Hoe krijgen burgers het weer voor het zeggen met steun van digitale hulpmiddelen ?

Democratie kan veel meer inhouden dan af en toe te stemmen. In deze aflevering in de reeks ‘Bouwen aan duurzame steden’ geef ik voorbeelden, zoals de commons-beweging.

In 1339 voltooide Ambrogio Lorenzetti zijn beroemde reeks van zes schilderijen in het stadhuis van de Italiaanse stad Siena, getiteld De allegorie van goed en slecht bestuur. Het bovenstaande fragment verwijst naar de kenmerken van goed bestuur: De belangen van burgers vooropstellen, afstand doen van eigenbelang en integriteit. Maar ook samen met alle betrokkenen ontwikkelen van een visie, transparantie, dienstbaarheid, rechtvaardigheid en op doelmatige wijze de vele taken uitvoeren die naar de gemeente zijn gedelegeerd, vaak met beperkt budget. Niet niks en dit alles gaat ook niet altijd op soepele wijze samen. In dit artikel staat de betrokkenheid van burgers bij het bestuur central. Alom wordt de klacht gehoord dat democratie zich beperkt tot eens in de zoveel jaar stemmen. Zelfs dan is van tevoren niet duidelijk wat het beleid van een nieuw (stads)bestuur zal als gevolg van de noodzaak van vorming van coalities. Digitalisering kan de inbreng van de burger versterken. 

Stemmen

Ik zie bij elke verkiezing hoofdschuddend het geklungel aan met enorme stembiljetten die vervolgens met de hand geteld moeten worden. Estland is een voorbeeld van ver doorgevoerde digitalisering van publieke en private dienstverlening. Niet alleen de gebruikelijke gemeentelijke taken, maar ook aanvragen van bouwvergunningen, aanmelden voor scholen, gezondheidszaken, bankzaken, belastingen, politie én stemmen. Mensen stemmen gewoon van huis uit al jaren digitaal zonder dat de veiligheid gevaar loopt. Dit gebeurt, net als alle andere voornoemde zaken via één digitaal platform – X-road – dat aan de hoogste veiligheidseisen voldoen en dat alle gegevens decentraal via end-to-end encryptie opslaat met behulp van blockchaintechnologie. Burgers beheren hun eigen gegevens[1]. Als dit elders niet zou kunnen, dan hou ik mijn hart vast voor de veiligheid van veel andere digitale toepassingen[2].

De geïnformeerde burger; basis van de democratie

Digitale kanalen zijn een uitgelezen manier om burgers te informeren, maar tegelijkertijd nemen ook digitale desinformatie en deepfakes toe. YouTube is in dit opzicht inmiddels berucht. Politieke micro-targetting via Facebook heeft een oncontroleerbare en onweerspreekbare impact en verziekt het politieke debat[3]. Bij het correct informeren van burgers is de ‘Stemwijzer’-app van grote betekenis. Ontwikkeld door de non-profit Prodemos, is dit instrument inmiddels door een reeks landen overgenomen. 

Maar er zijn ook heel andere waardevolle digitale informatiebronnen, die het reilen en zeilen van de politiek en politici transparanter maken, inclusief voorbeelden van kleine omkoping, ‘creatieve’ boekhouding en voorkeursbehandeling. Voorbeelden zijn Prozorro[4] (Oekraïne) een website die aanbestedingen weghaalt uit de sfeer van het onderhandse, My Society[5] (UK) een omvangrijke verzameling van open source hulpmiddelen om machthebbers ter verantwoording te roepen, Zašto[6] (Servië) een website die de uitspraken van politici vergelijkt met hun daden en Funky Citizens[7] (Roemenië), een website die onverantwoorde staatsuitgaven, juridische dwalingen en vormen van oneerbaar politiek gedrag aan het licht brengt.

Meer dan verkiezingen: burgerforums

Alom klinkt de wens van veel burgers voor grotere betrokkenheid bij de politieke besluitvorming op alle niveaus. Daarbij valt te denken aan referenda en volksvergaderingen, zoals die nog steeds in Zwitserse gemeenten plaatsvinden.

Voor uitwisseling van en discussie over standpunten bieden referenda en volksvergaderingen weinig ruimte.

Verschillende schrijvers proberen de indirecte democratie te verbeteren door de rol van politieke partijen te omzeilen. In zijn boek Tegen verkiezingen (2013) stelt de Vlaamse politicoloog David van Reybrouck voor vertegenwoordigers aan te stellen op basis van gewogen loting. Loting alleen levert geen representatief ‘minipubliek’ op omdat nooit meer dan 10% van de uitverkorenen aan de uitnodiging gehoor geeft. Wat overblijft is een overwegend autochtone groep, die ouder dan 50 jaar is met een hogere opleiding, die is geïnteresseerd in politiek. 

De kracht van een burgerforum is de mogelijkheid tot deliberatie tussen onafhankelijke burgers in plaats van tussen vertegenwoordigers van politieke partijen, die gebonden zijn een coalitieakkoord te steunen of te bestrijden. 

Vooral in Ierland zijn met burgerforums goede resultaten geboekt. In Nederland zijn inmiddels ook verschillende voorbeelden. In de meeste gevallen was de acceptatie van de resultaten door de gevestigde politiek het grootste knelpunt[8]. In april heeft een commissie onder leiding van Alex Brenninkmeijer zich in een advies aan de Tweede Kamer positief uitgesproken over de rol van burgerfora bij het klimaatbeleid[9].

Digitale instrumenten

Een andere interessante optie is liquid democracy[10]. Hier kunnen burgers, net als bij directe democratie, over alle onderwerpen stemmen. Ze kunnen hun stem echter ook overdragen aan iemand anders, die volgens hen meer betrokken is. Deze persoon kan de ontvangen mandaten eveneens overdragen. Met veilige IT is dit eenvoudig te organiseren. Voorbeelden van bruikbare apps zijn: Adhocracy (Duitsland), een platform voor participatie, samenwerking en genereren van ideeën, Licracy[11], a een virtueel volksparlement, Sovrin[12], een open source gedecentraliseerd protocol voor elk soort organisatie. Insights Management Tool[13] is een applicatie om grote hoeveelheden antwoorden van burgers op concrete vragen van de gemeente om te zetten in ‘inzichten’ waarmee de politiek zijn voordeel kan doen.  Ik noem nog enkele applicaties die vooral voor steden bedoeld zijn: EngageCitizens[14] (o.a. Braga, Portugal), een plek waar burgers ideeën kunnen aandragen en deze in virtuele discussiegroepen kunnen bespreken, Active Citizens (Moskou), een applicatie waarop bewoners aan referenda kunnen deelnemen, CitizenLab[15], een medium waarop burgers denkbeelden over actuele stedelijke problemen kunnen bediscussiëren. Zeer bruikbaar voor de ontwikkeling van een breed gedragen visie op stedelijke problemen. Last but not least verwijs ik naar de veelomvattende applicaties Decide Madrid en Decidem (Barcelona), die ik elders uitgebreid heb besproken[16].

Alle voornoemde apps vergroten de betrokkenheid van een deel van de burgers bij het bestuur. Het gaat meestal om hoger opgeleiden. In Madrid en Barcelona wordt met bijeenkomsten geprobeerd om kansarme bewoners ook hun stem te laten horen.

Politieke decentralisatie

Vanwege de vele en ingewikkelde opgaven waarmee stadsbesturen te maken hebben en de vaak even ingewikkelde bestuurlijke processen tussen gemeentebestuur- en raad en gemeentebestuur en hogere overheden, valt het niet mee om burgerparticipatie tot een succes te maken. Een aantal steden zoekt de oplossing in de oprichting van deelgemeenten, soms gepaard met decentralisatie van een deel van de gemeentelijke diensten. 

Jan Schrijver laat zien hoe in Amsterdam de tot op de dag van vandaag de centralistische bestuurscultuur en de wensbeelden van co-creatie voortdurend botsen[17], ondanks het feit dat de gemeente inmiddels beschikt over een indrukwekkende reeks van beleidsinstrumenten die participatie kunnen bevorderen: Het initiëren van een referendum is laagdrempeliger gemaakt, maatschappelijke initiatieven kunnen worden gesubsidieerd, iets dat vastgelegd is in buurtrecht, waaronder het ‘right to challenge’, er zijn buurtbudgetten en uiteenlopende participatietrajecten[18]

Zeer recent heeft een miniburgerberaad plaatsgevonden onder leiding van Alex Brenninkmeijer over de concrete vraag hoe Amsterdam de energietransitie kan versnellen. Dit beraad was zeer productief[19] en de deelnemers waren tevreden over het verloop. In februari 2022 moet duidelijk worden of de gemeenteraad de voorstellen overneemt[20].

Naar een stad van commons

Tor dusver is democratisering opgevat als een besluitvormingsproces waarvan de gemeentelijke organisatie het resultaat uitvoert.

De ultieme stap richting democratisering, na decentralisering is autonomie:

Bewoners beslissen dan niet alleen over bijvoorbeeld speelgelegenheid in hun wijk, ze zorgen er ook voor dat die er komt. Steeds vaker wordt dit laatste formeel vastgesteld in het right to challenge[21]. Bijvoorbeeld een groep bewoners toont dan aan een voorheen gemeentelijke taak beter en vaak ook goedkoper zelf te kunnen uitvoer. Hiermee wordt op de participatieladder[22] een significante slag gemaakt van meepraten naar autonomie.

In Italië heeft dit proces een hoge vlucht heeft genomen. De stad Bologna is een bolwerk van stedelijke commons. Burgers worden ontwerpers, managers en gebruikers van een deel van het gemeentelijke takenpakket. Aanleg van groene gebieden, een leegstaand huis ombouwen tot betaalbare eenheden voor studenten, ouderen of migranten, exploiteren van een minibusdienst, het schoonmaken en onderhouden van de stadsmuren, de herinrichting van delen van de openbare ruimte en nog veel meer. Vanaf 2011 kunnen commons een formele status krijgen. Het belangrijkste instrument daarbij zijn samenwerkingspacts. In elk pact leggen stadsbestuur en de betrokken partijen (informele groepen, NGOs, scholen, bedrijven) afspraken vast over hun werkzaamheden, verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Sinds de goedkeuring van de verordening zijn honderden pacten getekend. De stad draagt bij wat de burgers nodig hebben – geld, materiaal, huisvesting, advies – en de burgers stellen hun tijd, vaardigheid en organisatievermogen ter beschikking. In sommige gevallen hebben commons ook een commercieel doel, bijvoorbeeld het revitaliseren van een winkelstraat door de daar gevestigde ondernemers.  Vaak verenigen deze zich dan in een coöperatie.

Het succes van commons in Italië en ook op elders ter wereld – denk aan de Nederlandse energiecoöperaties – berust op het feit dat veel mensen samen met anderen iets willen doen in plaats van alleen mee te praten. 

Democratie na de commons

Op allerlei plaatsen wordt nagedacht over de implicaties van het proces van commoning voor het stedelijk bestuur.  De Italiaanse politicoloog en kenner van de commons-beweging Christian Laione[23] ziet op langere termijn een ‘stad van commons’ ontstaan. Daarbij worden alle wezenlijke stedelijke taken uitgevoerd door commons en coöperaties. De gemeente is een netwerk van commons, de besluitvorming wordt dan gedecentraliseerd en het aantal centraal te regelen taken met bij behorende verantwoordelijkheden wordt beperkt[24]

Een vergelijkbaar idee leeft in de VS, namelijk: The city as a platform: Instead of simply voting every few years and leaving city administration to elected officials and expert bureaucrats, the networked city sees citizens as co-designers, co-producers and co-learners, aldus Stefaan Verhulst, medeoprichter van GovLab[25]. Het idee van de stad als platform is een manier om bewoners uit te nodigen gezamenlijk nieuwe en betere manieren te vinden om aan hun behoeften te voldoen en het openbare leven te verlevendigen. Het kan gaan om buurtgebonden initiatieven, bijvoorbeeld de herinrichting van een buurt of om stadsbrede initiatieven, bijvoorbeeld een coöperatie van taxichauffeurs die de concurrentie met Uber aangaat. 

Als het aantal commons of (deel)platformen groter wordt en deze ook gemeentelijke taken op zich nemen, wordt het stadsbestuur zelf een platform dat via overeenkomsten de ‘licence to operate’ regelt, binnen de randvoorwaarden van een democratisch vastgesteld Charter.

Het bovenstaande bouwt voort op twee essays die zijn opgenomen in mijn e-boek Steden van de toekomst: Humaan als keuze, smart waar dat helpt. Het eerste essay Versterking stedelijke democratie – de goed-bestuurde stad gaat uitvoerig in op de begrippen directe democratie, decentralisering en autonomie en bevat een beschrijving van digitale applicaties zowel ter verbetering van de dienstverlening als de stedelijke democratie. Het tweede essay Burgerinitiatieven – stad van de commons gaat uitgebreid in op activiteiten op verschillende plaatsen in de wereld om de betrokkenheid van bewoners bij hun woonplaats te vergroten en behandelt in dat verband uitvoerig de idee achter ‘commons’. Het e-boek kan hier worden gedownload.


[1] https://www.youtube.com/watch?v=b-r6B28qVSY&feature=emb_logo

[2] https://amsterdamsmartcity.com/updates/news/e-estonia-a-great-example-of-e-government

[3] https://www.dropbox.com/s/22ekhzws9gpb4nd/Rapport_De_stand_van_digitaal_Nederland_Rathenau_Instituut.pdf?dl=0

[4] https://prozorro.gov.ua/en

[5] https://www.mysociety.org

[6] https://zastone.ba/en/

[7] https://funky.ong/english-newsletter/

[8] https://www.dropbox.com/s/ocusjkecdit7vg9/Nationale-burgerfora-essaybundel.pdf?dl=0

[9] https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/klimaatverandering/documenten/publicaties/2021/03/21/adviesrapport-betrokken-bij-klimaat

[10] http://www.enliveningedge.org/tools-practices/liquid-democracy-true-democracy-21st-century/

[11] https://civictech.guide/wp-content/uploads/2019/10/image-126.png

[12] https://sovrin.org/library/sovrin-governance-framework/

[13] https://www.insights.us/de

[14] https://www.beesmart.city/solutions/engagecitizen-citizenry-social-network

[15] https://www.citizenlab.co/

[16] https://amsterdamsmartcity.com/updates/news/barcelona-and-madrid-forerunners-in-e-governance

[17] https://platformoverheid.nl/profiel/jan_f-_schrijver/

[18] https://www.amsterdam.nl/bestuur-en-organisatie/invloed/democratisering/#hb7eec1d5-38f4-4c45-9895-2fa4749210d8

[19] https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/11067179/1/2__HvA_voorlopige_reflectie_miniburgerberaad

[20] https://www.dropbox.com/s/ppohdkzzdb3mik3/eindadvies_mini-burgerberaad_def.pdf?dl=0

[21] https://vng.nl/artikelen/wat-is-het-right-to-challenge-en-waar-komt-het-vandaan

[22] https://www.citizenlab.co/blog/civic-engagement-nl/participatieladder-digitale-tijdperk/?lang=nl

[23] https://labgov.city/category/commonspress/page/4/

[24] https://www.enainstitute.org/wp-content/uploads/2019/03/CO-CITY-OPEN-BOOK-The-City-as-a-Commons-Papers-1.pdf

[25] https://www.dropbox.com/s/nxn47rjfmzbkxxo/City%20As%20Platform%20-%20Aspen%20Institute.pdf?dl=0

Misbruik kunstmatige intelligentie door de politie in de VS.  Meer dan bias

De 16de aflevering van de reeks ‘Bouwen aan duurzame steden – De bijdrage van digitale technologie’ laat zien wat er kan gebeuren als de kracht van kunstmatige intelligentie op onverantwoordelijke wijze wordt gebruikt.

De misdaadbestrijding in de Verenigde Staten is al jaren het toneel van misbruik van kunstmatige intelligentie. Zoals zal blijken, is dat niet alleen het gevolg van bias. In aflevering 11 liet ik zien waarom kunstmatige intelligentie een wezenlijk nieuwe vorm van het gebruik van computers is. Tot dan toe werden computers geprogrammeerd om bewerkingen uit te voeren, zoals structureren van gegevens en nemen van beslissingen. In het geval van kunstmatige intelligentie worden ze daartoe getraind[1]. Het blijven mensen die de instructies (algoritmen) ontwerpen en er verantwoordelijk voor zijn voor het resultaat, al is de manier waarop de computer de berekeningen uitvoert steeds vaker een ‘blackbox’. 

Toepassingen van kunstmatige intelligentie bij de politie

Ervaren rechercheurs zijn van oudsher getraind om de ‘modus operandi’ van misdaden te vergelijken om zo daders op het spoor te komen. Vanwege het arbeidsintensieve karakter van de handmatige uitvoering daarvan, rees al vlug de vraag of computers daarbij behulpzaam konden zijn. Een eerste poging daartoe in 2012 in samenwerking met Het Massachusetts Institute of Technology resulteerde in het groeperen van misdaden uit het verleden tot clusters waarvan de kans groot was dat deze door dezelfde dader(s) begaan zijn. Bij het maken van de algoritme gold de intuïtie van ervaren politiemensen als vertrekpunt. Het resultaat is dat soms kon worden voorspeld waar en wanneer een inbreker mogelijk zou kunnen toeslaan, wat tot extra toezicht en een arrestatie leidde. 

Deze eerste pogingen werden al snel verfijnd en opgepakt door commerciële bedrijven.  De twee meest gebruikte technieken die eruit resulteerden zijn voorspellend politiewerk (PredPol) en gezichtsherkenning.

In het geval van voorspellend politiewerk krijgen patrouilles aanwijzingen in welke wijk of zelfs straat ze op een gegeven moment moeten patrouilleren omdat berekend is dat de kans op misdaden (vandalisme, inbraken, geweldpleging) dan het grootst is. Iedereen die zich ‘verdacht’ gedraagt loopt dan de kans te worden aangehouden.  Gezichtsherkenning speelt daarbij een belangrijke rol. 

Zowel voorspellend politiewerk als gezichtsherkenning zijn gebaseerd op een ‘leerset’ van tienduizenden ‘verdachte’ personen. Op een gegeven moment beschikte de politie in New York over een database van 42.000 personen. 66% daarvan was zwart, 31,7% Latino en slechts 1% was blank. Deze samenstelling heeft alles te maken met de werkwijze van de politie.  Ofschoon drugsgebruik in steden in de VS in alle wijken voorkomt, richt de politie op basis van PredPol en soortgelijke systemen der aandacht op enkele wijken. Het is dan niet verwonderlijk dat daar dan ook de meeste aan drugs gerelateerde misdaden worden gerapporteerd en als gevolg daarvan de samenstelling van de database nog schever wordt.

In deze gevallen is ‘bias’ de oorzaak van het onethische effect van de toepassing van kunstmatige intelligentie.  Algoritmes weerspiegelen altijd de aannames, zienswijzen en waarden van hun makers. Ze voorspellen geen toekomst, maar zorgen ervoor dat het verleden wordt gereproduceerd.  Dit geldt overigens ook voor toepassingen buiten de politie[2].  De St. George Hospital Medical School in Londen heeft minstens een decennium lang buitenproportioneel veel blanke mannen in dienst genomen, omdat de leerset een afspiegeling was van de zittende staf. Ook het bekritiseerde Nederlandse Risico Indicatiesysteem gebruikt historische data over onder andere boetes, schulden, uitkeringen, onderwijs en inburgering om effectiever te zoeken naar mensen die uitkeringen of toeslagen misbruiken[3]. Dit is op zich niet verwerpelijk maar zou nooit mogen leiden tot het ‘automatisch’ beschuldigen zonder nader onderzoek en het uitsluiten van minder voor de hand liggende personen[4].

Het simpele feit fat de politie buiten proportioneel aanwezig is in vermeende hotspots en daar zeer gespitst is op elke vorm van verdacht gedrag, maakt dat het aantal confrontaties met gewelddadige afloop snel is toegenomen. Alleen al in 2017 leidde politieoptreden in de VS tot een ongekend aantal van 1100 slachtoffers, waarvan slechts een beperkt aantal blanken. Bovendien houdt de politie zich al tientallen jaren bezig met raciale profilering. Tussen 2004-2012 heeft de New Yorkse politie meer dan 4,4 miljoen inwoners gecontroleerd. Het leeuwendeel van deze checks resulteerde niet in verdere actie. In ongeveer 83% van de gevallen was de persoon zwart of Latino, hoewel de twee groepen samen goed zijn voor iets meer dan de helft van de bevolking.

Er is hierdoor een groeiend risico – althans in sommige landen waaronder de VS, dat de politie zelf een onevenredige bron van geweld wordt en een organisatie die delen van de bevolking onderdrukt[5]. Voor de meerderheid van de gekleurde burgers in de VS vertegenwoordigt de politie niet ‘het goede’, maar is zij onderdeel geworden van een vijandige staatsmacht[6].

In New York werd in 2017 een gemeentelijke bepaling aangenomen om het gebruik van kunstmatige intelligentie te reguleren, de Public Oversight of Surveillance Technology Act (POST)[7]. In tegenstelling tot vergelijkbare verordeningen in San Francisco en Oakland vereist de wet van New York City alleen dat de politie informatie beschikbaar stelt over de technologie die wordt ingezet.

Het Legal Defence and Educational Fund, een prominente burgerrechten-organisatie in de VS, drong er bij het stadsbestuur van New York op aan het gebruik van gegevens te verbieden die beschikbaar zijn gekomen ten gevolge van een discriminerend of bevooroordeeld handhavingsbeleid[8]. Deze wens is in juni 2019 ingewilligd en dit leidde ertoe dat het aantal personen dat is opgenomen in de database van 42.000 is teruggebracht naar 18.000. Het betrof alle personen die zonder concrete verdenking in het systeem waren opgenomen[9].

San Francisco, Portland en een reeks andere steden zijn een paar stappen verder gegaan en zij hebben het gebruik van gezichtsherkenningstechnologie door de politie en andere openbare instanties verbood[10]. Experts erkennen dat de kunstmatige intelligentie die aan gezichtsherkenningssystemen ten grondslag ligt nog steeds onnauwkeurig is, vooral als het gaat om het identificeren van de niet-blanke bevolking[11].

Voorbij bias

Er is inmiddels de nodige kennis over hoe bias in algoritmen voorkomen kan worden[12], maar in plaats van dat daarmee het probleem wordt opgelost, ontstaat er zicht op een veel dieperliggend probleem. Dit betreft de oorzaken van misdaad zelf en het inzicht dat de politie deze nooit kan wegnemen[13].

Criminaliteit en recidive hangt samen met ongelijkheid, armoede, slechte huisvesting, werkloosheid, alcohol- en drugsgebruik en onbehandelde psychische aandoeningen[14]. Dit zijn dan ook de belangrijkste kenmerken van buurten waar veel criminaliteit voorkomt. Bewoners van deze buurten kunnen hierdoor geen menswaardig leven leiden[15]. Het zijn stressoren die tevens de kwaliteit van de ouder-kindrelatie beïnvloeden: hechtingsproblemen, onvoldoende ouderlijk toezicht, ook op het gebruik van alcohol en drugs, gebrek aan discipline of een overmaat aan autoritair gedrag.  Alles bij elkaar vergroten deze omstandigheden de kans dat jongeren te maken krijgen met criminaliteit en ze verminderen het vooruitzicht op een succesvolle carrière op school en elders.

De ultieme maatregelen om misdaad op langere termijn terug te dringen en veiligheid te verbeteren zijn: voldoende inkomen, adequate huisvesting, betaalbare kinderopvang, vooral voor ‘gebroken gezinnen’ en ongehuwde moeders en ruime mogelijkheden voor onderwijs aan meisjes. Maar ook aandacht voor jongeren die voor het eerst met criminaliteit in aanraking zijn gekomen om hen ervan te weerhouden opnieuw in de fout te gaan. 

Dit lost de problemen op de korte termijn niet op. Een groot deel van degenen die de politie in de VS oppakt is verslaafd aan drugs of alcohol en is psychisch ernstig gestoord, kampt met ernstige problemen in de huiselijke omgeving – voor zover aanwezig – en heeft de hoop op een betere toekomst opgegeven. Vanuit dit inzicht heeft de politie in Johnson County in Kansas al jaren geleden hulp ingeroepen van hulpverleners in plaats van arrestanten meteen in de boeien te slaan. Deze aanpak is succesvol gebleken en trok de aandacht van het Witte Huis ten tijde van de regering van Obama. Lynn Overmann, werkzaam als senior-adviseur in het bureau van de chief technology officer is daarom het Data-Driven Justice initiative gestart. De directe aanleiding was dat de gevangenissen overvol zaten met ernstig gestoorde patiënten. Toevallig beschikte Johnson County over een geïntegreerd datasysteem waarin zowel criminaliteitsgegevens als gegevens over gezondheid zijn opgeslagen. In andere steden worden deze bewaard in onvergelijkbare datasilo’s.  Samen met het University of Chicago Data Science for Social Good Programwerd met kunstmatige intelligentie een analyse gemaakt van een bestand van 127.000 personen om op basis van historische gegevens te achterhalen wie van de betrokkenen de komende maand de grootste kans had om te worden gearresteerd.  Dit niet met de bedoeling om met voorspellende technieken een arrestatie te bespoedigen, maar om hen in plaats daarvan gerichte hulpverlening te bieden. Dit programma werd in een reeks steden opgepakt en in Miami leidde het tot 40% minder arrestaties en het sluiten van een gevangenis. 

Wat leert dit voorbeeld?  De opkomst van kunstmatige intelligentie deed Chris Anderson, hoofdredacteur van het tijdschrift Wire, uitroepen dat deze het einde van de theorie betekent. Hij kon niet meer ongelijk hebben!  Theorie is nooit weggeweest, hooguit verdwenen uit het bewustzijn van degenen die met kunstmatige intelligentie werken. Ben Green drukt het kernachtig uit.  The assumption is: we predicted crime here and you send in police. But what if you used data and sent in resources? (The smart enough city, p. 78).

Waar het om gaat is de vervanging van het dominante paradigma van het opsporen, berechten en opsluiten van criminelen door het paradigma van het tijdig vinden van potentiële daders en hen de hulp te geven die ze nodig hebben. Dat is nog goedkoper ook, zo blijkt. De noodzaak van het gebruik van kunstmatige intelligentie wordt er niet minder om, maar de training van de computers, inclusief de samenstelling van de trainingssets verandert wezenlijk. Aanbevolen wordt daarom om divers samengestelde teams zo’n trainingsprogramma te laten ontwerpen op basis van wetenschappelijk gefundeerde zienswijzen op het onderliggende probleem en deze taak niet bij de politie zelf te beleggen.

Dit artikel is een beknopte versie van een eerder artikel: De veilige stad[16] (september 2019), aangevuld met gegevens uit hoofdstuk 4 Machine learning’s social and political foundations uit het boek The smart enough city van Ben Green (2020).


[1] https://www.technologyreview.com/2021/10/22/1037179/ai-reinventing-computers/?truid=&utm_source=the_download&utm_medium=email&utm_campaign=the_download.unpaid.engagement&utm_term=&utm_content=10-27-2021&mc_cid=fb6d84b8ae&mc_eid=fdb8891aed

[2] https://www.verdict.co.uk/ethnic-data-bias/

[3] https://www.dropbox.com/s/qom95p4hwph1cie/Rathenau-Opwaarderen.pdf?dl=0

[4] https://www.dropbox.com/s/hdx3gwjx1rni3on/Rathenau-grip_op_algoritmische_besluitvorming_overheid_Rathenau_Instituut.pdf?dl=0

[5] https://medium.com/@avivash/what-drives-police-to-abuse-power-3d0ec6b4ecf5

[6] https://medium.com/@avivash/what-drives-police-to-abuse-power-3d0ec6b4ecf5

[7] https://en.wikipedia.org/wiki/Police_surveillance_in_New_York_City#Governance_/_Policy

[8] https://web.archive.org/web/20190608190638/https://www1.nyc.gov/assets/adstaskforce/downloads/pdf/ADS-Public-Forum-Comments-NAACP-LDF.pdf

[9] http://proceedings.mlr.press/v81/buolamwini18a/buolamwini18a.pdf

[10] https://www.sfchronicle.com/politics/article/San-Francisco-bans-city-use-of-facial-recognition-13845370.php?psid=4m7j0

[11] http://proceedings.mlr.press/v81/buolamwini18a/buolamwini18a.pdf

[12] https://standards.ieee.org/content/dam/ieee-standards/standards/web/documents/other/ead1e.pdf?utm_medium=undefined&utm_source=undefined&utm_campaign=undefined&utm_content=undefined&utm_term=undefined

[13] https://www.bocsar.nsw.gov.au/Documents/CJB/cjb54.pdf

[14] https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC3969807/

[15] https://medium.com/@bikomandelagray/when-poverty-becomes-criminality-4c712ac1334e

[16] https://hmjvandenbosch.com/2019/09/

Ethische principes en kunstmatige intelligentie

In de 11de aflevering van de reeks Bouwen aan duurzame steden: De bijdrage van digitale technologie pas ik de ethische principes uit aflevering 9 toe op ontwerp en gebruik van kunstmatige intelligentie.

Hieraan voorafgaand beschrijf ik in het kort wat kunstmatige intelligentie is. Aan bod komen de betekenis van onder andere big data, algoritmen en machineleren. Voor wie er meer van wil weten: Radical technologies van Adam Greenfield (2017) is een zeer leesbare inleiding, ook op technologieën als blockchain, augmented en virtual reality , Internet of Things en robotica, die in de volgende afleveringen aan de orde komen.

Kunstmatige intelligentie

Kunstmatige intelligentie kent waardevolle toepassingen maar ook grove vormen van misbruik.  Waardevol is bijvoorbeeld het gebruik van kunstmatige intelligentie bij de indeling van huizen en buurten, rekening houdend met gebruiksgemak, uitzicht en zonnelicht met AI-technologie van Spacemaker[1] of het maten van lawaai in het centrum van Genk met behulp van Nokia’s Scene Analytics-technologie[2]. Verwerpelijk is het discrimineren van bevolkingsgroepen door de politie in de VS met programma’s als PredPol en de manier waarop de Nederlandse overheid met de toekenning van toelagen is omgegaan.

Algoritmen

Dankzij kunstmatige intelligentie kan een computer zelfstandig patronen herkennen en op grond daarvan ‘beslissingen’ nemen. Op zichzelf is herkennen van patronen niets nieuws Dat kon allang met daartoe geschreven computerprogramma’s. Om bijvoorbeeld afbeeldingen van honden en katten te onderscheiden maakte een programmeur een beschrijving in ‘als….dan’-vorm van alle relevante kenmerken van honden en katten met behulp waarvan kon een computer beide diersoorten onderscheiden.  Het aantal fouten hing af van de gedetailleerdheid van het programma. Als het om meer soorten dieren gaat en om dieren die vanuit verschillende hoeken zijn gefotografeerd is het maken van zo’n programma erg ingewikkeld. In dat geval kan een computer getraind worden zelf relevante patronen te onderscheiden. In dit geval spreken we van kunstmatige intelligentie. Overigens spelen mensen daarbij nog steeds een belangrijke rol. Deze bestaat in de eerste plaats uit het schrijven van een instructie – een algoritme – en vervolgens uit de samenstelling van een trainingset, een selectie van een grote aantal voorbeelden, bijvoorbeeld van dieren zijn die gelabeld als hond of kat en desnoods leeuw, tijger en meer. De computer gaat vervolgens ‘zelf’ op zoek naar bijbehorende kenmerken.  Als er nog te veel fouten voorkomen, worden nieuwe afbeeldingen toegevoegd. 

Deep learning

De manier waarop de dieren zijn afgebeeld kan eindeloos variëren, waarbij het niet meer zozeer om hun kenmerken gaat, maar om schaduwwerking, beweging, stand van de camera of de aard van de beweging. De grootste uitdaging is om de computer ook daar rekening mee te leren houden. Dat gebeurt door de imitatie van de neurale netwerken. Beeldherkenning gebeurt daarbij net als in onze hersenen dankzij het onderscheiden van lagen, variërend van het onderscheiden van simpele lijnen, patronen, kleuren tot verschillen in scherpte.  Vanwege deze gelaagdheid wordt gesproken van ‘deep learning’. Hierbij is uiteraard sprake van grote datasets en veel rekenkracht, maar het is ook een arbeidsintensief proces.

Zelflerende computers

Leren toepassen van algoritmen onder begeleiding, levert betrouwbare resultaten op en de instructeur kan ook na veel iteraties het resultaat nog steeds verklaren. Maar dat houdt op als er verschillende processen tegelijkertijd spelen, bijvoorbeeld als dieren elkaar aanvallen, het soms overleven en dan weer niet en de computer moet voorspellen welke dieren onder welke omstandigheden de grootste overlevingskans hebben. Denk ook aan de patronen die de computer van een auto moet kunnen onderscheiden om veilig zonder chauffeur de weg op te kunnen. Vanwege de vrijwel onbeperkte variatie, werkt begeleid leren dan niet meer.

In het geval van onbegeleid leren, wordt de computer gevoed met gegevens van vele miljoenen realistische situaties, in geval van auto’s van verkeerssituaties en de manier waarop de bestuurders daarop reageerden. Hier kan met recht van ‘big data’ en ‘machine leren’ worden gesproken, al worden deze termen vaak ook breder gebruikt.  Zo ‘leert’ de computer van de auto hoe en wanneer deze binnen de rijstroken moet blijven, mag passeren, hoe voetgangers, fietsen of welk ‘object’ dan ook, ontweken kan worden, wat stoptekens zijn en verkeersborden betekenen en welke de daarbij behorende actie is. Tesla’s geven nog steeds al deze gegevens door aan een datacenter, dat er patronen uit destilleert waarmee de ‘autopilots’ van alle Tesla’s geregeld worden geüpdatet.  Op den duur zou elke Tesla, waar ook ter wereld, elk denkbaar patroon moeten herkennen, daar correct nop moeten reageren en zo het hoogst mogelijke niveau van veiligheid kunnen garanderen. Zover is het nog (lang?) niet en Tesla’s ‘autopilot’ mag daarom niet zonder de aanwezigheid van een chauffeur ’in control’ worden gebruikt. Niemand weet op basis van welke criteria de algoritmen van een Tesla werken, uiteraard wel als ze niet werken. 

Zelflerende computers worden ook ingezet als het gaat om de voorspelling van (belasting)fraude, de kans dan bepaalde personen ‘in de fout’ gaan of plaatsen waar op een bepaald moment de kans op een misdaad het grootst is. Maar ook bij de beoordeling van sollicitanten en de toewijzen van woningen.  Voor deze doelen wordt de waarde van kunstmatige intelligentie overschat[3]. In al deze gevallen is de wijze waarop de computer ‘besluiten’ neemt een ‘blackbox’. Mede om die reden is het moeilijk zo niet onmogelijk om achteraf eventuele fouten op te sporen en recht te zetten.  Dit is een van de problemen bij de beruchte toelagenaffaire.

De cybernetische cirkel

Algoritmische besluitvorming is een onderdeel van een nieuwe digitale golf, gekenmerkt door een cybernetische cirkel van meten (data verzamelen), profileren (data analyseren) en interveniëren (toepassen van data). Op zich komen deze aspecten terug in elk besluitvormingsproces, maar daarbij maken de betrokkenen, politici, volksvertegenwoordigers stapsgewijs bewuste keuzen, terwijl nu het hele proces een blackbox is. 

De rol van ethische principes

Ondertussen groeit de bezorgdheid over het negeren van nagenoeg alle ethische principes die in aflevering 9 zijn genoemd, door de toepassing van kunstmatige intelligentie: Schending van de privacy, discriminatie, gebrek aan transparantie en machtsmisbruik met als gevolg groot (deels onbedoeld) leed, risico’s voor de beveiliging van kritieke infrastructuur, afbrokkeling van menselijk denkvermogen en ondermijning van het vertrouwen in de samenleving. Het is daarom noodzakelijk om richtlijnen te formuleren die de toepassing van kunstmatige intelligentie weer in lijn brengen met de genoemde ethische principes. 

Hiertoe is een belangwekkende aanzet gegeven in de publicatie van het Institute of Electric and Electronic Engineers: Ethically Aligned Design: A Vision for Prioritizing Human Well-being with Autonomous and Intelligent Systems[4]. Ook het Rathenau instituut[5] heeft in diverse publicaties een aantal richtlijnen gepubliceerd.

De belangrijkste richtlijnen die uit deze en andere publicaties kunnen worden gedestilleerd, zijn:

  1. Verantwoordelijkheid voor de impact van het gebruik van kunstmatige intelligentie leggen bij zowel degenen die besluiten nemen over de toepassing ervan (politiek, leiding van organisatie of bedrijven) als de ontwikkelaars. Deze verantwoordelijkheid betreft zowel de gebruikte systemen als de kwaliteit, nauwkeurigheid, volledigheid en representativiteit van de data(set).
  2. Voorkomen dat ontwerpers (onbewust) hun eigen normen gebruiken bij de instructie van leerprocessen. Teams met een diversiteit aan achtergronden zijn een goed middel om dit te voorkomen.
  3. Kunnen herleiden van ‘beslissingen’ door computersystemen op de gehanteerde algoritmen, de werking daarvan begrijpen en deze kunnen uitleggen.
  4. Wetenschappelijk kunnen onderbouwen van het model dat aan de algoritme en aan de keuze van de data ten grondslag ligt.
  5. Handmatig verifiëren van ‘beslissingen’ die negatief uitpakken voor de betrokkene. 
  6. Uitsluiten van alle vormen van bias in de inhoud van datasets, de toepassing van algoritmen en het hanteren van uitkomsten[6].
  7. Verantwoording afleggen over de wettelijke grondslag van de combinatie van datasets.
  8. Vaststellen of de berekening beoogt valse positieven dan wel valse negatieven te minimaliseren.
  9. Terugkoppelen naar opdrachtgevers door auteurs van algoritmen als deze in het bronnenmateriaal gebrek aan eenduidigheid aantreffen.
  10. Hanteren van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, wat betekent van geval tot geval vaststellen of de baten van gebruik van kunstmatige intelligentie opwegen tegen de risico’s[7].
  11. Verbieden van toepassingen van kunstmatige intelligentie die een groot risico vormen voor schending van ethische principes, zoals gezichtsherkenning, persuasieve technieken en deep-fake technieken[8].
  12. Intrekken van wettelijke bepalingen als blijkt dat deze vanwege hun complexiteit of vaagheid niet op transparante wijze gehandhaafd kunnen worden.  

De derde, de vierde en de vijfde richtlijn moeten in samenhang worden gezien.  Ik leg hieronder uit waarom.

De wetenschappelijke fundering van algoritmische besluitvorming

Bij het gebruik van zelflerende computers zijn het de computers zelf die de algoritmen aanpassen en uitbreiden en gegevens uit uiteenlopende datasets combineren.  Het gevolg kan zijn dat de uiteindelijke ‘beslissingen’ die de computer neemt niet uitgelegd kunnen worden. Dit is uitsluitend aanvaardbaar, nadat gebleken is dat deze beslissingen ‘foutloos’ zijn, bijvoorbeeld omdat, in het geval van ‘zelfsturende’ auto’s, deze vele malen veiliger blijken te rijden dan auto’s met chauffeur.

In de toelagen affaire was hier geen sprake van. Daar zou de vijfde richtlijn uitkomst hebben kunnen bieden.  Met behulp van wetenschappelijk ontwerpgericht onderzoek kan worden onderzocht, uit welke stappen en welke regels een beslissingsproces bestaat om te bepalen wie terecht een toelage krijgt en wie eventueel ten onrechte bezwaar maakt tegen de afwijzing van een verzoek. Aan de hand van zo’n beslisboom kan door een steekproef met voldoende omvang de overeenkomst met de ‘beslissingen’ van de computer worden vastgesteld. Als dit inderdaad in nagenoeg alle gevallen zo is, dan mogen de criteria die in de handmatige berekening zijn gehanteerd worden gebruikt om uit te leggen wat zich in de ‘blackbox’ van de computer heeft afgespeeld. Als er veel en grote afwijkingen zijn, dan moet de computerberekening worden verworpen.

Door toepassing van zelflerende algoritmen kunnen onvermoede verbanden worden ontdekt tussen verschijnselen. Dat kan van grote betekenis zijn. Er is dan altijd sprake van statistische relaties en niet van causale.  

Op basis van deze verbanden kunnen geen maatregelen worden gerechtvaardigd, wel kunnen ze vertrekpunt voor verder onderzoek. 

Governance

In de VS is het gebruik van algoritmen inmiddels in een kwaad daglicht komen te staan, vooral door de ongewenste gevolgen van toepassing door de politie, waarover aflevering 16 gaat.  De problemen daarbij gaan veel verder dan het optreden van ‘bias’. De stad New York heeft daarom een algoritme manager aangesteld, die onderzoekt of de gebruikte algoritmen voldoen aan ethische en wettelijke regels. In steeds meer gemeenten vervult een ethische commissie deze rol.

Op bestuurlijk vlak zijn zowel op Europees niveau als binnen Nederland al stappen gezet om uitwassen van algoritmische besluitvorming tegen te gaan.  

De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), die is in 2018 in werking getreden is heeft de bescherming van de privacy aanzienlijk verbeterd. In april 2019 publiceerde de Europese High Level Expert Group on AI ethische richtlijnen voor de toepassing van kunstmatige intelligentie In februari 2020 heeft ook de Europese Commissie zulke richtlijnen vastgesteld onder meer in het White Paper On Artificial Intelligence en een AI-verordening. Verder stelde de regering onder meer vast de nationale digitaliseringsstrategie, het Strategisch Actieplan AI en de beleidsbrief AI, mensenrechten en publieke waarden[9].

Ik realiseer me dat het binden van overheden en hun uitvoeringsorganen aan ethische principes koren op de molen is van degenen die deze principes aan de laars lappen. Daarom blijft de zoektocht naar legitieme methoden om misdaad, corruptie en malversaties met behulp van moderne technieken op te sporen, brede steun verdienen.

Er is nog heel wat werk te verzetten om de kracht van kunstmatige intelligentie voor dit doel op gewetensvolle wijze te gebruiken.


[1] https://stadszaken.nl/artikel/3961/rekenkracht-ai-maakt-gebiedsontwikkeling-beter?utm_source=Mailing+Lijst&utm_medium=email&utm_campaign=24-12-2021_Grote+verdeeldheid+over+Omgevingswet

[2] https://www.smartcitiesworld.net/news/belgian-city-uses-artificial-intelligence-to-tackle-noise-pollution-7243?utm_source=newsletter&utm_medium=email&utm_campaign=Weekly%20Newsletter

[3] https://www.dropbox.com/s/22ekhzws9gpb4nd/Rapport_De_stand_van_digitaal_Nederland_Rathenau_Instituut.pdf?dl=0

[4] https://www.dropbox.com/s/508gjrmdaexj563/2020_029_Digitale_technologie_Eng.docx?dl=0

[5] https://www.dropbox.com/s/hdx3gwjx1rni3on/Rathenau-Grip_op_algoritmische_besluitvorming_overheid_Rathenau_Instituut.pdf?dl=0

[6] https://medium.com/@BloombergCities/the-promise-and-peril-of-algorithms-in-local-government-f1a2964769f2

[7] https://www.dropbox.com/s/xe962n2m7ik6gt2/Rathenau-Zeven_aandachtspunten_voor_de_AI-verordening_Bericht_aan_het_Parlement_Rathenau_Instituut.pdf?dl=0

[8] https://www.dropbox.com/s/q2zji5s60y989ea/Rathenau-Verantwoord_Innoveren_met_AI_Rathenau_Instituut.pdf?dl=0

[9] https://www.dropbox.com/s/22ekhzws9gpb4nd/Rapport_De_stand_van_digitaal_Nederland_Rathenau_Instituut.pdf?dl=0

Het ‘Future of urban tech’-project

Wie durft te voorspellen of wij technologie de baas blijven of dat het omgekeerde gebeurt? De zevende editie van de serie Bouwen aan duurzame steden – De bijdrage van digitale technologie gaat over prognoses, trends en signalen met betrekking tot de rol van technologie bij de ontwikkeling van steden, zoals het Future of Urban Tech-project van Cornell University in New York die ziet.

Een bron van nieuwe inzichten

Technologie heeft de planeet ten goede en ten kwade veranderd. Zal deze verandering doorzetten en welke richting zal domineren? Om deze vraag te beantwoorden hebben wetenschappers van het Jacobs Institute aan de Cornell University in New York een horizonscan gemaakt. Als onderdeel van dit ambitieuze project The Future of Urban Tech maakten ze een inhoudsanalyse van honderden recente wetenschappelijke publicaties, waaruit ze 217 signalen destilleerden. Deze signalen werden gegroepeerd in 49 deels tegengestelde trends. Elke trend is voorzien van een indicatie van tijdsbestek, waarschijnlijkheid en maatschappelijke impact. Uiteindelijk hebben ze zes prognoses gemodelleerd. Deze beschrijven dominante richtingen voor verandering.

Elke lezer kan het project dat wordt gepresenteerd door middel van een website, op eigen manier gebruiken. Ik ben uitgegaan van de 17 sectoren zoals gebouwde omgeving, logistiek, mobiliteit en energie en heb de daaraan gerelateerde trends verkend. Het is ook mogelijk om top-down te beginnen met een van de zes prognoses en de plausibiliteit ervan onderzoeken in het licht van de gerelateerde trends en signalen. Ik laat hieronder zien dat elk van de prognoses uitdagend is en uitnodigt tot verder lezen.

De selectie van de inhoud wordt ondersteund door dynamische afbeeldingen, die alle signalen, trends en prognoses met elkaar verbinden en de lezer in staat stellen de onderlinge relaties te overzien. Begin gewoon te scrollen en laat je nieuwsgierigheid de vrije loop en beslis na wat verkenningen hoe je systematischer te werk wilt gaan.

De website beschrijft elk van de prognoses, trends en signalen in het kort. Elk signaal weerspiegelt de inhoud van een handvol (populair) wetenschappelijke publicaties die kort worden samengevat. Lees de artikelen die je intrigeren of beperkt je tot de samenvatting.

Neem de tijd om deze site te verkennen, want je zult veel nieuwe inzichten en meningen tegenkomen.  De link naar het project staat aan het einde van dit artikel.

Hieronder zal ik enkele aspecten van de inhoud van het project toelichten, gevolgd door enkele kanttekeningen.

Zes prognoses

De prognoses weerspiegelen de veelheid aan standpunten in hedendaagse wetenschappelijke literatuur, wat lezers prikkelt om tot een oordeel te komen. Hieronder is de formulering van de prognoses in verkorte vorm overgenomen.

1. Alle gebouwen, huizen, verkeersmiddelen, de infrastructuur maar ook bomen en parken zullen met sensoren en camera’s worden verbonden en één web vormen

Nu al zijn veel gebouwen, bussen, treinen en wegen uitgerust met digitale detectie, maar ze zijn nog slechts in beperkte mate onderling gelinkt. Het komende decennium zal hierin verandering brengen, wat bijvoorbeeld een doorbraak zal betekenen in het beheer over de energiestromen. 

2. Steden zullen gebruikmaken van geavanceerde biotechnologie om de leefbaarheid te doen toenemen.

Groeiend inzicht in de menselijke afhankelijkheid van de natuur zal leiden tot het in kaart brengen van de fysiek-biologische wereld evenals de bedreigingen en de zegeningen daarvan voor mensen. Stadsbesturen zullen bomen, parken en waterwegen van sensoren voorzien om de vitaliteit van ecosystemen te meten en te beheersen.

3. Veerkrachtige corridors zullen het effect van de klimaatverandering matigen en burgers worden voorbereid op de onvermijdelijke schokken die komen gaan.

Steden zullen de CO2-uitstoot verminderen maar zich ook voorbereiden op de gevolgen van de onvermijdelijke gevolgen van klimaatverandering. Politieke en financiële machtscentra zullen worden geconcentreerd op plaatsen waar de impact van de klimaatsverandering met technische middelen beheerst kan worden.

4. Kunstmatige neurale netwerken zorgen voor geavanceerde vormen van machine leren met ongeëvenaarde voorspellende mogelijkheden die orde zal brengen in de chaos van het stedelijk leven.

Machine leren en kunstmatige intelligentie zullen ondoorgrondelijke ‘black boxes’ worden die beslissingen nemen zonder uitleg te geven. De ultieme vragen zijn of de machines waaraan we onze besluiten uitbesteden zelf nog wel bestuurd kunnen worden en of de impact van spontane ontmoetingen en menselijke ideeën verdwijnt als computers toch de beste oplossingen produceren?

5. Nieuwe Screen Deal die de risico’s en voordelen van stedelijke technologie herverdeelt.

“Alles op afstand” – leren, gezondheidszorg, werk en entertainment – wordt het nieuwe normaal. De voorspellende kracht van AI zal leiden tot conflicten over de concentratie van rijkdom en macht die digitale platforms veroorzaken. Maar aan de andere kant zullen nieuwe stakeholders juist rechtvaardigheid centraal stellen.

6. Een wereldwijze toeleveringsketen voor technologieën voor het maken van steden zal ‘de code van de stad kraken’

In de smart cities-beweging bestaat een spanning tussen top-down en bottom-up, tussen propriëtair versus open en tussen Big Tech en ‘Makers’. Een nieuwe stedelijke innovatie-industrie zal de overhand krijgen, maar is meer afgestemd op de maatschappelijke zorgen. Overheden zullen op hun beurt een duidelijker beeld hebben van de problemen die de industrie moet oplossen. Een publiek-private structuur voor investeringen en governance is onmisbaar om de kracht van Big Tech tegen te gaan.

Een paar opmerkingen

Zoals gezegd is elk van de zes prognoses gebaseerd op trends. Negen trends, in het geval van de laatste voorspelling. Elke trend wordt geïllustreerd door een handvol signalen, gedocumenteerd met behulp van verschillende publicaties. Een van de negen trends die de laatstgenoemde prognose ondersteunen, is ‘Regionale clustering van ondernemingen tot ecosystemen’, bijvoorbeeld New York, Londen, Berlijn en Amsterdam. Deze verwijst naar de groeiende kracht van lokale technologiehubs, ondersteund door regionaal kapitaal en waarbij overheden, startups, kennisinstellingen en burgers betrokken zijn. Deze concentratie kan zelfs leiden tot een nieuwe ‘ruimtewedloop’ tussen steden in plaats van landen.

Uit de onderliggende signalen blijkt echter dat deze ‘trend’ veel opener en onzekerder is dan de beschrijving rechtvaardigt.

Ik heb veel publicaties doorgenomen die een signaal documenteren en concludeerde steeds dat ‘trends’ in wezen de bandbreedte in kaart brengen waarbinnen zich ontwikkelingen binnen een domein zullen voordoen. Voor mij doet dit geen afbreuk aan de waarde van het project, want hoe meer twijfels er zijn over de toekomst en hoe meer inzicht we hebben in de krachten die deze vormgeven, hoe meer mogelijkheden we hebben om de toekomst te beïnvloeden.

Uiteraard moeten de zes prognoses aansluiten bij het open karakter van de trends. Om deze reden heb ik elk van de zes prognoses eveneens geherformuleerd als bandbreedtes van conflicterende ontwikkelingstendensen.

1. De commerciële of politieke belangen achter stedelijke technologie versus het welzijn van de burgers.

2. De strijd tussen (supra)nationale politieke macht versus ‘Big Tech’ over leiderschap over de technologische ontwikkeling.

3. Het onbeperkte doordringen van technologie in alle domeinen van de samenleving versus acceptatie van onvoorspelbare uitkomsten van menselijke interacties die het gevolg zijn van creativiteit, innerlijke motieven en intuïtieve beslissingen.

4. Beheersing van de natuur met behulp van biotechnologie versus het herstel van een evenwicht tussen mens en natuurlijke ecosystemen.

5. De concentratie van macht, politieke invloed en rijkdom door zeggenschap over technologie versus open licenties waardoor technologie ten bate van de hele wereldbevolking kan worden aangewend.

6. Oncontroleerbare autonome besluitvorming door machine leren en kunstmatige intelligentie versus het primaat van de democratische en gedecentraliseerde besluitvorming over de toepassing van technologie.

Bestuderen van het Future of Urban Tech-project is een rijke en tot nadenken stemmende leerervaring en heeft mede de inzichten gevoed die aan deze reeks ten grondslag liggen.

Je vindt het Future of Urban Tech-project achter de onderstaande link:

https://futureofurbantech.org/introduction/

Digitale sociale innovatie: Welzijn voorop

De vierde aflevering in de reeks “Bouwen aan duurzame steden; de bijdrage van digitale technologie” gaat over digitale sociale innovatie en betreft mensen die met digitale middelen de samenleving willen laten gedijen en het milieu doen ontzien.

Digitale sociale innovatie – ook wel smart city 3.0 genoemd – biedt een vooralsnog bescheiden tegenwicht tegen de groeiende dominantie en de desondanks achterblijvende beloften van ‘Big Tech’.  Het gaat om “a type of social and collaborative innovation in which final users and communities collaborate through digital platforms to produce solutions for a wide range of social needs and at a scale that was unimaginable before the rise of Internet-enabled networking platforms.” 

Digitale innovatie in Europa heeft een boost gekregen door het EU-project Growing a digital social Innovation ecosystem for Europa (2015 – 2020) waaraan voor Nederland De Waag Society in Amsterdam participeerde. Een van de verworvenheden is een database van meer dan 3000 betrokken organisaties en bedrijven. Het is doodzonde dat deze database na het beëindigen van het project niet meer wordt bijgehouden en – zoals ik heb ervaren – snel aan actualiteit inboet. 

Veel organisaties en projecten kennen onderlinge verbindingen, doorgaans rond een ‘hub’. Behalve de Waag Society, zijn dat voor Europa, Nesta, Fondazione Mondo Digitale en het Institute for Network Cultures. Voor nieuwe projecten zijn deze vier organisaties ook uitstekende adviseurs. Belangrijke websites zijn: digitalsocial.eu (niet meer onderhouden) en de meer op bedrijven ingestelde techforgood

Een diversiteit aan invalshoeken

Om het veld van digitale innovatie beter te leren kennen kunnen verschillende invalshoeken worden gebruikt:

  • De aandacht voor uiteenlopende vraagstukken zoals energie en klimaat, lucht- en geluidsoverlast, gezondheidszorg en welzijn, economie en werk, migratie, politieke betrokkenheid, betaalbare huisvesting, sociale cohesie, onderwijs en vaardigheden.
  • De veelheid van hulpmiddelen variërend van open hardware kits voor het meten van luchtvervuiling, apparaten voor recycling van plastic, 3D printers, open data, open hardware en open kennis. Verder: social media, crowdsourcing, crowdfunding, big data, machine learning et cetera.
  • De verscheidenheid aan typen projecten: Webservices, netwerken, hardware, doen van onderzoek, adviseren, campagnes en evenementen, cursussen en trainingen, onderwijs en onderzoek.
  • Het uiteenlopende karakter van betrokken organisaties, ngo’s, not-for-profit organisaties burgerinitiatieven, onderwijs- en onderzoekinstellingen, gemeenten en in toenemende mate sociale en maatschappelijke ondernemingen.  

Deze vier invalshoeken komen hierna slechts aan de orde via de gekozen voorbeelden.

De nadruk ligt op een vijfde invalshoek, namelijk de verscheidenheid van doelstellingen van de betrokken organisaties en projecten.

Vervolgens sta ik stil bij hoe gemeenten digitale sociale innovatie kunnen stimuleren. Maar eerst de vraag wat de betrokken organisaties gemeen hebben. 

Een gemeenschappelijke noemer

Een aantal van deze organisaties heeft in 2017 het Manifesto for Digital Social Innovation opgesteld en daarin een aantal centrale waarden benoemd: Openheid en transparantie, democratie en decentralisering, experimenteren en adoptie, digitale vaardigheden, multidisciplinariteit en duurzaamheid. Deze geven betekenis aan de drie componenten van het begrip digitale sociale technologie:

Maatschappelijke vraagstukken. 

De veelheid aan thema’s van projecten op het gebied van digitale sociale innovatie is al vermeld. Binnen al deze thema’s neemt het perspectief van sociale ongelijkheid, diversiteit, menselijke waardigheid en gender een belangrijke rol in. In toepassingen op het gebied van stedenbouw verschuift hierdoor de aandacht deels van de fysieke omgeving naar de sociale omgeving: We’re pivoting from a focus on technology, IoT and data to a much more human-centered process, in de woorden van Emily Yates, smart cities director van Philadelphia.

Innovatie

Ben Green schrijft in zijn boek ‘The smart enough city’: One of the smart city’s greatest and most pernicious tricks is that it …. puts innovation on a pedestal by devaluing traditional practices as emblematic of the undesirable dumb city.’(p. 142). In digitale sociale innovatie verwijst de term innovatie verwijst innovatie eerder naar implementeren, experimenteren, verbeteren en opnieuw assembleren.  

(Digitale) technologie

Technologie is geen neutrale gereedschapskist die voor alle doelen gebruikt of misbruikt kan worden. Ben Green: We must ask, what forms of technology are compatible with the kind of society we want to build (p. 99). Gangbare technologieën hebben vorm gekregen vanuit commerciële of militaire doelstellingen. Technologieën die bijdragen aan ‘the common good’ moeten deels nog ontwikkeld worden. Aanhangers van digitale sociale innovatie benadrukken het belang van een robuust Europees open, universeel, gedistribueerd, privacy-bewust en neutraal peer-to-peer netwerk als platform voor alle vormen van digitale sociale innovatie.

Doelstellingen en focus

Als het om doelstelling of focus gaat, kunnen vijf typen projecten worden onderscheiden: (1) Nieuwe productietechnieken (2) zeggenschap (3) samenwerking (4 bewustmaking en (5) streven naar open access.

1. Nieuwe productietechnieken

Een groeiende groep ‘makers’ zorgt voor een revolutie in open ontwerp. 3D-productietools CAD/CAM-software is niet duur of beschikbaar in ‘fab labs’ en bibliotheken. Waag Society in Amsterdam is er een van de vele instellingen die een fab lab hosten. Dit wordt onder andere gebruikt om digitale sociale innovaties te ontwikkelen. Een voorbeeld was een 3D-geprinte prothese van $50 bestemd voor gebruik in ontwikkelingslanden.

2. Zeggenschap

Met behulp van digitale technologie kunnen burgers massaal deelnemen aan besluitvormings. In Finland mogen burgers voorstellen aan het parlement voorleggen.  Open Ministry ondersteunt burgers bij het maken van een ontvankelijk voorstel en verder bij de verwerving van de minimaal vereiste 50.000 stemmen. Open Ministry maakt nu deel uit van het Europese D-CENT-project een gedecentraliseerd sociaal netwerkplatform dat tools heeft ontwikkeld voor grootschalige samenwerking en besluitvorming in heel Europa.

3. Samenwerking

Het gaat om mensen in staat stellen om vaardigheden, kennis, voedsel, kleding, huisvesting uit te wisselen, maar omvat ook nieuwe vormen van crowdfunding en financiering gebaseerd op reputatie en vertrouwen. De deeleconomie is hard op weg een belangrijke economische factor te worden. Ook zijn wereldwijd duizenden alternatieve betaalmiddelen in gebruik.  In Oost-Afrika opent M-PESA (een mobiel financieel betalingssysteem) voor negen miljoen mensen de toegang tot beveiligde financiële diensten te worden. Goteo is een sociaal netwerk voor crowdfunding en samenwerking bij gezamenlijke die bijdragen aan het algemeen belang.

4. Bewustwording

Dit zijn instrumenten die informatie willen gebruiken om gedrag te veranderen en collectieve actie te mobiliseren. Tyzeis een besloten en online community voor familie, vrienden, buren en zorgprofessionals om rond een cliënt de onderlinge betrokkenheid te versterken en afspraken te maken, bijvoorbeeld voor bezoek. Safecast is de naam van een zelfgebouwde geigerteller waarmee een wereldwijde gemeenschap stralingsmetingen verricht en zo bewustzijn helpt vergroten in straling en (binnenkort) de aanwezigheid van fijnstof.

5. Open Access 

De open access-beweging (inclusief open inhoud, standaarden, licenties, kennis en digitale rechten) wil burgers mondiger maken. De City Service Development Kit (CitySDK) is een systeem dat open data van overheden verzamelt om deze uniform en realtime beschikbaar te stellen.  CitySDK helpt zeven Europese steden om hun data vrij te geven en biedt tools om digitale diensten te ontwikkelen. Het helpt steden ook te anticiperen op de steeds groter wordende technologische mogelijkheden, bijvoorbeeld een plattegrond waarop alle 9.866.539 gebouwen in Nederland zijn weergegeven, gearceerd volgens bouwjaar. Github is een platform voor samenwerking door inmiddels miljoenen open softwareontwikkelaars en draagt bij aan de een re-decentralisatie van de manier waarop code wordt gebouwd, gedeeld en onderhouden.

Ondersteuning door steden

Steden kunnen organisaties die digitale sociale innovaties nastreven in veel opzichten ondersteunen bij de aanpak van problemen. Ze kunnen zelf ook projecten op dat gebied starten. 

Er is wel een aantal voorwaarden.

  • Stedelijke problemen zijn altijd gecompliceerd, tegenstrijdig en verbonden met belangen en kennen zelden enkelvoudige oplossingen. Daarom moeten digitale sociale projecten, net als alle andere projecten, goed doordacht worden ingebed en hun raakvlakken met de andere aspecten van het beleid worden verkend.
  • De inzet van technologie, dus ook die in het kader van digitale sociale innovatie dient zich naadloos te voegen naar de stedelijke agenda, in plaats van dat er problemen worden geformuleerd die aansluiten bij verleidelijke technologieën 
  • De stedelijke agenda is onderdeel van een maatschappelijk krachtenveld gekenmerkt door een veelheid van vaak tegengestelde of ‘schurende’ inzichten, wensen en belangen. Digitale sociale projecten kunnen tegenwicht bieden aan de machtsverschillen tussen stakeholders en zo de stad rechtvaardiger, inclusiever en democratischer en de bewoners gelukkiger maken.
  • Digitale sociale projecten – maar zij niet alleen – kunnen een onderdeel zijn van het streven om uiteenlopende groepen binnen de stad ‘uit te dagen’ om problemen aan te pakken en te experimenteren.

Gegeven deze uitgangspunten is er een aantal manieren op digitale sociale innovatieve projecten te stimuleren. Gemeenten die dit willen kunnen veel baat hebben van de uitgebreide lijst van voorbeelden in de Digital Social Innovation Ideas Bank, An inspirational resource for local governments.

Financiering

Rechtstreekse ondersteuning door middel van subsidies, kopen van aandelen, leningen, social impact bonds, maar ook competities en matching, waarbij de gemeente het door de organisatie, bijvoorbeeld via crowdfunding verkregen kapitaal, verdubbeld. Een voorbeeld van een door de gemeente gefinancierd project is Amsterdammers, maak je stad.

Samenwerking

Betrokkenheid bij een project, variërend van gezamenlijke verantwoordelijkheid en daarmee veelal ook bijdrage in de kosten tot materiële ondersteuning door beschikbaar stellen van ruimte en vormen van dienstverlening, zoals in het geval van Maker Fairs of het Unusual Suspects Festival. Gemeenten kunnen ook samen een project oprichten en ondersteunen, zoals bijvoorbeeld Cities for Digital Rights. Een goed voorbeeld zijn de honderden commons in Bologna, waaraan de gemeente een deel van haar taken delegeert.

Inkoopbeleid

Projecten op het gebied van digitale sociale innovatie hebben een aanbod van bruikbare software opgeleverd, op tal van gebieden waaronder de verbetering van de communicatie met burgers en hun betrokkenheid bij het beleid. Consul is voor het eerst gebruikt in Madrid, maar heeft zijn weg gevonden naar 33 landen en meer dan 100 steden en bedrijven, en wordt gebruikt door meer dan 90 miljoen personen. In veel gevallen is er ook lokaal aanbod. Een alternatief is Citizenlab

Infrastructuur

Gemeenten zouden ernstig moeten overwegen een fab lab in te richten of te ondersteunen. Fab Foundation is hierbij behulpzaam. Een ander voorbeeld is the Things Network en de Smart citizen kit. Beide zijn open tools waarmee burgers en ondernemers een IoT-toepassing tegen lage kosten kunnen bouwen. Deze voorzieningen kunnen ook worden gebruikt om met burgers in een buurt lawaaioverlast, lichtvervuiling of stank te gaan meten, zonder dat er een kostbaar sensornetwerk aangelegd hoeft te worden.

Training van vaardigheden

Gemeenten kunnen burgers en scholieren gerichte programma’s aanbieden voor het trainen van digitale vaardigheden, of organisaties ondersteunen die dit kunnen uitvoeren, via een combinatie van fysieke en digitale middelen. Een van de opties is het programma leugendetector, ontwikkeld door een non-profit organisatie die jonge kinderen leert manipulatieve informatie op (sociale) media te herkennen en te weerstaan.

Incubaters en accelerators

Dit soort organisaties treffen we vooral aan in de wereld van startups, waarvan overigens ook een aantal een maatschappelijke impact heeft. Ook voor jonge DSI-organisaties zijn gerichte begeleidingsprogramma’s aanwezig. In Nederland is dat de Waag Society in Amsterdam. Een typische ‘tech for  good’ incubator in het VK is Bethnal Green Ventures. Een organisatie die ook het Nederlandse Fairphone heeft helpen groeien. In Nederland zijn verder verschillende startup in residence-programma’s actief die ook een rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van DSI-organisaties.

Een digitaal-sociaal innovatief moonshot naar bruto menselijk geluk

Het is af en toe nodig om vooruit te denken en beleidsmakers wakker te schudden en daarbij de vraag naar de implementatie even opzij te zetten.  Een mooi voorbeeld daarvan vanuit een digitaal sociaal innovatie perspectief is het moonshot dat Jan-Willem Wesselink (Future City Foundation), Petra Claessen (BTG/TGG). Michiel van Willigen en Wim Willems (G40) en Leonie van den Beuken (Amsterdam Smart City) in het kader van ‘Missie Nederland’ van de Volkskrant[1] hebben geschreven. Met dit stuk kunnen heel wat DSI-organisaties aan de slag! Ik eindig met de hoofdpunten hiervan:

In 2030 …

… is geen enkele Nederlander meer digibeet, in plaats daarvan is elke Nederlander digitaal vaardig.

… heeft elke inwoner van Nederland toegang tot hoogwaardig internet. Dat betekent dat elk huis wordt aangesloten op snel vast en mobiel internet en elk huishouden in staat is om apparaten te kopen waarmee toegang mogelijk is. Een goede laptop is net zo belangrijk als een goede koelkast.

… wordt het internet op een nieuwe manier gebruikt. Toepassingen (software en hardware) worden vanuit de gebruikers gemaakt. Met als uitgangspunt dat iedereen ze kan gebruiken. Programma’s en de daarvoor benodigde algoritmen worden zo geschreven dat ze ten dienste staan van de samenleving en niet van het bigtech-bedrijfsleven.

… heeft elke inwoner van Nederland een ‘self-sovereign-identity’ waarmee ze vrij, binnen de context van hun eigen grenzen, digitaal kunnen opereren en acteren.

… is nieuwe technologie ontwikkeld die de inwoners en bedrijven de kans mee te denken en beslissen over en mee te ontwikkelen en handelen aan welzijn regio’s, steden en dorpen.

… hebben alle Nederlandse politici verstand van digitalisering en technologisering.

… is het Nederlandse bedrijfsleven leidend in de ontwikkeling van deze oplossingen.

… zorgt dit alles voor meer welzijn en niet alleen voor meer welvaart.

… is het internet weer van ons.

Een wat uitgebreidere toelichting tref je aan onder deze link

https://amsterdamsmartcity.com/moonshot


[1] https://www.volkskrant.nl/wetenschap/niemand-nog-laaggeletterd-en-nederland-co2-negatief-dit-zijn-de-zes-winnende-inzendingen-van-missie-nederland~bc7a2cf7/

Laat kinderen meedelen in de ruimte (1): Spelen en bewegen

Onlangs hebben Henk Donkers en ik een artikel geschreven over de kindvriendelijke stad in het tijdschrift Geografie (september 2021). In viertal posts diep ik de stedenbouwkundige aspecten van dit artikel verder uit.

Het onderstaande gaat over hoe de leefomgeving spelen en bewegen beperkt, maar ook kan stimuleren. In de navolgende posts sta ik stil bij de vraag hoe gebouwde omgeving aantrekkelijker kan worden voor gezinnen in het algemeen en voor kinderen in het bijzonder. Hoe weten we wat goed is voor kinderen en wat ze zelf willen? Om die vraag te beantwoorden komt in de derde blogpost onderzoek daaromtrent aan de orde. Tenslotte ga ik na hoe jongeren meer betrokken kunnen worden bij de ontwikkeling van de leefomgeving.

Ik vat het begrip kinderen ruim op, tot ongeveer 15 jaar. Zij zullen in steeds grotere getale opgroeien in een stedelijke omgeving. De VN heeft in het verdrag voor de rechten van het kind vastgelegd dat hun belangen gelijkwaardig zijn aan die van volwassenen en spreekt gemeenten daarop aan, bijvoorbeeld in het Childfriendly cities and communities handbook. Los daarvan, steden moeten verdichten om de groeiende vraag naar wooneenheden op te vangen en de omringende groene ruimte te ontzien. Voeg dit bij de noodzaak van een afname van de broeikasgassen in de dampkring, dan kun je zachts gezegd spreken van een uitdagende opgave.

In plaats kindvriendelijk wordt vaak de term ‘beweegvriendelijk’ gebruikt: voldoende en veilige ruimte om te spelen en te bewegen. Ook belangrijk voor volwassenen trouwens. Wetenschappelijk onderzoek wijst uit dat spelen en bewegen belangrijk zijn voor lichaam en geest. De omgeving is beweegvriendelijk ingericht. Ze nodigt uit tot beweging, sport en spel. Ze zet aan tot een actieve, gezonde levensstijl en tot zachte verplaatsingen. Zo staat te lezen in het Witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Er is nog heel wat te doen voordat deze toestand is bereikt. 

Obstakels voor een beweegvriendelijke inrichting van de ruimte

Spelen en bewegen omvat een reeks van activiteiten met een bijbehorend ruimtebeslag. Het gaat daarbij om veel plekken van beperkte omvang in de nabijheid van woningen tot een kleiner aantal omvangrijke voorzieningen op buurt- en wijkniveau. Belangrijk is dat deze met elkaar in verbinding staan via veilige loop- en fietsroutes. Tal van voorbeelden en suggesties zijn te vinden in de publicatie Sport en ruimte in beweging.

Bij vrijwel alle voorstellen om voldoende en veilige ruimte om te spelen en te bewegen te creëren zitten er minstens twee dingen in de weg.

Dat is de auto in de eerste plaats. De meeste woonwijken zijn aangelegd vanuit de gedachte van bereikbaarheid met de auto.  Het wordt vanzelfsprekend beschouwd dat elk huis of appartementengebouw tot aan de voordeur met de auto bereikbaar is, dat straten in de eerste plaats zijn voor auto’s en elke wooneenheid minstens twee parkeerplaatsen nodig heeft.

Het tweede ding dat in de weg zit zijn groenvoorzieningen. Dat mag vreemd klinken. Met groenvoorzieningen wordt vooral siergroen bedoeld.  Grote grasvelden rondom flatgebouwen (balspel verboden!), aangeharkte perken en struiken.  Ook een groot deel van de (voor)tuinen – voor zover al niet versteend – hoort ook hierbij, gelet op de spastische reacties van sommige bewoners als de bal van de buurkinderen in hun tuin terechtkomt.

‘Groen’ moet zeker worden behouden en uitgebreid, maar meer worden aangelegd vanuit het perspectief van beweegvriendelijkheid. 

Hieronder volgt eerst aantal goede voorbeelden. Achtereenvolgens komen aan de orde: voortuinen, toepassing van speeltoestellen, straten en pleintjes, speelplaatsen en schoolomgeving, water, pleinen en parken, speeltuinen en grootschalige voorzieningen. Het tweede deel bevat een aantal reflecties op wat jeugdigen en andere jongeren willen.

Voortuinen

Vaak zijn voortuintjes ‘voor de sier’, soms voorzien van een bankje en met een hek of haag afgescheiden van de buren. Kinderen spelen op de stoep of tussen geparkeerde auto’s. 

Maar ook zie je op vooralsnog beperkte schaal, dat buren van hun voortuinen een (gezamenlijke) speelruimte maken.  Voortuinen zijn voor dit doel beter geschikt dan achtertuinen omdat zij ontmoetingen stimuleren van wisselende groepjes kinderen uit de buurt. Achtertuinen kunnen dan ook kleiner zijn en gebruikt worden om te zitten en te eten in gezinsverband.

Voor wie met een of meer buren en met de gemeente aan de slag wil, de publicatie Kinderen en voortuinen, biedt volop bouwstenen en inspiratie voor een dergelijk project

Speeltoestellen

In alle voorbeelden hieronder komen speeltoestellen voor. Daarom licht ik ze er even uit. 

Het belang van speeltoestellen moet niet worden overschat.  Voor veel kinderen bestaat het ideale speelpleintje uit hopen grof zand, water, klimbomen en pallets. Het oogt voor de omwonenden ongetwijfeld rommeliger dan een veldje met wipkippen. Goede speeltoestellen lokken creatieve actie uit en zijn voor meer dan een doel te gebruiken. Je kunt erop klimmen er vanaf glijden, verstoppertje spelen en meer. Van de eenvoudige apparaten zijn (schotel)schommels en klimrekken favoriet.

Speelstraten en -pleintjes

De meeste wijken hebben een saai rechthoekig stratenpatroon, ook als er nauwelijks doorgaand verkeer is. Een aantal straten kan periodiek als speelstraat worden gebruikt, maar beter is om het parkeren te concentreren in de uiteinden van de straten en daartussen ruimte te maken om te spelen, te chillen, te zonnen. Plaatsing van een beperkt aantal speeltoestellen kan, maar ook hier geldt dat een deel van de ruimte ‘open’ en enigszins ruig houden de voorkeur heeft. Als de ruimte groot genoeg is, dan zijn voetbalkooien het overwegen waard. Speelpleintjes kunnen onderling verschillen. Voor de kleinste is gewoon gras, een ondiepe waterpartij en bankjes daaromheen voor de ouders te overwegen, voor wat oudere kinderen een complex klimtoestel. 

Speelplaatsen en schoolomgeving

Steeds meer scholen vervangen kale betegelde vlakten, zogenaamde speelplaatsen, door zorgvuldig ontworpen plekken waar plaats is voor een grote verscheidenheid aan activiteiten, ook in samenhang met de lessen.  Het gaat om schooltuinen, afgebakende ruimte voor verschillende typen balspelen, zitjes, een klein amfitheater, een gebied om hutten of anderszins te bouwen.  Vaak gaat er aan zo’n herinrichting een inspraakronde vooraf, waarbij de leerlingen een eerste ontwerp maken dat zij samen met professionals afwerken.  Idealiteit blijft zo’n ‘speeltuin’ ook na schooltijd open, maar overwegingen met betrekking tot veiligheid en vandalisme beperken dit.

Ook de schoolomgeving is voor verbetering vatbaar. Allereerst dient te worden voorzien in een naadloze aansluiting op het netwerk van loop- en fietsroutes. Vanaf een jaar of zes zouden jeugdigen in principe alleen naar huis moeten kunnen komen, lopend en later eventueel op de fiets.  

Leerlingen van scholen voor het voortgezet onderwijs waarderen het als er in de directe schoolomgeving een aantal ‘ontmoetingsplekken’ zijn, waar ze desgewenst kunnen afspreken om wat te na te kletsen of te chillen.  

Water

Veel woonwijken worden doorkruist door beken en kunstmatige waterlopen, bedoeld als regenwaterbuffer. Oevers zijn uitgelezen plaatsen voor de aanleg van wandel- en looppaden, (cross)parcoursen, aanleg- en verhuurplaatsen voor bootjes, strandjes, plekken om te chillen maar niet voor kinderspel. Hekjes of een dikke ondoordringbare haag van rietsoorten zijn daarom gewenst.  

Dat ligt anders bij ‘wadi’s’. In steeds meer straten worden deze kleine waterloopjes aangelegd om overtollig (regen)water af te voeren. Zeker waar er wat meer ruimte is, bijvoorbeeld op pleintjes, kunnen deze wadi’s worden verbreed tot ondiepe waterpartijen die uitnodige tot uiteenlopende (fantasie)spellen. Maar ouderlijk toezicht op de jongste kinderen blijft nodig.

(Speel)pleinen en -parken

De meeste pleinen zijn vaak grote kale vlakten, waar je het liefst omheen loopt. In elke wijk hoort een plein ter grootte van een hectare, maar dan als plek waar uiteenlopende vormen van spel en bewegen zich concentreren. Middenin is plaats voor een multifunctionele ruimte – smaakvol betegeld of voorzien van (kunst)gras – voor balspel, manifestaties, muziekoptreden, markten en eventueel verplaatsbare banken. Idealiter ligt het centrale deel wat lager, zodat er een talud is om op te zitten, te beklimmen en af te glijden. Aan de rand is ruimte is plaats voor talloze activiteiten, zoals verschillende vormen van balspel, een ruig deel, met klimbomen, ontmoetingsplekken, ruimten om zich te verstoppen, ruimte om te barbecueën en muren om te beschilderen maar ook horeca en een of meer terrassen. In de avond is verlichting gewenst, eventueel af en toe (gekleurde) stemmingsverlichting. Er is ruimte voor onverwachte en onvoorziene activiteiten, zoals een foodcar, straatmuzikanten, wisselende kermisattracties en een salsaband die er wekelijks komt repeteren.

Zo’n plein kan eventueel worden geïntegreerd in een park dat – afgezien van zijn waarde als groenvoorziening – sowieso al mogelijkheden biedt voor kinderen om te spelen. Toevoegen van expliciete spelvoorzieningen maakt parken nog aantrekkelijker.

Bij zowel speelpleinen als parken zijn veilige loop- en fietsroutes naar de woningen een absolute must. Kinderen vinden parken vaak ontoegangelijk omdat ze drukke verkeerswegen moeten oversteken om er te komen.

Speeltuinen

Naast openbare concentraties van spelactiviteiten, zoals speelpleinen en parken is er ook behoefte aan plaatsen met uitdagende speeltoestellen, die meer toezicht vergen en daarom niet in de publieke ruimte geplaatst kunnen worden. Te denken valt aan kabelbaantjes ook fantasieprikkelende voorzieningen als forten, klimtorens, water(speel)partijen met vlotten en roeiboten, banen voor elektrische autootjes, rodelbanen, hindernisbanen en spectaculaire klimvoorzieningen en glijbanen, maar ook een eenvoudig zwembad.

Ook de hiervoor beschreven parken lenen zich voor gezinsuitstapjes, zeker als er ook mogelijkheden zijn voor begeleiders om zich aangenaam te verpozen. Naarmate het aantal vrij toegankelijke spelvoorzieningen daar toeneemt, zal de populariteit van speeltuinen afnemen. Om te blijven voortbestaan verdient hun onderscheidende vermogen alle aandacht.

Grootschalige voorzieningen

Een aantal voorzieningen, betaald of vrij toegankelijk, laat zich het best op gemeentelijk niveau organiseren. Hierbij gaat het om gebruikelijke voorzieningen als zwembaden, jongerencentra, lasergames en dergelijke. Tot deze categorie hoort ook de middenberm van de Westblaak in Rotterdam die over een aanzienlijk deel is omgevormd in een skatepark. Het ontwerp van Lagado Architects is samen met skaters tot stand gekomen. Daarbij is ervoor gezorgd dat ook BMX’ers en inliners aan hun trekken komen. 

Niet alle kinderen zijn hetzelfde

De behoeften binnen de leeftijdsgroep tot 15-jarigen lopen sterk uiteen. Vaak worden drie groepen onderscheiden. Huismussen, die hun (vrije) tijd het liefst binnenshuis doorbrengen. Soms met lezen; vaker met games of (steeds minder) naar de televisie kijken. Dan zijn er de ‘socializers’ die naar buiten gaan als zien dat een leeftijdsgenoten op straat zijn die ze kennen. Op jongere leeftijd wordt er dan snel een spel gekozen, later wordt er meer gekletst en gelachen. Bij meisjes begint dat eerder, maar na een jaar of negen laten zich een stuk minder op straat zien. De derde groep zijn outdoor kids; zij zijn vaak buiten omwille van het buiten zijn, ook omdat er thuis weinig valt te beleven.

Hele jonge kinderen spelen vaak alleen of met een vriendje of vriendinnetje vlak bij huis. Het kan knikkeren zijn of stoepkrijten. Naarmate ze ouder zijn gaan ze ook met andere kinderen spelen. De actieradius neemt geleidelijk toe van de eigen straat naar de omliggende straten en pleintjes. Favoriet zijn verstoppertje, wat rondfietsen en de ruimte het enigszins toelaat een partijtje voetbal. Soms doen tieners volop mee, soms trekken deze zich met leeftijdgenoten terug op plekken die zich daarvoor lenen en waar meer jongeren samenkomen. Bij tieners gaan spel, kletsen en chillen makkelijk in elkaar over. Ze kruipen bijvoorbeeld nog graag op een (schotel)schommel. Ouderen hebben het vaak over ‘rondhangen’, maar jongeren zelf over socializen of chillen. Naarmate er meer plekken zijn die zich daarvoor lenen – fantasievol ontworpen zit meubilair in plaats van een gore keet, slaat de verveling minder snel toe en daalt de kans op overlast. 

Door voorzieningen voor verschillende leeftijdsgroepen vooral in samenhang te zien, ontstaan er ‘weefsels’ voor uiteenlopende doelgroepen. Dit zijn favoriete plekken en de verbindingen daartussen. Het kinderweefsel omvat vooral speelplekken dicht bij huis, via veilige paden verbonden met speelpleintjes in de nabije omgeving. Voorzieningen speciaal voor tieners kunnen het beste wat afgelegen zijn gesitueerd, maar niet geïsoleerd. In wezen willen ze ‘erbij’ horen. Het tienerweefsel omvat verder plekken waar iets te eten valt, maar verder ook uiteenlopende voorzieningen om te sporten en op een gegeven moment omvat het de hele gemeente.  Ook nu blijven veilige fietsroutes van belang maar ook het ov, mitst frequent en dichtbij wordt graag gebruikt. 

Naarmate er een grotere variatie van plekken en weefsels is, zijn speciale voorzieningen voor meisjes niet nodig. Rond de leeftijd van negen à tien doen jongens het liefst regelspelen, waarbij een aanzienlijk deel van de tijd gaat zitten in het bediscussiëren, aanvechten en vaststellen van spelregels.  Meisjes zijn wat meer op zoek naar avontuur en zijn gecharmeerd van torens en spannende glijbanen, maar als gezegd, spel gaat snel over in socialiseren, in eerste instantie nog liefst onder mekaar. Zelf geven ze aan geen eigen voorzieningen te willen – ze vinden zich even stoer als jongens – als er maar voldoende plekken zijn, want ze voelen zich soms wel door ‘grote’ jongens uitgesloten.  Ze gaan ook minder snel naar plekken die ze niet kennen of het moet met een groep vriendinnen zijn.

Jeugdigen en jongeren zitten vol ideeën.  Dat blijkt als er wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan naar hun gedroomde’ leefomgeving, maar ook als de politiek hen bij de inrichting van de ruimte betrekt. Daarover later.

Bij het schrijven van deze post heb ik dankbaar gebruik gemaakt van publicaties van Kind en Samenleving: Een Vlaamse organisatie die door onderzoek, ontwikkeling en advisering ouders en gemeenten helpt om steden meer kindvriendelijk te maken. Veel foto’s zijn afkomstig van de Pinterest pagina’s van Kind en Samenleving. Deze foto’s alleen al stimuleren om aan de gang te gaan.

BVm: Aparte legale status voor sociale ondernemingen. Goed idee?

Het kabinet gaat sociale ondernemingen een eigen juridische status geven, BVm. De ChristenUnie had hiertoe in 2018 een initiatiefnota ingediend[1]. Pragmatisch een begrijpelijk besluit, maar principieel zou ik een andere weg zijn ingeslagen. Daarover aanstonds meer. Eerst enige uitleg over wat sociale ondernemingen zijn.

Wat zijn sociale ondernemingen?

Alle ondernemingen zeggen dat ze door drie motieven worden gedreven: kwalitatief goede producten maken, aandeelhouderswaarde creëren en bijdragen aan maatschappelijke doelen, bijvoorbeeld corporate social responsibility. Tussen ondernemingen verschilt de klemtoon wezenlijk. Voor sociale ondernemingen staan maatschappelijke doelen voorop; voor de overige ondernemingen – zeker als het erop aankomt – de belangen van de aandeelhouders.

Het onderstaande overzicht geeft een overzicht van typen ondernemingen in relatie tot hun primaire doelstelling.

In Nederland wordt het begrip sociale onderneming gebruikt voor twee enigszins overlappende typen bedrijven[2]. In de eerste plaats bedrijven die zich inzetten voor de verbetering van de arbeidsparticipatie van groepen met ‘afstand tot de arbeidsmarkt’. Zij worden ook wel sociaal-inclusieve ondernemingen genoemd[3]. In de tweede plaats bedrijven die zich inzetten voor een sociaal en ecologisch duurzame samenleving (bijvoorbeeld Fairphone en Tony Chocolonely). In Nederland wordt het laatste type ook wel maatschappelijke onderneming genoemd. 

De Europese Commissie omschrijft een sociale onderneming als een particuliere onderneming die haar bestaansrecht ontleent aan het streven de samenleving te verbeteren. Dit houdt onder andere in dat winst wordt gebruikt om dit doel te consolideren, de bedrijfsvoering en het bestuur transparant zijn en dat er geen buitensporige beloningen worden uitgekeerd[4]. De OECD en ook de SER sluiten zich bij deze definitie aan.

De onderstaande infographic is een samenvatting van de Social Enterprise Monitor 2020 en schetst hoe het anno 2020 met de sociale ondernemingen is gesteld[5].

Waarom een eigen legale status?

Vanaf 2012 heeft de belangenvereniging ‘Social Enterprise NL’ geijverd voor een eigen legale status voor sociale ondernemingen, te weten maatschappelijke BV. Dit vanwege betere herkenbaarheid en de wenselijkheid van regelgeving die aansluit bij het hybride karakter van sociale ondernemingen: Dit geldt vooral voor bedrijven die werk verschaffen aan moeilijk bemiddelbare mensen, zoals The Colour Kitchen. 79% van alle betrokken ondernemingen ondersteunt dit verlangen.

Inmiddels hebben 16 Europese staten al een dergelijke wetgeving. 34 staten binnen de VS kennen de status benefit corporation[6]. Wereldwijd kan dit type bedrijven zich laten certificeren en ontvangt dan van een onafhankelijk instituut het predicaat certified B-corporation[7]. Dit hebben inmiddels 3000 ondernemingen in 60 landen gedaan, waaronder de multinationals Danone en Ecotone (voorheen Wessanen), een bedrijf dat in Frankrijk geregistreerd is als Société à Mission). 

De CEO van Danone, Emmanuel Faber plaatst de wens om sociale onderneming te zijn tegen de achtergrond van het groeiende wantrouwen van consumenten tegenover de voedingsmiddelenindustrie. Het bedrijf wil de komende jaren bewijzen dat zijn producten een betrouwbare bijdrage leveren aan gezonde voeding, wereldwijd. 

Vooruitlopend op de toekenning van een wettelijke status, is in Nederland een code sociale ondernemingen opgesteld[8]. Bedrijven die hiervoor opteren worden getoetst door een onafhankelijke commissie hetgeen kan resulteren in opname in een register. De grondslag van de code is ‘aantoonbare maatschappelijke impact” en er gelden vijf principes:

  1. Statutair vastgelegde missie
  2. Stakeholders betrekken bij de invulling van de missie
  3. Statutair geborgd beleid met betrekking tot uitkering aan aandeelhouders, toedeling opbrengst bij verkoop en gematigd beloningsbeleid
  4. Actieve deelname aan gemeenschap van sociale ondernemingen
  5. Transparantie ten aanzien van de bedrijfsvoering.

De eerdergenoemde sociaal-inclusieve ondernemingen kunnen zich tevens onderscheiden door de ‘prestatieladder socialer ondernemen’, een kwaliteitskeurmerk van TNO[9] .

De status BVm. Wenselijk of niet?

Voorafgaand aan de beantwoording van de vraag naar de wenselijkheid van de toekenning van een eigen juridische status, is het nuttig te verwijzen naar onderzoek van de Erasmus Universiteit, in opdracht van Stichting Management Studies (VNO-NCW)[10]. Dit onderzoek belicht 17 Nederlandse sociale ondernemingen.  

De voornoemde studie onderscheidt drie typen sociale ondernemingen, afgezien van degene die vooralsnog geen enkele maatschappelijke impact beogen (Zie onderstaand schema). 

Een aantal bedrijven streeft maatschappelijke doelen na om tactische redenen, bijvoorbeeld versterking van de reputatie, maar winst blijft het voornaamste doel. Het tweede en derde type beschouwen maatschappelijke waarden als de reden voor hun bestaan en als middel om zich van andere bedrijven te onderscheiden. Enkele van deze bedrijven gaan nog verder. Tony Chocolonely bijvoorbeeld wil de cacao-keten ‘slavernij vrij’ maken en spant zich (met succes) in om andere producenten van chocolade mee te krijgen. Dit geldt ook voor andere sociale ondernemingen die zich als ‘influencers’ van het bedrijfsleven als geheel opstellen[11].

Hier ligt de crux. Het is onbestaanbaar dat bedrijven evidente maatschappelijke belangen ondergeschikt maken aan aandeelhouderswaarde, of het nu gaat om onmenselijke toestanden in Aziatische naaiateliers, uitbuiting van cacaoboeren of het niet willen delen van een vaccin tegen Covid-19. Hiervoor zouden geen ‘influencers’ nodig hoeven te zijn

On deze reden zouden ALLE bedrijven sociale onderneming moeten zijn en de code sociale ondernemingen moeten onderschrijven. Dan nog konden aandeelhouders een gerechtvaardigde beloning voor het geïnvesteerde geld ontvangen en alle werknemers een passende beloning. 

Pragmatisch gezien, is de instelling van een aparte status te rechtvaardigen maar ondernemingen die deze status niet ambiëren moeten met argusogen worden gevolgd. Consumenten en overheden zouden in de eerste plaats producten en diensten af moeten nemen van geregistreerde sociale ondernemingen. Mogelijk worden dan sociale ondernemingen over een aantal jaren het nieuwe normaal.


[1] https://www.parlementairemonitor.nl/9353000/1/j9vvij5epmj1ey0/vks1jqhcbfz6

[2] https://www.social-enterprise.nl/application/files/8615/7165/8222/362_Publicatie_SE_monitor2019_web.pdf

[3] https://www.pso-nederland.nl/over-de-pso/wat-is-sociaal-of-inclusief-ondernemen

[4] OECD/EU (2019), Boosting Social Entrepreneurship and Social Enterprise Development in the Netherlands, In-depth Policy ReviewOECD LEED Working Papers, 2019, OECD Publishing, Paris: https://www.oecd-ilibrary.org/docserver/4e8501b8-en.pdf?expires=1550830975&id=id&accname=guest&checksum=305CA6EEFD03AA3DB0B6B82AB9B73E05

[5] https://www.social-enterprise.nl/application/files/3315/9946/1157/Infographic_Social_Enterpris_Monitor_2020.pdf

[6] Zie hier een overzicht van alle benefit corporations: http://benefitcorp.net/businesses/find-a-benefit-corp

[7] Zie voor het verschil tussen ‘benefit corporation’ en ‘certified B-corps’: http://benefitcorp.net/businesses/benefit-corporations-and-certified-b-corps

[8] https://www.social-enterprise.nl/application/files/2615/4990/4546/Vastgestelde_versie_Code_Sociale_Ondernemingen_-_online_versie.pdf

[9] https://www.pso-nederland.nl/over-de-pso/Over-de-Prestatieladder-Socialer-Ondernemen

[10] Karen Maas, Carly Relou, Tasneem Sadiq, Mark Hillen, Rob van Tulder: Sociaal ondernemen. Uitgave: Uitgeverij Koninklijke Van Gorcum, Assen 2018.

[11] https://www.social-enterprise.nl/nieuws-en-evenementen/actueel/nieuws/publication-research-report-social-enterprises-influencers-broader-business-community

De betaalbare stad

Mensen trekken al van oudsher naar de stad op zoek naar een beter leven. Nog voor het vinden van werk, was onderdak de hoogste prioriteit. Onderdak is een fundamenteel recht, maar het lijkt voor veel aardbewoners niet te gelden. Dit artikel onderzoekt waarom in dit opzicht zelfs de rijkste landen falen. De belangrijkste vraag is hoe mensen op een humane manier kunnen worden gehuisvest.

Eviction – Photo by Princeton University Eviction Lab (Public domain)

Wonen in de stad: balanceren tussen concentratie en spreiding

De wanhopige vrouw op de foto hierboven is een van de slachtoffers van de meer dan 2 miljoen uithuiszettingen die elk jaar in de Verenigde Staten plaatsvinden. Voor haar werd wonen in de stad een nachtmerrie.

Voor de miljoenen die hun huis verlaten en naar de stad trekken overheerst de hoop op een beter leven. Steden zijn aantrekkelijk: Alles wat je nodig hebt, lijkt binnen bereik.

Tegenover de baten van concentratie staan ook lasten. Wonen in stedelijke gebieden gaat bijna altijd gepaard met hoge kosten voor huisvesting. Dichtheid leidt vaak tot overlast, vooral voor het arme deel van de bevolking, dat last heeft van meer lawaai, meer vervuiling, meer vandalisme en een minder gezonde leefomgeving. Grote bevolkingsconcentraties stellen hoge eisen aan het bestuur van nutsvoorzieningen en dit schiet vaak tekort[1].


De betaalbare stad is het veertiende deel van een serie essays over hoe steden humaner kunnen worden. Dat betekent een balans vinden tussen duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en kwaliteit van leven. Dit vergt verregaande keuzes. Als deze keuzes eenmaal gemaakt zijn, is het vanzelfsprekend om slimme technologieën te gebruiken om deze doelen te bereiken. De essays die al zijn verschenen, zijn hier te vinden.


De concentratie van mensen en activiteiten neemt toe als de balans tussen kosten en baten positief is. Als deze negatief is, overheerst spreiding, op voorwaarde dat voor de betrokkenen iets te kiezen valt. Deze aldoor veranderende balans zorgt ervoor dat steden op elkaar lijken, maar is ook de belangrijkste oorzaak van hun onderlinge verschillen.

In de jaren vijftig en zestig veranderde in veel steden in ontwikkelde landen het evenwicht tussen de baten en de lasten van verstedelijking radicaal: Bewoners verhuisden massaal naar de buitenwijken. De ruimte die vrijkwam was voor kantoren, bedrijven en hotels voor de allerarmsten, voor wie het verlaten van de stad geen optie was. Later moesten ook de armen verhuizen vanwege gentrificatie.

De ruimtelijke functiescheiding (huisvesting, industrie, winkels, kantoren) in Amerikaanse steden ging gepaard met een enorm ruimtegebruik – in een vakterm urban sprawl – en een even zo sterke toename van mobiliteit, voornamelijk door de auto. Spreiding van functies en bijbehorende verkeersbewegingen gelden als de belangrijkste oorzaak van de verslechtering van de leefbaarheid in steden in de VS maar ook daarbuiten. Deze korte video legt uit waarom en voor welke Amerikaanse stad dit het meest geldt.

Het verschil met steden in ontwikkelingslanden kan niet groter zijn. Grote delen van deze steden bestaan uit dicht opeengepakte sloppenwijken vermengd met hoogbouw voor commerciële en residentiële doeleinden zodra de welvaart en het bijbehorende contrast tussen rijke en arme bewoners toenam. Het beruchte voorbeeld was de ommuurde stad Kowloon in Hong Kong (foto), die in 1993-1995 werd afgebroken en werd omgevormd tot een park en een bouwlocatie. Het was het dichtstbevolkte deel van de wereld.

Luchtfoto van Kow Loon Walled City in 1989. Foto: Ian Lambot. Bron: Wikimedia CC 4.0.

Gimme shelter

Hoewel deze beroemde song van de Rolling Stones niet bepaald over huisvesting ging, is het een uitdrukking van de eeuwige zoektocht van mensen naar een plek om gelukkig en veilig te zijn. Om deze reden zijn mensen altijd in beweging geweest, gedwongen om geliefde plaatsen te verlaten of in de hoop betere te vinden. Stedelijke ontwikkeling is niet alleen een beweging van plattelandsbewoners naar (en van) de stad of tussen steden. Het is ook een nooit eindigende beweging van mensen binnen de stad.


New York City: de Harlem case

/var/folders/5q/w0jt8kbx5vnc_mp7b36p_x480000gp/T/com.microsoft.Word/WebArchiveCopyPasteTempFiles/1024px-Harlem%2C_from_the_old_fort_in_the_Central_Park_%28NYPL_b13512822-424264%29.jpg
Harlem, gezien vanaf het oude fort in het Central Park, New York Public Library (public domain)

Tijdens de Amerikaanse Revolutie hebben de Britten Harlem platgebrand. Daarna beleefde Harlem vanaf 1868 een economische bloei. De buurt bleef een toevluchtsoord voor New Yorkers, maar in toenemende mate waren degenen die zich er vestigden Joods of Italiaans, maar in beide gevallen arm. In 1910 was de bevolking van Central Harlem ongeveer voor 10% zwart. In 1930 was dat 70%. In de jaren 1920 en 1930 was Centraal en West Harlem het middelpunt van de Harlem Renaissance en heette het Heaven en Black Mecca. Kort daarna werd de buurt hard getroffen door de Grote Depressie. Eind jaren vijftig en begin jaren zestig was Harlem het toneel van een reeks huurstakingen door buurtbewoners. Ze wilden dat de stad de huiseigenaren dwong de kwaliteit van de huizen te verbeteren. Het stadsbestuur probeerde de situatie te verbeteren door sociale woningbouw, maar de armoede werd alleen maar erger.

In de jaren zeventig verlieten bewoners die aan de armoede konden ontsnappen de buurt, op zoek naar betere scholen en huizen en veiliger straten. Het gemeentebestuur begon in 1985 zijn eigendommen in Harlem openbaar te veilen, wat het begin was van een enorme gentrificatie. In de jaren negentig begon Harlem weer te groeien; een groei die gepaard ging met een daling van het aandeel van de zwarte bevolking van 87,6% tot 54,4% in 2010. Het percentage blanken nam in die periode toe van 1,5% tot 10%[2].

Degenen bewoners die de stijgende huur niet konden betalen, verruilden Harlem voor de Bronx of Brooklyn. Hier gebeurt tegenwoordig hetzelfde.


De continue beweging van mensen binnen New York, zoals geïllustreerd in de Harlem-case, is kenmerkend voor alle grote steden. Het geldt ook voor Amsterdam, Kopenhagen en Barcelona, ​​steden met een vooruitstrevend imago maar met een aanhoudend gebrek aan betaalbare woningen, met als gevolg stijgende huisvestingskosten. Daarom verhuizen mensen die huur of de hypotheek meer kunnen betalen naar andere delen van de stad, naar de buitenwijken of verdwijnen ze helemaal uit de stad. Een substantiële groep die huur of hypotheek niet meer kan betalen, wordt uit huis gezet. De cijfers zijn verbluffend: alleen al in 2016 werden er volgens onderzoekers van de Princeton University ongeveer 2,3 miljoen huisuitzettingen aangevraagd bij Amerikaanse rechtbanken[3]. Niet iedereen verloor zijn huis, maar het cijfer omvat niet de talloze verhuurders die ‘informele’ middelen gebruikten om huurders te verdrijven. Veel van alle verdreven mensen werden dakloos.


De Wall Street-wolf slaat opnieuw toe

In de VS heeft het huisvestingsprobleem een ​​extra bittere dimensie. Miljoen eigenaren van huizen in de voorsteden verloren hun eigendom tijdens de huizencrises. Na de crisis begonnen tientallen private equity firma’s met kortingen van 30 tot 50 procent panden van uitgezette bewoners te kopen en te verhuren. Tegen 2016 was 95 procent van de noodlijdende hypotheken in de boeken van Fannie Mae en Freddie Mac geveild aan Wall Street-investeerders die meer dan 200.000 huizen verwierven. Hiermee was een meer dan lucratieve business gecreëerd: Verhuur van eengezinswoningen. Door deze transactie verschoof een totale waarde van $ 60 miljard van de voormalige eigenaars naar deze bedrijven, die in een aantal gevallen de huizen aan deze voormalige eigenaars verhuurden. Deze waren aanzienlijk duurder uit omdat de vastgoedprijzen gestaag stegen, zoals te lezen is in een bloedstollend verslag in de New York Times[4]. In elk ander beschaafd land zou de overheid huiseigenaren hebben gesteund hij de herstructurering van slechte hypotheken of hun hebben geholpen hun kredietwaardigheid te herstellen. In plaats daarvan heeft de Amerikaanse regering de overdracht van rijkdom van burgers naar private equity-bedrijven vergemakkelijkt[5].

/var/folders/5q/w0jt8kbx5vnc_mp7b36p_x480000gp/T/com.microsoft.Word/WebArchiveCopyPasteTempFiles/p7642
Het titelblad van de New York Times publicatie over de nasleep van de huizencrisis

De snelst groeiende steden

Wonen in steden wordt een voorrecht voor werkende stellen uit de middenklasse en hoger en voor jonge alleenstaanden die tevreden zijn met een kleine, zij het dure kamer in een privéwoning of op zijn best een co-living studio.

Het overheersende kenmerk van steden in ontwikkelings- en opkomende landen is hun snelle groei, als gevolg van immigratie uit landelijke delen van het land, emigratie en hoge geboortecijfers, net als Europese en Amerikaanse steden een eeuw geleden[6].

https://i.guim.co.uk/img/static/sys-images/Guardian/Pix/pictures/2015/11/19/1447951960277/6feee86c-cf4f-45ea-a3bc-e21de6c1fe2e-2060x1003.jpeg?width=700&quality=85&auto=format&fit=max&s=428d29b8e52c7aee2b68f5702bd35556
Stedelijke groei per uur – Bron: UN World Urbanization Prospects 2014 / LSE Cities

De stedelijke groei zal doorgaan: Vandaag wonen 4,2 miljard mensen in stedelijke gebieden, dat is 55% van de wereldbevolking. Tegen 2050 zal dit aandeel naar verwachting 68% zijn. Verstedelijking, samen met de algehele groei van de wereldbevolking, zal dan nog eens 2,5 miljard mensen aan stedelijke gebieden hebben toegevoegd. Ongeveer 90% van deze toename vindt plaats in Azië en Afrika[7].

Gebrek aan betaalbare woningen met basale kwaliteit is ook in ontwikkelings- en opkomende landen een probleem. Meestal trekken immigranten in bij familie, ze vinden ze een huis in uitgewoond appartementencomplex of zijn ze tevreden met een vervallen bouwsel in een sloppenwijk, vaak zonder elektriciteit, sanitair en water. In Afrika woont 65% van de stedelijke bevolking in sloppenwijken.

Een meer gedetailleerde blik op de sloppenwijken laat echter grote verschillen zien. Sommige zijn niet meer dan een schuilplaats; andere zijn levendige buurten, vaak voorzien van elektriciteit en (meestal) van gedeelde sanitair en drinkwater en gelegen nabij het centrum van de stad[8].

Onderstaande video geeft een indruk van de vele aspecten van het leven in een sloppenwijk in Rio de Janeiro.

Veel bewoners van deze beter toegeruste plaatsen verzetten zich het vooruitzicht om te moeten vertrekken[9]. Maar ontwikkelaars willen het land herbestemmen voor meer winstgevende doeleinden. Stadsbesturen zijn zich bewust van de commerciële voordelen daarvan en zijn bereid om voor alternatieve huisvesting te zorgen. Dit gebeurt meestal in kleine appartementen in flatgebouwen, met weliswaar basale voorzieningen, maar ver van de oorspronkelijke locatie en zonder het sociale weefsel van de sloppenwijk. In veel steden is dit een bron van veel discussie en conflicten.

Inwoners van de armste en vaak illegaal bewoonde sloppenwijken worden geregeld geconfronteerd met minder subtiele acties van de overheid: Bulldozers die de bewoners verjagen, die vervolgens weer ook zoek gaan naar een nieuw stukje marginaal land[10].

Het dubbele onrechtvaardige effect van het marktmechanisme

Hoeveel huur of hypotheek huishoudens moeten betalen en wat ze kunnen betalen, hangt af van een en hetzelfde mechanisme, de markt. Helaas verschilt het effect in beide gevallen aanzienlijk.

De prijs van onroerend goed

Vastgoedontwikkelaars betalen de grond, berekenen de bouw- en kapitaalkosten en stellen hun marges vast in verhouding tot het verwachte rendement. Bij sociale woningbouw worden de kosten verlaagd door subsidies of de beschikbaarheid van goedkope grond. 

In veel steden is grond een substantieel onderdeel van de uiteindelijke prijs van huizen. Een van de redenen daarvoor is dat grond een aantrekkelijk speculatieobject is voor particulieren of vastgoedontwikkelaars. Zij wachten tot het juiste moment om te verkopen en maken aantrekkelijke winsten. Vaak verandert grond vaker van eigenaar voordat de bouw begint, en in de tussentijd stijgt de waarde substantieel. Hetzelfde geldt voor de huizenprijzen, die een grote bron van ongelijkheid tussen generaties zijn geworden. De prijs van oudere huizen heeft geen enkele relatie meer met de initiële kosten voor grond en bouw. Daarom kopen investeerders vaak nieuwe, nog leegstaande appartementen, verhuren ze tijdelijk en op het juiste moment verkopen ze deze tegen een aanzienlijk hogere prijs dan ze ervoor hebben betaald[11].


Een gedachten-experiment: verander huisvesting in mobiliteit

Iedereen betaalt hetzelfde voor het gebruik van wegen, met uitzondering van incidentele tolwegen. Wegen worden met publieke middelen aangelegd in de openbare ruimte, vaak na onteigening van de eigenaren. Stel je voor dat wegen privé-eigendom waren en eigenaren tol konden heffen, zoals in het verleden gewoon was. Als gevolg hiervan zouden de gebruikers van de weg het meeste betalen voor trajecten waarop ze snelheid kunnen maken en het minste op drukke wegen. Het gevolg is dat de rijken kunnen doorrijden en de armen vastzitten in de file. Zo is het niet want mobiliteit wordt voornamelijk door de overheid gecontroleerd en de wonen is aan de markt overgelaten.


De betaalbaarheid van onroerend goed

Hoe zit het met de andere kant van de vergelijking, de betaalbaarheid van onroerend goed? Veel huishoudens kunnen zich geen fatsoenlijke woning permitteren. Inkomsten zijn ook het effect van de markt, met enige interferentie van onderhandelingen tussen vakbonden en werkgevers. Automatisering en offshoring bedreigen permanent de banen van lage en midden inkomensgroepen, wat verklaart dat de salarissen van deze groepen in ontwikkelde landen de afgelopen decennia nauwelijks zijn gestegen. Zij besteden een substantieel deel van hun gezinsinkomen aan huisvesting en bijbehorende reiskosten. Eenoudergezinnen zijn afhankelijk van toelagen en giften en gebruiken voedselbanken, kringloopwinkels of ze moeten verhuizen. Uit onderzoek van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) blijkt dat in de VS tussen 1981 en 2016 huisvestingskosten gemiddeld met bijna 40% zijn gestegen ten opzichte van het inkomen per huishouden[12].

Het stadsbestuur van Berlijn heeft de huren voor vijf jaar bevroren, waardoor investeerders hun activiteiten verder hebben beperkt[13]. Er is dus meer nodig.

Betaalbare wonen moet. Voorkom getto’s

In de naoorlogse periode waren betaalbare huizen in Europa ook schaars en moesten jonge stellen jaren wachten voordat er een huis beschikbaar kwam. Velen woonden jarenlang in een kamer in het huis van hun ouders, niet altijd zonder problemen. Om de huizencrisis na de oorlog te bedwingen, hebben regeringen in Europa en de VS de bouw van huizen aangejaagd en kwamen er op grote schaal goedkope huizen beschikbaar.

Helaas zijn veel van de wijken die in deze periode uit de grond zijn gestampt na korte tijd uitgegroeid tot beruchte getto’s, met name de hoogbouw ‘projecten’ omdat ze exclusief waren gebouwd voor lage inkomensgroepen – onder hen veel migranten – zonder veel uitzicht op een beter leven. Dit is gedocumenteerd in de beroemde documentaire The Great British Housing Disaster. Deze vorm van onderzoeksjournalistiek uit 1984 was een van de eerste films die werd geproduceerd door de veelgeprezen BBC-documentairemaker Adam Curtis, bekend van bekroonde films als The Century of the SelfThe Power of Nightmares en Bitter Lake.

De documentaire wilde niet de al voldoende gedocumenteerde problemen van sociale woningbouw uit de jaren zestig onderzoeken, maar vooral hoe het kwam dat deze huizen zo slecht werden gebouwd dat duizenden later moesten worden gesloopt[14]. Bekijk deze documentaire hier.

Maar het zou nog erger worden

Het politieke klimaat in de laatste twee decennia van de 20e eeuw veranderde en de markt begon te zegevieren. In het geval van huisvesting met nog dramatischer gevolgen. In Nederland is de laatste jaren niet alleen de bouw van sociale woningen ingestort, maar ook de bouw van woningen in het algemeen. Tekort aan huizen werd een wereldwijd fenomeen, behalve die van enkele miljoenen euro’s waarvan een overaanbod is. Het verklaart waarom mensen minder snel verhuizen en waarom de sociale mobiliteit is afgenomen[15]. Het resultaat is dat steden over de hele wereld exclusieve plaatsen voor de rijken worden, zoals een interactieve kaart van Los Angeles laat zien[16].


Waarom in Manhattan wolkenkrabbers leeg staan

Een overaanbod van luxeappartementen is kenmerkend voor meeste grootstedelijke gebieden. Zo is de helft van de dit soort appartementen die de afgelopen vijf jaar in Manhattan zijn gebouwd, nog steeds niet verkocht. Van 2011 tot 2019 steeg de gemiddelde prijs van nieuwe appartementen in Manhattan van $ 1,15 miljoen naar $ 3,77 miljoen. Zij zijn vooral gebouwd voor vermogende buitenlanders die een tweede (of zevende) woning willen kopen. Het aanbod overtreft inmiddels de vraag, maar ontwikkelaars zijn terughoudend om de prijzen te verlagen omdat de doelgroep van wereldwijde zillionairs nog steeds groeit. Restrictief beleid van de overheid met betrekking tot witwassen hielp ook niet[17].


Door de algehele schaarste zijn de huizenprijzen explosief gestegen. In sommige steden wordt dit probleem zelfs nog verergerd omdat het verhuren van huizen aan toeristen een aantrekkelijk alternatief is gebleken voor verkoop of verhuur aan woningzoekenden.

Soms proberen stadsbesturen wat gerechtigheid te brengen. Het bestuur van New York kon niet voorkomen dat voor de meeste inwoners van Manhattan, inclusief Harlem, wonen te duur is geworden. Dit geldt overigens ook voor de huurprijs van winkelpanden. Vandaar de enorme leegstand. Veel inwoners verhuisden naar Brooklyn en toen dit gebied ook onbetaalbaar werd, naar The Bronx, Staten Island en Queens of verlieten ze New York helemaal. Het beleid van het stadsbestuur is ontwikkelaars in staat te stellen glamour projecten te bouwen zoals Hudson Wharf in ruil voor een bepaald percentage betaalbare woningen, wat betekent dat een stel met twee middeninkomens de huur daar net kan betalen.

Vergelijkbare ‘betaalbare’ woonprojecten zijn ook in andere steden te vinden. Deze projecten zijn gunstig voor enkele gelukkige bewoners, maar ze zullen de huisvestingscrisis niet oplossen, die mensen met een midden- en zelfs hoger inkomen raakt. In feite kan 90% van de 200 steden die onlangs zijn onderzocht, als onbetaalbaar worden beschouwd wanneer de veel gebruikte norm van gemiddelde huizenprijzen wordt toegepast, namelijk meer dan driemaal het mediane inkomen. Betaalbaarheid gaat niet alleen over de mogelijkheid om een ​​huis te kopen of te huren, maar ook over het kunnen veroorloven erin te wonen.

Om succesvol te zijn, is een bredere aanpak nodig dan het aanbieden van kleine hoeveelheden huizen ‘onder de marktprijzen’ of het beschikbaar stellen van toelagen.

Om tot zo’n aanpak te komen heeft het World Economic Forum onlangs een nieuw rapport gelanceerd, Making Affordable Housing a Reality for Cities[18]. Het rapport inventariseert alle factoren die de betaalbaarheid van woningen beïnvloeden naast de directe kosten van aankoop en onderhoud, waaronder ligging, type woning, toegang tot sociale infrastructuur, de juridische en regelgevende omgeving en de toestand van de financiële markten.

Zoals hierboven uiteengezet, er zijn twee fundamentele oorzaken: het marktmechanisme en speculatie aan de ene kant, lage inkomens aan de andere kant. Overheden moeten bij het oplossen van het huisvestingsprobleem beide oorzaken en niet alleen hun symptomen aanpakken.

Het marktmechanisme en speculatie

Om tekort aan woningen op te lossen, moeten overheden zich niet langer richten op incidentele projecten, maar in plaats daarvan het marktmechanisme – tenminste gedeeltelijk – buiten werking stellen. In plaats daarvan moeten overheden zelf de belangrijkste ontwikkelaar van onroerend goed worden, net zoals ze verantwoordelijk zijn voor de wegeninfrastructuur.

In plaats van te wachten op de plannen van projectontwikkelaars, neemt het stadsbestuur dan zelf initiatieven, specificeert het de voorwaarden – bijvoorbeeld het aantal huizen in elke categorie en het budget – nodigt het partijen uit om voorstellen in te dienen, selecteert deze en keurt uiteindelijk één daarvan goed.

Om dit te doen, moetende overheid zich bezighouden met zeven hoofdactiviteiten:

  1. Inventariseren van de totale woningbehoefte in het komende decennium, gedifferentieerd naar inkomensgroepen. Deze inventaris moet vergezeld gaan van een inventaris van alle andere ruimteclaims, zoals kantoren, winkelvoorzieningen, fabrieken, parken en landbouw.
  2. Inventariseren van beschikbare ruimte binnen de stadsgrenzen. Dit omvat niet alleen leegstaand gebied, maar ook gebied dat efficiënter kan worden heringericht.
  3. Om speculatie op basis van deze plannen te voorkomen, worden alle vastgoedprijzen bevroren op het niveau van de laatste transactie.
  4. Afstemmen van de gewenste bestemmingen en de beschikbare ruimte. Uitgangspunt is een compact gebruik van de beschikbare ruimte. 
  5. Ontwikkeling van gedetailleerde plannen, samen met de eigenaren van de grond en gebouwen, projectontwikkelaars, financiële instellingen, woningbouwcorporaties en burgers.
  6. Specificeren van verdere voorwaarden, zoals de beperking van verkoop of verhuur aan potentiële bewoners en de beperking van huurverhoging of verkoopprijzen voor een lange periode.
  7. Vergemakkelijken van het proces van bouwen tegen lagere kosten vergemakkelijken door te investeren in fabrieksmatige productie van componenten van huizen en een markt te creëren voor hergebruik van componenten van afgebroken huizen[19].

Woningcoöperaties in Amsterdam en elders

Het stadsbestuur van Amsterdam promoot een nieuw ontwikkelingsmodel voor lage- en middeninkomensgroepen. Bewoners ontwikkelen, financieren en beheren een appartement-gebouwen en huren er een unit in. Het is vergelijkbaar met de activiteiten van het Mietshäuser Syndikat (MHS) in Duitsland. In 2040 moeten 40.000 woningen (10% van alle woningen) in Amsterdam in dit soort samenwerkingsverbanden zijn ontwikkeld[20].


Inkomen

Beteugeling van de ongewenste effecten van het marktmechanisme en het voorkomen van speculatie op grond en onroerend goed zal de bouw van huizen doen toenemen, de vraag en het aanbod in evenwicht brengen en het proces van huur en verkoop soepeler doen verlopen. Maar voor veel huishoudens blijft ook dan adequate huisvesting onbetaalbaar. De inkomens van deze hun huishoudens zijn te laag om een fatsoenlijk leven te leiden, laat staan een huis te huren of te kopen. Verhoging van de minimumlonen is noodzakelijk en in sommige gevallen zijn toelagen onontbeerlijk[21]. In wezen zou het de bedoeling moeten zijn dat kansarme huishoudens uitzicht krijgen op een beter leven, wat niet alleen basale huisvesting omvat, maar ook onderwijs, werk, goede voeding en voorzien in andere levensbehoeften.

Uit recent onderzoek[22] blijkt dat wonen in compacte multimodale buurten de kans met 41% vergroot dat een kind dat in armoede wordt geboren (kwintiel met het laagste inkomen) een hoog verdienende volwassene (kwintiel met het hoogste inkomen) wordt. Daarom is het verwerpelijk om betaalbare woningen in de buitenwijken te realiseren en zeker niet in zogenaamde projecten. Ook is het niet gewenst om voor dit doel verouderde middenklasse woningen te gebruiken. Trouwens, wie op deze plaatsen woont, zal ook meer reiskosten betalen. Op dit moment is de vuistregel dat huishoudens niet meer dan 30% van hun budget zouden hoeven te besteden aan huur of hypotheek. Dit is nu nog geldt het geval bij meer dan 30% van alle Amerikaanse gezinnen. Veel experts raden aan om deze limiet te stellen op 45% voor de totale kosten voor huisvesting en mobiliteit[23].

In veel snelgroeiende steden in opkomende landen vinden talloze bouwactiviteiten plaats, meestal vrij sobere en compacte hoogbouw, met voldoende voorzieningen. Een groot voordeel is dat er in opkomende landen meestal werkgelegenheid is voor groepen met een lager inkomen, wat uitzicht biedt op een fatsoenlijker leven en sociale mobiliteit.

Naar een nieuwe architectuur van de ruimte: leven met dichtheid

Verstedelijking en het bieden van adequate huisvesting voor iedereen zal de druk op de ruimte in steden en op hun omgeving vergroten. Aan de andere kant vereist de leefbaarheid van steden het behoud en zelfs de uitbreiding van groene ruimten; voor recreatie, opslag van koolstof en stadslandbouw[24]. Druk op de ruimte moet op drie manieren worden opgelost: (1) Door gebruik te maken van nog niet benutte gebieden in de stad, (2) stedelijke gebieden een nieuwe bestemming geven en het gebruik van de ruimte intensiveren en (3) het omliggende platteland te verdichten, zonder zijn karakter wezenlijk te veranderen.

Dit geldt voor steden in de hele wereld maar er zullen verschillen zijn als gevolg van de verwachte bevolkingsgroei. Europese en Amerikaanse steden zullen gematigd groeien en de groei wordt bovendien verdeeld over een veel groter aantal grotere en kleinere gemeenten. In steden in ontwikkelingslanden en opkomende landen met hun reeds dichte bevolking zijn de prioriteiten: (1) Verbetering en vervanging van bestaande woningen, (2) bouwen van nieuwe huizen en voorzieningen op lege plekken en in de buurt van werkplekken en (3) bouwen van nieuwe steden – niet in de eerste plaats ‘smart cities’- en vergroting van kleinere steden.


Corona

In dit artikel speculeer ik niet over de invloed van de huidige coronacrisis op het leven in steden, hoewel deze mij sterk bezighoudt. Het is duidelijk dat sociale afstand, gedeelde mobiliteit en ruimtelijke verdichting op gespannen voet staan. Ik vertrouw erop dat Covid-19 overwonnen wordt. Ik hoop ook dat dit onze inspanningen zal versterken om te komen tot een leefbaardere, gezondere en veilige samenleving


Hieronder geef ik een aantal voorbeelden uit ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden en opkomende landen. Nadien krijgt de herontwikkeling van het landelijk gebied aandacht.

Amerikaanse en Europese steden

Met name in Europa en de VS zijn er volop mogelijkheden om het ruimtegebruik te intensiveren in plaats van het stedelijk grondgebied uit te breiden. Tegelijkertijd moet het woningaanbod worden gediversifieerd om gemengde wijken te creëren. Daarbij gaat het om variatie in woningtypen, private en publieke ruimte, niveaus van verdichting en samenleven van sociale groepen.

In de Verenigde Staten is een verdichting van de buitenwijken begonnen als gevolg van de aanpassing van bestemmingsplannen, waardoor verschillende woningtypen mogelijk worden. De bestaande wetgeving werd jaren verdedigd door de sterke Not In My Backyard (NIMBY)-beweging. Het toenemend verzet door de Yes In My Backyard(YIMBI-beweging tegen de verdediging van de belangen van gevestigde groepen heeft eindelijk weerklank gevonden bij de politiek in sommige staten (Oregon) en steden (Seattle, Austin)[25] en elders vinden vergelijkbare initiatieven plaats.

In hun beroemde boek Retrofitting Suburbia zien Ellen Dunham-Jones en June Williamson de herontwikkeling van de voorsteden in de VS als de grootste uitdaging voor stedelijke ontwikkeling in de eerste helft van de 21e eeuw. Ze bespreken elf strategieën die kunnen worden gebruikt en die bijna allemaal tot verdichting leiden. Een korte samenvatting van hun ideeën is te zien in de korte video met Ellen Durham-Jones.

Enkele voorbeelden van de enorme winst die kan worden behaald: Acht relatief kleine huizen (eerste foto hieronder) worden gebouwd in Clarkston op een perceel van een voormalige eengezinswoning[26]. De huizen variëren in oppervlak van ongeveer 25 tot 50 m2 en ze kosten tussen de $ 100.000 en $ 125.000. De tweede foto hieronder is een impressie van 85 geplande blokken van prefab studio-appartementen in Seattle[27]. De derde foto is ook een prefab gebouw, in Vancouver, speciaal voor daklozen[28]. De vierde foto hieronder toont een cluster van zes huizen in Austin (VS) voor eenpersoonshuishoudens, geprint door de startup ICON[29].

In elk van de vier voorbeelden is sprake van geheel of gedeeltelijke industriële productie. Als een fabriek van componenten voor huizen eenmaal op maximale efficiëntie draait, biedt zij een groot aantal voordelen, vooral als er houten componenten worden gebruikt, die bovendien milieuvoordelen opleveren vanwege de opslag van koolstof[30]. De voordelen zijn:

  1. Versnelling van de bouwtijd met 35 procent dankzij de eenvoudigere montage van geprefabriceerde houten onderdelen.
  2. Afname leveringen op een bouwplaats met 85 procent, omdat de vrachtwagen in één fabriek kan worden gevuld.
  3. 75 procent minder afval dankzij gestandaardiseerde bouwdelen die klaar zijn voor montage.
  4. Daling van de totale kosten met 20 procent, wat leidt tot lagere huren of hypotheken.

Een alternatief voor singles zijn co-living appartementen. Startup Starcity ontwikkelt op veel plaatsen eenkamerappartementen voor volwassenen[31]. Huurders krijgen een gemeubileerde slaapkamer van 13 tot 22 vierkante meter en delen een gemeenschappelijke keuken en leefruimten. De huurprijzen variëren van $ 1.000 tot $ 2.400 per maand. Kijk hier voor een rondleiding[32].

Lage dichtheden zijn niet beperkt tot de Amerikaanse buitenwijken. Elders staan ook duizenden vrij grote (half)vrijstaande woningen die uiteraard te groot zijn voor de veelal oudere stellen die deze bewonen. Ze willen het huis niet uit, omdat er geen alternatieven zijn. Een voor de hand liggende oplossing is om de huizen te splitsen, ze energiepositief te maken en er twee of drie starterswoningen van te maken. Gemeenten moeten niet wachten op collectieve instemming door de hele buurt, maar modellen maken die voor individuele woningen kunnen worden uitgevoerd.

Een groot oppervlak dat opnieuw ontwikkeld moet worden, zijn wegen.  Naarmate steden beter beloopbaar worden, zal het gebruik van fietsen en gedeeld vervoer toenemen. Wegen en parkeerplaatsen zijn goed voor meer dan 50% van het grondgebied van de gemiddelde Amerikaanse stad; wat minder in Europese steden. Een deel van de voormalige wegen en parkeerplaatsen is nodig om fietsen en voetgangers meer ruimte te geven.

Steden in ontwikkelingslanden en opkomende landen

In steden in ontwikkelings- en vooral opkomende landen bestaat de neiging om sloppenwijken te vervangen door hoogbouw appartementen, voorzien van basale voorzieningen, maar vaak ver van het stadscentrum. Soms is dit beleid ingegeven door humanitaire overwegingen, maar het is ook bedoeld om ruimte te creëren voor commerciële doeleinden[33].

Renovatie favela Rio de Janeiro. Foto’s: New Castle University

Het bouwen van rijen hoogbouwapparte-menten zover het oog reikt, is vanuit stedenbouwkundig oogpunt verwerpelijk en de vrees is gerechtvaardigd dat deze enorme concentraties over tien jaar het beruchte voorbeeld van de hoogbouwappartementen in Europa en de VS zullen volgen. Daarom moet ook hier een meer gevarieerde architectuur, gebaseerd op lokale tradities met meer oog voor de leefomgeving worden overwogen.

Het komt ook voor dat de renovatie van sloppenwijken samen met bewoners ontwikkeld wordt. Deze programma’s omvatten het bouwen van nieuwe huizen op dezelfde locatie samen met familieleden en buren. De gemeente zorgt dan voor de aanleg van wegen, water en sanitaire voorzieningen. Verbetering van huisvesting moet sowieso gepaard gaan met verbetering van onderwijs, medische zorg, ondersteuning bij het vinden van banen en handhaving van de wet. De bovenstaande foto’s van een van een gerenoveerde favela in Rio de Janeiro laten het mogelijke resultaat zien.


iBuild – Doe-het-zelf bouwen mogelijk maken

Met ibuild kunnen burgers de controle over het bouwproces overnemen. Foto: iBuild

iBuild is een op de burger gerichte app zelfbouw van een huis ondersteunt. Het doel van de app is om burgers zeggenschap te geven over het bouwproces, de transparantie te verbeteren en gegevens te verzamelen om de beleidsmakers te informeren[34].


De meeste woningen in ontwikkelingslanden zijn zelfgebouwd, meestal om financiële redenen. Met behulp van het mobiele platform iBuild vinden gebruikers aannemers, kunnen deze offertes maken, kunnen materialen worden besteld en kan de voortgang van het proces worden gevolgd. E-wallets helpen ervoor te zorgen dat overheidssubsidies worden gebruikt voor het beoogde doel.

De landelijke omgeving van de stad opnieuw vormgeven

Steden hebben overal ter wereld hun territorium uitgebreid door annexatie van aangrenzende gemeenten of door onteigening van landbouwgrond. Op de nieuwverworven grond worden nieuwe wijken gepland en vroeg of laat, worden weg- of spoorverbinding met oudere delen van de stad aangelegd. Dit proces is altijd ten koste gegaan van de groene omgeving. Nieuwere inzichten zijn gebaseerd op het creëren van nieuwe wijken, door verdichting en uitbreiding van bestaande dorpen en het behoud van de landelijke omgeving, door de integratie van boerderijen in de regionale voedselketen, door parken te creëren en de natuur te laten zoals ze is. Tegelijkertijd kan het mogelijk worden gemaakt dat de natuur het stedelijke gebied binnendringt via oude bedrijventerreinen binnen de stadsgrenzen.

Biomorfe stedenbouw is een benadering voor het ontwerpen en bouwen van steden om deze uitdagingen aan te gaan[35]. Zij versterkt en herstelt natuurlijke systemen in plaats van ze te verminderen. De onderstaande afbeelding stelt de Wild Mile voor, een voorgesteld ecopark van 7 hectare dat nieuwe kansen zal creëren voor het herstel van ecotopen, onderwijs en recreatie. Het ligt langs een voorheen geïndustrialiseerd stuk van de Chicago River.

/var/folders/5q/w0jt8kbx5vnc_mp7b36p_x480000gp/T/com.microsoft.Word/WebArchiveCopyPasteTempFiles/p7152
The Wild Mile in Chicago. Afbeelding: SOM Architects

Wonen in de humane stad

In een humane stad is het aanbod van huizen voor lagere en middeninkomensgroepen voldoende en gevarieerd, de inkomens van deze groep zijn toereikend om een ​​fatsoenlijk huis te betalen en de huizenprijzen of de huurprijzen zijn een afspiegeling van de grondprijs, hun bouwkosten, kapitaalkosten, afschrijvingen en – indien van toepassing – onderhoud. Speculatie met grond en huizen is verboden. Steden die alle grond bezitten, verhuren delen ervan aan ontwikkelaars voor een prijs die afhangt van de geplande bestemming. Ze verkopen deze nooit.

Het woningaanbod zal gemengd zijn en variëren van laagbouw tot middelhoog en van eengezinswoningen tot appartementen, van tiny houses tot kleine clusters van duurdere woningen. De gemiddelde dichtheid is veel groter dan we tot nu toe gewend zijn: Daarnaast worden clusters van woonhuizen op een doordachte manier afgewisseld met andere bestemmingen: winkels, kleine industrie, kantoren, recreatiegebieden en – gewoon -onbebouwde ruimtes om te spelen voor andere activiteiten van bewoners. Parkeerplaatsen verdwijnen geleidelijk en worden vervangen door stallingen voor deelauto’s.

Hieronder wordt de bijdrage van wonen aan een humane stad samengevat.


Hoe huisvesting bijdraagt ​​aan een humane stad

1. Stedelijke groei concentreert zich in de eerste plaats in de beschikbare ruimte binnen haar grenzen. Overtollige en overmatig brede wegen, voormalige industriële complexen en bijbehorende emplacementen krijgen een nieuwe bestemming.

2. De vorm en het karakter van het plattelandsgebied wordt gerespecteerd en zelfs verbeterd indien de groei van de stedelijke bevolking bouw buiten de stadsgrenzen vereist, dankzij concentratie van de bebouwing in dorpen en kleine steden.

3. Steden maken een realistische inschatting van de voorzieningen waarover ze in de toekomst moeten beschikken. Dit geldt voor woningen, maar ook voor winkel, industrie en recreatie. Een groot deel ervan zal worden gebruikt voor de bouw van een gevarieerd aanbod van fatsoenlijke huizen. Deze huizen zijn te koop of kunnen worden gehuurd, en hun prijzen weerspiegelen een – hopelijk – meer gelijke inkomensverdeling dan tegenwoordig.

4. Terreinen, huizen en andere gebouwen kunnen openbaar of particulier eigendom zijn. In beide gevallenis speculatie verboden.

5. Investeren in onroerend goed is alleen toegestaan ​​door bemiddeling van een investeringsfonds of een ‘community land trust’. Beiden krijgen de opdracht om een ​​nieuw project te financieren tegen door de gemeenschap overeengekomen prijzen voor verkoop en verhuur en een billijke vergoeding te betalen aan de investeerders.

6. Het creëren van een aantrekkelijke woonomgeving maakt deel uit van het ontwerp van (gemengde) wijken. Voor alle te bouwen of te renoveren woningen zijn op loopafstand speelplekken en groen voorzien en op loopafstand van de fiets voorzieningen om te winkelen en voor gezelligheid.

7. In een humane stad wordt het gebruik van personenauto’s ontmoedigd. Hierdoor verdwijnen parkeerplaatsen bij elk huis ten gunste van geconcentreerde parkeerplaatsen voor deelauto’s op korte afstand.

8. In geen enkele wijk overheerst één specifiek type woning, noch in vorm (hoog versus laagbouw), noch op basis van sociale stratificatie.

9. Architectonische innovaties zoals duurzame houtbouw, flexibele modulaire gebouwen worden gestimuleerd vanwege de gewenste variatie, esthetiek en kostenreductie.


[1] https://medium.com/sidewalk-talk/the-first-principles-of-urbanism-part-i-18105c03cdcf en https://medium.com/sidewalk-talk/the-first-principles-of-urbanism-part-ii-53aec76799ff

[2] https://en.wikipedia.org/wiki/Harlem

[3] https://evictionlab.org

[4] https://www.nytimes.com/2020/03/04/magazine/wall-street-landlords.html

[5] https://medium.com/@BloombergCities/7-strategies-for-reducing-the-number-of-evictions-in-your-community-fee926daaeba

[6] https://www.theguardian.com/cities/2015/nov/23/cities-in-numbers-how-patterns-of-urban-growth-change-the-world

[7] https://www.un.org/development/desa/en/news/population/2018-revision-of-world-urbanization-prospects.html

[8] https://en.wikipedia.org/wiki/Shanty_town

[9] https://smartcityhub.com/collaborative-city/fair-cities/

[10] https://theconversation.com/in-rios-bulldozed-favelas-echoes-of-americas-shantytowns-61415

[11] https://www.ohchr.org/EN/Issues/Housing/Pages/FinancializationHousing.aspx

[12] https://www.citylab.com/equity/2019/08/home-prices-jobs-inequality-economic-mobility-data-research/594829/

[13] https://www.stadszaken.nl/ruimte/wonen/2243/berlijn-kiest-onomwonden-voor-huurder-moeten-wij-volgen

[14] https://www.stadszaken.nl/ruimte/wonen/2243/berlijn-kiest-onomwonden-voor-huurder-moeten-wij-volgen

[15] https://www.theatlantic.com/business/archive/2016/05/how-america-lost-its-mojo/484655/

[16] https://knock-la.com/this-map-shows-how-la-politicians-have-created-a-city-for-the-rich-65e45cc8902d

[17] https://medium.com/the-atlantic/why-manhattans-skyscrapers-are-empty-8af66ee2b824

[18] http://www3.weforum.org/docs/WEF_Making_Affordable_Housing_A_Reality_In_Cities_report.pdf

[19] https://medium.com/sidewalk-talk/5-minute-explainer-how-factory-construction-can-help-housing-affordability-f16d0b5cbe03

[20] https://www.stadszaken.nl/ruimte/wonen/2363/maakt-de-wooncoperatie-de-stad-weer-voor-iedereen-en-nog-4-vragen-over-de-ontwikkelvorm

[21] https://hmjvandenbosch.com/2020/03/24/de-eerlijke-stad/

[22] https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S016920461500242X

[23] https://htaindex.cnt.org

[24] https://smartcityhub.com/collaborative-city/well-fed-cities/

[25] https://gen.medium.com/america-is-finally-tackling-its-housing-crisis-59250048ec2f

[26] https://www.fastcompany.com/90348777/this-pocket-neighborhood-has-8-houses-on-a-lot-instead-of-one-mcmansion?utm_campaign=Compass&utm_medium=email&utm_source=Revue%20newsletter

[27] https://medium.com/sidewalk-talk/when-affordable-housing-starts-in-a-factory-20bad64d4fe0

[28] https://medium.com/sidewalk-talk/when-affordable-housing-starts-in-a-factory-20bad64d4fe0

[29] https://www.fastcompany.com/90469488/this-village-for-the-homeless-just-got-a-new-addition-3d-printed-houses?partner=rss

[30] https://medium.com/sidewalk-talk/5-minute-explainer-how-factory-construction-can-help-housing-affordability-f16d0b5cbe03

[31] https://www.citylab.com/life/2019/06/cohousing-san-jose-room-for-rent-starcity-coliving-housing/590731/

[32] https://starcity.com/communities

[33] https://www.cnbcafrica.com/west-africa/2016/11/12/lagos-luxury-developments/

[34] https://www.ibuild.global

[35] https://medium.com/@SOM/biomorphic-urbanism-a-guide-for-sustainable-cities-4a1da72ad656

De gezellige stad

Voor winkelen, amusement, om te kijken en gezien te worden en om andere mensen te ontmoeten, is de publieke ruimte een favoriete plaats. Met name in oudere steden. Nieuwgebouwde steden missen vaak sfeer, gezelligheid en intimiteit. Stedenbouwkundigen, architecten en politici denken erover na hoe ze dit kunnen veranderen.

Sjoerd Soeters: Schets of North Aud Block, Buffalo (VS). Bron: Website van Mollink & Soeters PPHP (Pleasant Places, Happy People).

In de ontwerpen van de Nederlandse architect Sjoerd Soeters speelt de aantrekkelijkheid van een straat of plein een belangrijke rol. Hij benadrukte dit door zijn firma Pleasant Places, Happy People te noemen. De bovenstaande schets maakt deel uit van het ontwerp van Canal side in het centrum van Buffalo (VS), dat bedoeld is om een ​​levendig deel van de stad te worden.


Covid-19

In dit artikel zie ik af van speculaties over de invloed van de huidige corona-crisis op het leven in steden, hoewel deze mij sterk bezighoudt. Het is duidelijk dat sociale afstand, gezelligheid en gedeelde mobiliteit en ruimtelijke verdichting op gespannen voet staan. Ik vertrouw erop dat Covid-19 overwonnen wordt. Ik hoop ook dat we er iets van hebben geleerd. Mogelijk versterkt dit onze inspanningen om te komen tot een leefbaardere, gezondere en veilige samenleving. Daarover gaat ook dit artikel.


Na een korte beschrijving van wat wordt verstaan onder publieke ruimte, verken ik wat het begrip ‘aantrekkelijk’ als eigenschap van publieke ruimte inhoudt en vervolgens laat ik zien hoe een overmaat aan bezoekers de publieke ruimte kan bedreigen. Dit brengt mij bij de ideale spreiding van publieke ruimte over de stad en ik zal laten zien hoe technologie kan bijdragen aan de kwaliteit van de publieke ruimte.


Gezellige steden is het dertiende deel van een reeks essays over hoe steden humaner kunnen worden. Dat betekent een balans vinden tussen duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en kwaliteit van leven. Dit vergt verregaande keuzes. Als deze keuzes eenmaal gemaakt zijn, is het vanzelfsprekend dat we slimme technologie gebruiken om deze doelen te bereiken.

De essays die al zijn verschenen, zijn hier te vinden:

  1. Inleiding: Steden in de toekomst: Vanzelfsprekend smart. Humaan als keuze
  2. De gezonde stad
  3. De veerkrachtige stad
  4. De klimaat-neutrale stad
  5. De veilige stad
  6. De goed-bestuurde stad
  7. De donut stad
  8. De kringloop stad
  9. De digitaal rechtvaardige stad
  10. De goed gevoede stad
  11. De stad van makers
  12. De eerlijke stad
  13. De stad van de commons

Over het algemeen zijn publieke ruimtes plaatsen waar iedereen zonder toestemming of tegen betaling kan verblijven – straten, pleinen, parken en (de meeste) stranden – rekening houdend met wettelijke beperkingen, bijvoorbeeld sluitingstijden van parken.

Er zijn altijd veel functies verbonden geweest aan publieke ruimtes: Pleinen waren plaatsen waar burgers bijeenkwamen om te stemmen over belangrijke aangelegenheden, marktplaatsen, festiviteiten en – op dit moment – parkeerplaatsen. Straten waren volgepakt met huizen, winkels en werkplaatsen. In dit artikel focus ik op de sociale functie van de publieke ruimte: Mensen ontmoeten, genieten van de mooie ambiance en je goed voelen. Verschillende auteurs, bijvoorbeeld Florida, Sennett en Pentland, zijn van mening dat de kwaliteit van de openbare ruimtes bijdraagt ​​aan de algehele welvaart en innovatieve mogelijkheden van de stad in het algemeen[1].

Wat maakt publieke ruimtes aantrekkelijk?

De publieke ruimte is in het verleden niet ontworpen om aantrekkelijk te zijn en niemand verwachtte dit, zolang ze functioneel was. Laten we teruggaan naar de middeleeuwen. Of een stad organisch is gegroeid of is ontworpen – meestal voor defensieve doeleinden – de ruimte was beperkt vanwege de omringende muren. Dientengevolge zijn alle functionele componenten – kerken, kloosters, ateliers, huizen, marktplaatsen en zelfs enkele boerderijen – opeen gepakt en waren de straten smal.

Quedlinburg, Town Hall, Marketplace, World Heritage
Quedlimbourg (Duitsland): Middeleeuwse markt en stadhuis. Foto: Pixabay

In de 19e eeuw veranderde alles: De stadsmuren werden afgebroken en hoewel niet elke stad zijn Haussmann had, werden ook grote delen van de middeleeuwse overblijfselen afgebroken. Overeenkomstig de heersende opvattingen kwamen hiervoor in de plaats brede boulevards en grote pleinen, monumentale gebouwen en parken. Later bleken de brede wegen een zegen voor het snelgroeiende aantal auto’s. De stedenbouw van de 19e eeuw moest het prestige van koningen en koninginnen, presidenten en het land als geheel weerspiegelen.

The Avenue de L'Opera, Paris - Camille Pissarro Als kunstdruk of ...

Zowel in de middeleeuwse als de 19e-eeuwse stad speelde aantrekkelijkheid als zodanig een ondergeschikte rol. De inwoners van een middeleeuwse stad waren mogelijk trots als de toren van hun kerk hoger was dan die van een naburige stad. De leden van de elite in de 19e eeuw slenterden met gevoelens van trots over de Haussmann-achtige boulevards. De lagere klassen waren bezig met andere dingen dan genieten van de pracht van de rijken.

In de 20e eeuw werd aantrekkelijkheid een functionele eis voor de openbare ruimte. Naast uitgebreide mogelijkheden om inkopen te doen, zochten burgers plaatsen waar ze konden kijken en worden gezien, mensen konden ontmoeten, konden neerstrijken op een terras of in een bar, café of restaurant in een sfeer van intimiteit en gezelligheid.

Tegelijkertijd begonnen mensen te reizen en bezochten ze andere steden. Ze verdrongen zich op kleine piazza’s, pleinen, straten en zijstraatjes van de overblijfselen van de oude middeleeuwse steden als Brugge, Gent, Florence en Sienna, die het 19e-eeuwse modernisme hadden overleefd. Deze buitenlandse ervaringen ondersteunden de ontwikkeling van een bepaalde ‘smaak’ voor wat als aantrekkelijk is en wat niet. Voor de meeste mensen zijn de brede, drukke boulevards dé plek voor dure winkels, restaurants, warenhuizen. Maar voor gevoelens van intimiteit en gezelligheid wisten ze dat ze de borden ‘Oude stad’ moesten volgen om kleine straatjes en intieme pleintjes te vinden met wat lijkt op middeleeuwse architectuur en met gezellige winkels die ‘lokale’ spullen verkopen. De verhoudingen van de middeleeuwse stad passen volgens velen beter bij ‘de menselijke maat’ dan de grootschalige stedenbouw van vandaag.

file:Piazza del Campo (Siena).jpg
Piazza del Campo in Siena, Italië. Gefotografeerd door Krzysztof Wysocki in augustus 2005. Licentie onder Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0

De kenmerken van aantrekkelijke publieke ruimte kunnen worden samengevat als:

  1. Compacte straten met een diversiteit aan gebouwen, die toch een eenheid vertegenwoordigen.
  2. Pleinen waarvan het oppervlak beperkt is en perfect in balans is met de hoogte van de omliggende gebouwen.
  3. Minstens één van de pleinen moet groot genoeg zijn om incidenteel te dienen als podium voor concerten en evenementen zoals de bekende Palio in Sienna.
  4. Monumenten, zoals kerken, stadhuizen en dergelijke met onderscheidende kwaliteiten.
  5. Beperkt verkeer, beloopbare afstanden en een rustige sfeer
  6. Voldoende terrassen, cafés en restaurants en uitnodigende winkels
  7. Gevoel van opgenomen zijn in het gewone leven van de eigen bevolking in plaats van zich te bevinden in een pretpark.

Sienna, de stad van de Palio, is misschien wel het beste voorbeeld. Of niet?

Helaas is het antwoord nee, maar daar kan de stad zelf niets aan doen.  Voordat ik uitleg waarom niet, maak ik een kleine omweg via de wereld van stedenbouwkundigen, om beter te begrijpen waar de publieke ruimte eigenlijk voor is.

De zienswijze van stedenbouwkundigen

Dit is niet de plek voor een inleiding in de stedenbouwkundige theorie, de verklaring van hoe mensen de stedelijke omgeving gebruiken en ervaren en de gevolgen daarvan voor het ontwerp en beheer van de publieke ruimte.

Model van het Plan Voisin voor Parijs door Le Corbusier(1925). Onder licentie van de Creative Commons Attribution-Share Alike 4.0 

Volgens Le Corbusier[2] is een stad een complex van enorme gebouwen, tot 60 verdiepingen, in een rechthoekig patroon, verbonden door wegen en groene ruimtes. Le Corbusier heeft de stadsplanning in de eerste helft van de 20e eeuw aanzienlijk beïnvloed door zijn prominente rol in het Congrès Internationaux d’Architecture Moderne (CIAM). Een overheersend idee was de functionele stad met haar radicaal gescheiden woon-, werk-, winkel- en recreatieplekken. In 1941 publiceerde Le Corbusier zijn Athene Handvest dat invloed heeft gehad op bijna alle Nederlandse steden, met Cornelis van Eesteren als prominente vertegenwoordiger[3]. Op onderstaande kaart, het eerste plan voor Slotermeer (Amsterdam), is de voorkeur voor een wijds en lineair stratenpatroon duidelijk herkenbaar. Dit soort tekeningen zijn tot eind twintigste eeuw voor de meeste Europese steden gemaakt.

Eerste plan voor tuinstad Slotermeer, het Sloterpark en de Sloterplas; 1939. Kaart: Gemeente Amsterdam

In de naoorlogse periode veranderde de stedenbouwkundige theorie radicaal. Een aanzet daartoe gaven Gordon Cullen, Jane Jacobs, Jan Gehl, Aldo Rossi, Kevin Lynch en Christopher Alexander[4]. In feite zijn ze de grondleggers van het dominante hedendaagse denken over stedelijke ontwikkeling. Ze verafschuwden de grootschalige rechthoekige stedelijke vormen, gepropageerd door de CIAM-leden en ze waren gepassioneerde voorstanders van een mix van stedelijke functies.

Gordon Cullen (The Concise Townscape) propageerde het idee van stedelijke doorkijkpunten: een reeks gekoppelde ruimtelijke eenheden, die een steeds wisselende beeld veroorzaken.

Jane Jacobs (The death and Life of American Cities) propageerde de waarde van bewoonde straten en pleinen in stedelijke centra om de levendigheid te vergroten en ook om sociale controle af te dwingen.

Aldo Rossi (Architecture of the City) accentueerde de combinatie van elementen die het collectieve geheugen van de bewoners vertegenwoordigen (historische monumenten) en moderne vormen.

Jan Gehl (Living between buildings) benadrukte dat een puur esthetisch perspectief tekortschiet om de vraag te beantwoorden wat een hoogwaardige publieke ruimte maakt. In plaats daarvan moeten stadsplanners eropuit gaan, naar de mensen kijken, veldonderzoek doen en vaststellen wat werkt en wat niet. Zijn toewijding voor de beloopbare stad heeft al geresulteerd in het autovrij maken van twee voormalige verkeersaders, Stroget in Kopenhagen en onlangs Market Avenue in San Francisco.

224-365 I heart Copenhagen | Days like this are picture-post… | Flickr
Ströget Copenhagen. Foto Karen Mardahl Onder licentie van Creative Commons ShareAlike 2.0 

Common Space

Een van de lessen van Jan Gehl is het gebruik van studies van het openbare leven om het gedrag van mensen in kaart te brengen, alvorens met ontwerpen te beginnen. Met pen en papier is dit een arbeidsintensief proces; Sidewalk Labs heeft samen met het Gehl Institute een ​​prototype gemaakt van een open source-applicatie genaamd CommonSpace[5]: Een digitaal hulpmiddel voor het verzamelen van gegevens door een consistente workflow, gestandaardiseerde invulvelden en door de onmiddellijke beschikbaarheid van gegevens. Voor geïnteresseerden is hier een demoversie te vinden.


Ze legden in feite de basis voor het new urbanism van Peter Calthorpe, Elisabeth Moule en Andrés Duany. In deze korte TED-presentatie legt Calthorpe de belangrijkste ideeën van de beweging uit, ook in relatie tot klimaatverandering en grootschalige verstedelijking.

New urbanism verzet zich tegen elke vorm van ruimte verslindende stadsuitbreiding, brede lanen,  grote pleinen en de dominantie van auto’s. De beweging introduceerde een mensgericht ontwerp, gekenmerkt door tien principes: beloopbaarheid, connectiviteit, menging van stedelijke functies en diversiteit, verschillende typen woningen, kwalitatief hoogwaardige architectuur en stedenbouw, handhaven traditionele buurtstructuur, verhogen van dichtheid, openbaar vervoer, duurzaamheid en leefbaarheid. Deze principes zijn geformaliseerd in het Congress for the New Urbanism (1993). Een van de verdiensten is het verbinden van stedenbouw, gemeenschapsontwikkeling en duurzaamheid. Het LEED-ND-systeem voor het beoordelen van milieuvriendelijk ontwerp is geworteld in de new urbanism-beweging. New urbanism bepleitte ook het belang om ruimte te reserveren die burgers zelf konden inrichten (DIY urbanism).

De nieuwe stedenbouw maakt heel duidelijk waarom de meeste hedendaagse burgers de kenmerken van de middeleeuwse stad verkiezen boven de concepten van Haussmann maar ook hoe modernistische architecten en stedebouwers in de meeste steden in de tweede helft van de 20e eeuw te werk gingen invloed van het CIAM-gedachtengoed.

De publieke ruimte staat onder druk

Wat is er mis met Sienna? Aantrekkelijke stadscentra zoals Sienna, Amsterdam en Barcelona worden overspoeld door bezoekers en toeristen. Mede ook omdat Airbnb hun overnachtingscapaciteit aanzienlijk heeft vergroot en daarbij veel woonhuizen heeft onttrokken van hun eigenlijke bestemming[6]. Als gevolg hiervan zien deze steden de prijzen van hun vastgoed stijgen, hun inwoners vertrekken, waardoor er ruimte komt voor dure appartementen, boetiekhotels, prestigieuze hoofdkantoren en dergelijke. Alle traditionele gebruikers van de centrale delen van de stad zoals universiteiten voelen ook een druk om hun eigendom in de binnenstad te verkopen en naar de rand van de stad te verhuizen. Uiteindelijk dreigen de oude stadscentra te worden omgevormd tot een themapark dat vierentwintig uur lang vermaak biedt aan bezoekers en hiermee de bewoners vervreemdt van hun eigen publieke ruimte.

A packed La Ramblas in Barcelona.
Toeristen op de Ramblas, die jaarlijks 100 miljoen bezoekers ontvangt. Foto: The Guardian.

Tegelijkertijd is het aanbod van publieke ruimte in oudere en nieuwere woonwijken buiten het stadscentrum beperkt. In de moderne stadsuitbreidingen bieden hypermarkten volop mogelijkheden voor het doen van dagelijkse boodschappen, maar het zijn geen ‘gedroomde plekken’ voor gezellige ontmoetingen. Als gevolg hiervan beginnen veel steden een gebrek aan publieke ruimte te voelen, wat de mogelijkheid tot socialiseren en netwerken beperkt. Met andere woorden, het concept publieke ruimte moet opnieuw worden uitgevonden.

De behoefte aan uiteenlopende vormen van publieke ruimte

Voor steden met meer dan 500.000 inwoners, stel ik een model voor met drie soorten publieke ruimtes. In werkelijkheid zullen er altijd gemengde vormen en varianten zijn.

‘Place making’ en ‘commoning’

In het navolgende ligt de nadruk op meer geformaliseerde vormen van publieke ruimte. De wellicht belangrijkste vormen van publieke ruimte zijn al in een eerder artikel behandeld, toen ik beschreef hoe bewoners het initiatief nemen om vrije kavels in hun directe woonomgeving om te vormen in speeltuinen, ontmoetingsplekken, groentetuinen of vele andere doeleinden[7]. Deze initiatieven – place-making of commoning – vervullen bij uitstek de behoefte aan publieke ruimtes, De ontwikkeling ervan vraagt creativiteit en toewijding en niet noodzakelijk veel geld. Het Project for Public Spaces (PPS) van de Global Placemaking Movement, verbindt mensen met ideeën, middelen, expertise en partners die bloeiende openbare plekken willen creëren[8]. De organisatie heeft een boek uitgegeven How to turn a place around, waarin 11 principes voor levendige gemeenschapsruimtes en vele voorbeelden worden behandeld[9].

Maar nu de andere ruimtes.

Oostpoort Amsterdam

Volgens de hedendaagse en invloedrijke Nederlandse architect Sjoerd Soeters draagt compactheid als geen ander kenmerk van publieke ruimtes bij aan sociale cohesie en beïnvloedt daardoor in sterke mate de attractiviteit ervan[10]. Dankzij de compactheid van straten en pleinen herkennen mensen elkaar en is er geen sprake van een beangstigende mensenmassa. Water, grachten en bruggen dragen ook bij aan de intimiteit van straten. De attractiviteit van pleinen hangt vooral af van de relatie tussen de hoogte van de omliggende gebouwen en het oppervlak van het plein. Daarom verkiest hij een afmeting van 40 – 25 meter. Hij heeft delen van bestaande straten opnieuw ontwikkeld en plaatselijk versmald, zodat er slechts een glimp opgevangen kan worden van het volgende deel van de straat. Pleinen zijn vaak verbrede delen van straten (zie onderstaande foto)

Plein in Oostpoort (Amsterdam) Architect Sjoerd Soeters. Bron: Website van Mollink & Soeters PPHP (Pleasant Places, Happy People).

Buurtcentra

Het buurtcentrum is de plek waar burgers van ’s ochtends tot ’s avonds terecht kunnen voor  hun boodschappen en contacten.  De Oostpoort in Amsterdam, ontworpen door Sjoerd Soeters is een voorbeeld, zij het een van de grotere met een station en een paar tramlijnen.

Dit type centrum heeft een supermarkt, een bakkerij, een slager en een groentewinkel, een drogisterij, een handvol cafe’s en restaurants, een fitnesscenter, een basisschool, gemeenschappelijke ruimtes, werkplaatsen en kantoren en verder een grote verscheidenheid aan huizen. Hier drinken mensen die thuis zijn hun ochtendkoffie, ontmoeten medewerkers collega’s en werken zzp’ers tijdens de rustige uren aan een cafétafel. Huismannen en -vrouwen doen hun dagelijkse boodschappen of doen een work-out in de sportschool, maken een praatje en drinken een kopje thee. Mensen ontmoeten elkaar voor de lunch, dineren en socialiseren op het terras of in de cafe’s, tot sluitingstijd, wat vrij vroeg zal zijn.

Nevencentra

Zelfs steden zonder een buitensporig aantal toeristen en bezoekers, zien een gestage groei van het aantal evenementen waardoor andere functies in de knel komen. Om deze reden is het raadzaam dat steden een aantal nevencentra hebben, die door de aanwezigheid van een of meer publiekstrekkers een gestage stroom bezoekers genereren. Voorbeelden zijn het Guggenheim-museum in Bilbao en de nieuw ontworpen publieke ruimte eromheen. In wereldsteden als Londen en New York bestaat ​dit soort centra al jaren maar zij zijn soms moeilijk ten vinden omdat hun activiteiten vaak over een groot oppervlak zijn verspreid.


Het gebruik van water: Brusselplein, Leidsche Rijn Utrecht

/var/folders/5q/w0jt8kbx5vnc_mp7b36p_x480000gp/T/com.microsoft.Word/WebArchiveCopyPasteTempFiles/Leidsche-Rijn-Centrum-1024x686.jpg
Brusselplein Leidsche Veer, Utrecht. Foto: Mooie pleinen Magazine[11]

Het ontwerpen van openbare ruimtes in nieuwe steden is een uitdaging. Leidsche Rijn wordt een nieuwe buitenwijk met 100.000 inwoners van de Nederlandse stad Utrecht en het Brusselplein is het nieuwe centrale plein. De breedte van het plein wordt gebroken door rijen fonteintjes. Het plein staat vol met bomen. Aan de rand van het plein zijn terrassen, bars, restaurants en winkels. ‘Niet slecht’, maar ik vind het plein niet opwinden en, te groot om intimiteit te bieden. De omliggende gebouwen zijn nauwelijks onderscheidend.

In veel ontwerpen van moderne en te groots opgezette pleinen spelen ‘bedriegertjes’ een prominente rol, wat voor veel hilariteit zorgt bij warm weer omdat kinderen dan drijfnat worden. Maar in het geval van minder goed weer en de terrassen leeg zijn en zijn de kleine fonteinen bedroevend ondermaatse objecten. Ik vraag me af waarom ontwerpers water niet op een meer gevarieerde en creatieve manier benutten, bijvoorbeeld door een groot rechthoekig waterbassin aan te leggen, omzoomd door weelderige planten, gevuld met bewegende objecten en trappen om te zitten, te praten en ’s avonds te kijken hoe het op een spannende wijze verlicht wordt. De foto hieronder illustreert hoe de Zaanstad (NL) in brede straten intimiteit herwint.

Gracht in Zaanstad. Architect Sjoerd Soeters. Bron: Website van Mollink & Soeters’ PPHP (Pleasant Places, Happy People).

Amsterdam heeft dringend een of meer nevencentra nodig. Het gebied tussen het Leidseplein en het Rijksmuseum heeft naar mijn mening potentie, maar mist eenheid door de chaotische kruisingen van wegen en tramlijnen. Het gebied bij Station Zuid biedt ook kansen, mede omdat Schiphol het volgende station is. Om een ​​meer intieme openbare ruimte te creëren, moet er veel werk worden verzet. In de eerste plaats om een ​​publiekstrekker te vinden.

Nieuw te ontwikkelen nevencentra kunnen het beste worden verbonden met concentraties van musea, universiteitsgebouwen, theaters, winkels, hotels, restaurants en cafés, appartementen en kantoren. Een ‘plaza’, een centrale plek met weerbestendige terrassen en aantrekkelijke winkelmogelijkheden zijn nuttig, maar compleet andere invalshoeken zijn ook effectief. Bijvoorbeeld het Superkilenpark in Kopenhagen.

Superkilen

Superkilen is een één kilometer lang gebied in Kopenhagen met uitgebreide recreatieve mogelijkheden en mogelijkheden voor sociaal contact, met name voor de vele allochtone groepen met lage inkomens die in de omliggende huizen wonen. Het heeft veel kleine restaurants, galerieën en winkels. Het trekt daardoor ook veel bezoekers aan, die opgaan bij de zestig nationaliteiten die al in het gebied wonen.

Er zijn drie gekleurde ruimtes: het Rode Plein, dat het moderne stadsleven vertegenwoordigt met cafés, muziek en mogelijkheden tot sportbeoefening, de Zwarte Markt, een klassiek plein met fonteinen en banken en het Groene Park om te picknicken of te wandelen. In alle drie de delen is er altijd een gezellig samenzijn van lokale mensen. Ook toeristen kunnen zich hier prima vermaken.

File:København - Superkilen (25363298299).jpg
Openbaar park Nørrebroruten Superkilen – het zwarte gedeelte. Architect. BIG (Bjarke Ingels) Foto: Fred Romero. Dit bestand is in licentie gegeven onder de Creative Commons Attribution 2.0 9

Perifere centra: Decentraal centrum voor bezoekers met auto’s

In de komende decennia zal nog steeds een aanzienlijk aantal bezoekers van de stad met de auto komen en het beste wat deze kan doen, is ervoor te zorgen dat bezoekers deze auto’s op veilige transferpunten achterlaten, vanwaar ze hun reis met het openbaar vervoer kunnen voortzetten. Voor bezoekers die van plan zijn langer te blijven, is deze oplossing niet optimaal, aangezien het lastig kan zijn om met het openbaar vervoer bagage naar het hotel te vervoeren. Een oplossing is om een of meer hotels naast de parking te vinden en nog mooier is wanneer deze transfergebieden een aantrekkelijke publieke ruimte worden, met winkels, cafés en restaurants. Deze centra kunnen dan ook plaats bieden aan grote evenementen, zoals een voetbalstadion, een muziekhal, bioscopen en openluchtfestiviteiten. De Amsterdam Arena wijk ontwikkelt zich in deze richting. Vroeger was het een tochtige plek, maar het wordt beter. Het gebied heeft ook uitstekende trein- en metroverbindingen.

Foto van Arena Boulevard Amsterdam Foto: Hampton hotels

En niet te vergeten, de oude stad …

De publieke ruimtes in de oude ‘middeleeuwse’ stadscentra moeten aan dezelfde eisen voldoen als de stad in haar geheel om niet te veranderen in een attractiepark voor toeristen. Afgezien van zijn zorgvuldig onderhouden en functionele geïntegreerde culturele erfenis, moet het een mix van functies bieden, waaronder woningen, kantoren, lichte industrie, ambacht en groene ruimte. Het aantal hotels moet worden beperkt en verhuren door Airbnb is verboden. Winkels zijn voor zowel de inwoners als de toeristen, de huren moeten worden bevroren en de speculatieve verkoop van huizen aan banden gelegd. Ruimte boven winkels wordt herbestemd voor appartementen.

Daarnaast moeten publiekstrekkende bestemmingen, bijvoorbeeld een gebied dat in de eerste plaats voor jongeren bestemd is, over het hele centrum verspreid zijn of in een nevencentrum gelegen zijn.

De Heuvel, Tilburg

Dit plein – eigenlijk een driehoek – was decennialang de onbetwiste ontmoetingsplek van Tilburg, een weinig aantrekkelijke stad in Nederland. De populariteit van de plaats verdween nadat de iconische lindeboom omviel. Tien jaar geleden is een grondig renovatieproces gestart. In dit proces leverden burgers in eerste instantie ideeën, vervolgens hebben drie ontwerpbureaus deze ideeën gemodelleerd die in 3D-modellen werden gepresenteerd en werd burgers gevraagd om het beste te kiezen. Dit bleek het ontwerp van Buro Sant & Co[12] bleek te zijn. De plaats is omgeven door bomen en er zijn de gebruikelijke bedriegertjes, die hier reageren op wind en geluid. Door de renovatie is De Heuvel weer druk als vanouds.

https://www.santenco.nl/wp-content/uploads/2016/09/buro-sant-en-co-landschapsarchitectuur-de-heuvel-tilburg-plein-bank.jpg
De Heuvel in Tilburg. Foto: Buro Sant & Co.

Uitstekende verbindingen

De voorgestelde spreiding van activiteiten over verschillende typen publieke ruimtes vereist uitstekende onderlinge verbindingen en met de belangrijkste woongebieden. Bovendien zullen hotels en airbnb’s over de hele stad verspreid moeten zijn, in het bijzonder in de secundaire centra.

De inrichting van openbare ruimtes: de rol van technologie

De vraag is of er behalve hetgeen dat tot dusver is vermeld, aanvullende mogelijkheden zijn die de kwaliteit van de publieke ruimte kunnen verbeteren.

Een van de criteria van Jan Gehl voor levendige plekken is een multi-zintuiglijke ervaring. Steden moeten rond het lichaam en de zintuigen van de mens worden gebouwd om mensen optimaal van steden te laten genieten[13]. Zijn favoriete voorbeeld is Venetië, waar elke straathoek een nieuwe visuele, auditieve en geur ervaring biedt.

De ervaringen kunnen worden versterkt met technologie, zoals het adaptieve karakter van de fonteinen bij De Heuvel in Tilburg. De Nederlandse stad Enschede experimenteert met videoschermen die waarop door het programma KaleidOK, caleidoscopische beelden worden getoond die de aandacht van mensen trekken[14].

page45image763429360
Muurprojecties in openbare ruimtes. Bron: Veenstra, M .: Verbonden en verbindend. De openbare ruimte in de slimme stad. Lectorale toespraak, Enschede 2016[15]. Foto’s: Kimberley Warren.

Om de aantrekkelijkheid van openbare ruimtes te vergroten, is geen enkele oplossing bij voorbaat passend. Aantrekkelijke ruimtes ontwikkelen is een continu proces van experimenteren en observeren. In Eindhoven is het nachtleven geconcentreerd in Stratumseind, een bruisende wijk die af en toe het toneel is van vechtpartijen. Daarvoor waren al CCTV-camera’s en sensoren die geluid registreren geïnstalleerd. PhD-student Indre Kalinauskaite bracht talloze nachten door in Stratumseind ​​om de atmosfeer te observeren. Ze hoopte dat aangepaste verlichting de sfeer zou verbeteren en geweld zou verminderen[16]. De stad startte een experiment en voegde ook de geur van sinaasappels toe, maar de impact daarvan was beperkt[17]. Andere experimenten waren succesvoller. De ledverlichting in de stad dimt niet alleen als de straten leeg zijn, maar elke hoek van een plein kan een andere kleur krijgen[18]. Vooral blauwachtig licht lijkt mensen te kalmeren[19].

Ledverlichtingssysteem waarbij de verlichting individueel kan worden bediend. Foto: Serge van den Berg

Aantrekkelijkheid en de humane stad

Aantrekkelijke steden, centra, plaatsen of straten ontwerpen is een uitdaging voor elke stedenbouwkundige. Waarschijnlijk omdat zij de neiging hebben om zich te concentreren op esthetische criteria: Een goed ontworpen gebouw zal jarenlang aan hun naam worden verbonden. Esthetische criteria, samen met functionele vereisten, zijn noodzakelijk maar niet voldoende. Daarom benadrukken vertegenwoordigers van new urbanism dat burgers deel moeten uitmaken van het ontwerpproces. Niet ter vervanging van de architect, maar architecten moeten het gedrag van mensen goed begrijpen, zoals Jan Gehl onderstreepte.

Een andere auteur die genoemd moet worden als onderdeel van de zoektocht naar de ontwikkeling van de humane stad is Richard Sennett. Als socioloog heeft hij geen gebruiksklare ontwerp-oplossingen gemaakt. Maar in zijn boek Building and dwelling (2018) laat hij op ongeëvenaarde wijze de spanningen zien tussen de stad als fysieke ruimte, mede het resultaat van het werk van ontwerpers (‘ville’) en de stad als het geheel van haar bewoners met hun vele achtergronden (cité). Deze twee dimensies staan ​​op gespannen voet en de opdracht van de ontwerper is om mensen een meer centrale rol te geven in het ontwerpproces. In dit essay verwees ik naar ontwerpers die elk op hun eigen manier de kloof probeerden te overbruggen.

Het is niet wenselijk de intimiteit van publieke ruimte in het centrum van een stad op te offeren omdat er incidenteel behoefte is aan een locatie voor grote evenementen. Zo’n locatie kan ook een meer perifeer deel van de stad zijn, onder voorwaarde van uitstekende bereikbaarheid met het openbaar vervoer. Deze aanpak resulteert in het creëren van een verscheidenheid aan openbare plaatsen verspreid over de stad. Mits daar voldoende activiteiten plaatsvinden helpt dit ook om het aantal bezoekers en toeristen te spreiden.

Hieronder vat ik de essentie samen van een humane benadering de publieke ruimte. 


Principes voor een humane benadering van de publieke ruimte

1. Publieke ruimtes in hedendaagse steden vervullen verschillende functies. Deze functies zijn niet in dezelfde mate verbonden met dezelfde locatie, noch met dezelfde mensen. Om aan de behoefte aan publieke ruimte te voldoen, moet daarom een ​​verscheidenheid aan publieke ruimtes worden ontwikkeld, elk met zijn eigen functionele kenmerken.

2. De kwaliteit van het ontwerp van de publieke ruimte hangt af van het vermogen van de ontwerper om te anticiperen op de verwachtingen en het gedrag van de gebruikers van die ruimte. Daarom is observatie van gebruikers een essentieel onderdeel van het ontwerpproces. Hetzelfde geldt voor experimenteren.

3. Socialiseren is een van de belangrijkste functionaliteiten van publieke ruimten. Kleinschalige, intieme straten en pleinen voorzien voor de meeste mensen beter in deze behoefte dan grote ruimtes. Nog steeds domineren in de moderne stadsplanning grote bouwvolumes, grote pleinen en rechthoekige patronen, die tot op zekere hoogte dehumaniseren.

4. Om hoogwaardige publieke ruimtes te ontwikkelen, moeten stedenbouwkundigen, architecten, kunstenaars en burgers samenwerken, wat in de eerste plaats betekent dat degenen die professioneel betrokken zijn, luisteren naar degenen die persoonlijk betrokken zijn als gebruikers.

5. De meeste moderne stadscentra missen eenheid omdat ze het resultaat zijn het ontwerp van afzonderlijke gebouwen. Dit proces belemmert de ontwikkeling van publieke ruimtes, aangezien de omliggende gebouwen als vanzelfsprekend moeten worden beschouwd. De benoeming van een masterarchitect of -planner voor elk deel van de stad helpt dit probleem op te lossen.

6. Openbare ruimtes schieten vaak te kort door stapelen van te veel functionaliteiten, bijvoorbeeld zowel ruimte geven voor gezelligheid als voor grootschalige evenementen. In plaats daarvan resulteert het verspreiden van deze functionaliteiten over verschillende locaties in een meer gelijkmatige verdeling van inwoners en toeristen.

7. Openbare ruimtes gedijen vanwege een diversiteit aan zintuiglijke ervaringen. Smaakvolle en door het publiek gestuurde projecties, getinte verlichting en verlichting van gebouwen dragen bij aan dit doel, mits goed afgestemd op het primaat van de socialiserende functie.


[1] https://www.citylab.com/life/2019/05/beautiful-cities-economic-growth-data-beauty-premium/589480/

[2] https://www.researchgate.net/publication/320219253_Designing_Urban_Building_Blocks_around_Solar_Planning_Principles/figures?lo=1

[3] http://vaneesterenmuseum.nl/nl/de-tuinsteden/slotermeer-2/

[4] https://en.wikipedia.org/wiki/Urban_design?utm_medium=website&utm_source=archdaily.com

[5] https://medium.com/sidewalk-talk/commonsource-app-9b26a6ded800?mc_cid=39f121fad9&mc_eid=f9a985d7e5

[6] https://www.theguardian.com/travel/2018/aug/30/why-tourism-is-killing-barcelona-overtourism-photo-essay

[7]

[8] https://www.pps.org/about?utm_medium=website&utm_source=archdaily.com

[9] https://www.archdaily.com/927754/11-rules-to-follow-when-creating-vibrant-public-spaces?utm_medium=email&utm_source=ArchDaily%20List&kth=

[10] https://www.stadszaken.nl/ruimte/openbare-ruimte/2535/3-ontwerpprincipes-voor-een-socialer-plein?utm_source=Mailing+Lijst&utm_medium=email&utm_campaign=stadszaken-thema-07-02-2020

[11] https://mooiepleinen.nl

[12] https://www.santenco.nl/nl/portfolio_page/de-heuvel/

[13] https://www.archdaily.com/801431/jan-gehl-5-rules-for-designing-great-cities

[14] Veenstra, M., Wouters, N., Kanis, M., Brandenburg, S., te Raa, K., Wigger, B., & Moere, A. V. (2015). Should Public Displays be Interactive? Evaluating the Impact of Interactivity on Audience Engagement. In Proceedings of the 4th International Symposium on Pervasive Displays (pp. 15-21). ACM.

[15] https://www.saxion.nl/binaries/content/assets/onderzoek/smart-industry/smart-cities/003-1449-lectorale-rede-mettina-veenstra-digitale-versie-def_lr.pd

[16] https://www.saxion.nl/binaries/content/assets/onderzoek/smart-industry/smart-cities/003-1449-lectorale-rede-mettina-veenstra-digitale-versie-def_lr.pd

[17] https://www.rtlnieuws.nl/geld-en-werk/artikel/3878641/eindhoven-experimenteert-met-geur-en-licht-tegen-agressie

[18] https://www.theguardian.com/sustainable-business/sustainable-smart-lighting-systems-cities

[19] https://www.theguardian.com/sustainable-business/sustainable-smart-lighting-systems-cities

De eerlijke stad

Tussen steden en hun bewoners bestaan grote verschillen in de kans op een ​bevredigend bestaan. Simpel gezegd, dat is niet eerlijk. Want degenen die achtergesteld zijn kunnen hun lot zelf nauwelijks verbeteren, terwijl de samenleving als geheel dat wel kan, maar niet doet. Althans, lang niet genoeg om als humaan te worden gekwalificeerd. Wat kán de samenleving doen? Dit artikel geeft antwoorden.

De Paraisópolis favela grenzend aan het welvarende district Morumbi in São Paulo, Brazilië. Foto Tuca Viera

De foto hierboven is een treffend beeld van de kansongelijkheid tussen inwoners van Sao Paulo. Het welvarende district Morumbi aan de linkerkant en de Paraisópolic favela aan de rechterkant.

De verschillen gaan veel verder dan wat zichtbaar is.

Denk aan de banen, het inkomen en het zelfvertrouwen van volwassenen en de mogelijkheid voor kinderen om een ​​opleiding te volgen en een fatsoenlijk leven op te bouwen.

Ik laat hieronder in de eerste plaats de groeiende ongelijkheid op mondiaal en nationaal niveau zien. Daarna komen aan de orde de ongelijke kansen in steden met betrekking tot inkomen en huisvesting en de gevolgen daarvan. Ik zoom daarbij in op Nederland. Ten slotte komen oplossingen aan bod en dan wordt duidelijk waarom de verdeling van kapitaalmiddelen tussen de private en de publieke sector wezenlijk verkeerd is.


De eerlijke stad maakt deel uit van een reeks essays over hoe steden humaner kunnen worden. Dat betekent het vinden van een evenwicht tussen duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en kwaliteit van leven. Dit vereist vergaande keuzes. Zodra deze keuzes zijn gemaakt, is het vanzelfsprekend dat we slimme technologieën gebruiken om deze doelen te bereiken. De onderstaande artikelen zijn al gepubliceerd:


Rijkdom en armoede op wereldniveau

Vanaf het begin van de industriële revolutie tot op heden is de rijkdom van de nationale staten toegenomen en tegelijkertijd erg ongelijk verdeeld. Dit geldt voor de laatste decennia – het tijdperk van globalisering – in het bijzonder.

De vraag is wie de winnaars en de verliezers zijn.

Het eerste uitgebreide antwoord kwam in 2013 van de Servisch-Amerikaanse econoom Branco Milanovic en zijn collega Christoph Lakner, toen ze de beroemde olifantscurve presenteerden. Ze vergeleken de procentuele verschillen in reëel inkomen (gecorrigeerd voor inflatie) in 1988 en 2008 tussen de armste 10% en de rijkste 10% van de wereldbevolking en alle andere decielen daartussenin. De berekeningen waren gebaseerd op gegevens van de Wereldbank.

De onderstaande grafiek geeft de resultaten weer.

Deze grafiek wordt olifantscurve genoemd vanwege de opvallende gelijkenis met de rug van een olifant.

De grafiek heeft de nodige aandacht getrokken: Ik sta op het punt een olifant de zaal in te brengen. Een wilde, boze en gevaarlijke olifant zei Lilianne Ploumen, de toenmalige Nederlandse minister van handel, terwijl ze deze afbeelding aan haar publiek presenteerde.

Toename van het reële inkomen tussen 1988 en 2008 in procenten per deciel. Bron: The Economist

Uit de grafiek blijkt dat de huishoudens tussen het 85ste en 95ste percentiel van de inkomensverdeling in 2008 nauwelijks beter af zijn dan 20 jaar eerder. Deze dramatische dip in de grafiek werd gebruikt ter verklaring van de aantrekkingskracht van Donald Trump, Brexit en herlevend nationalisme en populistische bewegingen. In deze overhaaste conclusie werd echter over het hoofd gezien dat de huishoudens per deciel niet noodzakelijkerwijs dezelfde waren in 1988 en 2008, dit vanwege verschillen in de groei van de bevolking en van het inkomen in verschillende delen van de wereld.

Milanovic en Lakner waren zich hiervan bewust en ze hadden daarom al een alternatieve grafiek gemaakt waarin de personen in elk deciel wel dezelfde zijn (zie boven). Deze grafiek lijkt nog steeds op een olifant, maar het lot van de lagere middenklasse in de VS en Europa ziet er minder dramatisch, zij het nog allesbehalve florissant uit.

De data voor de Milanovic en Lakner-grafiek gaan tot 2008. Een team van economen – onder leiding van Facundo Alvaredo, Lucas Chancel en het beroemde onderzoeksteam voor ongelijkheid Thomas Piketty, Emmanuel Saez en Gabriel Zucman – heeft onlangs het World Inequality Report 2018 onthuld dat gegevens bevat tot 2016. Ze repliceerden de olifantscurve, uitgaande van de voorgenoemde alternatieve berekening.

Totale inkomstengroei in percentage per percentiel in alle wereldregio’s, 1980 – 2016. Bron: World Inequality Report 2018

Of de olifant nog steeds herkenbaar is, maakt niet zoveel uit. De slurf reikt veel hoger en de kop is veel kleiner, wat op een nog hogere inkomensgroei voor de rijken op aarde wijst. Arme inwoners in ontwikkelingslanden gaan er ook in deze berekening op vooruit, maar minder in vergelijking met top 1%, 0,1,% 0,01% en 0,001%. Van 1980 tot 2016 realiseerde zij die behoren tot de top 1% gemiddeld meer dan twee keer zoveel groei van hun inkomen als de onderste 50%.

Vanwaar deze verschillen tussen de berekeningen van Milanovic en Lakner en die van het World Inequality Report 2018? Het World Inequality Report 2018 nog meer gegevens beschikbaar dan Milanovc en Lakner, onder andere afkomstig van de inkomstenbelasting.

De belangrijkste reden is dat de rijken in 2016 een mogelijke daling van hun inkomensgroei tijdens de crisis meer dan goed hebben gemaakt.

Tegelijkertijd laten de gegevens ook zien dat extreme armoede (leven van minder dan $ 1,90 per persoon per dag) vrijwel overal ter wereld is afgenomen, dat de inkomensgroei in de opkomende landen aanzienlijk is geweest en dat de meeste inwoners van de VS en Europa tussen 1980 – 2016 slechts een bescheiden inkomensgroei hebben gekend. 

Tot nu toe laten de grafieken relatieve groei zien. Maar hoe zit het met de absolute groei van individuele inkomens (dus niet inkomens per huishouden)? De onderstaande tabel laat dit zien voor de periode 1980 en 2016 (gecorrigeerd voor inflatie).

Totale inkomstengroei in dollars per percentiel in alle wereldregio’s, 1980 – 2016. Bron: World Inequality Report 2018

De armste 20% van de bevolking ging er gedurende de periode 1980 – 2016 in totaal 82% op vooruit. Dat betekent dat mensen die in 1980 $2,40 verdienden, hun inkomen in 36 jaar zagen groeien tot $ 4,36 per dag, wat betekent dat 5 cent per dag per jaar.

Voor de minstverdienende 60% van de mensheid geldt dat het jaarlijkse inkomen per persoon over de gehele periode van 36 jaar steeg met ongeveer $1200. Degenen in het 85-95e percentiel (de verliezers in de olifantencurve) zagen hun inkomen stijgen met een factor vier ten opzichte van de armste 60% Voor de rijkste 1% was dit een factor 100.

Absolute wijzigingen in inkomen van 1980 – 2016 (gecorrigeerd voor inflatie). Gebaseerd op gegevens uit het World Poverty Report 2018

Door de toename van het inkomen grafisch weer te geven, verdwijnt de olifant en wordt deze vervangen door een onheilspellende zeis, die symboliseert hoe de rijken de overvloed van de wereld voor zichzelf oogsten.

Verschillen in inkomen op nationaal niveau

Hieronder verdiep ik me in de oorzaken van de extreme toename van de welvaart van de hoogste percentielen in de westerse wereld en in het bijzonder in de VS.

Multinationale bedrijven hebben wereldwijd vanaf 1980 goud verdiend. In 2019 was de totale winst van de 100 qua omzet grootste bedrijven ter wereld samen $15.000 miljard. Ter vergelijking, in dat jaar was het bruto nationaal product van alle landen ter wereld samen ruim $ 87.000 en de totale overheidsuitgaven $ 23.000 miljard. Zie hieronder voor meer details, zij het over het jaar 2013. 

Winsten na belastingen in miljard dollar en als een percentage van het wereldwijde bruto nationaal product van wereldwijd opererende bedrijven. Bron: Harvard Business Review

De enorme toename van de winst is een direct gevolg van de globalisering:

Groeiende handel mogelijk gemaakt door wereldwijde concurrentie, automatisering, offshoring en lage grondstofkosten, hoge verdiensten en slechts geringe groei van de lonen.

Een deel van de enorme winsten was investeringskapitaal; het andere deel ging naar aandeelhouders en ceos als onderdeel van hun totale inkomen. Het gaat daarbij om ongeveer 40% van de zeer rijken die we tegenkwamen het hoogste percentiel. De anderen zijn advocaten, consultants, en financiële adviseurs, meestal ook werkzaam voor grote internationale bedrijven.


Disney: niet leuk voor iedereen

Binnen bedrijven verschilt het aandeel van werknemers in de inkomsten enorm. Robert Iger, tot voor kort ceo van het Walt Disney-concern had een jaarinkomen van $75 miljoen. Dat is 1025 keer meer dan een gemiddelde werknemer van dat bedrijf. Als hij zijn salaris verlaagde naar 10$ (nog steeds te veel), dan zou elke werknemer van het bedrijf er gemiddeld 15% in salaris op vooruitgaan.


Volgens Paul Oyer, hoogleraar aan Stanford Graduate School of Business, zijn de afgelopen 50 jaar rampzalig geweest voor mensen met een lager inkomen. Gecorrigeerd voor inflatie is het gemiddelde inkomen van een werknemer die geen hogere opleiding heeft gevolgd nu lager dan 50 jaar geleden. Dat is ongehoord. Maar niet alleen mensen met weinig opleiding ondervinden problemen. Gezinnen met twee werkende partners uit de midden- en hogere klasse (tot een gezinsinkomen van $ 100.000) zijn er wel op vooruit gegaan, maar moeten ook kritisch op hun uitgaven letten, met name vanwege extreem hoge huren in grote steden.

Amerikaanse bedrijven zijn er onlangs toe verplicht om gegevens over de verhouding van het inkomen van de ceo tot dat van de gemiddelde werknemer openbaar te maken. Uit deze gegevens blijkt dat Disney Company geen uitzondering is, integendeel. Enkele voorbeelden: auto-onderdelenmaker Aptiv (verhouding beloning ceo-werknemer: 2.526 –  1), uitzendbureau Manpower (2.483 – 1), eigenaar van pretparken Six Flags (1.920 – 1), ceo Del Monte (1.465 – 1), en kledingfabrikant VF (1,353 – 1). Democraten en zelfs enkele republikeinen proberen deze extremen een halt toe te roepen, tot nu toe tevergeefs. 

Een goed gedocumenteerd rapport van het Economic Policy Institute, gepubliceerd op 14 augustus 2019 onthult dat de beloning van ceos in de VS in 2018 (350 grootste bedrijven) gemiddeld $ 17,2 miljoen bedroeg (inclusief $ 7,5 miljoen aan gerealiseerde aandelenopties), met een ratio van ceo-werknemer ratio van 278 – 1. Dit bedrag is 9,2% meer dan in 2017 en 52,6% meer dan in 2009. Een gemiddelde werknemer verdiende in 2018 slechts 5,3% meer dan in 2009.

In ‘betere tijden’ – in 2000 – bedroeg de gemiddelde ceo-beloning $21,5 miljoen (in 2018 dollar), hetgeen een ceo-werknemer ratio van 386 – 1 weerspiegelt.

De meest deprimerende data-visualisering ter wereld

Printing Money is het resultaat van twee weken werk van Neal Agarwal, een kunstenaar op het gebied van data-visualisering. Het stelt de uitbetaling van salarissen voor als een drukpers, die dollarbiljetten over de pagina uitstrooit in het tempo waarin ze worden verdiend door iemand met een minimumloon, een Amerikaanse leraar, een softwarespecialist, een gemiddelde ceo en … U, lezer. Daarna stromen de financiële resultaten van een aantal bedrijven over het scherm maar ook de aanwas van het financieringstekort van de VS.

Nieuwgierig? Klik op deze link (vergeet niet te scrollen). Met dank aan Fast Company

Over een langere periode gezien, is de ceo-compensatie drastisch toegenomen. In 2018 was zij gemiddeld 940,3% hoger dan in 1978. In diezelfde periode steeg het gemiddelde salaris van werknemers 11,9%. De ceo-werknemer ratio in 1978 was ‘nog maar’ 30 – 1; in 1965 ‘slechts’ 20 – 1 . In 2018 dus 278 -1.

De beloning van ceos is 4 tot 5 keer hoger dan de die van rest van het hogere management, dat overigens 40% van de 1% hoogst verdieners in de VS vertegenwoordigt. Ze hoeven niet ongerust te zijn, hun inkomsten stegen tussen 1978 en 2017 met 339,2%.

Maar dit zijn gemiddelden. Hier zijn enkele concrete voorbeelden (2018). Jeff Bezos (Amazon) inkomen: onbekend; persoonlijk vermogen $ 114 miljard. Larry Page (Google): inkomen $ 1 (sic); persoonlijk vermogen $ 31 miljard. Tim Cook (Apple): inkomen $ 136 miljoen, persoonlijk vermogen: $ 800 miljoen. Jamie Dimon (JPMorgan Chase): inkomen $ 31 miljoen, persoonlijk vermogen: onbekend.

In vergelijking met de VS is de ceo-compensatie in Nederland ‘bescheiden’, ook gezien het progressieve belastingstelsel. In 2018 stond Nancy McKinstry, ceo van uitgeverij Wolters-Kluwer, bovenaan de lijst met een inkomen van € 14,5 miljoen, waarover zij – naar eigen zeggen – 50% belasting betaalde.

In plaats van in te gaan op de negatieve impact van de extreem hoge ceo-beloning op betrokkenheid en prestaties van werknemers in het algemeen, zal ik de impact op de samenleving als geheel bespreken.

Een nieuwe klassenoorlog?

De ‘officiële’ rechtvaardiging van de extreme compensatie van ceos is hun vermeende marktwaarde. Volgens een rapport in 2013 van het Institute for Policy Studies genaamd Bailed Out, Boosted and Busted, faalde 38% van de 25 bestbetaalde ceo’s gemeten over een periode van 25 jaar . Desondanks kwamen zij daarna gemakkelijk opnieuw aan de slag in andere bedrijven. Bijna alle bankiers, die verantwoordelijk zijn voor de financiële crisis, hebben hun functie behouden.

Bovendien bestaat er geen markt voor ceos.

De meesten zijn lid van ‘old boys networks’, waarvan de leden elkaar posities bij de overheid, lidmaatschappen van invloedrijke adviescommissies en goedbetaalde banen toeschuiven. Tot grote ergernis van de ‘oude’ elite, zijn de hoogste rangen van de meest succesvolle bedrijven vandaag de dag gevuld met buitenstaanders, vaak studenten die extreem succesvolle startups hebben opgericht: Apple, Google, Amazon, Facebook, Airb&b, Spotify en dergelijke.

In de tweede helft van de 20ste eeuw verloor het begrip klassenstrijd voor menigeen zijn betekenis, ook bij progressieven.

Veel landen in de westerse wereld ontwikkelden zich tot een verzorgingsstaat, met een zekere vorm van gelijkheid, materieel welzijn voor velen, een libertijnse cultuur, democratie, vrijheid van meningsuiting, informeel overleg tussen werkgevers en werknemers (‘polderen’), internationale samenwerking en versoepeling van de koude oorlog.

Aanvankelijk leek globalisering in deze ontwikkeling te passen: één wereld die verschillende culturen en naties met elkaar verbindt en student-uitwisseling die internationale contacten bevorderde. De ware identiteit van de globalisering bleek echter snel, in de vorm van groeiende dominantie van multinationale bedrijven. Zoals eerder vermeld, waren deze bedrijven uiterst succesvol, wat tot uiting kwam in hun inkomsten en winst.

Er zijn al veel boeken geschreven over de effecten van globalisering, maar een diepgaande analyse van het effect voor de samenleving heeft op zich laten wachten. In een fascinerend boek De nieuwe klassenstrijd onderzoekt Michael Lind onder andere de bijdrage van twee grondleggers van dit begrip. Het betreft zienswijze van James Burnham op de managementrevolutie en het begrip technostructuur van John Kenneth Galbraith. In dit korte interview zet Michael Lind zijn visie op de nieuwe klassenstrijd uiteen en gaat hij tevens in op de vraag hoe de samenleving deze te boven kan komen.

Burnham en Galbraith verwijzen beide naar een nieuw type samenleving, geregeerd door degenen die de productiemiddelen beheersen: Leiders van bedrijven, technici, bureaucraten, politici en academici. We zijn al heel hard op weg daarheen. De managementrevolutie komt in de plaats van het oude ondernemerskapitalisme en het ‘oude’ publieke management. De nieuwe door managers bestuurde samenlevingen zullen de kleine, onafhankelijke staten uithollen en deze worden gegroepeerd rond de belangrijkste industriële centra in Europa, Azië en Amerika, die wedijveren om de dominantie van de rest van de wereld. Intern is elke samenleving hiërarchisch, met een elite van talent, kapitaal en invloed bovenaan de arbeidsongeschikten onderaan. Bestuurlijke elites dragen politieke en economische macht over aan uitvoerende agentschappen, transnationale bureaucratieën en verdragsorganisaties. Hun ‘technostructuur’ omvat kapitaalintensieve, op wetenschap gebaseerde, hightechindustrieën alsmede zakelijke en financiële dienstverlening waarop deze vertrouwen. Toenemend schaalvoordeel leidt ertoe dat deze industrieën groeien, resulterend in oligopolie of monopolies, die de markt vervangen door met kunstmatige intelligentie geleide besluitvorming met steun van nationale regeringen. De onderkant van de hiërarchie is echter doende om hiertegen in opstand te komen. Michael Lind zegt hierover: 

Derided and disempowered, large elements of the native working classes in Western democracies have turned to charismatic tribunes of anti-system populism in electoral rebellions against the selfishness and arrogance of managerial elites.  

Het paradoxale is dat de verliezers van de globalisering uitgerekend mensen als Trump, een vertegenwoordiger bij uitstek van deze elite, kiezen om hun positie te verbeteren.

De Edelman vertrouwensbarometer 

De Edelman vertrouwensbarometer is een instrument dat wereldwijd wordt gebruikt om het vertrouwen te meten in instellingen zoals het bedrijfsleven, de overheid, de wetenschap en de media. Ondervraagde personen kunnen daarbij een onderscheid maken tussen vertrouwen op basis van competentie dan wel ethisch handelen. Ook wordt gevraagd hoe zij denken over hedendaagse kwesties, zoals ongelijkheid, klimaat, werk en migratie. Er wordt een verschil gemaakt tussen het ‘geïnformeerde publiek (inclusief de eerdergenoemde ‘elite’) en ‘de massapopulatie’. Bekijk een korte samenvatting van de Edelman Trust Barometer 2020 door Richard Edelman zelf.

Edelman: A large majority of the masses in most parts of the world do not believe that they will be better off in five years, and 56 percent believe that capitalism in its current form now does more harm than good in the world. Fears stifle hope and long-standing assumptions about hard work that lead to upward mobility are now invalid.

De versie van 2020 toont het pessimisme van de ‘massa’ met betrekking tot de samenleving, baanzekerheid, gezondheidszorg en ongelijkheid. Dit in tegenstelling tot ‘de elite’ die veel optimistischer is. Geen enkele instelling wordt vertrouwd; de overheid het minst, het bedrijfsleven nog het meest, vooral omdat het als competenter wordt beschouwd; ethisch gezien overheerst ook hier het wantrouwen

Degenen die het meeste vertrouwen uitspreken zijn de Chinezen; het minste vertrouwen is in Rusland.

Percentage vertrouwen in het vermogen van verschillende soorten leiders om de uitdagingen van hun land aan te pakken. Bron De 2020 Edelman vertrouwensbarometer

Volgens het rapport zal in de toekomst de strijd om vertrouwen worden gevoerd op het gebied van ethisch gedrag.

Dit geeft een aanwijzing voor wat bedrijven en de overheid moeten doen: Respondenten verwachten dat bedrijven zich richten op het betalen van eerlijke lonen en het bieden omscholingsmogelijkheden in samenhang robotisering. Voor de overheid omvatten de acties verminderen van partijpolitiek, aanpakken van problemen op buurtniveau en samenwerken met bedrijven en NGO’s.

Als bedrijven en overheid goede luisteraars zijn, is de strijd in de nieuwe klasse minder onoverbrugbaar als het lijkt. Hoe dan ook, voor zowel overheid als bedrijfsleven ligt er binnen de steden veel werk om de armoede aan te pakken en een alle burgers eerlijke kansen voor de toekomst te geven. 

Hieronder ga ik in de eerste plaats in op de stedelijke armoede en vervolgens samen te vatten hoe een meer humane ontwikkeling op stedelijk niveau mogelijk is.

De nieuwe scheidingslijn dwars door de stad

De nieuwe klassenstrijd kan in alle steden overal ter wereld met eigen ogen worden aanschouwd, hoewel sommige van die plaatsen beter kunnen worden vermeden. Op zoek naar extreme rijkdom en armoede en wat daar tussenin is, volstaan ​​vijf foto’s.

Smith Mansion, VS. Foto Bestbudbrain. Onder licentie van Creative Commons 4.0

De eerste foto is een voorbeeld van hoe de rijkste mensen leven, meestal in ‘gated communities’. Ze reizen veel en hebben op verschillende plaatsen mooie pieds à terre, vaak in dure appartementen in stadscentra.

Halfvrijstaand huis in Queens, New York. Foto Piqsels. Publiek domein

De tweede foto vertegenwoordigt groene wijken, luxe appartementen, ruime eengezinshuizen, twee auto’s, bewoond door meestal blanke werkende koppel. De meesten daarvan benadrukken dat zij beiden hard werken en uren pendelen – een sluimerende burn-out negerend – en het grootste deel van hun geld uitgegeven om hun stijl van leven in stand te houden en de kosten te betalen van de opleiding van hun kinderen.

Evington, Leicester. Foto NotfromUtrecht, onder licentie van Creative Commons 3.0

Het derde beeld is van de groep mensen met een lager middeninkomen. Ze leven in minder mooiere buitenwijken, dichte concentraties van rijtjeshuizen en appartementen. Een dubbel inkomen is noodzakelijk en in het geval van slechts één werkende ouder is een beroep op de bijstand onvermijdelijk. Deze mensen staan ​​op de rand van armoede, maar slagen er meestal in zelfstandig het hoofd boven water te kunnen houden. 

Frederick Douglass Woonproject Detroit. Photo Albert Duce onder licentie van Creative Commons 3.0

Op het eerste gezicht zien beelden van deze appartementen – de vierde groep – niet naargeestig uit, maar het zijn beruchte voorbeelden van mislukte sociale woningbouw. Vele zijn concentraties geworden van stedelijke armen, immigranten, illegalen, eenoudergezinnen met een hoge mate van werkloosheid. Verder criminaliteit, jeugdbendes en vandalisme. 

Een van de grootste uitdagingen voor het stadsbestuur is bieden van fatsoenlijke huisvesting voor armere burgers zonder deze te concentreren. Op veel plaatsen wordt dit type hoogbouw dan ook gesloopt om de voormalige bewoners in staat te stellen een nieuwe start te maken.

Daklozen in tenten. Caste Street Brighton. Foto Huntersmith7 onder licentie van Creative Commons 4.0

De vijfde groep zijn treurige en beschamende beelden van daklozen en hun primitieve schuilplaatsen: Drugsverslaafden, personen met een psychische beperking en steeds meer werkende mensen die zich geen huis meer kunnen veroorloven. Dakloos zijn betekent ook niet altijd op straat slapen, maar geen thuis hebben. Deze groep groeit snel, er zijn veel projecten om aangepaste huisvesting aan te bieden.

Voor elke groep is er veel variatie en de foto’s verschillen dan ook tussen steden; de essentie is hetzelfde. In ontwikkelingslanden wonen veel inwoners in favela’s, maar ook daar zijn grote verschillen waar te nemen. Sommige zijn niet meer zijn dan schuilplaatsen, zonder sanitaire voorzieningen, water en elektriciteit. Andere zijn veel meer georganiseerd en hebben meer voorzieningen en de meeste bewoners staan niet te wachten om te worden overgeplaatst naar een dichtbevolkt appartement. Ik geef er de voorkeur aan rijk te zijn onder de armen, dan arm onder de rijken, zei een van de inwoners van een favela in Sao Paulo.

Arm zijn in Nederland

Nederland is na de Tweede Wereldoorlog een voorbeeld van tamelijk goede levensomstandigheden voor de grote meerderheid van de bevolking; velen wonen in eengezinswoningen. Foto’s van de wijze waarop sociale groepen wonen verschillen doorgaans niet spectaculair. Voeg hieraan toe goed uitgeruste buurtwinkelcentra, ruime medische, sociale, educatieve en transportvoorzieningen en een tamelijk gemêleerde bevolking. Toen in de jaren zeventig de woningnood was opgelost, was de natie gelukkiger dan ooit (en ze daarna zou worden). Ondertussen vorderde de renovatie van oude stadscentra en aangrenzende gebieden en ontstond er een grotere verscheidenheid aan huistypen.

Aan deze relatief gunstige situatie is de laatste decennia een einde aan het komen

Dit ondanks grote investeringen in de instandhouding en verbetering van de woningvoorraad. Daarvoor zijn veel redenen. De belangrijkste reden is de overheid zelf. Door herontdekking van de ‘zegeningen’ van de markt werden woningcorporaties verplicht uitsluitend huizen voor de laagste-inkomensgroepen te bouwen en te verhuren. Huizen bouwen voor degenen die het beter hebben, wordt sindsdien overgelaten aan ‘de markt’ en projectontwikkelaars zoeken naar meer aantrekkelijke locaties om deze groep te bedienen, met als gevolg toenemende ruimtelijke segregatie. Buurten met overwegend corporatie-woningen zagen hun gemengde sociale samenstelling verdwijnen en werden plaatsen waar immigranten, vluchtelingen en verstandelijk gehandicapten een steeds groter aandeel hebben. Dit versnelde op zijn beurt het vertrekproces van degenen die het beter hebben.

Tegelijkertijd hebben bezuinigingen geleid tot een afname van de zichtbare aanwezigheid van de politie, maar ook tot het verdwijnen van scholen en sociale voorzieningen, bijvoorbeeld ‘conciërges’ die vaak als de lijm in de buurt functioneerden.

De problemen in de wijken met een laag inkomen worden elk jaar groter: werkloosheid, armoede en ondervoeding, kinderen met beperkte mogelijkheden om Nederlands te spreken, hangjongeren, winkeldiefstal, diefstal en inbraak, drugsmisbruik en bendevorming. Veel buurten die dertig jaar geleden behoorlijk geïntegreerde gemeenschappen waren, zijn uiteengevallen en geven aanleiding tot individueel overlevingsgedrag met verlaten als de ultieme oplossing.

Sociale kaart van Tilburg (Nederland). De oranje en roodgekleurde segmenten van buurten, combineren een hoge mate van overlast, toename van bewoners met lage inkomens en verdere toename van overlast.

Oplossingen

Hieronder zal ik me concentreren op oplossingen. Ten eerste zal ik kort aandacht besteden aan de oplossing van armoede in het algemeen. Vervolgens zal ik ingaan op het belang van gemengde buurten. De meeste oplossingen zijn uitgebreid en duur. Daarom zal ik in het laatste deel de vraag beantwoorden waar komt het geld vandaan zou moeten komen.

De strijd tegen armoede

Zelfs in Nederland, een rijk land met naar verhouding minder ongelijkheid leeft een op de tien huishoudens in relatieve armoede en is één op de tien kinderen ondervoed. Vergelijk hiermee de VS: Het Economic Security Project heeft vastgesteld dat 40% van alle inwoners moeite hebben om in hun basisbehoeften te voorzien.

Armoede: banen of financiële hulp

Onlangs heeft de National Academy of Sciences in de VS op verzoek van het Huis van afgevaardigden een uitgebreide empirische studie laten verrichten hoe kinderarmoede in de komende tien jaar met de helft kan worden verminderd. Op basis van een grondige studie van praktijkvoorbeelden en wetenschappelijke literatuur hebben de auteurs de Roadmap for reducing child poverty ontwikkeld, die in de onderstaande korte video wordt toegelicht.

Het rapport schat dat kinderarmoede elk jaar $ 800 tot 1100 miljard kost als gevolg van toegenomen criminaliteit, verslechterde gezondheid en lagere inkomsten wanneer arme kinderen volwassen worden. Het rapport stelde een pakket voor, dat de volgende maatregelen bevatte:

  • Volledig terugbetalen van kinderopvang;
  • Verhoging van het minimumloon tot $ 10,25 per uur;
  • Scholing voor (legale) immigranten;
  • Kinderbijslag van $ 2.700 per jaar;
  • Extra kinderbijslag van $ 1.200 per jaar voor eenoudergezinnen

De kosten van dit pakket bedragen $ 111,6 miljard per jaar. Kinderbijslag – al jaren bekend in Nederland, wordt beschouwd als het belangrijkste onderdeel van het voorstel. Andere gezaghebbende organisaties pleiten voor een nog hoger bedrag, namelijk $ 3.600 per jaar. Ter vergelijking: De kinderbijslag in Nederland is gemiddeld € 3200,00 per kind per jaar.

De discussie over het ondersteunen van arme gezinnen en met name kinderarmoede gaat terug naar 1996 toen een verschuiving plaatsvond van gegarandeerde inkomenssteun voor arme huishoudens naar een aanpak van een armoedebestrijding gebaseerd op gedwongen tewerksteling. 

De auteurs van het nieuwste rapport menen dat er onvoldoende bewijs is dat dit laatste kinderarmoede vermindert. De voorkeur voor inkomenssteun boven verplichte tewerkstelling is minder verrassend dan deze lijkt. De inkomsten uit de aangeboden banen waren vrijwel hetzelfde als de inkomenssteun, waardoor de prikkel om geld te verruilen voor werk werd geminimaliseerd. Bovendien waren veel armen niet voorbereid op banen; ze misten zelfvertrouwen en basisvaardigheden. Er was uitgebreide scholing en begeleiding op de werkvloer nodig geweest om tewerkstelling tot een succes te maken.


Stanford University Basic Income Lab

Een basisinkomen is een van de middelen die de Green New Deal in de VS wil gebruiken om de groeiende ongelijkheid te keren. Steden in het hele land experimenteren om te bepalen hoe een basisinkomen er uit zou kunnen zien. Om dergelijke experimenten te vergemakkelijken, hebben het Stanford Basic Income Lab en de National League of Cities een toolkit uitgebracht getiteld Basic Income in Cities: A Guide to City Experiments and Pilot Projects. Iedereen die geïnteresseerd is, overal ter wereld, vindt er bruikbare hulpmiddelen in om proefprojecten op te zetten.


Voor zover ik kan beoordelen, is een belangrijke valkuil dat gezinnen gewend raken aan toeslagen, voedselbanken, tweedehandswinkels en uiteindelijk aan het leven in armoede. Dit stigmatiseert volwassenen en kinderen en vermindert hun kansen op een beter toekomstig leven. Daarom lijkt de weg vrijmaken voor een goedbetaalde baan voor een of beide ouders het ultieme middel om aan armoede te ontsnappen.

Het belang van goedbetaalde banen

Een baan biedt niet alleen de financiële middelen voor een fatsoenlijk leven, maar ook kansen voor persoonlijke groei, sociale contacten, waardigheid en de mogelijkheid om bij te dragen aan de samenleving. Daarom pleit de Green New Deal in de VS niet alleen voor investeringen in de overgang naar een 100% duurzame economie, maar ook voor het creëren van miljoenen goedbetaalde banen om deze overgang mogelijk te maken.

In dezelfde geest pleiten Ben Dankbaar en Johan Muysken voor gegarandeerde banen in de publieke sector voor iedereen. Zij gaan ervan uit dat (1) iedereen heeft recht op volledig en zinvol werk en (2) dat het is de plicht van de overheid is om dit mogelijk te maken. Bovendien maakt het minimumloon het mogelijk dat iemand die 36 uur per week werkt voldoende inkomen ontvangt voor een fatsoenlijk leven. Overheden op stedelijk, regionaal en nationaal niveau moeten daarom duizenden banen creëren. Niet alleen om de kwaliteit van het leven van werklozen te verbeteren maar ook om talrijke taken uit te voeren die thans blijven liggen.

Het is ook belangrijk om het recht op fatsoenlijk werk te benadrukken in tijden dat automatisering, robotisering en kunstmatige intelligentie veel banen zouden kunnen elimineren. Daarom moeten niet alleen de publieke sector, maar ook het bedrijfsleven en instellingen verantwoordelijk worden gehouden voor volledige werkgelegenheid in de toekomst, mogelijk gedurende minder uren per week, jaar of leven.

Onlangs is in Nederland een rapport verschenen dat de nadruk legt op de noodzaak van een fundamentele herziening van de arbeidsmarkt. Volgens dit rapport is de hoeveelheid flexibel werk is doorgeschoten. Bovendien heeft ongeveer 20% van de beroepsbevolking een tijdelijk contract, dat is tweemaal het gemiddelde van de OESO. Het rapport benadrukt dat het aantal reguliere banen aanzienlijk moet toenemen, het ontslagrecht moet worden versoepeld opdat werkgevers minder terughoudend worden om reguliere banen te creëren. Verder pleit de commissie voor een leven lang leren en ook voor basisbanen.

Zowel banen als basisinkomen zijn onmisbaar

De fundamentele vraag die ik in dit artikel probeer te beantwoorden, is hoe de voorwaarden kunnen worden geschapen voor huishoudens om een ​​fatsoenlijk leven te leiden.

Ik heb altijd gedacht dat een goedbetaalde baan verreweg het belangrijkste middel is om dit doel te bereiken.

Daarom was ik terughoudend om het idee van een basisinkomen te accepteren. De onderstaande video was een eyeopener. Alleenstaande werkende middenklasse-moeders – het zouden ook vaders kunnen zijn geweest – verklaren waarom hun salarissen tekortschieten voor een fatsoenlijk leven, gezien het feit dat in de VS twee inkomens de ‘nieuwe normaal’ zijn geworden en de omvang van het salaris is daarop is aangepast.

Het heeft geen zin om terug te keren naar een situatie waarin één inkomen voor elk huishouden voldoende is. In plaats daarvan stelt het Economic Security Project voor om een toelage van $ 500 per maand te verstrekken aan iedereen die tot de lagere en de middenklasse behoort, waardoor miljoenen uit de armoede worden bevrijd.

Om deze reden kwam het in mij op om twee inkomenscomponenten te onderscheiden:

Een regulier salaris voor alle (volwassen) werkende leden van een huishouden en bovendien een basisuitkering per huishouden, betaald door de overheid eventueel inclusief kinderbijslag.

Al doende zorgen een vast salaris plus een basisuitkering voor een fatsoenlijk leven voor alle leden van het huishouden. In gezinnen met een basisuitkering plus twee salarissen kan inkomstenbelasting een matigende rol spelen.

Gemengde buurten

Er is voldoende bewijs dat een gemengde bevolking en een rijke verscheidenheid aan woningtypen op buurtniveau bijdraagt om sociale problemen te verminderen. Daarom biedt alleen het verbeteren van woningen geen oplossing in probleembuurten. Alle buurten moeten een gemengde bevolkingssamenstelling krijgen, afgezien van het feit dat de inkomens van de armen substantieel moeten stijgen. Woningcorporaties moeten huurwoningen kunnen bouwen voor middeninkomens en projectontwikkelaars moeten verplicht worden om een ​​voldoende percentage sociale woningen en huizen voor starters te bouwen. Een naadloze samenwerking tussen de gemeenschap, woningcorporaties en commerciële projectontwikkelaars is noodzakelijk.

Afgebroken appartementen in de Tilburgse wijk Jeruzalem. Foto: Brabants Dagblad (2012)

Het is onvermijdelijk dat delen van de woningvoorraad moeten worden gesloopt in plaats van te worden gerenoveerd om ruimte te maken voor duurdere huizen om gemengde buurten mogelijk te maken. De weerstand van de voormalige bewoners kan worden verminderd door hen een betaalbaar alternatief te bieden in de vorm van sociale woningbouw op plaatsen waar oorspronkelijk duurdere huizen waren gepland. Niemand mag reden hebben om te geloven dat voormalige inwoners verdreven worden ten gunste van de welgestelden. Om wantrouwen te verminderen is een permanente dialoog met de inwoners van te innoveren buurten noodzakelijk.

Op peil brengen van de overheidsfinanciën

Volgens het World Inequality Report 2018 is economische ongelijkheid vooral het gevolg van de scheve verdeling van kapitaal tussen de publieke en de private sector.

De onderstaande grafiek laat zien dat sinds 1970 in bijna alle landen een enorme verschuiving heeft plaatsgevonden van publiek naar privaat bezit.

Privaat kapitaal, geconcentreerd bij multinationals en rijke personen, is aanzienlijk toegenomen. Publiek kapitaal is in de meeste welvarende landen negatief of bijna nul (Overheidsuitgaven minus staatsschuld). De enige uitzonderingen zijn Noorwegen, een land dat grote reserves heeft opgebouwd uit de inkomsten van zijn olie-export en China, dat veel van zijn bloeiende bedrijven in staatseigendom heeft gehouden.

Door de steeds schaarsere publieke middelen, kunnen overheden hun taken steeds minder naar behoren uitvoeren.

In 2015 was de waarde van het netto vermogen van de overheid in de VS negatief (-17% van het netto nationaal inkomen), terwijl de waarde van het netto particulier vermogen 500% van het nationaal inkomen bedroeg. In 1970 bedroeg het netto vermogen van de overheid nog 36% van het nationaal inkomen, terwijl het netto particulier vermogen 326% bedroeg. 

De groei van particulier vermogen en de daling van publiek vermogen in rijke landen, 2070 – 2016. Bron: World Poverty Report 2018.

Tegelijkertijd worden overheden geacht te betalen voor alle negatieve externe effecten van de groeiende ongelijkheid, zoals armoede, werkloosheid, gezondheidsklachten, honger, criminaliteit en de vermindering van broeikasgasemissies. Om niet te vergeten, ze moesten de ook financiële crisis oplossen.

Alsof dit niet genoeg is, moet nog een ander bijzonder nadelig effect van globalisering worden genoemd; vermijding van belasting. Het 2018 Global Poverty rapport hierover:  This type of tax avoidance has become an art form in which the smartest companies, such as Apple, excel. 

Vanwege deze praktijken verliezen overheden ten minste $ 500 miljard per jaar. In 2018 betaalden 60 van de 500 grootste bedrijven – waaronder Amazon, Netflix en General Motors – in de VS geen belasting, ondanks een gezamenlijke wereldwijde winst van $ 80 miljard. Dit gedrag heeft een vernietigend effect op de nationale belastinginkomsten en ondermijnt het rechtvaardigheidsgevoel van het publiek.

De verdeling van het nationale inkomen is in essentie gebrekkig. In de laatste vier decennia zijn de nationale elites erin geslaagd om deze inkomsten naar bedrijven en rijke personen te leiden, terwijl ze tegelijkertijd de oplossing van negatieve externe effecten aan de nationale regeringen overlieten, dankbaar voor hun gebrek aan onderlinge samenwerking. Nog dankbaarder waren ze voor de steun vanuit die regeringen zelf, zoals de Thatchers en de Reagans en de politieke partijen die de overheidsuitgaven nog verder willen verlagen.


Portland: belast ongelijkheid

In Oregon heeft de stad Portland het voorstel van Branko Milanović overgenomen, namelijk invoering van belasting op ongelijkheid. De stad Portland legt een belasting van 10% op aan bedrijven die topfunctionarissen meer dan 100 keer hun gemiddelde loon betalen en een toeslag van 20% als de inkomstenverschillen groter zijn dan 250 maal het gemiddelde loon.


Humaan beleid

Een menselijke samenleving gedijt als de grote meerderheid van haar leden zich vrij, gelijkwaardig, zelfstandig, en geaccepteerd voelt en trots is op hun leven en werk.

Om dit doel te bereiken, moet de trend naar grotere ongelijkheid worden gekeerd door overheden op alle niveaus en in alle delen van de wereld in staat te stellen armoede te overwinnen en triljoenen te investeren in werk, gezondheidszorg, onderwijs, gebrekkige infrastructuur en het tot stand brengen van de opwarming van de aarde.

De OESO overweegt hoe de ergste praktijken van belastingontwijking te beteugelen zijn, zoals het onderling schuiven met geld tussen dochterondernemingen maar blijft steken in lapwerk dat volgens de econoom Stiglitz het probleem niet oplost.

Er zijn meer effectieve hulpmiddelen nodig om de balans tussen vermogensopbouw door overheden en bedrijven te herstellen en overheden in staat te stellen hun werk te doen in het voordeel van de hele mensheid. Hierbij valt te denken aan:

  • Een nieuw belastingstelsel voor bedrijven, gebaseerd op omzet en winst;
  • Verbod op het gebruik van ‘transfer pricing’ bij internationale transacties binnen internationale bedrijven;
  • Alle bedrijven moeten hun bijdrage aan de samenleving (‘purpose’ vooropstellen en een gepaste winst beschouwen als een middel om hun continuïteit te handhaven. Daartoe moeten zij zich laten accrediteren als ‘benefit corporation’;
  • Garanderen van betaalde banen voor elke volwassen persoon die wil werken;
  • Veiligstellen dat elk huishouden beschikt over een inkomen dat een fatsoenlijk leven voor alle leden mogelijk maakt, bijvoorbeeld door aanvullend variabele basisinkomen;
  • Vermindering van de beloning van het topmanagement tot een maximum van tien maal het gemiddelde inkomen van de werknemers van dat bedrijf.
  • Verbod op toeslagen zoals bonussen en aandelenopties;
  • Progressieve belasting op inkomsten en opbrengsten uit persoonlijk vermogen
  • Realistische prijzen voor grondstoffen en landbouwproducten ten voordele van de arbeiders in arme landen en de boeren in rijke landen;
  • Ondersteunen van maatschappelijk ondernemerschap in de hele wereld en ontwikkelingslanden in het bijzonder;
  • Ontmoediging van arbeidsmigratie om braindrain te beperken door de vooruitzichten op een redelijk inkomen in ontwikkelingslanden te vergroten;
  • Aanhoudende steun voor vredeshandhaving in conflicten over de hele wereld, door versterking van de VN in plaats van de NAVO;
  • Op korte termijn verstrekken de nationale banken op zorgvuldige wijze investeringskapitaal voor de overheden zonder het overheidstekort te vergroten.

De strijd tegen ongelijkheid in ieders belang.