Incubators: kweekvijvers voor gebruik van wetenschappelijke kennis

Incubators helpen de kloof tussen universiteiten en bedrijven overbruggen, Om te slagen moeten zij startende ondernemingen vooral toegang tot kennis bieden en hen helpen met vergaren van kapitaal.

Innovatie - landen met meeste startupsHet uiteindelijke maatschappelijke belang van wetenschap is dat we wijzer worden. Dat kan op veel manieren; een daarvan is het gebruik van kennis voor commerciële doeleinden. Overigens leidt het gebruik van kennis in de context van toepassing – bijvoorbeeld bij het maken van een apparaat of een toepassing in de sfeer van beleid – tevens tot verdieping van deze kennis. Mede vanwege deze wisselwerking werkt een aantal universiteiten actief mee aan incubators: kweekvijvers voor het gebruik van wetenschappelijke kennis[1].

Het is boeiend om een kijkje te nemen in de wereld van de incubators. Op 25 november jl. heeft UBI Global, zijn jaarlijkse top 25 bekend gemaakt[2]. Ik val niet erg op ‘rankings’ maar de bijbehorende motivatie geeft inzicht in de werkwijze van een incubator en in de omstandigheden die deze succesvol maken.

Boven aan de ranglijst van 2015 staat SETsquared Partnership. Dit is een samenwerkingsverband tussen vijf universiteiten in het zuidelijk deel van Engeland: Bath, Bristol, Exeter, Southampton en Surrey[3].

Innovatie - Incubators SETsquared

Deze incubator voert in essentie vier taken uit: (1) ondersteunen en huisvesten van startende bedrijven, vaak afkomstig van buiten de betrokken universiteiten, (2) studenten oriënteren op ondernemerschap, (3) onderzoekers helpen hun vindingen commercieel te benutten, onder andere via een omvangrijk platform voor open innovatie en (4) bemiddelen bij financiering. Net als bij de meeste incubators houdt de ondersteuning niet op bij een geslaagde start. Er is een versnellingsprogramma dat bedrijven begeleidt bij hun verdere groei. Externe investeerders hebben de afgelopen 10 jaar ruim 120 miljoen Britse ponden geïnvesteerd. Opmerkelijk is dat 90% van alle ondersteunde startups succesvol is.

Innovatie - Incubators Rice Alliance

In 2014 werd de ranglijst aangevoerd door Rice Alliance for Technology and Entrepreneurship. De werkzaamheden lijken op die van SETsquare. Sinds 2000 zijn 305 startups gelanceerd, die $2,5 miljard startkapitaal hebben weten te verzamInnovatie - Incubator ontwikkeling investeringen Rice Allianceelen. Ongeveer 40% daarvan is nog actief; twee daarvan hebben een omzet van meer dan $100 miljoen. Rice University onderscheidt zich van veel andere incubators door de aanwezigheid van een eigen investeringsfonds. De vergelijking met SETsquare is illustratief voor de aanzienlijk grotere schaal van startups in de VS. Om een indruk te geven: een gemiddelde spin-off van MIT zet 100 maal meer om dan een gemiddelde spin-off in Nederland. De jaaromzet van alle spin-offs van Stanford University is ruim $2,5 triljoen.

Innovatie - Incubators Yesdelft
Het gebouw van Yes!Delft

Nederlandse incubators doen het voor Europese maatstaven niet slecht. Op de 2015 Global UBI 25 zijn twee Nederlandse incubators binnengekomen, Yes!Delft en UtrechtInc op de plaatsen 9 en 11[4]. In 10 jaar tijd heeft YES!Delft 140 bedrijven helpen starten en groeien. 85% daarvan bestaat nog steeds. Het totaal geïnvesteerde bedrag is € 120 miljoen. UtrechtInc. Heeft de afgelopen 5 jaar 125 startups ondersteund op het gebied van klimaat, gezondheid en educatie. De gezamenlijke omzet in 2014 bedroeg €39 miljoen en het aantal banen in dat jaar bedroeg 630. Het totale geïnvesteerde bedrag is €118 miljoen.

Kritieke succesfactoren

Uit de succesverhalen kunnen verschillende aanwijzingen worden gedestilleerd over kritieke succesfactoren:(1) goede vakinhoudelijke en commerciële begeleiding, die (2) meebeweegt met de levensfase van het bedrijf (3) een sterk gevoel voor klantbehoeften (4) een relatie met wetenschapsgebieden waarvan toonaangevende wetenschappers bereid zijn startups en spin-offs te begeleiden; (5) scouting in de eigen universiteit van potentieel te commercialiseren kennis en (6) last but not least eigen financieringsmogelijkheden of actieve bemiddeling richting kapitaalverstrekkers. De winnaars van de Global UBI 2014 en 2015 excelleerden beide op dit gebied.

In een vorige blogpost besprak ik de Reuters rating van de 100 meest ‘innovatieve’ universiteiten ter wereld[5]. Deze rating bleek vooral gebaseerd op het aantal verworven patenten. Ik schat de bijdrage van incubators aan de ontwikkeling van nieuwe producten hoger in dan die van patenten. Daarom denk ik dat universiteiten hier sterker op zouden moeten inzetten[6].

[1] In een eerdere  blogpost heb ik voor een duidelijkere scheiding gepleit voor wetenschappelijke instituten voor meer fundamenteel onderzoek en wetenschappelijke instituten voor meer toepassingsgericht onderzoek. Incubators zijn in deze benadering een onderdeel van laatstgenoemde.

[2] Voor geïnteresseerden: hier is de meest recente ‘rating’: http://ubi-global.com/ubi-global-presents-the-top-university-business-incubator-and-accelerator-world-rankings-in-london/ Voor een goed begrip: het gaat niet om de absolute top; de rating is gebaseerd op 220 incubators die zich voor deze benchmark hadden aangemeld.

[3] Zie de website voor meer informatie: http://www.setsquared.co.uk/setsquared-partnership

[4] Op de Europese lijst staan deze incubators bij de top 5: http://siliconcanals.nl/accelerators/universitaire-tech-incubators-yesdelft-en-utrechtinc-bij-top-van-europa/#.VljV2KTEt-Q.twitter

[5] Zie: http://wp.me/p32hqY-n1

[6] Een lijst met (bijna?) alle Nederlandse incubators tref je hier aan: http://dutchincubator.nl/incubator/lijst-business-incubators/ Deze zijn niet alle verbonden aan een kennisinstelling.

Niet innoveren omwille van de innovatie

Het begrip innovatie wordt te pas en te onpas gebruikt en verliest daardoor zijn betekenis

Innovatie - tweet 2De term innovatie begint me de keel uit te hangen. Of beter, de schijn van innovatie en het te pas en te onpas gebruik van de term. Marketeers hebben in menig bedrijf innovatie gegijzeld met als doel consumenten te verleiden tot de aanschaf van de nieuwste gadgets.

De nieuwe iPhone 7 is een mooi voorbeeld. Bekend is dat deze in technisch opzicht weinig nieuws zal bieden. Apple doet daarom zijn uiterste best om met veranderingen in het uiterlijk voldoende nieuwe kopers te kunnen trekken om daarmee zijn aandeelhouderswaarde op peil te houden.

Innovatie - tweet 4De hype rond innovatie neemt onzinnige proporties aan. Alleen al in het Verenigd Koninkrijk hebben bedrijven in 2014 64,7 miljard pond weggegooid aan mislukte innovatieprojecten[1]. Reken maar dat bij dat geld een hoop overheidssteun zat. Want ook voor veel politici hangt onze toekomstige welvaart af van innovatie[2]. Onzin, voor onze welvaart is het belangrijk dat we ons wereldwijd profileren met hoogwaardige producten en kennis en ons concentreren op wat de wereld écht nodig heeft.

Wat dat is, is niet zo moeilijk te bedenken. Daarom een klein gedachten-experiment:

Bedenk vijf veranderingen waardoor de wereld een betere plek wordt voor ons en onze kinderen

Dit zijn antwoorden die de meeste mensen geven:

– minder oorlog, waardoor mensen niet hoeven te vluchten;

– minder zorgen over de kwaliteit van je voeding;

– overschakelen op duurzame energie en grondstoffen;

– een betrouwbaar transportnetwerk;

– een onbezorgde oude dag;

– minder stress op mijn werk;

– een effectief middel tegen kanker.

Innovatie - EU Grand challenges
Ter vergelijking: De ‘Grand challenges’ waarvan de EU uitgaat

Innovatie - tweet 1De meesten van ons willen dat de manier waarop we met elkaar en met onze leefomgeving omgaan verandert. Stel nu dat we het in Nederland of in Europa eens worden over een lijst met de tien meest wenselijke veranderingen.

Met zo’n lijst kunnen we aan de slag gaan. Waar ontbreekt het nog aan kennis? Welke belangentegenstellingen spelen een rol? Is de politieke wil aanwezig?

Innovatie - tweet 3Zodra bekend is wat de belangrijkste omissies in onze kennis zijn, kan er gericht worden geïnvesteerd in onderzoek om de gewenste veranderingen mogelijk te maken. Overheden moeten daarbij een sturende rol vervullen; het bedrijfsleven sluit aan en benut zijn kansen.

Het woord innovatie is tot dusver niet gevallen en wie heeft het gemist? Of iets een innovatie is kan immers pas na jaren worden vastgesteld. Of de wereld er beter van wordt, dan weten we al veel eerder.

[1] Dit is 50% van hun totale innovatiebudget. PA Consulting: “Innovation As Unusual”: http://www.paconsulting.com/our-thinking/innovation-research/#form1

[2] Ook NETH-ER, het lobbykantoor namens Nederlandse kennisinstellingen in Brussel bedient zich van turbo-taal om de zegeningen van innovatie te beschrijven: http://www.neth-er.eu/nl/nieuws/Beren-op-weg-naar-innovatiesamenleving

Moet je blij zijn als je tot de top 100 van innovatieve universiteiten behoort?

De hoeveelheid verworven patenten speelt een belangrijke rol om hoog te scoren als innovatieve universiteit. Dit is een perverse prikkel, waaraan je beter niet kunt toegeven.

Reuters heeft onlangs de wereldwijde top 100 van innovatieve universiteiten bekend gemaakt. Je kunt die hier bekijken.  Voor alle duidelijkheid: Het gaat niet om het innovatieve karakter van hun onderwijs, maar om de bijdrage aan innovatie in het algemeen[1].

Onderwijs - Stanford
De Stanford campus

Stanford University torent hoog boven alle andere universiteiten uit. Voor Nederland vallen de TU Delft (73) en de Erasmusuniversiteit (92) in de prijzen. De Belgen doen het iets beter: Leuven (16) en Gent (65). Aan de hand van een interactieve tabel kun je de 100 betrokken universiteiten paarsgewijs vergelijken[2]

Maar moet je als universiteit blij zijn met deze uitverkiezing? Om deze vraag te beantwoorden is het belangrijk om te weten hoe de scores worden bepaald[3]. Er zijn 10 criteria en 7 daarvan hebben te maken met  geregistreerde patenten. Hier wringt de schoen. Patenten – en de daarop gebaseerde licenties in het bijzonder – is maar één van de manieren waarop universiteiten kunnen bijdragen aan innovatie. Elders bespreek ik er vier: (1) patenten, (2) spin-offs, (3) onderzoekssamenwerking en (4) onderwijs[4]. Er is lang niet altijd sprake van een betaalde bijdrage vanuit universiteiten. In tegendeel; veel universiteiten delen kennis met lokale bedrijven, de politiek en maatschappelijke groeperingen ‘om niet’.

Geen van de genoemde methoden is bij voorbaat beter dan een andere; het gaat om de balans. Als de rol van patenten bij de berekening van het innovatieve karakter van universiteiten doorslaat, wat mijns inziens het geval is, wordt de titel ‘meest innovatieve universiteit’ een perverse prikkel. Bekend is immers dat het overgrote deel van die patenten nooit wordt gebruikt.

Louis Pasteur
Louis Pasteur

Er is nog een fundamenteler vraagstuk. Het gebruik van wetenschappelijke kennis voor brede maatschappelijke doelen is een goede zaak en universiteiten hebben zich veel te lang in hun ivoren toren verschanst. Maar noch bedrijven, noch de samenleving in het algemeen hebben er baat bij dat universiteiten steeds meer toegepast onderzoek gaan doen, bijvoorbeeld om patenten te scoren. Dit lijkt nu te gebeuren. De unieke bijdrage van universiteiten schuilt in het verrichten van fundamenteel onderzoek. Pasteur bewijst dat dit tevens geïnspireerd kan zijn door de wens maatschappelijke noden aan te pakken[5]. Het is voor universiteiten wereldwijd steeds moeilijker om hiervoor het benodigde geld vrij te maken.

De oplossing voor dit probleem is een organisatorische scheiding tussen meer fundamenteel – bij voorkeur maatschappelijk geëngageerd – onderzoek aan de ene kant en toegepast onderzoek aan de andere kant. De WRR heeft hier indertijd ook voor gepleit. Laat universiteiten met behulp van de eerste geldstroom – zo nodig – langlopende onderzoeksprojecten uitvoeren door teams van professionele onderzoekers. Zorg er ook voor dat de omvang van de eerste geldstroom niet verder verschraalt. Het meer toegepaste onderzoek kan het beste worden ondergebracht in autonome instituten, die – waar wenselijk – samenwerken met het bedrijfsleven. Zo’n model bloeit aan de Universiteit van Leuven. Maar ook valt te denken aan TNO en instituten als de Duitse Fraunhofer Instituten.

Duurzaamheid - bloemenDe ultieme maatstaf om de bijdrage van universiteiten aan innovatie te meten is de mate waarin bedrijven, instellingen en beleidsmakers gebruik maken van hun onderzoek. Zo zou ik trots kunnen zijn op de titel meest innovatieve universiteit.

 

[1] Mijn recente blogpost Waarin de twee meest innovatieve universiteiten van de Verenigde Staten zich onderscheiden gaat wel over de vernieuwing van het onderwijs http://wp.me/p32hqY-fg

[2] De tabel tref je via aan via deze link: http://www.reuters.com/most-innovative-universities/compare#

[3] Zie voor de berekeningswijze: http://www.reuters.com/most-innovative-universities/methodology#jsvI0t1BA3tip0R3.97

[4] Herman van den Bosch: Universiteit en bedrijfsleven: een moeizame relatie in:Robert Kok e.a.:Versterking van innovatie, Boom2013, p. 201-215.

[5] In mijn blogpost Is uw onderzoek ‘actionable’ http://wp.me/p32hqY-Z bepleit ik het belang van wetenschappelijk onderzoek dat zowel fundamenteel als maatschappelijk geëngageerd is, met als grote voorbeeld het werk van Pasteur.

Hoe kunnen publieke onderzoeksmiddelen het best worden besteed?

Onderzoeksbeleid moet niet uitgaan van een lineaire relatie tussen fundamenteel en toegepast onderzoek. Uitgaan van een matrix met als ingangen de mate waarin onderzoek fundamenteel is en de mate waarin het toegepast is, levert betere uitgangspunten op om beleid te maken.

In mijn blogpost van 9 december ben ik uitvoerig ingegaan op het initiatiefvoorstel van Kamerlid Jasper van Dijk om tot wezenlijke verbeteringen te komen van het bestuur van universiteiten[1]. Ik kondigde daarbij aan in een volgende blogpost in te gaan op wat deze nota opmerkt over wetenschappelijk onderzoek [2].

Jasper van Dijk verzet zich tegen het feit dat de financiering van het wetenschappelijk onderzoek een steeds meer voorwaardelijk karakter krijgt, bijvoorbeeld door de koppeling van het topsectorenbeleid. Dit mag voor hem worden afgeschaft en de universiteiten zouden meer geld moeten krijgen voor het doen van fundamenteel onderzoek. Immers – volgens Van Dijk – komen de grootste ontdekkingen voort uit fundamenteel onderzoek.

Stokes_In zijn boek Pasteurs quadrant[3] heeft Donald Stokes de betekenis van fundamenteel onderzoek grondig onderzocht. Het gaat dan met name om de vraag of resultaten van fundamenteel onderzoek min of meer vanzelf doorsijpelen naar de samenleving. Dat blijkt maar voor een deel het geval te zijn. Het overgrote deel van dit onderzoek is geen ander lot beschoren dan vergetelheid. En wat grote ontdekkingen betreft, dat zijn vaak ‘bijvangsten’ van overige vormen van wetenschap, toegepast onderzoek inclusief.

Toch is dit volgens Stokes geen reden om niet meer te investeren in fundamenteel onderzoek. Daarvoor moet eerst afgezien worden van het bestaan van een lineair verband tussen ‘fundamenteel onderzoek’ en ‘toegepast onderzoek’. In plaats daarvan plaatst hij een matrix, waarin hij laat zien dat fundamenteel onderzoek zowel voort kan komen uit de wens de wetenschap te ontwikkelen (zuiver fundamenteel onderzoek) als gericht kan zijn op maatschappelijke vraagstukken (toepassingsgericht fundamenteel onderzoek).Dia1Het werk van Louis Pasteur is het grote voorbeeld van toepassingsgericht fundamenteel onderzoek. Pasteur heeft – achteraf gezien – een baanbrekende bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de microbiologie. Dat was echter niet zijn voornaamste drijfveer. Hij wilde als medicus vooral het grote aantal sterftegevallen door infectieziekten verminderen. Hij vermoedde dat er een nog niet gekende relatie was tussen deze ziekten en de werking van micro-organismen. Hij heeft dit onderzoek volgehouden tot dit bruikbare resultaten opleverde voor de therapie die hij zocht.

van de ven

Stokes’ conclusie – die ik volmondig onderschrijf – is dat de maatschappelijke betekenis van de wetenschap aanzienlijk verhoogd kan worden, als het voorbeeld van Pasteur meer navolging krijgt. Ik vind dat de samenleving van de universiteiten mag vragen door middel van toepassingsgericht fundamenteel onderzoek een bijdrage te leveren aan een beter begrip van de problemen waar de samenleving mee kampt. Dit pleidooi komt ook terug in het lezenswaardige boek Engaged scholarship van Andrew van de Ven. Ik ben het eens met Van Dijk eens als hij universiteiten zelf wil laten bepalen hoe ze dit onderzoek invullen. Daarbij is wat mij betreft ook ruimte voor zuiver fundamenteel onderzoek.

Naast een voldoende omvangrijke publieke geldstroom voor zuiver en toepassingsgericht fundamenteel onderzoek, dient de overheid sterk in te zetten op de financiering van zuiver toegepast wetenschappelijk onderzoek (Edison’s quadrant). Van dit type onderzoek mag op de kortere termijn een bijdrage aan innovatie en aanpak van maatschappelijke vraagstukken worden verwacht. Zeker als dit onderzoek gevoed wordt door meer fundamenteel probleemgestuurd onderzoek.

Ik betwijfel echter of de universiteiten de aangewezen plaats zijn voor dit type onderzoek. Er is – wellicht afgezien van de technische universiteiten – naar mijn gevoel te weinig bewezen expertise voor. Het gevaar is bovendien groot dat de toegekende middelen voor het meer fundamentele onderzoek wordt gebruikt. Beide geldstromen dienen daarom gescheiden te blijven[4].

 

Middelen voor zuiver toegepast onderzoek kunnen het best worden toegedeeld aan TNO en aan instituten, vergelijkbaar met de Duitse Fraunhofer Instituten. Deze kunnen op hun beurt kunnen samenwerken met onderzoekers binnen universiteiten, hogescholen en bedrijven[5]. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid pleitte enige tijd geleden ook al voor Third Places als de aangewezen plaats voor dit type onderzoek[6].

Kortom geef universiteiten middelen voor fundamenteel onderzoek, vraag ze in ruil voor overheidsbekostiging daarbij een belangrijke plaats in te ruimen voor toepassingsgericht fundamenteel onderzoek en gebruik de uitkomsten van onderzoek-visitaties om na te gaan of zij dit geld goed besteden. Organiseer zuiver toegepast onderzoek los daarvan en creëer een strak regime om te stimuleren dat deze middelen worden gebruikt voor van overheidswege vastgestelde innovatiedoelen, bijvoorbeeld aansluitend bij de grand challenges van de EU. [7]

[1] Initiatiefnota Jasper van Dijk (SP): Op naar de nieuwe universiteit: Voorstellen voor hoogwaardig en democratisch onderwijs en onderzoek. Deze nota kan hier worden gedownload: http://www.tweedekamer.nl/vergaderingen/commissievergaderingen/details?id=2015A05007

[2] Met de voorstellen op het gebied van onderzoek ben ik veel minder ingenomen met de voorstellen van Jasper van Dijk. Ik ga hier in een volgende blogpost op in. Daarom gaat de aandacht in deze blogpost vooral naar het onderwijs uit.

[3] Stokes, D.E. (1997). Pasteurs Quadrant: Basic Science and Technological Innovation: Brookings Institution Press 1997.

[4] Opzoeken van de raakvlakken tussen beide vormen van fundamenteel onderzoek maar ook tussen fundamenteel en toepassingsgericht onderzoek is van wezenlijk belang, maar vereist weld at de betrokken typen onderzoek zich tevens vanuit hun eigen kracht en binnen daarvoor maximal geschikte voorwaarden kunnen ontwikkelen.

[5] Universiteiten zullen dit geld besteden ter versterking van hun eigen onderzoeksprioriteiten en naar buiten mooie verhalen vertellen over het maatschappelijke belang daarvan. Voorkom deze maskarade.

[6] Het WRR-rapport Innovatie vernieuwd, Amsterdam University Press 2008 is een van de beste rapporten over aanjagen van innovatie en de rol van de overhead daarbij.

[7] Zie mijn blogpost: Geen kleinere maar een sterkere overheid http://wp.me/p32hqY-9q

 

Informeel leren met collega’s: begin van innovatie

Medewerkers van bedrijven en instellingen leren het meeste van informeel leren. Tot voor kort hadden organisaties vooral oog voor opleidingen en trainingen. daar lijkt veranderingen in te komen. Ook omdat medewerkers die samen praten over problemen sneller toekomen aan het bedenken van innovatieve oplossingen.

Ik vraag nieuwe deelnemers aan mijn programma Innovatiemanagement altijd welke kennisbronnen zij op hun werk gebruiken en hoe vaak[1]. Twee bronnen scoren doorgaans ‘zeer frequent’, te weten collega’s en het Internet. Boeken, tijdschriften, cursussen, universiteiten en hogescholen moeten met meestal doen met de score ‘af en toe’ of ‘zelden’.Jane Hart heeft vergelijkbaar onderzoek uitgevoerd, maar dan op veel grotere schaal en met deelnemers uit een groot aantal landen[2]. De tabel hieronder geeft het resultaat weer.

Kennis - kennisbronnenZij vroeg ook welke sociale media binnen bedrijven en instellingen het meest worden gebruikt als bron van informatie. Twitter, Google Drive/Docs en YouTube scoorden het hoogste.

Onderwijs - Toptien sociale leernetwerken

Het raadplegen van zowel collega’s als het opzoeken van informatie op het Internet zijn onderdelen van informeel leren. Informeel leren is verreweg de belangrijkste manier waarop medewerkers van bedrijven en instellingen bij blijven. Dit staat in schril contract met de aandacht van HRM-afdelingen en chief learning officers voor informeel leren. Verreweg het meest opleidingsgeld gaat naar formele opleidingen en trainingen. Medewerkers vinden de bruikbaarheid daarvan voor de eigen praktijk vaak beperkt.

Onderwijs - Modern workplace learningTeleurstelling over de resultaten van formele opleidingen, de aanwezigheid van een vrijwel oneindige hoeveelheid leermiddelen op internet en de aanwezigheid van steeds meer goede voorbeelden leiden ertoe dat de belangstelling voor informeel leren toeneemt. Een reeks nieuwe publicaties getuigt daarvan.

Bedrijven en instellingen doen er verstandiger aan om informeel leren te faciliteren, zonder het te institutionaliseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om medewerkers aan te moedigen oOnderwijs - Informal learning 2nderling lastige problemen te bespreken. Organisaties kunnen daarbij ervaren medewerkers tijd te geven om hieraan een bijdrage te leveren.

Onderwijs - informal learningAls medewerkers eraan gewend raken om geregeld in een ongedwongen sfeer te praten over problemen en hun oplossing, ontstaat een klimaat waarin innovatie gedijt. De basis voor innovatie is immers een betrokkenheid van de medewerkers bij wat een bedrijf maakt en hoe.

Er zijn diverse vormen van informeel leren. Het onderstaande schema onderscheidt er vier.

Onderwijs - Workplace learning practicesTer toelichting:

  • Training: aanleren van specifieke vaardigheden. Heeft de meeste raakvlakken met formeel leren maar het gebruik van e-learning maakt het mogelijk ‘just-in-time’ en ‘just enough’ te selecteren.
  • Connected learning: het verzamelen en ontwikkeling van kennis in teamverband, bijvoorbeeld door deelname aan een innovatieproject.
  • Workforce collaboration: Uitwisselen van kennis en inzichten, bijvoorbeeld delen van oplossingen van veel voorkomende problemen. Intervisie hoort hier ook bij.
  • Professional learning: Persoonlijke verdieping en ontwikkeling met behulp van speciaal ontwikkelde materialen maar ook door buiten het bedrijf een opleiding te volgen.

Vooral connnected learning en workforce collaboration zijn sociale processen. Hun welslagen hangt ervan af of de betrokkenen kunnen en willen samenwerken en van de steun vanuit bedrijf of instelling.

Bij al deze vormen van informeel leren speelt een afdeling Leren en Ontwikkeling een belangrijke rol. Deze rol is drieledig:

  • Aanstellen van leercoaches Zij helpen medewerkers bij het in kaart brengen van ontwikkelbehoeften
  • Begeleiden van ervaren medewerkers die geregeld voorgaan in de bespreking van complexe problemen met collega’s, zonder dat zij een formele rol als docent hebben
  • Zorgen voor een digitale ondersteuning Deze verschilt voor elk van de vier genoemde vormen. In veel gevallen is bestaand materiaal beschikbaar. Medewerkers moeten echter leren om sociale media ook te gebruiken als leermiddelen. Maken van een lijst met handige YouTube filmpjes kan al voldoende zijn.

Onderwijs - social learning Jane HartHet succes van het informele leren staat of valt met de verbondenheid daarvan met de bedrijfsstrategie. Het moet normaal zijn dat medewerkers tijd nemen om een bespreking in te lassen en dat zij ervaren collega’s kunnen vragen daarbij een helpende hand te bieden.

Het rendement op korte termijn van bedrijfsopleidingen is niet te meten. Zeker is wel dat betrokkenheid en expertise van betrokken medewerkers zal toenemen.

[1] Dit programma bestaat uit een mix van vormen van e-learning: http://www.ou.nl/innovatie

[2] Zie voor een beschrijving van dit onderzoek: http://c4lpt.co.uk/litw-results/

 

Europa raakt achter op het gebied van innovatie

Het aandeel van Europa in de investeringen die wereldwijd plaatsvinden in R&D daalt aanzienlijk. Europese bedrijven investeren steeds liever in R&D buiten Europa. De reden is dat het zwaartepunt van de markt zich verplaatst naar Azië en buiten Europa veel meer technici en ingenieurs zijn.

De uitgaven voor R&D verschuiven wereldwijd aanzienlijk. Je mag R&D niet gelijk stellen aan innovatie, maar deze verschuiving heeft wel vergaande gevolgen voor innovatie.

In 2015 hebben de 1000 bedrijven die het meest aan R&D uitgeven samen $680 miljard geïnvesteerd in R&D[1]. Dat was 5,1% meer dan het jaar daarvoor. Daarmee lijkt de dip tijdens de economische crisis voorbij. Het grootste deel van deze investeringen (86%) is gedaan door bedrijven met hoofdkantoren in Europa, de VS en Japan. Dat is een daling van 10% ten opzichte van 2005.

Innovatie - R&D landen 2007-2015In 10 jaar tijd is de geografische voetafdruk van R&D wezenlijk veranderd. De forse verschuivingen tussen continenten en landen worden inzichtelijk gemaakt met een interactieve tabel, die je hier kunt bekijken[2]. De belangrijkste conclusie is dat in 2015 wereldwijd de meeste investeringen in R&D plaatsvonden in Azië (35%), vervolgens in N. Amerika (33%) en ten slotte in Europa (28%). Tien jaar geleden lag dit nog precies omgekeerd. De nevenstaande tabel toont de omvang van de investeringen in R&D van in de tien landen die het meest in R&D investeren.

De investeringen in R&D door bedrijven in Azië stegen tussen 2007 – 2015 van $96 miljard naar $166 miljard. Alleen al de investeringen door bedrijven in China namen tussen 2007 – 2015 toe met 120% naar $55 miljard. Van dit bedrag komt 88% van buiten China; vooral bedrijven uit de VS, Japan en Duitsland investeren graag in China. De $2 miljard aan investeringen door Chinese bedrijven in R&D in het buitenland steken daarbij schril af.

De investeringen door bedrijven in R&D in de VS in 2015 bedroegen $145 miljard. $53 miljard kwam van bedrijven uit het buitenland. Amerikaanse bedrijven investeerden tevens $121 miljard buiten de VS. Vooral in India en China.

De investeringen in R&D in Europa stegen tussen 2007 – 2015 verreweg het minst, namelijk van $121 miljard naar $131 miljard. In Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk was er zelfs sprake van een daling. In 2007 vond 75% van investeringen in R&D door Europese bedrijven plaats in Europa; in 2015 was dit aandeel gedaald naar 48%. Europese bedrijven zijn veel meer in Azië en in de VS gaan investeren. De investeringen door Europese bedrijven buiten Europa zijn in die periode met 352% gegroeid. Het gaat dan vooral om bedrijven uit Duitsland, Zwitserland, Frankrijk en Zweden.

Deze gigantische wereldwijze verschuiving heeft twee oorzaken.

Marktontwikkeling

Veel bedrijven vinden het belangrijk dat een substantieel deel van hun R&D plaats vind in de nabijheid van de markt. In de periode 1980 – 2013 groeide de binnenlandse afzet van de geïndustrialiseerde landen snel[3]. Deze groei werd veroorzaakt door toenemende welvaart en stijgende arbeidsproductiviteit. Ook de afzet in het buitenland nam snel toe. In 2014 kwam bijvoorbeeld 50% van alle inkomsten van de industrie in de VS uit export. Deze groeiperiode loopt ten eind. De industrialisatie in de opkomende landen maakte zelf een snelle groei door. In 1990 kwam nog slechts 5% van de bedrijven uit de Fortune 500 uit opkomende landen. In 2013 was dat 26%. Deze bedrijven groeien gemiddeld twee maal sneller dan bedrijven in westerse landen. Hun kostenniveau ligt lager, niet in de eerste plaats vanwege de lagere loonkosten, maar vooral omdat ze ondanks de groei ‘lean’ zijn gebleven. Een ton aluminium kost in China $1900. In de VS bedraagt de prijs $2500. Het aandeel van China in de productie van aluminium is tussen 1990 en 2014 gestegen van 4% naar 52%. Dit geldt in wat mindere mate voor veel andere producten.

Organisatie - inkomsten bedrijven per werelddeel

Vanwege de enorme groei van de markten in Azië vinden alle westerse bedrijven het belangrijk een aanzienlijk deel van hun R&D naar dat continent te verplaatsen. Bedrijven als DSM en Philips zijn hier lichtende voorbeelden van.

Beschikbaarheid van bètawetenschappers en ingenieurs

De tweede oorzaak van de wereldwijze verschuiving van R&D activiteiten is de toenemende schaarste van goed gekwalificeerde bètawetenschappers en ingenieurs in Europa en van  een omvangrijk aanbod  in de rest van de wereld. Voor Azië geldt daarbij tevens een gunstige prijs-kwaliteitverhouding. Siemens deelt zijn kennis in Aziatische researchlaboratoria met jonge wetenschappers en geeft aan dat als gevolg hiervan vele innovatieve producten gemaakt konden worden, ook ten behoeve van de Europese markt. Bedrijven uit de VS investeren in India omdat het tijdsverschil met de VS hen in staat stelt om laboratoria dan 24 uur per dag te laten werken. De voornaamste reden voor Europese bedrijven om onderzoekscentra in de VS te vestigen is de aanwezigheid van talrijke andere researchcentra, van jonge creatieve ontwikkelaars en van willig venture capital. Sillicon Valley, Boston en andere centra van innovatieve activiteit zijn bij Nederlandse bedrijven zeer in trek. Het gaat niet alleen om ICT; ook het innovatie ecosysteem voor farmaceutische industrie staat hoog aangeschreven. Het door de overheid gesubsidieerde National Institute of Health is grootste biomedische onderzoeksinstituut ter wereld.

Investeringen in R&D staan altijd onder druk. Geen enkel bedrijf kan met ‘harde cijfers’ een relatie aantonen tussen de omvang van investeringen in R&D en de groei van de verkoop, de bruto winst, de marktkapitalisatie en de aandeelhouderswaarde. Bedrijven in de VS en Europa ervaren deze druk sterker dan bedrijven in Azië. Aandeelhouders vragen om resultaten op korte termijn. In Azië, waar meer staats- en familiebedrijven zijn, is meer ruimte voor ontwikkelingen op lange termijn.

Organisatie - Eigendomsvormen

Eigenlijk zijn er maar twee dingen zeker. De kans op een hoger bedrijfsresultaat als gevolg van R&D neemt toe, indien R&D tot meer innovatie leidt en verstandig over de hele wereld is gespreid: It is not how much you spend on research and development, but how you spend it. Now also where you spend it.

Bedrijven moeten daarom goed nadenken over de volgende kwesties:

  • Wat moet R&D opleveren?
  • Wat is de relatie tussen de keuze van een vestigingsplaats van een nieuw R&D centrum en de doelen die daarmee bereikt moeten worden?
  • Hoe verhoudt R&D zich tot  innovatie?

Bedrijven moeten zich blijven realiseren hoe hun overall-strategie en hun innovatiestrategie zich tot elkaar verhouden.

Voor de ontwikkeling van nieuwe (product)ideeën – de ideation stage – zijn relatief kleine teams dicht bij de markt aan te bevelen. De rol van crowdsourcing neemt overal toe en bedrijven kunnen hierdoor tevens beter zicht krijgen op overeenkomsten en verschillen tussen de klantvraag in verschillende landen. Productontwikkeling zelf kan beter geconcentreerd plaatsvinden, uitgaande van aanwezigheid van hoogwaardig technisch personeel en vergelijkbare R&D laboratoria.

Slechts 27% van alle bedrijven geeft aan – als het om innovatie gaat – klaar te zijn voor de komende tien jaar[4]. Er is nog veel te doen.Hierbij staat voor innovatie in Europa veel op het spel: Europese bedrijven investeren steeds liever buiten Europa. Investeringen in R&D in Europa door bedrijven van buiten Europa compenseren dit maar ten dele.

[1] De blogpost maakt gebruik van de gegevens van deze 1000 bedrijven. Deze zijn ontleend aan de volgende bron: http://www.strategy-business.com/feature/00370?preview=1&psid=0&ph=0dff. Als wordt gesproken over het jaar 2015, betreft het de periode medio 2014 – medio 2015.

[2] Een interactieve versie van deze tabellen is te zien op: http://www.strategy-business.com/interactive/Where-Companies-Spend-Their-RD-Money?preview=1&psid=0&ph=0dff. Deze interactieve table geeft tevens gedetailleerde informatie over de spectaculaire verandering in de omvang van de investeringen vanuit en in de betrokken landen.

[3] Zie voor een gedetailleerde weergave van de ontwikkeling van de markten wereldwijd, de factoren die hebben geleid toy de groei van de multinationale ondernemingen en de omstandigheden die nu het einde van deze groei inluidenhet Harvard Business Review artikel: The future and how to survive it. https://hbr.org/2015/10/the-future-and-how-to-survive-it

 

[4] Zie hiervoor en voor andere gegevens over hoe bedrijven aankijken tegen hun eigen innovatiestrategie: http://www.strategy-business.com/article/00295?preview=1&psid=0&ph=0dff

 

De volatiliteit van innovatierankings

Deze blogpost laat zien dat de plaats van landen in Europa op innovatieranking aanzienlijk verandert als niet naar voorwaardenscheppende activiteiten wordt gekeken maar naar de hoeveelheid innovatieve producten en diensten.

In mijn vorige blogpost uitte ik twijfels over de manier waarop het Global Competitiveness Rapport 2015-2016 de innovatieprestatie van landen berekent. De samenstellers van het rapport delen deze twijfels en ze zijn van plan het aantal indicatoren – nu zeven – volgend jaar drastisch uit te breiden[1]. Het is maar zeer de vraag of dit een oplossing is.

Innovatie - Innovation Scoreboard 2015De makers van een andere innovatieranking, het European Innovation Union Scoreboard (zie boven), kampen met hetzelfde probleem[2]. Zij hanteren 25 indicatoren, verdeeld in drie groepen: enablers, firm activities en outputs.

Enablers verwijst naar voorwaardenscheppende activiteiten. Deze liggen onder andere op het gebied van de hoeveelheid academisch afgestudeerden, de wetenschappelijke output en de financieringsmogelijkheden.

Firmactivities verwijst onder andere naar activiteiten van bedrijven die verband houden met innovatie, zoals investeringen in R&D, samenwerkingsactiviteiten en voortgebrachte patenten.

Outputs verwijst naar het meest naar tastbare resultaten activiteiten, waartoe onder andere behoren het aantal bedrijven dat innovatieve producten vervaardigt, de hoeveelheid innovatieve producten en het aandeel daarvan in de export.

Elk van de drie groepen is gebaseerd op een reeks indicatoren (zie onderstaand overzicht).

Innovatie - Innovation Scoreboard 2015 2Het valt onmiddellijk op dat geen enkele indicator van innovatie op de Global Competitiveness Index behoort tot de categorie ‘outputs’ (Zie overzicht daarvan in mijn vorige blogpost). De ranking van landen is daardoor uitsluitend gebaseerd op voorwaarden om te innoveren en bedrijfsactiviteiten die daar mogelijk toe kunnen leiden.

Dit roept de vraag op hoe een ranking uitziet die uitsluitend op output is gebaseerd, bijvoorbeeld de hoeveelheid innovatieve producten en diensten van een land. Voor dit doel heb ik de afzonderlijke scores berekend van alle Europese landen met betrekking tot enablers, firmactivities en output aan de hand van data die het European Innovation Union Scoreboard gebruikt. Zie daarvoor de onderstaande tabel. De tabel bevat opmerkelijk resultaten.

Innovatie - Europese landen eigen berekening 2Ierland en Luxemburg zijn de meest innovatieve landen, als je in tegenstelling tot de bovenstaande tabel alleen naar de output kijkt. Hun scores op het gebied van enablers en firmactivities behoren tot de middelmaat. Duitsland scoort hoog op output en firmactivities, maar veel lager op enablers. Bij Zwitserland, Zweden, Noorwegen en Finland en in zekere zin ook Nederland en België is het tegenovergestelde het geval. Deze landen danken hun hoge score – ook op de Global Competitiveness Index – aan de kwaliteit van hun enablers en/of firmactivities. Hun score ligt duidelijk lager als je uitsluitend kijkt naar de hoeveelheid innovatieve goederen en diensten die ze produceren.

Deze cijferexercitie leidt tot twee conclusies.

De waarde van een ranking die is gebaseerd op een cocktail van heterogene indicatoren, is twijfelachtig. Het gaat vooral om een pr-instrument, vooral als het resultaat goed uitpakt. Publiceren van clusters van indexcijfers die verwijzen naar verwante indicatoren, zoals enablers, firmactivities en output, is in elk geval voor beleidsmakers veel waardevoller.

Een wetenschappelijk gefundeerd model van onafhankelijke, intermediërende en afhankelijke variabelen wordt node gemist. Zo’n model zou uitsluitsel kunnen geven over de rol die enablers, firmactivities en mogelijk andere variabelen spelen en ook wat we precies dienen te verstaan onder output. Nu vullen beleidsmakers en politici deze relatie op opportunistische wijze in; bijvoorbeeld door te verwijzen naar het belang van wetenschappelijk onderzoek voor innovatie. De bovenstaande gegevens wijzen op de betrekkelijkheid van dit verband.

Veel belangrijker voor innovatie dan de ‘enablers’ zijn mijns inziens de capaciteit van bedrijven om kennis te absorberen, de beschikbaarheid van technisch afgestudeerden, de hoeveelheid R&D door bedrijven en de samenwerking op onderzoeksgebied tussen universiteiten en bedrijven.

[1] Zie hoofdstuk 2 uit het Global Competitiveness Report 2015-2016: http://reports.weforum.org/global-competitiveness-report-2015-2016/introduction-2/

[2] In 2013 heeft de Europese Unie een herberekening gepubliceerd van het innovatieve gehalte van de landen van Europa. Deze bevatte alleen indicatoren die rechtstreeks met innovatie verwant waren. Het resultaat was een sterk afwijkende ‘rating’, waarbij Nederland naar de middenmoot tuimelde. Het is bij een eenmalige exercitie gebleben. Weaarvan de resten zelfs van de websiute zijn verdwenen. Geïnteresseerden zijn daarom aangewezen op de blogpost die ik indertijd aan deze exercitie heb gewijd: http://wp.me/p32hqY-5d

De wankele basis van de innovatie-ranking

De berekening van de pijler innovatie binnen de GCI is gebaseerd op een beperkt aantal variabelen, maar geeft niettemin een beeld van de sterke en zwakke landen van Nederland en andere landen

Samenleving - competitiveness 3

Vorige week ging deze post over de Global Competitiveness Index 2015-2016. Nederland neemt daarop een vijfde plaats in. Deze score is berekend door de gemiddelde scores te nemen van 122 indicatoren verspreid over 12 onderwerpen (‘pijlers’), die te maken hebben met concurrentiekracht. Een van deze pijlers is innovatie. Op deze pijler neemt Nederland een 8ste plaats in. De tabel hiernaast laat de 25 hoogstscorende landen zien[1]. De berekening van de ‘ranking’ is niet zonder haken en ogen. Ook daarover gaat deze post, maar ik wil vooral achterhalen hoe dit soort scores Nederlandse (en andere) beleidsmakers kunnen helpen.

De score op de pijler innovatie is – net als alle andere scores – een cocktail. In dit geval van 7 indicatoren. Zes van de zeven indicatoren corresponderen met telkens een van de onderstaande vragen. Deze worden voorgelegd aan managers van bedrijven en deze antwoorden op een 7-puntschaal.

  1. Beschikken bedrijven in uw land over de capaciteit om te innoveren?
  2. Hoe beoordeelt u de kwaliteit van de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek in uw land?
  3. In welke mate investeren bedrijven in uw land in R&D?
  4. In welke mate werken in uw land bedrijven en universiteiten samen op het gebied van R&D
  5. In welke mate stimuleert het inkoopbeleid van de overheid in uw land innovatie?
  6. In hoeverre zijn er in uw land voldoende technisch geschoolde hoger opgeleiden aanwezig?

De zevende indicator betreft het aantal patenten per 1.000.000 inwoners en hiervoor zijn bestaande statistieken gebruikt. Een brede basis voor de meting van innovatie zijn deze zeven indicatoren niet echt.

Wat leren we van de innovatiescore?

De innovatiescore is vooral geschikt om te bekijken hoe één land zich ontwikkelt over een wat langere periode of om landen onderling te vergelijken. Voor dit laatste doel heb ik 15 landen uitgezocht (zie onderstaande tabel). Ik heb aan de zeven bovenstaande indicatoren nog enkele toegevoegd, die zijn ondergebracht in andere pijlers dan innovatie. Het gaat om kwaliteit onderwijs, gemak om geld te lenen, absorptiecapaciteit bedrijven en bereidheid om de macht te delen (horizontaal georganiseerde bedrijven zijn vaak meer innovatief).

Met deze gegevens heb ik de berekening opnieuw uitgevoerd, wat tot een aantal verschuivingen in de ranking leidt. De VS, Zweden en Noorwegen scoren dankzij de toegevoegde variabelen een stuk beter. Voor Zwitserland, Israël en Denemarken geldt het omgekeerde. Ook dit wijst problemen met de stabiliteit van de innovatiescore.

De kleuren van de cellen corresponderen met de oorspronkelijke scores van de desbetreffende indicator binnen de GCI: Donkergroen, 1 t/m 5; lichtgroen, 6 t/m 19; geel, 20 t/m 49; oranje, 41 t/m 89 en rood, 90 t/m 140[2].

Innovatie - Europese landen eigen berekening 1De tabel geeft aanleiding tot een reeks conclusies met betrekking tot mogelijke verbeteringen van het innovatieve gehalte van de getoonde landen. Ik kijk naar Nederland in het bijzonder. Hier zijn de belangrijkste:

  • Nederland scoort uitgesproken zwak op het gebied van de financiering van innovatieve bedrijven. Van de geselecteerde landen scoort overigens alleen Noorwegen zeer goed. Ook Zwitserland scoort matig.
  • De kwaliteit van het onderwijs kan overal beter. Finland, Zwitserland en België zitten aan de top.
  • Nederland scoort hoog op de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek, maar de aansluiting tussen wetenschappelijk onderzoek en innovatie in bedrijven kan beter. De scores op de punten absorptiecapaciteit van bedrijven en beschikbaarheid van technisch afgestudeerden zijn duidelijk lager dan die van omliggende landen.
  • In zowel Nederland als België kan de overheid innovatie verder stimuleren met een actief aankoopbeleid van innovatieve producten.
  • Opvallend is de zwakke positie van Italië. Een land als Ghana blijkt nog innovatiever.

Wat is de waarde van de innovatiescores

De score voor innovatie van een land hangt sterk af van de gekozen variabelen: Israël duikelt maar liefs 6 posities, nadat ik vier variabelen had toegevoegd. De samenstellers van de GCI realiseren zich dit en hebben uitbreiding van het aantal variabelen aangekondigd met ingang van de editie 2016-2017. Het is de vraag of meer indicatoren alleen het probleem oplost.

Een betrouwbare maatstaf voor innovatie komt niet tot stand door alles wat met innovatie te maken kán hebben bij elkaar op te tellen. Inzicht in de samenhang van de variabelen is van veel groter belang. Het aantal indicatoren kan eerder kleiner worden als er een onderscheid gemaakt wordt tussen onafhankelijke, mediërende en afhankelijke variabelen en als co-variatie wordt uitgefilterd, bijvoorbeeld met een factoranalyse.

De bovenstaande tabel leert ons hoe Nederland zijn score kan verbeteren op de pijler innovatie van de GCI. Dat is mooi, maar komen daardoor ook meer innovatieve producten op de markt? Trouwens, hoeveel innovatieve producten en diensten komen er eigenlijk uit topscoorder Zweden, afgezien van Spotify?

Volgende week ga ik verder in op de vraag wat de innovatiescore eigenlijk meet.

[1] Ga voor een volledig overzicht naar het interactieve rapport: http://reports.weforum.org/global-competitiveness-report-2015-2016/competitiveness-rankings/ Kies kier de pijler innovatie. Je kunt hier ook de andere pijlers en zelfs elk deelaspect ervan voor alle landen bekijken.

[2] Ik heb bewust gekozen voor ongelijke intervallen om meer variatie te forceren. De geselecteerde landen behoren overwegend tot de hoogst scorende landen en zouden anders weinig onderlinge verschillen tonen.

Overheid besteedt innovatiemiddelen eenzijdig. Tien aanbevelingen

De Nederlandse overheid stelt miljarden beschikbaar voor innovatie. Het rendement van deze investeringen kon hoger zijn, als beter was geluisterd naar onderzoekers, bijvoorbeeld van het MERIT-UNU te Maastricht[1].

Innovatie - citaat René WintjesOverheden hebben in 2002 afgesproken om 3% van het BNP te investeren in R&D. Deze afspraken zijn nooit gehaald en dat is maar goed ook. Achter deze afspraken schuilt namelijk een fixatie op het ‘lineaire innovatiemodel’. Dit is het geloof dat innovatie vooral afhangt van publieke en private investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Dit model heeft in de periode 1950 – 1980 zijn vruchten afgeworpen. Daarna begonnen in het bijzonder vraagfactoren een steeds belangrijkere rol te spelen. De meest innovatieve bedrijven ter wereld (Apple, Google, Facebook) onderscheiden zich niet door de hoogte van hun R&D investeringen maar door de manier waarop ze vraag naar hun producten en diensten hebben weten te creëren[2].

Hieronder volgen tien aanbevelingen aan de overheid om het innovatiebeleid effectiever te maken.

  1. Geef fundamenteel onderzoek vrij baan

Kennis - Toepassingsgericht en fundamenteelGeef universiteiten een ‘lumpsum’ bedrag om fundamenteel onderzoek te doen. Vertrouw erop dat moderne wetenschappers daarbij tevens oog hebben voor maatschappelijke toepassingen. Het bedrag daarvoor hoeft niet hoger te zijn dan thans beschikbaar is, maar hef alle voorwaarden op die aan de besteding worden gesteld. Beëindig ook alle geldverslindende herverdelingsactiviteiten via NWO. Zorg wel voor een pot om jaarlijks een handvol werkelijk excellente onderzoeksgroepen een impuls te geven.

  1. Stimuleer samenwerkingsonderzoek

Innovatie - TNO en Daf ecotwinInvesteer krachtig in praktijkgericht onderzoek en betrek daarbij zowel universitaire onderzoekers als onderzoekers vanuit het bedrijfsleven. Breng dat NIET onder in universiteiten maar in instellingen naar het voorbeeld van de Duitse Fraunhofer Instituten of het Nederlandse TNO[3]. Neem een voorbeeld aan het strakke projectbegeleidingsregime van het Amerikaanse DARPA[4]. Bouw het topsectorenbeleid om naar een beleid dat consequent is gericht op de ‘grand challenges’ zoals benoemd door de EU (water, energie, voedsel, vergrijzing e.a.). Test potentiële innovatieve producten en diensten uit onder zo realistisch mogelijke omstandigheden (fieldlabs).

  1. Verhoog kenniscirculatie en absorptiecapaciteit

Innovatie - innovatievoucherBedrijven en organisaties benutten slechts een deel van de wereldwijd aanwezige kennis om te innoveren en hun productie duurzamer en maatschappelijk meer verantwoord te maken. Grotere bedrijven moeten daarom een of meer generalisten in dienst hebben die in staat zijn de link met kennisinstituten te leggen. Projectsubsidies kunnen hier een handje helpen. Regionale of sectorale innovatiecentra, zoals het Technologiecentrum Noord Nederland, kunnen deze rol voor kleine bedrijven vervullen. Ook hier zijn gerichte subsidies welkom; de innovatievoucher is hiervan een goed voorbeeld.

  1. Richt vestigingsbeleid op innovatieve bedrijven

big shiftIn mijn blogpost van 27 mei[5] heb ik al opgemerkt dat stimuleren zonder meer van clusters, ‘valleys’ of campussen, weggegooid geld is. Voorop moet staan aantrekken, stimuleren en behouden van innovatieve bedrijven en vergemakkelijken van vestiging daaromheen van andere bedrijven. Het is uiteraard een voordeel als daarbij wordt aangesloten bij sterke kanten van de regio (smart specialization) Het is dan vooral zaak om het proces van organische groei te ondersteunen.

  1. Organiseer demonstratieprojecten

Innovatie - demonstratieprojectHet grootste probleem van innovatieve bedrijven is dat veel potentiële afnemers terugschrikken om innovatieve technologieën aan te schaffen. Risicomijdend gedrag of puur conservatisme zijn daar debet aan. Overheden kunnen innovatieve bedrijven ondersteunen door demonstratieprojecten op te zetten. Aarzelende afnemers kunnen hiermee over de streep worden getrokken.

  1. Koop meer innovatieve producten

Innovatie - energy procurementDe Nederlandse overheid geeft slechts 3,8 miljard uit voor de aanschaf van innovatieve producten en diensten. Dit is maar een fractie van het totale bedrag dat beschikbaar is voor overheidsinkopen en kan makkelijk twee of drie keer hoger zijn. Aanbestedingen zouden best wat duurder mogen uitvallen als het uiteindelijk resultaat (bouwwerk, weg, spoorwegverbinding) een duidelijke demonstratiefunctie als innovatief product of dienst heeft.

  1. Maak (financieel) voordeel van innovatie zichtbaar

Innovatie - subsidie zonnepanelenBedrijven schrikken terug voor het aanschaffen van energiebesparende technologieën of overschakeling op zonne-energie. Dit komt niet alleen vanwege de hoge aanschafkosten maar ook door de lange terugverdientijd. Integrale subsidies waarbij de installatie wordt geleaset en men van meet af aan een lagere energieprijs betaalt, bieden dan een oplossing.

Een vergelijkbaar beleid kan ook worden gevoerd naar consumenten: Uit handen nemen van rompslomp bij de aanschaf van zonnepanelen en financieel voordeel onmiddellijk voelbaar maken.

  1. Bemiddel bij aantrekkelijke vormen van financiering

Innovatie - koploper project MKBHet is nergens voor nodig dat alle bedrijven innovatieve producten en diensten aanbieden. Wél zouden ze alle moeten overschakelen op energiebesparende machines, gebruik maken van schone technologieën en gebruik maken van bio-grondstoffen. De meeste daarvan liggen al ‘op de plank’ . De aanschaf daarvan zou met leaseconstructies, garantieleningen, laag btw-tarief en desnoods subsidies gestimuleerd moeten worden.

  1. Bevorder gewenst gedrag met wetgeving

De beste bijdrage van de overheid aan de energietransitie is het zwaar belasten van de uitstoot van CO2 en alle vormen van subsidie op fossiele energie en grondstoffen stopzetten. Kost weinig en levert – althans tijdelijk – veel op. Andere juridische stappen om bedrijven en consumenten te ‘helpen’ innoveren zijn minimumeisen op gebied van dierenwelzijn, minder maar strenge eisen aan voedselkwaliteit en verbieden van investeringen in aanleg van centrales die fossiele brandstoffen gebruiken.

  1. Onderwijs en educatie

Onderwijs - Financiële- en accountantsopleidingenDe inhoud van het onderwijs moet wezenlijk veranderen. Het gaat er NIET in de eerste plaats om dat jongeren voor technische vakken kiezen of enthousiast worden voor innovatie. Centraal staat een transitie met doel om de wereld toekomstbestendig te maken en leerlingen te mobiliseren de handen daarvoor uit de mouwen te steken. Het onderwijs zal in elk geval leiden tot een herwaardering van verantwoord ondernemerschap en vakkundigheid.

Innovatie met als doel de grote problemen van deze tijd aan te pakken kan toe met minder, maar andere, investeringen in R&D en meer investeringen die voorwaarden scheppen (onderwijs, vestigingsbeleid) en vooral investeringen die ervoor zorgen dat de beschikbare kennis en de daaruit resulterende producten en diensten ook worden gebruikt.

Innovatie - model aanbod en vraagfactoren

[1] Zie bijvoorbeeld het rapport dat dr. René Wintjes schreef voor de EU: Un-locking the potential of business and societal innovation; how to scale-up successful new business and production models? European Union Enterprise and Industry, September 2013. Downloden via http://www.merit.unu.edu/how-to-maximize-innovation-potential/

[2] Mijn blogpost van 27 mei laat zien dat tot top tien van bedrijven op het gebied van R&D allesbehalve samenvalt met de top tien van innovatieve bedrijven: http://wp.me/p32hqY-cT

[3] Universiteiten zullen dit geld besteden ter versterking van hun eigen onderzoeksprioriteiten en naar buiten mooie verhalen vertellen over het maatschappelijke belang daarvan. Voorkom deze maskarade.

[4] Zie mijn blogpost: Geen kleinere maar een sterkere overheid http://wp.me/p32hqY-9q

[5] Valleys, clusters en campussen: hoe overheden geld verspillen http://wp.me/p32hqY-cT

Valleys, clusters en campussen: hoe overheden geld verspillen

Al in 1880 schreef Alfred Marshall dat gelijksoortige bedrijven voordeel kunnen hebben van elkaars nabijheid. Er kan dan een gespecialiseerde arbeidsmarkt ontstaan en kennis kan zich makkelijker verspreiden. De belangstelling voor clustervorming is de laatste jaren sterk toegenomen omdat wordt aangenomen dat clusters ook een voedingsbodem zijn voor innovatie. Sillicon Valley en ook onze eigen Brainport gelden daarbij als voorbeeld. Samenleving - campussen in NederlandVoor provinciale overheden is de vermeende rol van clustervorming als aanjager van innovatie aanleiding geweest om miljoenen te investeren in valleys, clusters of campussen, waarvan er in Nederland inmiddels tientallen het licht hebben gezien. Helaas hebben zij de relatie tussen clustervorming en innovatie niet goed begrepen en veel investeringen zijn daarom weggegooid geld.

Personen - Steven Klepper
Steven Klepper

De recent overleden Amerikaanse hoogleraar Steven Klepper heeft op basis van een reeks case studies twee populaire aannames onderuit gehaald[1]. In de eerste plaats: Clusters leiden niet tot innovatie, maar innovatie leidt tot clusters. Honderd weinig innovatieve bedrijven, hoe dicht ook opeen gepakt, bewerkstelligen geen innovatie. Wel kunnen er – bij voldoende schaalgrootte – agglomeratievoordelen ontstaan.

Stel, een provinciale overheid wil innovatie stimuleren in een aangewezen gebied. Het zet geen zoden aan de dijk om bedrijven over te halen zich daar te vestigen, collectieve voorzieningen te creëren en te hopen dat er innovatie ontstaat. In plaats daarvan zou ze zich moeten inzetten om een of enkele innovatieve bedrijven naar die regio toe te halen en faciliteiten te bieden aan andere bedrijven, die vestiging nabij deze innovatieve bedrijven belangrijk vinden.

De tweede onjuiste aanname is dat de nabijheid van (research)universiteiten innovatie stimuleert. Stanford University heeft inderdaad een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van Sillicon Valley. Er zijn ook talrijke voorbeelden van universiteiten die hoegenaamd géén rol spelen bij het aanjagen van innovatie en van regio’s die innoveren zonder dat er een universiteit in de buurt is. De bijdrage van innovatie van een universiteit aan de omliggende regio hangt vooral af van de wederzijds positieve instelling van onderzoekers van die universiteit en onderzoekers in omliggende bedrijven. Hoe simpel het ook klinkt, het moet gewoon klikken.

Innovatie - Top RD spendersInnovatie - tot innovatieve bedrijvenIk voeg hier nog een derde misverstand aan toe. Uit het jaarlijkse onderzoek van Booz & Company – The Global Innovation 1000 – blijkt keer op keer dat er géén rechtstreeks verband is tussen uitgaven voor R&D en innovatie: Spending more on R&D won’t drive (innovation vdB) results. The most crucial factors are strategic alignment and a culture that supports innovation. Overheden hebben het lastig met deze conclusie. Er liggen immers miljarden klaar om innovatie te stimuleren, maar overheden besteden dit geld het liefst aan sectoren of via generieke (belasting)maatregelen. Beter is om bedrijven die al bewezen hebben innovatief te zijn – zo nodig – te steunen, bijvoorbeeld door samen projecten op te zetten een of meer van die bedrijven en universiteiten. Dat het neoliberale denken hiervoor geen beletsel hoeft te zijn, bewijst de succesvolle aanpak van innovatie door aan de overheid gerelateerde ontwikkelingsorganisaties als DARPA in de Verenigde Staten[2].

[1] Zie een publicatie van Anne Marie Knott In Harvard Business Review 2014: https://hbr.org/2014/12/what-the-two-most-innovation-friendly-states-have-in-common?utm_campaign=Socialflow&utm_source=Socialflow&utm_medium=Tweet

[2] zie mijn blogpost ‘Geen kleinere maar een sterkere overheid’ van 23 oktober 2014.