Laat kinderen meedelen in de ruimte (4): De kindvriendelijke stad.

Onlangs hebben Henk Donkers en ik een artikel geschreven over de kindvriendelijke stad in het tijdschrift Geografie (september 2021). Dat was een onderdeel van de reeks over de (lange) weg naar de humane stad. In vier posts op deze blog diep ik dit artikel verder uit. Deze laatste post gaat over gemeenten die een kindvriendelijke stad willen worden en hoe ze in dat verband jongeren in het stedelijk bestuur laten participeren. 

Veel kinderen hebben het niet makkelijk. Ook in rijke landen niet.  In de VS alleen al is 40% van kinderen slecht- of ondervoed. Hun ouders hebben weinig van de welvaarstoename gemerkt, de woonomstandigheden zijn slecht en de vooruitzichten ook. In de rijke landen van Noordwest-Europa staan de zaken er wat beter voor, maar dan nog: In 2015 leefde in Vlaanderen 12% van alle kinderen in een huishouden met een inkomen onder de armoededrempel. In Nederland is dat 10% en in een allesbehalve arme stad als Gent 20%. Hier verlaat 1 op de 7 jongeren het onderwijs zonder diploma en 20% van hen is werkloos, waarvan het merendeel een migratieachtergrond heeft.

Tegen deze achtergrond hebben de Verenigde Naties in 1996 het Child Friendly City Initiative genomen.

De aangesloten steden beloven zich in te zetten voor kinderrechten zoals verwoord in het Verdrag over de Rechten van het Kind. Dat betekent volgens het Child Friendly Cities Handbook dat de mening, de behoeften, prioriteiten en rechten van kinderen (< 18 jaar) een integraal onderdeel vormen van het beleid in de aangesloten steden. Een aantal steden in Europa, waaronder Gent en Leuven zijn voorlopers, net als de Canadese stad Surrey, die een uitgesproken kind- en jongerengericht beleid hebben. Kinderen en hun ouders hebben daar op grote schaal aan meegewerkt. Overigens heeft Rotterdam ook zo’n beleid zonder zich bij deze beweging te hebben aangesloten.

In het Child Friendly Initiative wil een verandering van het denken over deze groep. Uitgangspunt daarbij is kinderen te zien als volwaardige burgers.

Zij moeten op hun eigen wijze bijdragen aan de kwaliteit van de stedelijke samenleving en daarom politiek actief zijn en een rol spelen in beleid op alle terreinen, die voor hen van belang zijn.

De pijlers van een kindvriendelijke stad

Participatie
  • Betrokkenheid bij de totstandkoming van plannen, bijvoorbeeld door workshops.
  • Aandacht te vragen voor hun belangen en worden gehoord.
  • Deelnemen aan politieke besluitvorming, bijvoorbeeld via jongerenraden, jeugdoverleg, discussieforums.
  • Deelnemen aan activiteiten binnen en buiten de woonbuurt die als doel hebben sociale cohesie te versterken.
  • Respectvolle bejegening door medeburgers en gemeentelijke diensten.
Voorzieningen
  • Zelfstandige en tijdige toegang tot programma’s en diensten die de gezonde ontwikkeling bevorderen, ongeacht het inkomen of de achtergrond van de ouders.
  • Voldoende gelegenheid in de directe omgeving en daarbuiten om leeftijdsgenoten te ontmoeten.
  • Kunnen beschikken over een aantrekkelijk aanbod van festiviteiten, kunst en cultuuruitingen.
  • De mogelijkheid om een passende opleiding te volgen en werkervaring op doen en gebruik te kunnen maken van een aantrekkelijk aanbod van banen.
  • Veilig te kunnen leven, zonder buitengesloten, gediscrimineerd of uitgebuit dan wel slachtoffer van criminaliteit te worden.
Wonen en leefomgeving
  • Het recht om te wonen in betaalbare woningen in een aantrekkelijke, schone en veilige omgeving.
  • Leven in familiaire omstandigheden, waar genegenheid, acceptatie en respect wordt ervaren en waar voldoende geld is voor een levenswaardig bestaan van alle gezinsleden.
  • De mogelijkheid om zich op een veilige manier te verplaatsen tussen de woning en relevante voorzieningen.
  • Toegang te hebben tot de natuur, groenvoorzieningen en plaatsen voor sport en spel.
  • Zorgen voor schone lucht en conserveren van de natuur en groene ruimten.

Deze pijlers zijn gedistilleerd uit het Child Friendly Cities Handbook, beleidsplannen van Unicef, de Vlaamse regering en de steden LeuvenGent en Surrey.

Hoe kan betrokkenheid van jongeren uitzien?

Hieronder komen enkele vormen van jongerenparticipatie aan de orde. Onderscheiden worden: deelname aan besluitvorming en betrokken zijn bij de totstandkoming van beleid.

Deelname aan de besluitvorming

Voor dit doel kennen veel steden jongerengemeenteraden (de foto bij de aanhef is van een bijeenkomst van de jeugdgemeenteraad van Raalte), jongerenraden, consultaties en discussiefora. Hier worden geregeld politieke issues besproken die voor kinderen van rechtstreeks belang zijn. Dit gebeurt meestal in aanwezigheid van een of meer wethouders en ambtenaren. 

Jongeren vragen voor veel meer zaken aandacht dan voor ruimte om te spelen of voor ‘hangplekken’. Dit bleek op de in Rotterdam gehouden ‘jongerentop’ (fotocollage boven) die uiteraard sterk onder invloed stond van de impact van Covid-19. Gewezen werd op de jongeren die psychische problemen hebben, geen stageplaats kunnen krijgen, het gevoel hebben een jaar onderwijs te hebben verloren en bovenal hun sociale netwerk hebben zien verdampen.  Op de foto rechtsonder overhandigt Young010-voorzitter Chaimae Fadis de belangrijkste conclusies van de dag (‘de eerste lessen’) aan burgemeester Aboutaleb. Het gemeentebestuur wordt gevraagd te doen wat het kan op het gebied van onderwijs, jeugdzorg en het ‘heropenen’ van de stad.

Deelname aan beleidsvoorbereiding

De meest toegepaste manier om jongeren bij stedelijke ontwikkeling te betrekken zijn workshops, waarbij er parallel groepen voor verschillende leeftijdsklassen aan het werk kunnen. Uitgangspunt is een concreet probleem dat van betekenis is voor de jonge deelnemers, zoals de aanleg van nieuwe fietspaden. Daarbij gaan kinderen eerst het probleem inventariseren.  Op straat maken ze foto’s van gevaarlijke situaties en op school interviewen ze kinderen die met de fiets naar school komen. Een expert van de gemeente helpt hen zo nodig daarbij.  Aan de hand van foto’s discussiëren ze over wat de veiligheid van een fietspad bepaalt en als ze voldoende informatie hebben tekenen ze de ideale situatie, eventueel samen met een professionele ontwerper.

Sommige gemeenten organiseren een netwerk van enige tientallen jongeren, die doorgeefluik zijn van wat er in hun omgeving leeft. De leden van dit netwerk kunnen eventueel zelf gesprekken organiseren met leeftijdsgenoten en de resultaten daarvan gevraagd of ongevraagd aan de gemeente doorbrieven.  Omwille van de continuïteit, is het verstandig als de betrokken gemeente af en toe de contactpersonen uitnodigt om gezamenlijk over de bevindingen en de effectiviteit van de aanpak te praten.

Succesfactoren

Er moet worden voldaan aan een reeks voorwaarden om deelname aan de besluitvorming en aan de beleidsvoorwaarden tot een succes te maken:

  • Zorgen dat raden of werkgroepen een goede vertegenwoordiging zijn van jongens en meisjes en van etnische groepen.
  • Geef nieuwe leden de tijd om ‘al doende’ te leren en daardoor geleidelijk minder perifeer te gaan functioneren.
  • Stel vragen die aansluiten aan bij de directe belevingswereld van de deelnemers.
  • Stel duidelijke rollen met bijbehorende taken vast voor volwassenen, die deelnemen aan het proces (neutrale voorzitter, adviseur, ‘deskundige’).
  • Deelnemende docenten kunnen de rol van facilitator op zich nemen. Ze moeten het proces zo weinig mogelijk beïnvloeden door te gaan doceren.
  • Institutionaliseer deelname van kinderen aan beleidsvoorbereiding en besluitvorming, zodat de overige politieke organen gewend raken ermee rekening te houden.
  • Bied, voor zover noodzakelijk, scholingsmogelijkheden aan de deelnemers aan. 
  • Vraag kinderen niet om nota’s te schrijven, maar om visualisaties zoals maquettes, tekeningen en filmpjes te maken. Laat ze deze presenteren en toelichten.
Beoordeling door de kinderen zelf

Kinderen blijken groepsgewijs deelnemen aan het politieke proces te waarderen.  Vooral de discussie met ‘echte’ experts, het zelf doen van onderzoek, het maken van een plan en het discussiëren daarover, waar mogelijk samen met gemeenteraadsleden. Of het proces bestendig is, hangt ervan af of de politiek het resultaat serieus neemt. Met (een delegatie) van de betrokkenen in gesprek gaan met gemeenteraadsleden is soms al voldoende. Uitleg krijgen over waarom een voorstel niet kan, is ook nodig.

De belangstelling van de neemt sterk af als ‘inspraak’ slechts een verpakking is van het gewone leren, bijvoorbeeld een ‘nagespeelde’ gemeenteraadsbijeenkomst binnen de school. 

Hiermee rond ik het vierluik over het thema jongeren en stedelijke ontwikkeling af. Er moet nog veel werk worden gedaan om de stedelijke ruimte eerlijker met hen te delen. In de eerste twee afleveringen van de reeks illustreerde ik dat aan de hand van de mogelijkheden om te spelen en te bewegen, de verkeersverbindingen en de gebouwde omgeving zelf. In het derde artikel vatte ik een aantal studies samen van wat kinderen er zelf van vinden en in deze laatste aflevering kwam aan de orde hoe jongeren onderdeel van de besluitvormig kunnen worden. 

De drie hartenkreten van jongeren die in elk van de artikelen terugkomen zijn: meer ‘natuurspeelplaatsen’, gezellige plekken om te chillen en veilige autovrije verbindingen in de wijk.

Auteur: Herman van den Bosch

Ik ben hoogleraar aan de Open Universiteit en hou me bezig met regionale ontwikkeling, innovatie en leren. Ik ben bovendien curator van Amsterdam Smart City. Ik zie het streven van steden om smart city te worden in samenhang met duurzame welvaart, rechtvaardigheid en welzijn. Daarom spreek ik bij voorkeur over inclusieve groei

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: