Archive | januari, 2017

Geen economische groei maar inclusieve ontwikkeling

29 Jan

Als het aan het World Economic Forum ligt, meten we de welvaart van landen niet meer met het bruto nationaal product per capita (bnp/c) maar met de Inclusive Development Index (ID-index)[1]

Het bruto nationaal product zegt niets over hoe een land zijn rijkdom vergaart en verdeelt. Een hoog bnp als gevolg van de productie van goederen en diensten is heel wat anders dan een hoog bnp als gevolg van de uitverkoop van natuurlijke hulpbronnen. Hetzelfde geldt voor een hoog bnp waarvan slechts een minderheid van de bevolking profiteert.

De ID-index brengt zowel het economisch potentieel van een land in kaart als de mate waarin dit bijdraagt aan goede levensomstandigheden voor de hele bevolking. De berekening ervan is gebaseerd op drie pijlers elk bestaande uit vier indicatoren[2]. De score van elke indicator varieert van 1 – 7.

Pijler 1: Growth and development
  • Bruto nationaal product per capita
  • Arbeidsproductiviteit
  • Levensverwachting in gezonde jaren[4]
  • Werkgelegenheid[5]
Pijler 2: Social Inclusion

De mate waarin de bewoners van een land meedelen in de welvaart:

  • Inkomens-ginicoëfficiënt[6]
  • Aantal mensen dat leeft onder de armoedegrens[7]
  • Vermogens-ginicoëfficiënt, de spreiding van het bezit.
  • Modale inkomen per huishouden
Pijler 3: Intergenerational equity and sustainability

De mate waarin welvaart en welzijn van nu ten koste gaan van die van toekomstige generaties.

  • Netto kapitaalopbouw[8]
  • CO2-intensiteit[9]
  • Staatsschuld
  • Afhankelijkheidsratio[10]

screenshot-2

Het bovenstaande overzicht toont de ID-index voor de welvarende landen. Hierbij is per land een vergelijking gemaakt tussen de score op de ID-index en de score op basis van het bnp/c.

Hieronder vergelijk ik de 12 indicatoren waaruit de ID-index is opgebouwd van Nederland met die van Noorwegen en de VS. Noorwegen is topscorer op vrijwel elk van de 12 indicatoren van de ID-index en scoort ook hoog op het bnp/c. Het bnp/c van de VS is vergelijkbaar met dat van Nederland, maar de ID-index van dit land staat bijna onderaan op de lijst van welvarende landen. Zie hiervoor ook het onderstaande overzicht. De relatieve plaats van elke indicator binnen de groep van meest welvarende landen is daarin met een kleur aangegeven.growth-and-development

Op de pijler growth and development scoort Nederland een stuk lager dan Noorwegen. De arbeidsproductiviteit in ons land ligt ver beneden die van Noorwegen én de VS. Met de gezondheid is het in Nederland en Noorwegen stukken beter gesteld dan in de VS.

Van de pijler social inclusion valt op de hoge vermogens-ginicoëfficiënt op van zowel Noorwegen als de VS. In tegenstelling tot de VS, is de inkomens-ginicoëfficient in Noorwegen laag, wat wijst op relatief geringe inkomensverschillen. Ook in vergelijking met Nederland. Dit wijst erop dat het belastingstelsel in Noorwegen zorgt voor een krachtige herverdeling. Zowel in Nederland als Noorwegen is het percentage armen ongeveer de helft van dat in de VS.

Wat de intergenerational equity and sustainability betreft, hier scoort Noorwegen duidelijk het hoogst. Nederland staat in de middenmoot en de VS bungelt onderaan.

Noorwegen heeft zijn rijke resources goed gebruikt om voorzieningen te scheppen voor toekomstige generaties. Positief voor de VS is dat de overheid decennia fors heeft geïnvesteerd in onderzoek. Hiermee is een basis gelegd voor de hightech industrie en daarmee voor de hedendaagse welvaart, althans van een deel van de bevolking.

Een aandachtspunt voor het Nederlandse beleid is dat zowel Noorwegen als de VS de afgelopen jaren een lichte verbetering tonen op de ID-index, terwijl Nederland achteruit gaat. De onderstaande matrix toont de positie van alle welvarende landen, rekening houdend met de hoogte en de ontwikkeling van de ID-index[3].hoogte-en-groei-id-index

Het rapport heeft ook de relatie onderzocht tussen het gevoerde beleid en de scores op de ID-index. Daartoe is een beleidskader opgesteld, dat zeven pijler bevat en 15 bijbehorende instrumenten. In mijn volgende blogpost sta ik stil bij dit kader en vergelijk ik wederom Nederland, Noorwegen en de VS.

[1] Het Inclusive growth and Development Report 2017 kan hier worden gedownload. Via deze website kunnen uitgebreide landenprofielen worden aangemaakt.: http://reports.weforum.org/inclusive-growth-and-development-report-2017/

[2] Zie pagina 102 voor de berekeningswijze van elke indicator

[3] Een vergelijkbare matrix is beschikbaar voor de ontwikkelende landen. Zie het voornoemde rapport op pagina 22.

[4] De healthy life expectancy is een nieuwe international maatstaf voor levensverwachting waarin de tijd wordt verdisconteerd waaraan wordt geleden aan ziekten of verwondingen

[5] Het deel van de bevolking ouder dan 15 jaar dat een betaalde baan heeft

[6] De Gini-coëfficienten meten de mate van inkomens- en vermogensongelijkheid. Hoe hoger, des te meer ongelijkheid.

[7] Voor welvarende lanen wordt hierbij uitgegaan van een gezinsinkomen dat lager is dan de helft van het modale inkomen

[8] Het betreft hier de totale nationale besparingen, plus de investeringen in onderwijs minus het verbruik van grondstoffen en de schade door vervuiling (met uitzondering van de schade veroorzaakt door CO2)

[9] Dit betreft de hoeveelheid CO2 die vrijkomt in verhouding tot een eenheid bruto nationaal product

[10] De omvang van de totale bevolking ten opzichte van de bevolking tussen 15 – 64 jaar

Wanneer is onderwijs effectief?

22 Jan

In de periode 2002 – 2008 vond in het UK een grootschalig onderzoeksprogramma plaats met als doel om wetenschappelijk onderbouwde uitspraken te doen over verbetering van de effectiviteit van onderwijzen en leren[1]. Er zijn zo’n 20 projecten uitgevoerd, alle met medewerking van de eigen docenten. De resultaten zijn gebundeld in tien principes. Bij het formuleren van deze principes is tevens gekeken naar ander onderzoek en naar beschikbare literatuur. Het onderstaande model gold als een denkkader voor de afzonderlijke projecten.

screenshot-2De principes zijn tamelijk abstract, maar desondanks zetten ze een herkenbare koers uit. Ze zijn niet bij voorbaat aan één type onderwijs gebonden, maar voor het leesgemak heb ik het over onderwijs en leerlingen.

1 Onderwijs bereidt leerlingen voor op levenssituaties in de breedst mogelijke zin

  • De leerresultaten van leerlingen omvatten veel meer dan wat tests en toetsen meten. Bijvoorbeeld betrokkenheid, concentratie, participatie, houding ten opzichte van leren en streven naar zelfstandigheid.
  • In de praktijk verschillen de standpunten over het gewicht van elk van deze leerresultaten. De neiging bestaat om direct meetbare resultaten voorrang te verlenen.

2 Kennisverwerving gaat hand in hand met bewustwording van het bestaan van verschillende soorten betekenisvolle kennis

  • In dit principe klinkt de opvatting door van onder andere Basil Bernstein dat kennis en curricula sociale constructies zijn, die onder invloed staan van politiek en macht. Er is nog veel meer onderzoek nodig om inzicht te krijgen in de wijze waarop de kennis die leerlingen verwerven hegemoniaal van aard is[1].
  • Uiteindelijk gaat het erom dat leerlingen gecodificeerde kennis en kennis die geworteld is in de cultuur en in de praktijk integreren en gebruiken als bakens bij hun gedrag.
  • Leerlingen beseffen dat zowel hun gevoel als externe omstandigheden invloed hebben op de selectie en het gebruik van kennis.
  • Leerlingen komen in aanraking met verschillende vormen van kennis, zoals primaire bronnen, ervaring, sociale interactie, indrukken en hun intuïtie.

images-1

3 Ervaringen en uitkomsten van eerder leren drukken een stempel op het onderwijs-leerproces

  • Onderwijs activeert wat leerlingen eerder hebben geleerd, inclusief de gevoelens die dat (indertijd) meebracht.
  • Nieuwe kennis, houdingen en vaardigheden zijn aanzienlijk effectiever als ze worden geïntegreerd met bestaande kennis, houdingen en vaardigheden, eventueel in een nieuwe kader (adaptatie versus assimilatie).

4 Leren doen leerlingen ten principale zelf

  • Onderwijs verhoogt het effect van het leren door goed gekozen ondersteuning (scaffolding)
  • Ondersteuning hoeft niet van docenten te komen, maar kan ook via ICT of peers plaatsvinden. De wijze waarop de ondersteuning plaatsvindt dient wel professioneel te gebeuren.
  • De rol van dialoog als middel om leren te ondersteunen is groter dan die van discussies.

images-4

5 Toetsing en onderwijsleeractiviteiten zijn congruent

  • De wens om leerresultaten te meten en uit te drukken in cijfers versterkt (onwillekeurig) dat reproduceerbare eenheden (feiten, begrippen, conventies en theorieën) de overhand hebben.
  • Tal van te ontwikkelen vaardigheden, zoals werken in groepen, omgaan met verschillende inzichten, constructieve samenwerking en conflicthantering komen nauwelijks aan bod vanwege het ontbreken van een taal om kwalitatieve verschillen daarin te rubriceren.

6 Het resultaat van leeractiviteiten hangt sterk af van de betrokkenheid van de leerling

  • Leerlingen die zich bewust zijn van een relatie tussen hun leeractiviteiten en een door hen zelf gesteld of geaccepteerd doel zijn meer betrokken en leren beter
  • Groei van een onafhankelijke en autonome positie van leerlingen (door het zelfstandig maken van keuzen) verhoogt de effectiviteit van het leren.
  • Toerusten van leerlingen met middelen om het effect van hun eigen leeractiviteiten zichtbaar te maken leidt tot meer realistische verwachtingen van wat ze van de opleiding mogen verwachten en waar ze primair zelf verantwoordelijk voor zijn.

images-2

7 Ondersteuning van het leren betreft zowel individuele als sociale processen

  • Leren werken in groepsverband vereist een sequentie van sociale, communicatieve en conflict-oplossende vaardigheden.
  • Groepswerk levert een rechtstreekse positieve bijdrage aan verwerven van meer complexe vormen van kennis.
  • Groepswerk bevordert participatie, motivatie en interactie tussen leerlingen onderling en leerlingen en docent.

8 In formele leersituaties is ruimte voor informeel leren

  • Het aansluiten, verdiepen en voortbouwen op buitenschoolse ervaringen versterkt de motivatie om verder te leren en zorgt ervoor dat leerresultaten beklijven.
  • Activiteiten gericht op zelfstandig ontdekken – binnen en buiten school – dragen bij aan informeel leren.

images-3

9 Blijvend leren door een ieder die betrokken is bij opleiden, beïnvloedt de kwaliteit van opleiders en opleiding

  • Open staan voor blijvend leren wordt beperkt omdat onderwijsgevenden vaak denken te beschikken over de vereiste kennis en vaardigheden. De bereidheid om te leren neemt – net als bij leerlingen – toe als docenten bewust worden (gemaakt) van fricties in hun eigen handelen.
  • Docenten de beschikking geven over resultaten van onderzoek is weinig effectief; een instrument dat lijkt te werken zijn ‘research lessons’ waar hypotheses die leraren zelf eerder hadden geformuleerd worden getoetst.
  • De steeds dominantere cultuur van performativity is volgens docenten zelf een belangrijke rem op hun eigen ontplooiing.

10 Effectief onderwijs vereist dat docenten niet worden beschouwt als ‘agents’ van dominante krachten in de samenleving

  • Overheden moeten het onderwijs (en docenten) voldoende ruimte laten om doelen in de brede zin van het woord te realiseren (zie 1.)
  • Docenten denken in meerderheid dat de regulering toeneemt en dat de professionele ruimte daardoor ingeperkt raakt.

onderwijs-aalborg-7

In mijn volgende blogpost ga ik dieper in op dit onderzoeksprogramma zelf. Ik zie het als een goed voorbeeld van hoe een groep onderzoekers een reeks onderling afgestemde projecten uitvoert, de koers gaandeweg bijstelt, vele betrokkenen (docenten en leerlingen) rechtstreeks bij het onderzoek betreft en veel werk maakt van de verbreiding (valorisatie) van de uitkomsten.

[1] Economic and Social Research Council: Teaching & Learning Research Project   http://eprints.ioe.ac.uk/7044/1/James2011TLRP%27s275.pdf

[2] Hiermee wordt bedoeld dat deze onbewust en zelfs onbedoeld de bestande machtsverhoudingen consolideert.

Welvaart zonder bijsmaak

15 Jan

Een van de meest gebruikte indexen om de concurrentiekracht van landen te vergelijken is de Global Competitiveness Index, jaarlijks uitgebracht door het World Economic Forum. In de nieuwste editie staat Nederland op de 4de plaats, wat tot duizenden trotse tweets leidde van politici en ondernemers die meenden aan dit resultaat bijgedragen te hebben.

De vraag die onbeantwoord bleef was hoeveel deze plaats heeft gekost. Deze kosten bestaan onder meer uit uitstoot van CO2 en fijnstof, afval, verkeershinder, stress, uitbuiting en kinderarbeid ergens in de keten. 

De nieuwe Sustainability Competitiveness Index houdt wél rekening met onbetaalde rekeningen op het gebied van mens en milieu[1]Opvallend is dat de Scandinavische landen alle topposities innemen. Blijkbaar komen zij het meest in de buurt van ‘welvaart zonder bijsmaak’. De top 20 bestaat overigens op Nieuw Zeeland en Japan na geheel uit Europese landen, met uitzondering van Nederland en België!

screenshot-3-kopie

De Sustainability Competitiveness Index is gebaseerd op 105 indicatoren, verdeeld over vijf categorieën.

  • De voor de toekomst bewaarde natuurlijke hulpbronnen. Hoog scoren: Republiek Congo, Zweden en Canada (natural capital depletion)
  • De doelmatige inzet van natuurlijke en menselijke hulpbronnen. Hoog scoren in het bijzonder Afrikaanse landen (resource intensity)
  • De gezondheid, gelijkheid, veiligheid en vrijheid van de bewoners van een land. Hoog scoren alle landen van Noord West Europa met Noorwegen bovenaan (social capital)
  • De scholingsgraad van de bevolking en de investeringen in onderzoek, ontwikkeling en innovatie. Hoog scoren: Zuid Korea, Zweden en Finland (Intellectual capital)
  • De wijze waarop een land wordt bestuurd (democratisch, vrij van willekeur) en de kwaliteit van de infrastructuur. Hoog scoren: Estland, Indonesië, Noorwegen en Duitsland (governance)

screenshot-13

De keuze van deze vijf pijlers opent onze ogen voor het feit dat in de Global Competitiveness Index, welvaartskenmerken een dominante rol spelen. Hierdoor zijn begrippen als ‘rijk’, ‘ontwikkeld’ en ‘concurrentiekracht’ vrijwel synoniem geworden. De Sustainable Competitiveness Index benadrukt de potentiële rijkdom van sommige landen vanwege hun natuurlijke hulpbronnen en rekent andere landen af op de negatieve gevolgen van hun welvaart. De indicatoren die zijn gebruikt bij de berekening van deze twee pijlers, geven hier een goed beeld van (zie onder)[2]

screenshot-2-kopiescreenshot-2-kopie-2

Europese landen scoren laag op het gebied van natuurlijk kapitaal[3] en vanwege de manier waarop ze hulpbronnen hebben verbruikt (gas!), terwijl andere – veelal de opkomende landen – positief scoren vanwege hun beperkte ecologische voetafdruk. Deze is overigens zelden een gevolg van verstandig beleid maar van een laag economisch ontwikkelingsniveau.

Er is nog een ander wezenlijk verschil tussen de Sustainability Competitiveness index[4] en de Global Competitiveness Index. De eerste is vrijwel uitsluitend berekenend op basis van kwantitatieve data; de tweede is voor bijna 75% gebaseerd op enquêtes onder managers en andere leidinggevenden. Je kunt je terecht afvragen of dit wel de juiste personen zijn om informatie over armoede, werkloosheid, arbeidsverhoudingen en
gezondheidszorg te geven.


[1] Dit rapport kan hier worden gedownload : http://www.duurzaam-ondernemen.nl/2016-global-sustainable-competitiveness-index-topped-5-scandanavian-countries/

[2] Zie voor een beschrijving van de indicatoren van de overige pijlers pagina 46 en volgende.

[3] Het grote potentieel aan windenergie is in deze berekening overigens niet verdisconteerd.

[4] Het is overigens boeiend om de scores van de bovenstaande tabel te vergelijken met vingeroefeningen voor een meer gebalanceerde manier van indexering van landen door het World Economic Forum zelf. Zie mijn posts Vooruitgang is meer dan concurrentiekracht en innovatie (over ‘sustainability-adapted competitiveness): http://wp.me/p32hqY-fP en Groei moet, maar dan wel inclusief (over inclusieve groei): http://wp.me/p32hqY-fY

Hoe komt topmanagement van zijn graaiersimago af?

1 Jan

Het inkomen van topmanagers – wereldwijd – is vanaf de jaren ’80 explosief gestegen[1]. Dit komt mede doordat hun beloningspakket bewust voor een groot deel bestaat uit aandelen(opties). De gedachte is dat hierdoor de financiële belangen van managers in de pas lopen met die van de aandeelhouders met maximalisering van de aandelenkoers als resultaat.

samenleving-greed-484x336

In mijn voorlaatste post[2] ben ik ingegaan op de bevindingen van het Purpose of the Corporation Project, die onder andere gaan over nadelige gevolgen van deze ontwikkeling[3]. Een daarvan is overmatige gerichtheid op het kortetermijnbeleid. De vernieuwde Nederlandse corporate governance code moet deze en andere uitwassen voorkomen. In mijn laatste post betwijfelde ik of dat gaat lukken[4]. De code-Tabaksblat en haar opvolger zijn niet in staat gebleken om het management van kortetermijnbeleid en zelfverrijking af te houden, laat staan het tij in de financiële crisis te doen keren.

screenshotLange termijnbeleid betekent dat een onderneming rekening houdt met de belangen van alle stakeholders, inclusief de samenleving als geheel en de natuur. De keuze hiervoor moet uiteindelijk van het bestuur van de ondernemingen zelf komen, al dan niet onder druk van groeiende verzet binnen de samenleving.

Het Purpose of the Corporation Project houdt het bestuur van ondernemingen twee opties voor. Volharden in de bestaande koers, die er uiteindelijk toe zal leiden dat de onderneming van de kaart verdwijnt. Of varen van een nieuwe koers, waarmee een onderneming zich als maatschappelijke institutie profileert en de belangen van alle stakeholders aan hun trekken laat komen.

Hieronder volgt een selectie van de aanbevelingen van het Purpose of the Corporation Project bestemd voor voor ondernemingen die de nieuwe koers willen inslaan[5].

  1. Waarden (‘Purpose’)

Ondernemingen expliciteren hun waarden en omschrijven welke verantwoordelijkheden ze nemen voor stakeholders zoals medewerkers, klanten en aandeelhouders en voor samenleving en natuur. Het management formuleert de consequenties daarvan voor strategie en (investerings)beleid en tevens hoe aan deze doelen verbonden risico’s beperkt kunnen worden.

Bedrijven kunnen hun intenties ten aanzien van de realisering van maatschappelijke doelen accentueren door de status van B(enefit) Corporation aan te nemen.

  1. Bedrijf als gemeenschap

Het heet dat managers medewerkers ‘aansturen’. Vaak gaat dit ten koste van de betrokkenheid van de medewerkers en het kwaliteit van hun werk. Het zijn immers in het bijzonder de medewerkers die product- en marktkennis hebben en die relaties onderhouden met leveranciers en klanten. De onderneming heeft er baat bij als medewerkers hun werkzaamheden zelfstandig kunnen inrichten en uitvoeren. Dit vereist een minder hiërarchische organisatie, reductie van het aantal managers en de spreiding van managementtaken over medewerkers.

  1. Herziening inkomensprikkel

Het topmanagement ontvangt een vast salaris dat onderdeel is van het beloningsgebouw van de onderneming. Bonussen zijn bestemd voor alle medewerkers en zijn gekoppeld aan de realisering van lange termijndoelstellingen en de tevredenheid van de klanten. Alle inkomens zijn transparant.

  1. Stakeholders

De relatie tussen onderneming (management) en stakeholders kan worden versterkt door vertegenwoordigers van belangrijke groepen (personeel, klanten en aandeelhouders) op te nemen in de raad van bestuur en in de algemene vergadering.

  1. Zoeken naar patient capital

Ook stewardship door aandeelhouders wordt gestimuleerd, bijvoorbeeld door het maken van een onderscheid tussen verschillende categorieën aandeelhouders. Dit kan onder andere gebeuren door stemrecht van aandeelhouders afhankelijk maken van de duur van het aandelenbezit in dat bedrijf, maar ook door het verlies van stemrecht na verhandeling van aandelen.

  1. Bescherming tegen vijandige overnames

Bedrijven ontwikkelen een beschermingsconstructie om vijandige overnames tegen te gaan om daarmee de lange termijnkoers te beschermen. Bedrijven als Ikea, Tridosbank maar ook het Deense farmaceutische bedrijf Novo Nordisk hebben een deel van hun aandelen in een stichting ondergebracht.

  1. Verslaglegging

De methode van verslaglegging is afgestemd op het lange termijnbeleid. De gangbare accountingregels zijn vooral bedoeld voor het op juiste wijze informeren van investeerders. Een alternatief is het Integrated Reporting Framework, dat leidt tot verslaglegging van waardencreatie in brede zin, ook met betrekking tot niet-financieel kapitaal.

images-1Of en hoe snel ondernemingen zich in bovenstaande richting zullen bewegen is niet te zeggen. Wat méér helpt dan corporate governance codes is als bedrijven die kiezen voor de geschetste koers, deze samen uitdragen. Bedrijven als Unilever, DSM en Interface zouden hierin voorop kunnen gaan. Het groenboek dat de Nederlandse Vereniging van Commissarissen en Directeuren (VCD) in het vooruitzicht stelde als antwoord op de corporate governance code kan hierbij een rol spelen[6].

[1] In de periode van 1993 – 2013 is de verhouding tussen het salaris van de 25 hoogst betaalde CEO’s en het gemiddelde salaris van alle inwoners van de VS veranderd van 195:1 naar 354:1. Peter Drucker heeft ooit betoogd dat de verhouding 10:1 om allerlei redenen het maximum zou moeten zijn: Institute for Policy Studies
 1112 (16th Street NW, Suite 600)
Washington, DC 20036

[2] Wie vertrouwt het topmanagement van bedrijven nog: http://wp.me/p32hqY-Sv

[3] Voor een kort overzicht van de achtergronden van het project: https://goo.gl/vNJQjr

[4] De nieuwe Nederlandse Corporate Governance Code. Window dressing? http://wp.me/p32hqY-TE

[5] Het lezenswaardige eindrapport “Corporate Governance for a changing world: Final Report of a Global Roundtable Series” is hier te downloaden: https://goo.gl/bdEaQp

[6] Hierbij valt te denken aan ‘good practices’, maar ook een aanpassing van de aanbevelingen van het Purpose of the Corporation Project aan de Nederlandse verhoudingen.