Wat nu!? Lees het nieuwe boek van Thijs Homan en Rob Wetzels

In mijn vorige post heb ik in grove trekken de inhoud samengevat van ‘Wat Nu!?’, het nieuwe boek van Thijs Homan en Rob Wetzels. In deze post diep in enkele aspecten in gesprek met Thijs Homan verder uit.

Thijs Homan en Rob Wetzels zijn respectievelijk emeritus hoogleraar verandermanagement aan de Open Universiteit en kerndocent duurzaamheid aan de Nyenrode Business School. 

Ben politiek actief, betrokken bij de milieubeweging of zet je je in voor veranderingen van geheel andere aard? Dit boek moet je lezen en laat je vooral niet afschrikken door de omvang (bijna 400 pagina’s), want het blijft boeien tot de laatste pagina. In deze post ga ik dieper in op het nieuwe boek en ik heb Thijs Homan gevraagd te reageren op een paar kritische kanttekeningen. 

Dankzij Thijs ben ik al indertijd anders tegen management gaan aankijken. Dat was niet pijnloos.

Hij was collega, maar als decaan van de faculteit managementwetenschappen was ik ook zijn baas. Ik gedroeg me precies als de ‘zadelzitters’ die Thijs en Rob in hun boek beschrijven. Ik dacht dat acceptatie van mijn plannen ‘vanzelf’ tot de gewenste veranderingen zou leiden. Niet dus. Thijs maakte me duidelijk dat echte veranderingen kunnen emergeren in gesprekken tussen mijn collega’s, studenten onderling en met mij. Dit impliceert dat je als manager nooit volledig in control bent. Zeker niet als ‘zadelzitter’.

Mijn eerste vraag aan Thijs is om de parallel tussen organisatieverandering en grootschalige verandering met het oog op het klimaat nog eens uit te leggen.

(Thijs) Het is volgens ons zo, dat veel partijen in het klimaatveld, de overheid, de milieubeweging en de klimaatontkenners vanuit een ‘zadelzittende’ manier proberen gedragsverandering te bewerkstelligen. Het uitgangspunt hierbij is dat je vanuit een buitenstaanderspositie door de juiste acties, interventies en regels in staat bent om het gedrag van grote groepen anderen te veranderen (’wij-gaan-hen-veranderen’). Net zoals managers en bestuurders dat in organisaties aan het doen zijn. Met dit boek hebben we duidelijk willen maken dat (grootschalige) gedragsverandering op een heel andere manier tot stand komt.

Gedragsverandering ontstaat in lokale en concrete conversaties die plaatsvinden in talloze gremia, variërend van je gezin, vriendenclub, bedrijf of organisatie (‘wij-veranderen’). 

Een kenmerk van het huidige klimaatdebat is volgens ons, dat er in het klimaatveld sprake is van een grote verzameling partijen, gremia, instanties en organisatie, die vanuit een wij-gaan-hen-veranderen-insteek een niet aflatende stroom aan publicaties, blogs, tv-uitzendingen, boeken, rapporten en artikelen en en noem maar op aan het produceren zijn. Deels betreft dit broadcasting (boek, p. 303), waarbij men zich richt op het brede publiek. Deels gaat het om narrowcasting (p. 303), waarbij men zich op specifieke doelgroepen richt om die te overtuigen van de eigen standpunten. Hoe goed bedoeld ook; bij elkaar opgeteld leidt dit tot een kakafonie van geluiden, perspectieven en verhalen, waar de gemiddelde burger (manager, bestuurder, ouder) maar lastig chocolade van kan maken (zie p. 308 voor een voorbeeld). De concrete betekenis die men aan al deze informatie geeft wordt volgens ons niet bepaald door de inhoud en vormgeving van die ’castings’zelf. Dergelijke betekenisgevingen ontwikkelen zich in ‘chocolade-makende’- lokale conversaties, waarbij reeds aanwezige betekenisgevingen, interactiepatronen en ervaringen uit het verleden van grote invloed zijn op datgene wat men met al die informatie doet. Hoe zich uit dergelijke lokale gesprekken grootschalige gedragspatronen ontwikkelen en hoe diezelfde patronen veranderen, daar gaat het boek over.

(Herman) Maar hoe kijken jullie dan tegen de overheid aan? En – breder – tegen bestuurders, leiders en managers? Die hebben toch formele posities en bevoegdheden om regels, plannen en doelen aan hun ‘onderdanen’ op te leggen? De overheid heeft door de wet bepaalde taken en bevoegdheden, wordt parlementair gecontroleerd of ze ‘in control’ is en beschikt over een aanzienlijke uitvoeringsmacht. De mensen moeten toch gewoon doen wat de overheid (of hun managers, etc.) hen opdragen? 

(Thijs) Op zich klopt het natuurlijk helemaal van die formele taken en bevoegdheden. Maar het sociale complexiteitsperspectief zoals wij dat in het boek uiteenzetten, kijkt hier toch anders tegen aan. Naar ons idee is er namelijk nooit sprake van een een-op-een relatie tussen datgene dat formele partijen aan anderen opdragen enerzijds en wat die anderen vervolgens doen anderzijds. Opnieuw zijn het ook hier weer de lokale conversaties die met wit spelen. Hoe heeft men het over die formele regels en opdrachten? Welke betekenis geeft men eraan? Kijk in dit verband maar eens naar de ontwikkelingen in het stikstofdebat.

Formeel gesproken liggen de doelen (zeker op Europees niveau) vast. Maar dat wil niet zeggen dat die doelen dan een-op-een gaan leiden tot gedragsveranderingen.

Ik gaf al aan dat er sprake is van een kakafonie van geluiden, visies en optieken als het om het klimaat gaat. Bij het in lokale conversaties chocolade proberen te maken van al dit ‘lawaai’ is er steeds opnieuw sprake van ‘selecteren’ en ‘waarderen’. Als je met een paar collega’s, je gezingsleden of in een managementteam met elkaar zit te praten, dan is als eerste dat ‘selecteren’ aan de orde. Concreet: het zoveelste IPCC-rapport is verschenen, waarbij er opnieuw wordt gehamerd op de noodzaak voor drastische ingrepen. ‘Selecteren’ gaat over de vraag of wij het in ons eigen gesprek überhaupt over dat rapport gaan hebben. Besteden we er aandacht aan of zijn andere dingen belangrijker? Als we dat rapport in ons gesprek inderdaad aan de orde stellen, dan is de tweede stap ‘waarderen’: welke betekenis geven we eraan?

(Herman) Dus eigenlijk zeggen jullie dat je als overheid en als formele manager en bestuurder maar beter kan stoppen omdat je geen invloed hebt? 

(Thijs) Dat zeggen we juist niet! Gegeven hun positie, maken de boodschappen (‘castings’) van overheden (managers, bestuurders) een grotere kans om in lokale conversaties geselecteerd te worden, dan de boodschappen van veel van de andere ‘casters’. Maar hoe men deze boodschappen vervolgens waardeert; welke betekenis men er aan geeft, ontwikkelt zich in de daarop volgende interacties waarbij de lokale betekeniswolken die er al leven van grotere invloed zullen zijn dan de castings-zelf. 

De implicatie van dit perspectief is dat het sec verzenden van (goedbedoelde) boodschappen over de klimaatproblematiek en over de noodzaak tot gedragsverandering, maar een klein onderdeel van het grotere verhaal is.

Dat grotere verhaal gaat over lokale interacties waar men in de onderlinge interacties betekenis geeft aan datgene dat jij (en parallel daaraan vele anderen) aan boodschappen verzendt. ‘Invloed’ op gedrag heeft volgens ons weinig te maken met ‘goed zenden’. 

Invloed heb je pas als je meedoet in lokale conversaties, waar betekenissen ontstaan over datgene dat men hoort, ziet, voelt en meemaakt. Daarom zul je als ‘zadelzitter’ verbinding met deze interacties moeten zoeken. En dat is hard werken. Nu is het ten enen male onmogelijk om deel te nemen aan al de lokale betekenisgevende gesprekken. Dit maakt dat er naar ons idee sprake is van een sturingsparadox: hoe kan ik als (formele) partij of persoon verantwoordelijk zijn voor het realiseren van bepaalde resultaten, terwijl ik feitelijk maar in beperkte mate in control ben? Harder gaan pushen, alleen nog maar meer gaan ‘casten’ heeft wat dat ‘in control-zijn’ betreft juist vaak een averechts effect. 

(Herman) Ik denk dat dit betekent dat je als Minister van Landbouw en Milieu bij wijze van spreken meer in gesprek bent met boeren(organisaties) en milieugroeperingen dan met je ambtenaren. Maar vooral dat je in die gesprekken ook geïnteresseerd bent in de consequenties van hun visie op het beleid en daar oprecht rekening mee wil houden.

(Thijs) Klopt. Maar ook daar valt volgens ons nog wel wat meer over te zeggen. Ons punt is namelijk dat gesprekken interactiedynamieken betreffen die ‘complexe’ kenmerken hebben. Dit maakt dat er zich in gesprekken dingen kunnen ontwikkelen die niemand van tevoren had bedacht, gepland of voor mogelijk had gehouden. ‘Geïnteresseerd zijn in de consequenties van jouw beleid’ suggereert dat er ‘objectieve’ consequenties zouden zijn, die iedereen op dezelfde manier ziet en ervaart. De clou is juist dat het gesprek niet alleen over die consequenties gaat, maar dat er ook daar een dynamiek van selecteren en waarderen aan de orde is. Wil jouw gesprekspartner het überhaupt wel over die consequenties hebben? En zo ja, welke betekenissen (emoties, reacties en acties) roept dat op; zowel bij die gesprekspartners als bij jouzelf?

Wie weet ontstaan er tijdens het gesprek bij jouzelf hele nieuwe betekenissen over datgene dat je van oorsprong belangrijk vond.

Het wij-gaan-hen-veranderen-perspectief zegt: ‘als ik nou maar voldoende interesse toon in hun visies, dan gaan ze op den duur wel mee’. Het wij-veranderen-perspectief maakt duidelijk dat gesprekken kunnen leiden tot hele nieuwe betekenisgevingen, doelen, afspraken en vervolgactiviteiten van allebetrokkenen; ook van jouzelf. Precies daar ligt ook onze hoop voor positieve ontwikkelingen in het klimaatdebat. 

(Herman) Zou de overheid zich misschien ook wat terughoudender moeten opstellen?

(Thijs) Het sociale complexiteitsdenken vat verandering op als een polycentrische dynamiek waarbij er nieuwe gedragspatronen ontstaan door en in al de lokale interacties van iedereen. Zoals ik al zei, stikt het in het klimaatveld van de verhalen, opinies, opvattingen, onderzoeken en interpretaties ervan en ga zo maar door. In het verlengde daarvan is het klimaatveld bezaaid met een enorme hoeveelheid gremia, organisaties, instanties, clubs en bewegingen. Er zitten dus veel meer partijen aan het stuur te trekken dan alleen de overheid en de formele bestuurders en bestuursorganen. Bovendien is ‘de overheid’ ook geen monoliet die als een soort coherente eenheid acties onderneemt, wetten en regels uitvaardigt, subsidies verstrekt et cetera. De overheid bestaat zelf ook weer uit een groot aantal verschillende organisaties, clubs, lagen, instanties en noem allemaal maar op. Ondanks het feit dat hetgeen overheden (en formele bestuurders) zeggen een wat grotere kans heeft om in lokale interacties geselecteerd te worden, wil het niet zeggen dat ‘de overheid’ als geheel meer invloed heeft dan al de andere partijen. Nog steeds ga je, als je er zo tegen aankijkt uit van het wij-gaan-hen-veranderen perspectief: hoe kan ik als individuele partij door de juiste dingen te doen andere partijen naar mijn hand zetten?

Er is volgens ons  – om een populaire term te gebruiken – geen ‘eindbaas’ die al dit geharrewar kan overzien en wiens directieven een-op-een door iedereen worden overgenomen, leidend tot uniforme grootschalige gedragspatroonveranderingen.

Wat er volgens ons is, is juist dat er sprake is van een grote hoeveelheid actoren (‘entiteiten’) die allemaal op hun eigen manier bezig zijn met het proberen invloed te krijgen op andere actoren; zònder dat een van de actoren dus de ultieme soevereine macht in handen heeft om anderen te laten doen wat zij nodig acht. 

Als je uitgaat van zo’n beeld (heel veel actoren die allemaal invloed aan het uitoefenen zijn op andere actoren) dan levert het complexiteitsperspectief naar ons idee juist veel accuratere inzichten op over grootschalige gedragspatroonverandering, dan het sturingsdenken dat ten grondslag ligt aan het wij-gaan-hen-veranderen-perspectief. 

Op het moment dat er wetgeving nodig is, is de overheid uiteraard aan zet. Maar of dat tot grootschalige gedragspatroonverandering zal leiden is zeker niet gegarandeerd. Andersom kan het ontstaan van patroonveranderingen juist ook plaatsvinden zonder dat de overheid daar een leidende rol in speelt. In dit verband meen ik juist tal van nieuwe (grootschalige) patronen in het bedrijfsleven te ontwaren. Waarbij er steeds meer gesprekken worden gevoerd, waarbij winst en omzet niet meer de centrale legitieme thema’s vormen en er andere thema’s ‘legitiemer’ worden (zoals: hoe moreel verantwoord zijn we als organisatie bezig als we gif in de rivier lozen?’). 

(Herman) Ik zit nog met een andere vraag. Jullie hebben het over ‘betekeniswolken’. Deze bevatten, zo schrijven jullie, bepaalde visies, idealen, waarden, normen en gedragsintenties die grote groepen mensen met elkaar delen en in hun onderlinge interacties herhalen. Zeker als die wolken wat langer bestaan, ervaren diegene die onderdeel van die wolken uitmaken die visies en idealen (et cetera) als volstrekt waar, logisch en normaal. Jullie zeggen dan hierbij een pluralistisch perspectief te hanteren. 

Mijn vraag is nu betekent de keuze voor een pluralistisch perspectief op de ontwikkelingen in en van het klimaatveld dat alle uitspraken over hoe de wereld in elkaar zit die je in betekeniswolken over het klimaat aantreft, dezelfde mate van geldigheid hebben?

(Thijs) Nee. In het boek nemen we expliciet een bepaalde positie in. Je zou ook kunnen zeggen: we geven aan dat wij tot een bepaalde betekeniswolk behoren die wij als ‘geldiger’ ervaren dan veel van de andere betekeniswolken over de thematiek van het klimaat. Daarbij vatten we de klimaatverandering op als een reëel probleem, waarbij we aangeven dat er in het wetenschappelijke onderzoek daarvoor meer dan genoeg aanwijzingen zijn. Maar dit is niet de kern van ons betoog.

De term ‘pluralistisch’ ontlenen we aan het boek ‘The crooked timber of humanity’ van de Britse politicoloog Isaiah Berlin.

Berlin’s ‘pluralisme’ gaat ervan uit dat er voorafgaande aan al de interactiedynamieken in de maatschappij géén a priori, geprivilegieerde of formele patronen aanwezig zijn die vooraf bepalen hoe de interacties zouden moeten verlopen en welke patronen er zouden moeten ontstaan.

Patronen ontstaan pas in de (lokale, dagelijkse) interacties van en tussen al de entiteiten. Regels, waarden, wetten, instituties vormen zodoende geen formatieve inputs voor de interacties tussen alle entiteiten, maar zijn volgens ons juist het emergente resultáat daarvan. 

Dat de wetenschap en bijvoorbeeld ook de mensenrechten in het Westen belangrijke en dominante instituties zijn betwijfelen we niet. Tegelijkertijd zijn het instituties, waarvoor net als andere instituties geldt dat zij ‘are talked into existence’. Kort door de bocht geformuleerd worden dergelijke instituties (door veel mensen) als waar en geldig ervaren; niet omdat ze per sé ‘objectief’ aantoonbaar en bewijsbaar zijn, maar omdat veel mensen het er in hun eigen conversaties op die manier over hebben.

Het pluralistische uitgangspunt maakt bovendien de weg vrij om te laten zien dat er naast de gebruikelijke betekenisgevingen over de klimaatproblematiek ook andere betekenisgevingen bestaan, die de wetenschappelijke inzichten soms gewoon naar de prullenbak verwijzen. Aangezien ook dit soort betekenisgevingen door grote groepen mensen in hun onderlinge gesprekken worden herhaald, ervaren de betrokkenen deze visies en standpunten ook als waar en geldig. ‘Objectief’ gezien kan dit niet; het wetenschappelijke onderzoek toont overduidelijk aan dat het verkeerd aan het gaan is met onze planeet. 

Maar de ervaren realiteit (withness-perspectief, zie pp. 86 – 87) zal voor veel mensen een heel andere zijn. Denk in dit verband ook maar eens aan de hardcore Trump-aanhangers, die er totaal van overtuigd zijn dat het klimaatgedoe een truc van de Democraten (of reptielen) is om hen de ‘American way of life’ af te pakken. 

(Herman) In het verlengde hiervan is de  klimaat’discussie’ inmiddels steeds meer een gepolariseerd debat aan het worden, waarbij partijen zich opstellen als: ‘I am right, and you are an idiot’. Het boek ‘Wat Nu!? is wat mij betreft een spiegel voor alle deelnemers aan de klimaatdiscussie en geeft deze talloze aanwijzingen om die discussie op een hoger plan te brengen en zo meer effectief handelen mogelijk te maken. 

In deze discussie wijs ik persoonlijk twee posities af. In de eerste plaats de categorische ontkenning van de rol die ‘de mensheid’ in de opwarming van de aarde. In de tweede plaats ook het uitspreken van toekomstverwachtingen die niet door de bestaande kennis worden gerechtvaardigd. Deze leiden alleen maar tot angst, onzekerheid en ontkenning.  

Met verstokte ‘klimaatontkenners’ discussiëren heeft niet zo veel zin. Ik vrees dat ‘het Aardse’ (zie Thijs’ en Rob’s boek, p. 65) uiteindelijk het laatste woord heeft.

Klimaatontkenners zullen het steeds moeilijker krijgen om hun standpunt vol te houden naarmate de hitte, de bosbranden, de overstromingen en het watertekort ook in onze omgeving voelbaarder worden. 

Er zijn echter zo veel ànderen om in lokale conversaties en acties samen te zoeken naar manieren om de opwarming van de aarde te helpen matigen. Wil je voelsprieten ontwikkelen voor de machtsdynamieken en processen in jouw eigen interacties met hen, dan biedt Thijs’en Rob’s boek een schatkist aan inzichten, concepten en praktische voorbeelden. 

Vanuit het perspectief van complexiteit kijken naar het huisvestingsvraagstuk

Ik schrijf al geruime tijd over de humane stad. En ik publiceerde ook over de slimme stad, de deelstad, de veerkrachtige en de inclusieve stad. Maar het gebruik van simplificerende adjectieven stuit me steeds meer tegen de borst. In deze post leg ik uit waarom.

Sloop goede woningen in de Rotterdamse Tweebosbuurt

Slimme steden bestaan niet, maar ook alle andere adjectieven zijn per definitie eenzijdig. In plaats daarvan voel ik er meer voor om steden vanuit een complexiteitsperspectief te benaderen.  De complexiteitsbenadering gaat ervan uit dat de eigenschappen van de steden het onvoorziene en vaak ongewilde resultaat zijn van een eindeloos aantal interacties tussen mensen met uiteenlopende bedoelingen, invloed, denkbeelden, macht en bindingen, een proces dat vaak emergentie wordt genoemd. Wie vanuit het perspectief van complexiteit naar steden kijkt, ziet een Babylonisch aandoende discussie over problemen, het benoemen ervan en hun oplossing. Problemen zijn bijvoorbeeld: een deel van de bewoners is slecht gehuisvest, het verkeer loopt vast en de arme wijken langs de rivier overstromen steeds vaker. Als er al overeenstemming is over de aanpak van zo’n probleem, dan betekent dat geenszins dat een oplossing in het verschiet ligt. Omdat veel problemen onderling samenhangen maar onze kennis verkokerd is, zien we die samenhang niet en is de gekozen oplossing niet effectief. 

Dit is de eerste aflevering van een reeks korte posts over uiteenlopende aspecten van huisvesting, variërend van betaalbare woningen, suburbs, yimbyism, new urbanism en slums.

Het ligt voor de hand om gebrek aan voldoende woningen in eerste instantie te willen oplossen door meer woningen te bouwen. Maar helpt dat? Als die nieuwe woningen ook onbetaalbaar zijn, schieten de meeste mensen daar niets mee op. Wat ons tevens te doen staat, is te bekijken of er meer aan de hand is? Bijvoorbeeld armoede of ongelijkheid of winstbejag en een excessief gebruik van de ruimte. Maar ook de juistheid van denkbeelden van politici. Als dat zo is, zal de manier waarop het probleem eerder was geformuleerd veranderen en daarmee ook de oplossingsrichting. Bijvoorbeeld door de vraag te beantwoorden waarom de prijs van het wonen zo snel is opgelopen, er goede woningen worden afgebroken, of er zo veel mensen zijn die geen huis kunnen betalen.  Maar ook wat de gevolgen voor de natuur zijn als we zonder verder te kijken dan onze neus lang is overal nieuwbouw plannen. Pas als een probleem vanuit verschillende invalshoeken wordt benoemd en herbenoemd komt een volwaardige oplossing in zicht. In het geval van huisvesting zijn dat in elk geval de maatschappelijke positie van de bewoners, de werking van het marktmechanisme, de waan van de politiek en het beslag van de bouwplannen op grondstoffen en ruimte.

Beviel deze post? In het e-boek Dossier Leefbaar wonen tref je veel vergelijkbare informatie aan op het gebied van wonen en de woonomgeving. Je kunt het e-boek hier downloaden.

Verzamel betekenisvolle data en blijf ver weg van dataïsme.  

De vijfde aflevering van de reeks Bouwen aan duurzame steden: De rol van technologie gaat over de zin en onzin van big data. ‘Data is the new oil’ is het ergste cliché van de big data-hype tot nu toe. Nog erger dan ‘datagedreven beleid’. Ik dit artikel onderzoek ik – met digital twins als rode draad – wat de bijdrage van data aan stedelijk beleid kan zijn en hoe dataïsm, een religie die zelf de beleidsbepaling overneemt, kan worden voorkomen (lees hierover vooral Harari: Homo Deus).

Ik ben een tevreden gebruiker van een Sonos geluidssysteem. Toch moet de helpdeks er een enkele keer aan te pas komen. Nog onlangs en toen wist de helpdesk na vijf minuten dat mijn probleem het gevolg was van een defecte verbindingskabel tussen het modem en de versterker. Wat bleek, de helpdesk kon op afstand een digitale afbeelding genereren van de componenten van mijn geluidssysteem en hun verbindingen en zag dat de bewuste kabel geen signaal doorgaf. Een eenvoudig voorbeeld van een digital twin. Ik was er blij mee. Maar waar ligt de grens tussen zin en onzin van verzamelen van massa’s data.

Wat is een digital twin. 

Een digital twin is een digitaal model van een object, product of proces[2]. In mijn opleiding tot sociaal geograaf heb ik veel met kaarten te maken gehad, de oudste vorm van ‘twinning’. Kaarten hebben de basis gelegd voor GIS-technologie, die weer de basis is van digital-twins.   Geografische informatiesystemen relateren uiteenlopende data op basis van geografische locatie en maken hun samenhang in de vorm van een model inzichtelijk.  Als dit model met behulp van sensoren permanent met de werkelijkheid wordt verbonden, dan komen de dynamiek in de werkelijkheid en die in het model overeen en spreken we van een ‘digital twin’. Zo’n dynamisch model kan worden gebruikt voor simulatiedoeleinden, toezicht op en onderhoud van machines, processen, gebouwen, maar ook veel grootschaliger entiteiten, bijvoorbeeld het Nederlandse elektriciteitsnet.

Van data naar inzicht

Elke wetenschapsbeoefenaar weet dat data onmisbaarheid zijn, maar weet ook dat er een lange weg is te gaan voordat data tot kennis en inzicht leiden. Die weg begint nog voordat data worden verzameld. De eerste stap zijn aannames over het wezen van de werkelijkheid en dus ook de mogelijkheid om deze te kennen. Hierover is de nodige discussie gevoerd binnen de wetenschapsfilosofie, waaruit in het kort twee standpunten zijn gekristalliseerd, een systeembenadering en een complexiteitsbenadering. 

De systeembenadering gaat uit van de veronderstelling dat de realiteit bestaat uit een stabiele reeks van acties en reacties waarin naar wetmatige verbanden gezocht kan worden. Tegenwoordig neemt bijna iedereen aan dat dit alleen geldt voor fysische en biologische verschijnselen. Toch wordt er ook gesproken van sociale systemen. Het gaat dan niet om wetmatige samenhangen, maar om generaliserende aannames over menselijk gedrag op een hoog aggregatieniveau. De ‘homo economicus’ is daar een goed voorbeeld van. Op basis van zulke aannames kunnen ook conclusies worden getrokken hoe gedrag te beïnvloeden is.

De complexiteitsbenadering – die overigens ook een natuurwetenschappelijke achtergrond heeft – ziet de (sociale) werkelijkheid als een complex adaptief proces dat ontstaat uit ontelbare interacties, die – als het om menselijk handelen gaat – worden gevoed door uiteenlopende motieven. In dat geval wordt het veel moeilijker om generieke uitspraken te doen op een hoog aggregatieniveau en zullen interventies een minder voorspelbaar resultaat hebben. 

Verkeersmodellen

Verkeersbeleid is een goed voorbeeld om het onderscheid tussen een proces- en een complexiteitsbenadering te illustreren. Simulatie met behulp van een digital twin in Chattanooga[3] van het gebruik van flexibele rijstrooktoewijzing en fasering van de verkeerslichten, wees uit hierdoor de congestie met 30% kon afnemen[4]. Had men dit experiment in werkelijkheid uitgevoerd, dan was het resultaat waarschijnlijk heel anders geweest. Verkeersdeskundigen merken keer op keer op dat elke nieuw geopende weg na korte tijd vol slipt, terwijl het verkeersbeeld op andere wegen nauwelijks verandert. In de econometrie heet dit verschijnsel geïnduceerde vraag. In een onderzoek naar stedelijke verkeerspatronen tussen 1983 en 2003, stelden de economen Gilles Duranton en Matthew Turner vast dat autogebruik evenredig toeneemt met de groei van de wegcapaciteit. Dit is alleen te begrijpen vanuit een complexiteitsbenadering: Elke weggebruiker reageert namelijk anders op de opening of afsluiting van een weg. Die reactie kan zijn de rit naar een ander tijdstip te verplaatsen, een andere weg te gebruiken, met iemand anders mee te rijden, het openbaar vervoer te gebruiken of af te zien van de rit. 

Carlos Gershenson[5], een Mexicaanse computerspecialist, heeft verkeersgedrag onderzocht vanuit een complexiteitsbenadering en hij concludeert dat zelfregulering de beste manier is om congestie aan te pakken en de capaciteit van wegen maximaal te benutten. Als de gesimuleerde ingrepen in het verkeer in Chattanooga in werkelijkheid waren uitgevoerd, dat hadden duizenden reizigers binnen korte tijd hun rijgedrag aangepast. Zij waren de ‘smart highway’ gaan uitproberen, en als gevolg van geïnduceerde vraag, zou de congestie daar binnen de kortste tijd toenemen tot op het oude niveau. Iemand die het effect van verkeersmaatregelen zichtbaar wil maken met een digital twin, moet deze voeden met resultaten van onderzoek naar het geïnduceerde-vraageffect, in plaats van alleen historische verkeersdata te manipuleren.

De waarde van digital twins

Digital twins bewijzen hun waarde bij het nabootsen van fysieke systemen, dus processen met een parametrisch verloop. Het gaat dan bijvoorbeeld om de werking van een machine, of in een stedelijke context, de relatie tussen de hoeveelheid UV-licht, de temperatuur, de wind(snelheid) en het aantal bomen per oppervlakte-eenheid. Zo onderzoekt men in Singapore met behulp van digital twins hoe hitte-eilanden in de stad ontstaan en hoe hun effect verminderd kan worden[6]. De luchthaven Schiphol beschikt over een digital twin, die alle bewegende onderdelen op het vliegveld zoals rolbanden en -trappen toont. Daarmee kunnen monteurs in geval van storing onmiddellijk aan het werk[7]. Of de kosten van de bouw van zo’n model opwegen tegen de baten is niet bij voorbaat te zeggen.  Vaak ontwikkelen digital twins zich van klein naar groot, gestuurd door gebleken behoeften. 

Ook Boston heeft in 2017, met technische ondersteuning van ESRI, een digital twin van een deel van de stad ontwikkeld[8].  Er is een beperkt aantal processen in een virtueel 3D-model samengevoegd. Een daarvan is de schaduwvorming als gevolg van de hoogte van gebouwen.  Een van de geliefde groene ruimten in de stad is de Boston Common.  Het is al decennia gelukt om de ontwikkeling van hoogbouw langs de randen van het park en daarmee het beschaduwen ervan te beperken. Keer op keer komen projectontwikkelaars met nieuwe voorstellen voor hoogbouw. Met de digital twin kan het effect van de schaduwwerking van deze gebouwen worden gesimuleerd bij verschillende weersomstandigheden en in verschillende seizoenen (zie titelafbeelding). De digital twin is online te raadplegen, zodat iedereen deze en andere effecten van stedenbouwkundige ingrepen, thuis kan bekijken.

Vragen vooraf

Aan de bouw van een digital twin gaan drie vragen vooraf. In de eerste plaats wat de gebruiker ermee wil bereiken, vervolgens welke processen erbij betrokken gaan worden en welke kennis er van die processen en hun samenhang bestaat. Chris Andrews[9], als stedenbouwkundige werkzaam aan het ESRI ArcGIS platform, benadrukt de noodzaak om het aantal elementen in een digital twin te beperken en vooraf het verband ertussen te beredeneren: To help limit complexity, the number of systems modeled in a digital twin should likely be focused on the problems the twin will be used to solve.

Zowel het voorbeeld van de verkeersprognoses in Chattanooga, de vorming van warmte-eilanden in Singapore als het beschaduwen van de Boston Common laten zien dat onbewerkte data ontoereikend zijn om een digital twin te voeden. In plaats daarvan worden data gebruikt die het resultaat zijn van wetenschappelijk onderzoek, waarbij de onderzoeker zich tevens heeft afgevraagd of een systeem- dan wel een complexiteitsbenadering op zijn plaats is. In de woorden van Nigel Jacob, voormalig Chief Technology Officer in Boston: “For many years now, we’ve been talking about the need to become data-driven… But there’s a step beyond that. We need to make the transition to being science-driven in …… It’s not enough to be data mining to look for patterns. We need to understand root causes of issues and develop policies to address these issues.” 

Digital twins zijn waardevolle hulpmiddelen. Maar als zij gevoed worden met onbewerkte data, geven ze hooguit zicht op statistische verbanden en elke wetenschapper weet hoe gevaarlijk het is om daar conclusies uit te trekken: Trash in, trash out. 

Naarmate digitale tweelingen volwassen worden en meer vitale functies van steden in realtime vastleggen, rijst de vraag of dit de besluitvorming altijd zal verbeteren. Stedelijke maatschappelijke vraagstukken zijn ‘wicked problems’: Er zijn veel belanghebbenden met concurrerende belangen, uiteenlopende macht en invloed en incompatibele logica’s. Tegen deze achtergrond boeten meer data, snellere computers en ‘optimale’ oplossingen al snel in aan betekenis.


[1] https://singularityhub.com/2018/09/30/the-rise-of-dataism-a-threat-to-freedom-or-a-scientific-revolution/

[2] Digital Twins Haskoning

[3] Digital twins Future urban planning

[4] Digital Twins React to changes

[5] https://www.quantamagazine.org/complexity-scientist-beats-traffic-jams-through-adaptation-20200928/

[6] https://www.bloomberg.com/news/features/2020-12-01/singapore-climate-change-reducing-heat-takes-trees-and-technology

[7] Esri: Digital twin

[8] Boston digital twin 3D GIS

[9] https://www.esri.com/about/newsroom/arcuser/arcgis-a-foundation-for-digital-twins/