Geef kinderen veel meer ruimte op straat

Deze post gaat over de vele obstakels die kinderen moeren overwinnen om op straat te spelen en hoe dat kan veranderen.

De omgeving is beweegvriendelijk ingericht. Ze nodigt uit tot beweging, sport en spel. Ze zet aan tot een actieve, gezonde levensstijl en tot zachte verplaatsingen. Deze wensdroom komt uit het Witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Ideeën zijner zat, maar bij vrijwel alle voorstellen om voldoende en veilige ruimte om te spelen te creëren zitten er minstens twee dingen in de weg. 

In de eerste plaats is dat de auto. De meeste woonwijken zijn aangelegd vanuit de gedachte van bereikbaarheid met de auto.  Het wordt vanzelfsprekend beschouwd dat elk huis of appartementengebouw tot aan de voordeur met de auto bereikbaar is, dat straten in de eerste plaats zijn voor auto’s en elke wooneenheid minstens twee parkeerplaatsen nodig heeft.

Het tweede ding dat in de weg zit zijn ‘groenvoorzieningen’. Dat mag vreemd klinken. Met groenvoorzieningen wordt siergroen bedoeld, openbaar én privé. Grote grasvelden rondom flatgebouwen (met bordjes als balspel verboden!) en aangeharkte perken. Ook een groot deel van de (voor)tuinen – voor zover al niet versteend – belemmert kinderspel eveneens, gelet op de spastische reacties van sommige bewoners als de bal van de buurkinderen in hun tuin terechtkomt.

‘Groen’ moet zeker worden behouden en uitgebreid, maar moet ook worden aangelegd vanuit het perspectief van beweegvriendelijkheid. 

In concentreer me hier op het groen in de onmiddellijke nabijheid van de woonhuizen.

Voortuinen

Vaak zijn voortuintjes ‘voor de sier’, soms voorzien van een bankje en met een hek of haag afgescheiden van de buren. Kinderen spelen op de stoep of tussen geparkeerde auto’s. 

Maar ook zie je op vooralsnog beperkte schaal dat een aantal buren van hun voortuinen een (gezamenlijk) speelveld maakt.  Voortuinen zijn voor dit doel beter geschikt dan achtertuinen omdat zij laagdrempelige ontmoetingen stimuleren van wisselende groepjes kinderen uit de buurt. Achtertuinen kunnen dan ook kleiner zijn en worden dan gebruikt om te zitten en te eten in gezinsverband. Als eventuele parkeerruimte daarachter wordt gesitueerd, ontstaat er voor de huizen nog meer gemeenschappelijke ruimte, eventueel gecombineerd met de vaak saaie door de gemeente aangelegde groenstroken.

Voor wie met een of meer buren en met de gemeente aan de slag wil, de publicatie Kinderen en voortuinen, biedt volop bouwstenen en inspiratie voor een dergelijk project.

Speelstraten en -pleintjes

De meeste wijken hebben een saai rechthoekig stratenpatroon, ook als er nauwelijks doorgaand verkeer is.  Een aantal straten kan periodiek als speelstraat worden gebruikt, maar beter is om het parkeren te concentreren in de uiteinden van de straten of als gezegd achter de huizen. Aan de voorkant van de huizen ontstaat dan meer ruimte om te spelen, te chillen, te zonnen. Plaatsing van een beperkt aantal speeltoestellen kan, maar ook hier geldt dat een deel van de ruimte ‘open’ en enigszins ruig houden de voorkeur heeft. Als de ruimte groot genoeg is, dan zijn voetbalkooien het overwegen waard. Speelpleintjes kunnen onderling verschillen. Voor de kleinste is gewoon gras, een ondiepe waterpartij en bankjes daaromheen voor de ouders te overwegen, voor wat oudere kinderen een complex klimtoestel.

Beviel deze post? In het e-boek Dossier Leefbaar wonen tref je veel informatie aan op het gebied van wonen en de woonomgeving. Je kunt het e-boek hier downloaden. In het hoofdstuk over kind- en beweegvriendelijke wijken tref je nog veel meer voorbeelden aan, variërend van de plaatsing van speeltoestellen, buurtspeeltuinen, kindvriendelijke pleinen en parken en grootschalige voorzieningen. Ook sta ik daarin stil bij voorzieningen voor oudere jongeren die het nu vaak moeten doen met een aftandse keet. 

Hieronder nog wat goede voorbeelden

Zijn gestapelde woningen geschikt (te maken) voor kinderen?

Voor veel ouders met kinderen is een grondgebonden woning nog steeds het ideaal. Als steden aantrekkelijk willen blijven voor deze groep moeten ze veel meer rekening houden met de wensen van kinderen dan nu. Dit post gaat in op de vraag hoe dat kan met hoogbouw.

De Babel is de winnaar van een prijsvraag om het meest kindvriendelijke appartementengebouw in Rotterdam te bedenken.

Uit een analyse van de inzendingen blijkt dat flexibele plattegronden met kop en schouder boven andere wensen uitsteekt.

Deze wens werd maar liefst 104× genoemd. Andere op- vallend veel voorkomende wensen zijn collectieve buitenruimte [68×], elk kind een eigen plek/ speelruimte [55×], fietsenstalling [43×], daktuin [40×], verticale straat [28×], rust en privacy [27×], extra bergruimte [26×], overmaat [22×] en een royale entree [17×]. 

Het gebouw is, zoals was beloofd, inmiddels gerealiseerd, zij het in een aanzienlijk ‘afgeslankte’ vorm ten opzichte van het ‘speelse’ ontwerp (links), ongetwijfeld uit kostenoverwegingen. Het gebouw bevat 24 gezinswoningen. Alle appartementen zijn ook buitenom verbonden door trappen en brede galerijen. Hierdoor zijn op alle verdiepingen mogelijkheden voor ontmoeting en spel. Het gebouw is een soort dozenconstructie die van breed naar smal toelopen. De terrassen die hierdoor ontstaan zijn een combinatie van gemeenschappelijke en privéruimten. Door het gestapelde ontwerp heeft elke woning een eigen vorm en indeling. 

De woonoppervlaktes variëren tussen de ca. 80 m2 en 155 m2 en een penthouse van 190 m2. Afmetingen en indelingen van de woningen zijn flexibel. Prijzen variëren van € 400.000 – € 1.145.000 v.o.n. inclusief een parkeerplaats.

Een van de bezwaren tegen gestapeld wonen is de aanwezigheid van anonieme ruimten, zoals galerijen, trappenhuizen, bergingen en liften. Om aan dit soort niemandsland een einde te maken worden er steeds vaker clusters gecreëerd van 10 – 20 wooneenheden met een gezamenlijk trappenhuis, waar zich ook gemeenschappelijke ruimten bevinden. Deze ‘buurtjes’ vormen dan een overgangszone tussen het eigen appartement, de rest van het gebouw en de buitenwereld, waarin de bewoners elkaar kennen en de kinderen zich vertrouwd voelen. 

Een van de meest geuite wensen is een flexibele indeling. De gezinsomstandigheden veranderen geregeld en dan willen bewoners die kunnen ‘vertalen’ naar de indeling zonder te hoeven verhuizen. Daarom wordt vaak voorzien in een vaste ‘natte eenheid’ en zijn muur- en deursystemen en ook vloerbedekking verplaatsbaar. Het komt zelfs voor dat niet-dragende scheidingswanden tussen appartementen verplaatst kunnen worden. 

Daarnaast worden er steeds meer eisen gesteld aan de aanwezigheid, omvang en veiligheid van een balkon, liefst (deels) overdekt. De kleinste kinderen moeten er kunnen spelen en de familie moet het als eetruimte kunnen gebruiken. Ook moet er een zekere bescherming zijn tegen de wind. 

Bewoners van gezinsappartementen willen ook graag dat hun appartement een royale hal heeft, ook als speelruimte, veel opbergruimte en een goede geluidsisolatie.

Beviel deze post? In het e-boek Dossier Leefbaar wonen tref je veel vergelijkbare informatie aan op het gebied van wonen en de woonomgeving. Je kunt het e-boek hier downloaden. Het hoofdstuk over bouwen voor kinderen en gezinnen bevat naast de hier genoemde Babel nog meer voorbeelden van kindvriendelijke architectuur.

Nimby’s en nimby’s zijn overal

Bezitters van een grondgebonden woning hebben de waarde daarvan zien verveelvoudigen, vooral als ze er al langer in wonen. Het lijkt bijna een oerdrift van huisbezitters te zijn om alles te doen om die waarde te beschermen. Logisch? Daarover gaat deze post.

Bezitters van een grondgebonden woning hebben de waarde daarvan zien verveelvoudigen, vooral als ze er al langer in wonen. Het lijkt bijna een oerdrift van huisbezitters te zijn om alles te doen om die waarde te beschermen. Logisch? Daarover gaat deze post.

Voor degenen die geen woning hebben speelt dat niet. Deze groep – niet alleen armen, maar ook afgestudeerden met een goede baan – wil alleen maar een plek om te wonen. Maar vele tonnen om een appartementje te kopen hebben ze niet.

In de meeste steden is plek zat om te bouwen. In de buitenwijken en al helemaal in de uitgestrekte suburbs in de VS zijn er talloze legen plekken. Besturen van de betrokken gemeenten hebben dan ook vaak de nodige plannen om nieuwe huizen te bouwen, ook in de VS. 

Veel bouwplannen sneuvelen of worden jaren vertraagd omdat er altijd wel ergens een huisbezitter is, die bevreesd is voor de waarde van dat huis of anders wel voor overlast. Deze mensen worden NIMBY’s genoemd (‘not in my backyard’). Daarbij komt dat overheden, zeker in de VS, met beide handen gebonden aan de decennia-oude bestemmingsplannen (‘zoning regulations’), die in detail voorschrijven wat gebouwd mag worden en dat zijn doorgaans alleen grote grondgebonden eengezinshuizen. Geen duplex, triplex woningen, laat staan appartementen.

De woningzoekenden worden daarentegen YIMBY’s genoemd (‘yes in my backyard’). Een rare naam, want het probleem is juist dat ze geen backyard hebben. In sommige gemeenten in de VS wordt de verkiezingsstrijd beslecht door wie van beide groepen de grootste invloed heeft. 

YIMBY’s boeken stap voor stap vooruitgang. In Seattle mag na een langdurige politieke en juridische strijd 6% (sic) van de ruimte die bestemd was voor eengezinshuizen (75% van het totale stedelijke gebied) worden bebouwd met meergezinshuizen. Overigens verandert er ook het een en ander onder de radar van de politiek. Ook bewoners van uitgestrekte suburbane gebieden hebben kinderen die huisvesting zoeken. Daarom bouwen hun ouders garages die doorgaans bestemd zijn voor twee of drie auto’s om tot ‘assessor appartementen’.  Maar ook worden er tuinhuizen neergezet en zolders en souterrains tot appartement verbouwd. Langs de weg van geleidelijkheid komen er hierdoor duizenden wooneenheden bij, zonder dat dit tot veel ophef leidt.

Maar de strijd tussen de NIBBY’s en YIMBY’s gaat overal door. Huisbezitters hebben meestal ‘de wet’ aan hun kant. Als als het niet wetten zijn die bezit beschermen, dan zijn het wel wetten die het recht op inspraak garanderen, inclusief ellelange beroepsprocedures. Woningbouw tegenhouden lukt uiteindelijk vaak niet maar vertragen wel. Geen wonder dat veel bouwprojecten in Nederland waarvan de bouw ruim een jaar duurt, gemiddeld acht jaar in beslag nemen. 

Het is best denkbaar dat nieuwbouwprojecten enige invloed hebben op de waarde van huizen. Maar degenen die dit als argument aanvoeren vergeten doorgaans dat de waarde van hun huis alleen al door de schaarste aan goede woningen in enkele decennia is verveelvoudigd. De overmatige bescherming van de belangen van bezitters van huizen ten koste van die van woningzoekenden moet daarom in de kortste keren te niet worden gedaan.

Beviel deze post? In het e-boek Dossier Leefbaar wonen tref je veel vergelijkbare informatie aan op het gebied van wonen en de woonomgeving. Je kunt het e-boek hier downloaden.

Zuiniger omgaan met de ruimte maar meer groen! 

De naoorlogse uitbreiding van veel steden in West-Europa had tot gevolg dat het omliggende platteland in snel tempo volgebouwd werd. Zeker in Nederland. Over de noodzaak daaraan paal en perk te stellen én tevens steden ‘groener’ te maken gaat deze blogpost.

Het plan Papenvest in Brussel.

Tussen 1900 en 2000 steeg het inwonertal van Amsterdam van 317.000 naar 727.000 bewoners. Het oppervlak nam toe van 560 naar 11.500 hectare. De gevolgen: monotone gebieden, afhankelijkheid van de auto, enorme uitbreiding van het wegennet en desondanks steeds meer congestie, luchtverontreiniging, uitstoot van broeikasgassen en een enorme aanslag op de natuur.

In een vorige blogpost liet ik Jane Jacobs en Jan Gehl aan het woord. Zij benadrukten dat een rijk stedelijk leven om een voldoende dichte bebouwing en om voorzieningen op looppafstand vraagt. 

Maar gaat dan samen, verdichting en leefbaarheid?

Niet op de manier waarop de meeste buitenwijken in Nederland zijn gebouwd. Een mooi voorbeeld van hoe het wel moet is het Plan Papenvest in Brussel (zie boven). De dichtheid van ongeveer 300 wooneenheden per hectare is meer dan tienmaal zo groot als die van een gemiddelde Vinexwijk.

Dit plan voorziet in afbraak van vijf bestaande flats van 9 verdiepingen (314 appartementen op 1,13 hectare en hun vervanging door 325 levensloopbestendige woningen, waarvan veel een ruim dakterras hebben. Het onbestemde ‘siergroen’ tussen de flats is vervangen door een besloten gemeenschappelijke groene (speel)ruimte en het straatpatroon is hersteld. Er zijn veel meer mogelijkheden en een aantal voorbeelden daarvan belicht ik in de komende posts.

Verdichting is ook nodig om meer ruimte voor groen te creëren.  Geen saai siergras, maar kleine gevarieerde parken, bomen langs de straten, begroeide huizen, greppels voor de waterafvoer en vormen van stadslandbouw. De redenen waarom meer groei in de stad noodzakelijk is zijn onder meer de positieve invloed op de gezondheid, tegengaan van wateroverlast en van overmatige hitte.

Beviel deze post? In het e-boek Dossier Leefbaar wonen tref je veel vergelijkbare informatie aan op het gebied van wonen en de woonomgeving. Je kunt het e-boek hier downloaden.

New urbanism: Gewild, maar (nog) geen 15-minutenwijken. 

Nederland kent verschillende woonwijken die zijn geïnspireerd door new urbanism. Op de woningmarkt zijn ze zeer gewaardeerd. Maar zijn het ook ’15-minutenwijken’? In deze post ga ik in op beide aspecten.

Impressie van woningen geïnspireerd door new urbanism in Nederland. Linksboven Het Centrum/De Hoven (Leidsche Rijn, Utrecht), midden boven De Weerd (Leidsche Rijn, Utrecht), boven rechts: Citadel (Heemskerk), links beneden Nieuw Vreeswijk (Nieuwegein), midden- en rechtsonder De Veste/Brandevoort (Helmond)

Waardering

Deze wijken vallen doorgaans op doordat ze stijlen en stijlelementen gebruiken die in het verleden zowel in esthetisch als constructief opzicht een goede staat van dienst hebben opgebouwd. 

Veel collega-architecten halen daar hun neus voor op en vinden dat ontwerpers zich van een eigentijdse of nog beter vernieuwende vormentaal moeten bedienen. Zij noemen de stijl van ‘new urbanism’ daarom ‘historiserend’. Ik vind deze benaming niet terecht en zeker niet vanwege de neerbuigende ondertoon. Als er etiketten geplakt moeten worden, zou ik eerder het woord ‘tijdloos’ gebruiken. Afke Laarakkers heeft onlangs een genuanceerde beschouwing gewijd aan de architectuurstijl van ‘new urbanism’ in het tijdschrift De Architect. Zij is het er in elk geval mee eens dat belangstellenden en bewoners de stijl erg waarderen.

Een 15-minutenwijk?

Edo van Baars heeft in zijn masterthesis onderzocht hoe de ideeën van new urbanism in de praktijk uitwerken. Daartoe vergeleek hij de new urbanist wijk Het Centrum/De Hoven met Veldhoven, een naburige en qua sociale samenstelling overeenkomstige Vinexwijk in Leidse Rijn. 

Als winkelvoorziening functioneert het kleine centrum van Het Centrum/De Hoven uitstekend, maar als ontmoetingsplek (ten tijde van het onderzoek) nauwelijks omdat de bewoners de horeca ongezellig vinden en deze bovendien vroeg sluit. Voor wat betreft sociale contacten, diversiteit en gebruik openbaar vervoer zijn er geen verschillen tussen beide wijken. Sociale contacten beperken zich hoofdzakelijk tot de buren. Dit komt vooral omdat de bevolking allesbehalve ‘gemengd’ is en vooral bestaat uit tweeverdieners met een druk leven met veel sociale contacten buiten de wijk.  Zij gebruiken de auto voor de meeste verplaatsingen. Zelfs om de wekelijkse boodschappen te doen bij de Albert Heijn, op enkele minuten loopafstand. De bebouwingsdichtheid is iets hoger dan die van de gemiddelde Vinexwijk (25 in plaats van 20 huizen/ha ) waarmee deze wijken dus nauwelijks voorbeelden van verdichting zijn. Er is een kans dat de impact van de bouwkundige opzet van deze wijk toeneemt naar mate de jaren vorderen en de bewoners gevarieerder worden. 

Duidelijk is dat ontwerpers weliswaar voorwaarden kunnen scheppen, maar de ontwikkeling van een bijbehorend gedrag niet in de hand hebben.

Het Centrum/De Hoven en ook de andere hiervoor genoemde ‘new urbanism’ appelleren aan de manier waarop veel mensen willen wonen. Maar ze zijn geen van alle 15-minutenwijken. Slechts in enkele gevallen is er sprake van een duidelijk winkelcentrum, de dichtheid is over het algemeen niet erg hoog en het aanbod van werkgelegenheid is gering. Vaak gaat het bovendien exclusief om huizen in het duurdere segment. De Oostpoort, waarnaar ik in mijn vorige post verwees, heeft veel meer kenmerken van een 15-minutenwijk.

Beviel deze post? In het e-boek Dossier Leefbaar wonen tref je veel vergelijkbare informatie aan op het gebied van wonen en de woonomgeving. Je kunt het e-boek hier downloaden.

De stad van het ‘New Urbanism’: decentralisatie van voorzieningen op buurtniveau waar dat kan.

Hedendaagse denkbeelden over stedenbouw lopen uiteen, ondanks de principes die ik in mijn vorige post vermeldde. Toch zijn er groepen van min of meer gelijkgestemd stedenbouwkundigenn, zoals de aanhangers van het ‘new urbanism’. Hierover gaat deze post.

Plein in Oostpoort (Amsterdam) Architect Sjoerd Soeters. Bron: Website van Mollink & Soeters’ 

In een TED-presentatie legt Peter Calthorpe de belangrijkste ideeën van new urbanism uit. Wie het allemaal nog eens wil teruglezen kan hier gratis het fraai geïllustreerd boek: 25 Great Ideas of New Urbanism downloaden

New urbanism verzet zich tegen ruimte-verslindende stadsuitbreiding met zijn brede lanen, grote pleinen, winkelcentra buiten het bewoonde gebied, en daardoor alomtegenwoordige auto’s.

De beweging introduceerde een mensgericht ontwerp, dat onder andere gekenmerkt is doordat alles wat je dagelijks nodig hebt, lopend binnen handbereik ligt. Een mix van wonen, winkelen én werken, een goede ontsluiting door openbaar vervoer, diversiteit van bewoners, een grote dichtheid en veel groen. Kortom, ongeveer de principes die ik in mijn vorige blogpoet ook al noemde. Maar dan binnen een Amerikaanse context.

In het new urbanism is de wijk een herkenbare en beloopbare eenheid. De ‘vijf minuten regel’ was een middel om dit doel te bereiken. In Nederland wordt deze regel ook wel vertaald door de ‘400 meter-regel’. Dit is een indicatie van wat de meeste mensen willen lopen. Binnen een cirkel met een oppervlak van ongeveer 60 hectare moeten bewoners alle basale voorzieningen kunnen vinden. Daar staat tegenover dat het aantal bewoners zodanig moet zijn dat deze voorzieningen op voldoende klanten kunnen rekenen.  Vaak wordt een ondergrens van gemiddeld 150 bewoners per hectare gehanteerd, rekening houdend met een vloeroppervlak van 40% voor andere functies.  Uitgangspunt is dat de meeste straten autoluw zijn en volop mogelijkheid bieden voor spel en ontmoeting. De verdere ontwikkeling van grote winkelcentra is taboe. Vanuit deze gedachtegang is het concept van de ’15 minutenstad’ ontstaan: Elke plek binnen de wijk is binnen 15 minuten te voet bereikbaar.

Het centrum van zo’n buurt is de plek waar mensen van de morgen tot de avond terecht kunnen voor hun boodschappen en contacten.  De Oostpoort in Amsterdam (zie bovenstaande foto) is een goed voorbeeld. Deze buurt beschikt over een station en een paar tramlijnen.

Dit type centrum heeft minimaal een supermarkt, een bakkerij, een slager en een groentewinkel, een drogisterij, een handvol cafés en restaurants, een fitnesscenter, een basisschool, gemeenschappelijke ruimtes, werkplaatsen en kantoren en verder een grote verscheidenheid aan huizen. Hier drinken mensen die thuis zijn hun ochtendkoffie, ontmoeten medewerkers collega’s en werken zzp’ers tijdens de rustige uren aan een cafétafel. Huismannen en -vrouwen doen de dagelijkse boodschappen of een work-out in de sportschool, maken een praatje en drinken een kopje thee. Mensen ontmoeten elkaar voor de lunch, dineren en socialiseren op het terras of in de cafe’s.

Volgens Sjoerd Soeters, ontwerper van de Oostpoort,  draagt compactheid als geen ander kenmerk van publieke ruimte bij aan sociale cohesie en heeft daardoor veel invloed op de attractiviteit ervan. De attractiviteit van pleinen hangt verder af van de relatie tussen de hoogte van de omliggende gebouwen en het oppervlak van het plein. Daarom verkiest hij een afmeting van 40 – 25 meter. Gebouwen zijn in zijn visie zelden hoger dan vijf verdiepingen.

Een stad meer is dan een groot aantal beloopbare buurten. Er zijn functies die alleen kunnen bestaan als ze een groter verzorgingsgebied hebben.  

Deze krijgen tegenwoordig de meeste aandacht omdat ervan wordt uitgegaan dat mensen toch de auto voor de deur hebben staan om daar even naar toe te rijden. Om de noodzaak daarvan te verminderen vormen goed voorzien buurten de basis van elke stad. 

De regel is decentralisatie van voorzieningen op buurtniveau waar het kan, centralisatie naar meer omvangrijke centra waar dat moet.  

Beviel deze post? In het e-boek Dossier Leefbaar wonen tref je veel vergelijkbare informatie aan op het gebied van wonen en de woonomgeving. Je kunt het e-boek hier downloaden.

Nieuwe denkbeelden over de kwaliteit van de stedelijke omgeving

De laatste decennia zijn de opvattingen over stedenbouw aan het veranderen. Deze en een reeks volgende posts gaan in op de veranderende theorie en wat daarvan in de praktijk te merken valt.

Op alles wat er vanaf het midden van de 20ste eeuw in Europese steden is gebouwd heeft een beperkt aantal stedenbouwkundigen een stempel gedrukt. Le Corbusier was het meest uitgesproken. Volgens hem was een ideale stad een complex van enorme gebouwen, tot 60 verdiepingen hoog, in een rechthoekig patroon, verbonden door wegen en groene ruimtes. 

Zo extreem ging het er in de praktijk niet aan toe. Maar de idee van een radicale scheiding van functies (wonen, werken, winkelen, recreatie) werd overal toegepast. Ook door Van Ekeren, de man die aan de wieg stond van de naoorlogse stadsuitbreiding in Nederland. Dit is overduidelijk terug te zien in alle woonwijken die in die periode in Nederland werden gebouwd. In andere Europese steden was het niet veel anders.

Naarmate er meer rechtlijnige en eentonige nieuwbouwwijken volgens dit patroon werd opgeleverd, klonk ook de stem van een nieuwe generatie stedenbouwkundigen luider door.

In de bovenstaande illustratie komen twee prominente tegenstanders van het ‘modernisme’ aan het woord. Jane Jacobs en Jan Gehl verafschuwden de grootschalige rechthoekige stedelijke vormen en bepleitten een mix van stedelijke functies. Eigenlijk een herstel van het stratenpatroon uit de eerste helft van de eeuw en eerder. Zij vonden weerklank bij een groeiende groep stedenbouwkundigen, die het overigens lang niet in alles met elkaar eens waren.

Toch delen zij een aantal gemeenschappelijke uitgangspunten. Die heb ik hieronder kort samengevat. 

Huisvesting

• Een gevarieerd aanbod aan woonhuizen van goede kwaliteit voor alle inkomensgroepen.

• Mix van hoge en lage gebouwen, met gemakkelijke toegang tot groene gebieden en speelfaciliteiten, vooral voor gezinnen met kinderen.

Dichtheid

• Verhoging van de gemiddelde dichtheid, maar ook een mix van gebieden met hogere en lagere dichtheid.

• Compacte straten met een diversiteit aan gebouwen, die toch een eenheid zijn

Openbare ruimte

• Beperkt verkeer, beloopbare afstanden en een rustige sfeer

• Voldoende en gediversifieerde openbare ruimtes met betrekking tot de aangeboden voorzieningen voor gezelligheid, spel en recreatie.

• Voldoende terrassen, cafés en restaurants en uitnodigende winkels

Vormkenmerken

• Pleinen waarvan het oppervlak beperkt is en perfect in balans is met de hoogte van de omliggende gebouwen.

• Minstens één van de pleinen moet groot genoeg zijn om incidenteel te dienen als podium voor concerten en evenementen zoals de bekende Palio in Siena.

• Monumenten, zoals kerken, stadhuizen en dergelijke met onderscheidende kwaliteiten.

Verkeer

• Voldoende ruimte voor voetgangers en tweewielers.

• Gebruikmaken van criteria zoals comfort, veiligheid en efficiëntie bij het kanaliseren van verkeers- en transportstromen.

Menging van functies

 • Mixen van stedelijke functies (wonen, werken en winkelen), waardoor de behoefte aan (verre) dagelijkse verplaatsingen afneemt.

• Vervaging van de scheiding tussen stad, natuur en landbouwgebieden.

Milieu

• Gezonde lucht, veel en gevarieerd groen en water.

Veiligheid

• Op elk mogelijk gebied de veiligheid verhogen, vooral voor kinderen en het aantal doden en gewonden in gebouwen, openbare ruimtes, verkeer en vervoer naar nul terugbrengen.

Innovatie

• Gebruik van nieuwe technieken, zoals bouwen met hout en het gebruik van geprefabriceerde elementen, wat leidt tot lagere bouwkosten en gezondere gebouwen.

Participatie

• Betrokkenheid van bewoners bij het ontwerp van de leefomgeving en deelname aan de uitvoering van wijkgerichte openbare voorzieningen.

Veel van het bovenstaande begint langzaam maar zeker zichtbaar te worden.

Beviel deze post? In het e-boek Dossier Leefbaar wonen tref je veel vergelijkbare informatie aan op het gebied van wonen en de woonomgeving. Je kunt het e-boek hier downloaden.

Kan een gemeente bijdragen aan het geluk van haar bewoners?

Een gemeente met bewoners die zich allemaal gelukkig voelen. Wie zou dat niet willen? Sturen op geluk heet dat. Daarover gaat deze post

Speelplein aangelegd door de bewoners van Portland. In: Charles Montgomery: Happy Cities. Transforming Our Lives Through Urban Design. (2013)

In mijn post ter gelegenheid van nieuwjaar noemde ik vijf factoren die bepalen of iemand zich gelukkig voelt.

Deze factoren waren: materiële welvaart, sociale relaties, gezondheid, leefomstandigheden en zelfbeschikking.

Sturen op geluk

Gemeenten als Schagen en Roerdalen hebben toename van het geluk van de burgers gekozen als uitgangspunt voor hun beleid. Dat geldt ook voor steden als Bristol, Seoul en Vilnius. Toch merkt Nancy Peters (projectleider geluk van de gemeente Schagen) op: We kunnen mensen niet gelukkig maken. Maar de overheid creëert wel een bedding waarin mensen gelukkig kunnen zijn.

Wat die gemeente doet is tweeledig: Ze zorgt ervoor dat de vijf bovenstaande geluksfactoren binnen bereik van elke bewoner komen. Dit zijn de ‘resources’. Maar ze zorgt er ook voor dat mensen ermee aan de slag kunnen. Dat wordt ‘conversie factoren’ genoemd.  Speciale aandacht daarbij is nodig voor kwetsbare personen voor wie de drempel tot de beschikbare voorzieningen vaak groot is.

Tot de ‘resources’ behoren leefbaar inkomen, betaalbare huisvesting, gezondheidszorg en kwaliteit van de leefomgeving. Tot de tweede categorie behoren maatschappelijk opbouwwerk, mogelijkheden tot participatie, voorlichting en buddy’s. 

De rol van omgevingsbeleid

Op dit gebied is nog het nodige werk te verrichten. Te denken valt aan betaalbare huisvesting, verhogen van de aantrekkelijkheid van de leefomgeving, tegengaan van vervoersarmoede, architectuur die de interactie tussen mensen bevordert en straten en pleinen waar mensen graag vertoeven. In lijn met Alain de Botton’s boek The Architecture of Happyness kan worden geconcludeerd dat het vooral sociale activiteiten waartoe de omgeving uitnodigt zijn, die bijdragen aan de toename van geluk. 

Participatie maakt het verschil

Hoe belangrijk de genoemde voorzieningen en het gebruik ervan ook zijn, de vraag is of bewoners ze als iets van henzelf ervaren. Een doorslaggevende rol daarbij speelt actieve betrokkenheid van burgers bij de totstandkoming van deze voorzieningen. Participatie is een machtige conversiefactor die vaak leidt tot brede instemming met het resultaat, terwijl ‘inspraak’ vaak alleen maar verdeeldheid zaait. 

Als buurtbewoners zich actief inzetten voor de inrichting van bijvoorbeeld een speelstraat of de aanleg van een klein buurtpark versterkt dat het sociale kapitaal in de betrokken buurt. Sociaal kapitaal is elkaar kennen, waarderen en vertrouwen.

Het is niet overdreven te stellen dat stad gelukkiger wordt naarmate meer burgers gezamenlijk bij haar beleid betrokken zijn geweest.

Ik wens mijn lezers een gelukkig nieuwjaar…. maar wat is dat?

Stel dat je niet gelukkig bent, kan ik je er dan toe aanzetten om dat wel te worden? Hoe dan? Maar wat is dat eigenlijk gelukkig zijn? Een antwoord op deze vragen (en natuurlijk mijn beste wensen) vind je in deze post.

Ruim een jaar geleden hebben Henk Donkers en ik een artikel geschreven dat heette ‘de gelukkige stad’. Dit lees je hier. Misschien een vreemde titel, want steden kunnen niet gelukkig of ongelukkig zijn. Maar het ging er uiteraard om hoe een stad kan bijdragen aan het geluk van haar bewoners. 

Maar eerst, wat is geluk? “Stel je een ladder voor met tien treden. De onderste trede stelt het slechtst mogelijke leven voor, de bovenste het best mogelijke leven. Op welke trede van de ladder sta je op dit moment?” De meeste studies die geluk meten, stellen alleen deze ene vraag. Deze methode is in 1965 voor het eerst toegepast door Hadley Cantril en wordt daarom  ‘Cantril’s ladder’ genoemd. Het blijkt keer op keer dat andere meer uitgebreide methoden om vast te stellen of iemand gelukkig is, tot een vergelijkbaar resultaat leiden.

Elk jaar publiceert onderzoeksinstituut Gallup zijn ‘World Poll’, een uitgebreide enquête van bewoners van 160 landen over talloze onderwerpen, waaronder de vraag of ze gelukkig zijn. De laatste jaren zijn de bewoners van Finland steevast koploper: Zij scoren gemiddeld 7,8 op Cantril’s ladder. Nederlanders scoren gemiddeld 7,4 en staan daarmee op de zesde plaats. Afghanistan staat op de laatste plaats, nog voordat de Taliban aan de macht kwamen. Er is ook naar steden gekeken: Amsterdam scoort bijvoorbeeld op de 11deplaats.

Hoe komt dat dan?  Wat maak Finnen gelukkig en de Afghanen ongelukkig? Er blijken vijf factoren een rol te spelen: 

  • De mogelijkheid om je materiële behoeften te bevredigen (dus niet hoe meer geld, hoe meer geluk)
  • Het verkeren in een sociaal netwerk van familie, vrienden en collega’s die je kunt vertrouwen (mensen die vertrouwen in hun medemensen zeggen te hebben, zijn in het algemeen gelukkiger)
  • Actief werken aan je gezondheid (wie met roken is gestopt, aan sport doet, bewuster is gaan eten, geeft aan zich gelukkiger te zijn gaan voelen)
  • Leefomstandigheden, zoals een passend huis, een plezierige buurt en de mogelijkheid zich zonder stress te kunnen verplaatsen.
  • Zelfbeschikking: je veilig voelen, invloed te kunnen uitoefenen, erkent te worden en je te kunnen ontplooien, ook in de hulp aan anderen. Ook de mogelijkheid om zinvol werk te kunnen doen, hoort tot deze categorie.

Naast deze vijf factoren spelen ook karaktereigenschappen een belangrijke rol, zoals eerlijkheid, openheid, optimisme, vergevingsgezindheid en nieuwsgierigheid. Deze bepalen voor een deel of je de mogelijkheden die in bovenstaande factoren besloten liggen weet te gebruiken. Helaas verschillen deze mogelijkheden aanzienlijk van persoon tot persoon en van land tot land.

Wat betekent dit alles voor mijn nieuwjaarswens?

Als ik je veel geluk toewens, dan hoop ik dat je de kansen die in bovenstaande factoren liggen opzoekt en benut. Maar ik hoop ook dat wij samen waar dat in onze macht ligt, anderen meer toegang zullen verlenen tot de mogelijkheden die in deze factoren besloten liggen. Ook daar worden we zelf gelukkiger van.

In mijn volgende post sta ik stil bij de vraag hoe een stad(sbestuur) dat voor de bewoners van die stad kan doen.

Ruimte zat in de stad

Voorzien in de (toekomstige) vraag naar wooneenheden kan voor een aanzienlijk deel gebeuren door opsplitsen, optoppen en uitbouwen van bestaande woningen en woongebouwen. Deze post geeft daarvan wat voorbeelden.

Prototype voor optopping van portiekflats. (Bron: A renovation plan for 847.000 underperforming tenement flats)

De Koöperatieve Architecten Werkplaats te Groningen, heeft een rapport geschreven met de passende titel Ruimte zat in de stad. Daarvoor is onderzoek gedaan in 1800 naoorlogse buurten (1950 – 1980) met 1,8 miljoen woningen waarvan 720.000 sociale huurwoningen. De conclusie is hoopgevend:

Opsplitsing, optopping en uitbouw van deze woningen de komende jaren zeker 221.000 nieuwe eenheden kan opleveren.

In aanmerking komen eengezinshuizen, die in tweeën gedeeld kunnen worden en portiekflats, die per etage in meer eenheden kunnen worden verdeeld. Vaak kunnen er ook nog eens een of twee verdiepingen op geplaatst worden. Opsplitsing van bestaande grondgebonden woningen en woningen in portiekflats is technisch niet moeilijk en de kosten zijn te overzien. Dat geldt des te meer als de aanpassingen in combinatie met het klimaatneutraal maken van de desbetreffende woningen worden uitgevoerd. Bovendien wordt enorm bespaard op steeds duurder wordende materialen.

Grondgebonden woningen

Grondgebonden woningen kunnen op verschillende manieren worden gesplitst. De benedenverdiepingen kunnen worden voorzien van een uitbouw, waarvan de bovenkant fungeert voor de ontsluiting van de bovenwoningen en ook ruime ontmoetings- en speelruimte biedt. Bovenstaande aanpassingen maken bovendien blijvende bewoning mogelijk op de begane grond door de huidige bewoners als zij ouder worden. Op de verdieping kan een starterswoning worden gerealiseerd.

Portiekflats

Etages in portiekflats, doorgaans bestaande uit twee wooneenheden aan weerszijden van een trapportaal, kunnen deels worden heringedeeld tot drie eenheden voor tweepersoonshuishoudens en vier eenheden voor eenpersoonshuishoudens 

Nog interessanter is verdichting te combineren met optopping. Dit betekent toevoeging van een of twee extra verdiepingen, waardoor ook een lift aan de bestaande appartementen kan worden toegevoerd. Bouwtechnisch is een dergelijke operatie uitvoerbaar door lichte materialen te gebruiken en het aanbrengen van een extra fundering. 

Een projectgroep aan de Technische Universiteit te Delft heeft een prototype ontworpen dat bruikbaar is voor 847.000 (!) naoorlogse portiekwoningen die allen aan groot onderhoud toe zijn. Dit prototype voorziet er bovendien in dat de gebouwen waarin zich deze woningen bevinden energieneutraal worden en het omvat voorzieningen voor sociale contacten en spelende kinderen. Vandaar de extra brede galerijen, voorzien van trappen tussen de verdiepingen en gemeenschappelijke ruimten in de plint. De afbeelding hierboven geeft een impressie.

Hoe aantrekkelijk en wellicht voor de hand liggend de hier besproken vormen van renovatie ook zijn, er zijn belemmeringen vanuit de regelgeving, maar ook vanuit buurtbewoners.

Wat de vergunningen betreft, alles hangt af van de vraag of een gemeente daadwerkelijk aan een beleid van verdichting en renovatie wil meewerken. Wat de bewoners betreft, goed en tijdig overleg met de buurt is van groot belang. Daarbij help erg mee als bestaande bewoners in hun huis of in de buurt mogen blijven wonen, tijdens de renovatie hun huis niet of slechts voor korte tijd hoeven te verlaten en er het nodige voor terugkrijgen, zoals een lift, een ruim balkon en een betere leefomgeving, zonder dat het heb veel kost. 

Beviel deze post? In het e-boek Dossier Leefbaar wonen tref je veel vergelijkbare informatie aan op het gebied van wonen en de woonomgeving. Je kunt het e-boek hier downloaden.