Archief | Sociale innovatie RSS feed for this section

Zelforganisatie en –bestuur leiden tot betere prestaties

29 Okt

screenshot 2Krachtige pleidooien voor zelforganisatie en -bestuur zijn er volop, denk maar aan Frederic Laloux, wiens boek Reinventing Organizations nu al managementboek van de eeuw wordt genoemd[1]. Er waren vooralsnog weinig gegevens die deze pleidooien cijfermatig ondersteunen. Het recente HOW report heeft hierin verandering gebracht[2]

Het HOW-report onderscheidt drie typen organisaties op basis van hun governance, cultuur en leiderschap: informed acquiescence, blind obedience en self-governance.

Ongeveer 62% van alle organisaties behoort tot het eerste type. We treffen hier doorgaans een raad van bestuur met daaronder enkele managementlagen aan. Aansturing gebeurt overwegend op basis van strategische plannen en een hieraan gerelateerd systeem van planning en control. Centraal daarin staan prestatie-indicatoren (KPI’s) en kwartaalrapportages op basis vanvan een hogere managementlaag een lagere ‘afrekent’. Medewerkers worden ‘gemotiveerd’ door financiële prikkels en bonussen.

30% van alle bedrijven en instellingen kent een bevelstructuur. Hierbij draait het om de uitvoering van (meestal gestandaardiseerde) opdrachten en niet om de levering van ‘afgesproken prestaties’.

Beide typen bedrijven en instellingen voldoen niet meer. Zij reageren veel te traag op technologische ontwikkelingen, veranderingen op de markten en ze houden onvoldoende rekening met het groeiend aandeel van hoog gekwalificeerde medewerkers. De C-suite loopt met zijn strategische plannen voortdurend achter de feiten aan.

Het antwoord is het derde type, organisaties waar medewerkers zelf in hoge mate verantwoordelijk zijn voor organisatie en bestuur. Het aandeel van dit type organisaties is toegenomen van 3% in 2012 tot 8% in 2016.

screenshot 7

Presteren bedrijven getypeerd door zelforganisatie en -bestuur ook beter?

Om deze vraag te beantwoorden is grootschalig onderzoek gedaan in bedrijven in 17 landen (waaronder Nederland, Duitsland, VS, India, Rusland, China, Japan). Daarbij is gekeken naar de prestaties van deze bedrijven en naar een aantal kenmerken op het gebied van arbeidsverhoudingen en governance.

De prestaties zijn gemeten aan de hand van onderstaande indicatoren.

Business performance

  • Groei marktaandeel
  • Groei bedrijfsresultaat
  • Klanttevredenheid

Innovatie

  • Systematische innovatie van producten en diensten
  • Externe erkenning als innovatief bedrijf
  • Bereidheid to adoptie van goede ideeën

Betrokkenheid van medewerkers

  • Loyaliteit
  • Bereidheid om inspanning te vergroten
  • Bereidheid om bedrijf aan te bevelen

Duurzaamheid

  • Duurzaamheid als onderdeel van bedrijfsstrategie
  • Commitment met samenleving en milieu
  • Reputatie

Ongewenst gedrag

  • Waargenomen wangedrag
  • Gerapporteerd wangedrag
  • Afwezigheid van pesten

Onderstaande afbeelding geeft voor elk de drie typen bedrijven de scores weer op bovenstaande indicatoren. Bedrijven met zelforganisatie en -bestuur scoren op alle indicatoren beter.

screenshot 4 kopie

Het human operating system

Maar waarom zijn de prestaties van bedrijven met zelforganisatie en –bestuur over de hele linie beter? Hiervoor is volgens het HOW rapport het human operating system verantwoordelijk. Het human operating system kan worden getypeerd door drie groepen met samen negen variabelen, de zogenaamde HOW-indices.

De HOW-indices

Karakter (Character)

De instelling van medewerkers van een organisatie ten opzichte van elkaar en de omgeving. Indices zijn:

  • Waarden, zoals respect, integriteit en nederigheid
  • Significantie, de impact op samenleving en natuur
  • Bewustzijn (consciousness), tot uitdrukking komend in empathie, compassie en zorgzaamheid

Vertrouwen (Trust)

De vanzelfsprekendheid waarmee medewerkers van een organisatie uitgaan van de bijdrage van anderen en de vrijheid men men elkaar hierbij toekent.

Gedrag (Key enabling behaviour)

Een reeks handelingsdisposities, die rechtstreeks de prestaties van de organisatie beïnvloeden, zoals:

  • Bereidheid om risico’s te nemen
  • Vieren van gezamenlijke successen en erkennen van ieders bijdrage daaraan
  • Samenwerken en hulpvaardigheid
  • Delen van informatie
  • Behoud van eigen oordeelsvermogen tegenover groepsdruk

Onderstaande figuur toont dat bedrijven met zelforganisatie en bestuur wezenlijk hoger scoren op bovenstaande indices en daarmee een superieur human operating system hebben. Uit het onderzoek kwam tevens naar voren dat bedrijven waarvan medewerkers elkaar in hoge mate vertrouwen veel innovatiever zijn.

screenshot 5 kopie

Leidinggevenden die het belang van bovenstaande indices uitdragen – karakter en vertrouwen in het bijzonder – blijken het sterkst vertegenwoordigd te zijn in bedrijven met zelfbestuur en -organisatie. Het is vermoedelijk gerechtvaardigd om te stellen dat de aanwezigheid van dit type leidinggevenden een kritieke succesfactor is voor de ontwikkeling van gedreven en ondernemende medewerkers en daarmee van dit type organisaties.

Het HOW-report bevat sterke aanwijzingen dat bedrijven die zijn gekenmerkt door zelforganisatie en –bestuur beter presteren en dat dit komt door de instelling, het vertrouwen en het gedrag van de medewerkers.

Het (consultance)bedrijf dat dit onderzoek uitvoert, LRN[3], ondersteunt al decennia bedrijven die ethische principes een centrale plaats toekennen[4]. Het bedrijf is in 1993 opgericht door Dov Seidman, een prominent voorvechter van ethisch leiderschap.

Wie meer wil weten over ethisch leiderschap zal geboeid kijken naar het bovenstaande interview met Dov Seidman (32 minuten) opgenomen tijdens het Fortune-Time Global Forum in 2016.

[1] Reinventing organizations van Frederic Laloux, Nelson Parker 2014.

[2] http://howmetrics.lrn.com/wp/wp-content/uploads/2016/05/HOW-REPORT-5-6-16.pdf Het rapport bevat tevens een methodologische verantwoording. Het woord HOW loopt als een rode draad door het rapport. De visie van de opstellers is namelijk dat de prestaties van een organbisatie niet afhangen van wat deze doet, maar hoe ze dat doet.

[3] LRN betekende oorspronkelijk Legal Research Network, maar het acroniem heeft later verschillende andere betekenissen gekregen, waaromder Legal Knowledge Company.

[4] http://lrn.com/about/people/

Advertenties

De profeten van een nieuwe industriële revolutie

7 Okt

Unknown-4
In 2011 baarde Jeremy Rifkin opzien met zijn boek The Third Industrial Revolution[1]. Ten tijde van de publicatie van het boek was menigeen bezig de wonden te likken die de (financiële) crisis had veroorzaakt. De prijs voor brandstof was op zijn hoogst en politici overal ter wereld zochten naar een uitweg. De derde industriële revolutie was een welkom perspectief. Zij verenigt internettechnologie, duurzame energie en het een kleinschalige samenleving.

Een grote schare wereldleiders klopte voor advies bij Jeremy Rifkin aan, zoals Barosso, Merkel en Cameron. Ook besturen van grote steden waaronder Rome, San Antonio, Parijs Utrecht en Rotterdam vroegen hem om raad. Overal leefde het besef dat het roer om moet en zijn boodschap deed de hoop op een betere samenleving gloren.

images-3Alle wereldleiders is wat te veel gezegd. De autoriteiten van zijn moederland, de VS, moeten niet veel van de voormalige activist hebben. Hij verzette zich tegen de plannen van de regering Obama om op grote schaal elektrische energie te produceren in de woestijngebieden en die met een superhoogspanningsnet naar de rest van de VS te transporteren. Over zijn relatie met de huidige president zullen we het maar niet hebben.

Rifkin schrijft de voorliefde voor grootschalige oplossingen in de VS toe aan de vergaande vervlechting van overheid en bedrijfsleven. Er is niet alleen sprake van een omvangrijke lobby, maar regeringsfunctionarissen schuiven tevens moeiteloos door naar het bedrijfsleven en omgekeerd. Bovendien spekt het bedrijfsleven de kassen van hem welgevallige politici royaal.

De 5 peilers van de derde industriële revolutie

De derde industriële revolutie zoals Rifkin die ziet, rust op vijf peilers die nauw samenhangen:

– Volledige vervanging van fossiele door hernieuwbare brandstoffen en zuinig gebruik en maximale recycling van grondstoffen.

– Decentrale opwekking van duurzame energie; alle gebouwen worden mini-energiecentrales en koolstofneutraal.

– Inzet van waterstof om gewonnen energie op te slaan.

– Gebruik van internet om het hele gedistribueerde systeem te beheren.

– Omvorming van de transportvloot tot elektrische en brandcelvoertuigen die energie verkopen, kopen en opslaan.

Unknown-1

De derde industriële revolutie zal een vergaande impact hebben op de samenleving en het einde inluiden van de logge multinationale bedrijven en hun autocratisch leiderschap. Hiervoor in de plaats komt een kleinschalige democratische organisatie van de samenleving, althans volgens Rifkin. Aan de ene kant zal (duurzame) energie royaal beschikbaar zijn, aan de andere kant zullen schaarse grondstoffen aanzetten tot hergebruik en delen van goederen en diensten[2]. Elke deelauto vervangt minimaal 20 particuliere auto’s. Als producten in bezit blijven van de makers, kunnen deze de productie ervan maximaal afstemmen op hergebruik van materialen.

In de loop van de 21ste eeuw verdwijnen de meeste banen die we nu kennen. De overblijvende en nieuwe banen zullen worden verdeeld en daarnaast is er een arbeidsloos inkomen. Verder is er genoeg te doen. Het gaat dan om activiteiten in de sfeer van ambacht, kunst en cultuur, zorg en natuur. Deze zullen de kwaliteit van ons bestaan aanzienlijk vergroten. Er is weer hoop op een aards paradijs.

Rifkin, Schwab en Vermeend

Rifkin is niet de enige met visionaire verhalen over op handen zijnde veranderingen. Ik denk aan het essay van Klaus Schwab, de voorman van het World Economic Forum, die een beeld neerzet dat in plaats van op een aards paradijs meer lijkt op science fiction. Dit blijkt overduidelijk ook uit de effecten in het fimpje dat het World Economic Forum heeft laten maken en dat vooral lijkt te willen imponeren[3].

Een ander visionair betoog is de oratie van Willem Vermeend ter geledenheid van zijn benoeming tot bijzonder hoogleraar aan de Open Universiteit[4]. Hij hamert op de noodzaak voor bedrijven om te innoveren, gebruik makend van alle mogelijkheden die nieuwe technologieën bieden. Zo niet, dan zullen de steeds kritischer consumenten hen links laten liggen. Waar Schwab nog vreest voor de groeiende sociale ongelijkheid, het verlies aan banen en aan privacy, bij Vermeend is er sprake van een onomkeerbaar proces waarin een ieder zich heeft aan te passen.

De waarde van toekomstvisies

Bij elk van deze publicaties rijst de vraag welke waarde we eraan kunnen hechten. Ik juich het toe dat wetenschappers deelnemen aan discussies over de toekomst van de samenleving. Maar wat me bij elk van de drie auteurs tegen de borst stuit is elk gebrek aan relativering. De drie auteurs zijn erg van zichzelf overtuigd; een eigenschap die eerder bij een profeet dan bij academus past. Van een wetenschapsbeoefenaar verwacht je een nauwkeurige beschrijving van actuele trends en een inschatting van de verschillende ontwikkelingen die hieruit kunnen voortvloeien. Het gebrek aan exactheid blijkt pijnlijk als Rifkin het heeft over de derde industriële revolutie en de andere auteurs over de vierde. Ik denk overigens dat Rifkin gelijk heeft. Hij heeft tevens het meeste oog voor de samenhangen tussen de mogelijkheden van de technologie, de omwenteling in de productie van energie, de beperkingen die we ons moeten opleggen in de groei van de productie en de gevolgen die dat heeft voor de samenleving.

Ik een volgende blogpost ga ik in op een onderdeel van het boek van Rifkin dat me intrigeerde, namelijk het verband tussen de opkomst van de economische wetenschap, de grootschalige industriële productie en de vernietiging van de leefomgeving. Ook hier geldt ‘van dik hout zaagt men planken’, maar zijn betoog biedt zeker stof tot nadenken.

[1] The Third Industrial revolution: How lateral power is transforming energy, economy and the world. Palgrave MacMillan, 2011. Vertaald in Nederlands: De derde Industriële revolutie. Naar een transformatie van economie en samenleving, Nieuw Amsterdam Uitgevers (2014)

[2] Zie mijn recente post over de verschillende aspecten van de deeleconomie: http://wp.me/p32hqY-1sm

[3] https://www.weforum.org/agenda/2016/01/the-fourth-industrial-revolution-what-it-means-and-how-to-respond/

[4] https://www.emerce.nl/wire/oratie-willlem-vermeend-ou-revolutie-economie-40

Amsterdam Smart City, Amsterdam Sharing City; missie of marketing?

22 Sep
gluqiqn47f9d0tv4

Ook in Seoul is steeds meer openbare ruimte ingericht voor ontmoeting

Behalve smart cities en resilient cities[1] is er ook een groeiend aantal steden dat zich sharing city noemt. De eerste stad die deze benaming gebruikte was Seoul in 2013. Twee jaar later afficheerde Amsterdam zich als de eerste sharing city in Europa, na al enige tijd als smart city door het leven te zijn gegaan. Ik vind dit strooien met adjectieven niet echt handig, of het nu om het uitdragen van een missie of om markening gaat. Daarover later. Maar eerst wat zijn sharing cities?

San Francisco

De meest opvallende initiatieven met betrekking tot delen zijn afkomstig uit San Francisco, de thuishaven van iconen van de deeleconomie zoals Twitter, Dropbox, Lyft en Airbnb. De geneigdheid om te delen kenmerkt de levensstijl van veel millennials uit deze stad: Samen een bedrijf oprichten, samen een huis betrekken, auto als vervoermidddel en niet als statussymbool zien en prefereren dicht bij het stadscentrum te wonen en te werken.

De deel-economie die we aantreffen in San Francisco is commercieel gemotiveerd en kent naast winnaars ook verliezers, bijvoorbeeld de bestuurders van Uber, Lyft en andere taxibedrijven.
Volgens Duncan McLaren & Julian Agyeman[2] is de deel-economie een onderdeel van een veel meer omvattend deel-paradigma. Het gaat daarbij om het gebruik van goederen en diensten door verschillende personen, zonder deze (exclusief) te bezitten. Bij voorbeeld, medegebruik van fietsen, auto’s, huizen, gereedschappen, patenten en boeken. Maar ook recycling, gemeenschappelijke faciliteiten voor sportboefening, de opwekking van energie en transport en coöperaties en netwerken (Zie afbeelding).

Vormen van Sharing

The sharing paradigm. Uit: McLaren & Agyeman, Sharing Cities, p. 15

Sharing kan gemotiveerd zijn als middel tot kostenreductie maar ook vanuit sociale motieven en omwille van duurzaamheid. McLaren & Agyeman illustreren al deze facetten aan de hand van voorbeelden afkomstig uit steden als Seoul, Medellin, Kopenhagen en Amsterdam.

Seoul

De stad Seoul kent talrijke vormen van delen vanuit sociale motieven[3]. Het begrip jeong speelt hierbij een sleutelrol: Mensen geloven dat elkaar vriendelijk en coöperatief bejegenen een ieder op termijn zal baten. Bewoners houden gezamenlijk de appartementsgebouwen leefbaar waarin ze dicht opeengepakt wonen. Het gemeentebestuur hecht veel waarde aan de mening van burgers.

screenshot

Het luisterend oor voor het stadhuis van Seoul

Mensen kunnen klachten, verzoeken en ideeën inspreken in het ‘luisterende oor’ voor het stadhuis. Het gemeentebestuur ondersteunt start-ups onder andere door de Dreambank, een financieel loket in samenwerking met 20 banken.

Medellin

images-5 kopie

Biblioteca de Espagna

Een ander opvallend voorbeeld is Medellin, de tweede stad in Colombia en het voormalige centrum van drugshandel en ooit de meest moordadige stad ter wereld. Nadat het leger de beruchte bendeleider Pablo Escobar had doodgeschoten, begon het stadsbestuur aan het herstel van het verwoeste sociale weefsel van de stad. Grote bedragen zijn geïnvesteerd in onderwijs en welzijnsvoorzienigen. Hiervoor verrezen diverse qua architectuur opvallende gebouwen zoals de Biblioteca de Espagna, meestal midden in arme gebieden om de bewoners een gevoel van trots te geven.

 

Tegelijkertijd werden alle delen van de op heuvels gebouwde stad verbonden door een nieuw stelsel van metrolijnen, kabelbanen en liften. Bewoners kregen inspraak bij de prioritering van gemeentelijke projecten.

Kopenhagen en Amsterdam

Unknown kopie

Fietsinfrastructuur Kopenhagen

McLaren & Agyeman zien ook in Kopenhagen en Amsterdam talrijke voorbeelden van sociaal gemotiveerd delen. Kopenhagen heeft het delen van ruimte in het stadscentrum verbeterd met een infrastructuur gebaseerd op het gebruik van fietsen. Amsterdam deed hetzelfde met zijn dichte openbaar vervoersnetwerk. Daarnaast heeft het Amsterdamse huisvestingsbeleid geleid tot een betere integratie van migranten dan in menige andere stad.

In het licht van de bovenstaande gevallen vragen een paar begrippen om verheldering.

Delen en samenwerking

Samenwerking (collaboration) wordt ten onrechte gebruikt als synoniem voor delen. Samenwerking betekent samen iets doen, maar delen leidt doorgaans tot een opeenvolging van individuele activiteiten. Het is dus eerder een aanvulling op het begrip delen. Samenwerking vindt plaats in het economische domein, bijvoorbeeld een coöperatie, maar ook in het sociale domein, bijvoorbeeld gemeenschappelijke activiteiten als tuinieren, koken en gemeenschappelijk wonen.

Delen en mediatie

Commerciële vormen van delen bestaan veelal bij de gratie van mediërende IT-platforms, denk aan Airbnb en Uber. Maar mediatie is soms ook van belang voor overwegend sociaal geïnspiteerde vormen van delen. Een mooi voorbeeld is een app waarop bewoners van Jakarta direct schade melden in geval van overstroming of extreme neerslag. Hiermee kunnen reddings- en herstelacties veel sneller op gang komen[4].

Delen en smart

Smart cities hoeven geen sharing cities te zijn. Smart is een veel breder begrip dan delen; in sommige smart cities kan delen echter een belangrijke rol spelen. Dit is het geval in de steden die ik reken tot de categorie smart city 3.0[5].

screenshot 2 kopie

Opvattingen van Amsterdammers over delen

Amsterdam profileert zich al enkele jaren als smart city. Onlangs eigende de stad zich ook de adjectieven sharing en collaborative toe. Uitgaande van de voorbeelden van McLaren & Agyeman zijn daarvoor goede inhoudelijke redenen die verder gaan dan city marketing. Toch vind ik het naast elkaar gebruiken van beide termen niet verstandig. De missies van Amsterdam Smart City[6] en Amsterdam Sharing City[7] verschillen weinig en onder de burgers leven ze nauwelijks. Vanuit een communicatieoogpunt had ik ervoor gekozen om eenduidig te kiezen voor Amsterdam Smart City en dit begrip te verhelderen aan de hand van een beperkt aantal trefwoorden. Een daarvan zou samen delen (sharing) zijn. Uitgaande van de voornoemde missies zou mijn keuze van de andere zijn: De burger centraal (citizen-based), iedereen telt (inclusive), ondernemend (entrepreneurial), samenwerkend (collaborative),  duurzaam (sustainable) en digitaal verbonden (IT-enabled). Wie weet heeft alsnog iemand wat aan mijn advies.

[1] Zie mijn artikel over smart versus resilient steden: http://smartcityhub.com/collaborative-city/smart-cities-resilient-cities-make-difference/

[2] Sharing Cities, A case for truly smart and sustainable cities (MIT Press, 2015)

[3] Zie ook de volgende infographic: [3] http://english.sharehub.kr/infographic-sharing-city-seoul-4-years-achievements/

[4] Het volgende filmpje geeft hier een beeld van: https://www.youtube.com/watch?v=O7VDjjeEdN8&feature=youtu.be

[5] Dit artikel geeft een overzicht van de betekenissen die aan het begrip smart city worden toegekend: http://smartcityhub.com/collaborative-city/smart-cities-1-0-2-0-3-0-whats-next/

[6] https://amsterdamsmartcity.com

[7] http://www.sharenl.nl/amsterdam-sharing-city/

‘Commoning’ als middel om gemeenschapsvoorzieningen te behouden

16 Sep

 

images

De Polfermolen in Valkenburg aan de Geul

De gemeente waarin ik woon, Valkenburg aan de Geul, exploiteert een schitterende sport- en theateraccomodatie, inclusief een 25-meterbad en verschillende recreatieve baden. Het complex – de Polfermolen – is in 2001 opgeleverd. Sloop ligt echter in het verschiet. De gemeente wil om begrijpelijke redenen de kosten (gemiddeld € 1,5 miljoen per jaar) niet langer dragen.

Vrijwel elke gemeente heeft hoofdpijndossiers als de Polfermolen. De meeste daarvan hebben een vergelijkbare voorgeschiedenis.

De nadagen van de verzorgingsstaat

Vooropgesteld, ik vind dat de overheid naast de zorg voor openbare orde en veiligheid verantwoordelijk is voor de beschikbaarheid van nutsvoorzieningen, onderwijs, zorg en openbaar vervoer. Dit betekent niet dat de overheid deze voorzieningen ook zelf zou moeten exploiteren. Dit geldt in nog veel mindere mate voor voorzieningen waarvan incidenteel of door slechts een deel van de bevolking gebruik wordt gemaakt, zoals sportcomplexen, schouwburgen, musea, bibliotheken en zwembaden. In de hoogtijdagen van de verzorgingsstaat werd hier anders over gedacht met de voornoemde hoofdpijndossiers als gevolg.

Van welvaartsstaat naar burgerinitiatieven

De idee dat de burger in de eerste plaats consument is en dat de overheid moet voorzien in alle welzijnsvoorzieningen die commercieel niet of  tegen een te hoge prijs aangeboden kunnen worden, is aan het veranderen.

Overal ter wereld nemen burgers zelf het initiatief om samen zaken van gemeenschappelijke waarde te creëren en nemen zij de verantwoordelijkheid voor de exploitatie ervan. De deeleconomie is onderdeel van dit streven. Het is inmiddels heel gewoon dat huiskamerrestaurants ontstaan, gemeenschappelijke (groenten)tuinen worden aangelegd, speeltuinen worden beheerd, vervoersoplossingen worden bedacht, ouderen samen voor passende huisvesting zorgen en ga zo maar door[1]. Drijfveer is niet alleen het beschikbaar komen van ontbrekende voorzieningen en het op afstand houden van betutteling door de overheid, maar ook de voldoening die het samen creëren en in stand houden ervan schenkt. In dit verband is vaak sprake van sociaal kapitaal [2].

De vraag ligt daarom voor de hand of het een optie is dat de gebruikers van voorzieningen als het sportcomplex de Polfermolen in Valkenburg aan de Geul, de exploitatie daarvan samen overnemen in plaats van te berusten in de sluiting ervan.

zwembad jekerdal 41

Het Jekerbad in Maastricht

Op korte afstand van Valkenburg – in Maastricht – speelde in de jaren ’80 een vergelijkbaar probleem. De gemeente vond de exploitatie van het Jekerbad te duur en wilde het sluiten. Dit leidde tot een burgerinitiatief met als doel het bad te behouden. Er werd een vereniging opgericht, die inmiddels 6000 leden heeft en een wachtlijst van 10 jaar (sic) kent. De leden kunnen onbeperkt zwemmen voor een bedrag van € 55 per jaar en ze verrichten af en toe werkzaamheden. Gerard Peters, een van de leden van het eerste uur: “De grote aantrekkingskracht van het bad is dat het van de leden is. Dat is zo’n bindende factor dat mensen zich verantwoordelijk voelen. Het is je eigen bad en daar zet je je graag voor in.”[3]  Dat kun je helaas niet zeggen van menige overheidsvoorziening.

De oprichting van een vereniging van gebruikers van de Polfermolen – en vergelijkbare gevallen – kan een alternatief bieden voor sluiting, al gaat het vaak om meer complexe projecten dan het Jekerbad. Een onderzoek naar de haalbaarheid is echter alleszins de moeite waard. Ik benadruk dat het  – net als bij het Jekerbad – om meer gaat dan de vervanging van betaalde arbeidskrachten door vrijwilligers. namelijk het verwerven van zeggenschap – niet per se juridische eigenaarschap – en de verantwoordelijkheid voor de exploitatie.

De civil society

Poortje_gevangenis_-_Amsterdam_-_20017122_-_RCE

Ingang Heiligewegbad in Amsterdam

Eigenlijk is er niets nieuws onder de zon. De tweede helft van de 19de eeuw en de eerste helft van de 20ste eeuw staan bekend vanwege de opkomst van de civil society. Burgers onttrokken zich geleidelijk aan patriachale en autoritaire verbanden en hun gevoelens van eigenwaarde en onderlinge solidariteit groeiden. Dit had onder andere een ongekende bloei van het verenigingsleven tot gevolg en bevorderde ook de opkomst van coöperaties, spaarkassen, onderlinge verzekeringen en sportfondsen. Deze laatste maken de cirkel rond: Zwemmen deed je vroeger niet in een commercieel of in een gemeentebad, maar in een sportfonsenbad, voortgekomen uit burgerinitiatieven[4].

Terug naar het heden. Ik zou het fantastisch vinden als gebruikers van de Polfermolen samen het beheer en de exploitatie ervan ter hand nemen. Wie weet, gaat ‘de Molen’ draaien als nooit te voren en wordt zij een voorbeeld voor vergelijkbare gevallen.

[1] Creëren van gezamenlijke voorzieningen wordt doorgaans ‘commoning’ genoemd. Engeland loopt hierin voorop, mede ook vanwege de kaalslag van openbare voorzieningen de afgelopen decennia. Zie voor een verslag van een grootschalig project in de Londense wijk West Noorwood: https://drive.google.com/file/d/0B28SOnHQM5HVV0pyT2p1NGNvQk0/view

[2] Een schitterende studie van ‘sociaal kapitaal’ is het boek Bowling Alone, The Collapse and Revival of American Community van Robert Putman. Deze studie onderzoekt het verdwijnen en weer deels herstellen van het gemeenschapsgevoel in de VS.  Zij is gebaseerd op 500.000 interviews die Putman en zijn studenten afnamen over een reeks van vele jaren. Het feit dat burgers samen iets opzetten en beheren schept gemeenschapsgevoel, dat zich volgens de auteur uit in meer onderling vertrouwen, meer sociale betrokkenheid, meer tevredenheid in het leven en zelfs een betere gezondheid. Zie http://bowlingalone.com

[3] Zie: https://verenigingflevoparkbad.wordpress.com/2014/11/02/succesverhaal-buitenbad-jekerdal-al-30-jaar-van-buurtbewoners/

[4] Sportfondsenbaden zijn eind 19de eeuw ontstaan uit een voorloper van crowd funding:  https://nl.wikipedia.org/wiki/Sportfondsenbad. Het eerste Sportfondsenbad in Nederland was het Heiligewegbad in Amsterdam, dat in 1987 ondanks protest van de bewoners van Amsterdam-Centrum plaats moest maken voor een nieuw winkelcentrum.

 

Hoe geld weer middel wordt in plaats van doel

14 Aug

Vooropgesteld, lang niet alles op deze wereld (en zeker niet in Nederland) is kommer en kwel. Wereldwijd is veel bereikt, onder andere op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg (zie onderstaande grafiek) . De welvaart in een aantal landen is gestegen. De kwaliteit van veel producten en diensten is verbeterd, vaak op basis van aanzienlijke investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Een groeiend aantal bedrijven kiest bewust voor de status van maatschappelijke onderneming om lange termijndoelen te realiseren die een positieve impact hebben op de samenleving.

Ctb3FtEWIAA3Tr8Niettemin kent de wereld kent een aantal chronische problemen. In een eerdere post heb ik een aantal daarvan herleid op het kapitalisme[1]. In essentie gaat het daarbij om het feit dat in de samenleving geld doel is geworden in plaats van middel. In deze post ga ik in op de vraag hoe dit kan veranderen. Zich socialistisch noemende landen zijn wat mij betreft geen lichtende voorbeelden. Zij hebben de meeste kenmerken van het kapitalisme inmiddels overgenomen en ze nemen het niet zo nauw met liberate vrijheden en de rechtstaat zoals wij die kennen.

images-1Maar ook programma’s van politieke partijen kunnen mij maar matig bekoren. Het grootste probleem met partijen aan de linker zijde is dat zij de kracht van het ondernemerschap onderschatten en de uitwassen daarvan willen bestrijden met steeds méér toezicht, wet- en regelgeving. Zij overschatten het effect van overheidsbemoeienis en zien de perverse effecten daarvan over het hoofd. De politieke partijen ter rechterzijde hebben hun ziel en zaligheid verbonden aan economische groei. Ze hebben weinig oog voor de verschillen tussen mensen in macht, rijkdom en ontplooïngskansen en de negatieve gevolgen daarvan.

Ik ga eerst in op de vraag wat er zoal zou moeten gebeuren en daarna hoe veranderingen tot stand kunnen komen. Mijn opsomming is allesbehalve volledig.

Bedrijven en organisaties[2]:

  1. Alle bedrijven en organisaties verwerven binnen tien jaar de status van (gecertificeerde) ‘benefit corporation’. Dat wil zeggen dat ze hun handelen baseren op een expliciete bijdrage aan de (wereld)samenleving als geheel (‘purpose’) en niet in de eerste plaats streven naar maximaliseren van de aandeelhouderswaarde.employee-benefits-header1
  2. Aandeelhouders verliezen directe invloed op het bedrijfsbeleid, bijvoorbeeld door aandelen onder te brengen in stichtingen. IKEA heeft dit al gedaan. Vijandige overnames worden ook met andere middelen voorkomen.
  3. Bedrijven en organisaties stimuleren zeggenschap en autonomie van werknemers. Leiderschap wordt gedeeld en verantwoordelijkheden en bevoegdheden gedecentraliseerd.
  4. Alle inkomens zijn openbaar. De hoogste inkomens bedragen maximaal tien maal het modale inkomen. Minimuminkomens zijn voldoende voor een menswaardig bestaan.Unknown-3
  5. Beurzen stoppen met ‘high frequency trade’ (computergestuurde handel in aandelen) en aandelen dienen minimaal een jaar in iemands bezit te zijn, voordat ze kunnen worden verkocht.
  6. Banken zorgen ervoor dat bedrijven goedkoop geld kunnen lenen. Zij richten een onderling risicofonds op. Hoe meer geld rechtsstreeks van banken of via crowd funding kan worden verkregen, des te minder wordt de noodzaak van een beursgang.

Overheid

  1. De overheid baseert haar beleid op inclusieve groei in plaats van op vergroten van het bruto nationaal product. Uitgangspunt daarbij zijn de doelen voor duurzame ontwikkeling van de VN. [3screenshot-4
  2. Overheden beperken wet- en regelgeving tot essentiële zaken. Ze stimuleren zelfregulering en zien toe op stringente uitvoering daarvan.
  3. Wet- en regelgeving sluit aan op internationale verdragen (zoals het verdrag van Parijs). Waar deze verdragen tekortschieten gelden nationale wetten. Concurrentievoordeel voor buitenlandse goederen of diensten dat hieruit voortvloeit, wordt vereffend met belastingmaatregelen.
  4. De beschikbaarheid van nuts- en andere essentiële voorzieningen is gegarandeerd. Dit houdt niet in dat de overheid deze zelf exploiteert.
  5. Overheden ondersteunen burgers die zelf gemeenschappelijke voorzieningen willen beheren, bijvoorbeeld door ‘commoning’ of ‘sharing’.
  6. De overheid beijvert zich voor internationale afspraken die ertoe leiden dat bedrijven en personen belasting afdragen over de inkomsten die ze in het desbetreffende land verdienen.images-4
  7. Baanomvang (werktijd per week) en persioengerechtigde leeftijd worden verder geflexibiliseerd. Als de werkgelegenheid als gevolg van automatisering lager wordt dan de vraag naar arbeid, treedt de overheid regulerend op.
  8. Op termijn worden voorzieningen voor niet-arbeidgebonden inkomens ondergebacht in een basisinkomen.
  9. De invloed van burgers op de politiek wordt aanzienlijk vergroot, bijvoorbeeld door het stemmen op programma’s in plaats van op partijen[4]

Onderwijs

  1. Onderwijs stelt ontplooing van aanwezige talenten voorop. Het biedt meer keuzemogelijkheden en vrijheidsgraden in tempo en duur dan thans. Onderwijs bereidt voor op alle aspecten van het leven.AAEAAQAAAAAAAAekAAAAJDk5OGIyMzdhLWIxMWYtNDI4Yi05MWQzLTYzN2ZmNWE4ZjZjNw
  2. Sectoren in de samenleving kunnen kwalificeringseisen stellen en zullen er opleidingen ontstaan die daarop anticiperen. Een logisch gevolg is ook dat vervolgonderwijs ingangseisen kan stellen.
  3. Het onderwijs draagt ertoe bij dat kinderen van jongs af aan minder op bezit en competitie ingesteld raken en er zo meer draagvlak ontstaat voor een economie waarin hergebruik en delen van goederen en diensten normaal is.

Hoe komt verandering tot stand?

  1. Verandering zal niet vanuit de bestaande partijen komen, tenzij er naar Frans voorbeeld een volksbeweging alle stemmen naar zich toetrekt. De kans daarop is minimaal door de verschillen tussen het Franse en Nederlandse kiesstelsel.Unknown-3
  2. Een werkend alternatief is massaal lid worden van een ‘volksbeweging’ geënt op een beperkt aantal waarden en daaruit voortvloeiende fundamentele veranderingen. ‘Nederland kantelt’ kan hiertoe een aanzet geven. Het beste is als gelijktijdig een aantal ‘bekende Nederlanders’ uit het bedrijfsleven en de wereld van politiek, kunst en wetenschap zich voor deze waarden uitspreken en andere Nederlanders zich hierbij aansluiten.
  3. Een aantal politieke partijen zou dat vervolgens ook kunnen doen en kunnen besluiten om een kabinet te vormen dat deze waarden als uitgangspunt neemt. Over allerlei andere kwesties kan de Kamer op basis van (wisselende) meerderheden besluiten.

Het zou mooi zijn als lezers bovenstaande opsomming zouden aanvullen en er over niet al te lange termijn een ‘charter’ geformuleerd zou kunnen worden, bestaande uit een aantal kernwaarden.

[1] Zie: http://wp.me/p32hqY-1jd

[2] De navolgende maatregelen zijn geinspireerd door de uitkomsten van het Purpose of the Corporation project van Cass Business School te London, waarover ik eerder heb geschreven: http://wp.me/p32hqY-Sv

[3] Over het verschil tussen inclusieve groei en bruto nationaal product heb ik geschreven in de volgende blogposts: Welvaart zonder bijsmaak http://wp.me/p32hqY-Va en Geen economische groei maar inclusieve ontwikkeling: http://wp.me/p32hqY-XB

[4] Zie voor een uitwerking van het principe stemmen op programma’s in plaats van op partijen: Nederland democratisch? Over beleid heeft de kiezer niets te zeggen http://wp.me/p32hqY-1dP

Het is de schuld van het kapitaal

1 Aug

Veel mensen zijn bezorgd over de wereld: Verandering van het klimaat, uitputting van hulpbronnen, ongelijkheid, terreur, gezondheid, een nieuwe koude oorlog. Over de oorzaken van deze problemen hoor je zelden duidelijke uitspraken. Te ingewikkeld of bedreigend misschien? Het antwoord is eenvoudig. Leen Jongewaard zong er in 1967 al over: Het is de schuld van het kapitaal.

 

Ik geef hieronder twaalf overwegingen, alle gebaseerd op wetenschappelijke inzichten, waarom het kapitalisme verantwoorelijk is voor de belangrijkste hedendaagse problemen in de wereld.

  1. Diepgewortelde geloof in de noodzaak van economische groei

Economische groei (toename van het bruto nationaal product) betekent dat een land meer verdient aan de producten en diensten die het levert en de handel die het drijft. Groei zegt niets over de maatschappelijke waarde van deze producten en diensten: Het kan gaan om wapens, steenkool, consumptiegoederen, hamburgers maar ook om geneesmiddelen, elektrische auto’s of gezonde voeding. Overheden en veel burgers geloven blindelings in het belang van ongerichte economische groei[1].

  1. Consumentisme overheerst de meeste aankopen

Bezit is tot statussymbool verworden en (over)consumptie tot gewoonte. Het lukt bedrijven wonderwel om de productie van rommel (goederen en diensten die snel slijten, onnodig zijn, ernstig vervuilen of de gezondheid bedreigen) op te voeren. Mensen gaan onverantwoorde leningen aan om hun honger naar bezit te stillen. De opkomende deeleconomie is inmiddels door multinationale ondernemingen geannexeerd, die er grof geld aan verdienen (Uber, Lyft, AirB&B)

Unknown

  1. De plundering van de aarde

Ongerichte economische groei en massaconsumptie zijn de belangrijkste oorzaken van de milieuproblematiek en de uitputting van alle natuurlijke hulpbronnen, de onbeperkte kap van bossen en het uitsterven van veel diersoorten. Voor fossiele brandstoffen zijn er alternatieven, voor veel andere grondstoffen niet. De plundering van de aarde is begonnen in de 16de eeuw met de diefstal van de onmetelijke goudvoorraden van Zuidamerikaanse beschavingen en daarna de totale ontwrichting van het sociale leven in alle continenten waar ontdekkingsreizigers neerstreken.

  1. Inkomensgroei is ongelijk verdeeld

De modale werknemer – wereldwijd – merkt weinig van economische groei. In ontwikkelde landen is de bestedingsruimte voor personen met een gemiddeld inkomen al decennia nauwelijks toengenomen. In de VS is deze gedaald. Het duidelijkst is dat in opkomende landen. Hier groeit nationaal inkomen harder dan waar ook, maar het grootste deel van de bevolking blijft leven in armoede en er ontstaat een puissant rijke en corrupte bovenlaag van politici en ondernemers. Deze groeiende ongelijkheid is een bron van onrust en draagt bij aan voor velen uitzichtloze emigratie, al betreft het vaak de best opgeleide bewoners[2].

screenshot

  1. Opkomst van fundamentalisme

Kritiek op de rijkdom en macht van ‘westerse’ landen en hun materialistische levensstijl ligt aan de basis van fundamentalistische Islamitische bewegingen. Deze zijn overigens zelf speelbal geworden van op geld en macht beluste leiders die vele, vooral islamische medeburgers in het onheil hebben gestort en haat hebben gezaaid bij miljoenen andere.

  1. Verloedering van het management

Het wordt voor beursgenoteerde ondernemingen steeds moeilijker om te investeren in duurzame producten en diensten. De aandeelhouders en vooral de steeds belangrijkere ‘venture capitalists’ willen maximale opbrengst op korte termijn[3]. Professionele managers worden verleid met hoge salarissen en bonussen om mee te werken aan de verkwanseling van het langetermijnbelang van waardevolle ondernemingen[4]. Wie weerstand biedt, krijgt het zwaar te voorduren. Recente voorbeelden zijn er genoeg[5].

screenshot kopie 2

  1. Effectenbeurs is ongeleid projectiel

De beurs zelf fungeert allang niet meer als barometer van de kwaliteit van ondernemingen[6]. Oorspronkelijk was de aanschaf van aandelen een blijk van vertrouwen in de koers van een bedrijf. Nu wordt de koers bepaald door strategisch gedrag van speculanten om op korte termijn (koers) winsten hoog dividend te behalen. Het meest verderfelijke hulpmiddel is ‘high frequency trading’ (HFT). Computers nemen met behulp van AI inkoop- en verkoopbeslissingen op basis van de kleinste koersschommelingen. Het effect van het streven naar winst op korte termijn is dat bedrijven zonder enige aanleiding aanzienlijke koersverliezen kunnen leiden, hetgeen de greep van de ‘venture capitalists’ op het management opnieuw sterker maakt.

  1. Systeem van banken is ontspoord

Dat de banken de kredietcrisis hebben veroorzaakt en dat deze alleen met veel belastinggeld van de burgers kon worden afgewend, lijkt vergeten[7]. Bankdirecties strijken weer bonussen op en als er ergens terughoudendheid wordt betracht, dan is dat bij het beschikbaar stellen van (goedkoop) investeringskapitaal. In essentie zijn de banken nog steeds hun missie vergeten, namelijk financiële dienstverlening.

  1. Bedrijven regisseren overheden

Tegenover internationaal opererende bedrijven kunnen of willen nationale overheden weinig beginnen. Om investeringen binnen te halen, strooien deze met belastingfaciliteiten. Ze zijn er mede schuldig aan dat veel bedrijven over hun gigantische winst nauwelijks belasting afdragen. In tegendeel; bedrijven die een goed verhaal opdissen over innovatie, kunnen royale subsidies tegenmoet zien.

images.jpeg

Veel beïnvloeding van politici door het internationale bedrijfsleven is voor de burger onzichtbaar. Deze varieert van lobbyactiviteiten, curruptie, steun aan misdadige praktijken (maffia) tot het meewerken aan opkomst en val van regimes. Veel politici ambiëren goedbetaalde banen in het bedrijfsleven en ze leggen zichzelf bewust of onbewust zelfcensuur op.

  1. Overheden schieten tekort bij de (her)verdeling van de welvaart

Overheden slagen er steeds minder in via belastingheffing en andere maatregelen maatschappelijke ongelijkheid te matigen. Met veel aplomp worden salarissen van de top in de publieke sector beperkt, maar de inkomens in de private sector, inclusief verderfelijke bonussen, kunnen ongeremd groeien. Veel energie wordt gestoken in symboolpolitiek, zoals de tot standkoming van codes voor corporate governance[8]. De overheid heeft evenmin invloed op de snel opkomende automatisering en robotisering, die desastreuze effecten op de werkgelegenheid zal heben[9]. Beleid over hoe hiermee om te gaan (herverdeling van werk en arbeidsloos inkomen) ontbreekt.

Unknown.jpeg

  1. De uitholling (‘commodificering’) van collectieve goederen en diensten

Overheden zijn overtuigd van de doelmatigheid van onbeperkte marktwerking. Het gevolg is dat ze organisaties die maatschappelijk waardevolle en onmisbare goederen en diensten produceren – vervoer, drinkwater, elektriciteit, gezondheidszorg en educatie – als bedrijven wensen te zien en behandelen. Erger nog is dat deze organisaties zichzelf ook als zodanig gaan zien. Er ontstaat een nieuwe markt, bijvoorbeeld waar gemeenten zorgtaken aanbesteden en ‘zorgondernemingen’ hun diensten aanbieden. De goedkoopste aanbieder krijgt doorgaans de opdracht gegund. De proces heeft een desastreus effect op de kwaliteit, ook al omdat de prestatienormen voor het personeel fors worden opgevoerd met als gevolg een massale uittocht van ervaren en bekwame krachten.

  1. Politieke blokvorming wordt steeds gevaarlijker

De wereld raakt steeds meer in de greep van machtsblokken. Aan de geestelijke gezondheid, laat staan de betrouwbaarheid van menig staatshoofd kan ernstig worden getwijfeld. Helaas kent elk machtsblok wel een aantal pathologische gevallen. Sterker, de historie laat zien dat politieke blokvorming zelf het product is van krankzinnige, megalomane en op macht beluste leiders. In de recente geschiedenis is gebleken dat bewapening en oorlogsdreiging een belangrijke bijdrage levert aan economische groei en technische ontwikkeling. Niemand minder dan Churchill wees al op de gevaren van het militair-industrieel complex. Deze zijn groter dan ooit. Voor een land als Nederland is lidmaatschap van de Navo een vanzelfsprekendheid. Waarom eigenlijk? Liggen stappen richting ontbinding van machtsblokken niet veel meer voor de hand?

images-2.jpeg

Hoezeer burgers zich ook zorgen maken over de problemen die de wereld bedreigen, massaal verzet is afwezig. Begrijpelijk, niemand wil zijn bestaanszekerheid op korte termijn op het spel zetten. In een volgende post inventariseer ik mogelijkheden voor een koerswijziging die radikaal is zonder de samenleving te ontwrichten.

[1] Het alternatief voor ‘ongerichte groei’ is selectieve groei, de productie van goederen en diensten die bijdragen aan welzijn, welbevinden en milieu: http://wp.me/p32hqY-XB

[2] De zogeheten olifantscurse illustreert overduidelijk de ongelijke verdeling van de economische groei: http://wp.me/p32hqY-11d

[3] Waarom de gerichtheid op maximaliseren van aandeelhouderswaarde rampzalig is voor de continuïteit van bedrijven: http://wp.me/p32hqY-4S

[4] De gekte rond het inkomen van ceo’s en waarom de hoogte van dit inkomen niet in verhouding staat tot ervaring en competentie: http://wp.me/p32hqY-8i

[5] Zie voor een aantal voorbeelden: http://wp.me/p32hqY-1hW

[6] Hoe de beurs haar betekenis heeft verloren en welke gevaarlijke gevolgen dit heeft: http://wp.me/p32hqY-eD

[7] De rol van de banken bij het ontstaan van de kredietcrisis: http://wp.me/p32hqY-6x

[8] De zin en de onzin van codes voor corporate governance: http://wp.me/p32hqY-TE

[9] De verwachte gevolgen van automatisering en ronotisering op middellange termijn: http://wp.me/p32hqY-6L

Smart City 1.0, 2.0 en 3.0. Wat volgt?

2 Jul

screenshot 3

Illustratie uit: Compendium for the Civil Economy [1]

Smart City 1.0 is een stad die geavanceerde technologie inzet waar dat maar mogelijk is: Verbetering van de doorstoming van het verkeer, monitoren van de luchtkwaliteit, bewaking en toezicht, zoals ‘crowdcontrol’ et cetera. Het gebruik van technologie wordt vaak bekritiseerd als zijnde ‘technology push’; ook vanwege de rol die grote bedrijven, zoals IBM en Cisco daarbij spelen.

Het predikaat Smart City 2.0 daarentegen is van toepassing als technologische hulpmiddelen expliciet zijn ontworpen om problemen zoals vervuiling, gezondheid en verkeer aan te pakken en hun inzet plaats vindt in nauw overleg met de burgers. Een breed gedragen visie op leefbaarheid en duurzaamheid staat voorop.

De interesse van burgers om deel te nemen aan formele besluitvormingscircuits en eindeloze vergaderingen is echter beperkt. Ondertussen is wereldwijd een grootte rech aantal burgers betrokken bij activiteiten zoals collectief tuinieren, koken, het aantrekkelijk maken van straten en zelfs de productie van energie. Deze activiteiten, vaak aangeduid als commoning of place-making, beperken zich niet tot high-tech maar bedienen zich ook van low- of no-tech oplossingen[2]. Idealiter dragen deze activiteiten bij aan bredere doelen zoals sociale integratie, democratie, stichten van bedrijven en het opbouwen van sociaal kapitaal. Hier is het predikaat Smart City 3.0 in orde.

Deze post gaat over Smart Cities 3.0.

Op dit moment kan geen enkele stad zich erop beroepen om een ​​Smart City 2.0 of 3.0 te zijn. Een beperkt aantal steden kan het predikaat Smart City 1.0 claimen. De nieuw gebouwde voorstad van Seoul, Songdo, is waarschijnlijk een van hen[3]. Amsterdam en Rotterdam zijn op weg naar Smart City 2.0. en mogelijk ook naar Smart City 3.0. In beide steden vindt een groot aantal samenwerkingsprojecten van groepen burgers plaats. De Community Lovers Guide geeft daarvan fraai geïllustreerde voorbeelden[4]. Sommige worden in deze post genoemd. Volgens Tessy Britton, een van de auteurs, werken veel van deze projecten echter geïsoleerd, zonder een vorm van ondersteuning en als gevolg daarvan hangt hun continuïteit af enkele enthousiaste ‘trekkers’.

De voordelen van een platform benadering

In theorie is een platform benadering een nuttig instrument om projecten te initiëren, te ondersteunen, aan elkaar te koppelen en extern te representeren. Daarmee wordt de basis gelegd voor een participerende cultuur. In West Norwood (Zuid-Londen) is de haalbaarheid van zo’n aanpak door middel van een ‘fieldlab’-benadering onderzocht.

Het platform – genaamd The Open Works – werd zichtbaar toen het zijn ‘hoofdkwartier’ vestigde in een leegstaande winkel. Burgers werden tijdens informele bijeenkomsten op de hoogte gebracht en elke belanghebbende was welkom voor een kopje thee in het ‘hoofdkwartier’. Binnen een jaar zijn 20 projecten geïnitieerd en bijna 1000 mensen hebben daaraan geregeld deelgenomen. Een zeer leesbaar en goed geïllustreerd rapport beschrijft de resultaten[5].

screenshot 2
Het ‘hoofdkwartier’ van Open Works in West Noorwood[6]

De belangrijkste bevindingen

De onderstaande bevindingen verwijzen naar de resultaten van het proefproject, maar worden ondersteund door de resultaten van andere veldstudies.

1  Versterking van een inclusieve participatieve ecologie is haalbaar

1460110652118

Nice New West (Amsterdam)[7]

Veel burgers blijken bereid om deel te nemen aan gemeenschappelijke initiatieven, op voorwaarde dat het om activiteiten gaat die aansluiten bij hun eigen behoeften en niet om onderlinge discussies en overleg met externe instanties. Inclusiviteit – deelname van uiteenlopende bevolkingsgroepen – ligt binnen handbereik als initiële projecten goed gekozen worden. Bijvoorbeeld een multiculturele proeverij tijdens informatiemarkten en festivals.

2  Het aantal activiteiten moet een bepaalde drempel overschrijden

Opschaling van het aantal en de verscheidenheid van activiteiten is nodig om te voorkomen dat zij geïsoleerd raken en meer in het algemeen om de ontwikkeling van een participatieve cultuur te stimuleren. De drempel is vrij hoog: 10% van de burgers zal gemiddeld drie keer per week moeten deelnemen aan een project. Bovendien moeten er  binnen 15 minuten loopafstand minstens 5 alternatieve projecten zijn te vinden.

3  De wenselijkheid van verschillende typen projecten

banner-5-community

Pendrecht Universiteit (Rotterdam)[8]

Een eerste type omvat samenwerkingsactiviteiten, gericht op de dagelijkse behoeften. In het tweede type biedt een kleine groep mensen diensten aan voor de gemeenschap als geheel. Een bekend voorbeeld is The Library of Things, gebaseerd op delen van gereedschap en apparatuur. Mettertijd kunnen dergelijke activiteiten economische waarde en werkgelegenheid creëren.

4  Projecten vloeien voort uit de behoeften van de burgers

Het starten, inrichten en uitvoeren van projecten gebeurt informeel. Schriftelijke plannen en formele goedkeuring zijn niet nodig en er is enig ‘seed capital’ beschikbaar. Ondersteuning door het platform (‘het hoofdkwartier’) is van kritieke waarde. De deelnemers blijven echter verantwoordelijk voor hun eigen project met inbegrip van het zoeken naar aanvullende financiering.

5  Reanimeren van collectieve dienstverlening ligt binnen handbereik

1460043830845

‘Mens sheds’ (in veel steden)[9]

Een participatieve cultuur kan bijdragen aan het reanimeren van vormen van collectieve dienstverlening, zoals wijkwinkels, een minibusverbinding met nabijjgelegen metrostations, herinrichting van braakliggende percelen, buurtpreventie en de heropening van voormalige voorzieningen zoals een oud sportfondsenbad. Alles gebaseerd op vrijwilligerswerk maar ondersteund door gemeentelijke overheden.

6  Zorg voor kwetsbare burgers

Participatie van kwetsbare burgers aan gemeenschapsactiviteiten kan voorkomen dat ze aan lager wal raken. Recent onderzoek, samengevat in het bovengenoemde Open Works eindrapport, bevestigt Putnam’s conclusie dat gemeenschapsactiviteiten het maatschappelijk kapitaal van de samenleving vergroten en bijdragen aan de fysieke en mentale gezondheid van de betrokkenen[10].

7  De platformbenadering heeft bewezen waardevol te zijn

De drie deeltijdse medewerkers hielpen bij het ontstaan van projecten, brachten mensen bijeen, organiseerde vergaderingen, verlichttten administratieve lasten, bemiddelde met externe partijen en konden kleine bedragen uitkeren voor projectkosten. De gemeentelijke investering in het platform bedroeg slechts € 10 per inwoner.

banner1

Het Wadebridge Energiebedrijf. Een energiebedrijf opgericht en beheerd door burgers. Het levert energie aan op 10% van de bevolking van Wadebridge[11]

8  Ook de gemeente moet zich aanpassen

Voor een goed verloop van de samenwerking met de burgers is het wenselijk dat het gemeentebestuur projecten die op tal van plaatsen ontstaan mede als uitgangspunt neemt in plaats van deze in de eerste plaats te toetsen aan het bestaande gemeentelijk beleid. Ook hier zijn platforms onontbeerlijke intermediairen.

Hoe verder?

screenshot 4

Doelstellingen van het nieuwe pilotproject[12]

Aanvankelijk was het de bedoeling om de Norwood-pilot met twee jaar te verlengen en deze op te schalen naar een gebied met 50.000 inwoners. Ook dit is nog slechts een fractie van de Londense bevolking. Daarom is een nieuw project ontworpen – Participatory City North London – dat minstens 200.000 bewoners omvat. De start is voorzien eind 2017 en het zal vijf jaar duren. Hiernaast staat opgesomd wat dit project moet opleveren. Als dit lukt is deze gemeente misschien de eerste ter wereld die terecht het predikaat Smart City 3.0 mag claimen. Ondertussen streven ook andere steden vergelijkbare doelen na, waaronder Amsterdam en Rotterdam. Je kunt hopen dat deze steden leren van de West Norwood-pilot en geduchte concurrenten worden van Participatory City London North.

En wat volgt er na Smart City 3.0?

Het ligt voor de hand dat dit Smart City 4.0 is. Het gaat dan niet meer alleen om dat burgers met hun activiteiten de inrichting van de leefomgeving mede vormgeven, maar dat zij daartoe ook gelijke kansen hebben, onder andere dankzij de beschikbaarheid van betaalbare woningen en een samenleving met een meer gelijke inkomesverdeling die het werk rechtvaardige verdeelt. Uit een eerdere post blijkt dat dit nog een hele klus zal zijn[13].

[1] https://issuu.com/architecture00/docs/compendium_for_the_civic_economy_publ

[2] Zie mijn eerdere post: Leidt commoning tot nieuw democratisch elan? http://wp.me/p32hqY-1cf

[3] Zie mijn eerdere post: Smart cities zijn de oplossing, maar voor welk probleem? http://wp.me/p32hqY-1ai

[4] http://www.communityloversguide.org

[5] https://drive.google.com/file/d/0B28SOnHQM5HVV0pyT2p1NGNvQk0/view

[6] https://drive.google.com/file/d/0B28SOnHQM5HVV0pyT2p1NGNvQk0/view

[7] https://issuu.com/communityloversguide/docs/nicenewwest

[8] https://issuu.com/communityloversguide/docs/pendrecht_university

[9] https://issuu.com/communityloversguide/docs/handmade_-_new_-_mens_sheds

[10] Putnam, R. (2001) “Social Capital: Measurement and Consequences”. [online] http://www.oecd.org/innovation/research/1825848.pdf

[11] http://www.wren.uk.com/wren-the-facts/wadebridge-energy-company

[12] http://www.participatorycity.org/history-of-the-project/#intro5

[13] Zie mijn eerdere post: Smart Cities kunnen ook dom zijn: http://wp.me/p32hqY-1cW