Zonder politieke instituties geen innovatie

In zijn boek ‘Innovatie 3.0’ toont Henk Volberda overtuigend aan dat zonder sociale innovatie het effect van technische innovatie met een factor 4 achter blijft. Sociale innovatie gaat over de wijze waarop organisaties hun werkprocessen inrichten (weinig hiërarchische lagen, niet te veel specialisatie et cetera).

In deze omgeving zal weinig innovatie plaatsvinden
In deze omgeving zal weinig innovatie plaatsvinden

Een eveneens recente boek –  ‘Why nations fail’ van de economen Daron Acemoglu en James Robinson – behandelt een andere set van sociale randvoorwaarden met een ingrijpend effect op ontwikkeling en innovatie, namelijk politieke instituties.

Voorbeelden van politieke instituties die ontwikkeling en innovatie bevorderen zijn: Wetten en praktijken die mensen motiveren hard te werken en te zoeken naar verbetering van de productiviteit, de bescherming van eigendomsrechten, beperking van inflatie, afwezigheid van politieke willekeur en corruptie, een balans tussen individuele vrijheid en het maatschappelijk belang

Het moge duidelijk zijn dat Europa en de VS betere politieke institutionele verhoudingen kennen dan in menig ander land ter wereld. We mogen overigens niet de ogen sluiten voor verschillen tussen landen en regio’s (Noord en Zuid Italië) binnen het welvarende deel van de wereld. Maar veel ernstiger is het gevaar van erosie van deze goede verhoudingen zelf. Ik denk hierbij aan de mate waarin de overheid herverdelend optreedt om inkomensverschillen te beperken en om investeringen in de infrastructuur, het onderwijs en andere voorzieningen mogelijk te maken. In dit opzicht lijken de welvarende landen van Europa én de VS in de gevarenzone te komen, zij het in tegengestelde richting.

Geert Mak schetst in zijn nieuwe boek ‘Reizen zonder John, op zoek naar Amerika’ een bij tijd en wijlen verbijsterend beeld van de teloorgang van het herverdelende karakter van de politieke instituties in de Verenigde Staten. De inkomensverschillen nemen met sprongen toe, hetzelfde geldt voor het aantal mensen dat in volstrekte armoede leeft. De openbare voorzieningen (spoorwegen, openbaar onderwijs, nutsvoorzieningen) naderen het niveau van een ontwikkelingsland. Zelfstandige boeren en middenstand zijn in de VS vrijwel geheel weggevaagd ten gunste van grote ondernemingen, die overigens ook lang niet allemaal even florissant functioneren.

In Europa lijkt het tegenovergestelde aan de hand: een overmaat aan regulering en een te sterke mate van nivellering. Het geluid dat ondernemerschap, hard werken en risico nemen steeds minder loont wordt steeds krachtiger. De regelzucht van de nationale overheden en van Europa en de hoge staatsuitgaven, niet in de laatste plaats die voor sociale zekerheid en Europees cohesiebeleid, stuiten op steeds meer verzet.

‘Why nations fail’ toont overtuigend het doorslaggevende belang van goede politieke instituties aan. Wat ‘goed’ is, ligt echter niet in beton gegoten. Het is een steeds opnieuw te bepalen evenwicht van tegengestelde krachten: centraal – decentraal; individuele vrijheid – herverdeling. Zowel in Europa als in de Verenigde Staten (en uiteraard ook in toenemende mate in andere landen) is dringend aandacht gewenst voor de vraag waar dit evenwicht ligt. Het is de verdienste van de auteurs van ‘Why nations fail’ dat ze in hun boek de discussie over de rol van politieke instituties prominent op de agenda hebben gezet. Voor andere wetenschappers ligt er een taak om aan deze discussie te participeren. Dit kan gebeuren door de spanningsvelden te benoemen en om de effecten van doorschieten naar beide kanten – reëel en gepercipieerd – zichtbaar  te maken mede in het belang van innovatie.

Advertenties