Tag Archives: innovation

Het innovatiespook

8 Okt

In verschillende blogposts, zoals Stop de innovatiegekte[1], Vooruit en achteruit innoveren[2] en Niet innovatie maar missie bepaalt of bedrijven zullen overleven[3] heb ik mij kritisch uitgelaten over innovatie. Ik zie overigens het belang van de ontwikkeling van nieuwe of verbeterde goederen terdege in. In deze blogpost sta ik – ook niet voor het eerst – stil bij innovatieratings. Dit naar aanleiding van de publicatie van de Global Innovation Index 2016[4]. De validiteit van deze en soortgelijke ratings is naar mijn mening vrijwel nihil; ze verklaren niets en ze zijn ongeschikt als basis voor beleid.

images-2

In de Achterhoek wordt soms met enige huiver over ‘witte wieven’ gesproken. Dat zijn flarden grondmist, waarin onze voorouders spoken zagen. Innovatieratings lijken daarop: Ze zijn niet wat je denkt. Je denkt dat je met innovatie te maken hebt, maar het gaat om iets anders.

Innovation is …..the implementation of a new or significantly improved product (good or service), a new process, a new marketing method or a new organizational method in business practices, workplace organization, or external relations[5].

Echter, zo stellen de makers van de Global Innovation Index, gegevens om deze definitie op het niveau van landen te operationaliseren ontbreken. Jammer, denk je dan. Dan maar geen rating. In plaats daarvan gebruiken de makers gegevens over ‘het klimaat’ waarin innovatie gedijt en ‘de infrastructuur’ die voor innovatie nodig is. In totaal ruim 80 variabelen, die geordend zijn in een aantal pijlers en sub-pijlers (Zie de onderstaande figuur).

screenshot-2

Het manco van deze werkwijze is dat voor elke variabele wel een relatie met innovatie te bedenken is. Zo’n relatie kan echter net zo goed worden beredeneerd tussen elk van deze variabelen en concurrentiekracht, groeipotentieel of zelfs welzijn. Het is niet toevallig dat een andere prestigieuze rating, de Global Competitiveness Index 2015 – 2016[6] deels dezelfde variabelen gebruikt, maar dan als indicatoren van de concurrentiekracht van landen. Maar hoe die beïnvloeding precies gaat, hoe de variabelen op elkaar inwerken, en welke het meeste gewicht in de schaal leggen, blijft buiten beschouwing. De innovatierating zegt nog het meest over de welvaart van landen. Uit onderstaande figuur blijkt dat de innovatie-indices sterke samenhang vertonen met het bruto nationaal product. Dat ligt voor de hand: Hoe welvarender een land is, hoe meer middelen er zijn om nieuwe producten en diensten te ontwikkelen en deze leiden op hun beurt weer tot toename van de welvaart.

screenshot

Een opvallende uitzondering op de regel dat innovatie-indices en welvaart nauw samenhangen is China. Dit land is opgeklommen naar de 25ste plaats van de index, terwijl het tot de landen met een hoger-middeninkomen behoort. Alle andere landen op de plaatsen 1 – 34 behoren tot de hoogste inkomensgroep. China heeft deze hoge score te danken aan de omvang van leningen aan de private sector (een bedenkelijk gegeven!), de hoeveelheid verhandelde aandelen, de omvang van de thuismarkt, de investeringen in R&D, de import en export van technisch-geavanceerde producten (niet noodzakelijkerwijs innovatief, denk aan de export naar Afrika) en de hoeveelheid in eigen land geregistreerde patenten. Niet onmiddellijk zaken waaraan je denkt bij innovatie.

Een ander voorbeeld is Nederland. Dit land neemt de 9de plaats in. Vorig jaar was dat nog de 4de plaats. De teruggang komt vooral doordat een aantal nieuwe indicatoren nadelig voor Nederland  uitpakt. Deze plaats is toe te schrijven aan hoge scores op de volgende indicatoren: De effectiviteit van onze overheid, de naleving van de wet, de efficiëntie van transport en vervoer, het grote aantal domeinregistraties, het aantal uploads op youtube (sic), de kennisintensieve werkgelegenheid (hiertoe behoren managers, ambtenaren en alle vormen van professionals), de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven en de rol van ICT bij nieuwe business- en organisatiemodellen. Typerend voor een postindustriële samenleving, maar ook weer niet hetzelfde als innovatie.

Het bezwaar tegen het rapport is dat het innovatieve karakter van een land gelijk wordt gesteld aan de optelsom van scores op een reeks indicatoren van uiteenlopende aard, waarvan de keuze niet nader wordt beredeneerd. De processen die schuilgaan achter de score van China zijn echter van totaal andere aard dan die achter de score van Nederland en dat geldt voor alle landen. De enige zekerheid is dat hoe welvarender een land is, hoe hoger de score.

Wie door de bossen in de Achterhoek loopt en witte flarden ziet, twijfelt er niet aan dat het mist is. Wie innovatieratings ziet, doet er verstandig aan hetzelfde te doen.

[1] 14 november 2013: http://wp.me/p32hqY-61

[2] 5 maart 2015: http://wp.me/p32hqY-bs

[3] 25 februari 2016: http://wp.me/p32hqY-sA

[4] De ‘Global innivation index 2016’ kan hier ingezien of gewownload worden: https://www.globalinnovationindex.org/gii-2016-report

[5] Gangbare definitie ontleend aan de Oslo Manual, die ook de makers van de Global Innovation Index gebruiken.

[6] Bekijken en downloaden: http://reports.weforum.org/global-competitiveness-report-2015-2016/

Advertenties

Rol Europa bij regionale innovatie moet anders

18 Mrt

Innovatie is meestal het resultaat van samenwerking tussen bedrijven onderling en tussen bedrijven, overheden en kennisinstellingen. Innovatie heeft hiermee stevige regionale wortels. De mate waarin deze partijen verstandig gebruikmaken van wat die regio te bieden heeft (‘smart specialization’), beïnvloedt het resultaat van de samenwerking in positieve zin.

Innovation Scoreboard 2014Althans; dit is de helft van het verhaal. Veel van wat op regionaal niveau gebeurt, wordt mogelijk gemaakt door nationale kaders (instituties, beleid, sociaal kapitaal). Te denken valt aan industriepolitiek, beschikbaarheid van investeringskapitaal, investeringen in onderwijs en onderzoek, beschikbaarheid infrastructuur, stimuleren ondernemerschap, krachtige lobby in het buitenland, aankoopbeleid en ga zo maar door.

Innovatie gedijt in een ondernemende staat[1]. Dat nationaal en regionaal niveau zijn verweven, komt tot uitdrukking in het feit dat de meest innovatieve regio’s in Europa liggen in landen die zelf ook als innovatieleider of -volger te boek staan.

In Europa zijn de zaken gecompliceerd door het feit dat regio’s eigenlijk met twee overkoepelende innovatiesystemen te maken hebben, het nationale en het Europese. Europa verleent jaarlijks ruim 10 miljard euro subsidie aan regio’s op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie (RTDI); geld dat uiteraard eerst bij de lidstaten wordt opgehaald[2].

Wat is de invloed van het geld uit Brussel op de innovatiekracht van de regio’s?

Onderstaande berekeningen zijn gemaakt aan de hand van gegevens uit het “Regional Innovation Scoreboard 2014”[3]. Regio’s worden – net als de Europese staten – geclassificeerd als Innovation Leaders, Innovation Followers, Moderate en Modest Innovators. Uit de bijgevoegde tabel blijkt dat het overgrote deel van de regio’s in 2010 dezelfde status had als in 2004. 18 regio’s zijn in deze periode ‘gepromoveerd’ naar een hogere klasse en 15 regio’s zijn ‘gedegradeerd’.

screenshot 3

Onderstaande figuren tonen het beeld van 2010 in vergelijking tot dat van 2004 op de kaart. Ook visueel is het is inderdaad lastig om veel verschillen te zien. Kort door de bocht lijkt het Europese innovatiebeleid en de omvangrijke subsidies die daarmee verbonden zijn, weinig effect hebben gehad op de ontwikkeling van de innovatiekracht van de regio’s.

screenshotEen meer gedetailleerde beschouwing van de subsidiestroom versterkt dit beeld. In de eerste plaats blijkt dat 71% van alle regio’s relatief weinig gebruik van de Europese subsidies. Dit geldt zowel voor innovatieleiders en -volgers als voor regio’s met matige of geringe innovatie.  Innovatieleiders en -volgers maken vooral gebruik van subsidies in Kaderprogramma’s. De regio’s die RTDI-gelden uit de structuurfondsen gebruiken, zijn overwegend innovatievolgers of matige innovators[4].

Van de eerste groep (26 regio’s) zijn in de periode 2000 – 2013 twee regio’s ‘gepromoveerd’ tot innovatieleider (Berlijn en ZO Ierland) en drie zijn ‘gedegradeerd’ tot innovatievolger (Vlaanderen, Övre Norrland en Londen). Alle andere zijn tot dezelfde categorie blijven behoren. Dit geldt in nog sterkere mate voor de tweede groep (17 regio’s). Hier zijn alle regio’s tot dezelfde categorie screenshot 2blijven behoren, op een na (Madeira), die ‘gedegradeerd’ is tot ‘modest innovator’. De conclusie is dat de regio’s die grootgebruikers waren van subsidies, in nog grotere mate dan alle regio’s samen, tot dezelfde categorie zijn blijven behoren. Erg tevreden met deze uitkomst zal de Europese Unie niet zijn. De oplossing zit niet in nog meer geld.

Regionale innovatie vereist een krachtige samenwerking binnen de regio, verstandig gebruik van regionale hulpbronnen en goed samenspel tussen regionale en nationale innovatiesysteem. Europa kan de rol van nationaal innovatiesysteem niet vervullen en als ooit gaat gebeuren, is dat pas over vele jaren. Geld bestemd voor regionale innovatie kan dus beter rechtstreeks van de nationale overheid komen; de omweg via Brussel kan de samenhang tussen regionaal en nationaal innovatiesysteem zelfs verzwakken. De afdracht van een deel van de voor innovatie bestemde middelen door nationale overheden aan de Europese Unie zou wat mij betreft achterwege kunnen blijven. Dit geld kan beter rechtstreeks worden gebruikt voor de versterking van nationaal en regionale innovatiesystemen.

Voor Europa resteert zonder meer een – zij het meer bescheiden – taak op het gebied van innovatie. Ik denk dan vooral aan stimulering van grensoverschrijdend onderzoek. Met name onderzoek aan de meer fundamentele kant van het spectrum heeft baat bij vergaande samenwerking op Europees niveau. Te denken valt aan onderzoek op het gebied van de kernfusie, bio-based economy en nanotechnologie; onderzoek dat te kostbaar is om te versnipperen over nationale staten. Voorbeelden van deze vormen van samenwerking zijn knowledge alliences[5], knowledge and innovation communities[6] en European innovation partnerships[7]. Ik denk ook aan innovatie in bedrijfstakken die een grootschalige aanpak vergen, zoals ruimtevaart, vliegtuigindustrie en  transport.

Denken in termen van Europa versus de nationale staten is contraproductief, maar er is alle aanleiding om voor wat betreft innovatie de taakverdeling tussen beide niveaus te herzien. Wat mij betreft ten gunste van het nationale niveau.


[1] Zie het gelijknamige boek van Mariana Mazzucato, waaraan ik op 13 januari 2014 een post heb gewijd: http://wp.me/p32hqY-6p

[2] Hoe groot deze som precies is, hangt af van welke uitgaven met innovatie in verband worden gebracht. Het betreft twee grote fondsen: de structuurfondsen en de kaderprogramma’s. Tussen 2000 – 2013 is ongeveer 60 miljard uit de structuurfondsen besteed aan investeringen op het gebied van RTDI. De totale uitgaven voor afzonderlijke kaderprogramma’s bedroegen ongeveer 75 miljard, een bedrag dat geheel op het conto van RTDI bestemd is.

[3] Dit rapport verschijnt om het jaar en is bevat een nuttige verzameling van data:  http://ec.europa.eu/enterprise/policies/innovation/files/ris/ris-2014_en.pdf

[4] Nota bene: Middelen voor RTDI omvatten slechts 10-15% van de structuurfondsen. Investeringen in infrastructuur en landbouwsubsidies zijn andere grootgebruikers van deze fondsen

MOOCs: The cutting announcement of the wrong revolution

5 Mrt

A litany of recent complaints shows that something is wrong with higher education: Cost are rising with 10% every year (US), content has lost track with the explosive development of new knowledge, alumni’s competences do not match with the requirements of the labour market, teachers deliver lectures in the same way as their predecessors did for centuries, revenues for society are unclear. 40% of all students are leaving without a grade. Universities are inside looking, fixed at ratings, complacent and self-confident and consequently do not consider any reason for change.

According to Christensen[1], universities are on the eve of disruptive innovation. Disruptive innovation is the fast acceptance by the public of affordable new products and services, which were disregarded by established companies and are mostly offered by new entrants.

MOOC producentenLess than one year ago, the first MOOCs (massive online open course) were launched. Their pros and cons are discussed in an uncountable number of blogs; presumably, papers in academic journals are still in the peer review stage. The appearance of MOOCs is pleasing me. Not because they are free of charge or massive, but because they open the gates towards uncountable sources of knowledge, which will allow students to customize their need for information. I am confident that MOOCs will displace lecture-based teaching at short notice

However, this is the wrong revolution.

The future of the lecture theatre

The future of the lecture theatre

The exchange of lectures for MOOCs does not question the dominance of the acquisition of knowledge in higher education. Yet broad agreement exist that higher education in the first place has to develop ‘readiness for society’. The attainment of this goal is encompassing three learning processes: (1) the acquaintance of relevant knowledge, (2) the application of knowledge and (3) and the exchange between codified and practical (or tacit) knowledge. The best way by far to organize these learning processes is by merging them.

Learning processes

Learning processes

A critical assessment of mainstream of higher education reveals that universities spent most energy on delivery of knowledge. Application of knowledge is dominated by ‘near transfer’, which means that students learn to give practical examples of theoretical concepts. ‘Far transfer’ originates from the analysis and solving of real problems, without prior exposure to cues regarding relevant knowledge. It occurs in Schools that deploy problem- or project-based learning. Exchange of codified and practical knowledge is absent in general. It might take place during internships, but projects outside the university are better and moreover, they offer opportunity for integration with other learning processes.

A balanced and integrated approach of the three learning processes mentioned above is occurring in only few universities. Elsewhere, students learn (and forget) lots of knowledge, have only limited experience with the application of knowledge and are ignorant of the clash between codified and practical knowledge. Consequently, the majority of our universities are disavowing their main goal, the development of ‘readiness for society’. It is this verdict that justifies a revolution in higher education.

Who will smash the first tomato and start the right revolution?

I guess, nobody will, and this brings me back to the topic of disruptive innovation. Corporate universities have the best chance to take over higher education for adults at short notice. They are in a perfect position to organize projects and to exchange codified and practical knowledge. Until now, they are incompetent to organize the delivery of knowledge. Still, the breakthrough of MOOCs will make the difference. Deploying MOOCs will enable corporate academies to organize the three educational processes mentioned above in an integrated fashion at relatively low cost. This will enable companies to scale up their learning programs and to improve the level of competence of their employees, which is badly needed in face of our society’s need for innovation.


[1] Clayton M. Christensen, Michael B. Horn, Louis Caldera, and Louis Soares: Disrupting College: How Disruptive Innovation Can Deliver Quality and Affordability to Postsecondary Education February 2011 http://goo.gl/ogr5r