Hoe realiseert een land inclusieve ontwikkeling?

24 Feb

In een eerdere blogpost beschreef ik de contouren van de Inclusive Development Index (ID-index)[1], een alternatief voor het bruto nationaal product per capita[2]. Deze nieuwe index houdt rekening met de negatieve effecten van de wijze waarop een land economische groei realiseert. De VS staan op de 10de plaats als het om het bruto nationaal product gaat, maar het land zakt naar de 27ste plaats op de ID-index.

Hoe realiseert een land stijging op de ID-index?

Het Inclusive Growth and Development Report 2017 van het World Economic Forum presenteert een beleidskader bestaande uit 15 Policy and institutional Indicators (PII’s), verspreid over 7 pijlers die eraan bijdragen dat economische groei een inclusief karakter krijgt. Ik bespreek deze hieronder in het kort[3]. De onderstaande figuur toont hun samenhang.

screenshot-4

Pijler 1: Onderwijs en vaardigheden

  1. De beschikbaarheid voor een ieder van opleidings- en trainingsmogelijkheden in overeenstemming met zijn of haar potenties.
  2. Kwalitatief hoogwaardig onderwijs met betrekking tot de effectiviteit van het leren, de beschikbare (IC-)faciliteiten dat is afgestemd met het afnemende veld en aan internationale normen voldoet.
  3. Gelijke ontplooiingsmogelijkheden en kansen op voltooiing van de opleiding voor alle leerlingen en studenten, ongeacht hun achtergrond.

Pijler 2: Diensten en infrastructuur

  1. Toegankelijkheid via (spoor)wegen, beschikbaarheid van nuts- en ICT-voorzieningen en kwalitatief goede huisvesting voor brede lagen van de bevolking.
  2. Bereikbaarheid en betaalbaarheid van gezondheidszorg, aanwezigheid drinkwater en afvalverwerking, voorkomen ondervoeding, gelijke levensverwachting van mannen en vrouwen.

Pijler 3: Tegengaan van corruptie en trustvorming

  1. Integriteit van politici, ondernemers, overheidsdiensten (belastingdienst) en rechterlijke macht.
  2. Tegengaan van machtsconcentratie die initiatieven van zelfstandigen en startups bedreigen.

Pijler 4: Financiering van investeringen

  1. Toegankelijkheid en betaalbaarheid van financieringsmogelijkheden voor ondernemers en startups en initiatieven vanuit het armste deel van de bevolking.
  2. Stimuleren van investeringen in de reële economie in plaats van speculatieve investeringen in onroerend goed en financiële producten.

Pijler 5: Ondernemerschap en bezit van activa

  1. Maximaal faciliteren van starten van nieuwe bedrijven.
  2. Stimuleren en bescherming van bezitsvorming in brede lagen van de samenleving, inclusief pensioenopbouw.

Pijler 6: Werkgelegenheid en beloning

  1. Beschikbaarheid van uitdagende banen voor de hele bevolking, inclusief sociale mobiliteit en bescherming van tijdelijk en flexwerk.
  2. Een solide en transparant beloningssysteem (in geld en natura) zonder ongemotiveerde inkomensverschillen met afdoende mate van ontslagbescherming en adequate behartiging van belangen van arbeidende bevolking.

Pijler 7: Belastingen en uitkeringen

  1. Een belastingstelsel dat inkomensverschillen beperkt zonder het groeipotentieel van de economie aan te tasten.
  2. De beschikbaarheid van uitkeringen om personen zonder inkomsten uit arbeid in staat te stellen menswaardig te leven.

In mijn eerdere post over inclusieve ontwikkeling vergeleek ik de ID-index van Noorwegen, Nederland en de VS. Het onderstaande overzicht toont hoe elk van deze drie landen scoort op de 15 genoemde Policy and institutional Indicators (PII’s). Donker- en lichtgroen betekenen (hoog) bovengemiddeld, geel betekent gemiddeld en oranje en rood betekenen beneden en ver beneden het gemiddelde van de 27 rijke landen.

pii-1

pii-2

Door gericht beleid op een of meer van de hiervoor genoemde policy and institutional indicators kan elk van deze drie landen een hogere score op de ID-index realiseren.

  • Nederland en Noorwegen scoren in vergelijking met de VS hoog op het gebied van onderwijs. Maar in de VS en ook in Nederland kan beleid gericht op gelijke kansen voor alle jongeren worden versterkt (3).
  • De gezondheidszorg in de VS scoort matig, maar ook Nederland zou beter moeten kunnen scoren, bijvoorbeeld door wachtlijsten terug te dringen (5).
  • Op het gebied van ethisch handelen in politiek en bedrijfsleven loopt de VS in vergelijking met Noorwegen en in iets mindere mate in vergelijking met Nederland duidelijk achter (6).
  • Opvallend zijn de matige scores van zowel Nederland als de VS als het gaat om investeringen in de reële economie in verhouding tot speculatieve investeringen (9). Noorwegen doet het in dit opzicht zeer goed.
  • Ook ondernemerschap én startups worden in Nederland en de VS goed gefaciliteerd (10). Hier valt er voor Noorwegen nog wel wat te verbeteren.
  • Nederland en Noorwegen hebben een goed, resp. uitstekend arbeidsmarktbeleid (12). De VS scoort nier ronduit slecht.
  • Nederland heeft net als Noorwegen een uitstekend sociaal vangnet (15), maar het belastingsysteem kan nog wel een tandje bijzetten als het om het verminderen van inkomens- en vermogensverschillen gaat (14), zelfs ten opzichte van de VS.

[1]Het Inclusive growth and Development Report 2017 kan hier worden gedownload. Via deze website kunnen uitgebreide landenprofielen worden aangemaakt.: http://reports.weforum.org/inclusive-growth-and-development-report-2017/

[2] Geen economische groei maar inclusieve ontwikkeling: http://wp.me/p32hqY-XB

[3] Elk van de 15 subdomeinen is een composiet-index. Zie voor een uitgebreide beschrijving van de variabelen binnen elk subdomein: blz. 97 en volgende van het rapport. De online versie van het rapport bevat alle waarden voor alle variabelen per land.

De winnaars en de verliezers van globalisering

18 Feb

In de periode 1980 – 2013 hebben multinationale ondernemingen[1] wereldwijd ongekend veel verdiend. In 2013 bedroeg hun winst na belasting $7200 miljard, dat is bijna 10% van het bruto nationaal product van de gehele wereld. Dit is aanmerkelijk meer dan in 1980, toen het ook al om een respectabel bedrag ging.

screenshot-2

Deze winst kwam voor de helft terecht in N. Amerika en W. Europa[2]. Dat de winst zo kon stijgen werd mogelijk gemaakt door de globalisering: De enorme toename van de productie van (consumptie)goederen die wereldwijd werden afgezet tegen een steeds lagere prijs. Deze lagere prijzen waren het gevolg van wereldwijde concurrentie, automatisering en offshoring en lage grondstoffenprijzen[3].

samenleving-olifantscurveDe vraag is, wie heeft het meest van de toegenomen rijkdom geprofiteerd en wie het minst? De Servisch-Amerikaanse econoom Branco Milanovic heeft zich jarenlang toegelegd op de beantwoording van deze vraag[4]. Daartoe heeft hij – simpel gezegd – de wereldbevolking in de periode 1988 – 2008 jaarlijks in 10 groepen verdeeld: De armste 10%, de op een na armste 10% en zo voort[5]. Hij is voor elk van deze groepen nagegaan hoe hun inkomen in deze periode is veranderd. Die verandering heeft hij weergegeven in een grafiek. Deze wordt de olifantcurve genoemd vanwege de sprekende gelijkenis met de rug van een olifant.

screenshot

Wereldwijd zijn er twee groepen ‘winnaars’ en twee groepen ‘verliezers’.

De winnaars zijn:

  • De rijkste 5% van de wereldbevolking, in het bijzonder de 1% allerrijksten. De helft van de economische groei is naar deze groep gegaan. Puissant rijken komen in alle landen ter wereld voor, maar de meeste wonen in N. Amerika en W. Europa.
  • De middenklasse van de opkomende economieën, vooral in Aziatische landen. Zij heeft haar inkomen met 200 à 300% zien toenemen. Het gaat om honderden miljoenen mensen, maar de totale geldwaarde van deze groei is relatief beperkt, omdat de inkomens laag waren.

De verliezers zijn:

  • De armste 10% van de wereldbevolking. Deze heeft er niets bijgekregen. In de Republiek Congo is het gemiddelde reële inkomen in 100 jaar onveranderd gebleven. Oorzaken zijn corruptie, zelfverrijking door machthebbers en oorlogen.
  • De middenklasse in de rijke landen. Ook deze groep heeft in 30 jaar geen vooruitgang gezien. Wel zijn veel banen verloren gegaan als gevolg van offshoring en automatisering. Veel mensen, die jaren geleden nog tot de middenklasse behoorden, moeten nu genoegen nemen met een baan in de laagstbetaalde sector en de concurrentie aangaan met migranten.

De sociaaldemocratie in de rijke landen heeft deze ontwikkeling gemist en mede hierdoor heeft zij haar achterban grotendeels verloren aan extreem links of extreem rechts. De gefrustreerde middenklasse heeft in de VS Donald Trump aan de macht geholpen en in het Verenigd Koninkrijk de Brexit bewerkstelligd. Andere voorbeelden van de boosheid van deze groep zullen ongetwijfeld volgen.

De beleidsmakers in Westerse landen kunnen hun voordeel doen met de olifantcurve en draagvlak onder de bevolking terugverdienen door de volgende maatregelen:

  • Breed aanbod van banen met minder grote verschillen in status en inkomen dan nu het geval is.
  • Verdeling van de beschikbare werkgelegenheid door werktijdverkorting en een flexibele pensioenleeftijd aangevuld met de optie van een arbeidsloos inkomen.
  • Bedrijven betalen mee aan een rechtvaardig werkgelegenheidsbeleid, wat hen confronteert met de integrale kosten van automatisering.
  • Hogere prijzen voor grondstoffen. Dit is zowel in het belang van de eigen boerenbevolking als voor arbeiders in arme landen. Daarom eerder bilaterale handelsovereenkomsten dan generieke handelsverdragen.
  • Beperking van arbeidsmigratie. Dit is overigens ook in het belang van landen van oorsprong, die hun best opgeleide mensen zien vertrekken.
  • Blijvende steun aan vredeshandhaving bij conflicten wereldwijd in VN-verband eerder dan versterking van de NAVO. Minder oorlogen leiden tot meer welvaart en tot minder vluchtelingen.

Iets voor een volgende regering?

[1] Het betreft al dan niet beursgenoteerde ondernemingen met een omzet van minstens $200 miljoen.

[2] Zie hiervoor: https://hbr.org/2015/10/the-future-and-how-to-survive-it

[3] Bedrijven maken wereldwijd nog steeds grote winsten, maar het aandeel van ‘westerse landen’ daarin wordt kleiner omdat de productie zich steeds gelijkmatiger over de wereld verspreidt. Bovendien  nemen kleine innovatieve bedrijven een groeiend deel van de productie over van de machtige maar weinig flexibele multinationals.

[4] Hij is vanaf 2014 hoogleraar aan de New York City University en was daarvoor onderzoeker bij Wereldbank. Zie voor een recent interview: Humo 8 februari 2017: https://blendle.com/getpremium/item/bnl-humo-20170207-132032

[5] Waar nodig heeft hij die groepen verder onderverdeeld.

Het vertrouwen is weg

12 Feb

Elk jaar publiceert Edelman, een internationaal marketing- en communicatiebureau, de Edelman Trust Barometer[1]. De editie 2017 laat een ongekende neergang van vertrouwen zien binnen de 28 landen waarin het onderzoek is uitgevoerd, waaronder Nederland.

Onderzocht zijn het vertrouwen in overheidsinstellingen, bedrijven, media en non-gouvernementele organisaties, het vertrouwen in leidinggevenden en het vertrouwen in het ‘systeem’.

edelman-6

De bovenstaande afbeelding geeft het vertrouwen weer in de vier genoemde instituties, gesplitst naar hoogst opgeleiden (13% van de onderzochte groep in elk land) en de rest van de bevolking (de ‘massa’). In 2/3 van de landen heeft de massa geen vertrouwen meer.  In Nederland overweegt vertrouwen bij de best opgeleiden en behoort de massa tot de categorie twijfelaars. Daarmee is Nederland toch nog het best scorende land binnen Europa.

edelman-12Media

Opvallend is dat mensen op grote schaal hun vertrouwen in de media hebben verloren. De media wordt wereldwijd aangerekend dat zij de meningen verkondigen die de (gevestigde) orde graag willen laten doorklinken. In verreweg de meeste landen overweegt wantrouwen; slechts in drie landen is de bevolking positief: Indonesië, India en China.

Als men iets wil weten vraagt 60% het bij voorkeur aan ‘mensen zoals wij’ of men zoekt het op via Google. Vaklieden en academici beschikken nog over een behoorlijke geloofwaardigheid (60%), die overigens ook afkalft.

edelman-13Overheid

Het vertrouwen in de overheid (41 procent) is eveneens gedaald. In 14 landen geldt de overheid de minst betrouwbare institutie. Opmerkelijk is dat deze daling vooral de laatste vijf jaar heeft plaats gevonden. Ten tijden van de financiële crisis gold de overheid nog als de redder van het systeem

Van alle categorieën scoren leidinggevenden in de publieke sector wereldwijd het laagst. Maar 29% van de ondervraagden vertrouwd hen.Jammer genoeg zijn er geen gegevens over Nederland!

Bedrijfsleven

Het vertrouwen in het topmanagement van bedrijven daalde in een jaar gemiddeld met 12% tot het laagste percentage ooit: 37 procent.In Europese landen ligt dit percentage nog aanmerkelijk lager (Nederland: 27%). in India is het vertrouwen in de top van bedrijven het grootst: 70%.

Toch overheerst de mening dat verbetering in de toekomst vooral van het bedrijfsleven moet komen. De meerderheid van de ondervraagden vindt dat bedrijven dan wél een grotere maatschappelijke rol moeten gaan spelen en corruptie afzweren, verschillen in inkomen tussen topmanagement en werknemers verkleinen, belasting betalen, naar klanten luisteren en werknemers goed behandelen.

Het systeem

Aan de deelnemers aan het onderzoek is tevens gevraagd in hoeverre ze vertrouwen hebben in ‘het systeem’ als geheel. Dit is slechts bij 15 procent van de ondervraagden het geval. 53%  van de ondervraagden gelooft dat het huidige systeem faalt en 32% aarzelt. De meerderheid van de ondervraagden vindt het systeem onrechtvaardig omdat het de rijken en machtigen bevoorrecht en jongeren weinig hoop voor de toekomst geeft. Opmerkelijk is dat hier weinig  verschil is tussen hoogopgeleiden en de rest van de bevolking. Verder, dat het vooral ‘westers georiënteerde’ landen zijn, waar men kritisch staat ten opzichte van ‘het systeem’. Frankrijk het meest, Nederland en Zweden het minst.

Impact op politiek gedrag

De Edelman Trust Barometer legt een direct verband tussen de wereldwijze opkomst van populistische politici en het afnemend vertrouwen in ‘het system’. Dat dit zo is, blijkt ook uit de onderwerpen waarover een meerderheid van alle ondervraagden zich zorgen maakt en die een aanzienlijk deel daarvan angst inboezemen: maatschappelijke onrust, inclusief corruptie (40%), immigratie (28%), globalisering (27%), het afkalven van maatschappelijke waarden (25%) en het tempo van innovatie (22%). Overigens gaat de aanwezigheid van deze angst en gebrek aan vertrouwen in het system niet altijd samen. Landen waar dit wel het geval was, zoals de VS., Groot-Brittannië en Italië zagen zich geconfronteerd met de verkiezing van Donald Trump, de Brexit en het ‘nee’ in het Italiaanse referendum. edelman-30Ik heb grote twijfels of politici en andere leidinggevenden door hebben hoe groot de groep is die zich van hen afkeert. Aan hun gedrag is dat niet te merken. Politici ruziën met hun populistische collegae, maar ze realiseren zich niet dat zij zelf de zorgen en angst van brede lagen van de bevolking jarenlang hebben genegeerd. Topmanagers van bedrijven varen door op een koers van zelfverrijking en beperken zich veelal top lippendienst als het gaat over de maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven.

In mijn vorige blogpost heb ik verkend hoe politieke besluitvorming weer een afspiegeling kan zijn van de wil van het volk [2]. De leiding van het bedrijfsleven staat voor de keuze om van bedrijven maatschappelijke instituties te maken in plaats van geldmachines voor de aandeelhouders. In mijn blogposts over het Purpose of the Corporation Project heb ik aangegeven hoe dat zou kunnen[3].

[1] www.edelman.com/trust2017 Op deze website vind je een samenvatting van de uitkomsten van het onderzoek en een reeks informatieve diagrammen. Verder wordt een aantal specifieke resultaten uitgelicht.

[2] http://wp.me/p32hqY-Yw Democratie is toe aan vernieuwing. Te beginnen met de volksvertegenwoordiging

[3] http://wp.me/p32hqY-U6 Hoe komt het topmanagement van zijn graaiersimago af?

Democratie is toe aan vernieuwing. Te beginnen met de volksvertegenwoordiging

5 Feb

 

We zijn ver verwijderd geraakt van de oorspronkelijke betekenis van democratie, namelijk het volk beslist. Een pleidooi voor referenda is dan ook niet vreemd. Goed bestuur vereist echter dat besluiten samenhangen en dat korte én de lange termijn in balans zijn. De vraag is daarom tevens welke vorm van democratie het beste bijdraagt aan goed bestuur[1].

In deze post sta ik eerst stil bij wat in mijn ogen het kernprobleem is van de terechte onvrede met het politieke bestel. Van daaruit kom ik met oplossingen. En… ook het referendum speelt daarin een rol.

allegorie_goed_bestuur

In de begintijd van de democratie waren er twee actoren betrokken bij de besluitvorming: Het volk en de bestuurders[2]. De bestuurders legden het volk uit wat de bedoeling was; vanuit het volk kwamen reacties. Uiteindelijk werd gestemd met handopsteken. We spreken van directe democratie.

Schaalvergroting bemoeilijkt directe democratie, al opent ICT – mits veilig – nieuwe mogelijkheden. Maar het gaat niet alleen om stemmen: Directe democratie betekent ook dat het bestuur en het volk met elkaar in gesprek zijn (deliberatie). Met name dit gesprek is door schaalvergroting onmogelijk geworden. Daarom is een derde actor nodig, een volksvertegenwoordiging. Maar dan niet de volksvertegenwoordiging die we nu kennen.

Waarom niet?

De volksvertegenwoordiging vertegenwoordigt niet het volk maar de politieke partijen. Door een keer in de zoveel jaren te stemmen beïnvloedt het volk alleen de numerieke verhoudingen tussen deze partijen. Op het te voeren beleid heeft de kiezer geen invloed. Politieke partijen onderhandelen over een coalitie die in de kamers een meerderheid heeft. Uit welke partijen deze coalitie bestaat, welk beleid zal worden gevoerd en hoe het nieuwe kabinet eruit komt te zien, heeft niets met het stemgedrag van de kiezers te maken[3]. Kortom, politieke partijen hebben te veel macht, nog afgezien van de vrijwel onnavolgbare invloed die beroepslobbyisten en belangengroepen uitoefenen op de partijen.

Het gevolg: De afstand tussen volk, volksvertegenwoordiging en bestuur is erg groot. Een heroverweging van de onderlinge relaties tussen deze drie actoren is daarom gewenst. Hieronder stel ik voor elk van de drie relaties een nieuwe invulling voor. Uitgangspunt is dat het volk meer invloed krijgt op de samenstelling van de volksvertegenwoordiging en op het regeringsbeleid.

gevolgen_slecht_bestuur_platteland_siena_2

Volk en volksvertegenwoordiging

In mijn ogen is de taak van de volksvertegenwoordiging om namens het volk met het bestuur te delibereren over het beleid en toe te zien op de uitvoering daarvan. Nu is deze discussie een farce: De uitkomst ervan is voorspelbaar want de standpunten liggen van te voren vast. De regeringspartijen steunen het beleid en de oppositie is er tegen. In een ‘echte’ vertegenwoordiging ligt de nadruk op het debat. De leden zullen soms uitgesproken standpunten innemen, maar ook een open discussie aangaan zonder te zijn gebonden aan partijdiscipline. Machtspolitieke spelletjes lonen niet.

vdi9789023449522-pngHoe kom zo’n volksvertegenwoordiging tot stand? David van Reybrouck stelde in 2013 voor een parlement volgens loting samen te stellen, vergelijkbaar met juryrechtspraak. De ‘uitverkorenen’ hoeven niet aan partijen gebonden maar mogen uiteraard wel onderling samenwerken[4].

Er zijn ook andere mogelijkheden, namelijk de rechtstreekse keuze van vertegenwoordigers door het volk. Liquid democracy is een bruikbare methode hiervoor[5]. Personen kunnen zich voor de functie van volksvertegenwoordiger beschikbaar stellen en zich via de media profileren. Zij mogen zich uiteraard ook als ‘partij’ profileren, maar elk lid van een partij een voldoende aantal stemmen krijgen. Dit kan desnoods in verschillende ronden gaan. Met veilige ICT is dit makkelijk te organiseren. Het resultaat is een volksvertegenwoordiging waarvan alle leden direct of trapsgewijs zijn gekozen door het volk.

Overigens is het van essentieel belang dat de volksvertegenwoordigers er alles aan doen om zelf met hun kiezers in gesprek te zijn. Ook hier biedt ICT nieuwe mogelijkheden, zoals deliberative polling[6].

gevolgen_goed_bestuur_stad_siena

Volk en bestuur

De kans op een breed draagvlak voor het bestuur is het grootst als het volk rechtstreeks de hoofdlijnen van het beleid bepaalt. Daartoe moet het volk kunnen kiezen uit alternatieve programma’s. Dus niet uit losse issues en evenmin uit personen. Voorstellen voor programma’s kunnen tot stand komen via een politieke partij, maar ook via een vereniging of een beweging, bijvoorbeeld Nederland kantelt. Waarschijnlijk kan er in eerste stemronde worden gekozen uit een aanzienlijk aantal programma’s. Het is wenselijk dat het winnende programma een ruime meerderheid van de stemmers achter zich heeft. Daarom zullen de makers van programma’s voor een tweede of derde stemronde moeten samenwerken en compromissen sluiten. Ook tekent zich in deze fase af welke personen voor de uitvoering van deze programma’s beschikbaar zijn.

Bestuur en volksvertegenwoordiging

De volksvertegenwoordiging fungeert zoals gezegd – namens het volk – als gesprekspartner van de regering. In tegenstelling tot de huidige situatie zijn de volksvertegenwoordigers niet bij voorbaat verdeeld over twee kampen; voorstanders dan wel tegenstander van het beleid. Zij hebben immers als volksvertegenwoordiger geen invloed gehad op de totstandkoming van het programma. Het feit dat er een programma ligt dat door een meerderheid van het volk gesteund wordt, betekent dan ook dat er nog volop discussie zal zijn over de details en – later – de uitvoering van het programma. Elke volksvertegenwoordiger wordt geacht te erkennen dat de regering een beleid uitvoert waarvoor de meerderheid van het volk heeft gekozen. De regering moet op haar beurt erkennen dat de volksvertegenwoordiging eveneens door het volk is gekozen om kritisch tegenspel te bieden. Scheiding der machten in optima forma.

En het referendum dan?

Het referendum heeft in deze constellatie een duidelijke plek. Referenda over onderwerpen die in de lijn liggen van het gekozen programma, zijn uit den boze. Het volk heeft zich daar immers al over uitgesproken. In plaats daarvan kan de volksvertegenwoordiging tot een referendum besluiten indien de regering meent te moeten afwijken van haar mandaat en het daarover niet eens wordt met de volksvertegenwoordiging. Ook buitenstaanders kunnen om een bindend referendum vragen.

De manier waarop de democratie in Nederland functioneert is in geen honderd jaar veranderd; de wereld wel. Mensen zijn mondiger en ICT biedt ongekende mogelijkheden om mee te besturen. Deze blogpost is een schets van hoe het anders kan. Er zijn ongetwijfeld meer opties. Laten we een aantal alternatieven uitwerken. Via een reeks stemronden kunnen we dan wellicht komen tot een model waarin een ruime meerderheid van de bevolking zich kan vinden.

[1] Welke effecten hebben goed of slecht bestuur op de maatschappij? Ambrogio Lorenzetti schilderde in het Palazzo Pubblico in het Italiaanse Siena in de jaren 1337-39 in de zaal waar de Raad van Negen placht te vergaderen, een beroemde allegorische voorstelling bekend onder de naam “Allegorie van goed en slecht bestuur”. Delen van deze voorstelling vormen de illustratie van deze blogpost.

[2] Ik blijf hierna overwegend het woord bestuur hanteren. Denk daarbij in de eerste plaats aan de regering, maar mijn visie op democratie is ook toepasbaar op gemeentelijk en provinciaal niveau of binnen bedrijven.

[3] Idealiter stemmen kiezers op een partij wier programma hen het meeste aanstaat. Dit is een ‘package deal’; ze nemen daarmee voor lief de standpunten waar ze het niet eens mee zijn. Daarom is het is speltheoretisch mogelijk dat geen enkele stemmer op een van de coalitiepartijen warm loopt voor ook maar één punt van het bereikte akkoord.

[4] In zijn boek Tegen verkiezingen schrijft David van Reybrouck dat de democratie van de eenentwintigste eeuw is uitgehold. Het wantrouwen groeit; de redelijkheid is zoek. De politiek lijkt echter meer bezig met de volgende verkiezingen dan met de politiek op langere termijn.

[5] Google experimenteert intern met liquid democracy, een vorm van besluitvorming die het midden vormt van directe en vertegenwoordigende democratie. Zie voor een heldere uiteenzetting van hoe de methode werkt: http://www.enliveningedge.org/tools-practices/liquid-democracy-true-democracy-21st-century/

[6] De methodiek hiervoor is in 1988 ontwikkeld aan de Stanford University met als doel geregeld kiezers dan wel achterbannen in staat te stellen zich uit te spreken over gangbare onderwerpen. Een ‘deliberative poll’ hanteert In tegenstelling tot een referendum een representatieve steekproef van de betrokkenen.

Geen economische groei maar inclusieve ontwikkeling

29 Jan

Als het aan het World Economic Forum ligt, meten we de welvaart van landen niet meer met het bruto nationaal product per capita (bnp/c) maar met de Inclusive Development Index (ID-index)[1]

Het bruto nationaal product zegt niets over hoe een land zijn rijkdom vergaart en verdeelt. Een hoog bnp als gevolg van de productie van goederen en diensten is heel wat anders dan een hoog bnp als gevolg van de uitverkoop van natuurlijke hulpbronnen. Hetzelfde geldt voor een hoog bnp waarvan slechts een minderheid van de bevolking profiteert.

De ID-index brengt zowel het economisch potentieel van een land in kaart als de mate waarin dit bijdraagt aan goede levensomstandigheden voor de hele bevolking. De berekening ervan is gebaseerd op drie pijlers elk bestaande uit vier indicatoren[2]. De score van elke indicator varieert van 1 – 7.

Pijler 1: Growth and development
  • Bruto nationaal product per capita
  • Arbeidsproductiviteit
  • Levensverwachting in gezonde jaren[4]
  • Werkgelegenheid[5]
Pijler 2: Social Inclusion

De mate waarin de bewoners van een land meedelen in de welvaart:

  • Inkomens-ginicoëfficiënt[6]
  • Aantal mensen dat leeft onder de armoedegrens[7]
  • Vermogens-ginicoëfficiënt, de spreiding van het bezit.
  • Modale inkomen per huishouden
Pijler 3: Intergenerational equity and sustainability

De mate waarin welvaart en welzijn van nu ten koste gaan van die van toekomstige generaties.

  • Netto kapitaalopbouw[8]
  • CO2-intensiteit[9]
  • Staatsschuld
  • Afhankelijkheidsratio[10]

screenshot-2

Het bovenstaande overzicht toont de ID-index voor de welvarende landen. Hierbij is per land een vergelijking gemaakt tussen de score op de ID-index en de score op basis van het bnp/c.

Hieronder vergelijk ik de 12 indicatoren waaruit de ID-index is opgebouwd van Nederland met die van Noorwegen en de VS. Noorwegen is topscorer op vrijwel elk van de 12 indicatoren van de ID-index en scoort ook hoog op het bnp/c. Het bnp/c van de VS is vergelijkbaar met dat van Nederland, maar de ID-index van dit land staat bijna onderaan op de lijst van welvarende landen. Zie hiervoor ook het onderstaande overzicht. De relatieve plaats van elke indicator binnen de groep van meest welvarende landen is daarin met een kleur aangegeven.growth-and-development

Op de pijler growth and development scoort Nederland een stuk lager dan Noorwegen. De arbeidsproductiviteit in ons land ligt ver beneden die van Noorwegen én de VS. Met de gezondheid is het in Nederland en Noorwegen stukken beter gesteld dan in de VS.

Van de pijler social inclusion valt op de hoge vermogens-ginicoëfficiënt op van zowel Noorwegen als de VS. In tegenstelling tot de VS, is de inkomens-ginicoëfficient in Noorwegen laag, wat wijst op relatief geringe inkomensverschillen. Ook in vergelijking met Nederland. Dit wijst erop dat het belastingstelsel in Noorwegen zorgt voor een krachtige herverdeling. Zowel in Nederland als Noorwegen is het percentage armen ongeveer de helft van dat in de VS.

Wat de intergenerational equity and sustainability betreft, hier scoort Noorwegen duidelijk het hoogst. Nederland staat in de middenmoot en de VS bungelt onderaan.

Noorwegen heeft zijn rijke resources goed gebruikt om voorzieningen te scheppen voor toekomstige generaties. Positief voor de VS is dat de overheid decennia fors heeft geïnvesteerd in onderzoek. Hiermee is een basis gelegd voor de hightech industrie en daarmee voor de hedendaagse welvaart, althans van een deel van de bevolking.

Een aandachtspunt voor het Nederlandse beleid is dat zowel Noorwegen als de VS de afgelopen jaren een lichte verbetering tonen op de ID-index, terwijl Nederland achteruit gaat. De onderstaande matrix toont de positie van alle welvarende landen, rekening houdend met de hoogte en de ontwikkeling van de ID-index[3].hoogte-en-groei-id-index

Het rapport heeft ook de relatie onderzocht tussen het gevoerde beleid en de scores op de ID-index. Daartoe is een beleidskader opgesteld, dat zeven pijler bevat en 15 bijbehorende instrumenten. In mijn volgende blogpost sta ik stil bij dit kader en vergelijk ik wederom Nederland, Noorwegen en de VS.

[1] Het Inclusive growth and Development Report 2017 kan hier worden gedownload. Via deze website kunnen uitgebreide landenprofielen worden aangemaakt.: http://reports.weforum.org/inclusive-growth-and-development-report-2017/

[2] Zie pagina 102 voor de berekeningswijze van elke indicator

[3] Een vergelijkbare matrix is beschikbaar voor de ontwikkelende landen. Zie het voornoemde rapport op pagina 22.

[4] De healthy life expectancy is een nieuwe international maatstaf voor levensverwachting waarin de tijd wordt verdisconteerd waaraan wordt geleden aan ziekten of verwondingen

[5] Het deel van de bevolking ouder dan 15 jaar dat een betaalde baan heeft

[6] De Gini-coëfficienten meten de mate van inkomens- en vermogensongelijkheid. Hoe hoger, des te meer ongelijkheid.

[7] Voor welvarende lanen wordt hierbij uitgegaan van een gezinsinkomen dat lager is dan de helft van het modale inkomen

[8] Het betreft hier de totale nationale besparingen, plus de investeringen in onderwijs minus het verbruik van grondstoffen en de schade door vervuiling (met uitzondering van de schade veroorzaakt door CO2)

[9] Dit betreft de hoeveelheid CO2 die vrijkomt in verhouding tot een eenheid bruto nationaal product

[10] De omvang van de totale bevolking ten opzichte van de bevolking tussen 15 – 64 jaar

Wanneer is onderwijs effectief?

22 Jan

In de periode 2002 – 2008 vond in het UK een grootschalig onderzoeksprogramma plaats met als doel om wetenschappelijk onderbouwde uitspraken te doen over verbetering van de effectiviteit van onderwijzen en leren[1]. Er zijn zo’n 20 projecten uitgevoerd, alle met medewerking van de eigen docenten. De resultaten zijn gebundeld in tien principes. Bij het formuleren van deze principes is tevens gekeken naar ander onderzoek en naar beschikbare literatuur. Het onderstaande model gold als een denkkader voor de afzonderlijke projecten.

screenshot-2De principes zijn tamelijk abstract, maar desondanks zetten ze een herkenbare koers uit. Ze zijn niet bij voorbaat aan één type onderwijs gebonden, maar voor het leesgemak heb ik het over onderwijs en leerlingen.

1 Onderwijs bereidt leerlingen voor op levenssituaties in de breedst mogelijke zin

  • De leerresultaten van leerlingen omvatten veel meer dan wat tests en toetsen meten. Bijvoorbeeld betrokkenheid, concentratie, participatie, houding ten opzichte van leren en streven naar zelfstandigheid.
  • In de praktijk verschillen de standpunten over het gewicht van elk van deze leerresultaten. De neiging bestaat om direct meetbare resultaten voorrang te verlenen.

2 Kennisverwerving gaat hand in hand met bewustwording van het bestaan van verschillende soorten betekenisvolle kennis

  • In dit principe klinkt de opvatting door van onder andere Basil Bernstein dat kennis en curricula sociale constructies zijn, die onder invloed staan van politiek en macht. Er is nog veel meer onderzoek nodig om inzicht te krijgen in de wijze waarop de kennis die leerlingen verwerven hegemoniaal van aard is[1].
  • Uiteindelijk gaat het erom dat leerlingen gecodificeerde kennis en kennis die geworteld is in de cultuur en in de praktijk integreren en gebruiken als bakens bij hun gedrag.
  • Leerlingen beseffen dat zowel hun gevoel als externe omstandigheden invloed hebben op de selectie en het gebruik van kennis.
  • Leerlingen komen in aanraking met verschillende vormen van kennis, zoals primaire bronnen, ervaring, sociale interactie, indrukken en hun intuïtie.

images-1

3 Ervaringen en uitkomsten van eerder leren drukken een stempel op het onderwijs-leerproces

  • Onderwijs activeert wat leerlingen eerder hebben geleerd, inclusief de gevoelens die dat (indertijd) meebracht.
  • Nieuwe kennis, houdingen en vaardigheden zijn aanzienlijk effectiever als ze worden geïntegreerd met bestaande kennis, houdingen en vaardigheden, eventueel in een nieuwe kader (adaptatie versus assimilatie).

4 Leren doen leerlingen ten principale zelf

  • Onderwijs verhoogt het effect van het leren door goed gekozen ondersteuning (scaffolding)
  • Ondersteuning hoeft niet van docenten te komen, maar kan ook via ICT of peers plaatsvinden. De wijze waarop de ondersteuning plaatsvindt dient wel professioneel te gebeuren.
  • De rol van dialoog als middel om leren te ondersteunen is groter dan die van discussies.

images-4

5 Toetsing en onderwijsleeractiviteiten zijn congruent

  • De wens om leerresultaten te meten en uit te drukken in cijfers versterkt (onwillekeurig) dat reproduceerbare eenheden (feiten, begrippen, conventies en theorieën) de overhand hebben.
  • Tal van te ontwikkelen vaardigheden, zoals werken in groepen, omgaan met verschillende inzichten, constructieve samenwerking en conflicthantering komen nauwelijks aan bod vanwege het ontbreken van een taal om kwalitatieve verschillen daarin te rubriceren.

6 Het resultaat van leeractiviteiten hangt sterk af van de betrokkenheid van de leerling

  • Leerlingen die zich bewust zijn van een relatie tussen hun leeractiviteiten en een door hen zelf gesteld of geaccepteerd doel zijn meer betrokken en leren beter
  • Groei van een onafhankelijke en autonome positie van leerlingen (door het zelfstandig maken van keuzen) verhoogt de effectiviteit van het leren.
  • Toerusten van leerlingen met middelen om het effect van hun eigen leeractiviteiten zichtbaar te maken leidt tot meer realistische verwachtingen van wat ze van de opleiding mogen verwachten en waar ze primair zelf verantwoordelijk voor zijn.

images-2

7 Ondersteuning van het leren betreft zowel individuele als sociale processen

  • Leren werken in groepsverband vereist een sequentie van sociale, communicatieve en conflict-oplossende vaardigheden.
  • Groepswerk levert een rechtstreekse positieve bijdrage aan verwerven van meer complexe vormen van kennis.
  • Groepswerk bevordert participatie, motivatie en interactie tussen leerlingen onderling en leerlingen en docent.

8 In formele leersituaties is ruimte voor informeel leren

  • Het aansluiten, verdiepen en voortbouwen op buitenschoolse ervaringen versterkt de motivatie om verder te leren en zorgt ervoor dat leerresultaten beklijven.
  • Activiteiten gericht op zelfstandig ontdekken – binnen en buiten school – dragen bij aan informeel leren.

images-3

9 Blijvend leren door een ieder die betrokken is bij opleiden, beïnvloedt de kwaliteit van opleiders en opleiding

  • Open staan voor blijvend leren wordt beperkt omdat onderwijsgevenden vaak denken te beschikken over de vereiste kennis en vaardigheden. De bereidheid om te leren neemt – net als bij leerlingen – toe als docenten bewust worden (gemaakt) van fricties in hun eigen handelen.
  • Docenten de beschikking geven over resultaten van onderzoek is weinig effectief; een instrument dat lijkt te werken zijn ‘research lessons’ waar hypotheses die leraren zelf eerder hadden geformuleerd worden getoetst.
  • De steeds dominantere cultuur van performativity is volgens docenten zelf een belangrijke rem op hun eigen ontplooiing.

10 Effectief onderwijs vereist dat docenten niet worden beschouwt als ‘agents’ van dominante krachten in de samenleving

  • Overheden moeten het onderwijs (en docenten) voldoende ruimte laten om doelen in de brede zin van het woord te realiseren (zie 1.)
  • Docenten denken in meerderheid dat de regulering toeneemt en dat de professionele ruimte daardoor ingeperkt raakt.

onderwijs-aalborg-7

In mijn volgende blogpost ga ik dieper in op dit onderzoeksprogramma zelf. Ik zie het als een goed voorbeeld van hoe een groep onderzoekers een reeks onderling afgestemde projecten uitvoert, de koers gaandeweg bijstelt, vele betrokkenen (docenten en leerlingen) rechtstreeks bij het onderzoek betreft en veel werk maakt van de verbreiding (valorisatie) van de uitkomsten.

[1] Economic and Social Research Council: Teaching & Learning Research Project   http://eprints.ioe.ac.uk/7044/1/James2011TLRP%27s275.pdf

[2] Hiermee wordt bedoeld dat deze onbewust en zelfs onbedoeld de bestande machtsverhoudingen consolideert.

Welvaart zonder bijsmaak

15 Jan

Een van de meest gebruikte indexen om de concurrentiekracht van landen te vergelijken is de Global Competitiveness Index, jaarlijks uitgebracht door het World Economic Forum. In de nieuwste editie staat Nederland op de 4de plaats, wat tot duizenden trotse tweets leidde van politici en ondernemers die meenden aan dit resultaat bijgedragen te hebben.

De vraag die onbeantwoord bleef was hoeveel deze plaats heeft gekost. Deze kosten bestaan onder meer uit uitstoot van CO2 en fijnstof, afval, verkeershinder, stress, uitbuiting en kinderarbeid ergens in de keten. 

De nieuwe Sustainability Competitiveness Index houdt wél rekening met onbetaalde rekeningen op het gebied van mens en milieu[1]Opvallend is dat de Scandinavische landen alle topposities innemen. Blijkbaar komen zij het meest in de buurt van ‘welvaart zonder bijsmaak’. De top 20 bestaat overigens op Nieuw Zeeland en Japan na geheel uit Europese landen, met uitzondering van Nederland en België!

screenshot-3-kopie

De Sustainability Competitiveness Index is gebaseerd op 105 indicatoren, verdeeld over vijf categorieën.

  • De voor de toekomst bewaarde natuurlijke hulpbronnen. Hoog scoren: Republiek Congo, Zweden en Canada (natural capital depletion)
  • De doelmatige inzet van natuurlijke en menselijke hulpbronnen. Hoog scoren in het bijzonder Afrikaanse landen (resource intensity)
  • De gezondheid, gelijkheid, veiligheid en vrijheid van de bewoners van een land. Hoog scoren alle landen van Noord West Europa met Noorwegen bovenaan (social capital)
  • De scholingsgraad van de bevolking en de investeringen in onderzoek, ontwikkeling en innovatie. Hoog scoren: Zuid Korea, Zweden en Finland (Intellectual capital)
  • De wijze waarop een land wordt bestuurd (democratisch, vrij van willekeur) en de kwaliteit van de infrastructuur. Hoog scoren: Estland, Indonesië, Noorwegen en Duitsland (governance)

screenshot-13

De keuze van deze vijf pijlers opent onze ogen voor het feit dat in de Global Competitiveness Index, welvaartskenmerken een dominante rol spelen. Hierdoor zijn begrippen als ‘rijk’, ‘ontwikkeld’ en ‘concurrentiekracht’ vrijwel synoniem geworden. De Sustainable Competitiveness Index benadrukt de potentiële rijkdom van sommige landen vanwege hun natuurlijke hulpbronnen en rekent andere landen af op de negatieve gevolgen van hun welvaart. De indicatoren die zijn gebruikt bij de berekening van deze twee pijlers, geven hier een goed beeld van (zie onder)[2]

screenshot-2-kopiescreenshot-2-kopie-2

Europese landen scoren laag op het gebied van natuurlijk kapitaal[3] en vanwege de manier waarop ze hulpbronnen hebben verbruikt (gas!), terwijl andere – veelal de opkomende landen – positief scoren vanwege hun beperkte ecologische voetafdruk. Deze is overigens zelden een gevolg van verstandig beleid maar van een laag economisch ontwikkelingsniveau.

Er is nog een ander wezenlijk verschil tussen de Sustainability Competitiveness index[4] en de Global Competitiveness Index. De eerste is vrijwel uitsluitend berekenend op basis van kwantitatieve data; de tweede is voor bijna 75% gebaseerd op enquêtes onder managers en andere leidinggevenden. Je kunt je terecht afvragen of dit wel de juiste personen zijn om informatie over armoede, werkloosheid, arbeidsverhoudingen en
gezondheidszorg te geven.


[1] Dit rapport kan hier worden gedownload : http://www.duurzaam-ondernemen.nl/2016-global-sustainable-competitiveness-index-topped-5-scandanavian-countries/

[2] Zie voor een beschrijving van de indicatoren van de overige pijlers pagina 46 en volgende.

[3] Het grote potentieel aan windenergie is in deze berekening overigens niet verdisconteerd.

[4] Het is overigens boeiend om de scores van de bovenstaande tabel te vergelijken met vingeroefeningen voor een meer gebalanceerde manier van indexering van landen door het World Economic Forum zelf. Zie mijn posts Vooruitgang is meer dan concurrentiekracht en innovatie (over ‘sustainability-adapted competitiveness): http://wp.me/p32hqY-fP en Groei moet, maar dan wel inclusief (over inclusieve groei): http://wp.me/p32hqY-fY