Volgens waarnemingen van de NASA stijgt de zeespiegel gestaag. Hoe gevaarlijk is dat.en wat kunnen we eraan doen? Hierover gaan deze en de volgende posts.
Zeker in Nederland, waar al hoge dijken en andere kunstwerken zijn gebouwd om de zee buiten het land te houden, zal deze opgave steeds lastiger worden. Na de watersnoodramp in 1953 was de overtuiging dat de kustbescherming op een dusdanig hoog plan moest worden gebracht dat een ramp van deze omvang nooit meer kan plaatsvinden. Bijna 70 jaar later is het Deltaplan gerealiseerd.
Helaas zal het plan dit doel niet realiseren.
We weten inmiddels dat het niveau van de zeeën wereldwijd gaat stijgen als onderdeel van de ‘klimaaterfenis’.
Vragen daarbij zijn uiteraard hoeveel de zee zal stijgen en hoeveel dijken verhoogd kunnen worden. Anderen denken na over mogelijke natuurinclusieve oplossingen. Die gaan twee kanten op: In de eerste plaats vertrouwen op natuurlijke processen, bijvoorbeeld verdere aanslibbing en duinvorming. In de tweede plaats laten varen van de idee dat land tot elke prijs voor overstromen behoed moet worden en dat in plaats daarvan uitwijken naar veiliger gebieden is geboden. Gelukkig zijn dit beslissingen die voorlopig nog niet genomen hoeven te worden.
Een ding is zeker; de zeespiegel is wereldwijd de afgelopen 30 jaar met 10 centimeter gestegen en de snelheid waarmee het water stijgt neemt toe.
Dit concludeert de NASA op basis van satellietfoto’s van de afgelopen 30 jaar. De bovenstaande afbeelding laat deze stijging en het regelmatige karakter ervan overduidelijk zien.
Dit patroon doortrekkend leidt tot een zeespiegelstijging van 25 – 30 centimeter in 2050. Deltares heeft voor Nederland een vergelijkbare voorspelling gedaan. Het is daarom realistisch dat Nederland maatregelen voorbereid voor een zeespiegelstijging van 1 meter in 2100 en nadenkt over een langetermijnperspectief van in elk geval twee tot drie meter tussen 2100 en 2300. Bij een stijging van meer dan twee meter is een nieuw Deltaplan nodig.
Hoe kunnen we en vooral onze nazaten met deze dreiging omgaan? Daarop ga ik in de volgende post in.
Beviel deze post? In het e-boek Leven mét de natuur tref je veel vergelijkbare informatie over natuurinclusieve oplossingen voor de inrichting van de ruimte. Je kunt het e-boek hier downloaden.
Ingrijpende maatregelen zijn nodig om Valkenburg en andere gemeenten afdoende te beschermen tegen overstromingen. In deze post tref je de drie belangrijkste aan.
Er zijn ingrijpende maatregelen nodig om het effect van toekomstige overstromingen in het Limburgse heuvelland en in het hele Europese middelgebergte te beperken. In deze post bespreek ik de belangrijkste.
Er mag maximaal 60 m3 water/seconde Valkenburg passeren om te voorkomen dat het water buiten de oever treedt. Hierbij is de rivier tot aan de rand gevuld. Tijdens de overstromingsperiode van 14 en 15 juli 2021 was dat maximaal 130 m3/sec. Om deze veilige grens te bereiken moet vóór Valkenburg minimaal 5 miljoen m3water extra tegengehouden worden. De vraag is hoe.
Betere natuurlijke bescherming
Als eerste komen maatregelen aan de orde die de natuurlijke bescherming tegen overstromingen verder versterken, wat grotendeels neerkomt op het terugdraaien van een deel van de menselijke ingrepen in de natuur. Aan de hoeveelheid grondwater in de ondergrond valt weinig te veranderen. De notitie Analyse klimaatbuffers in het Geul stroomgebied tijdens extreme neerslag in juli 2021 (p. 66 e.v.) somt een reeks maatregelen op om de natuur haar werk te laten doen. De essentie van natuurlijke oplossingen is dat bomen, planten en bodem water langer vasthouden. Voorbeelden zijn: deels vervangen van akkerland door struweelrijk grasland of loofbos; verwijderen drainagebuizen, tegengaan verstening van tuinen, infiltreren in de bodem van regenwater op wegen en in bebouwd gebied, herstel van graften, bevordering van moerasvorming, verbreden en minder diep maken van beken, versnellen meandervorming en uiteraard vermijden van verdere bebouwing in overstromingsgebieden.
Deltares, een onderzoekscentrum op het gebied van waterbeheer, heeft berekend aan de hand van hydrologische modellen dat de piekstroom door Valkenburg met ruim 15% zal verminderden als alle genoemde maatregelen voor 10 à 20% worden uitgevoerd. Meer is vrijwel uitgesloten. Daarmee zijn we er dus niet.
Retentiebekkens
Ook het waterbergend vermogen van de dalvlaktes moet worden uitgebreid. Dat kan op semi-natuurlijke wijze gebeuren door de aanleg van ‘retentiebekkens’. Deze bestaan uit een dijk met een hoogte van 5 of meer meter dwars op de dalvlakte of een deel daarvan. Onder normale omstandigheden stroomt de rivier er gewoon langs of doorgeen via een sluis, maar bij wassend water kan het bekken zich vullen (zie titelfoto).
Deze methode wil men in Duisland op grote schaal toepassen om overstromingen in de toekomst te voorkomen. Er worden plannen uitgewerkt om alleen al in het stroomgebied van de rivieren Ahr en Erft het aantal bestaande Hochwasserrückhaltebecken, zoals retentiebekkens daar heten, uit te breiden tot 50. Samen kunnen die 25 miljoen m3 water bevatten.
Deltares schat dat uitbreiding van de waterberging in de dalvlaktes de piekstroom nog eens met ruim 15% kan verminderen. Ook dat is niet voldoende.
Het is deze week twee jaar geleden dat Valkenburg overstroomde. Maatregelen die herhaling moeten voorkomen worden nog nauwelijks uitgevoerd. Hierover gaan deze en de volgende post.
Op 14 en 15 juli 2021 kreeg het stroomgebied van de Geulle In Limburg en het aangrenzende Waalse deel (in totaal 340 km2) te maken met 128 millimeter regen. Dat zijn 18 emmers per m2. En dat is meer dan tweemaal de inhoud van het stuwmeer achter de dam bij Eupen.
Van al dat water kwam echter minder dan een derde tijdens de overstromingsperiode aan in Valkenburg. De rest werd door de natuur tegengehouden.
De vraag is nu of natuurinclusieve maatregelen dit aandeel verder verhogen? Al voor de watersnood heeft een aantal natuurbeschermingsorganisaties voorstellen gedaan om de natuur zelf te hulp toe roepen bij het voorkomen van overstromingen. Daarover gaat de volgende post. Nu wil ik stil staan bij de oorzaken van de overstroming.
Oorspronkelijk waren de hogere delen van het Europese middengebergte bedekt met uitgestrekte loofbossen en venen. Beide kunnen grote hoeveelheden water vasthouden. Ook de hellingen waren bebost. Hier stroomde het water traag ondergronds omlaag. De dalvlaktes waar het water weer bovengronds kwam, hadden hierdoor een moerasachtig karakter. Hier ontstonden waterloopjes die de rivieren voedden. Deze vonden hun weg door bossen of grazige gebieden om vervolgens kronkelend door de dalvlakte de monding te bereiken.
Door de eeuwen is het karakter van het middelgebergte veranderd: Grote delen van de bossen en venen werden productiebos, akkerland en weiland. Moerassige gebieden werden ten behoeve van de landbouw gedraineerd en op de plateaus en in de dalen ontstonden dorpen en kleine steden.
Vooral bebouwing, wegen en akkers (maïsakkers met name) maken dat de bodem neerslag nauwelijks vasthoudt met meer kans op overstromingen als gevolg.
Op een aantal plaatsen zakt de neerslag die door de bodem wordt vastgehouden verder de ondergrond in. Daar staan andere plaatsen tegenover die nauwelijks grondwater opnemen. Ruwweg kan het stroomgebied van de Geul in twee delen worden verdeeld. In de bovenloop van de Geul vanaf Epen en in het Waalse deel van het stroomgebied overheersen oude gesteenten waarin water bijna niet kan doordingen. Op de meeste plaatsen in de benedenloop van de Geul en haar zijrivieren kan de ondergrond daarentegen veel water bergen. Gemiddeld is hierdoor het waterbergend vermogen van het stroomgebied van de Geul aanzienlijk groter dan dat van de Ahr en de Vesdre.
In het stroomgebied van de Geul werd ongeveer 2/3 van alle neerslag in de overstromingsperiode vastgehouden door planten en bomen, bodem en ondergrond.
Op 14 en 15 juli 2021 stroomde er 12 miljoen m3 door Valkenburg met een snelheid oplopend tot 130 m3water/seconde. Als de neerslag niet voor het grootste deel in het stroomgebied was gebufferd, was de ramp niet te overzien geweest. Of toch wel, dan was het verwoestende karakter van de Geul te vergelijken met dat van de Ahr en de Vesdre. Hier perste zich meer dan 600 m3 water/seconde door tientallen dorpen, waarvan Altenahr en Pepinster de grootste schade leden.
Samenvattend kunnen we stellen dat de hoeveelheid regen, het type ondergrond, de aard van de bodems en de verandering van een natuur- in een cultuurlandschap, inclusief wegen en bebouwing, samen het karakter van de overstroming in Valkenburg hebben bepaald. Met deze omstandigheden moet dus rekening worden gehouden bij de keuze van de maatregelen die het stromingsgebied van de Geul voor een nieuwe ramp moeten behoeden.
Je treft het tweede deel van deze post aanstaande donderdag 13 juli op deze plaats aan.
Nederland liep in de wereld voorop met de uitvoering van de idee dat rivieren de ruimte geven de beste manier is om overstromingen tegen te gaan. In deze post laat ik zien hoe China deze aanpak inmiddels op grote schaal toepast.
Dit is de eerste post in een reeks over het wassende water. Aanleiding is de watersnoodramp die twee jaar geleden een aantal plaatsen langs onder andere Ahr, Vesdre en Geul trof. Volgende week ga ik in een tweetal posts in op de oorzaken van deze overstromingen en de maatregelen om herhaling te voorkomen. Met de uitvoering van deze maatregelen – ook de rivieren de ruimte geven – wil het nog niet erg vlotten.
De nieuwe visie van de Chinese overheid op de rol van de natuur in stedenbouw, komt ook tot uitdrukking in de opvattingen over waterbeheer. Dit nieuwe beleid leidde ook tot eerherstel van Yu Kongjian. Zijn visie stond haaks op het gangbare beleid om rivieren in te dammen en te omgeven door dijken. Hij pleitte ervoor om de natuurlijke hydrologie te herstellen die door deze kunstwerken is verstoord.
Twintig jaar geleden bracht Yu en zijn team in kaart welke delen van Beijing een hoog risico liepen op overstromingen. Hij adviseerde deze onontgonnen te laten en te gebruiken voor de berging van regenwater. Regeringsfunctionarissen negeerden hem. In juli 2012 sloeg het noodlot toe. De grootste storm van Peking in meer dan 60 jaar bracht 18 centimeter regen mee en veroorzaakte grote overstromingen.
Kort daarna kondigde president Xi Jinping een landelijk programma aan dat ‘sponssteden’ werd genoemd. Het stedelijk gebied moest weer gaan functioneren als een spons die water absorbeert en dat vervolgens langzaam afgeeft. In 2015 begon de centrale overheid met demonstratieprojecten in 16 steden en in 2016 kwamen er nog 14 bij, met als doel dat 100 steden met meer dan 1 miljoen inwoners 70% van de gemiddelde jaarlijkse regenval binnen hun grondgebied vasthouden. Inmiddels is het sponssteden principe geïmplementeerd in 100 steden en opgenomen in de masterplannen voor 538 steden.
De fotocollage toont enkele voorbeelden. Ik licht het Quinli stormwater wetland park wat uit (linksboven). De omvang van dit park is ruim 34 hectare en dit voormalig beschermde ‘wetland’ is omgeven door de dichte bebouwing van een nieuwe stad. Hierdoor is de relatie met de het oorspronkelijke bronnengebied verbroken en was het gebied was gedoemd op te drogen. De idee was om de resten van dit natte gebied te transformeren in een ‘groene spons’ en daarmee ook andere ecosysteemdiensten tot ontwikkeling te laten komen op het gebied van gezondheid, beleving en recreatie.
Het centrale deel van het gebied bleef onaangetast, waardoor het op natuurlijke wijze kan evolueren en transformeren. Eromheen werd een ring van vijvers en heuvels aangelegd, door grond af te graven en te verplaatsen. Regenwater uit de bebouwde omgeving wordt via buizen geloosd in deze zone waar het water langs natuurlijke weg wordt gefilterd en zich vervolgens een weg zoek in de binnencirkel van ‘wetlands’. De heuvels zijn beplant met inheemse zilverberken en deze groeien uit tot een dichte bosomgeving. De zone van vijvers en heuvels is ook een aantrekkelijk recreatiegebied door een netwerk van paden met verhoogde loopbruggen en uitkijktorens, ook om het gebied bij hoog water toegankelijk te houden.
China heeft de afgelopen jaren in de zomer met zware neerslag te maken gehad. Hierdoor kreeg de ‘oude’ infrastructuur van dijken en dammen het zwaar te verduren, maar ook de jonge sponssteden. In de zomer van 2021 vonden overstromingen plaats in een van de steden met een groenblauwe infrastructuur, Zhengzhou. Er viel meer dan 20 centimeter regen in een uur. 400.000 mensen werden geëvacueerd en bijna 300 bewoners kwamen om het leven.
Dit riep de vraag op of een gebied van enkele tientallen hectaren afdoende is voor toepassing van het sponsprincipe.
De belangrijkste les was dat het sponsprincipe binnen het hele bovenstroomse gebied toegepast had moeten worden. Hier moet ruimte komen voor natuurlijke uiterwaarden, die de afvoer van water naar de steden stroomafwaarts vertragen. We zullen deze idee ook tegenkomen als we stil staan bij de overstromingen die in 2021 grote delen van Duitsland en België en ook het Limburgse heuvelland troffen.
Beviel deze post? In het e-boek Leven mét de natuur tref je veel vergelijkbare informatie over natuurinclusieve oplossingen voor de inrichting van de ruimte. Je kunt het e-boek hier downloaden.
Met AI kunnen oorzaken van boomziekten worden opgespoord. Wegen de kosten daarvan op tegen de baten? We weten immers dat het klimaatverandering is die de meeste stadsbomen bedreigt. Ik bepleit daarom prioriteit voor verduurzamen van het bomenbestand.
Diagnostiseren van de gezondheid van de bomen
Bomen hebben het zwaar. Dat komt deels door ziekten, zoals de iepziekte maar vooral door droogte, hitte en luchtverontreiniging, verschijnselen die zij ook worden geacht te bestrijden.
TreeTect is een open source algoritme die met objectdetectie bomen identificeert en indicaties van hun gezondheid kan geven.
City Watch heeft dit programma toegepast in meer dan 30 steden, waaronder Boston, Jakarta en Amsterdam met als doel stadsbomen in kaart te brengen en te beheren. De basis hiervan zijn satellietbeelden met een hoge resolutie die met kunstmatige intelligentie worden geanalyseerd, ook om uitspraken te kunnen doen over de gezondheidstoestand van elke boom.
De gegevens van dit soort waarnemingen geven een beeld hoe het met bomen in het algemeen is gesteld, bijvoorbeeld op wijkniveau. Ze zijn onbruikbaar om als basis voor de behandeling van individuele bomen. Dat was wel het doel van de stad Leoben
De stad Leoben past digitale technologie op meer kleinschalige wijze toe, met het oog op de verzameling van gegevens voor het onderhoud van de bomen. De stad heeft samen met Greenhill een ‘digital twin’ gemaakt van 3000 bomen om deze online te kunnen monitoren. De gegevens worden verzameld met behulp van drones, mobiele laserscanners, lidar en zeer gevoelige camera’s. Beelden worden gemaakt op dezelfde manier als Google dat doet voor Street View, maar met een driemaal hogere resolutie. Deze gegevens worden aangevuld met satellietgegevens.
Met deze gedetailleerde informatie kunnen inspecties op afstand worden uitgevoerd, zodat er meer tijd is voor de verzorging en behandeling van de bomen.
Bomendichtheid per wijk
Wereldwijd bestaan grote verschillen op wijkniveau tussen de hoeveelheid bomen en ander groen. Buurtcomités die hier verandering in willen brengen hebben behoefte om te weten hoe het in hun wijk is gesteld met de hoeveelheid groen.
De Tree Equity Score (TES) is webapplicatie die op buurtniveau aangeeft of er genoeg bomen zijn zodat iedereen de gezondheids-, economische en klimaatvoordelen van bomen kan ervaren. Scores zijn gebaseerd op oppervlakte van de boomkruin, temperatuur, inkomen, werkgelegenheid, leeftijd en gezondheidsfactoren. Een 0- tot 100-puntensysteem maakt het gemakkelijk om te begrijpen hoe een buurt het doet. Er zijn score voor alle 150.000 buurten en 486 gemeenten in verstedelijkte gebieden in de VS met ten minste 50.000 inwoners. Hier is meer dan 70% van de Amerikaanse bevolking woonachtig. De bovenstaande afbeelding geeft een voorbeeld van wat deze applicatie oplevert.
Interactieve technologie als planningstool.
Behalve het inventariseren van het aantal bomen, hun toestand en hun effect hebben steden ook behoefte aan interactieve ‘tools’ waarmee de impact van de uitbreiding van het bomenbezit kan worden gesimuleerd en daardoor voor de beste locatie kan worden gekozen.
In Nederland is hiervoor de Groene Baten Planner in ontwikkeling. Dit is een digitale replica van de fysieke leefomgeving (‘digital twin’) en kan op het niveau van een woon- en werkgebied het effect simuleren van toevoegen van groen en water, maar ook van het toevoegen of verwijderen van ‘grijs’, zoals parkeerplaatsen. De Groene Batenplanner is onder andere gebruikt bij de ontwikkeling van de wijk Schuilenburg in Amersfoort. De gemeente heeft de uitkomsten gebruikt bij gesprekken met bewoners over de inrichting van de wijk. Dit filmpje geeft inzicht in de werking van de Groene Baten Planner.
Vaak wordt gezegd dat meten weten is, maar weten is iets anders dan doen. Gemeenten die besluiten om kostbare technologie als hiervoor benoemd in te zetten moeten eerst afwegen welke nieuwe inzichten deze kan opleveren. We weten immers allang dat klimaatverandering álle bomen bedreigt. In dat geval kan geld dat aan kostbare projecten als de bovenvermelde wordt besteed, beter rechtstreeks bestemd kan worden voor het verduurzamen van de bomenpopulatie.
Beviel deze post? In het e-boek Leven mét de natuur tref je veel vergelijkbare informatie over natuurinclusieve oplossingen voor de inrichting van de ruimte. Je kunt het e-boek hier downloaden
In mijn vorige post heb ik in grove trekken de inhoud samengevat van ‘Wat Nu!?’, het nieuwe boek van Thijs Homan en Rob Wetzels. In deze post diep in enkele aspecten in gesprek met Thijs Homan verder uit.
Thijs Homan en Rob Wetzels zijn respectievelijk emeritus hoogleraar verandermanagement aan de Open Universiteit en kerndocent duurzaamheid aan de Nyenrode Business School.
Ben politiek actief, betrokken bij de milieubeweging of zet je je in voor veranderingen van geheel andere aard? Dit boek moet je lezen en laat je vooral niet afschrikken door de omvang (bijna 400 pagina’s), want het blijft boeien tot de laatste pagina. In deze post ga ik dieper in op het nieuwe boek en ik heb Thijs Homan gevraagd te reageren op een paar kritische kanttekeningen.
Dankzij Thijs ben ik al indertijd anders tegen management gaan aankijken. Dat was niet pijnloos.
Hij was collega, maar als decaan van de faculteit managementwetenschappen was ik ook zijn baas. Ik gedroeg me precies als de ‘zadelzitters’ die Thijs en Rob in hun boek beschrijven. Ik dacht dat acceptatie van mijn plannen ‘vanzelf’ tot de gewenste veranderingen zou leiden. Niet dus. Thijs maakte me duidelijk dat echte veranderingen kunnen emergeren in gesprekken tussen mijn collega’s, studenten onderling en met mij. Dit impliceert dat je als manager nooit volledig in control bent. Zeker niet als ‘zadelzitter’.
Mijn eerste vraag aan Thijs is om de parallel tussen organisatieverandering en grootschalige verandering met het oog op het klimaat nog eens uit te leggen.
(Thijs)Het is volgens ons zo, dat veel partijen in het klimaatveld, de overheid, de milieubeweging en de klimaatontkenners vanuit een ‘zadelzittende’ manier proberen gedragsverandering te bewerkstelligen. Het uitgangspunt hierbij is dat je vanuit een buitenstaanderspositie door de juiste acties, interventies en regels in staat bent om het gedrag van grote groepen anderen te veranderen (’wij-gaan-hen-veranderen’). Net zoals managers en bestuurders dat in organisaties aan het doen zijn. Met dit boek hebben we duidelijk willen maken dat (grootschalige) gedragsverandering op een heel andere manier tot stand komt.
Gedragsverandering ontstaat in lokale en concrete conversaties die plaatsvinden in talloze gremia, variërend van je gezin, vriendenclub, bedrijf of organisatie (‘wij-veranderen’).
Een kenmerk van het huidige klimaatdebat is volgens ons, dat er in het klimaatveld sprake is van een grote verzameling partijen, gremia, instanties en organisatie, die vanuit een wij-gaan-hen-veranderen-insteek een niet aflatende stroom aan publicaties, blogs, tv-uitzendingen, boeken, rapporten en artikelen en en noem maar op aan het produceren zijn. Deels betreft dit broadcasting (boek, p. 303), waarbij men zich richt op het brede publiek. Deels gaat het om narrowcasting (p. 303), waarbij men zich op specifieke doelgroepen richt om die te overtuigen van de eigen standpunten. Hoe goed bedoeld ook; bij elkaar opgeteld leidt dit tot een kakafonie van geluiden, perspectieven en verhalen, waar de gemiddelde burger (manager, bestuurder, ouder) maar lastig chocolade van kan maken (zie p. 308 voor een voorbeeld). De concrete betekenis die men aan al deze informatie geeft wordt volgens ons niet bepaald door de inhoud en vormgeving van die ’castings’zelf. Dergelijke betekenisgevingen ontwikkelen zich in ‘chocolade-makende’- lokale conversaties, waarbij reeds aanwezige betekenisgevingen, interactiepatronen en ervaringen uit het verleden van grote invloed zijn op datgene wat men met al die informatie doet. Hoe zich uit dergelijke lokale gesprekken grootschalige gedragspatronen ontwikkelen en hoe diezelfde patronen veranderen, daar gaat het boek over.
(Herman) Maar hoe kijken jullie dan tegen de overheid aan? En – breder – tegen bestuurders, leiders en managers? Die hebben toch formele posities en bevoegdheden om regels, plannen en doelen aan hun ‘onderdanen’ op te leggen? De overheid heeft door de wet bepaalde taken en bevoegdheden, wordt parlementair gecontroleerd of ze ‘in control’ is en beschikt over een aanzienlijke uitvoeringsmacht. De mensen moeten toch gewoon doen wat de overheid (of hun managers, etc.) hen opdragen?
(Thijs) Op zich klopt het natuurlijk helemaal van die formele taken en bevoegdheden. Maar het sociale complexiteitsperspectief zoals wij dat in het boek uiteenzetten, kijkt hier toch anders tegen aan. Naar ons idee is er namelijk nooit sprake van een een-op-een relatie tussen datgene dat formele partijen aan anderen opdragen enerzijds en wat die anderen vervolgens doen anderzijds. Opnieuw zijn het ook hier weer de lokale conversaties die met wit spelen. Hoe heeft men het over die formele regels en opdrachten? Welke betekenis geeft men eraan? Kijk in dit verband maar eens naar de ontwikkelingen in het stikstofdebat.
Formeel gesproken liggen de doelen (zeker op Europees niveau) vast. Maar dat wil niet zeggen dat die doelen dan een-op-een gaan leiden tot gedragsveranderingen.
Ik gaf al aan dat er sprake is van een kakafonie van geluiden, visies en optieken als het om het klimaat gaat. Bij het in lokale conversaties chocolade proberen te maken van al dit ‘lawaai’ is er steeds opnieuw sprake van ‘selecteren’ en ‘waarderen’. Als je met een paar collega’s, je gezingsleden of in een managementteam met elkaar zit te praten, dan is als eerste dat ‘selecteren’ aan de orde. Concreet: het zoveelste IPCC-rapport is verschenen, waarbij er opnieuw wordt gehamerd op de noodzaak voor drastische ingrepen. ‘Selecteren’ gaat over de vraag of wij het in ons eigen gesprek überhaupt over dat rapport gaan hebben. Besteden we er aandacht aan of zijn andere dingen belangrijker? Als we dat rapport in ons gesprek inderdaad aan de orde stellen, dan is de tweede stap ‘waarderen’: welke betekenis geven we eraan?
(Herman) Dus eigenlijk zeggen jullie dat je als overheid en als formele manager en bestuurder maar beter kan stoppen omdat je geen invloed hebt?
(Thijs) Dat zeggen we juist niet! Gegeven hun positie, maken de boodschappen (‘castings’) van overheden (managers, bestuurders) een grotere kans om in lokale conversaties geselecteerd te worden, dan de boodschappen van veel van de andere ‘casters’. Maar hoe men deze boodschappen vervolgens waardeert; welke betekenis men er aan geeft, ontwikkelt zich in de daarop volgende interacties waarbij de lokale betekeniswolken die er al leven van grotere invloed zullen zijn dan de castings-zelf.
De implicatie van dit perspectief is dat het sec verzenden van (goedbedoelde) boodschappen over de klimaatproblematiek en over de noodzaak tot gedragsverandering, maar een klein onderdeel van het grotere verhaal is.
Dat grotere verhaal gaat over lokale interacties waar men in de onderlinge interacties betekenis geeft aan datgene dat jij (en parallel daaraan vele anderen) aan boodschappen verzendt. ‘Invloed’ op gedrag heeft volgens ons weinig te maken met ‘goed zenden’.
Invloed heb je pas als je meedoet in lokale conversaties, waar betekenissen ontstaan over datgene dat men hoort, ziet, voelt en meemaakt. Daarom zul je als ‘zadelzitter’ verbinding met deze interacties moeten zoeken. En dat is hard werken. Nu is het ten enen male onmogelijk om deel te nemen aan al de lokale betekenisgevende gesprekken. Dit maakt dat er naar ons idee sprake is van een sturingsparadox: hoe kan ik als (formele) partij of persoon verantwoordelijk zijn voor het realiseren van bepaalde resultaten, terwijl ik feitelijk maar in beperkte mate in control ben? Harder gaan pushen, alleen nog maar meer gaan ‘casten’ heeft wat dat ‘in control-zijn’ betreft juist vaak een averechts effect.
(Herman) Ik denk dat dit betekent dat je als Minister van Landbouw en Milieu bij wijze van spreken meer in gesprek bent met boeren(organisaties) en milieugroeperingen dan met je ambtenaren. Maar vooral dat je in die gesprekken ook geïnteresseerd bent in de consequenties van hun visie op het beleid en daar oprecht rekening mee wil houden.
(Thijs) Klopt. Maar ook daar valt volgens ons nog wel wat meer over te zeggen. Ons punt is namelijk dat gesprekken interactiedynamieken betreffen die ‘complexe’ kenmerken hebben. Dit maakt dat er zich in gesprekken dingen kunnen ontwikkelen die niemand van tevoren had bedacht, gepland of voor mogelijk had gehouden. ‘Geïnteresseerd zijn in de consequenties van jouw beleid’ suggereert dat er ‘objectieve’ consequenties zouden zijn, die iedereen op dezelfde manier ziet en ervaart. De clou is juist dat het gesprek niet alleen over die consequenties gaat, maar dat er ook daar een dynamiek van selecteren en waarderen aan de orde is. Wil jouw gesprekspartner het überhaupt wel over die consequenties hebben? En zo ja, welke betekenissen (emoties, reacties en acties) roept dat op; zowel bij die gesprekspartners als bij jouzelf?
Wie weet ontstaan er tijdens het gesprek bij jouzelf hele nieuwe betekenissen over datgene dat je van oorsprong belangrijk vond.
Het wij-gaan-hen-veranderen-perspectief zegt: ‘als ik nou maar voldoende interesse toon in hun visies, dan gaan ze op den duur wel mee’. Het wij-veranderen-perspectief maakt duidelijk dat gesprekken kunnen leiden tot hele nieuwe betekenisgevingen, doelen, afspraken en vervolgactiviteiten van allebetrokkenen; ook van jouzelf. Precies daar ligt ook onze hoop voor positieve ontwikkelingen in het klimaatdebat.
(Herman) Zou de overheid zich misschien ook wat terughoudender moeten opstellen?
(Thijs) Het sociale complexiteitsdenken vat verandering op als een polycentrische dynamiek waarbij er nieuwe gedragspatronen ontstaan door en in al de lokale interacties van iedereen. Zoals ik al zei, stikt het in het klimaatveld van de verhalen, opinies, opvattingen, onderzoeken en interpretaties ervan en ga zo maar door. In het verlengde daarvan is het klimaatveld bezaaid met een enorme hoeveelheid gremia, organisaties, instanties, clubs en bewegingen. Er zitten dus veel meer partijen aan het stuur te trekken dan alleen de overheid en de formele bestuurders en bestuursorganen. Bovendien is ‘de overheid’ ook geen monoliet die als een soort coherente eenheid acties onderneemt, wetten en regels uitvaardigt, subsidies verstrekt et cetera. De overheid bestaat zelf ook weer uit een groot aantal verschillende organisaties, clubs, lagen, instanties en noem allemaal maar op. Ondanks het feit dat hetgeen overheden (en formele bestuurders) zeggen een wat grotere kans heeft om in lokale interacties geselecteerd te worden, wil het niet zeggen dat ‘de overheid’ als geheel meer invloed heeft dan al de andere partijen. Nog steeds ga je, als je er zo tegen aankijkt uit van het wij-gaan-hen-veranderen perspectief: hoe kan ik als individuele partij door de juiste dingen te doen andere partijen naar mijn hand zetten?
Er is volgens ons – om een populaire term te gebruiken – geen ‘eindbaas’ die al dit geharrewar kan overzien en wiens directieven een-op-een door iedereen worden overgenomen, leidend tot uniforme grootschalige gedragspatroonveranderingen.
Wat er volgens ons is, is juist dat er sprake is van een grote hoeveelheid actoren (‘entiteiten’) die allemaal op hun eigen manier bezig zijn met het proberen invloed te krijgen op andere actoren; zònder dat een van de actoren dus de ultieme soevereine macht in handen heeft om anderen te laten doen wat zij nodig acht.
Als je uitgaat van zo’n beeld (heel veel actoren die allemaal invloed aan het uitoefenen zijn op andere actoren) dan levert het complexiteitsperspectief naar ons idee juist veel accuratere inzichten op over grootschalige gedragspatroonverandering, dan het sturingsdenken dat ten grondslag ligt aan het wij-gaan-hen-veranderen-perspectief.
Op het moment dat er wetgeving nodig is, is de overheid uiteraard aan zet. Maar of dat tot grootschalige gedragspatroonverandering zal leiden is zeker niet gegarandeerd. Andersom kan het ontstaan van patroonveranderingen juist ook plaatsvinden zonder dat de overheid daar een leidende rol in speelt. In dit verband meen ik juist tal van nieuwe (grootschalige) patronen in het bedrijfsleven te ontwaren. Waarbij er steeds meer gesprekken worden gevoerd, waarbij winst en omzet niet meer de centrale legitieme thema’s vormen en er andere thema’s ‘legitiemer’ worden (zoals: hoe moreel verantwoord zijn we als organisatie bezig als we gif in de rivier lozen?’).
(Herman) Ik zit nog met een andere vraag. Jullie hebben het over ‘betekeniswolken’. Deze bevatten, zo schrijven jullie, bepaalde visies, idealen, waarden, normen en gedragsintenties die grote groepen mensen met elkaar delen en in hun onderlinge interacties herhalen. Zeker als die wolken wat langer bestaan, ervaren diegene die onderdeel van die wolken uitmaken die visies en idealen (et cetera) als volstrekt waar, logisch en normaal. Jullie zeggen dan hierbij een pluralistisch perspectief te hanteren.
Mijn vraag is nu betekent de keuze voor een pluralistisch perspectief op de ontwikkelingen in en van het klimaatveld dat alle uitspraken over hoe de wereld in elkaar zit die je in betekeniswolken over het klimaat aantreft, dezelfde mate van geldigheid hebben?
(Thijs) Nee. In het boek nemen we expliciet een bepaalde positie in. Je zou ook kunnen zeggen: we geven aan dat wij tot een bepaalde betekeniswolk behoren die wij als ‘geldiger’ ervaren dan veel van de andere betekeniswolken over de thematiek van het klimaat. Daarbij vatten we de klimaatverandering op als een reëel probleem, waarbij we aangeven dat er in het wetenschappelijke onderzoek daarvoor meer dan genoeg aanwijzingen zijn. Maar dit is niet de kern van ons betoog.
De term ‘pluralistisch’ ontlenen we aan het boek ‘The crooked timber of humanity’ van de Britse politicoloog Isaiah Berlin.
Berlin’s ‘pluralisme’ gaat ervan uit dat er voorafgaande aan al de interactiedynamieken in de maatschappij géén a priori, geprivilegieerde of formele patronen aanwezig zijn die vooraf bepalen hoe de interacties zouden moeten verlopen en welke patronen er zouden moeten ontstaan.
Patronen ontstaan pas in de (lokale, dagelijkse) interacties van en tussen al de entiteiten. Regels, waarden, wetten, instituties vormen zodoende geen formatieve inputs voor de interacties tussen alle entiteiten, maar zijn volgens ons juist het emergente resultáat daarvan.
Dat de wetenschap en bijvoorbeeld ook de mensenrechten in het Westen belangrijke en dominante instituties zijn betwijfelen we niet. Tegelijkertijd zijn het instituties, waarvoor net als andere instituties geldt dat zij ‘are talked into existence’. Kort door de bocht geformuleerd worden dergelijke instituties (door veel mensen) als waar en geldig ervaren; niet omdat ze per sé ‘objectief’ aantoonbaar en bewijsbaar zijn, maar omdat veel mensen het er in hun eigen conversaties op die manier over hebben.
Het pluralistische uitgangspunt maakt bovendien de weg vrij om te laten zien dat er naast de gebruikelijke betekenisgevingen over de klimaatproblematiek ook andere betekenisgevingen bestaan, die de wetenschappelijke inzichten soms gewoon naar de prullenbak verwijzen. Aangezien ook dit soort betekenisgevingen door grote groepen mensen in hun onderlinge gesprekken worden herhaald, ervaren de betrokkenen deze visies en standpunten ook als waar en geldig. ‘Objectief’ gezien kan dit niet; het wetenschappelijke onderzoek toont overduidelijk aan dat het verkeerd aan het gaan is met onze planeet.
Maar de ervaren realiteit (withness-perspectief, zie pp. 86 – 87) zal voor veel mensen een heel andere zijn. Denk in dit verband ook maar eens aan de hardcore Trump-aanhangers, die er totaal van overtuigd zijn dat het klimaatgedoe een truc van de Democraten (of reptielen) is om hen de ‘American way of life’ af te pakken.
(Herman) In het verlengde hiervan is de klimaat’discussie’ inmiddels steeds meer een gepolariseerd debat aan het worden, waarbij partijen zich opstellen als: ‘I am right, and you are an idiot’. Het boek ‘Wat Nu!? is wat mij betreft een spiegel voor alle deelnemers aan de klimaatdiscussie en geeft deze talloze aanwijzingen om die discussie op een hoger plan te brengen en zo meer effectief handelen mogelijk te maken.
In deze discussie wijs ik persoonlijk twee posities af. In de eerste plaats de categorische ontkenning van de rol die ‘de mensheid’ in de opwarming van de aarde. In de tweede plaats ook het uitspreken van toekomstverwachtingen die niet door de bestaande kennis worden gerechtvaardigd. Deze leiden alleen maar tot angst, onzekerheid en ontkenning.
Met verstokte ‘klimaatontkenners’ discussiëren heeft niet zo veel zin. Ik vrees dat ‘het Aardse’ (zie Thijs’ en Rob’s boek, p. 65) uiteindelijk het laatste woord heeft.
Klimaatontkenners zullen het steeds moeilijker krijgen om hun standpunt vol te houden naarmate de hitte, de bosbranden, de overstromingen en het watertekort ook in onze omgeving voelbaarder worden.
Er zijn echter zo veel ànderen om in lokale conversaties en acties samen te zoeken naar manieren om de opwarming van de aarde te helpen matigen. Wil je voelsprieten ontwikkelen voor de machtsdynamieken en processen in jouw eigen interacties met hen, dan biedt Thijs’en Rob’s boek een schatkist aan inzichten, concepten en praktische voorbeelden.
Op 9 juni verschijnt het nieuwe boek van Thijs Homan en Rob Wetzels over de stagnatie van de strijd tegen de klimaatverandering. Lees hier mijn bespreking van dit boek
Wat Nu!? is de naam van een boek over grootschalige verandering van gedragspatronen met een focus op de klimaatproblematiek. De auteurs zijn Thijs Homan, emeritus hoogleraar organisatieverandering aan de Open Universiteit en Rob Wetzels, voormalig kerndocent duurzaamheid aan Nyenrode Business Universiteit. Het boek is vanaf 9 juniin de boekwinkel verkrijgbaar.
Het was een voorrecht en genoegen om als eerste lezer kennis te hebben mogen maken met de inhoud van dit boek. Het boeit direct en dat neemt tijdens het lezen alleen maar toe.
Het boek gaat over maatschappelijk uiterst relevante onderwerpen. In de eerste plaats de crisissen waarmee we worden geconfronteerd waaronder de klimaatproblematiek, die in het boek als casuïstiek wordt behandeld. In de tweede plaats grootschalige gedragsverandering die nodig is om aan dergelijke crisissen het hoofd te bieden en die vooralsnog maar mondjesmaat tot stand komt.
In het eerste deel van het boek stellen de auteurs het gangbare perspectief op veranderen, waarbij de veranderaar zich buiten het te veranderende veld plaatst (‘wij gaan hen veranderen’) tegenover – deels naast – een alternatieve benadering (‘wij veranderen’). Daarbij kiezen ze geen toeschouwersperspectief (‘aboutness’) maar gaan ze uit van een ‘withness‘-perspectief: Wat maak je zélf mee als je met anderen interacteert en probeert verandering te weeg te brengen? Wat doe je precies?
‘Wij gaan hen veranderen’
Het gaat niet goed met de strijd tegen de klimaatverandering. Maatregelen komen maar langzaam van de grond en roepen vaak hevig verzet op. Thijs Homan is maar al te bekend met deze processen. Veel opgelegde en uitgestippelde veranderprocessen in bedrijven en andere organisaties leveren niet het gewenste effect op. Medewerkers verzetten zich er vaak tegen en kennen talloze manieren om aan de gevolgen ervan te ontsnappen.
De auteurs ziet veel parallellen met het ‘klimaatveld’. Ook hier roept een breed scala aan organisaties, variërend van overheid, politieke partijen en milieuorganisaties, burgers op hun gedrag te veranderen. Dit boek toont aan dat de gangbare strategieën van grootschalige gedragsverandering een groot risico lopen te mislukken omdat ze voorbij gaan aan de essentie van dit soort veranderprocessen.
In het gangbare sturingsmechanisme van veranderprocessen is sprake van een onderscheid tussen degenen die klimaatambities, -doelen, -akkoorden en -plannen opstellen en diegenen die als gevolg van deze plannen hun gedrag moeten veranderen. Dit ‘wij-gaan-hen-veranderen’-perspectief gaat ervan uit dat de beoogde grootschalige gedragsverandering het resultaat is van de juiste implementatiemethoden en transitiestrategieën door degenen die de verandering willen bewerkstelligen.
Geen enkele inwoner in een vrij land is echter bereid te veranderen, alleen omdat de bestuurders dat willen.
‘Wij veranderen’
De auteurs geven de lezer daarom een aanvullend perspectief met het bijbehorende vocabulaire mee om in verandertrajecten te stappen die mogelijk wel effectief zijn.
Tegenover het ‘wij-gaan-hen-veranderen’-perspectief plaatsen Thijs Homan en Rob Wetzels het ‘wij-veranderen’-perspectief dat zij ontlenen aan het sociale complexiteitsdenken.
Menselijk gedrag en de betekenis die dat voor de betrokkenen heeft, verandert alleen onder invloed van directe interactie-ervaringen met andere mensen, voornamelijk in de directe omgeving: Klimaatproblemen ‘are talked into existence’. Mensen zijn betrokken bij talrijke interacties en daarbij ontstaan gemeenschappelijke denkbeelden, ‘betekeniswolken’ in de terminologie van Homan en Wetzels. Belangrijk vanuit een veranderingsperspectief is dat de manier waarop mensen over ‘het klimaat’ denken niet in beton is gegoten. Hoe het precies zit, weten ze soms niet en ook over de consequenties bestaan twijfels. Op deze punten zijn ze gevoelig voor meningen van anderen: ‘The cracks where the light gets in’.
Hoe interacties tussen mensen in uiteenlopende groepsverbanden, variërend van huiskamergesprekken tot vergaderingen in directies van internationale ondernemingen, verlopen is de kern van deel 2 van het boek van Homan en Wetzels. De lezer maakt uitvoerig kennis met de talloze dynamieken die bij concrete interactieprocessen aan de orde zijn als er sprake is van gedragsverandering. Daarbij tonen ze aan dat het juist onze eigen concrete dagelijkse interacties zijn (inclusief alle gedachten en emoties die we daarbij zelf ervaren) die uiteindelijk de basis vormen voor grootschalige veranderingen met een wereldwijze strekking: ‘Real and lasting change is not imposed. It emerges’.
Machtsverschillen
In concrete interactiedynamieken tussen gesprekspartners ontstaan machtsverschillen, die op hun beurt een stempel drukken op de manier waarop men met elkaar verder praat; welke thema’s wel aan de orde kunnen komen en welke onderwerpen, visies en standpunten juist niet meer geaccepteerd worden. Hand in hand gaande met het ontstaan van machtsverschillen tekenen zich ook rollen en posities af en in het verlengde daarvan lokale sociale identiteiten: ‘wie ben ik hier in dit gesprek?’, ‘wat kan ik hier wel en wat kan ik hier niet maken?’. Precies dit zijn de gedragspatronen waar Homan en Wetzels het over hebben. Waarbij ze glashelder maken dat gedragspatroonverandering niet iets abstracts is, maar een-op-een te maken heeft met het veranderen van lokale machtsverhoudingen. Dergelijke machtsverhoudingen veranderen niet omdat een buitenstaander die managet of een interventie doet. Maar ze ontstaan als sommige gespreksdeelnemers spontaan of heel bewust andere dingen doen en zeggen, dan tot dan toe gewenst en gebruikelijk. Het hangt daarbij vervolgens van de reacties van de andere gespreksgenoten af welke betekenis deze andere activiteiten of uitspraken krijgen. Als anderen positief reageren ontwikkelt zich een ruimte voor het nieuwe idee of het nieuwe gedrag, wat zich dan verder kan gaan ontwikkelen. Eenmaal enthousiast geworden over de gedragsverandering zal men hierover met anderen in gesprek gaan. Ook in die gesprekken zijn precies dezelfde dynamieken aan de orde.
Als het nieuwe idee of gedrag ook daar postvat, zullen die ideeën en gedragingen op den duur in steeds meer gesprekken herhaald gaan worden, er toe leidend dat er zich in al die gesprekken bepaalde convergente gezichtspunten en gedragspatronen ontstaan.
Ontwikkeling van patronen
Wereldwijd vinden miljarden ‘conversaties’ plaats, die uiteindelijk allemaal een lokaal karakter hebben waarbij concrete mensen met concrete anderen in gesprek zijn. Er is sprake van verandering van grootschalige gedragspatronen als er zich in al die gesprekken bepaalde nieuwe visies en betekenisgevingen aftekenen, die in steeds meer gesprekken herhaald gaan worden en (onder meer ondersteund door de sociale media) zo op den duur de hele wereld over kunnen gaan. De auteurs spreken in dit verband over ‘betekenisreizen’. Onderzoekers in de VS stelden vast dat in de VS in het denken over ‘klimaat’ zes grootschalige patronen zijn te herkennen (zie afbeelding). Deze patronen zijn door de jaren betrekkelijk stabiel en vanwege het ‘grensoverschrijdende’ karakter van een aantal ‘lokale groepen’, denk aan families, wetenschappers met internationale contacten, zakenrelaties, zullen deze patronen met de nodige nuances een wereldwijd karakter hebben.
Aan de ontwikkeling van deze patronen is geen enkele vorm van regie voorafgegaan. Het gaat om ‘emergerende’ denkbeelden die ontstaan in lokale conversaties die zich wereldwijd uitkristalliseren.
Overigens betekent dit niet dat mensen die hetzelfde ‘label’ opgeplakt krijgen ook allemaal precies hetzelfde denken en doen, daarvoor zijn de benamingen te abstract. Anderzijds hebben diezelfde grootschalige patronen wel degelijk effect op het dagelijkse gedrag omdat ze houvast geven, men zich ermee identificeert en ze een sociale status geven. In dit verband wijzen Homan en Wetzels erop dat er altijd sprake is van meerdere patronen die naast elkaar aanwezig zijn. Een kenmerkende tendens hierbij is dat men vanuit een toeschouwersperspectief andere patronen labels op gaat plakken vergelijkbaar met de ‘wappies’ uit het coronatijdperk. Vanuit een withnin-optiek begrepen kan dat opgeplakt krijgen van een label pijnlijk worden ervaren. Het kan ertoe dat men het label als een soort geuzennaam gaat gebruiken, waarbij zich tussen de eigen groep en andere groepen polariserende interactiedynamieken ontwikkelen.
‘Betekenisvolken’ met betrekking tot klimaat (Homan en Wetzels, p. 228)
Gebruik en misbruik van wetenschappelijke argumenten
Het heeft geen pas om ‘anders-gelabelde’ personen categorisch als ‘idioten’ te betitelen. In lokale conversatie kan blijken dat achter zo’n ‘label’ een betekeniswolk schuil gaat die ook voor een andere groep, bijvoorbeeld de ‘gealarmeerden’ waardevolle inzichten bevat, bijvoorbeeld over de geldigheid van de redenering achter het klimaatbeleid.
Veel voorgestelde maatregelen in het kader van klimaatbeleid verwijzen naar wetenschappelijke inzichten. Dat is maar deels terecht.
Aan de ene kant zijn er onmiskenbare verschijnselen zoals de enorme concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer en de stijging van het zeeniveau en de temperatuurstijging op aarde. Maar tussen deze waarnemingen en het klimaatbeleid – bijvoorbeeld boeren uitkopen om de stikstofneerslag nabij natuurgebieden uitstoot te verminderen – ligt een keten van complexe oorzaak-gevolg relaties met een wisselende mate van waarschijnlijkheid, die tot verschillende conclusies kan leiden.
Ook de IPCC-rapporten, geschreven door de beste klimaatwetenschappers van de wereld, zijn gesteld in termen van grote en mindere waarschijnlijkheid van de effecten van de toekomstige opwarming van de aarde en het effect van de maatregelen die we nu nemen. Gewone burgers die doorgaans over een beperkt deel van de informatie beschikken en de gevolgen van de klimaatverandering nauwelijks ervaren maken hun eigen afwegingen, zeker als het beleid hun belangen rechtstreeks schaadt. Het zijn daarbij juist de betekeniswolken en grotere betekenispatronen waar men zelf onderdeel van uitmaakt en de emoties die men daarbij ervaart, die primair van invloed zullen zijn op de concrete reacties die men op de IPCC-rapporten en al de publicaties daarover zal geven.
Een open discussie
Het mensenvolk wekt niet de indruk voortvarend bezig te zijn om zijn gedrag aan te passen aan wat in het gangbare klimaatdiscours noodzakelijk wordt geacht. Dit ondanks het feit dat veel partijen het daartoe in uiteenlopende bewoordingen oproept. Het lijkt er echter op dat deze oproepen vooral tot tegenreacties leiden en de klimaat’discussie’ polariseert.
Het lezen van het tweede deel van het boek van Homan en Wetzels levert talrijke momenten van bewustwording op over de manier dat waarop wij ons in uiteenlopende conversaties ‘gedragen’ op een manier die niet bijdraagt aan zoals de auteurs dat noemen vruchtbare ‘ideeënsex’.
Het relatief korte deel 3 van het boek bevat denkbeelden over de manier waarop de ‘klimaatdiscussie’ effectiever zou kunnen verlopen. Maar iedereen die het tweede deel ‘met rode oortjes’ heeft gelezen, heeft dat dan al in de gaten.
Een centraal begrip in deel drie is ‘reactorschap’, gebaseerd op ons vermogen tot inleving in de denkwereld van een ander en daaraan elementen uit onze eigen betekeniswolk te koppelen. Dit kan leiden tot een gezamenlijk onderzoek naar ieders vooronderstellingen en beelden van de klimaatwerkelijkheid en van elkaar. Maar ook tot het tastend aanvoelen van en inspelen op wat er in de context conversationeel mogelijk is.
Het boek verwijst naar een speciaal voor dit doel ontwikkeld online ‘tool’ dat daarvoor voelsprieten aanreikt en inspiratie bevat voor daaropvolgend reactorschap.
Met name ook degenen die zichzelf als ‘trekkers’ in de klimaatdiscussie beschouwen of door anderen dat predicaat opgeplakt hebben gekregen, kunnen veel leren van dit boek. Een minister die een ‘betekenisreis’ wil maken met zijn of haar ‘tegenstanders’ maakt de meeste kans begrepen te worden en anderen beter te begrijpen. Deze minister schuift dan – al is het maar een beetje – op van ‘wij-gaan-hen-veranderen’ naar ‘wij-veranderen’.
Op zoek naar uitbreiding van stedelijk groen was daar ineens de hype van het stapelen van bomen. Het verticale bos. Een onzinnig idee. Waarom leg ik uit in deze post.
Ik pak de reeks over natuurinclusieve steden weer op, na deze een maand te hebben onderbroken voor de publicatie van posts naar aanleiding van het laatste IPCC-rapport.
Begin juni introduceer ik het dan te verschijnen nieuwe boek van Thijs Homan en Rob Wetzels ‘Wat nu!?’ In dit boek motiveren de auteurs het uitblijven van brede acceptatie van veranderingen om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Vervolgens gaan ze uitgebreid in op de vraag ‘Wat nu?’
Steeds meer steden opteren voor een zogenaamd verticaal bos. Het eerste was het Bosco Verticale in Milaan, ontworpen door de architect Stefano Boeri (zie collage, foto rechtsonder). Het bestaat uit twee torens van 110 en 76 meter waarop plaats is ingeruimd voor 20.000 planten en 900 bomen, variërend in lengte van 3 – 9 meter.
Boeri is gevraagd om een qua vorm vergelijkbaar project te realiseren in China, de Nanjijng Green Towers, een stuk hoger maar met minder bomen (foto midden onder). Dit project zal naar verluid jaarlijks 25 ton CO2 absorberen. De stad Taipei wilde niet achter blijven. Voor deze stad, die al beschikt over het op een na hoogste gebouw ter wereld, ontwierp de Belgische architect Vincent Callebaut de Agora Garden (foto links boven).De 23.000 planten en bomen van dit gebouw, in de vorm van een DNA-molecuul, zullen per jaar 130 ton aan CO2absorberen. In Melbourne wordt de ‘Green Spine’ toren gebouwd. Dit zal met 101 verdiepingen het hoogste verticale bos ter wereld moeten worden (foto rechtsboven). Het laatste voorbeeld is de Toronto Tree Tower van architect Chris Pecht. Deze is geheel van hout met bomen op de grote balkons (foto linksonder).
Ook Nederland doet mee (Zie onderstaande collage). Een ouder Nederlands voorbeeld is het stadskantoor van Venlo (foto linksonder), al is hier geen sprake van bomen maar van een groene muur met planten in zakjes. Nederland zal op afzienbare termijn nog meer groene gebouwen krijgen, onder andere de nog resterende toren van de Amsterdamse Bijlmerbajes (linksboven). In Utrecht is een vergelijkbaar project in voorbereiding, Wonderwoods, in samenwerking met Stefano Boeri (middenonder). Deze is ook betrokken bij de Eindhovens Trudo toren (rechts) Deze toren is, in tegenstelling tot de overige verticale bossen bestemd is voor sociale woningbouw.
Ik sta kritisch ten opzichte van deze hype. Bomen moeten wortelen in de volle grond omdat zich daar het bodemleven afspeelt en zij via het mycelium contact met elkaar kunnen zoeken en de groei van hun wortels dan aanpassen aan de beschikbare voedingsstoffen. In plaats van opgetakelde bomen, zie ik liever balkons ingericht als kleine tuinen, met een gevarieerde beplanting van heesters, vaste planten, grassen, varens, bollen en knollen zodat er in elke week wat te beleven valt. Een dergelijke groenvoorziening is aangelegd op de balkons bij The George op de Zuidas in Amsterdam. Plantenbakken zijn geïntegreerd in het gebouw. Om de kwaliteit van het door Piet Oudolf ontworpen groen te behouden is het beheer daarvan uitbesteed. Begrijpelijk, al zag ik toch liever dat de bewoner hier zelf aardigheid in kregen.
Verder zou ik ervoor kiezen om groen weer terug te laten komen tegen de muren, zie de derde fotocollage. Gangbare opvattingen over beheer van gebouwen hebben ertoe geleid dat dit soort groen minder wordt toegepast, omdat het de gevels zou beschadigen. De fraaie wingerds aan de Hobbemakade te Amsterdam (middenboven) zijn uitgroeiende boomstammen die van oudsher grote delen van de gevels bedekken, zonder schade te veroorzaken. Ik vind begroeide gevels met beplanting die wortelt in de grond, een van de mooiste vormen van stedelijk groen.
Beviel deze post? In het e-boek Leven mét de natuur tref je veel vergelijkbare informatie over natuurinclusieve oplossingen voor de inrichting van de ruimte. Je kunt het e-boek hier downloaden.
Oceanografen en meteorologen luiden de noodklok omdat de temperatuur van de oceanen naar het hoogste punt ooit is gestegen. Wat dit betekent, lees je in deze post.
Mijn plan om de reeks over natuurinclusieve steden te vervolgen na drie ingelaste blogposts over de ‘laatste waarschuwing’ van het IPCC is weer uitgesteld omwille van de actualiteit.
Dat de temperatuur van de oceanen de laatste 15 Jaar evenveel gestegen is dan de 45 daaraan voorafgaande jaren was bekend. De laatste jaren is de stijging zelfs gedaald omdat we ons in een periode van ‘El niña’ bevinden, waarin de oceanen afkoelen en een matigend effect hebben op de opwarming van de aarde. Dit in tegenstelling tot perioden van ‘El niño’, waarin de temperatuur van de oceanen stijgt. Het vorige hoogterecord was in 2016, maar dat was midden in een ‘El niño’-periode. Dit record is nu overtroffen, ondanks ‘El niña’.
De sterke stijging vanaf begin maart kwam als een onaangename verrassing (de zwarte lijn boven in de grafiek) . Ze is de oorzaak van hittegolven in het zuidelijk halfrond. Mogelijk is dit het begin van een nieuwe ‘El niño’ die voor een extra opwarming van de aarde zal zorgen en de nu al bekende symptomen zal verergeren: De bevolking in de hoorn van Afrika wacht al vijf jaar op regen. De bosbranden in Australië in 2019 waren erger dan ooit en in Pakistan overstroomde een gebied ter grootte van het verenigd Koninkrijk. En bovenal is daar het smelten van het ijs op de polen en de daarmee samenhangende stijging van de zeespiegel.
De reden van de plotselinge stijging van de temperatuur van de oceanen is vooralsnog onbekend. Oceanologen vrezen dat de oceanen die de afgelopen jaren een deel van de CO2-uitstoot hebben geabsorbeerd, verzadigd raken.
Deze nieuwe onheilstijding versterkt de groeiende kritiek op het IPCC-rapport. Het rapport concludeert op goede gronden dat beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5oC in 2050 zo goed als verkeken is. Toch benoemt het een illusionaire uitweg, namelijk de groei van het gebruik van fossiele brandstoffen tijdelijk tolereren, in afwachting van grootschalige toepassing van nog uit te vinden technieken voor de grootschalige afvang en verwijdering van CO2.
De enige manier op de opwarming van de aarde te beperken was een radicale afname van het wereldwijd nog steeds groeiend gebruik van fossiele brandstoffen.
Ik herhaal mijn eerdere conclusie. We moeten doorgaan met maatregelen die de opwarming van de aarde beperkten. Een temperatuurstijging van 3,2oC in 2100 is vermoedelijk het maximaal haalbare. Daarnaast is er veel meer aandacht nodig voor de gevolgen daarvan. Voor ons land hebben de stijging van de zeespiegel, omgaan met heftige regenval en hitte in stedelijke gebieden de meeste impact.
Beperking van de opwarming van de aarde tot 3,2C in 2100 zal de wereld de nodige moeite kosten. Dat geldt ook voor de aanpassing aan de gevolgen daarvan. Daarover gaat deze post.
Gemiddelde stijging van de temperatuur van de aarde in 2021
In mijn vorige blogpost ben ik ingegaan op de conclusie van het laatste rapport van het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change), namelijk dat de temperatuur van de aarde vrijwel zeker opgelopen zal zijn tot 3,2oC of hoger in 2100
Had het anders gekund?
Er zijn het afgelopen decennium minstens drie kansen (‘windows of opportunity’) geweest om de opwarming van de aarde te consolideren op 2oC. In 1½oC heeft volgens mij geen enkele partij die het Parijse akkoord ondertekende, ooit geloofd.
– Meer geleidelijke vermindering van de uitstoot van CO2 tot 2035 en gigantische uitbreiding van de capaciteit om CO2 af te vangen, uit te lucht te halen en op te slaan
– Volledig stoppen met ontbossing en herbebossing met minstens 400 miljoen bomen.
De eerste optie zou alleen mogelijk zijn geweest als de welvarende landen de rest van de wereld krachtig financieel hadden ondersteund met de uitvoering van zo’n beleid.
De tweede optie – de voorkeursoptie van ‘Big Oil’ en de zware industrie – was gebaseerd op onbewezen technologie, waardoor deze optie een zware wissel op de toekomst had getrokken.
– De derde optie – met name herbebossing – werpt pas na tientallen jaren vruchten af; bomen hebben immers tijd nodig om te groeien, en CO2 op te slaan.
In feite is ‘de wereld’ de tweede weg ingeslagen, maar dan zonder de middelen om de CO2-uitstoot af te vangen, uit te lucht te halen en op te slaan. Niettemin zal de uitstoot van CO2 in de welvarende landen de komende decennia afnemen. In landen als India en China is er daarentegen sprake van forse toename door economische groei, ook dankzij de productie van consumptiegoederen voor de rest van de wereld.
Het had anders gekund als regeringen krachtdadig en eensgezind hadden gehandeld en de intenties van het verdrag van Parijs hadden uitgevoerd.
Hoe ziet de wereld er in 2100 uit?
Aan het beantwoorden van deze vraag komt geen glazen bol te pas. Alle symptomen zijn er al en die zullen alleen maar erger worden. Bovendien, 3,2oC zal een gemiddelde zijn. Uit de bovenstaande kaart blijkt dat de temperatuur aan de westkust van de VS nu al bijna met 2,5oC is gestegen. De gevolgen zijn bekend: droogte, afgewisseld met perioden van hevige neerslag, mega-bosbranden, mislukte oogsten, tekort aan voedsel en (drink)water. Maar ook landen rond de evenaar, in het Verre Oosten en niet te vergeten de poolgebieden gaan al in de richting van 3oC.
Welke temperatuur kunnen mensen aan? Als het heet en vochtig is, zoals in de moessonlanden, is 35oC een fatale grens. Bij die temperatuur kan het lichaam niet meer transpireren en koelt dus niet meer af. Bewoners zullen deze gebieden verlaten en een omvangrijke stroom klimaatvluchtelingen komt op gang. Nu al wordt de grens van 35oC plaatselijk benaderd in het zuidwesten van de VS, Mexico, Noord Afrika, de moessongebieden in het Verre Oosten en de noordkust van Australië. Bekijk hier een interactieve kaart.
In Nederland komt weliswaar meer en meer heftige neerslag en de temperatuur stijgt, maar we blijven buiten de risicozone.
Wat we wel gaan merken is de stijging van het zeeniveau (waarschijnlijk een halve meter in 2050 en een meter in 2100) en daarmee samenhangend ook van het peil van de rivieren. De huidige dijken – op deltahoogte – zijn te laag. Ook krijgen we in de steden te maken met steeds heftiger hitte-eilanden. Er zal vaker sprake zijn van smogvorming. Zoet water wordt schaars.
Wat nu?
De enige (theoretisch) mogelijkheid een temperatuurstijging van gemiddeld 3,2oC of meer alsnog af te wenden is wereldwijd met onmiddellijke ingang de volgende maatregelen in te voeren:
– afname van de productie van fossiele brandstoffen met minstens 10% per jaar;
– invoering van een forse CO2-taks, die kan worden afgekocht door CO2 af te vangen;
– vermindering van de hoeveelheid runderen jaarlijks met 7,5% en vlees belasten als alcohol;
– invoeren van een maximumsnelheid van 80 km/u; de snelheid van auto’s begrenzen op 100 km/u. Verder beprijzen van kilometers in stedelijke gebieden;
– verdubbelen van de bouw van windmolens, ook op land; eigenaren van huizen en gebouwen verplichten op alle bruikbare daken zonnepanelen te leggen. Als dat nog onvoldoende is, kerncentrales bouwen
– alleen nieuwbouw toe te staan als hergebruik van bestaande gebouwen niet mogelijk is; huizentekort opheffen door splitsing van woningen.
Dit alles gaat niet gebeuren, dus zal de aarde geleidelijk opwarmen met minimaal 3,2oC in 2100. We moeten ons daarom voortaan concentreren op twee concrete doelen: matiging van de CO2-uitstoot en aanpassing van onze manier van leven aan de gevolgen van de opwarming van de aarde. Wat het eerste doel betreft, de hiervoor beschreven maatregelen gelden daarbij in afgezwakte evenzeer als uitgangspunt.
Aanpassing aan het veranderende klimaat
Aanpassing van ons leven, onze levensstandaard en de inrichting van het land zullen veel meer dan nu in het teken komen te staan van aanpassing aan de klimaatverandering. Daarbij gelden de volgende maatregelen:
– Bezien welk deel van het land eventueel aan het stijgende niveau van de zee en rivieren aan het water kan worden prijsgegeven en waar met hogere dijken steden, industriegebieden en essentiële infrastructuur kan worden beschermd.
– Tegengaan van de hittestress in stedelijke gebieden door een drastische uitbreiding van het aantal bomen in en rond de steden, gecombineerd met plassen voor waterberging en verkoeling, deels op vrijkomende landbouwgrond;
– Veiligstellen van de drinkwatervoorziening, die ook wordt bedreigd door verzilting van bodems in de kuststreek en beperking van het gebruik van drinkwater door aanleg van een afzonderlijke waterleiding voor dit doel;
– Vergroten van de zelfvoorziening van steden op het gebied van voedsel, door bosgebieden rond steden af te wisselen met landbouw en om in steden stadslandbouw te initiëren;
– Isolatie van huizen, nu ook om warmte buiten te houden; koele interieurs opnemen als eis bij -bouwplannen;
– Verminderen van de noodzaak van mensen om zich te verplaatsen, door 15-minutensteden krachtig te stimuleren.
– Afstemmen van de planning van buitensporten op de te verwachten weersgesteldheid
Voor Nederland hoeft een temperatuurstijging van de aarde tot 3,2oC niet dramatisch te zijn; voor grote delen van de wereld is dat wel het geval. Het is daarom hoognodig om een humaan immigratiebeleid voor klimaatvluchtelingen te initiëren en daarvoor financiële middelen vrij te maken.
In mijn e-boek over duurzame energie lees je alles over de vervanging van fossiele energie door duurzame energiebronnen.Je kunt het dossier Duurzame energiehier downloaden