in beperkte mate onderling gelinkt. Het komende decennium zal hierin verandering brengen, wat bijvoorbeeld een doorbraak zal betekenen in het beheer over de energiestromen. 

2. Steden zullen gebruikmaken van geavanceerde biotechnologie om de leefbaarheid te doen toenemen.

Groeiend inzicht in de menselijke afhankelijkheid van de natuur zal leiden tot het in kaart brengen van de fysiek-biologische wereld evenals de bedreigingen en de zegeningen daarvan voor mensen. Stadsbesturen zullen bomen, parken en waterwegen van sensoren voorzien om de vitaliteit van ecosystemen te meten en te beheersen.

3. Veerkrachtige corridors zullen het effect van de klimaatverandering matigen en burgers worden voorbereid op de onvermijdelijke schokken die komen gaan.

Steden zullen de CO2-uitstoot verminderen maar zich ook voorbereiden op de gevolgen van de onvermijdelijke gevolgen van klimaatverandering. Politieke en financiële machtscentra zullen worden geconcentreerd op plaatsen waar de impact van de klimaatsverandering met technische middelen beheerst kan worden.

4. Kunstmatige neurale netwerken zorgen voor geavanceerde vormen van machine leren met ongeëvenaarde voorspellende mogelijkheden die orde zal brengen in de chaos van het stedelijk leven.

Machine leren en kunstmatige intelligentie zullen ondoorgrondelijke ‘black boxes’ worden die beslissingen nemen zonder uitleg te geven. De ultieme vragen zijn of de machines waaraan we onze besluiten uitbesteden zelf nog wel bestuurd kunnen worden en of de impact van spontane ontmoetingen en menselijke ideeën verdwijnt als computers toch de beste oplossingen produceren?

5. Nieuwe Screen Deal die de risico’s en voordelen van stedelijke technologie herverdeelt.

“Alles op afstand” – leren, gezondheidszorg, werk en entertainment – wordt het nieuwe normaal. De voorspellende kracht van AI zal leiden tot conflicten over de concentratie van rijkdom en macht die digitale platforms veroorzaken. Maar aan de andere kant zullen nieuwe stakeholders juist rechtvaardigheid centraal stellen.

6. Een wereldwijze toeleveringsketen voor technologieën voor het maken van steden zal ‘de code van de stad kraken’

In de smart cities-beweging bestaat een spanning tussen top-down en bottom-up, tussen propriëtair versus open en tussen Big Tech en ‘Makers’. Een nieuwe stedelijke innovatie-industrie zal de overhand krijgen, maar is meer afgestemd op de maatschappelijke zorgen. Overheden zullen op hun beurt een duidelijker beeld hebben van de problemen die de industrie moet oplossen. Een publiek-private structuur voor investeringen en governance is onmisbaar om de kracht van Big Tech tegen te gaan.

Een paar opmerkingen

Zoals gezegd is elk van de zes prognoses gebaseerd op trends. Negen trends, in het geval van de laatste voorspelling. Elke trend wordt geïllustreerd door een handvol signalen, gedocumenteerd met behulp van verschillende publicaties. Een van de negen trends die de laatstgenoemde prognose ondersteunen, is ‘Regionale clustering van ondernemingen tot ecosystemen’, bijvoorbeeld New York, Londen, Berlijn en Amsterdam. Deze verwijst naar de groeiende kracht van lokale technologiehubs, ondersteund door regionaal kapitaal en waarbij overheden, startups, kennisinstellingen en burgers betrokken zijn. Deze concentratie kan zelfs leiden tot een nieuwe ‘ruimtewedloop’ tussen steden in plaats van landen.

Uit de onderliggende signalen blijkt echter dat deze ‘trend’ veel opener en onzekerder is dan de beschrijving rechtvaardigt.

Ik heb veel publicaties doorgenomen die een signaal documenteren en concludeerde steeds dat ‘trends’ in wezen de bandbreedte in kaart brengen waarbinnen zich ontwikkelingen binnen een domein zullen voordoen. Voor mij doet dit geen afbreuk aan de waarde van het project, want hoe meer twijfels er zijn over de toekomst en hoe meer inzicht we hebben in de krachten die deze vormgeven, hoe meer mogelijkheden we hebben om de toekomst te beïnvloeden.

Uiteraard moeten de zes prognoses aansluiten bij het open karakter van de trends. Om deze reden heb ik elk van de zes prognoses eveneens geherformuleerd als bandbreedtes van conflicterende ontwikkelingstendensen.

1. De commerciële of politieke belangen achter stedelijke technologie versus het welzijn van de burgers.

2. De strijd tussen (supra)nationale politieke macht versus ‘Big Tech’ over leiderschap over de technologische ontwikkeling.

3. Het onbeperkte doordringen van technologie in alle domeinen van de samenleving versus acceptatie van onvoorspelbare uitkomsten van menselijke interacties die het gevolg zijn van creativiteit, innerlijke motieven en intuïtieve beslissingen.

4. Beheersing van de natuur met behulp van biotechnologie versus het herstel van een evenwicht tussen mens en natuurlijke ecosystemen.

5. De concentratie van macht, politieke invloed en rijkdom door zeggenschap over technologie versus open licenties waardoor technologie ten bate van de hele wereldbevolking kan worden aangewend.

6. Oncontroleerbare autonome besluitvorming door machine leren en kunstmatige intelligentie versus het primaat van de democratische en gedecentraliseerde besluitvorming over de toepassing van technologie.

Bestuderen van het Future of Urban Tech-project is een rijke en tot nadenken stemmende leerervaring en heeft mede de inzichten gevoed die aan deze reeks ten grondslag liggen.

Je vindt het Future of Urban Tech-project achter de onderstaande link:

https://futureofurbantech.org/introduction/

Het ‘Boston Smart City Playbook’

Elke vertegenwoordiger van een technologiebedrijf die bij een gemeente aanklopt om kant-en-klare ‘slimme’ oplossingen te verkopen moet dit vooraf lezen. Deze post gaat over wat het Majors Office of New Urban Mechanics (MONUM) in Boston verwacht van hen verwacht maar zelden aantreft. Het is de zesde aflevering van de serie Steden van de toekomst, de rol van digitale technologie.

Jascha Franklin-Hodge, voormalig hoofd van MONUM herinnert zich een ontmoeting met vertegenwoordigers van een Fortune 500 technologiebedrijf dat een offerte had uitgebracht om alle lantaarnpalen in de stad uit te rusten met camera’s en sensoren. Op de vraag of deze apparatuur haar waarde elders al had bewezen, was het antwoord dat het bedrijf het op prijs zou stellen als Boston dit zou onderzoeken. Het behoeft geen betoog dat de stad dit ‘aanbod’ resoluut heeft afgewezen. Het was een van de vele vermoeiende ontmoetingen met enthousiaste verkopers die ‘veelbelovende’ technologische oplossingen aanbieden, zonder enige kennis van stedelijke problemen. Naar aanleiding hiervan besloten Franklin-Hodge en zijn collega Nigel Jacob om de feedback die zij normaal aan deze mensen geven, te verwerken in een document dat ze konden delen met bedrijven. Dit werd het beroemde Boston Smart City Playbook[1], met als voornaamste boodschap technologie aan te bieden die mensgericht en probleemgestuurd is.

Hieronder neem ik het boekje door, waarbij ik elk hoofdstuk parafraseer (cursief) en becommentarieer.

Stop met het sturen van verkopers

De inleiding van het boekje verzucht, stuur ons iemand die verstand heeft van steden, iemand die met de bewoners wil praten over wat ze wel (en niet leuk!) vinden aan Boston. Het MONUM-team stelt het op prijs als technologen komen praten over thema’s die er toe doen, in plaats van goed voorbereide pitches af te vuren. Gedeeld inzicht in stedelijke problemen en de aard van oplossing daarvan is de enige manier om een langdurige relatie tussen het bedrijf en de stad tot stand te brengen. Het team zal ook vragen stellen over voorbeelden van hoe het product elders heeft gewerkt of gefaald en benadrukt dat minder succesvolle toepassingen elders goed kunnen zijn voor Boston.

Hierbij komt volgens mij dat vertegenwoordigers van technologiebedrijven wel eens vergeten dat hun gesprekspartners zelf technologen zijn, die vaak beter opgeleid zijn dan zijzelf. Het ontbreekt de gemeentelijke gesprekspartners vaak aan geslaagde voorbeelden van elders zij hopen oprecht dat vertegenwoordigers van een technologie daarin kunnen voorzien. Helaas blijkt dat zelden het geval.

De beste oplossing is eigenlijk pre-competitieve triple-helix samenwerking tussen vertegenwoordigers van gemeenten, kennisinstellingen en bedrijven. Samen kunnen ze elkaars kennislacunes compenseren.

Echte problemen voor mensen oplossen

Medewerkers van gemeenten hebben vaak het gevoel dat het hun collega’s van bedrijven ontbreekt aan betrokkenheid bij en kennis over de zorgen van gewone mensen. Daarom roept het Playbook hen op te praten met werknemers, werklozen, ondernemers, kunstenaars, burgergroepen, belangenorganisaties en architecten voordat ze MONUM bezoeken. Het team wil graag weten wat bedrijven tijdens deze gesprekken hebben geleerd en vooral waarom hun producten voor deze mensen het verschil gaan maken.

Zo’n opdracht is moeilijk. Burgers spreken zich snel uit over hun problemen en komen ook met oplossingen. Maar deze oplossingen hebben zelden een technologische component. Daarbij moeten de tech bedrijven ‘bruggen bouwen’ en burgers naar hun mening vragen. Zelfs als de burgers de waarde van de voorgestelde technologieën niet zien, kan het gemeentebestuur daar toch  vertrouwen in hebben als oplossing voor de lange termijn.

Steek niet onmiddellijk de loftrompet over efficiëntie

Efficiëntie moet deel uitmaken van de oplossing van elk probleem, aangezien steden eindige hulpbronnen en oneindige behoeften hebben. Efficiëntie is echter nooit een motief in de fase waarin alternatieve keuzen worden afgewogen. Zodra een keuze is gemaakt, is aan de orde hoe deze zo efficiënt mogelijk uitgevoerd kunnen worden.

Voorbarig over efficiëntie praten vloeit  vaak voort uit voorbij gaan aan onderliggende politiek standpunten. De vraag is altijd hoezo efficiënt? Op basis van welke criteria, voor welke doeleinden en in wiens belang? Zoals Ben Green schreef in ‘‘The smart enough city’ (p. 14): For those on the front lines, words like “better” and “more efficient” are the tip of an iceberg, below which sit the competing interests and conflicting values of the city and the people who live in it

Volgens mij geldt hetzelfde voor het te pas en te onpas gebruik van het adjectief ‘smart’.

Om een ​​competente partner te worden, moeten vertegenwoordigers van techbedrijven niet alleen bekend zijn met stedelijke problemen, maar ook met het actuele politieke debat en de missie van burgemeester en wethouders. Wie in de discussie over technologische oplossingen voor stedelijke problemen argumenten als ‘kostenbesparing’ en‘efficiëntiewinst’ als hoofdmotieven noemt, zal direct worden doorgevraagd over de echte baten en voor wie.

Betere beslissingen, niet (alleen) betere data

De prijs voor de aankoop van technologie moet direct worden betaald.  Vaak kan een stad pas in de toekomst hiervan de vruchten plukken. Het probleem is dat het succes van de aangeschafte technologie minstens even sterk zal afhangen van de manier waarop deze wordt ingezet. Dit is op zijn beurt afhankelijk van het gedrag van de betrokkenen. Deze moeten zich vaak aanpassen en er moet gericht gestuurd worden om gedragsverandering teweeg te brengen. Technologische innovatie gaat meestal hand in hand met sociale innovatie of in ieder geval met gedragsverandering. Dat kan bijvoorbeeld zijn doorbreken van schotten tussen afdelingen waarvan de gegevens moeten worden gedeeld. In essentie is de kwaliteit van de data afhankelijk van hun vermogen om beslissingen te verbeteren. Betere beslissingen moeten op hun beurt leiden tot meer tevredenheid bij alle betrokken stakeholders.

Mijns inziens, denken vertegenwoordigers van techbedrijven te weinig na over de ‘zachte kant’ van het doorvoeren van technologische veranderingen. Bovendien verwaarlozen ze ‘after sales’-contacten, die hen waardevolle informatie kan opleveren over de impact van organisatorische omstandigheden op technologische innovatie.

We weten niet wat we aan sensoren hebben 

In 2015 schreef Ross Atkin[2] als criticus van smart cities, zijn ‘Manifesto for the clever city‘. In de ‘clever city’ wordt technologie radicaal bottom-up ingezet om de problemen die gewone burgers ervaren met zo min mogelijk data en op een voor burgers begrijpelijke manier op te lossen. In de smart city worden vaak netwerken van sensoren voorgesteld die enorme hoeveelheden data verzamelen die mogelijk gebruikt kunnen worden om problemen op te lossen. Maar veel problemen waar mensen last van hebben, zoals vervuiling, stank en fijnstof, zijn al jaren bekend evenals de oorzaken daarvan: fabrieken, zwaar verkeer en ongezonde woningen. Het installeren van een uitgebreide sensornetwerk vertraagt ​dan de oplossing van deze problemen.

Bovendien riskeren gemeenten jarenlang vast te zitten aan oplossingen die bedrijven ontwikkeld hebben ,zolang er geen standaarden zijn of er geen garantie van interoperabiliteit is. Vertegenwoordigers van technologiebedrijven moet gevraagd worden naar wat de goedkoopste oplossing is om kritieke data te verzamelen is en ook wat de interoperabiliteit van deze oplossing is.

Privacy in de publieke ruimte

De politie monitort videocamera’s verspreid over de stad en vervoerders gebruiken gps-trackers om de locatie van bussen en treinen te detecteren. Aangezien het observeren van personen in de openbare ruimte snel toeneemt, is de vraag wat de ondergrens is van privacy van burgers die altijd gerespecteerd moet worden. Vertegenwoordigers van techbedrijven moeten worden bevraagd om de privacy-risico’s van hun technologieën expliciet te maken en ook of deze technologieën voldoen aan te stellen eisen op het gebied van dataminimalisatie.

Het is mijns inziens aan steden om zowel richtlijnen op te stellen met betrekking tot internetveiligheid, beveiliging van privacy en dataminimalisatie maar ook expliciet te maken welke middelen wenselijk zijn voor misdaadbestrijding en handhaving. De  ontwikkelen van dergelijke richtlijnen is ook een kans voor pre-competitieve samenwerking tussen steden, bedrijven en kennisinstellingen.

Ben Green, ook voormalig lid van het MONUM team en nu docent aan de School of Public Policy, Michigan University, verwijst in zijn al genoemde werk ‘The smart enough city’ ook naar het Smart City Playbook en benadrukt dat the last thing to happen is that technology is considered as imminent and inevitable, thus beyond dispute and deliberation (p. 7).

Technologie moet altijd gerechtvaardigd worden door haar bewezen bijdrage aan menselijk welzijn.

Follow-up

Het Boston Smart City Play Book maakt duidelijk dat techbedrijven, voordat ze ‘oplossingen’ kunnen bieden, vertrouwd moeten raken met stedelijke uitdagingen, bij voorkeur door directe contacten met belanghebbenden en burgers. Bovendien willen steden ook betrokken zijn bij de ontwikkeling van deze technologieën. 

Het Playbook gaf aanleiding tot een reeks onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten, bijvoorbeeld het Local Sense Lab[3], een losse groep sensortechnologen die sensoren en andere apparaten ontwikkelt met aantoonbare waarde voor inwoners van Boston.


[1] Boston Smart City Playbook

[2] Manifesto for the clever city

[3] Local Sense Lab

Verzamel betekenisvolle data en blijf ver weg van dataïsme.  

De vijfde aflevering van de reeks Bouwen aan duurzame steden: De rol van technologie gaat over de zin en onzin van big data. ‘Data is the new oil’ is het ergste cliché van de big data-hype tot nu toe. Nog erger dan ‘datagedreven beleid’. Ik dit artikel onderzoek ik – met digital twins als rode draad – wat de bijdrage van data aan stedelijk beleid kan zijn en hoe dataïsm, een religie die zelf de beleidsbepaling overneemt, kan worden voorkomen (lees hierover vooral Harari: Homo Deus).

Ik ben een tevreden gebruiker van een Sonos geluidssysteem. Toch moet de helpdeks er een enkele keer aan te pas komen. Nog onlangs en toen wist de helpdesk na vijf minuten dat mijn probleem het gevolg was van een defecte verbindingskabel tussen het modem en de versterker. Wat bleek, de helpdesk kon op afstand een digitale afbeelding genereren van de componenten van mijn geluidssysteem en hun verbindingen en zag dat de bewuste kabel geen signaal doorgaf. Een eenvoudig voorbeeld van een digital twin. Ik was er blij mee. Maar waar ligt de grens tussen zin en onzin van verzamelen van massa’s data.

Wat is een digital twin. 

Een digital twin is een digitaal model van een object, product of proces[2]. In mijn opleiding tot sociaal geograaf heb ik veel met kaarten te maken gehad, de oudste vorm van ‘twinning’. Kaarten hebben de basis gelegd voor GIS-technologie, die weer de basis is van digital-twins.   Geografische informatiesystemen relateren uiteenlopende data op basis van geografische locatie en maken hun samenhang in de vorm van een model inzichtelijk.  Als dit model met behulp van sensoren permanent met de werkelijkheid wordt verbonden, dan komen de dynamiek in de werkelijkheid en die in het model overeen en spreken we van een ‘digital twin’. Zo’n dynamisch model kan worden gebruikt voor simulatiedoeleinden, toezicht op en onderhoud van machines, processen, gebouwen, maar ook veel grootschaliger entiteiten, bijvoorbeeld het Nederlandse elektriciteitsnet.

Van data naar inzicht

Elke wetenschapsbeoefenaar weet dat data onmisbaarheid zijn, maar weet ook dat er een lange weg is te gaan voordat data tot kennis en inzicht leiden. Die weg begint nog voordat data worden verzameld. De eerste stap zijn aannames over het wezen van de werkelijkheid en dus ook de mogelijkheid om deze te kennen. Hierover is de nodige discussie gevoerd binnen de wetenschapsfilosofie, waaruit in het kort twee standpunten zijn gekristalliseerd, een systeembenadering en een complexiteitsbenadering. 

De systeembenadering gaat uit van de veronderstelling dat de realiteit bestaat uit een stabiele reeks van acties en reacties waarin naar wetmatige verbanden gezocht kan worden. Tegenwoordig neemt bijna iedereen aan dat dit alleen geldt voor fysische en biologische verschijnselen. Toch wordt er ook gesproken van sociale systemen. Het gaat dan niet om wetmatige samenhangen, maar om generaliserende aannames over menselijk gedrag op een hoog aggregatieniveau. De ‘homo economicus’ is daar een goed voorbeeld van. Op basis van zulke aannames kunnen ook conclusies worden getrokken hoe gedrag te beïnvloeden is.

De complexiteitsbenadering – die overigens ook een natuurwetenschappelijke achtergrond heeft – ziet de (sociale) werkelijkheid als een complex adaptief proces dat ontstaat uit ontelbare interacties, die – als het om menselijk handelen gaat – worden gevoed door uiteenlopende motieven. In dat geval wordt het veel moeilijker om generieke uitspraken te doen op een hoog aggregatieniveau en zullen interventies een minder voorspelbaar resultaat hebben. 

Verkeersmodellen

Verkeersbeleid is een goed voorbeeld om het onderscheid tussen een proces- en een complexiteitsbenadering te illustreren. Simulatie met behulp van een digital twin in Chattanooga[3] van het gebruik van flexibele rijstrooktoewijzing en fasering van de verkeerslichten, wees uit hierdoor de congestie met 30% kon afnemen[4]. Had men dit experiment in werkelijkheid uitgevoerd, dan was het resultaat waarschijnlijk heel anders geweest. Verkeersdeskundigen merken keer op keer op dat elke nieuw geopende weg na korte tijd vol slipt, terwijl het verkeersbeeld op andere wegen nauwelijks verandert. In de econometrie heet dit verschijnsel geïnduceerde vraag. In een onderzoek naar stedelijke verkeerspatronen tussen 1983 en 2003, stelden de economen Gilles Duranton en Matthew Turner vast dat autogebruik evenredig toeneemt met de groei van de wegcapaciteit. Dit is alleen te begrijpen vanuit een complexiteitsbenadering: Elke weggebruiker reageert namelijk anders op de opening of afsluiting van een weg. Die reactie kan zijn de rit naar een ander tijdstip te verplaatsen, een andere weg te gebruiken, met iemand anders mee te rijden, het openbaar vervoer te gebruiken of af te zien van de rit. 

Carlos Gershenson[5], een Mexicaanse computerspecialist, heeft verkeersgedrag onderzocht vanuit een complexiteitsbenadering en hij concludeert dat zelfregulering de beste manier is om congestie aan te pakken en de capaciteit van wegen maximaal te benutten. Als de gesimuleerde ingrepen in het verkeer in Chattanooga in werkelijkheid waren uitgevoerd, dat hadden duizenden reizigers binnen korte tijd hun rijgedrag aangepast. Zij waren de ‘smart highway’ gaan uitproberen, en als gevolg van geïnduceerde vraag, zou de congestie daar binnen de kortste tijd toenemen tot op het oude niveau. Iemand die het effect van verkeersmaatregelen zichtbaar wil maken met een digital twin, moet deze voeden met resultaten van onderzoek naar het geïnduceerde-vraageffect, in plaats van alleen historische verkeersdata te manipuleren.

De waarde van digital twins

Digital twins bewijzen hun waarde bij het nabootsen van fysieke systemen, dus processen met een parametrisch verloop. Het gaat dan bijvoorbeeld om de werking van een machine, of in een stedelijke context, de relatie tussen de hoeveelheid UV-licht, de temperatuur, de wind(snelheid) en het aantal bomen per oppervlakte-eenheid. Zo onderzoekt men in Singapore met behulp van digital twins hoe hitte-eilanden in de stad ontstaan en hoe hun effect verminderd kan worden[6]. De luchthaven Schiphol beschikt over een digital twin, die alle bewegende onderdelen op het vliegveld zoals rolbanden en -trappen toont. Daarmee kunnen monteurs in geval van storing onmiddellijk aan het werk[7]. Of de kosten van de bouw van zo’n model opwegen tegen de baten is niet bij voorbaat te zeggen.  Vaak ontwikkelen digital twins zich van klein naar groot, gestuurd door gebleken behoeften. 

Ook Boston heeft in 2017, met technische ondersteuning van ESRI, een digital twin van een deel van de stad ontwikkeld[8].  Er is een beperkt aantal processen in een virtueel 3D-model samengevoegd. Een daarvan is de schaduwvorming als gevolg van de hoogte van gebouwen.  Een van de geliefde groene ruimten in de stad is de Boston Common.  Het is al decennia gelukt om de ontwikkeling van hoogbouw langs de randen van het park en daarmee het beschaduwen ervan te beperken. Keer op keer komen projectontwikkelaars met nieuwe voorstellen voor hoogbouw. Met de digital twin kan het effect van de schaduwwerking van deze gebouwen worden gesimuleerd bij verschillende weersomstandigheden en in verschillende seizoenen (zie titelafbeelding). De digital twin is online te raadplegen, zodat iedereen deze en andere effecten van stedenbouwkundige ingrepen, thuis kan bekijken.

Vragen vooraf

Aan de bouw van een digital twin gaan drie vragen vooraf. In de eerste plaats wat de gebruiker ermee wil bereiken, vervolgens welke processen erbij betrokken gaan worden en welke kennis er van die processen en hun samenhang bestaat. Chris Andrews[9], als stedenbouwkundige werkzaam aan het ESRI ArcGIS platform, benadrukt de noodzaak om het aantal elementen in een digital twin te beperken en vooraf het verband ertussen te beredeneren: To help limit complexity, the number of systems modeled in a digital twin should likely be focused on the problems the twin will be used to solve.

Zowel het voorbeeld van de verkeersprognoses in Chattanooga, de vorming van warmte-eilanden in Singapore als het beschaduwen van de Boston Common laten zien dat onbewerkte data ontoereikend zijn om een digital twin te voeden. In plaats daarvan worden data gebruikt die het resultaat zijn van wetenschappelijk onderzoek, waarbij de onderzoeker zich tevens heeft afgevraagd of een systeem- dan wel een complexiteitsbenadering op zijn plaats is. In de woorden van Nigel Jacob, voormalig Chief Technology Officer in Boston: “For many years now, we’ve been talking about the need to become data-driven… But there’s a step beyond that. We need to make the transition to being science-driven in …… It’s not enough to be data mining to look for patterns. We need to understand root causes of issues and develop policies to address these issues.” 

Digital twins zijn waardevolle hulpmiddelen. Maar als zij gevoed worden met onbewerkte data, geven ze hooguit zicht op statistische verbanden en elke wetenschapper weet hoe gevaarlijk het is om daar conclusies uit te trekken: Trash in, trash out. 

Naarmate digitale tweelingen volwassen worden en meer vitale functies van steden in realtime vastleggen, rijst de vraag of dit de besluitvorming altijd zal verbeteren. Stedelijke maatschappelijke vraagstukken zijn ‘wicked problems’: Er zijn veel belanghebbenden met concurrerende belangen, uiteenlopende macht en invloed en incompatibele logica’s. Tegen deze achtergrond boeten meer data, snellere computers en ‘optimale’ oplossingen al snel in aan betekenis.


[1] https://singularityhub.com/2018/09/30/the-rise-of-dataism-a-threat-to-freedom-or-a-scientific-revolution/

[2] Digital Twins Haskoning

[3] Digital twins Future urban planning

[4] Digital Twins React to changes

[5] https://www.quantamagazine.org/complexity-scientist-beats-traffic-jams-through-adaptation-20200928/

[6] https://www.bloomberg.com/news/features/2020-12-01/singapore-climate-change-reducing-heat-takes-trees-and-technology

[7] Esri: Digital twin

[8] Boston digital twin 3D GIS

[9] https://www.esri.com/about/newsroom/arcuser/arcgis-a-foundation-for-digital-twins/

Digitale sociale innovatie: Welzijn voorop

De vierde aflevering in de reeks “Bouwen aan duurzame steden; de bijdrage van digitale technologie” gaat over digitale sociale innovatie en betreft mensen die met digitale middelen de samenleving willen laten gedijen en het milieu doen ontzien.

Digitale sociale innovatie – ook wel smart city 3.0 genoemd – biedt een vooralsnog bescheiden tegenwicht tegen de groeiende dominantie en de desondanks achterblijvende beloften van ‘Big Tech’.  Het gaat om “a type of social and collaborative innovation in which final users and communities collaborate through digital platforms to produce solutions for a wide range of social needs and at a scale that was unimaginable before the rise of Internet-enabled networking platforms.” 

Digitale innovatie in Europa heeft een boost gekregen door het EU-project Growing a digital social Innovation ecosystem for Europa (2015 – 2020) waaraan voor Nederland De Waag Society in Amsterdam participeerde. Een van de verworvenheden is een database van meer dan 3000 betrokken organisaties en bedrijven. Het is doodzonde dat deze database na het beëindigen van het project niet meer wordt bijgehouden en – zoals ik heb ervaren – snel aan actualiteit inboet. 

Veel organisaties en projecten kennen onderlinge verbindingen, doorgaans rond een ‘hub’. Behalve de Waag Society, zijn dat voor Europa, Nesta, Fondazione Mondo Digitale en het Institute for Network Cultures. Voor nieuwe projecten zijn deze vier organisaties ook uitstekende adviseurs. Belangrijke websites zijn: digitalsocial.eu (niet meer onderhouden) en de meer op bedrijven ingestelde techforgood

Een diversiteit aan invalshoeken

Om het veld van digitale innovatie beter te leren kennen kunnen verschillende invalshoeken worden gebruikt:

  • De aandacht voor uiteenlopende vraagstukken zoals energie en klimaat, lucht- en geluidsoverlast, gezondheidszorg en welzijn, economie en werk, migratie, politieke betrokkenheid, betaalbare huisvesting, sociale cohesie, onderwijs en vaardigheden.
  • De veelheid van hulpmiddelen variërend van open hardware kits voor het meten van luchtvervuiling, apparaten voor recycling van plastic, 3D printers, open data, open hardware en open kennis. Verder: social media, crowdsourcing, crowdfunding, big data, machine learning et cetera.
  • De verscheidenheid aan typen projecten: Webservices, netwerken, hardware, doen van onderzoek, adviseren, campagnes en evenementen, cursussen en trainingen, onderwijs en onderzoek.
  • Het uiteenlopende karakter van betrokken organisaties, ngo’s, not-for-profit organisaties burgerinitiatieven, onderwijs- en onderzoekinstellingen, gemeenten en in toenemende mate sociale en maatschappelijke ondernemingen.  

Deze vier invalshoeken komen hierna slechts aan de orde via de gekozen voorbeelden.

De nadruk ligt op een vijfde invalshoek, namelijk de verscheidenheid van doelstellingen van de betrokken organisaties en projecten.

Vervolgens sta ik stil bij hoe gemeenten digitale sociale innovatie kunnen stimuleren. Maar eerst de vraag wat de betrokken organisaties gemeen hebben. 

Een gemeenschappelijke noemer

Een aantal van deze organisaties heeft in 2017 het Manifesto for Digital Social Innovation opgesteld en daarin een aantal centrale waarden benoemd: Openheid en transparantie, democratie en decentralisering, experimenteren en adoptie, digitale vaardigheden, multidisciplinariteit en duurzaamheid. Deze geven betekenis aan de drie componenten van het begrip digitale sociale technologie:

Maatschappelijke vraagstukken. 

De veelheid aan thema’s van projecten op het gebied van digitale sociale innovatie is al vermeld. Binnen al deze thema’s neemt het perspectief van sociale ongelijkheid, diversiteit, menselijke waardigheid en gender een belangrijke rol in. In toepassingen op het gebied van stedenbouw verschuift hierdoor de aandacht deels van de fysieke omgeving naar de sociale omgeving: We’re pivoting from a focus on technology, IoT and data to a much more human-centered process, in de woorden van Emily Yates, smart cities director van Philadelphia.

Innovatie

Ben Green schrijft in zijn boek ‘The smart enough city’: One of the smart city’s greatest and most pernicious tricks is that it …. puts innovation on a pedestal by devaluing traditional practices as emblematic of the undesirable dumb city.’(p. 142). In digitale sociale innovatie verwijst de term innovatie verwijst innovatie eerder naar implementeren, experimenteren, verbeteren en opnieuw assembleren.  

(Digitale) technologie

Technologie is geen neutrale gereedschapskist die voor alle doelen gebruikt of misbruikt kan worden. Ben Green: We must ask, what forms of technology are compatible with the kind of society we want to build (p. 99). Gangbare technologieën hebben vorm gekregen vanuit commerciële of militaire doelstellingen. Technologieën die bijdragen aan ‘the common good’ moeten deels nog ontwikkeld worden. Aanhangers van digitale sociale innovatie benadrukken het belang van een robuust Europees open, universeel, gedistribueerd, privacy-bewust en neutraal peer-to-peer netwerk als platform voor alle vormen van digitale sociale innovatie.

Doelstellingen en focus

Als het om doelstelling of focus gaat, kunnen vijf typen projecten worden onderscheiden: (1) Nieuwe productietechnieken (2) zeggenschap (3) samenwerking (4 bewustmaking en (5) streven naar open access.

1. Nieuwe productietechnieken

Een groeiende groep ‘makers’ zorgt voor een revolutie in open ontwerp. 3D-productietools CAD/CAM-software is niet duur of beschikbaar in ‘fab labs’ en bibliotheken. Waag Society in Amsterdam is er een van de vele instellingen die een fab lab hosten. Dit wordt onder andere gebruikt om digitale sociale innovaties te ontwikkelen. Een voorbeeld was een 3D-geprinte prothese van $50 bestemd voor gebruik in ontwikkelingslanden.

2. Zeggenschap

Met behulp van digitale technologie kunnen burgers massaal deelnemen aan besluitvormings. In Finland mogen burgers voorstellen aan het parlement voorleggen.  Open Ministry ondersteunt burgers bij het maken van een ontvankelijk voorstel en verder bij de verwerving van de minimaal vereiste 50.000 stemmen. Open Ministry maakt nu deel uit van het Europese D-CENT-project een gedecentraliseerd sociaal netwerkplatform dat tools heeft ontwikkeld voor grootschalige samenwerking en besluitvorming in heel Europa.

3. Samenwerking

Het gaat om mensen in staat stellen om vaardigheden, kennis, voedsel, kleding, huisvesting uit te wisselen, maar omvat ook nieuwe vormen van crowdfunding en financiering gebaseerd op reputatie en vertrouwen. De deeleconomie is hard op weg een belangrijke economische factor te worden. Ook zijn wereldwijd duizenden alternatieve betaalmiddelen in gebruik.  In Oost-Afrika opent M-PESA (een mobiel financieel betalingssysteem) voor negen miljoen mensen de toegang tot beveiligde financiële diensten te worden. Goteo is een sociaal netwerk voor crowdfunding en samenwerking bij gezamenlijke die bijdragen aan het algemeen belang.

4. Bewustwording

Dit zijn instrumenten die informatie willen gebruiken om gedrag te veranderen en collectieve actie te mobiliseren. Tyzeis een besloten en online community voor familie, vrienden, buren en zorgprofessionals om rond een cliënt de onderlinge betrokkenheid te versterken en afspraken te maken, bijvoorbeeld voor bezoek. Safecast is de naam van een zelfgebouwde geigerteller waarmee een wereldwijde gemeenschap stralingsmetingen verricht en zo bewustzijn helpt vergroten in straling en (binnenkort) de aanwezigheid van fijnstof.

5. Open Access 

De open access-beweging (inclusief open inhoud, standaarden, licenties, kennis en digitale rechten) wil burgers mondiger maken. De City Service Development Kit (CitySDK) is een systeem dat open data van overheden verzamelt om deze uniform en realtime beschikbaar te stellen.  CitySDK helpt zeven Europese steden om hun data vrij te geven en biedt tools om digitale diensten te ontwikkelen. Het helpt steden ook te anticiperen op de steeds groter wordende technologische mogelijkheden, bijvoorbeeld een plattegrond waarop alle 9.866.539 gebouwen in Nederland zijn weergegeven, gearceerd volgens bouwjaar. Github is een platform voor samenwerking door inmiddels miljoenen open softwareontwikkelaars en draagt bij aan de een re-decentralisatie van de manier waarop code wordt gebouwd, gedeeld en onderhouden.

Ondersteuning door steden

Steden kunnen organisaties die digitale sociale innovaties nastreven in veel opzichten ondersteunen bij de aanpak van problemen. Ze kunnen zelf ook projecten op dat gebied starten. 

Er is wel een aantal voorwaarden.

  • Stedelijke problemen zijn altijd gecompliceerd, tegenstrijdig en verbonden met belangen en kennen zelden enkelvoudige oplossingen. Daarom moeten digitale sociale projecten, net als alle andere projecten, goed doordacht worden ingebed en hun raakvlakken met de andere aspecten van het beleid worden verkend.
  • De inzet van technologie, dus ook die in het kader van digitale sociale innovatie dient zich naadloos te voegen naar de stedelijke agenda, in plaats van dat er problemen worden geformuleerd die aansluiten bij verleidelijke technologieën 
  • De stedelijke agenda is onderdeel van een maatschappelijk krachtenveld gekenmerkt door een veelheid van vaak tegengestelde of ‘schurende’ inzichten, wensen en belangen. Digitale sociale projecten kunnen tegenwicht bieden aan de machtsverschillen tussen stakeholders en zo de stad rechtvaardiger, inclusiever en democratischer en de bewoners gelukkiger maken.
  • Digitale sociale projecten – maar zij niet alleen – kunnen een onderdeel zijn van het streven om uiteenlopende groepen binnen de stad ‘uit te dagen’ om problemen aan te pakken en te experimenteren.

Gegeven deze uitgangspunten is er een aantal manieren op digitale sociale innovatieve projecten te stimuleren. Gemeenten die dit willen kunnen veel baat hebben van de uitgebreide lijst van voorbeelden in de Digital Social Innovation Ideas Bank, An inspirational resource for local governments.

Financiering

Rechtstreekse ondersteuning door middel van subsidies, kopen van aandelen, leningen, social impact bonds, maar ook competities en matching, waarbij de gemeente het door de organisatie, bijvoorbeeld via crowdfunding verkregen kapitaal, verdubbeld. Een voorbeeld van een door de gemeente gefinancierd project is Amsterdammers, maak je stad.

Samenwerking

Betrokkenheid bij een project, variërend van gezamenlijke verantwoordelijkheid en daarmee veelal ook bijdrage in de kosten tot materiële ondersteuning door beschikbaar stellen van ruimte en vormen van dienstverlening, zoals in het geval van Maker Fairs of het Unusual Suspects Festival. Gemeenten kunnen ook samen een project oprichten en ondersteunen, zoals bijvoorbeeld Cities for Digital Rights. Een goed voorbeeld zijn de honderden commons in Bologna, waaraan de gemeente een deel van haar taken delegeert.

Inkoopbeleid

Projecten op het gebied van digitale sociale innovatie hebben een aanbod van bruikbare software opgeleverd, op tal van gebieden waaronder de verbetering van de communicatie met burgers en hun betrokkenheid bij het beleid. Consul is voor het eerst gebruikt in Madrid, maar heeft zijn weg gevonden naar 33 landen en meer dan 100 steden en bedrijven, en wordt gebruikt door meer dan 90 miljoen personen. In veel gevallen is er ook lokaal aanbod. Een alternatief is Citizenlab

Infrastructuur

Gemeenten zouden ernstig moeten overwegen een fab lab in te richten of te ondersteunen. Fab Foundation is hierbij behulpzaam. Een ander voorbeeld is the Things Network en de Smart citizen kit. Beide zijn open tools waarmee burgers en ondernemers een IoT-toepassing tegen lage kosten kunnen bouwen. Deze voorzieningen kunnen ook worden gebruikt om met burgers in een buurt lawaaioverlast, lichtvervuiling of stank te gaan meten, zonder dat er een kostbaar sensornetwerk aangelegd hoeft te worden.

Training van vaardigheden

Gemeenten kunnen burgers en scholieren gerichte programma’s aanbieden voor het trainen van digitale vaardigheden, of organisaties ondersteunen die dit kunnen uitvoeren, via een combinatie van fysieke en digitale middelen. Een van de opties is het programma leugendetector, ontwikkeld door een non-profit organisatie die jonge kinderen leert manipulatieve informatie op (sociale) media te herkennen en te weerstaan.

Incubaters en accelerators

Dit soort organisaties treffen we vooral aan in de wereld van startups, waarvan overigens ook een aantal een maatschappelijke impact heeft. Ook voor jonge DSI-organisaties zijn gerichte begeleidingsprogramma’s aanwezig. In Nederland is dat de Waag Society in Amsterdam. Een typische ‘tech for  good’ incubator in het VK is Bethnal Green Ventures. Een organisatie die ook het Nederlandse Fairphone heeft helpen groeien. In Nederland zijn verder verschillende startup in residence-programma’s actief die ook een rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van DSI-organisaties.

Een digitaal-sociaal innovatief moonshot naar bruto menselijk geluk

Het is af en toe nodig om vooruit te denken en beleidsmakers wakker te schudden en daarbij de vraag naar de implementatie even opzij te zetten.  Een mooi voorbeeld daarvan vanuit een digitaal sociaal innovatie perspectief is het moonshot dat Jan-Willem Wesselink (Future City Foundation), Petra Claessen (BTG/TGG). Michiel van Willigen en Wim Willems (G40) en Leonie van den Beuken (Amsterdam Smart City) in het kader van ‘Missie Nederland’ van de Volkskrant[1] hebben geschreven. Met dit stuk kunnen heel wat DSI-organisaties aan de slag! Ik eindig met de hoofdpunten hiervan:

In 2030 …

… is geen enkele Nederlander meer digibeet, in plaats daarvan is elke Nederlander digitaal vaardig.

… heeft elke inwoner van Nederland toegang tot hoogwaardig internet. Dat betekent dat elk huis wordt aangesloten op snel vast en mobiel internet en elk huishouden in staat is om apparaten te kopen waarmee toegang mogelijk is. Een goede laptop is net zo belangrijk als een goede koelkast.

… wordt het internet op een nieuwe manier gebruikt. Toepassingen (software en hardware) worden vanuit de gebruikers gemaakt. Met als uitgangspunt dat iedereen ze kan gebruiken. Programma’s en de daarvoor benodigde algoritmen worden zo geschreven dat ze ten dienste staan van de samenleving en niet van het bigtech-bedrijfsleven.

… heeft elke inwoner van Nederland een ‘self-sovereign-identity’ waarmee ze vrij, binnen de context van hun eigen grenzen, digitaal kunnen opereren en acteren.

… is nieuwe technologie ontwikkeld die de inwoners en bedrijven de kans mee te denken en beslissen over en mee te ontwikkelen en handelen aan welzijn regio’s, steden en dorpen.

… hebben alle Nederlandse politici verstand van digitalisering en technologisering.

… is het Nederlandse bedrijfsleven leidend in de ontwikkeling van deze oplossingen.

… zorgt dit alles voor meer welzijn en niet alleen voor meer welvaart.

… is het internet weer van ons.

Een wat uitgebreidere toelichting tref je aan onder deze link

https://amsterdamsmartcity.com/moonshot


[1] https://www.volkskrant.nl/wetenschap/niemand-nog-laaggeletterd-en-nederland-co2-negatief-dit-zijn-de-zes-winnende-inzendingen-van-missie-nederland~bc7a2cf7/

Tien jaar smart city-technologie marketing

De derde aflevering van de reeks ‘Bouwen aan duurzame steden. De bijdrage van digitale technologie’ gaat over de opkomst van de smart city-beweging, de verschillende vormen die deze heeft aangenomen en wat de toekomst ervan kan zijn.

De term smart city duikt op in het laatste decennium van de 20e eeuw[1]. De meeste definities verwijzen naar het gebruik van (digitale) technologie als een manier om het burgers makkelijker te maken, om economische groei te stimuleren en om investeringen aan te trekken. Sommigen voegen hier nog aan toe als een middel om Big Tech te verrijken.

Barcelona, ​​Ottawa, Brisbane, Amsterdam, Kyoto en Bangalore behoren tot de voorlopers van steden die zichzelf ‘smart’ noemden. In 2013 waren er wereldwijd ongeveer 143 zelfbenoemde ‘slimme steden’. Tot op heden is dit aantal geëxplodeerd naar meer dan 1000.

Vijf ‘smart city’ verhalen

In hun artikel Smart cities as company story telling documenteren Ola Söderström et al. hoe technologiebedrijven de smart city hebben gemodelleerd als een fictief verhaal dat de problemen van grote steden zodanig weergeeft dat zij deze kunnen oplossen[2]. Sindsdien doen er verschillende versies van dit verhaal de ronde, wat heeft geresulteerd in wat ik de smart city tales heb genoemd[3]. Ik ga hieronder in op vijf dominante voorbeelden: de verbonden stad, de stad voor ondernemers, de datagedreven stad, de digitale dienstenstad en de stad van de consument.

De verbonden stad

Op 4 november 2011 is het handelsmerk smarter cities officieel geregistreerd als eigendom van IBM. Deze daad markeerde een periode waarin het bedrijf de leider werd van de smart city-technologiemarkt. Andere technologiebedrijven, zoals Cisco en Siemens volgden snel, aangetrokken door een verwachte groei van deze markt met 20% per jaar van meer dan $ 300 miljard in 2015 tot meer dan $ 750 miljard nu[4]. In de IBM-visie zijn steden systemen van systemen: plannings- en beheerdiensten, infrastructurele diensten en sociaaleconomische diensten, die elk uit verschillende onderdelen bestaan. In een smart city worden deze diensten in het oog gehouden en bestuurd vanuit één centraal punt. Zie het iconische controlecentrum dat IBM voor Rio de Janeiro bouwde (titelfoto). Alle systemen zijn idealiter gekenmerkt door drie begrippen, die de harde kern van een smart city vormen: geïnstrumenteerd, onderling verbonden en intelligent[5].

De stad voor ondernemers

Op veel plaatsen in de wereld, voornamelijk in opkomende en ontwikkelingslanden, dromen bestuurders van het bouwen van smart cities uit het niets. Zij zien het predicaat smart als een belangrijk marketinginstrument voor het aantrekken van buitenlandse bedrijven.

Gale, een internationaal vastgoed bedrijf en Cisco werden de ontwikkelaars van New Songdo in Zuid-Korea. New Songdo was in eerste instantie bedoeld als bedrijvenpark met daarbij een stedelijke omgeving om zakenmensen uit het buitenland een luxe levensstijl te bieden. Vandaar met huizen vol technische gadgets, aantrekkelijke parken, volledig ingerichte kantoorruimten en uitstekende verbindingen met het buitenland.

Veel andere landen namen soortgelijke initiatieven om buitenlands kapitaal en experts aan te trekken en om de economische groei te stimuleren. India bijvoorbeeld, dat bezig is met de bouw van mogelijk 100 smart cities.

De datagedreven stad

In het derde verhaal staat centraal het verzamelen en analyseren van gegevens door technologiebedrijven die zij ‘aftappen’ uit de onderlinge communicatie van burgers via internet en mobiele telefoons. Google was bij de eerste bedrijven die de onbegrensde mogelijkheden zag om zijn enorme kennis van consumentengedrag te integreren met informatie uit een stedelijke ontwikkeling.

Sidewalk Labs – opererend onder de paraplu van Alphabet – won een prijsvraag om voorstellen in te dienen voor de herontwikkeling van Quayside, een verlaten deel van de oude haven van Toronto[6]. De plannen waren in lijn met het hedendaagse stedenbouwkundige denken. Dat was echter niet het eerste motief van Sidewalk Labs. In plaats daarvan ging het er vooral om veel mogelijk data te verzamelen van bewoners en bezoekers aan het gebied om de toch al enorme verzameling gepersonaliseerde profielen van Google uit te breiden met kennis van waar mensen zijn, wat ze willen of doen om hen daarmee te voorzien van op de plaats toegesneden commerciële informatie[7].

Het is niet verwonderlijk dat privacy kwesties de discussie over de verdiensten van het stedelijke plan domineerden[8]. De meeste waarnemers geloven daarom dat dit de reden is waarom Sidewalk Labs de stekker in mei 2020 uit het project trok. De officiële reden was de terughoudendheid van investeerders vanwege Covid-19.

De smart city van de consument

Het vierde verhaal draait om de groei van technologie vooral gericht op consumenten. Amazon, Uber en Airbnb lopen daarbij voorop en zij hebben de detailhandel, het traditionele taxibedrijf en het hotelwezen danig ontwricht. Ze introduceerden een platformbenadering die uiteindelijk de middenklasse in de VS decimeerde. Anderen sectoren volgden, bedrijven die deelfietsen en deelscooters beschikbaar stellen. Maar ook maaltijdbezorgdiensten zoals Delivero.

City tech belichaamt de invloed van ondernemerschap ondersteund door durfkapitalisten en tegelijkertijd de noodzaak voor stadsbesturen om kader te creëren om deze initiatieven te beheren.

De slimme diensten-stad 

Dankzij tal van ‘apps’ begonnen stadsbesturen en andere organisaties een schat aan informatie en diensten aan te bieden op het gebied van werkgelegenheid, huisvesting, administratie, mobiliteit, gezondheid, veiligheid en nutsvoorzieningen. Met deze apps kunnen stadsbestuurders, vervoersautoriteiten, nutsbedrijven en vele anderen burgers beter dan voorheen informeren. Burgers kunnen er ook vragen mee stellen of een verzoek indienen om kapot straatmeubilair te repareren.

Sommige steden, zoals Barcelona en Madrid, gebruiken digitale technologie om de betrokkenheid van het publiek te vergroten, of om mensen een stem te geven bij besluitvorming of budgettering.

Alle bovenstaande verhalen suggereren een nauw verband tussen technologie en het welzijn van burgers en symboliseren daarmee een nieuwe vorm van door technologie mogelijk gemaakte stedelijke utopie. Elk verhaal beginnen met een verheerlijking van beschikbare technologie en komt vervolgens een winstgevende toepassing daarvan. 

De nabije toekomst: Groeiende weerstand of een tweede golf van smart cities

Het is onmiskenbaar dat leiders van bedrijven, met het oog op een miljardenmarkt voor smart city-technologie, de baten voor de betrokken steden overdrijven. Vuilniscontainers met ingebouwde sensoren en adaptieve straatverlichting zijn toch ook weer niet zo geweldig en de overal verschijnende sensoren roepen veel vragen op.

Volgens The Economist is het niet verwonderlijk dat er sprake is van een groeiende weerstand.

In mijn vorige post schreef ik dat politici kritischer zijn gaan staan tegenover kolossen als Google, Amazon en Facebook, vanwege hun behandeling van gevoelige gegevens, hun gebrek aan transparantie van op algoritmen gebaseerde besluitvorming, hun winsten en belastingontduiking en de gig economie in het algemeen. Bij het grote publiek veranderde onverschilligheid in groeiende scepsis. 

Toch komt er een tweede golf van smart cities aan. In de eerste golf ontbraken openheid, ethische reflectie en respect voor privacy. In de tweede golf neemt het streven naar het gebruik van ethische overwegingen en de intentie om de privacy te beschermen een belangrijke plaats in.

Bij voornemens mag het niet blijven, de politiek zal ook monopolies van Big Tech moeten bestrijden.

Om het vertrouwen van het grote publiek te winnen, moet de politiek bovendien de problemen waarvoor steden staan bespreken met bewoners, (kennis)instellingen en andere belanghebbenden voordat uiteenlopende technische middelen worden ingezet. Governance gaat vooraf aan technologie. Zoals Francesca Bria, voormalig Chief Technology Officer van Barcelona zei: We draaien het smart city-paradigma om. In plaats van uit te gaan van technologie en alle beschikbare gegevens te verzamelen voordat we nadenken over hoe deze te gebruiken, zijn we begonnen met het afstemmen van de technologie agenda op de agenda van de stad[9].

Dit gebeurt behalve in Barcelona ook in steden als In steden als Amsterdam, Boston, Portland en de Poolse stad Lublin. De vraag is niet langer welke problemen de technologie gaat oplossen, maar wat deze problemen precies zijn, wie ze mag definiëren, wat de oorzaken zijn, wiens belangen er mee gemoeid zijn, wie het meest getroffen wordt en welke het meest dringend moeten worden opgelost. Pas na beantwoording van deze vragen kan de discussie worden uitgebreid naar de bijdrage van (digitale) technologie.

In de volgende post verken ik digitale sociale innovatie, als bijdrage aan een nieuw smart city-concept.

Deze post is deels korte samenvatting van mijn artikel Humane by choice. Smart by default: 39 building blocks for cities in the future, gepubliceerd in het Journal of the American Institution of Engineers and Technology, in juni 2020. Wie dat wil, kan het artikel via de onderstaande link downloaden.

https://www.dropbox.com/s/3rmrwnzdoph114w/SMC-2020-0030-FINAL.pdf?dl=1


[1] Robert Hollands: ‘Will the Real Smart City Please Stand Up?: Intelligent, Progressive, or Entrepreneurial?,” City: Analysis of Urban Trends, Culture, Theory, Policy, Action 12: 3 (2008) 303–320.

[2] Söderström, O., Paasche, T., Klauser, F.: ‘Smart cities as corporate storytelling’, City: Anal. Urban Trends, Culture, Theory, Policy, Action, 2014, 18, (3), pp. 307–320

[3] Herman van den Bosch: De Smart City Idee. Op zoek naar de inclusieve stad: 24 korte essays. Dit e-boek kan hier worden gedownload: https://www.dropbox.com/s/vdu800akjkgxby0/2018%2008%2025%20De%20smart%20city%20idee%201.2.pdf?dl=0

[4] http://futurecities.catapult.org.uk/wp-content/uploads/2017/11/GRSCS-Final-Report.pdf

[5] C. Harrison, B. Eckman, R. Hamilton, P. Hartswick, J. Kalagnanam, J. Paraszczak, and P. Williams, “Foundations for Smarter Cities,” IBM Journal of Research and Development 54: 4 (2010) 1–16. doi: 10.1147/JRD.2010.2048257

[6] https://goo.gl/6Qwbqe

[7] https://bloximages.newyork1.vip.townnews.com/wsmv.com/content/tncms/assets/v3/editorial/f/1b/f1bc6c94-a539-11e8-905a-136f4f930796/5b7bff66f1d7a.pdf.pdf

[8] https://medium.com/@atheist_cvnt/googles-smart-city-of-surveillance-faces-privacy-rights-resistance-in-toronto-eab2686447b6

[9] http://www.wired.co.uk/article/barcelona-decidim-ada-colau-francesca-bria-decode

Laat kinderen meedelen in de ruimte (4): De kindvriendelijke stad.

Onlangs hebben Henk Donkers en ik een artikel geschreven over de kindvriendelijke stad in het tijdschrift Geografie (september 2021). Dat was een onderdeel van de reeks over de (lange) weg naar de humane stad. In vier posts op deze blog diep ik dit artikel verder uit. Deze laatste post gaat over gemeenten die een kindvriendelijke stad willen worden en hoe ze in dat verband jongeren in het stedelijk bestuur laten participeren. 

Veel kinderen hebben het niet makkelijk. Ook in rijke landen niet.  In de VS alleen al is 40% van kinderen slecht- of ondervoed. Hun ouders hebben weinig van de welvaarstoename gemerkt, de woonomstandigheden zijn slecht en de vooruitzichten ook. In de rijke landen van Noordwest-Europa staan de zaken er wat beter voor, maar dan nog: In 2015 leefde in Vlaanderen 12% van alle kinderen in een huishouden met een inkomen onder de armoededrempel. In Nederland is dat 10% en in een allesbehalve arme stad als Gent 20%. Hier verlaat 1 op de 7 jongeren het onderwijs zonder diploma en 20% van hen is werkloos, waarvan het merendeel een migratieachtergrond heeft.

Tegen deze achtergrond hebben de Verenigde Naties in 1996 het Child Friendly City Initiative genomen.

De aangesloten steden beloven zich in te zetten voor kinderrechten zoals verwoord in het Verdrag over de Rechten van het Kind. Dat betekent volgens het Child Friendly Cities Handbook dat de mening, de behoeften, prioriteiten en rechten van kinderen (< 18 jaar) een integraal onderdeel vormen van het beleid in de aangesloten steden. Een aantal steden in Europa, waaronder Gent en Leuven zijn voorlopers, net als de Canadese stad Surrey, die een uitgesproken kind- en jongerengericht beleid hebben. Kinderen en hun ouders hebben daar op grote schaal aan meegewerkt. Overigens heeft Rotterdam ook zo’n beleid zonder zich bij deze beweging te hebben aangesloten.

In het Child Friendly Initiative wil een verandering van het denken over deze groep. Uitgangspunt daarbij is kinderen te zien als volwaardige burgers.

Zij moeten op hun eigen wijze bijdragen aan de kwaliteit van de stedelijke samenleving en daarom politiek actief zijn en een rol spelen in beleid op alle terreinen, die voor hen van belang zijn.

De pijlers van een kindvriendelijke stad

Participatie
  • Betrokkenheid bij de totstandkoming van plannen, bijvoorbeeld door workshops.
  • Aandacht te vragen voor hun belangen en worden gehoord.
  • Deelnemen aan politieke besluitvorming, bijvoorbeeld via jongerenraden, jeugdoverleg, discussieforums.
  • Deelnemen aan activiteiten binnen en buiten de woonbuurt die als doel hebben sociale cohesie te versterken.
  • Respectvolle bejegening door medeburgers en gemeentelijke diensten.
Voorzieningen
  • Zelfstandige en tijdige toegang tot programma’s en diensten die de gezonde ontwikkeling bevorderen, ongeacht het inkomen of de achtergrond van de ouders.
  • Voldoende gelegenheid in de directe omgeving en daarbuiten om leeftijdsgenoten te ontmoeten.
  • Kunnen beschikken over een aantrekkelijk aanbod van festiviteiten, kunst en cultuuruitingen.
  • De mogelijkheid om een passende opleiding te volgen en werkervaring op doen en gebruik te kunnen maken van een aantrekkelijk aanbod van banen.
  • Veilig te kunnen leven, zonder buitengesloten, gediscrimineerd of uitgebuit dan wel slachtoffer van criminaliteit te worden.
Wonen en leefomgeving
  • Het recht om te wonen in betaalbare woningen in een aantrekkelijke, schone en veilige omgeving.
  • Leven in familiaire omstandigheden, waar genegenheid, acceptatie en respect wordt ervaren en waar voldoende geld is voor een levenswaardig bestaan van alle gezinsleden.
  • De mogelijkheid om zich op een veilige manier te verplaatsen tussen de woning en relevante voorzieningen.
  • Toegang te hebben tot de natuur, groenvoorzieningen en plaatsen voor sport en spel.
  • Zorgen voor schone lucht en conserveren van de natuur en groene ruimten.

Deze pijlers zijn gedistilleerd uit het Child Friendly Cities Handbook, beleidsplannen van Unicef, de Vlaamse regering en de steden LeuvenGent en Surrey.

Hoe kan betrokkenheid van jongeren uitzien?

Hieronder komen enkele vormen van jongerenparticipatie aan de orde. Onderscheiden worden: deelname aan besluitvorming en betrokken zijn bij de totstandkoming van beleid.

Deelname aan de besluitvorming

Voor dit doel kennen veel steden jongerengemeenteraden (de foto bij de aanhef is van een bijeenkomst van de jeugdgemeenteraad van Raalte), jongerenraden, consultaties en discussiefora. Hier worden geregeld politieke issues besproken die voor kinderen van rechtstreeks belang zijn. Dit gebeurt meestal in aanwezigheid van een of meer wethouders en ambtenaren. 

Jongeren vragen voor veel meer zaken aandacht dan voor ruimte om te spelen of voor ‘hangplekken’. Dit bleek op de in Rotterdam gehouden ‘jongerentop’ (fotocollage boven) die uiteraard sterk onder invloed stond van de impact van Covid-19. Gewezen werd op de jongeren die psychische problemen hebben, geen stageplaats kunnen krijgen, het gevoel hebben een jaar onderwijs te hebben verloren en bovenal hun sociale netwerk hebben zien verdampen.  Op de foto rechtsonder overhandigt Young010-voorzitter Chaimae Fadis de belangrijkste conclusies van de dag (‘de eerste lessen’) aan burgemeester Aboutaleb. Het gemeentebestuur wordt gevraagd te doen wat het kan op het gebied van onderwijs, jeugdzorg en het ‘heropenen’ van de stad.

Deelname aan beleidsvoorbereiding

De meest toegepaste manier om jongeren bij stedelijke ontwikkeling te betrekken zijn workshops, waarbij er parallel groepen voor verschillende leeftijdsklassen aan het werk kunnen. Uitgangspunt is een concreet probleem dat van betekenis is voor de jonge deelnemers, zoals de aanleg van nieuwe fietspaden. Daarbij gaan kinderen eerst het probleem inventariseren.  Op straat maken ze foto’s van gevaarlijke situaties en op school interviewen ze kinderen die met de fiets naar school komen. Een expert van de gemeente helpt hen zo nodig daarbij.  Aan de hand van foto’s discussiëren ze over wat de veiligheid van een fietspad bepaalt en als ze voldoende informatie hebben tekenen ze de ideale situatie, eventueel samen met een professionele ontwerper.

Sommige gemeenten organiseren een netwerk van enige tientallen jongeren, die doorgeefluik zijn van wat er in hun omgeving leeft. De leden van dit netwerk kunnen eventueel zelf gesprekken organiseren met leeftijdsgenoten en de resultaten daarvan gevraagd of ongevraagd aan de gemeente doorbrieven.  Omwille van de continuïteit, is het verstandig als de betrokken gemeente af en toe de contactpersonen uitnodigt om gezamenlijk over de bevindingen en de effectiviteit van de aanpak te praten.

Succesfactoren

Er moet worden voldaan aan een reeks voorwaarden om deelname aan de besluitvorming en aan de beleidsvoorwaarden tot een succes te maken:

  • Zorgen dat raden of werkgroepen een goede vertegenwoordiging zijn van jongens en meisjes en van etnische groepen.
  • Geef nieuwe leden de tijd om ‘al doende’ te leren en daardoor geleidelijk minder perifeer te gaan functioneren.
  • Stel vragen die aansluiten aan bij de directe belevingswereld van de deelnemers.
  • Stel duidelijke rollen met bijbehorende taken vast voor volwassenen, die deelnemen aan het proces (neutrale voorzitter, adviseur, ‘deskundige’).
  • Deelnemende docenten kunnen de rol van facilitator op zich nemen. Ze moeten het proces zo weinig mogelijk beïnvloeden door te gaan doceren.
  • Institutionaliseer deelname van kinderen aan beleidsvoorbereiding en besluitvorming, zodat de overige politieke organen gewend raken ermee rekening te houden.
  • Bied, voor zover noodzakelijk, scholingsmogelijkheden aan de deelnemers aan. 
  • Vraag kinderen niet om nota’s te schrijven, maar om visualisaties zoals maquettes, tekeningen en filmpjes te maken. Laat ze deze presenteren en toelichten.
Beoordeling door de kinderen zelf

Kinderen blijken groepsgewijs deelnemen aan het politieke proces te waarderen.  Vooral de discussie met ‘echte’ experts, het zelf doen van onderzoek, het maken van een plan en het discussiëren daarover, waar mogelijk samen met gemeenteraadsleden. Of het proces bestendig is, hangt ervan af of de politiek het resultaat serieus neemt. Met (een delegatie) van de betrokkenen in gesprek gaan met gemeenteraadsleden is soms al voldoende. Uitleg krijgen over waarom een voorstel niet kan, is ook nodig.

De belangstelling van de neemt sterk af als ‘inspraak’ slechts een verpakking is van het gewone leren, bijvoorbeeld een ‘nagespeelde’ gemeenteraadsbijeenkomst binnen de school. 

Hiermee rond ik het vierluik over het thema jongeren en stedelijke ontwikkeling af. Er moet nog veel werk worden gedaan om de stedelijke ruimte eerlijker met hen te delen. In de eerste twee afleveringen van de reeks illustreerde ik dat aan de hand van de mogelijkheden om te spelen en te bewegen, de verkeersverbindingen en de gebouwde omgeving zelf. In het derde artikel vatte ik een aantal studies samen van wat kinderen er zelf van vinden en in deze laatste aflevering kwam aan de orde hoe jongeren onderdeel van de besluitvormig kunnen worden. 

De drie hartenkreten van jongeren die in elk van de artikelen terugkomen zijn: meer ‘natuurspeelplaatsen’, gezellige plekken om te chillen en veilige autovrije verbindingen in de wijk.

Verjaag het monster achter het gordijn: Het monopoly van Big Tech

Deze post gaat de almacht van Big Tech. Groeiend verzet hiertegen heeft vooral geleid tot wetgeving om de gevolgen daarvan te verzachten. Deze raakt de kern van het probleem, de monopolypositie van de technologiereuzen maar ten dele. Wat daarom nodig is, is een streng antitrustbeleid en ook dat overheden opnieuw een leidende rol gaan spelen bij de vaststelling van de technologieagenda.

Stand digitale technologie ‘zorgelijk’

Het Rathenau instituut noemt in een recente rapport de stand van de digitale technologie zorgelijk[1]. Het instituut pleit voor een eerlijke data-economie en een robuust, veilig en voor iedereen beschikbaar Internet. Daarvan is thans geen sprake. Sterker nog, we raken hiervan steeds verder verwijderd. De risico’s dringen zich dagelijks op: Ondoorgrondelijke algoritmen, deepfakes en politieke micro-targetting, kaalslag in binnensteden door online shopping, diefstal van bedrijfsgeheimen, ongebreidelde gegevensverzameling door Google, Amazon en Facebook, slecht betaalde taxichauffeurs van Uber en de andere dienstverleners van de gig-economie, het effect van Airbnb op de hotelbranche en het hoge energiegebruik van bitcoin en blockchain.

Wetgeving

Tal van publicaties roepen de overheid op het groeiende misbruik van digitale technologie een halt toe te roepen. In zijn must read ‘the New Digital Deal’ stelt Bas Boorsma: In order to deploy digitalization and to manage platforms for the greater good of the individual and society as a whole, new regulatory approaches will be required… (p. 46). Dat is ook de mening van het Rathenau Instituut dat drie speerpunten voor een digitaliseringsstrategie noemt: Krachtige wetgevingskaders en toezicht, op waarden gebaseerde digitale innovatie gebaseerd op een kritisch parlementair debat en zeggenschap voor burgers en professionals daarover. 

‘Groeiend ongemak’

De Europese Commissie heeft de afgelopen jaren een breed pakket aan wetten gelanceerd, zoals het Digital Services Act-pakket, de Digital Market Act en de General Data Protection Regulation (GDPR). Toch raken deze de kern van de zaak niet. De bijna-monololy positie van Big Tech-bedrijven is het spreekwoordelijke monster dat zich heeft verstopt achter het gordijn. Het Rathenau instituut erkent dit wel, maar spreekt in besmuikte termen over ‘het groeiende ongemak’ van de afhankelijkheid van Amerikaanse en Chinese technologiereuzen. Zelf het Internationaal Monetair Fonds is duidelijker door te stellen dat de macht van Big Tech innovatie en investeringen remt en de inkomensongelijkheid vergroot. Door toedoen van de macht van de grote technologiebedrijven is de samenleving bezig de greep op technologie te verliezen.

Het probleem benoemd

Om de bovengenoemde risico’s te beteugelen, moet het probleem eerst klip en klaar worden benoemd en maatregelen moeten daarop vervolgens worden afgestemd. Dat gebeurt in twee recente boeken, te weten  Shoshana Zuboff’s  ‘The Age of Surveillance Capitalism: The Fight for a Human Future at the New Frontier of Power’ (2019) en Cory Doctorow’s  ‘How to destroy surveillance capitalism’ (2021). Zuboff beschrijft in detail hoe Google, Amazon en Facebook data verzamelen met slechts één doel, burgers te verleiden tot de aankoop van goederen en diensten: Big Tech’s product is persuasion. The services — social media, search engines, maps, messaging, and more — are delivery systems for persuasion.

De ongekende macht van Big Tech is het gevolg van het feit dat deze bedrijven bijna klassieke monopolies konden worden. Tot de jaren ’80 kende de VS een strenge antitrust wetgeving: De voor het grootkapitaal beruchte Sherman’s act. Ronald Reagan heeft deze in zijn jaren als president in korte tijd om zeep geholpen en hetzelfde gebeurde door toedoen van Margareth Thatcher in het UK, van Brian Mulroney in Canada en van Helmut Kohl in Duitsland. Waar Sherman monopolies zag als een bedreiging voor de vrije markt, vond Reagan c.s. dat overheidsbemoeienis de vrije markt bedreigt.  Facebook sluit hierbij aan als het zichzelf ziet als een ‘natural monopoly’: Je wil op een netwerk zitten waar ook je vrienden zitten.  Maar je zou ook je vrienden kunnen bereiken als er meer netwerken waren, die interoperabel zijn.  Facebook heeft alle economische, technische en juridische middelen uit de kast gehaald om dat laatste tegen te gaan waaronder ook overname van potentiële concurrenten: Messenger, Instagram en WhatsApp.

Kans gemist

In het begin van de 21ste eeuw was er nog een breed geloof dat de zich ontluikende digitale technologie tot een betere en genetwerkte samenleving kon leiden. Bas Boorsma: The development of platforms empowered start-ups, small companies and professionals. Many network utopians believed the era of ‘creative commons’ had arrived and with it, a non-centralized and highly digital form of ‘free market egalitarianism’ (New Digital Deal, p.52). Daarvan is niets terecht gekomen: Digitalization-powered capitalism now possesses a speed, agility and rawness that is unprecedented (New Digital Deal, p.54). De startup community is één groot R&D lab aan het worden voor Big Tech. Veel startups hopen door een van de technologiereuzen te worden overgenomen en vervolgens miljoenen te verzilveren. Big Tech is hierdoor zonder veel moeite in staat om naast de vervoerssector, ook een dominante positie te verwerven in de stedelijke ontwikkeling, de gezondheidssector en het onderwijs.

Dankzij hun monopolypositie kan Big Tech ongelimiteerd gegevens verzamelen, ook als de Europese Wetgeving beperkingen en incidenteel hoge boetes oplegt. Gegevens wordt immers ook verzameld zonder dat burgers daar bezwaar tegen maken. Dit had Mumford in 1967 al doorzien: Veel consumenten zien deze bedrijven niet alleen als absolutely irresistible, maar ook ultimately beneficial. Deze twee voorwaarden vormen de kiem van wat hij de megatechnics bribe noemde[2].

Antitrust wetgeving

De enige wetgeving die de macht van Big Tech kan breken en die we dus van overheden mogen verwachten is een krachtig antitrust beleid, ontvlechting hun onderdelen, een absoluut verbod op overnames en een rigoureuze belastingheffing.

Technologie ontwikkelt zich niet op autonome wijze. Op dit moment bepaalt Big Tech onomstotelijk de technologieagenda op het westelijk halfrond. China is een ander verhaal. Met Mariana Mazzocato[3] ben ik van mening dat overheden de leiding over de technologische ontwikkeling weer naar zich toe moeten trekken, zoals dat tot het einde van de vorige eeuw het geval was. Denk aan de rol die van instellingen als DARPA in de VS, het Fraunhofer Instituut in Duitsland en TNO in Nederland. Democratische controle is daarbij een absolute voorwaarde! Alleen dan krijgt technologie die nodig is voor de realisering van maatschappelijke doelen volop de kans zich te ontplooien.

In het hoofdstuk ‘Digitally just cities’ van het e-boek ‘Steden van de toekomst: Humaan als keuze, smart waar dat helpt’, laat ik onder meer zien hoe Facebook, Amazon en Google er na een mogelijke ontvlechting uit kunnen zien. 

Deze post is nummer 2 in de reeks Bouwen aan duurzame steden. De rol van digitale technologie


[1] https://is.gd/6FwqiO

[2] https://www.boundary2.org/2018/07/loeb/

[3] https://www.hmjvandenbosch.com/2014/10/23/geen-kleinere-maar-een-sterkere-overheid/