Democratisering van universiteiten kan niet zonder zelfbestuur

Problemen met het bestuur van instellingen voor hoger onderwijs zijn het gevolg van een discrepantie tussen de arbeidsorganisatie en de besturingsorganisatie. Voor het oplossen van deze problemen is meer medezeggenschap voor de raden niet voldoende. Invoering van zelfbestuur moet serieus worden overwogen.

Onderwijs - studentenprotestIn februari 2015 kwam jarenlang sluimerende onvrede over het bestuur van de Universiteit van Amsterdam (UvA) tot uitbarsting. Buitenstaanders verbazen zich hierover: Nederlandse universiteiten doen het op het gebied van onderwijs en onderzoek immers goed. Insiders weten dat dit eerder ondanks dan dankzij het bestuur het geval is. De problemen zijn talrijk en gecompliceerd[1]. Onderzoek onder studenten en personeel van de UvA leverde 27 knelpunten op[2], zoals:

– Aanhoudende bezuinigingen, mede door schulden als gevolg van onroerend goed transacties.

– Gebrek aan transparantie bij de verdeling van middelen.

– Stijgend percentage tijdelijk personeel zonder enig uitzicht op een vaste aanstelling[3].

– Hoge werkdruk, mede door onrealistische normen voor onderwijsactiviteiten en onderzoekoutput.

– Centralisatie van de macht bij het College van bestuur en de decanen van faculteiten.

– Gecompliceerde organisatie met een versnipperde medezeggenschap.

– Verschraling van het onderwijs door overmatige nadruk op studierendement.

– Budgetteringssysteem vol perverse prikkels.

Deze knelpunten zijn zeker niet uniek voor de UvA[4].

Kamerlid Jasper van Dijk heeft de Tweede Kamer een initiatiefvoorstel voorgelegd met als doel het bestuur van universiteiten wezenlijk te verbeteren[5]. Dit voorstel omvat 40 beslispunten waarvan je hier een korte samenvatting kunt lezen[6].

IMG_1606Uitvoering van de voorstellen van Jasper van Dijk, die deels teruggrijpen op de in 1970 ingevoerde Wet Universitaire Bestuurshervorming (WUB), versterken zonder meer de medezeggenschap van studenten en medewerkers. Daarmee worden echter niet alle problemen opgelost. Dat komt omdat Jasper van Dijk vooral uitgaat van de principes van vertegenwoordigende democratie. Voor de versterking van het democratisch gehalte van organisaties is tevens invoering van zelfbestuur onmisbaar.

Om duidelijk te maken waarom bij democratisering van universiteiten meer komt kijken dan toekennen van meer bevoegdheden aan medezeggenschapsorganen, ga ik 50 jaar terug in de tijd en wel naar de eerste Maagdenhuisbezetting in 1969. Studenten keerden zich met succes tegen de almacht van de hoogleraren. De ongekend snel ingevoerde WUB leidde tot de invoering van min of meer paritair samengestelde universiteits- en faculteitsraden, die op een aantal gebieden medebeslissingsrecht hadden. Ook nieuw was de invoering van vakgroepen, ook wel gedemocratiseerde leerstoelen genaamd. In vakgroepen kon het wetenschappelijke personeel op basis van gelijkwaardigheid beslissen over de uitvoering van onderwijs en onderzoek. Studenten hadden in vakgroepen overigens geen stem van betekenis.

De waarde die medewerkers hechtten aan universiteiten- en faculteitsraden daalde met de jaren. Zij voelden zich niet in deze raden vertegenwoordigd en animo om in raden zitting te nemen ontbrak. Toen de Wet Modernisering Universitair Bestuursorganisatie (MUB) in 1997 de invloed van de raden verder inperkte, liet vrijwel geen lid van het wetenschappelijk personeel daar een traan om. Verzet kwam nog wel van studentenzijde.

IMG_1605Zo lang onderwijsprogramma’s uit losse vakken bestonden,  functioneerde de  vakgroepstructuur goed.  Het inzicht groeide  echter dat opleidingen méér zijn dan een optelsom van vakken. De MUB creëerde daarom voor onderwijs en onderzoek eigen organisaties. Er kwamen opleidingsdirecteuren die verantwoordelijk waren voor het onderwijs en die het budget beheerden. De vakgroepen ‘kantelden’ en werden afdelingen of capaciteitsgroepen[7]. Zij raakten – althans op papier – een groot deel van hun invloed kwijt.

De structuur die de MUB in het leven heeft geroepen, was van meet af aan gekenmerkt door conflicten tussen afdelingen en onderwijsdirecteuren. Veel plannen van onderwijsdirecteuren waren op zich niet slecht, maar deze werden meestal top-down doorgedrukt. Docenten pasten deze plannen overigens vaak naar eigen goeddunken aan en hun impact bleef daardoor beperkt.

Zoals uit het bovenstaande blijkt, zijn veel van de problemen waarmee universiteiten kampen het gevolg van discrepantie tussen wat in de sociotechniek heet ‘arbeidsorganisatiestructuur’ en ‘besturingsstructuur’. De arbeidsorganisatie heeft betrekking op de dagelijkse werkzaamheden van medewerkers, zoals ontwikkelen van onderwijs, samen met collegae een project begeleiden, lidmaatschap van een curriculumcommissie et cetera. De besturingsorganisatie staat voor de manier waarop over de werkzaamheden van docenten wordt beslist. Arbeidsorganisatiestructuur en besturingsstructuur zijn ver uit elkaar gegroeid ook als de besturingsstructuur min of meer democratisch is. De leden van een faculteitsraad die beslissen over bijvoorbeeld een nieuw curriculum in een van de (vele) opleidingen van een faculteit, zijn meestal maar beperkt op de hoogte van wat er in die opleiding speelt. Zelfbestuur voorkomt dit.

IMG_1607Volgens de principes van zelfbestuur, die in steeds meer organisaties met succes worden ingevoerd, moeten degenen die betrokken zijn bij de ontwikkeling en uitvoering van het onderwijs – wetenschappelijk personeel en studenten – tevens een doorslaggevende rol spelen bij het nemen van besluiten hierover. Dit kan op allerlei manieren. In mijn Nijmeegse tijd vormden docenten semesterteams, die verantwoordelijk waren voor het ontwerp en de uitvoering van het onderwijs in dat semester[8]. Studenten waren daar ook bij betrokken. Vertegenwoordigers van de verschillende teams bespraken geregeld de samenhang tussen de semesters en andere opleidingsaangelegenheden. Integratie van dit overleg met de opleidingscommissie was overigens een volgende stap geweest.

Essentieel in deze aanpak is dat de bevoegdheden op de hogere niveaus zijn afgeleid van wat op een lager niveau geregeld wordt en niet andersom. Gesteld dat de docenten en studenten voor de opleiding binnen een vorm van zelfbestuur organiseren, dan ligt het voor de hand dat er op ditzelfde niveau – afdeling of departement – een orgaan is dat aangelegenheden op het gebied van onderwijs- en onderzoek afstemt.

Het eerstvolgende niveau is het niveau van de faculteit. Hier overleggen vertegenwoordigers van de afdelingen (personeel en studenten) over zaken van gezamenlijk belang – bijvoorbeeld kwaliteitszorg – en zij buigen zich over budgettering, personeelsbeleid, gezamenlijke voorzieningen en huisvesting.

De taak van decaan wijzigt. Deze is deels een visionair die nieuwe impulsen geeft aan de beleidsontwikkeling en bijvoorbeeld aandacht vraagt voor samenwerking tussen de vakgebieden. Deels is er sprake van een dienstbare en coachende taak, mede gericht op voorkomen van (belangen)conflicten tussen afdelingen en hun vertegenwoordigers.

In mijn visie is de universiteit een complex van samenwerkende faculteiten. Het ligt voor de hand om op het universitaire niveau een Raad van Decanen te hebben, met een voorzitter, die oog heeft voor aangelegenheden die de universiteit als geheel betreffen en beschikt over voldoende bindend vermogen om de decanen samen op een lijn te krijgen en te houden. Daarnaast zie ik een universiteitsraad, bestaande uit vertegenwoordigers van de faculteiten[9]. Veel taken die thans op universitair niveau worden uitgevoerd kunnen worden gedecentraliseerd naar faculteiten en afdelingen. De ambtelijke organisatie op universiteitsterrein kan dan ook vrij klein zijn.

Universiteiten leggen eenmaal in de vier jaar aan de Minister een Instellingsplan voor. Idealiter keurt de minister zo’n plan goed nadat ze zich heeft vergewist of de voorwaarden voor goed onderwijs, onderzoek en democratisch bestuur aanwezig zijn. Vervolgens stemt ze in met de financieringsgrondslag voor de komende vier jaar. Een door de Minister ingesteld orgaan kan haar hierbij adviseren.

Utopie? Steeds meer grote bedrijven denken na de invoering van zelfbestuur en parallel hieraan vermindering van het aantal managers[10]. Waarom zouden de instellingen met zo veel knappe koppen aan boord – studenten en personeelsleden – dat dan niet kunnen?

[1] Veel van wat in deze blog staat over universiteiten is ook toepasbaar op hogescholen.

[2] Het betreft Rapport inventarisatie knelpunten medewerkers en studenten UvA. Dit rapport kan hier gelezen worden: https://www.dropbox.com/s/99jt8avnapous74/Rapport-Inventarisatie-Knelpunten-UvA.pdf?dl=0

[3] Uit een zeer recent gepubliceerd rapport blijkt dat 2/3 van alle medewerkers van de UvA een tijdelijke aanstelling heeft.

[4] Het navolgende artikel uit de Guardian geeft een levendige beschrijving van de baanonzekerheid aan universiteiten in het VK.

[5] Initiatiefnota Jasper van Dijk (SP): Op naar de nieuwe universiteit: Voorstellen voor hoogwaardig en democratisch onderwijs en onderzoek. Deze nota kan hier worden gedownload: http://www.tweedekamer.nl/vergaderingen/commissievergaderingen/details?id=2015A05007 Hier tref je ook de reactie van de Minister aan op deze initiatiefnota.

[6] de voorstellen op het gebied van onderzoek ben ik veel minder ingenomen met die op het terrein van onderwijs. Ik ga hier in een volgende blogpost op in. deze blogpost gaat over de besturing van het onderwijs.

[7] In feite bundelen capaciteitsgroepen vaak meer oude vakgroepen, die de facto bleven bestaan als ‘leerstoelgroepen

[8] Dit voorbeeld heeft betrekking op de invoering van nieuwe programma’s in zeven opleldingen van de Faculteit Beleidswetenschappen van de Katholieke Universiteit (thans Radboud Universiteit) in 1999.

[9] Ik laat vooralsnog in het midden of deze gekozen worden via verkiezingen of dat het om afgevaardigden van de universiteitsraden gaat.

[10] Veel denkbeelden over zelfbestuur en zijn varianten komen samen in het veelbesproken en alom geprezen boek van Frederic Laloux, Reinventing Organizations. Nelson Parker 2014.

Waarin de twee meest innovatieve universiteiten van de VS zich onderscheiden

Alle Amerikaanse universiteiten – Stanford, Harvard, MIT en nog enkele andere uitgezonderd – staan onder financiële druk. De instroom daalt en het collegegeld kan niet verder stijgen. Innovatie moet een uitweg bieden. Wie zijn daar het best in geslaagd?[1]

De Arizona State University (ASU) bekleedt de toppositie al jaren, in het bijzonder vanwege de kwaliteit van haar online onderwijs. Het gaat daarbij om 13.000 van de in totaal 83.000 studenten. De afstandscursussen hebben een hoog multimediaal gehalte en dankzij het gebruik van data heeft elke cursus adaptieve elementen. Mede hierdoor is het aantal uitvallers minder dan gebruikelijk.

Onderwijs - Global Freshmen Academy 1Een innovatieve instelling rust echter nooit op haar lauweren. Onlangs heeft de ASU haar afstandsonderwijs een nieuwe impuls gegeven door op een slimme manier aan te sluiten bij de MOOCs-beweging.[2] ASU wilde dat MOOCs een expliciet onderdeel zouden worden van haar opleidingsprogramma. Daartoe is in samenwerking met MOOCs-aanbieder edX de Global Freshmen Academy opgericht[3]. Studenten die aan de Global Freshmen Academy zijn ingeschreven kiezen uit een reeks geselecteerde MOOCs van EdX. Nadat zij een cursuscertificaat hebben ontvangen, betalen ze $200. Een afgerond programma van de Global Freshmen Academy geeft onvoorwaardelijke toegang tot het reguliere onderwijs (campus óf online) van ASU. Deze instelling heeft op deze wijze haar recruteringsgebied significant vergroot. Ze stelt studenten bovendien in staat om te wennen aan e-learning zonder daar zelf grote sommen geld in te hoeven investeren.

De Southern New Hampshire University zou allang gesloten zijn als ze er niet in was geslaagd om – naast haar 3000 campusstudenten – 60.000 studenten online aan zich te binden. Ze is daarmee een van de snelst groeiende universiteiten van de VS. Ze ontleent haar status van meest innovatieve regionale universiteit aan het innovatieve karakter van het e-learning aanbod. Dit is afgestemd op werkende volwassenen.

Onderwijs - College for America 3De instelling heeft voor haar volwassen studenten het College for America opgericht. De cursussen zijn gebaseerd op het behalen van competenties en bestaan uit projecten die studenten in hun eigen werkomgeving uitvoeren. Na afronding van een project bekijkt een van de vele tutoren of studenten blijk geven de beoogde competenties te hebben verworven. Studenten betalen $2500,– per jaar en kunnen daarvoor zo veel onderwijs volgen als ze willen. Het business model van het College for America is echter gebaseerd op gratis onderwijs voor medewerkers van bedrijven waarmee voor dit doel contracten worden afgesloten. Meer dan 100 bedrijven hebben dit inmiddels gedaan.

Onderwijs - College for America 2

Wat maakt bovengenoemde instellingen innovatief?

  1. Kwalitatief hoogwaardig afstandsonderwijs (adaptief en multimediaal);
  2. Integratie van bestaande MOOCs in het reguliere onderwijs;
  3. Met succes aanboren van nieuwe doelgroepen;
  4. Afstemming van inhoud onderwijs op de leerwensen en mogelijkheden van volwassenen;
  5. Bijdrage aan verlaging studiekosten, mede door gebruik van budgetten voor bedrijfsopleidingen;
  6. Gepersonaliseerde studiebegeleiding
  7. Stichting van nieuwe ondernemingen voor specifieke doelen .

Deze twee Amerikaanse voorbeelden zijn een bron van inspiratie voor Nederlandse instellingen.

[1] In deze blogpost behandel ik twee de twee instellingen die in het US News and World Report zijn uitgeroepen tot de meest innovatieve universiteiten in 2015 in de categorieën national en regionaal.

[2] Voor wie het nog niet weet: MOOC staat voor massive open online courses. Kwalitatief hoogwaardige cursussen voor afstandsonderwijs die gratis beschikbaar worden gesteld. MOOCs zijn zelden onderdeel van een opleiding omdat het lastig is om deelnemers te beoordelen.

[3] Opmerkelijk is dat edX voortkomt uit Harvard en MIT. Een mooi voorbeeld van co-creatie dus.

Waarom de Universiteit van Aalborg haar doelstellingen wel realiseert

Onderwijs - Aalborg 3In mijn blogpost van 5 augustus verdedigde ik de stelling dat universiteiten de eigen doelen slechts ten dele realiseren. Ik refereerde aan vijf doelen die elk zijn verwoord in een van de vijf Dublin descriptoren . Mijn kritiek betrof vooral de verwaarlozing van de derde doelstelling cq. Dublin descriptor. Verschillende lezers hebben me gevraagd het verschil tussen de tweede (toepassing van kennis) – die meestal wel uit de verf komt –  en de derde doelstelling (oordeelsvorming) te verduidelijken.

Ik doe dit door twee opdrachten te vergelijken, die karakteristiek zijn voor de tweede resp. de derde doelstelling.

Opdracht 1: Het Progress Principle

In haar gelijknamige boek (2011) beschrijft de Harvard hoogleraar Teresa Amabile het Progress Principle. Zij relateert tevredenheid van werknemers met hun baan en hun betrokkenheid bij het bedrijf of de instelling aan de organisatie van het werkproces.

Construeer na lezing van het boek een ‘mind map’ van hoe zij deze relatie ziet. Onderzoek daarna voor één specifiek(e) bedrijf of instelling in hoeverre het werkproces aldaar voldoet aan de criteria die Teresa Amabile onderscheidt.

Deze opgave past volledig binnen doelstelling 2. Studenten maken zich een theorie eigen en gaan na of de relaties die deze theorie veronderstelt in de praktijk terug te vinden zijn. Samen verzamelen de studenten gegevens van diverse bedrijven. Daarom kunnen ze vaststellen of de veronderstelde relatie tussen kenmerken van het werkproces en tevredenheid van werknemers aangetoond kan worden. Opdrachten als deze komen in de meeste opleidingen geregeld aan de orde.

Projectgroep Aalborg
Projectgroep Aalborg

Opdracht 2: De kracht van kleine teams

Consultants zijn vaak van mening dat kleine innovatieteams betere resultaten boeken dan grotere. Uw projectgroep gaat onderzoeken of deze claim terecht is. Vervolgens gaat u bij een aantal bedrijven een advies uitbrengen. Een zestal bedrijven heeft medewerking aan dit onderzoek toegezegd.

Vorm allereerst een beeld van de manier waarop deze bedrijven innovatie hebben georganiseerd en ‘duik’ daarna in de literatuur.

De wetenschappelijke literatuur levert minder eenduidige uitspraken op over de relatie tussen teamomvang en resultaat. Vergelijk daarom een aantal wetenschappelijke publicaties en vorm een mening waarop hun verschillen berusten. Let daarbij in elk geval op omgevingskenmerken van de onderzochte bedrijven (zoals sector en omvang).

Kijk met deze kennis opnieuw naar de zes bedrijven die u onderzoekt. Formuleer voor elk van deze bedrijven een advies over de omvang van de innovatieteams, waarbij u de voor dit bedrijf typerende omgevingskenmerken meeweegt.

Deze opdracht is typerend voor doelstelling 3. Net als bij doelstelling 2 wordt een relatie gelegd tussen theorie en praktijk. Studenten moeten echter zelf op zoek gaan naar bruikbare theorieën. Ze moeten bovendien bepalen hoe ze met verschillen tussen deze theorieën omgaan, alvorens deze aan de praktijk te relateren. Dit zijn andere vaardigheden dan studenten in ‘type 1’-opdrachten leren. ‘Type 2’-opdrachten zijn ook omvangrijker: Ze bevatten zowel de analyse van wetenschappelijke literatuur als de organisatie, uitvoering en presentatie van onderzoek.

Projectgroep Aalborg
Projectgroep Aalborg

De consequentie is dat een opleiding die werk maakt van álle Dublindescriptoren, afzonderlijke leerlijnen moeten ontwerpen waarin studenten de verschillende vaardigheden verwerven. Dit is precies wat in Aalborg gebeurt.

De leerlijn voor ‘type 2’ opdrachten bestaat eruit dat studenten elk semester een project uitvoeren. Daarbij neemt de complexiteit door de jaren toe en de begeleiding vermindert. Uitgangspunt voor een project is vaak een ‘eenvoudige’ vraag uit de praktijk (‘hoe richt ik mijn innovatieomgeving in’), die bij nader inzien allesbehalve eenvoudig te beantwoorden is. Studenten in het bovenstaande voorbeeld beseffen bijvoorbeeld dat een goed advies meer is dan de toepassing van een theorie. De componenten van een project zijn literatuurstudie, specificeren van de onderzoeks- en adviesvraag samen met een externe ‘probleemeigenaar’ alsmede opzetten, uitvoeren, rapporteren en presenteren van het resultaat.

Studenten in Aalborg besteden ongeveer de helft van hun studietijd aan de leerlijn gericht op doelstelling 3 (opdrachten ‘type 2’) Overigens is daarbij ook aandacht voor de Dublindescriptoren 4 (communiceren) en 5 (leren hoe te leren).

Projectgroep Aalborg
Projectgroep Aalborg

De andere helft van de tijd is bestemd voor de doelstellingen 1 en 2 (verwerven en toepassen van relevante kennis). Elk semester heeft een thema; vakinhoud en projecten zijn daarop afgestemd.

In deze leerlijn gaat het nadrukkelijk om meer dan alleen ‘kennisoverdracht’. Daarom zijn er geen massale hoorcolleges, maar werkcolleges. Docenten laten studenten kennismaken met relevante theoretische inzichten en wetenschappelijke methoden en studenten doen onder andere ‘type 1’- opdrachten om deze toe te passen.

In de toetsing aan het einde van het semester komt alles samen. De docenten die voor het desbetreffende semester verantwoordelijk zijn ‘ondervragen’ een dag lang de leden van een projectgroep. Deze docenten hebben in dit semester een vak gedoceerd en ze hebben opgetreden als projectbegeleider. Deze ‘ondervraging’ gaat zowel over het project, maar ook over de mate waarop studenten vakinhoudelijke kennis ‘paraat’ hebben en deze in het project hebben gebruikt. Het resultaat kan zijn dat de beoordeling van de projectleden verschilt. Meestal is de beoordeling geen verrassing omdat de betrokken docenten en studenten al een semester lang met elkaar hebben gewerkt. Overigens worden ook externe examinatoren uitgenodigd. Ik heb die eer ook een keer gehad.

In de praktijk van het wetenschappelijk onderwijs staan de Dublindescriptoren 1 en 2 centraal. Ik heb gemerkt dat veel docenten de Dublindescriptors 3, 4 en 5 desondanks belangrijk vinden. De vraag wat de consequenties zijn voor het curriculum komt echter zelden op. Die consequenties zijn niet gering en om die reden is kennismaking met het Aalborgse model een eerste stap[1].

Projectgroep Aalborg
Projectgroep Aalborg

[1] Bekijk hier brochure die een goed beeld geeft van het Aalborgse onderwijsmodel: http://www.en.aau.dk/digitalAssets/66/66555_pbl_aalborg_modellen-1.pdf

Hoger onderwijs: meer kwaliteitszorg; minder toezicht

Een onderwijs terriër, zo beschreef het Nijmeegse Universiteitsblad mij bij mijn afscheid in 2001. Ik begreep dat het vlijend bedoeld was. Verbeteren van onderwijs was de rode draad in de dertig voorafgaande jaren als docent en onderwijsdirecteur. Wat me zoal bezig hield, had ik een paar jaar daarvoor in tien korte essays beschreven: Over de vonken en het vuur[1]. Nog steeds actueel.

Personen - Herman van den BoschAls onderwijsdirecteur van de Faculteit beleidswetenschappen (later managementwetenschappen) te Nijmegen ben ik meer dan tien keer betrokken geweest bij onderwijsvisitaties[2]. Bij de oprichting van deze faculteit in 1988 was probleemgestuurd onderwijs naar Maastrichts model ingevoerd. Tijdens de eerste visitatieronde – begin jaren negentig – bleek dat commissies kritisch waren tegenover nieuwe onderwijsvormen. Vanaf dat moment had mijn inzet bij visitaties maar één doel, een positief oordeel verkrijgen. Dat is gelukt. De vele visitaties zorgden voor routine en ik moet zeggen, tijdens de tweede visitatieronde toonden commissies oprecht begrip voor de inrichting van ons onderwijs.

Slap gelulVisitatie heette netjes ‘externe kwaliteitszorg’ maar niemand geloofde in de bijdrage hiervan aan de verbetering van de opleidingskwaliteit[3]. Toch hebben externe deskundigen een doorslaggevende rol gespeeld bij de invoering van het nieuwe onderwijsconcept. Dit waren niet de leden van visitatiecommissies, maar ‘sparring partners’, bestaande uit collegae van de Universiteit Maastricht, aangevuld met enkele interne ‘critical friends’.

Kwaliteitszorg kan niet serieus genoeg worden genomen. Een enthousiaste groep docenten met hart voor het onderwijs doet dat. Maar het is bij kwaliteitszorg precies gesteld als bij veel andere praktijken met op zich goede intenties. Denk aan competentiemanagement, opleidingsmanagement en innovatiemanagement. In plaats van ruggensteun verworden ze tot blok aan het been op het moment waarop institutionalisering plaatsvindt. Een autoriteit – bij kwaliteitszorg is dat de overheid – neemt dan het initiatief over. De zorg voor onderwijskwaliteit wordt vastgelegd in wetten en procedures en de verantwoordelijkheid bij speciale organen of commissies. In plaats van enthousiaste docenten te prijzen, worden deze bejegend met een systeem gebaseerd op wantrouwen.

visitatieNa het visitatiesysteem heeft nu ook het accreditatiesysteem afgedaan. Vrijwel iedereen is van mening dat zijn opbrengst in geen verhouding staat tot de kosten. Het denken over een nieuw ‘systeem’ is al in volle gang. Een vaak gehoorde mening is dat we ons moeten beperken tot de accreditatie van instellingen. Als de huidige instellingsaudit daar model voor staat, dan vrees ik het ergste. De instellingsaudit is een krachtig instrument gebleken om de macht van de colleges van bestuur te versterken, om regelingen binnen de instellingen te ‘stroomlijnen’ en vooral om talloze nieuwe procedures in te voeren op het gebied van kwaliteitszorg, personeelsbeleid, planning en control[4]. Dan liever terug naar de opleidingsvisitatie uit de jaren ’90.

Maar, ik zie kansen voor een sprong voorwaarts. Daarvoor moeten we terug naar de vragen waar het allemaal om ging. Dat zijn er twee:

– Welke ondersteuning van buitenaf helpt opleidingen bij de verbetering van hun kwaliteit (externe kwaliteitszorg)

– Hoe kan de samenleving erop vertrouwen dat een opleiding of instelling overheidsgeld goed gebruikt (toezicht)

Een ding weten we inmiddels zeker: Een ‘systeem’ dat antwoord geeft op beide vragen bestaat niet. Consequentie is, dat voor elk een eigen voorziening nodig is. Aan te raden is om bij het denken hierover een frisse start te maken en even alle bestaande criteria, procedures, commissie en organen te vergeten.

Externe kwaliteitszorg

Te regelen op opleidingsniveau: De basis is een heterogene groep personen van buiten de opleiding (‘critical friends’) waarin de docenten vertrouwen hebben. Deze groep kijkt geregeld mee daar de uitvoering en de evaluatie van het onderwijs en naar verbeterings- en vernieuwingsplannen. Commentaar hoeft niet altijd in alle openbaarheid. Wel geregeld nieuwe personen aantrekken.

Toezicht

Te regelen op instellingsniveau: Het college van bestuur weet hoe opleidingen hun kwaliteit bewaken en hoe zij zwakke punten aanpakken. Dat opleidingen daarbij onderling verschillen is geen probleem. Het college spreekt geregeld met de opleidingen over hun kwaliteitszorg. Eventueel laat het zich hierbij ondersteunen door een ‘internal reviewer’[5]. Een keer per jaar jaar doet het college uitgebreid verslag aan de minister of daartoe aangewezen personen (‘external reviewers’). De Minister rapporteert aan de Kamer.

Het lijkt te eenvoudig; geen dikke nota’s, commissies en accreditatieorganen. De aanpak levert daarom veel geld op voor goed onderwijs. Dat is pas echte kwaliteitszorg.

[1] Dit boekje kan worden gedownload op: https://www.researchgate.net/publication/257926635_Over_de_Vonken_en_het_Vuur_tien_smeedproeven_van_wetenschappelijk_onderwijs

[2] Deze faculteit had zeven opleidingen die elk afzonderlijk warden gevisiteerd, ondanks het geïntegreerde opleidingsconcept.

[3] Het accreditatiestelsel, dat het visitatiestelsel verving vanaf begin 2000, pretendeerde dan ook niet meer om bij te dragen aan de opleidingskwaliteit.

[4] Er wordt wel gezegd dat het hoger onderwijs de laatste instellingen zijn die het slachtoffer zijn van het New public management.

[5] Veel organisaties denken over deze functie na. Het is een soort ‘controller’, maar met een veel ruimer blikveld dan financiën. Het is ook een luis in de pels, die tegenspraak ontlokt en vertolkt. Er is daarom soms sprake van een ‘corporate jester’ (hofnar).

Universiteiten realiseren hun eigen doelen niet

Underachieving collegesHet wetenschappelijk onderwijs in Nederland realiseert zijn eigen doelen niet. Het gaat overigens om een wereldwijd probleem. Maar het verschil tussen Nederland en bijvoorbeeld de Verenigde Staten is dat aldaar het probleem wordt erkend – zie bijvoorbeeld Derek Bok’s boek Underachieving colleges (2008). Hiermee is de weg naar verbetering geopend[1]. Universiteitsbestuurders in Nederland tonen zich tamelijk zelfgenoegzaam, waar volgens de NVAO lang niet altijd reden toe is.

De doelstellingen

Wat is het probleem? Alle universiteiten in de Europese onderwijsruimte zeggen dat studenten aan het einde van de opleiding over vijf competenties beschikken (de Dublin descriptoren): Ze kunnen:

(1) kennis van een vakgebied tonen,

(2) deze kennis toepassen,

(3) complexe problemen op kritische wijze beoordelen,

(4) over het geleerde communiceren,

(5) reflecteren en zelfstandig verder leren.

In de meeste opleidingen speelt de eerste competentie een dominante rol. Tijdens mijn vele visitatiebezoeken heb ik kunnen vaststellen dat het aandeel van reproductievragen in tentamens erg groot is. Ook competentie 2 krijgt aandacht. Studenten krijgen dan een cases voorgelegd en moeten deze aan de hand van een gegeven theorie verduidelijken. Of ze moeten zelf praktijkvoorbeelden van een theorie zoeken. De aandacht voor beide competenties blijkt ook uit de meest voorkomende onderwijsvormen: hoor- en werkcolleges.

Van systematisch ontwikkelen van competentie 3 is tijdens de opleiding zelden sprake. Dit geldt ook voor de competenties 4 en 5, die hierna buiten beschouwing blijven.

Onderwijs - critical thinking 1De tweede en de derde competentie verschillen wezenlijk van elkaar. De tweede competentie houdt in dat (net) afgestudeerden de werking van een gegeven theorie in de praktijk kunnen demonstreren. Onderwijskundigen spreken van near transfer. De derde competentie houdt in dat (net) afgestudeerden een realistisch probleem kritisch kunnen beoordelen. Ze weten op voorhand niet welke kennis zij daarvoor nodig hebben. Ook moeten zij vaak aanvullende gegevens verzamelen. Onderwijskundigen spreken in dit geval van far transfer.

Ik ben zelden docenten en opleidingsmanagers tegengekomen met een duidelijk plan voor de ontwikkeling van de derde competentie (en evenmin voor de vierde en de vijfde). Sommige docenten verwijzen naar het eindwerkstuk. Dit is echter bedoeld om aan te tonen dat studenten over de beoogde kennis en vaardigheden beschikken, niet om deze aan te leren. Het niveau van de meeste scripties is dan ook navenant, ondanks de intensieve begeleiding. Gefundeerde oordelen over een realistisch probleem zijn meestal ver te zoeken[2].

Het gebrek aan visie op de realisering van de derde, vierde en vijfde competentie komt tot uitdrukking in de afwezigheid van werkvormen die hier potentieel geschikt voor zijn. Het beste is om elk semester de nodige tijd te besteden aan het analyseren van een probleem, het verzamelen van data en het beschrijven en presenteren van de uitkomsten daarvan, kortom het leren bedrijven van wetenschap. Een soort rode draad door het hele curriculum dus.

Projectgroep Universiteit Aalborg
Projectgroep Universiteit Aalborg

De Universiteit van Aalborg (Denemarken) is een van de weinige instellingen die consequent op deze manier werkt. Studenten besteden ongeveer de helft van de tijd aan projecten en tijdens de resterende tijd volgen ze hoor- en werkcolleges, die het projectwerk inhoudelijk en methodisch ondersteunen. Naarmate de opleiding volgt worden de projecten complexer en vereisen ze meer eigen onderzoek. Bijna alle projecten gaan uit van realistische problemen, die vanuit de samenleving worden aangedragen. Studenten onderhouden intensieve contacten met de probleemeigenaars en ontwikkelen al doende inzicht in de maatschappelijke rol van wetenschappelijke kennis en de beperkingen daarvan[3]. De Technische Universiteit Twente past het ‘Aalborgse model’ gedeeltelijk toe. Overigens zijn er in de andere technische universiteiten steeds meer aanzetten te zien van de realisering van de derde competentie.

De eerste drie hiervoor genoemde competenties hangen nauw samen. Ze kunnen worden opgevat als de hoekpunten van een driehoek. De onderstaande afbeelding geeft op schematische wijze weer hoe de competenties in de praktijk worden gerealiseerd. Het zwaartepunt daarbij ligt aan de linkerzijde, terwijl idealiter sprake moet zijn van een gelijkmatige vulling van de ruimte.

competentiedriehoek
competentiedriehoek

In mijn ruim 40-jarige carrière als docent en opleidingsmanager heb ik veel veranderingen de revue zien passeren. Achteraf moet ik zeggen dat daarbij vaak ontbrak aan een goede probleemanalyse. Een uitzondering daarbij was de invoering van probleemgestuurd onderwijs aan de Universiteit van Maastricht. Probleemgestuurd onderwijs heeft een belangwekkende bijdrage geleverd aan de realisering van de tweede competentie. Wat opleidingen nu te doen staat is belangrijke stappen te zetten die ertoe leiden dat studenten kritischer leren oordelen, beter leren communiceren en beter vorm kunnen geven aan hun eigen ontwikkeling na de studie. Kortom: Een inhaalslag met betrekking tot de competenties drie, vier en vijf.

Bok, Derek. (2008). Our underachieving colleges. A candid look at how much students learn and what they should be learning more. Princeton: Princeton University Press.

Fischer, Karin. (2013). A college degree sorts job applicants, but employers wish it meant more Chronicle of Higher Education.

Sledge, Linsey, & Fishman, Tiffany Dovey. (2014). Reimagining higher education: How colleges, universities, businesses, and governments can prepare for a new age of lifelong learning. http://dupress.com/articles/reimagining-higher-education/

Van den Bosch, H.M.J., & Kieft, M. (2001). The hybrid curriculum; the acquisition of academic competencies in the university curriculum. In W. Gijselaers (Ed.), Educational innovation in economics and business administration, part VII. (pp. 41-56). Dordrecht: Kluwer, Academic Press.

[1] Werkgevers vinden graduates “woefully underprepared. In hun ogen hebben studenten te weinig taalvaardigheid, analytisch en probleem-oplossend vermogen (Fischer, 2013; Sledge & Fishman, 2014)

[2] De kritiek van Derek Bok, president van de universiteit van Harvard. ging veel verder dan die van werkgevers. Van universiteiten mag worden verwacht dat ze studenten opleiden tot kritisch denken en moreel oordelen en besef hebben van wat zich in de wereld afspeelt. Uit zijn uitvoerig gedocumenteerd boek blijkt dat universiteiten dit doel in de naoorlogse periode niet realiseren. Hij hekelt bovendien dat onderwijs vaak wordt overgelaten aan weinig ervaren docenten en dat deze nauwelijks interesse hebben in de verbetering van hun eigen lesmethoden.

[3] Zie voor een beschrijving van het Aalborgse model: Van den Bosch and Kieft (2001)

Hoger Onderwijs voor volwassenen: schenk klare wijn!

Zes principes van leren door volwassenen
Zes principes van leren door volwassenen

Het hoger onderwijs heeft weinig interesse voor verschillen tussen studenten. Dat is de strekking van een reeks posts die ik onlangs heb gepubliceerd[1]. Was dit wel het geval, dat zou onderwijs voor volwassenen werkende studenten anders uitzien dan onderwijs voor voltijdse initiële dagstudenten. Maar ook één type opleiding voor volwassenen is onvoldoende. Daarvoor bestaan er te veel verschillen tussen hun leerbehoeften en -mogelijkheden. Een ding is duidelijk: opleidingen die duidelijke keuzen maken en communiceren zijn het meest succesvol.

Om te beginnen de Open University, verreweg de grootste universiteit van het UK. Het succes van deze instelling voor afstandsonderwijs vloeit voort uit vier alom bekende karakteristieken: voortreffelijk materiaal voor zelfstudie, tutoren die ingeleverde opdrachten van commentaar voorzien en beoordelen, indien nodig aanvullend contactonderwijs en een vaste cursusduur.

Onderwijs - volwassen studenten 3Het venijn zit in de staart; de vaste cursusduur. Aangenomen wordt dat een vaste cursusduur studenten stimuleert de studie een vanzelfsprekende plaats in hun leven te geven en elke week ruim 10 uur te studeren. Dit zou leiden tot een betere doorstroming en een hoger rendement. Veel volwassen studenten geven echter de voorkeur aan een flexibele cursusduur, liefst in combinatie met de mogelijkheid om op elk gewenst tijdstip aan een cursus te kunnen beginnen. Studenten kunnen op deze manier de studie aanpassen aan de tijd waarover ze beschikken naast een drukke baan en activiteiten in de privésfeer. Aangenomen wordt dat deze kenmerken leiden tot meer studievertraging en -uitval[2]. Toen de Nederlandse Open Universiteit vorig jaar deze vorm van flexibiliteit afschafte en tevens het aantal startmomenten beperkte tot twee per jaar, brak er een storm van protest uit. Dit leidde tot de invoering van allerlei keuzemogelijkheden.

Het bovenstaande schetst een van de dilemma’s waarmee instellingen voor volwassenenonderwijs te maken hebben. Veel studenten opteren voor maximale flexibiliteit maar zij lopen mogelijk verhoogd risico van studievertraging en -uitval. Instellingen die voor flexibiliteit kiezen, doen er dus verstandig aan na te denken over een ‘prikkel’ die ertoe leidt dat studenten de studie permanent hoog op de prioriteitenlijst zetten, ook als de wekelijkse studietijd varieert.

Onderwijs - volwassen studentenDe Capella Universiteit in de VS heeft dit goed begrepen. Deze instelling voor afstandsonderwijs bestaat ruim 30 jaar en heeft thans 37.000 studenten. De inrichting van het onderwijs lijkt sterk op die van de Britse OU. Vanwege de aanhoudende vraag naar een meer flexibel onderwijsaanbod, is zij tien jaar geleden gestart met FlexPath. Het gaat om nieuw ontworpen én geaccrediteerde bachelor- en masterprogramma’s, vooralsnog alleen voor studenten bedrijfskunde, psychologie en informatietechnologie[3]. Deze programma’s bestaan uit geschakelde activiteiten (geen cursussen) waarvan de eindtermen rechtstreeks zijn afgeleid van de competenties die het programma wil ontwikkelen. Elke activiteit wordt afgesloten met een opdracht (adviesnota, onderzoekverslag, presentatie), die docenten binnen 48 uur van commentaar voorzien en beoordelen. Beoordelingscriterium is de mate waarin de gewenste eindtermen zijn behaald. De studieduur wordt niet uitgedrukt in uren. Aangenomen wordt dat de ene student meer tijd nodig heeft dan de andere, afhankelijk van voorkennis en -opleiding. Er is ook voorzien in een stok achter de deur om de vaart erin te houden; studenten betalen een vast bedrag per maand. Opmerkelijk is dat studenten die voor FlexPath kiezen, aanzienlijk korter over de studie doen dan ‘reguliere’ afstandsstudenten van Capella University.

Hier kun je een korte promotievideo zien

De casus is om minstens twee redenen interessant: in de eerste plaats vanwege het feit dat de programma’s consequent zijn opgebouwd vanuit de competenties waarover afgestudeerden moeten beschikken. In de tweede plaats vanwege de transparantie van het aanbod. Studenten volgen het standaardprogramma óf FlexPath. Deze laatste optie wordt aanbevolen aan studenten met méér voorkennis, ervaring en discipline. Alvorens ze worden toegelaten tot FlexPath doorlopen ze een intake-procedure.

Het hoger onderwijs voor volwassenen heeft baat bij diversiteit aan studiemogelijkheden. Bij een hoge mate aan diversiteit hoort dat aanbieders een helder profiel hebben. Studenten weten dan waaraan ze toe zijn. De Britse Open University én Capella University zijn hiervan goede voorbeelden.

[1] Zie onder andere: Wetenschappelijk onderwijs kent zijn studenten niet http://wp.me/p32hqY-cc

[2] Op basis van schaarse en onvolledige gegevens heb ik echter kunnen vaststellen dat de verschillen in studie-uitval tussen de open universiteiten in het UK en Nederland kleiner zijn dan wordt gedacht.

[3] Overzicht van de FlexPath programma’s en hun kenmerken: http://www.capella.edu/flexpath-self-paced-learning

Rumbling on performativity: Proefschrift over rendementsdenken

Onderwijs - OnderwijsfabriekOp talloze universiteiten in Europa en de VS vinden discussies plaats over de groeiende rol van de bedrijfsmetafoor. Kritiek – ook van binnenuit – op de schadelijke gevolgen van doorgeslagen rendementsdenken is er echter al lang. Frits Simon, adviseur van het College van Bestuur van Zuyd Hogeschool promoveert vrijdag 12 juni op een proefschrift getiteld Rumbling on performativity. The complex practice of policy development in a University of Applied Sciences. Promotoren zijn Thijs Homan en ondergetekende; copromoter is Rob Zuijderhoudt[1]. Het proefschrift is om drie redenen van belang.

Ten eerste.
Personen - Frits Simon
Frits Simon

De auteur heeft gekozen om ontwikkelingen in het hoger onderwijs te bekijken vanuit een complex responsieve proces benadering[2]. In deze benadering komt ‘de werkelijkheid’ tot stand door talloze interacties tussen mensen. Het uiteindelijke resultaat is dan ook moeilijk te voorspellen. Een College van bestuur moet ministeriële richtlijnen volgen, maar de manier waarop dat gebeurt is het gevolg van lokale dialogen, kleine stappen en reacties daarop en toevallige gebeurtenissen. Ook als een College van bestuur beslissingen doorvoert, gebruik makend van zijn macht, pakt het resultaat doorgaans anders uit dan bedoeld. Het is best wel mogelijk om (achteraf) een aantal omstandigheden te benoemen die van invloed zijn geweest op de gang van zaken, maar deze voorspellen is onmogelijk.

Ten tweede.

Onderwijs - Rumbling on performativityHet krijgen van diepgaand inzicht in wat er in een organisatie gebeurt, door iemand die er ook zelf werkt, kan worden geplaatst in de traditie van sociaal constructivistisch, auto-etnografisch of insider onderzoek. De auteur heeft drie belangrijke beleidsprocessen binnen Zuyd Hogeschool vastgelegd in narratives. Hij deelt wat hij ziet voortdurend met degenen op wiens handelingen hij reageert en omgekeerd. Vervolgens reflecteert hij op de narratives door zijn eigen veronderstellingen zo expliciet mogelijk te maken en uit te diepen met wetenschappelijke literatuur. Anders dan het geval is bij interview en surveys, ontstaat er al doende een rijk gedocumenteerd doorwrocht beeld van de bestudeerde organisatie. Medewerkers, bestuurders en beleidsmedewerkers van de eigen en andere organisaties zullen zich deels wel en deels niet in de beschrijvingen herkennen. Het helpt hen in elk geval om hun eigen handelen en de effecten daarvan beter te doorzien. Voor andere wetenschappers bevatten de beschrijvingen van beleidsprocessen, waaronder de totstandkoming van de prestatieafspraken, uniek casusmateriaal.

Ten derde.
Ralph Stacey
Ralph Stacey

Wetenschappers voeren al eeuwen een discussie over het spanningsveld tussen abstractie en ‘werkelijk-getrouwheid’ (ecologische validiteit). Abstraheren is nodig om te kunnen generaliseren. Echter, abstraheren impliceert reductie van de werkelijkheid tot enkele variabelen met als gevolg verlies aan betekenis. Zie bijvoorbeeld de economische wetenschap. Wetenschappers zoeken al eeuwen naar alternatieve methoden om ‘de werkelijkheid’ beter te vatten, maar velen zijn tevens van mening dat de daaruit voortvloeiende ‘beelden’ in de eerste plaats constructies zijn. Het combineren van een complex responsieve procesbenadering en een narratieve methode lost dit probleem deels op. De onderzoeker komt immers niet als geïsoleerd individu tot een beschrijving van de werkelijkheid, maar legt de interacties waarbij hij/zij zelf is betrokken, steeds voor aan de andere betrokkenen. Voor het wetenschappelijke debat is het van groot belang dat er niet alleen over onderzoeksmethoden wordt gesproken, maar dat deze tevens worden beproefd, ook als ze niet mainstream zijn. Het is daarom mooi dat dit proefschrift aan de Open Universiteit tot stand is kunnen komen[3]. [1] Voor wie deze link volgt is het proefschrift als e-pub of pdf beschikbaar: http://www.zuyd.nl/onderzoek/proefschrift-frits-simon [2] Deze benadering heeft vooraf bekendheid gekregen dankzij het werk van Ralph Stacey, verbonden aan de Universiteit van Hertfortshire. [3] Het proefschrift is tot stand gekomen in intensieve dialoog binnen de ‘complexiteitsgroep’ die een onderdeel is van de PhD-school van de Faculteit MST van de Open Universiteit. De komende jaren zullen meer leden van de groep promoveren op vergelijkbare proefschriften. Vergelijkbaar omdat ze alle gebruik maken van de complex responsieve proces benadering en een insidersperspectief opleveren van de organisatie waaraan de auteurs verbonden zijn. De belangrijkste ‘trekkers’ (Thijs Homan en Nol Groot) hebben overigens de Open Universiteit verlaten. Wie meer over de complexiteitsgroep wil weten kan het beste contact opnemen met Jos Roemer, de coördinator van de groep: directie@sol-identiteitsbegeleiders.nl

Het nieuwe economieonderwijs komt er aan…

Onderwijs - Financiële- en accountantsopleidingenHet economieonderwijs moet fundamenteel veranderen of verdwijnen. Dat was de strekking van mijn blogpost van 20 mei jl[1]. Laat nu enkele dagen daarvoor het inspiratiedocument Financiële en accountancyopleidingen voor de nieuwe economie zijn verschenen[2]. Een aantal vertegenwoordigers van banken, accountantskantoren en opleiders – verenigd in een community of practice – heeft er een jaar aan gewerkt op initiatief van Het Groene Brein. Het rapport maakt de grond bouwrijp voor ingrijpende veranderingen. Het laat ons bovendien kennismaken met vernieuwingen van opleidingen die al vorm krijgen, bijvoorbeeld in de Hogeschool van Amsterdam en in de Hanzehogeschool.

Degenen die aan het rapport hebben meegewerkt zijn het erover eens dat bedrijven verantwoordelijkheid moeten nemen voor de problemen die de wereld bedreigen. Soms hebben zij daar al op korte termijn baat bij, maar op langere termijn is het niet minder dan van levensbelang. Het écht nemen van maatschappelijke verantwoordelijkheid heeft vergaande gevolgen voor het financieel management en dus ook voor de opleidingen van financieel-managers en controllers.

De community of practice heeft als uitgangspunt voor het denken over de toekomstige beroepspraktijk van financieel-specialisten gekozen voor het rapportage raamwerk van de International Integrated Reporting Council (IIRC). Aan dit raamwerk ligt een nieuwe manier van denken over bedrijven en bedrijfsresultaat ten grondslag: Waardecreatie binnen bedrijven is het resultaat van de integrale inzet van een zestal verschillende ‘kapitalen’ en niet van geld en arbeid alleen (zie afbeelding 1). Een geïntegreerde benadering van de zes kapitalen moet voorkomen dat concentratie op een soort kapitaal leidt tot vernietiging van een ander soort. Het ‘Integrated Reporting Framework’ is een uitgangspunt voor zowel strategieontwikkeling als verslaglegging. Gelet op de steun die ‘IR’ heeft vanuit de wereld van de accountancy, komt dat laatste wel goed[3].

Organisatie - zes kapitalenHet probleem is wel hoe de zes kapitalen gemeten moeten worden. Dat moet worden ontwikkeld en geleerd. Binnen de financiële en accountancyopleidingen is daarvan nog nauwelijks sprake. Het is niet de bedoeling dat er aparte vakken komen, maar er zal een vernieuwing plaatsvinden van de leerinhoud van de bestaande vakken of thema’s. Het vakgebied risicomanagement zal bijvoorbeeld gaan over de beheersing van risico’s met betrekking tot elk van de zes kapitalen.

Terecht wordt er van uitgegaan dat het niet alleen gaat om nieuwe leerinhoud, maar ook om een andere manier van denken over kapitaal. Ik was daarom erg enthousiast over de ‘cultuurkaart’ financiële sector (afbeelding 2), die een tot de verbeelding sprekende beschrijving geeft van het nieuwe denken[4]. Zij is het resultaat van gezamenlijk werk van 100 jonge bankiers, die doordrongen zijn van de noodzaak van wezenlijke (mentaliteits)verandering in de financiële sector.

Afbeelding 2
Afbeelding 2

De opleiding Financieel Service Management van de Hogeschool van Amsterdam is druk bezig te onderzoeken of de zes kapitalen voldoende aan bod komen in de thematische blokken waaruit deze opleiding nu bestaat. Dit is – uiteraard – niet het geval en de komende jaren wordt de inhoud van het onderwijs aangepast. Terecht wordt opgemerkt dat de opleiding tot competenties moet leiden voor de beroepspraktijk in de toekomst. Dat studenten in de praktijk nog niet veel merken van  duurzaam gedrag in bedrijven waar ze stage lopen, moet op de koop toegenomen worden.

Ik ben erg onder de indruk van de wijze waarop het lectoraat Duurzaam Financieel Management maatschappelijk verantwoord ondernemen integreert in de opleiding bedrijfseconomie aan de Hanzehogeschool in Groningen. Ook hier vormen de zes kapitalen van IR het uitgangspunt. Men is gestart met een fundamentele bezinning over wat de opleiding moet bereiken. Van daaruit worden de competenties van de bestaande opleiding aangevuld en verrijkt met competenties van de integraal werkende financieel specialist. Dit resulteert uiteindelijk in een leerlijn over een viertal jaren (afbeelding 3). Deze is dermate gedetailleerd uitgewerkt, dat het ontwerp van bijbehorende onderwijsactiviteiten geen onoverkomelijke problemen zal opleveren (p. 30-31).

Afbeelding 3
Afbeelding 3

De werkzaamheden zijn nog lang niet afgerond. Ook de pioniers in Amsterdam en Groningen hebben nog veel te doen. Andere opleidingen moeten nog beginnen. Eveneens een omvangrijke klus is de nascholing van werkende professionals.

De invoering van een integrale visie op verslaglegging is één ding; het als uitgangspunt van de bedrijfsstrategie hanteren van de zes kapitalen is iets anders. Ik zie dit laatste nog niet onmiddellijk omarmd worden door het (top)management van bedrijven. Het is te hopen dat de bedrijfskunde opleidingen en de MBA’s in het bijzonder hier even voortvarend mee aan de slag gaan als de financiële en accountancyopleidingen dat doen voor rapportage. Ik hoop op afzienbare termijn hierover te kunnen berichten.

[1] Economieonderwijs vernieuwen of afschaffen? http://wp.me/p32hqY-cO

[2] http://cdn.hetgroenebrein.nl/wp-content/uploads/2015/05/HGB_Inspiratiedocument_CoP_FAN.pdf

[3] De Nederlandse Bond van Accountants heeft in 2014 een brochure geschreven over Integrated reporting in het grootbedrijf. Voornaamste insteek is de integratie van inspanningen op het gebied van duurzaamheid in de verslaglegging: https://www.nba.nl/Documents/Nieuws/2014/pdfs/Artikel%20integrated%20reporting%20in%20het%20grootbedrijf%20NBA-AIB%20juli%202014.pdf

Deloite doet al drie jaar op rij onderzoek naar de geleidelijke vorderingen die Nederlandse bedrijven maken op het gebied van geïntegreerde rapportage, waarbij de NS koploper is. http://www2.deloitte.com/content/dam/Deloitte/nl/Documents/audit/deloitte-nl-audit-integrated-reporting-in-the-netherlands.pdf

[4] Zie over de totstandkoming van de cultuurkaart voor de financiële sector: https://www.nvb.nl/nieuws/2014/2752/jonge-bankiers-doordrongen-van-de-maatschappelijke-rol-van-banken.html

Economieonderwijs vernieuwen of afschaffen?

Wereldwijd komen studenten in opstand tegen het eenzijdige neoliberale karakter van het economie-onderwijs[1]. Kritiek van studenten – en van medewerkers die niet bang hoeven te zijn voor hun baan – is niet nieuw [2] en is wetenschappelijk goed onderbouwd [3]. Het academische establishment reageerde tot nu toe overwegend honend en misprijzend. De totale afwezigheid van economen bij het duiden – laat staan voorspellen – van de economische crisis én hun geringe bijdrage aan het debat over armoede en milieuproblemen, lijken de tijd te hebben rijp gemaakt voor verandering.

Samenleving - Joris LuyendijkVoordat ik hierop inga, moet ik zeggen dat ik de afgelopen dagen Joris Luyendijks’ boek over de financiële crisis heb gelezen[4]. Ik kende de inhoud en zijn conclusies, maar lezing van de interviews met bankiers, bezorgde me toch wel kippenvel en dit leverde extra motivatie op bij het schrijven van deze blogpost. Ik kan me vinden in Luyendijk’s visie dat bankiers in meerderheid geen booswichten zijn. Het gaat me echter te ver om hun kortzichtige, amorele en op geld beluste houding alleen te herleiden op het systeem waarin ze werken.

Bankiers zijn bovengemiddeld intelligente personen, die vaak een dure economie- of MBA-opleiding achter de rug hebben. De autistische ‘quants’ laat ik maar even buiten beschouwing. Op hun opleiding hebben zij het neoliberale verhaal over de economie gehoord, ze zijn daar vertrouwd geraakt met het waardevrije (amorele) paradigma van het economisch denken en ze hebben er veel-verdienende rolmodellen ontmoet. Ze hebben geleerd om met het geld van de bank (lees: de burgers) zelf ook veel geld te kunnen verdienen. Zonder enige kritiek. Hun opleiding en degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn, treffen daarom evenzeer blaam.

Neo-liberale economie onderwijs
Neo-liberale economie onderwijs

Nog steeds drukt de neoliberale visie een dominant stempel op het universitaire economieonderwijs. Hier en daar klinken voorzichtig alternatieve geluiden door; vooral de evolutionaire school is populair. Het economie-onderwijs in het voortgezet onderwijs loopt daarbij ver achter. Het meest progressieve geluid in de economie-les zijn fragmenten uit de gedragseconomie zoals de behandeling van het prisoner’s dilemma. Toen ik laatst een leraar Organisatie en Management (het vroegere boekhouden) vroeg of hij ook vertelde hoe bedrijven de jaarrekening kunnen manipuleren, zei hij geïrriteerd dat hij slechts objectieve kennis overdroeg en niet aan politiek deed.

Op dit moment gaat er een breed gedragen oproep door het land om een petitie te tekenen voor revisie van het universitaire economie onderwijs. Wat mij betreft wordt deze terstond uitgebreid naar het voortgezet onderwijs. Ik heb deze oproep getekend, maar zou graag een stap verder gaan: Niet revisie maar opheffing van het economieonderwijs en vervanging daarvan door het vakgebied ‘Duurzame ontwikkeling’. Hierin komen samen elementen uit de psychologie, de (politieke) economie, de internationale betrekkingen, de geografie en de ecologie. Het gaat over welvaart, welzijn, innovatie, ondernemen en (over)leven nu en in in de toekomst. De focus is zowel lokaal, nationaal als wereldwijd. Pas als het monodisciplinaire economische gedachtengoed in een interdisciplinaire context wordt geplaatst, kan het waardevolle inzichten opleveren. De mogelijkheid daartoe moet nu worden benut.

Niettemin: teken de petitie: http://www.rethinkingeconomics.nl

Onderwijs - Rethinking economics screenshot

[1] Een toevallig voorbeeld uit de krant van dinsdag 19 mei 2015: http://www.theguardian.com/education/2013/nov/18/academics-back-student-protests-neoclassical-economics-teaching

[2] Enkele jaren geleden kwamen studenten uit Harvard in verzet tegen het gebruik van ‘poisoned books’, waaronder de veelgebruikte inleiding in de economie van Mankiw, die overigens ook in Harvard doceert, wat leidde tot een boycot van zijn colleges. http://www.businessinsider.com/harvard-students-plan-walk-out-of-greg-mankiws-class-to-show-solidarity-with-occupy-movement-2011-11?IR=T

[3] Dieter Plehwe , Bernhard Walpen and Gisela Neunhöffer: Neoliberal Hegemony: A Global Critique, Routledge, 2006

[4] Joris Luyendijk: Dit kan niet waar zijn. Atlas Contact Uitgeverij, 2015.

Universiteiten en bedrijven hebben baat bij leernetwerken

Een van de redenen dat wetenschappelijk onderwijs zijn doelstellingen niet realiseert is dat het er onvoldoende in slaagt de kloof tussen theorie en praktijk te overbruggen. In mijn blogposts van de afgelopen weken heb ik uitgelegd waarom dit alleen mogelijk is als initiële voltijdse studenten en volwassen werkende studenten een ander soort onderwijs krijgen. De eerste groep heeft nog weinig kennis van de praktijk, maar wil deze tijdens de opleiding verwerven om zich beter op een toekomstig beroep te kunnen voorbereiden. De tweede groep heeft uitgebreide kennis van de praktijk, maar het onderwijs doet er te weinig aan om nieuw te verwerven theoretische inzichten daaraan te relateren.

Leernetwerk voor levenswetenschappen
Leernetwerk voor levenswetenschappen

Het probleem ligt dieper dan de keuze van onderwijsarrangementen alleen. De meeste docenten hebben weinig kennis van en affiniteit met de praktijk. Onderwijsarrangementen die de praktijk naar de onderwijsinstelling brengen en omgekeerd kunnen daarom alleen worden ontwikkeld als bedrijven en instellingen daarbij worden betrokken.

Overigens geldt de noodzaak van meer samenwerking tussen universiteiten en het maatschappelijke veld ook op het gebied van onderzoek. Samenwerkingsonderzoek is een belangrijke ‘driver’ voor innovatie, maar komt zeker in faculteiten die op dit gebied geen traditie hebben, moeilijk van de grond (Van den Bosch, 2013).

Leren vereist netwerken.
Leren vereist netwerken.

Er is dus alle reden om de samenwerking tussen bedrijven en andere organisaties en onderwijsinstellingen vanuit een meer holistisch perspectief te bekijken. Dit is het perspectief van zich ontwikkelende regionale clusters, kenniscentra, campussen, lerende regio’s of hoe ze ook mogen heten. Bedrijven en instellingen, universiteiten en hogescholen én overheden – de triple helix – hebben daar een complementair belang bij.

Bedrijven en instellingen hebben op grote schaal bedrijfsacademies of andere scholingsafdelingen opgezet omdat het opleidingsaanbod van de bestaande onderwijsvoorzieningen niet aan hun verwachtingen beantwoordde. Overigens vaak zonder een uitgesproken visie op de vraag hoe de scholingsbehoefte van de eigen medewerkers vorm moet krijgen. Deze academies vervielen daarom vaak in de aankoop van cursussen bij gevestigde aanbieders. Hierdoor werd de kans om theorie en praktijk dichter bijeen te brengen opnieuw niet benut. De effectiviteit van bedrijfsopleidingen hangt af van hun afstand tot de praktijk en de plaats die ze inruimen voor informeel leren. Bedrijven en andere organisaties hebben behoefte aan korte én langere programma’s met een sterke praktijkcomponent en zouden erbij gebaat zijn als deze stapelbaar zijn ze ook tot diplomering kunnen leiden. Samenwerking met universiteiten en hogescholen is hierbij noodzakelijk.

LeernetwerkenUniversiteiten moeten voor volledige realisering van hun doelstellingen initiële studenten kennis laten maken met hoe het er in bedrijven en andere organisaties aan toe gaat. Lezingen verzorgd door medewerkers van deze organisaties en bedrijfsbezoeken helpen, stages ook, maar het doen van onderzoek binnen bedrijven en organisaties en in dat verband de ogen en oren leren gebruiken is verreweg het effectiefste. Volwassen werkende studenten leren ook veel van (onderzoek)projecten. Zij kennen de praktijk weliswaar van haver tot gort maar zij moeten leren hoe ze hun praktijkkennis kunnen verdiepen met wetenschappelijke inzichten.

Bedrijven en organisaties enerzijds én universiteiten anderzijds hebben elkaar nodig bij de realisering van hun scholingsbehoeften en opleidingsdoelen. Een vergelijkbare afhankelijkheid is er ook op het gebied van onderzoek. Universitaire opleiders zullen hun werk deels binnen de muren van bedrijven en instellingen doen en professionele scholingsmedewerkers vanuit bedrijven en andere organisaties raken betrokken bij de opleiding van studenten. De totstandkoming van deze samenwerking vereist arrangementen waaraan lokale of regionale kennisinstellingen en een aantal bedrijven en andere organisaties participeren en ook de overheid meedoet. Het is een aantrekkelijke gedachte om te bezien ‘regionale kenniscentra’ (overigens slechts licht geïnstitutionaliseerd) zowel voor opleidings- als onderzoeksdoelen gerealiseerd kunnen worden. Dit ligt voor de hand omdat de samenwerking op onderwijsgebied in belangrijke mate gestalte krijgt in de vorm van leeronderzoek.

In de komende weken ga ik dieper in op de manier waarop samenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen en de overheid vorm kan krijgen.

Van den Bosch, H.M.J. (2013). Universiteit en bedrijfsleven: Een moeizame relatie. In R. Kok, H. Lekkerkerk & P. Vermeulen (Eds.), Versterking van innovatie. Liber Amicorum, voor Ben Dankbaar (pp. 201 – 216). Amsterdam: Boom / Lemma.