Archief | Sociale innovatie RSS feed for this section

Smart City 1.0, 2.0 en 3.0. Wat volgt?

2 Jul

screenshot 3

Illustratie uit: Compendium for the Civil Economy [1]

Smart City 1.0 is een stad die geavanceerde technologie inzet waar dat maar mogelijk is: Verbetering van de doorstoming van het verkeer, monitoren van de luchtkwaliteit, bewaking en toezicht, zoals ‘crowdcontrol’ et cetera. Het gebruik van technologie wordt vaak bekritiseerd als zijnde ‘technology push’; ook vanwege de rol die grote bedrijven, zoals IBM en Cisco daarbij spelen.

Het predikaat Smart City 2.0 daarentegen is van toepassing als technologische hulpmiddelen expliciet zijn ontworpen om problemen zoals vervuiling, gezondheid en verkeer aan te pakken en hun inzet plaats vindt in nauw overleg met de burgers. Een breed gedragen visie op leefbaarheid en duurzaamheid staat voorop.

De interesse van burgers om deel te nemen aan formele besluitvormingscircuits en eindeloze vergaderingen is echter beperkt. Ondertussen is wereldwijd een grootte rech aantal burgers betrokken bij activiteiten zoals collectief tuinieren, koken, het aantrekkelijk maken van straten en zelfs de productie van energie. Deze activiteiten, vaak aangeduid als commoning of place-making, beperken zich niet tot high-tech maar bedienen zich ook van low- of no-tech oplossingen[2]. Idealiter dragen deze activiteiten bij aan bredere doelen zoals sociale integratie, democratie, stichten van bedrijven en het opbouwen van sociaal kapitaal. Hier is het predikaat Smart City 3.0 in orde.

Deze post gaat over Smart Cities 3.0.

Op dit moment kan geen enkele stad zich erop beroepen om een ​​Smart City 2.0 of 3.0 te zijn. Een beperkt aantal steden kan het predikaat Smart City 1.0 claimen. De nieuw gebouwde voorstad van Seoul, Songdo, is waarschijnlijk een van hen[3]. Amsterdam en Rotterdam zijn op weg naar Smart City 2.0. en mogelijk ook naar Smart City 3.0. In beide steden vindt een groot aantal samenwerkingsprojecten van groepen burgers plaats. De Community Lovers Guide geeft daarvan fraai geïllustreerde voorbeelden[4]. Sommige worden in deze post genoemd. Volgens Tessy Britton, een van de auteurs, werken veel van deze projecten echter geïsoleerd, zonder een vorm van ondersteuning en als gevolg daarvan hangt hun continuïteit af enkele enthousiaste ‘trekkers’.

De voordelen van een platform benadering

In theorie is een platform benadering een nuttig instrument om projecten te initiëren, te ondersteunen, aan elkaar te koppelen en extern te representeren. Daarmee wordt de basis gelegd voor een participerende cultuur. In West Norwood (Zuid-Londen) is de haalbaarheid van zo’n aanpak door middel van een ‘fieldlab’-benadering onderzocht.

Het platform – genaamd The Open Works – werd zichtbaar toen het zijn ‘hoofdkwartier’ vestigde in een leegstaande winkel. Burgers werden tijdens informele bijeenkomsten op de hoogte gebracht en elke belanghebbende was welkom voor een kopje thee in het ‘hoofdkwartier’. Binnen een jaar zijn 20 projecten geïnitieerd en bijna 1000 mensen hebben daaraan geregeld deelgenomen. Een zeer leesbaar en goed geïllustreerd rapport beschrijft de resultaten[5].

screenshot 2
Het ‘hoofdkwartier’ van Open Works in West Noorwood[6]

De belangrijkste bevindingen

De onderstaande bevindingen verwijzen naar de resultaten van het proefproject, maar worden ondersteund door de resultaten van andere veldstudies.

1  Versterking van een inclusieve participatieve ecologie is haalbaar

1460110652118

Nice New West (Amsterdam)[7]

Veel burgers blijken bereid om deel te nemen aan gemeenschappelijke initiatieven, op voorwaarde dat het om activiteiten gaat die aansluiten bij hun eigen behoeften en niet om onderlinge discussies en overleg met externe instanties. Inclusiviteit – deelname van uiteenlopende bevolkingsgroepen – ligt binnen handbereik als initiële projecten goed gekozen worden. Bijvoorbeeld een multiculturele proeverij tijdens informatiemarkten en festivals.

2  Het aantal activiteiten moet een bepaalde drempel overschrijden

Opschaling van het aantal en de verscheidenheid van activiteiten is nodig om te voorkomen dat zij geïsoleerd raken en meer in het algemeen om de ontwikkeling van een participatieve cultuur te stimuleren. De drempel is vrij hoog: 10% van de burgers zal gemiddeld drie keer per week moeten deelnemen aan een project. Bovendien moeten er  binnen 15 minuten loopafstand minstens 5 alternatieve projecten zijn te vinden.

3  De wenselijkheid van verschillende typen projecten

banner-5-community

Pendrecht Universiteit (Rotterdam)[8]

Een eerste type omvat samenwerkingsactiviteiten, gericht op de dagelijkse behoeften. In het tweede type biedt een kleine groep mensen diensten aan voor de gemeenschap als geheel. Een bekend voorbeeld is The Library of Things, gebaseerd op delen van gereedschap en apparatuur. Mettertijd kunnen dergelijke activiteiten economische waarde en werkgelegenheid creëren.

4  Projecten vloeien voort uit de behoeften van de burgers

Het starten, inrichten en uitvoeren van projecten gebeurt informeel. Schriftelijke plannen en formele goedkeuring zijn niet nodig en er is enig ‘seed capital’ beschikbaar. Ondersteuning door het platform (‘het hoofdkwartier’) is van kritieke waarde. De deelnemers blijven echter verantwoordelijk voor hun eigen project met inbegrip van het zoeken naar aanvullende financiering.

5  Reanimeren van collectieve dienstverlening ligt binnen handbereik

1460043830845

‘Mens sheds’ (in veel steden)[9]

Een participatieve cultuur kan bijdragen aan het reanimeren van vormen van collectieve dienstverlening, zoals wijkwinkels, een minibusverbinding met nabijjgelegen metrostations, herinrichting van braakliggende percelen, buurtpreventie en de heropening van voormalige voorzieningen zoals een oud sportfondsenbad. Alles gebaseerd op vrijwilligerswerk maar ondersteund door gemeentelijke overheden.

6  Zorg voor kwetsbare burgers

Participatie van kwetsbare burgers aan gemeenschapsactiviteiten kan voorkomen dat ze aan lager wal raken. Recent onderzoek, samengevat in het bovengenoemde Open Works eindrapport, bevestigt Putnam’s conclusie dat gemeenschapsactiviteiten het maatschappelijk kapitaal van de samenleving vergroten en bijdragen aan de fysieke en mentale gezondheid van de betrokkenen[10].

7  De platformbenadering heeft bewezen waardevol te zijn

De drie deeltijdse medewerkers hielpen bij het ontstaan van projecten, brachten mensen bijeen, organiseerde vergaderingen, verlichttten administratieve lasten, bemiddelde met externe partijen en konden kleine bedragen uitkeren voor projectkosten. De gemeentelijke investering in het platform bedroeg slechts € 10 per inwoner.

banner1

Het Wadebridge Energiebedrijf. Een energiebedrijf opgericht en beheerd door burgers. Het levert energie aan op 10% van de bevolking van Wadebridge[11]

8  Ook de gemeente moet zich aanpassen

Voor een goed verloop van de samenwerking met de burgers is het wenselijk dat het gemeentebestuur projecten die op tal van plaatsen ontstaan mede als uitgangspunt neemt in plaats van deze in de eerste plaats te toetsen aan het bestaande gemeentelijk beleid. Ook hier zijn platforms onontbeerlijke intermediairen.

Hoe verder?

screenshot 4

Doelstellingen van het nieuwe pilotproject[12]

Aanvankelijk was het de bedoeling om de Norwood-pilot met twee jaar te verlengen en deze op te schalen naar een gebied met 50.000 inwoners. Ook dit is nog slechts een fractie van de Londense bevolking. Daarom is een nieuw project ontworpen – Participatory City North London – dat minstens 200.000 bewoners omvat. De start is voorzien eind 2017 en het zal vijf jaar duren. Hiernaast staat opgesomd wat dit project moet opleveren. Als dit lukt is deze gemeente misschien de eerste ter wereld die terecht het predikaat Smart City 3.0 mag claimen. Ondertussen streven ook andere steden vergelijkbare doelen na, waaronder Amsterdam en Rotterdam. Je kunt hopen dat deze steden leren van de West Norwood-pilot en geduchte concurrenten worden van Participatory City London North.

En wat volgt er na Smart City 3.0?

Het ligt voor de hand dat dit Smart City 4.0 is. Het gaat dan niet meer alleen om dat burgers met hun activiteiten de inrichting van de leefomgeving mede vormgeven, maar dat zij daartoe ook gelijke kansen hebben, onder andere dankzij de beschikbaarheid van betaalbare woningen en een samenleving met een meer gelijke inkomesverdeling die het werk rechtvaardige verdeelt. Uit een eerdere post blijkt dat dit nog een hele klus zal zijn[13].

[1] https://issuu.com/architecture00/docs/compendium_for_the_civic_economy_publ

[2] Zie mijn eerdere post: Leidt commoning tot nieuw democratisch elan? http://wp.me/p32hqY-1cf

[3] Zie mijn eerdere post: Smart cities zijn de oplossing, maar voor welk probleem? http://wp.me/p32hqY-1ai

[4] http://www.communityloversguide.org

[5] https://drive.google.com/file/d/0B28SOnHQM5HVV0pyT2p1NGNvQk0/view

[6] https://drive.google.com/file/d/0B28SOnHQM5HVV0pyT2p1NGNvQk0/view

[7] https://issuu.com/communityloversguide/docs/nicenewwest

[8] https://issuu.com/communityloversguide/docs/pendrecht_university

[9] https://issuu.com/communityloversguide/docs/handmade_-_new_-_mens_sheds

[10] Putnam, R. (2001) “Social Capital: Measurement and Consequences”. [online] http://www.oecd.org/innovation/research/1825848.pdf

[11] http://www.wren.uk.com/wren-the-facts/wadebridge-energy-company

[12] http://www.participatorycity.org/history-of-the-project/#intro5

[13] Zie mijn eerdere post: Smart Cities kunnen ook dom zijn: http://wp.me/p32hqY-1cW

Leidt commoning tot nieuw democratisch elan?

4 Jun

screenshot 4

Er is al veel geschreven en gezegd over de kloof tussen burgers en politiek. Veel burgers lijken apathisch, anderen zien politici bij voorbaat als tegenstanders. Er is ook een grote groep die sterk betrokken is, zeker op lokaal gebied. Van degene die tot deze groep behoren is de meest gehoorde klacht vaak tegen bureaucratie aan te lopen. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) heeft deze problemen al in 2012 uitgediept en beschreven in een uitstekend rapport: Vertrouwen in burgers[1]. Dit rapport is actueler dan ooit.

Commoning

images-2De WRR wil de politieke betrokkenheid vergroten door burgers problemen – in eerste instantie die in de directe omgeving – zelf en naar eigen inzicht te laten op te lossen. Een voorwaarde daarvoor is voldoende mate van samenhorigheid. Vroeger was dit vanzelfsprekend, nu veel minder. Er is wereldwijd echter sprake van een kentering. Commoning activiteiten voor en door buurtbewoners schieten als paddenstoelen uit de grond: Speeltuintjes, buurtfeesten, een gemeenschappelijke kruidentuin, een ‘bibliotheek’ voor weinig gebruikte gereedschappen, een terrein voor sport en spel, hulp bij huiswerk et cetera[2]. Sommige gemeentebestuurders ondersteunen deze activiteiten waar ze dat kunnen, ook financieel.

De inrichting van de ruimte werkt niet mee

Vinexwijk-LeidscheRijn-Shutterstock-578x420In dorpen is er doorgaans volop plaats voor commoning. Behalve een dorpsplein, zijn er altijd weilanden, schuren, buurtcentra en café’s. Nadat de moderne stedenbouw heeft ingezet op de eengezinswoning, gaat alle beschikbare ruimte naar woningen, tuinen, wegen, parkeerplaatsen en groenvoorzieningen, met of zonder wipkippen. De ontwerpers van deze wijken namen aan dat sociale contacten van de bewoners vooral buiten de wijk plaatsvinden of in klein gezelschap binnenshuis. Tot voor kort klopte dit ook wel. Maar nu staat deze visie de groei van commoning in de weg. Bewoners hebben tegenwoordig minder behoefte aan groen omwille van het groen. Bomen en planten staat er in elke tuin al genoeg. Wat node wordt gemist is een pleintje, een speelveld en vooral lege ruimte, waar ze zelf een speeltuintje, kruidentuin of praatplek kunnen maken of waar de kinderen hun fantasie de vrije loop kunnen laten.

Van commoning naar lokale democratie

9192621095_1b2b161c04_kCommoning als zodanig of het bewerkstelligen van een goede plek ervoor, betekent vrijwel altijd dat burgers politiek geïnvolveerd raken. Hier ligt een kans voor gemeenten die burgerparticipatie een warm hart toedragen. Vertrouwen in burgers betekent dat de gemeente bewoners actief betrekt bij de vormgeving van hun buurt, uiteraard binnen bepaalde randvoorwaarden. Deskundigen zoals stedenbouwkundigen en (landschaps)architecten bespreken dan ideeën en alternatieven met betrokken wijkbewoners in plaats van kant en klare plannen op te leveren. Het zijn de organisatie van feesten, de instandhouding van een groentetuin of een knutselwerkplaats, die de basis leggen voor deze betrokkenheid.

Van commoning naar politieke participatie

Betrokkenheid bij de eigen wijk versterkt op haar beurt deelname aan de lokale politiek. Tijdens commoning activiteiten in een nieuw stadsdeel blijkt dat iedereen ontevreden is over de ontsluiting van de wijk door openbaar vervoer. Om maar een voorbeeld te noemen. De betrokkenen hebben al snel in de gaten dat bewoners in alle nieuwe stadsdelen er net zo over denken. Met zijn allen besluiten ze om ideeën te ontwikkelen. De gemeente faciliteert dit proces, bijvoorbeeld door stedenbouwkundigen advies te laten geven en legt het resultaat voor aan de gemeenteraad. Reken maar dat de commons die bij de ontwikkeling van deze en andere plannen betrokken zijn, de deliberaties in de raad met belangstelling volgen.

Als de politiek de burgers vertrouwt, komt het vertrouwen van de burgers in de politiek vanzelf terug.

thelocals_ourfarm-12-2

[1] Dit rapport kan hier worden gedownload: https://www.wrr.nl/publicaties/rapporten/2012/05/22/vertrouwen-in-burgers

[2] Commoning staat voor activiteiten die buurtbewoners samen organiseren. Een bruikbare Nederlandse vertaling is er niet. Soms is ook sprake van placemaking. Een wetenschappelijke studie naar commoning is: The City as a Commons door Sheila R. Foster en Christian Iaione. Dit artikel kan hier worden gedownload: http://digitalcommons.law.yale.edu/cgi/viewcontent.cgi?article=1698&context=ylpr

Innovatie van de overheid betekent ook versterking democratie

12 Mrt

latest-trends-government-uaeVan 12 – 14 februari vond in Dubai de World Government Summit plaats. 4000 deelnemers uit 140 landen bogen zich onder andere over de innovatie van het openbaar bestuur. Als innovatie van het openbaar bestuur tevens inhoudt dat gezagsdragers macht delen met burgers, dan valt er gezien het grote aantal machtigen der aarde dat naar Dubai was gevlogen (of daar al was), heel wat te verdelen. Over de wijze waarop de rol van burgers kan worden vergroot, was voorafgaand aan de conferentie een document gepubliceerd in samenwerking met door de OECD, Embracing Innovation in Government. Global Trends.[1] 

r-88-vertrouwen-in-burgers-coverTerwijl ik dit document las moest ik voortdurend denken aan de publicatie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in 2012, getiteld Vertrouwen in burgers[2], die meer nog dan de ‘glossy’ van de OECD beschrijft waar het bij innovatie van de overheid om zou moeten gaan.

Uitgangspunt van beide publicaties is het tanend vertrouwen van burgers in overheden[3]. Embracing Innovation draagt een breed scala aan oplossingen aan en verwacht veel van moderne ICT. Vertrouwen in burgers analyseert eerst grondig wat er mis is. Verwezen wordt naar het boek van Pippa Norris: Democratic Deficit. Critical Citizens Revisited (2011). De samenleving bestaat uit een ontelbare hoeveelheid individuele burgers en groepen, los-vaste en hechte organisaties en bedrijven die dankzij hoge opleiding en veel ervaring heel goed in staat zijn om zichzelf te organiseren en zich te handhaven in de steeds complexere samenleving. De overheden hebben vele decennia achter elkaar steeds meer taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden op zich genomen, een eindeloze hoeveelheid wetten en procedures geformuleerd en een machtig apparaat opgebouwd om deze te handhaven. Er is nu sprake van een mismatch:

Aan de ene kant, een overheid die haar taken steeds minder goed kan doen omdat de samenleving als complex adaptief systeem is gekenmerkt door veel onvoorspelbare gebeurtenissen. Beleid is al verouderd, voordat alle procedures doorlopen zijn en de uitvoering ervan kan beginnen. Aan de andere kant, ontevreden burgers, die denken sommige aantal taken veel sneller en effectiever in eigen beheer te kunnen uitvoeren. De kritiek van de burgers op de overheid leidt er echter toe dat deze nog meer gaan reguleren en daarmee de vrijheidsmarges van burgers kleiner maken, termijn burgers juist willen dat deze worden vergroot.

 

Vertrouwen in burgers maakt een verhelderend onderscheid tussen Weber 1.0, Weber 2.0 en Weber 3.0. om de feitelijke en de gewenste taakverdeling tussen overheid en burgers te duiden.

max_weber_theory.jpg
Weber 1.0

Max Weber is de uitvinder van de bureaucratie en dat was in zijn tijd[4] een goede zaak Hij verzette zich tegen de in zijn tijd gangbare willekeur binnen het openbaar bestuur. Hij bepleitte een strikte scheiding van verantwoordelijkheden tussen politieke ambtsdragers en ambtenaren. De eersten stellen wetten en procedures vast, gecontroleerd door volksvertegenwoordigers. De tweeden voeren deze zonder aanzien des persoon uit. Voor onderonsjes van burgers met politici of met ambtenaren is geen plaats. Inspraak van burgers is beperkt tot de beleidsvoorbereidende fase.

Weber 2.0

Vanaf de jaren ’80 van de vorige eeuw begon zich Weber 2.0 af te tekenen: Burgers werden mondiger en lieten steeds vaker buiten de gereguleerde inspraakmomenten van zich horen. Tevens spraken burgers en belangengroepen, nog maar te zwijgen over bedrijven en instellingen zowel politici als uitvoerende diensten rechtstreeks aan. Deze laatste zijn gaandeweg aanzienlijk uitgebreid en herbergen veel deskundigheid. De contacten tussen burgers, het ambtelijk apparaat en uitvoerende diensten leidden vaak tot bevredigende resultaten, mede dankzij de actieve bemiddeling van frontliniewerkers met een verbindende rol. Politici kwamen hierdoor in een spagaat, want hoe kun je nu afspraken maken met allerlei groepen en tegelijkertijd de wil van de gekozen volksvertegenwoordigers uitvoeren. De overheden probeerden hun werkterrein weer overzichtelijker te maken door overheidsdiensten te verzelfstandigen en of op afstand te zetten. In de stijl van het new public management kon dan worden volstaan met prestatieafspraken. Binnen deze kaders konden de diensten hun gang gaan, overigens vaak met minder budget dan voorheen. Daarmee was de ellende niet afgelopen, want de volksvertegenwoordigers bleven zich actief met deze diensten bemoeien, en spraken ambtsdragers aan op alle voorkomende misstanden. De NS kan hierover meepraten.

Weber 3.0

Weber 2.0 kraakt in zijn voegen en het is volgens Vertrouwen in de burger hoogtijd voor Weber 3.0, ook wel netwerksturing genaamd. Initiatieven van burgers die in Weber 2.0 werden getolereerd als ‘institutionele rek’, gaan in deze visie een centrale positie innemen. Frontliniewerkers helpen deze kanaliseren en leggen verbindingen met uitvoerende organisaties. Deze krijgen het karakter van maatschappelijke ondernemingen met taken op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg en woningbeheer. Deze uitvoeringsorganisaties verstaan zich goed met de burgers, ook zonder dat er van een acute aanleiding sprake is. Hierbij wordt niet gedacht aan geïnstitutionaliseerde klantenraden, maar aan veel meer informele contacten, open deuren, wijkbezoek, deliberative polling[5], werkgroepen en conferenties. Deze organisaties kunnen een groot aantal initiatieven vanuit burgers aanpakken binnen hun mandaat, voordat er ook maar één petitie naar de wethouder is gestuurd. Pas als blijkt dat de oplossingsmacht ‘van onderop’ aanloopt tegen de vastgestelde politieke kaders, verschijnen beleidsmakers en volksvertegenwoordigers op het toneel. Voor het overige is hun taak de vaststelling van het strategisch beleid, maar ook hier valt te overwegen om burgers bij referendum te laten beslissen over een aantal qua uitvoerbaarheid en overige randvoorwaarden gelijkwaardige alternatieven.

De auteurs van Embracing Innovation hebben wereldwijd een reeks innovaties verzameld, die overigens vaak nog in een uitprobeerfase zijn. Het is aardig om te zien hoe deze verhouden tot netwerkssturing. Embracing Innovation benoemt zes typen vernieuwingen in de relatie tussen burgers en overheid.

screenshot 5

  1. Human and machine

Een wezenlijke verbetering van de informatieverschaffing aan het publiek, door gebruik van big data. Als voorbeeld wordt genoemd een op crowd searching gebaseerd systeem om te waarschuwen voor naderende overstromingen in Jakarta.

  1. Scaling government

Initiëren van kleine projecten, bijvoorbeeld burgers die alle vormen van publiek en privaat vervoer in de stad Mexico via een app. melden en de overheid die hiervan een digitale zoeksystem maakt, maar ook het via een app. indienen van voorstellen voor overheidsbestedingen (Portugal) en daarover dan stemmen.

  1. Citizens as experts

Op grote schaal inzetten van deskundigheid van burgers, bijvoorbeeld in Sao Paulo delen burgers hun expertise met ambtenaren.

  1. Personalized services

Variërend van informatie op maat (bijvoorbeeld een informatiesysteem voor blinden in Warsaw) tot inschakelen van burgers in ontwerpsessies (user centred design).

  1. Experimental approach

Nieuwe (overheids)diensten opzetten als experimenten; Burgers worden uitgenodigd om suggesties te doen voor verdere verbetering (Finland).

  1. Rethinking the machinery of government

Een meer innovatieve werkwijze door overheidsorganisaties. Vaak zijn dwarsverbanden tussen departementen en afdelingen daarbij noodzakelijk. In Finland speelt het Government Change Agent Network een belangrijk rol bij het initiëren van organisatieverandering.

Zowel Embracing innovation als Vertrouwen in burgers benadrukken dat overheden meer moeten gaan denken vanuit de burgers en ruimte maken voor burgerinitiatieven. Dit alles vanuit de gedachte dat de burgers, instellingen en bedrijven de samenleving maken en de overheid faciliteert, coördineert en waar nodig controleert én initieert.

Al met al is sprake van een drieledige versterking van de democratie. In de eerste plaats door een wezenlijke uitbreiding van de ruimte voor zelfbestuur en –organisatie door de bevolking, samen met frontliniewerkers. In de tweede plaats door een grotere betrokkenheid van burgers bij de uitvoeringsorganisaties en ten slotte doordat de gekozen volksvertegenwoordigers zich meer op de kernwaarden kunnen concentreren als basis voor de kaders van het beleid en daarmee een herkenbare positie verwerven en ook hierop door de burgers aangesproken kunnen worden.

Helaas moet worden vastgesteld dat het rapport Vertrouwen in burgers, 5 jaar na verschijning, nog steeds een hoge mate van actualiteit heeft en Weber 3.0 een hoog utopisch gehalte.

[1] Opgesteld door de OECD Observatory of Public Sector Innovation ten behoeve van de World Government Summit te Dubai: http://www.oecd.org/gov/innovative-government/embracing-innovation-in-government.pdf

[2] Dit rapport kan hier worden gedownload: https://www.wrr.nl/publicaties/rapporten/2012/05/22/vertrouwen-in-burgers

[3]  recente post over de 2017 Edelman Trust Barometer: http://wp.me/p32hqY-Zd

[4] Begin 20ste eeuw

[5] Een systeem van representatieve peilingen onder (een deel van) de bevolking.

Hoe realiseert een land inclusieve ontwikkeling?

24 Feb

In een eerdere blogpost beschreef ik de contouren van de Inclusive Development Index (ID-index)[1], een alternatief voor het bruto nationaal product per capita[2]. Deze nieuwe index houdt rekening met de negatieve effecten van de wijze waarop een land economische groei realiseert. De VS staan op de 10de plaats als het om het bruto nationaal product gaat, maar het land zakt naar de 27ste plaats op de ID-index.

Hoe realiseert een land stijging op de ID-index?

Het Inclusive Growth and Development Report 2017 van het World Economic Forum presenteert een beleidskader bestaande uit 15 Policy and institutional Indicators (PII’s), verspreid over 7 pijlers die eraan bijdragen dat economische groei een inclusief karakter krijgt. Ik bespreek deze hieronder in het kort[3]. De onderstaande figuur toont hun samenhang.

screenshot-4

Pijler 1: Onderwijs en vaardigheden

  1. De beschikbaarheid voor een ieder van opleidings- en trainingsmogelijkheden in overeenstemming met zijn of haar potenties.
  2. Kwalitatief hoogwaardig onderwijs met betrekking tot de effectiviteit van het leren, de beschikbare (IC-)faciliteiten dat is afgestemd met het afnemende veld en aan internationale normen voldoet.
  3. Gelijke ontplooiingsmogelijkheden en kansen op voltooiing van de opleiding voor alle leerlingen en studenten, ongeacht hun achtergrond.

Pijler 2: Diensten en infrastructuur

  1. Toegankelijkheid via (spoor)wegen, beschikbaarheid van nuts- en ICT-voorzieningen en kwalitatief goede huisvesting voor brede lagen van de bevolking.
  2. Bereikbaarheid en betaalbaarheid van gezondheidszorg, aanwezigheid drinkwater en afvalverwerking, voorkomen ondervoeding, gelijke levensverwachting van mannen en vrouwen.

Pijler 3: Tegengaan van corruptie en trustvorming

  1. Integriteit van politici, ondernemers, overheidsdiensten (belastingdienst) en rechterlijke macht.
  2. Tegengaan van machtsconcentratie die initiatieven van zelfstandigen en startups bedreigen.

Pijler 4: Financiering van investeringen

  1. Toegankelijkheid en betaalbaarheid van financieringsmogelijkheden voor ondernemers en startups en initiatieven vanuit het armste deel van de bevolking.
  2. Stimuleren van investeringen in de reële economie in plaats van speculatieve investeringen in onroerend goed en financiële producten.

Pijler 5: Ondernemerschap en bezit van activa

  1. Maximaal faciliteren van starten van nieuwe bedrijven.
  2. Stimuleren en bescherming van bezitsvorming in brede lagen van de samenleving, inclusief pensioenopbouw.

Pijler 6: Werkgelegenheid en beloning

  1. Beschikbaarheid van uitdagende banen voor de hele bevolking, inclusief sociale mobiliteit en bescherming van tijdelijk en flexwerk.
  2. Een solide en transparant beloningssysteem (in geld en natura) zonder ongemotiveerde inkomensverschillen met afdoende mate van ontslagbescherming en adequate behartiging van belangen van arbeidende bevolking.

Pijler 7: Belastingen en uitkeringen

  1. Een belastingstelsel dat inkomensverschillen beperkt zonder het groeipotentieel van de economie aan te tasten.
  2. De beschikbaarheid van uitkeringen om personen zonder inkomsten uit arbeid in staat te stellen menswaardig te leven.

In mijn eerdere post over inclusieve ontwikkeling vergeleek ik de ID-index van Noorwegen, Nederland en de VS. Het onderstaande overzicht toont hoe elk van deze drie landen scoort op de 15 genoemde Policy and institutional Indicators (PII’s). Donker- en lichtgroen betekenen (hoog) bovengemiddeld, geel betekent gemiddeld en oranje en rood betekenen beneden en ver beneden het gemiddelde van de 27 rijke landen.

pii-1

pii-2

Door gericht beleid op een of meer van de hiervoor genoemde policy and institutional indicators kan elk van deze drie landen een hogere score op de ID-index realiseren.

  • Nederland en Noorwegen scoren in vergelijking met de VS hoog op het gebied van onderwijs. Maar in de VS en ook in Nederland kan beleid gericht op gelijke kansen voor alle jongeren worden versterkt (3).
  • De gezondheidszorg in de VS scoort matig, maar ook Nederland zou beter moeten kunnen scoren, bijvoorbeeld door wachtlijsten terug te dringen (5).
  • Op het gebied van ethisch handelen in politiek en bedrijfsleven loopt de VS in vergelijking met Noorwegen en in iets mindere mate in vergelijking met Nederland duidelijk achter (6).
  • Opvallend zijn de matige scores van zowel Nederland als de VS als het gaat om investeringen in de reële economie in verhouding tot speculatieve investeringen (9). Noorwegen doet het in dit opzicht zeer goed.
  • Ook ondernemerschap én startups worden in Nederland en de VS goed gefaciliteerd (10). Hier valt er voor Noorwegen nog wel wat te verbeteren.
  • Nederland en Noorwegen hebben een goed, resp. uitstekend arbeidsmarktbeleid (12). De VS scoort nier ronduit slecht.
  • Nederland heeft net als Noorwegen een uitstekend sociaal vangnet (15), maar het belastingsysteem kan nog wel een tandje bijzetten als het om het verminderen van inkomens- en vermogensverschillen gaat (14), zelfs ten opzichte van de VS.

[1]Het Inclusive growth and Development Report 2017 kan hier worden gedownload. Via deze website kunnen uitgebreide landenprofielen worden aangemaakt.: http://reports.weforum.org/inclusive-growth-and-development-report-2017/

[2] Geen economische groei maar inclusieve ontwikkeling: http://wp.me/p32hqY-XB

[3] Elk van de 15 subdomeinen is een composiet-index. Zie voor een uitgebreide beschrijving van de variabelen binnen elk subdomein: blz. 97 en volgende van het rapport. De online versie van het rapport bevat alle waarden voor alle variabelen per land.

De winnaars en de verliezers van globalisering

18 Feb

In de periode 1980 – 2013 hebben multinationale ondernemingen[1] wereldwijd ongekend veel verdiend. In 2013 bedroeg hun winst na belasting $7200 miljard, dat is bijna 10% van het bruto nationaal product van de gehele wereld. Dit is aanmerkelijk meer dan in 1980, toen het ook al om een respectabel bedrag ging.

screenshot-2

Deze winst kwam voor de helft terecht in N. Amerika en W. Europa[2]. Dat de winst zo kon stijgen werd mogelijk gemaakt door de globalisering: De enorme toename van de productie van (consumptie)goederen die wereldwijd werden afgezet tegen een steeds lagere prijs. Deze lagere prijzen waren het gevolg van wereldwijde concurrentie, automatisering en offshoring en lage grondstoffenprijzen[3].

samenleving-olifantscurveDe vraag is, wie heeft het meest van de toegenomen rijkdom geprofiteerd en wie het minst? De Servisch-Amerikaanse econoom Branco Milanovic heeft zich jarenlang toegelegd op de beantwoording van deze vraag[4]. Daartoe heeft hij – simpel gezegd – de wereldbevolking in de periode 1988 – 2008 jaarlijks in 10 groepen verdeeld: De armste 10%, de op een na armste 10% en zo voort[5]. Hij is voor elk van deze groepen nagegaan hoe hun inkomen in deze periode is veranderd. Die verandering heeft hij weergegeven in een grafiek. Deze wordt de olifantcurve genoemd vanwege de sprekende gelijkenis met de rug van een olifant.

screenshot

Wereldwijd zijn er twee groepen ‘winnaars’ en twee groepen ‘verliezers’.

De winnaars zijn:

  • De rijkste 5% van de wereldbevolking, in het bijzonder de 1% allerrijksten. De helft van de economische groei is naar deze groep gegaan. Puissant rijken komen in alle landen ter wereld voor, maar de meeste wonen in N. Amerika en W. Europa.
  • De middenklasse van de opkomende economieën, vooral in Aziatische landen. Zij heeft haar inkomen met 200 à 300% zien toenemen. Het gaat om honderden miljoenen mensen, maar de totale geldwaarde van deze groei is relatief beperkt, omdat de inkomens laag waren.

De verliezers zijn:

  • De armste 10% van de wereldbevolking. Deze heeft er niets bijgekregen. In de Republiek Congo is het gemiddelde reële inkomen in 100 jaar onveranderd gebleven. Oorzaken zijn corruptie, zelfverrijking door machthebbers en oorlogen.
  • De middenklasse in de rijke landen. Ook deze groep heeft in 30 jaar geen vooruitgang gezien. Wel zijn veel banen verloren gegaan als gevolg van offshoring en automatisering. Veel mensen, die jaren geleden nog tot de middenklasse behoorden, moeten nu genoegen nemen met een baan in de laagstbetaalde sector en de concurrentie aangaan met migranten.

De sociaaldemocratie in de rijke landen heeft deze ontwikkeling gemist en mede hierdoor heeft zij haar achterban grotendeels verloren aan extreem links of extreem rechts. De gefrustreerde middenklasse heeft in de VS Donald Trump aan de macht geholpen en in het Verenigd Koninkrijk de Brexit bewerkstelligd. Andere voorbeelden van de boosheid van deze groep zullen ongetwijfeld volgen.

De beleidsmakers in Westerse landen kunnen hun voordeel doen met de olifantcurve en draagvlak onder de bevolking terugverdienen door de volgende maatregelen:

  • Breed aanbod van banen met minder grote verschillen in status en inkomen dan nu het geval is.
  • Verdeling van de beschikbare werkgelegenheid door werktijdverkorting en een flexibele pensioenleeftijd aangevuld met de optie van een arbeidsloos inkomen.
  • Bedrijven betalen mee aan een rechtvaardig werkgelegenheidsbeleid, wat hen confronteert met de integrale kosten van automatisering.
  • Hogere prijzen voor grondstoffen. Dit is zowel in het belang van de eigen boerenbevolking als voor arbeiders in arme landen. Daarom eerder bilaterale handelsovereenkomsten dan generieke handelsverdragen.
  • Beperking van arbeidsmigratie. Dit is overigens ook in het belang van landen van oorsprong, die hun best opgeleide mensen zien vertrekken.
  • Blijvende steun aan vredeshandhaving bij conflicten wereldwijd in VN-verband eerder dan versterking van de NAVO. Minder oorlogen leiden tot meer welvaart en tot minder vluchtelingen.

Iets voor een volgende regering?

[1] Het betreft al dan niet beursgenoteerde ondernemingen met een omzet van minstens $200 miljoen.

[2] Zie hiervoor: https://hbr.org/2015/10/the-future-and-how-to-survive-it

[3] Bedrijven maken wereldwijd nog steeds grote winsten, maar het aandeel van ‘westerse landen’ daarin wordt kleiner omdat de productie zich steeds gelijkmatiger over de wereld verspreidt. Bovendien  nemen kleine innovatieve bedrijven een groeiend deel van de productie over van de machtige maar weinig flexibele multinationals.

[4] Hij is vanaf 2014 hoogleraar aan de New York City University en was daarvoor onderzoeker bij Wereldbank. Zie voor een recent interview: Humo 8 februari 2017: https://blendle.com/getpremium/item/bnl-humo-20170207-132032

[5] Waar nodig heeft hij die groepen verder onderverdeeld.

Het vertrouwen is weg

12 Feb

Elk jaar publiceert Edelman, een internationaal marketing- en communicatiebureau, de Edelman Trust Barometer[1]. De editie 2017 laat een ongekende neergang van vertrouwen zien binnen de 28 landen waarin het onderzoek is uitgevoerd, waaronder Nederland.

Onderzocht zijn het vertrouwen in overheidsinstellingen, bedrijven, media en non-gouvernementele organisaties, het vertrouwen in leidinggevenden en het vertrouwen in het ‘systeem’.

edelman-6

De bovenstaande afbeelding geeft het vertrouwen weer in de vier genoemde instituties, gesplitst naar hoogst opgeleiden (13% van de onderzochte groep in elk land) en de rest van de bevolking (de ‘massa’). In 2/3 van de landen heeft de massa geen vertrouwen meer.  In Nederland overweegt vertrouwen bij de best opgeleiden en behoort de massa tot de categorie twijfelaars. Daarmee is Nederland toch nog het best scorende land binnen Europa.

edelman-12Media

Opvallend is dat mensen op grote schaal hun vertrouwen in de media hebben verloren. De media wordt wereldwijd aangerekend dat zij de meningen verkondigen die de (gevestigde) orde graag willen laten doorklinken. In verreweg de meeste landen overweegt wantrouwen; slechts in drie landen is de bevolking positief: Indonesië, India en China.

Als men iets wil weten vraagt 60% het bij voorkeur aan ‘mensen zoals wij’ of men zoekt het op via Google. Vaklieden en academici beschikken nog over een behoorlijke geloofwaardigheid (60%), die overigens ook afkalft.

edelman-13Overheid

Het vertrouwen in de overheid (41 procent) is eveneens gedaald. In 14 landen geldt de overheid de minst betrouwbare institutie. Opmerkelijk is dat deze daling vooral de laatste vijf jaar heeft plaats gevonden. Ten tijden van de financiële crisis gold de overheid nog als de redder van het systeem

Van alle categorieën scoren leidinggevenden in de publieke sector wereldwijd het laagst. Maar 29% van de ondervraagden vertrouwd hen.Jammer genoeg zijn er geen gegevens over Nederland!

Bedrijfsleven

Het vertrouwen in het topmanagement van bedrijven daalde in een jaar gemiddeld met 12% tot het laagste percentage ooit: 37 procent.In Europese landen ligt dit percentage nog aanmerkelijk lager (Nederland: 27%). in India is het vertrouwen in de top van bedrijven het grootst: 70%.

Toch overheerst de mening dat verbetering in de toekomst vooral van het bedrijfsleven moet komen. De meerderheid van de ondervraagden vindt dat bedrijven dan wél een grotere maatschappelijke rol moeten gaan spelen en corruptie afzweren, verschillen in inkomen tussen topmanagement en werknemers verkleinen, belasting betalen, naar klanten luisteren en werknemers goed behandelen.

Het systeem

Aan de deelnemers aan het onderzoek is tevens gevraagd in hoeverre ze vertrouwen hebben in ‘het systeem’ als geheel. Dit is slechts bij 15 procent van de ondervraagden het geval. 53%  van de ondervraagden gelooft dat het huidige systeem faalt en 32% aarzelt. De meerderheid van de ondervraagden vindt het systeem onrechtvaardig omdat het de rijken en machtigen bevoorrecht en jongeren weinig hoop voor de toekomst geeft. Opmerkelijk is dat hier weinig  verschil is tussen hoogopgeleiden en de rest van de bevolking. Verder, dat het vooral ‘westers georiënteerde’ landen zijn, waar men kritisch staat ten opzichte van ‘het systeem’. Frankrijk het meest, Nederland en Zweden het minst.

Impact op politiek gedrag

De Edelman Trust Barometer legt een direct verband tussen de wereldwijze opkomst van populistische politici en het afnemend vertrouwen in ‘het system’. Dat dit zo is, blijkt ook uit de onderwerpen waarover een meerderheid van alle ondervraagden zich zorgen maakt en die een aanzienlijk deel daarvan angst inboezemen: maatschappelijke onrust, inclusief corruptie (40%), immigratie (28%), globalisering (27%), het afkalven van maatschappelijke waarden (25%) en het tempo van innovatie (22%). Overigens gaat de aanwezigheid van deze angst en gebrek aan vertrouwen in het system niet altijd samen. Landen waar dit wel het geval was, zoals de VS., Groot-Brittannië en Italië zagen zich geconfronteerd met de verkiezing van Donald Trump, de Brexit en het ‘nee’ in het Italiaanse referendum. edelman-30Ik heb grote twijfels of politici en andere leidinggevenden door hebben hoe groot de groep is die zich van hen afkeert. Aan hun gedrag is dat niet te merken. Politici ruziën met hun populistische collegae, maar ze realiseren zich niet dat zij zelf de zorgen en angst van brede lagen van de bevolking jarenlang hebben genegeerd. Topmanagers van bedrijven varen door op een koers van zelfverrijking en beperken zich veelal top lippendienst als het gaat over de maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven.

In mijn vorige blogpost heb ik verkend hoe politieke besluitvorming weer een afspiegeling kan zijn van de wil van het volk [2]. De leiding van het bedrijfsleven staat voor de keuze om van bedrijven maatschappelijke instituties te maken in plaats van geldmachines voor de aandeelhouders. In mijn blogposts over het Purpose of the Corporation Project heb ik aangegeven hoe dat zou kunnen[3].

[1] www.edelman.com/trust2017 Op deze website vind je een samenvatting van de uitkomsten van het onderzoek en een reeks informatieve diagrammen. Verder wordt een aantal specifieke resultaten uitgelicht.

[2] http://wp.me/p32hqY-Yw Democratie is toe aan vernieuwing. Te beginnen met de volksvertegenwoordiging

[3] http://wp.me/p32hqY-U6 Hoe komt het topmanagement van zijn graaiersimago af?

Democratie is toe aan vernieuwing. Te beginnen met de volksvertegenwoordiging

5 Feb

 

We zijn ver verwijderd geraakt van de oorspronkelijke betekenis van democratie, namelijk het volk beslist. Een pleidooi voor referenda is dan ook niet vreemd. Goed bestuur vereist echter dat besluiten samenhangen en dat korte én de lange termijn in balans zijn. De vraag is daarom tevens welke vorm van democratie het beste bijdraagt aan goed bestuur[1].

In deze post sta ik eerst stil bij wat in mijn ogen het kernprobleem is van de terechte onvrede met het politieke bestel. Van daaruit kom ik met oplossingen. En… ook het referendum speelt daarin een rol.

allegorie_goed_bestuur

In de begintijd van de democratie waren er twee actoren betrokken bij de besluitvorming: Het volk en de bestuurders[2]. De bestuurders legden het volk uit wat de bedoeling was; vanuit het volk kwamen reacties. Uiteindelijk werd gestemd met handopsteken. We spreken van directe democratie.

Schaalvergroting bemoeilijkt directe democratie, al opent ICT – mits veilig – nieuwe mogelijkheden. Maar het gaat niet alleen om stemmen: Directe democratie betekent ook dat het bestuur en het volk met elkaar in gesprek zijn (deliberatie). Met name dit gesprek is door schaalvergroting onmogelijk geworden. Daarom is een derde actor nodig, een volksvertegenwoordiging. Maar dan niet de volksvertegenwoordiging die we nu kennen.

Waarom niet?

De volksvertegenwoordiging vertegenwoordigt niet het volk maar de politieke partijen. Door een keer in de zoveel jaren te stemmen beïnvloedt het volk alleen de numerieke verhoudingen tussen deze partijen. Op het te voeren beleid heeft de kiezer geen invloed. Politieke partijen onderhandelen over een coalitie die in de kamers een meerderheid heeft. Uit welke partijen deze coalitie bestaat, welk beleid zal worden gevoerd en hoe het nieuwe kabinet eruit komt te zien, heeft niets met het stemgedrag van de kiezers te maken[3]. Kortom, politieke partijen hebben te veel macht, nog afgezien van de vrijwel onnavolgbare invloed die beroepslobbyisten en belangengroepen uitoefenen op de partijen.

Het gevolg: De afstand tussen volk, volksvertegenwoordiging en bestuur is erg groot. Een heroverweging van de onderlinge relaties tussen deze drie actoren is daarom gewenst. Hieronder stel ik voor elk van de drie relaties een nieuwe invulling voor. Uitgangspunt is dat het volk meer invloed krijgt op de samenstelling van de volksvertegenwoordiging en op het regeringsbeleid.

gevolgen_slecht_bestuur_platteland_siena_2

Volk en volksvertegenwoordiging

In mijn ogen is de taak van de volksvertegenwoordiging om namens het volk met het bestuur te delibereren over het beleid en toe te zien op de uitvoering daarvan. Nu is deze discussie een farce: De uitkomst ervan is voorspelbaar want de standpunten liggen van te voren vast. De regeringspartijen steunen het beleid en de oppositie is er tegen. In een ‘echte’ vertegenwoordiging ligt de nadruk op het debat. De leden zullen soms uitgesproken standpunten innemen, maar ook een open discussie aangaan zonder te zijn gebonden aan partijdiscipline. Machtspolitieke spelletjes lonen niet.

vdi9789023449522-pngHoe kom zo’n volksvertegenwoordiging tot stand? David van Reybrouck stelde in 2013 voor een parlement volgens loting samen te stellen, vergelijkbaar met juryrechtspraak. De ‘uitverkorenen’ hoeven niet aan partijen gebonden maar mogen uiteraard wel onderling samenwerken[4].

Er zijn ook andere mogelijkheden, namelijk de rechtstreekse keuze van vertegenwoordigers door het volk. Liquid democracy is een bruikbare methode hiervoor[5]. Personen kunnen zich voor de functie van volksvertegenwoordiger beschikbaar stellen en zich via de media profileren. Zij mogen zich uiteraard ook als ‘partij’ profileren, maar elk lid van een partij een voldoende aantal stemmen krijgen. Dit kan desnoods in verschillende ronden gaan. Met veilige ICT is dit makkelijk te organiseren. Het resultaat is een volksvertegenwoordiging waarvan alle leden direct of trapsgewijs zijn gekozen door het volk.

Overigens is het van essentieel belang dat de volksvertegenwoordigers er alles aan doen om zelf met hun kiezers in gesprek te zijn. Ook hier biedt ICT nieuwe mogelijkheden, zoals deliberative polling[6].

gevolgen_goed_bestuur_stad_siena

Volk en bestuur

De kans op een breed draagvlak voor het bestuur is het grootst als het volk rechtstreeks de hoofdlijnen van het beleid bepaalt. Daartoe moet het volk kunnen kiezen uit alternatieve programma’s. Dus niet uit losse issues en evenmin uit personen. Voorstellen voor programma’s kunnen tot stand komen via een politieke partij, maar ook via een vereniging of een beweging, bijvoorbeeld Nederland kantelt. Waarschijnlijk kan er in eerste stemronde worden gekozen uit een aanzienlijk aantal programma’s. Het is wenselijk dat het winnende programma een ruime meerderheid van de stemmers achter zich heeft. Daarom zullen de makers van programma’s voor een tweede of derde stemronde moeten samenwerken en compromissen sluiten. Ook tekent zich in deze fase af welke personen voor de uitvoering van deze programma’s beschikbaar zijn.

Bestuur en volksvertegenwoordiging

De volksvertegenwoordiging fungeert zoals gezegd – namens het volk – als gesprekspartner van de regering. In tegenstelling tot de huidige situatie zijn de volksvertegenwoordigers niet bij voorbaat verdeeld over twee kampen; voorstanders dan wel tegenstander van het beleid. Zij hebben immers als volksvertegenwoordiger geen invloed gehad op de totstandkoming van het programma. Het feit dat er een programma ligt dat door een meerderheid van het volk gesteund wordt, betekent dan ook dat er nog volop discussie zal zijn over de details en – later – de uitvoering van het programma. Elke volksvertegenwoordiger wordt geacht te erkennen dat de regering een beleid uitvoert waarvoor de meerderheid van het volk heeft gekozen. De regering moet op haar beurt erkennen dat de volksvertegenwoordiging eveneens door het volk is gekozen om kritisch tegenspel te bieden. Scheiding der machten in optima forma.

En het referendum dan?

Het referendum heeft in deze constellatie een duidelijke plek. Referenda over onderwerpen die in de lijn liggen van het gekozen programma, zijn uit den boze. Het volk heeft zich daar immers al over uitgesproken. In plaats daarvan kan de volksvertegenwoordiging tot een referendum besluiten indien de regering meent te moeten afwijken van haar mandaat en het daarover niet eens wordt met de volksvertegenwoordiging. Ook buitenstaanders kunnen om een bindend referendum vragen.

De manier waarop de democratie in Nederland functioneert is in geen honderd jaar veranderd; de wereld wel. Mensen zijn mondiger en ICT biedt ongekende mogelijkheden om mee te besturen. Deze blogpost is een schets van hoe het anders kan. Er zijn ongetwijfeld meer opties. Laten we een aantal alternatieven uitwerken. Via een reeks stemronden kunnen we dan wellicht komen tot een model waarin een ruime meerderheid van de bevolking zich kan vinden.

[1] Welke effecten hebben goed of slecht bestuur op de maatschappij? Ambrogio Lorenzetti schilderde in het Palazzo Pubblico in het Italiaanse Siena in de jaren 1337-39 in de zaal waar de Raad van Negen placht te vergaderen, een beroemde allegorische voorstelling bekend onder de naam “Allegorie van goed en slecht bestuur”. Delen van deze voorstelling vormen de illustratie van deze blogpost.

[2] Ik blijf hierna overwegend het woord bestuur hanteren. Denk daarbij in de eerste plaats aan de regering, maar mijn visie op democratie is ook toepasbaar op gemeentelijk en provinciaal niveau of binnen bedrijven.

[3] Idealiter stemmen kiezers op een partij wier programma hen het meeste aanstaat. Dit is een ‘package deal’; ze nemen daarmee voor lief de standpunten waar ze het niet eens mee zijn. Daarom is het is speltheoretisch mogelijk dat geen enkele stemmer op een van de coalitiepartijen warm loopt voor ook maar één punt van het bereikte akkoord.

[4] In zijn boek Tegen verkiezingen schrijft David van Reybrouck dat de democratie van de eenentwintigste eeuw is uitgehold. Het wantrouwen groeit; de redelijkheid is zoek. De politiek lijkt echter meer bezig met de volgende verkiezingen dan met de politiek op langere termijn.

[5] Google experimenteert intern met liquid democracy, een vorm van besluitvorming die het midden vormt van directe en vertegenwoordigende democratie. Zie voor een heldere uiteenzetting van hoe de methode werkt: http://www.enliveningedge.org/tools-practices/liquid-democracy-true-democracy-21st-century/

[6] De methodiek hiervoor is in 1988 ontwikkeld aan de Stanford University met als doel geregeld kiezers dan wel achterbannen in staat te stellen zich uit te spreken over gangbare onderwerpen. Een ‘deliberative poll’ hanteert In tegenstelling tot een referendum een representatieve steekproef van de betrokkenen.