Tag Archives: innovation

Innovatief afstandsonderwijs stelt individuele student centraal

26 Mrt

Wereldwijd zoeken heel wat volwassenen naar mogelijkheden om verder te studeren. Zij krijgen doorgaans te maken met een aanbod – online of face2face – dat in essentie is afgeleid van het reguliere onderwijs. Dit betekent dat zowel het startmoment als de duur van de opleiding vastliggen.

images-11

Nu kunnen er ook vraagtekens bij worden gezet of dit systeem voor ‘reguliere’ studenten geschikt is. Velen vinden van niet. Maar voor volwassenen die een studie combineren met een baan, een gezin en een sociaal leven is het zeker ongeschikt. De verschillen tussen deze studenten onderling zijn immers veel groter dan die tussen ‘reguliere’ studenten[1]. Dit geldt voor de tijd die ze per week beschikbaar hebben, voor de spreiding van de beschikbare tijd over het jaar, voor de snelheid waarmee ze studeren én voor de kennis en vaardigheden die ze inmiddels hebben verworven.

Het kan anders en de organisatie hoeft niet ingewikkeld te zijn.

In een groeiend aantal onderwijsinstellingen in de VS bepaalt de tijd die studenten nodig hebben om de vereiste leerresultaten te behalen de studieduur in plaats van andersom. Learning outcomes are fixed; time is variable. Studenten kunnen bovendien met de opleiding beginnen als het uitkomt.

De volgende twee instellingen – beide behorend tot de vijf meest innovatieve opleidingsinstituten in de VS – gelden als inspirerende voorbeelden: Het College for America van de Southern New Hampshire University (60.000 studenten) en de Western Governors University (70.000 studenten)[2].

Onderwijs - volwassen studenten 2
Helder geformuleerde leerresultaten vormen het uitgangspunt

Studenten volgen geen vakken of cursussen. Ze werken achtereenvolgens aan het realiseren van duidelijk geformuleerde leerresultaten (competenties). Studenten bestuderen aan de hand van opdrachten veelal online beschikbaar gesteld materiaal. Deze opdrachten leggen waar mogelijk een relatie tussen theorie en de eigen werksituatie. Na het ontvangen van feedback verbeteren studenten de uitwerking van de ingeleverde opdracht totdat hieruit voldoende beheersing blijkt van de beoogde competentie.

De organisatie van het onderwijs in deze instellingen wijkt wezenlijk af van wat in universiteiten gebruikelijk is. Ingewikkelder is deze zeker niet.

Samenstelling wetenschappelijk personeel

Elke opleiding beschikt over vier typen wetenschappelijk personeel:

  • Teams van vakspecialisten die samen verantwoordelijk zijn voor het hele curriculum.
  • Onderwijstechnologen die zorgen voor een aantrekkelijke en doelmatige leeromgeving.
  • Mentoren – het front office – die studenten helpen en van advies dienen. Zij maken met elke student een studieplanning en houden de studievoortgang in de gaten.
  • Reviewers – doorgaans parttimers – die feedback geven op de gemaakte opdrachten en beoordelen wanneer studenten aan de eisen hebben voldaan.
images-8
Rol reviewer

Reviewers nemen elk een aantal opdrachten voor hun rekening. Zij ontvangen wekelijks een vastgesteld aantal uitwerkingen. Het feit dat deze opdrachten verspreid over het hele jaar binnenkomen maakt deze taak aantrekkelijker dan die van docenten die in korte tijd honderden identieke opdrachten moeten beoordelen. Het aantal reviewers is afhankelijk van de hoeveelheid studenten, wat de schaalbaarheid van dit type onderwijs vergroot.

Personaliseren

De mentor kan studenten met studieproblemen extra opdrachten geven. Ook het toekennen van vrijstellingen is mogelijk als duidelijk is dat een student de bijbehorende competenties al onder de knie heeft.

Verdienmodel

Studenten betalen per maand een vast bedrag volgens de formule learn as much as you can, waarmee wordt gestimuleerd dat studenten de beschikbare tijd zo effectief mogelijk gebruiken en de studie maximale prioriteit geven. Mentoren zijn hierbij behulpzaam. Mede daardoor is het aantal uitvallers gering. Het College for America maakt ook afspraken met werkgevers die in de opleiding voor medewerkers betalen en die studiefaciliteiten beschikbaar stellen.

images-1

De Open Universiteit – in Nederland en Vlaanderen de enige universiteit voor volwassen en werkende studenten – heeft onlangs de principes van het vrije startmoment en de vrije studieduur verruild voor het principe van de vaste doorlooptijd. Dit tot groot verdriet van veel zittende studenten. Deze keuze is gemaakt onder druk van het ministerie om het rendement te vergroten. Dit was laag vooral door het grote aantal studiestakers. Het feit dat studenten per module betalen en de inschrijvingsduur van een module ruim een jaar was, stimuleerde niet bepaald het blijvend toekennen van hoge prioriteit aan de studie. Uitstel leidt dan vaak tot afstel. Door het voorbeeld van het College for America en de Western Governors University te volgen, had de Open Universiteit het rendementsprobleem op een meer innovatieve wijze kunnen aanpakken[3].

We leven in een wereld waarin design thinking en lean production een grote rol spelen. Kenmerkend voor beide is dat aanbieders van een product of dienst hun bedrijfsproces radicaal inrichten om waarde voor de gebruiker te creëren. Voor studerende volwassenen betreft deze waarde niet alleen het diploma, maar ook een goede balans van leven, werken en studeren.

[1] Dit geldt overigens niet meer voor een snel groeiende groep landen met de VS voorop. Van degenen die instromen in een university of college vormen initiële, voltijdse dagstudenten de minderheid.

[2] Zie voor een bespreking van de vijf meest innovatieve universiteiten in de VS: College transformed: Five institutions leading the charge in innovation, by Alana Dunagan http://www.christenseninstitute.org/wp-content/uploads/2017/02/College-transformed.pdf

[3] In kwantitatief opzicht zijn de maatregelen effectief gebleken omdat ze tot vermindering van de uitval en tot vergroting van de doorloopsnelheid leiden. Studenten die het hoge tempo niet volhouden, kunnen de studie voortzetten zonder begeleiding.

Advertenties

Groei MBA online toont acceptatie van opleidingen ‘op afstand’

18 Mrt

Miljoenen studenten over de hele wereld maken gebruik van cursussen online. Bij Coursera alleen al jaarlijks 25 miljoen. Mark Lester (Future Learn – Open University UK) verwacht vooral snelle groei van onderwijs online bij korte, op specifieke competenties toegesneden opleidingen. Werkgevers prefereren dit type opleidingen steeds vaker boven het behalen van een graad, zeker bij oudere studenten. Bovendien gelden de voordelen van onderwijs online voor deze categorie studenten het meest. Het zijn jonge initiële dagstudenten die contactonderwijs prefereren en deze groep wordt steeds kleiner, althans in westerse landen[1].

screenshot

Opleidingen ‘op afstand’, tegenwoordig vrijwel altijd online, hebben grote inspanningen moeten leveren om als volwaardig te worden erkend. De snel groeiende populariteit van online MBA-opleidingen wijst erop dat dit begint te lukken. Immers bij de keuze van een MBA-opleiding zijn het prestige van het programma en de mogelijkheid om te netwerken vaak net zo belangrijk als de inhoud.

screenshot 20.47.23De jaarlijkse rating van online MBA-programma’s door de Financial Times geeft een goed inzicht in de groeiende populariteit van dit type opleidingen[2]. Hoog scoren programma’s van business schools met een gerenommeerde campus. Maar ook programma’s met een eigen gezicht zijn populair. Zoals het Euro MBA, dat met zijn ruim 20 jarig bestaan een van de oudste is. Afgaan op het prestige van een campus is overigens betrekkelijk. Warrick Business school telt 75 studenten op de campus en 1250 studenten online.

De rangorde van online MBA-programma’s is gebaseerd op een reeks criteria[3]. De resultaten van een jaarlijkse survey onder afgestudeerden wegen het zwaarst. Wie een volledig overzicht wil zien van alle scores, volgt onderstaande link[4]. Een van de doorslaggevende en tevens meest bedenkelijke criteria is de groei van het salaris vanaf het moment dat studenten aan het programma zijn begonnen. Ik betwijfel of salarisverhoging vooral aan de kwaliteit van de opleiding kan worden toegeschreven. De mate van selectie, de prijs en het prestige van de opleiding spelen eveneens een rol. Andere criteria bij de ‘rating’ van de opleidingen zijn hun aantrekkingskracht op vrouwelijke studenten, de prijs-kwaliteit verhouding en de hoeveelheid buitenlandse studenten en docenten[5].

Online programma’s beschikken over een breed scala aan elektronische hulpmiddelen om het leerproces van studenten te faciliteren. Deze variëren van (e-)boeken, artikelen, colleges, cases, statistisch materiaal en documentaires. Ook de eigen ervaring speelt een rol. Studenten halen aan de hand van opdrachten relevante informatie uit al deze bronnen. De uitwerkingen van de opdrachten leggen zij online voor aan medestudenten en aan docenten. Medestudenten geven commentaar; docenten doen suggesties om de uitwerking van opdrachten te verbeteren, alvorens ze te beoordelen.

Voor aanbieders van online cursussen en opleidingen doen zich drie dilemma’s voor: De keuze van asynchroon versus synchroon onderwijs, de toegevoegde waarde van contactonderwijs en de mate van flexibiliteit.

Asynchroon versis synchroon

Studenten studeren in de regel als hen dat uitkomt (asynchroon). Daarnaast vindt onderwijs online soms ook synchroon plaats. Vroeger gebeurde dit door colleges op tv; nu is er veelal sprake van webinars, waar studenten op elkaar en op de docent kunnen reageren. Dit gebeurt via chatten of een geluidsverbinding. De topscoorder uit de FT-ranking – IE Business school in Barcelona – heeft voor dit doel een ‘window of the world’ kamer ingericht. Van hieruit staat de docent via 48 TV schermen in rechtstreekse verbinding met even zoveel studenten wereldwijd. Software analyseert de gelaatsuitdrukking van studenten, zodat een docent ‘spontaan’ kan reageren als een student popelt om iets te zeggen dan wel een afwezige indruk maakt. De meeste studenten prefereren te studeren als hen dat uitkomt of als ze contact met elkaar kunnen hebben. Dit is bijvoorbeeld het geval in ASGM, een Australische programma, waar studenten ‘op afstand’ samenwerken aan projecten. Technologische hoogstandjes als een ‘window of the world’ kamer lijken vooral bedoeld om onderwijs online zo veel te laten lijken op ‘traditioneel’ contactonderwijs.

http---com.ft.imagepublish.prod.s3.amazonaws.com-93bde76a-ff6a-11e6-8d8e-a5e3738f9ae4

Contactonderwijs

Van de 20 MBA-programma’s die in de ranking zijn opgenomen, zijn er zeven voor 100% online (inclusief synchrone activiteiten). Alle andere vullen onderwijs online aan met contactonderwijs, waarmee maximaal 30% van de studietijd is gemoeid. Er is dan sprake van een ‘blended’ variant. Deelnemers aan het Euro MBA nemen tijdens de studie deel aan zes residentiële weken. Studenten komen dan bijeen op de campus van een van de zes instellingen die verantwoordelijk zijn voor de opleiding (waaronder Maastricht University). Zij volgen een programma bestaande uit bedrijfsbezoeken, lezingen, discussies, projectwerk en schriftelijke examens en dat volop gelegenheid tot netwerken biedt. De residentiële programma’s worden erg gewaardeerd. Ook blijkt dat studenten die elkaar fysiek ontmoet hebben, veel sneller online contact zoeken. Residentiële programma’s werken echter kostenverhogend, ook omdat ze de mogelijkheden tot opschalen beperken.

Flexibiliteit

Het derde dilemma is de gewenste mate van flexibiliteit. Flexibiliteit is voor bijna alle studenten de voornaamste reden voor de keuze van een programma online. Maar flexibiliteit kent verschillende vormen. Kenmerkend voor elk programma online is dat studenten studeren waar en wanneer ze willen. In eigen tempo studeren of met de studie beginnen wanneer het uitkomt, is op veel minder plaatsten mogelijk. Tot voor kort behoorde de Open Universiteit in Nederland tot die plaatsen. Mede vanwege het lage opleidingsrendement, heeft de overheid erop aangedrongen over te stappen naar een vaste studieduur. Deelnemers aan het online MBA van IE Business school moeten het programma in 18 maanden afronden; behaalde resultaten van het Euro MBA blijven daarentegen 10 jaar geldig. De inperking van de flexibiliteit doet uiteraard afbreuk aan de potentiële voordelen van een online studie, met name als de doelgroep bestaat uit volwassenen die op ongeregelde tijden kunnen studeren.

Een programma online, zeker een ‘blended variant’, doet voor studenten met voldoende discipline in niets onder voor contactonderwijs. Dankzij de mogelijkheden van ICT is interactie met docenten en medestudenten volop mogelijk. Verschillen tussen aanbieders vloeien vooral voort uit de mate waarin deze de mogelijkheden van ICT maximaal weten te benutten. In een volgende blogpost laat ik zien hoe twee koplopers op dit gebied dit doen. Daarmee maken ze studeren in eigen tempo – de ultieme flexibiliteit – mogelijk. Bovendien maken ze de studieduur afhankelijk van de tijd die een student nodig heeft om de beoogde competenties onder de knie te krijgen.

[1] Zie hiervoor: https://www.ft.com/content/4e61fb8e-f47a-11e6-95ee-f14e55513608

[2] Ter gelegenheid van de publicatie van de uitslag van de rating heeft de Financial Times een ‘special report’ geschreven, gewijd aan business education online met tal van gegevens over studenten en aanbieders. Het special report kan hier worden gelezen: https://goo.gl/BZVlQ2

[3] Zie voor een toelichting bij de gevolgde berekeningswijze: https://www.ft.com/content/7d3cdf80-f4fe-11e6-8758-6876151821a6

[4] De volgende link verwijst naar een data file waarin de scores op alle criteria voor elk van de 20 programma’s zijn opgenomen. Deze tabel bevat bijvoorbeeld informatie over hoe de toegestane studieduur: http://rankings.ft.com/exportranking/businessschoolrankings/online-mba-ranking-2017/pdf

[5] Business schools hebben vaak een masculiene cultuur en het aantal vrouwelijke studenten is – waarschijnlijk mede hierdoor – meestal niet hoger dan 20%. In de online programma’s bedraagt het percentage vrouwelijke studenten gemiddeld 30%. Vrouwelijke studenten noemen daarnaast relatief vaak ook de flexibiliteit als en belangrijk motief voor een online programma

Het innovatiespook

8 Okt

In verschillende blogposts, zoals Stop de innovatiegekte[1], Vooruit en achteruit innoveren[2] en Niet innovatie maar missie bepaalt of bedrijven zullen overleven[3] heb ik mij kritisch uitgelaten over innovatie. Ik zie overigens het belang van de ontwikkeling van nieuwe of verbeterde goederen terdege in. In deze blogpost sta ik – ook niet voor het eerst – stil bij innovatieratings. Dit naar aanleiding van de publicatie van de Global Innovation Index 2016[4]. De validiteit van deze en soortgelijke ratings is naar mijn mening vrijwel nihil; ze verklaren niets en ze zijn ongeschikt als basis voor beleid.

images-2

In de Achterhoek wordt soms met enige huiver over ‘witte wieven’ gesproken. Dat zijn flarden grondmist, waarin onze voorouders spoken zagen. Innovatieratings lijken daarop: Ze zijn niet wat je denkt. Je denkt dat je met innovatie te maken hebt, maar het gaat om iets anders.

Innovation is …..the implementation of a new or significantly improved product (good or service), a new process, a new marketing method or a new organizational method in business practices, workplace organization, or external relations[5].

Echter, zo stellen de makers van de Global Innovation Index, gegevens om deze definitie op het niveau van landen te operationaliseren ontbreken. Jammer, denk je dan. Dan maar geen rating. In plaats daarvan gebruiken de makers gegevens over ‘het klimaat’ waarin innovatie gedijt en ‘de infrastructuur’ die voor innovatie nodig is. In totaal ruim 80 variabelen, die geordend zijn in een aantal pijlers en sub-pijlers (Zie de onderstaande figuur).

screenshot-2

Het manco van deze werkwijze is dat voor elke variabele wel een relatie met innovatie te bedenken is. Zo’n relatie kan echter net zo goed worden beredeneerd tussen elk van deze variabelen en concurrentiekracht, groeipotentieel of zelfs welzijn. Het is niet toevallig dat een andere prestigieuze rating, de Global Competitiveness Index 2015 – 2016[6] deels dezelfde variabelen gebruikt, maar dan als indicatoren van de concurrentiekracht van landen. Maar hoe die beïnvloeding precies gaat, hoe de variabelen op elkaar inwerken, en welke het meeste gewicht in de schaal leggen, blijft buiten beschouwing. De innovatierating zegt nog het meest over de welvaart van landen. Uit onderstaande figuur blijkt dat de innovatie-indices sterke samenhang vertonen met het bruto nationaal product. Dat ligt voor de hand: Hoe welvarender een land is, hoe meer middelen er zijn om nieuwe producten en diensten te ontwikkelen en deze leiden op hun beurt weer tot toename van de welvaart.

screenshot

Een opvallende uitzondering op de regel dat innovatie-indices en welvaart nauw samenhangen is China. Dit land is opgeklommen naar de 25ste plaats van de index, terwijl het tot de landen met een hoger-middeninkomen behoort. Alle andere landen op de plaatsen 1 – 34 behoren tot de hoogste inkomensgroep. China heeft deze hoge score te danken aan de omvang van leningen aan de private sector (een bedenkelijk gegeven!), de hoeveelheid verhandelde aandelen, de omvang van de thuismarkt, de investeringen in R&D, de import en export van technisch-geavanceerde producten (niet noodzakelijkerwijs innovatief, denk aan de export naar Afrika) en de hoeveelheid in eigen land geregistreerde patenten. Niet onmiddellijk zaken waaraan je denkt bij innovatie.

Een ander voorbeeld is Nederland. Dit land neemt de 9de plaats in. Vorig jaar was dat nog de 4de plaats. De teruggang komt vooral doordat een aantal nieuwe indicatoren nadelig voor Nederland  uitpakt. Deze plaats is toe te schrijven aan hoge scores op de volgende indicatoren: De effectiviteit van onze overheid, de naleving van de wet, de efficiëntie van transport en vervoer, het grote aantal domeinregistraties, het aantal uploads op youtube (sic), de kennisintensieve werkgelegenheid (hiertoe behoren managers, ambtenaren en alle vormen van professionals), de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven en de rol van ICT bij nieuwe business- en organisatiemodellen. Typerend voor een postindustriële samenleving, maar ook weer niet hetzelfde als innovatie.

Het bezwaar tegen het rapport is dat het innovatieve karakter van een land gelijk wordt gesteld aan de optelsom van scores op een reeks indicatoren van uiteenlopende aard, waarvan de keuze niet nader wordt beredeneerd. De processen die schuilgaan achter de score van China zijn echter van totaal andere aard dan die achter de score van Nederland en dat geldt voor alle landen. De enige zekerheid is dat hoe welvarender een land is, hoe hoger de score.

Wie door de bossen in de Achterhoek loopt en witte flarden ziet, twijfelt er niet aan dat het mist is. Wie innovatieratings ziet, doet er verstandig aan hetzelfde te doen.

[1] 14 november 2013: http://wp.me/p32hqY-61

[2] 5 maart 2015: http://wp.me/p32hqY-bs

[3] 25 februari 2016: http://wp.me/p32hqY-sA

[4] De ‘Global innivation index 2016’ kan hier ingezien of gewownload worden: https://www.globalinnovationindex.org/gii-2016-report

[5] Gangbare definitie ontleend aan de Oslo Manual, die ook de makers van de Global Innovation Index gebruiken.

[6] Bekijken en downloaden: http://reports.weforum.org/global-competitiveness-report-2015-2016/

Rol Europa bij regionale innovatie moet anders

18 Mrt

Innovatie is meestal het resultaat van samenwerking tussen bedrijven onderling en tussen bedrijven, overheden en kennisinstellingen. Innovatie heeft hiermee stevige regionale wortels. De mate waarin deze partijen verstandig gebruikmaken van wat die regio te bieden heeft (‘smart specialization’), beïnvloedt het resultaat van de samenwerking in positieve zin.

Innovation Scoreboard 2014Althans; dit is de helft van het verhaal. Veel van wat op regionaal niveau gebeurt, wordt mogelijk gemaakt door nationale kaders (instituties, beleid, sociaal kapitaal). Te denken valt aan industriepolitiek, beschikbaarheid van investeringskapitaal, investeringen in onderwijs en onderzoek, beschikbaarheid infrastructuur, stimuleren ondernemerschap, krachtige lobby in het buitenland, aankoopbeleid en ga zo maar door.

Innovatie gedijt in een ondernemende staat[1]. Dat nationaal en regionaal niveau zijn verweven, komt tot uitdrukking in het feit dat de meest innovatieve regio’s in Europa liggen in landen die zelf ook als innovatieleider of -volger te boek staan.

In Europa zijn de zaken gecompliceerd door het feit dat regio’s eigenlijk met twee overkoepelende innovatiesystemen te maken hebben, het nationale en het Europese. Europa verleent jaarlijks ruim 10 miljard euro subsidie aan regio’s op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie (RTDI); geld dat uiteraard eerst bij de lidstaten wordt opgehaald[2].

Wat is de invloed van het geld uit Brussel op de innovatiekracht van de regio’s?

Onderstaande berekeningen zijn gemaakt aan de hand van gegevens uit het “Regional Innovation Scoreboard 2014”[3]. Regio’s worden – net als de Europese staten – geclassificeerd als Innovation Leaders, Innovation Followers, Moderate en Modest Innovators. Uit de bijgevoegde tabel blijkt dat het overgrote deel van de regio’s in 2010 dezelfde status had als in 2004. 18 regio’s zijn in deze periode ‘gepromoveerd’ naar een hogere klasse en 15 regio’s zijn ‘gedegradeerd’.

screenshot 3

Onderstaande figuren tonen het beeld van 2010 in vergelijking tot dat van 2004 op de kaart. Ook visueel is het is inderdaad lastig om veel verschillen te zien. Kort door de bocht lijkt het Europese innovatiebeleid en de omvangrijke subsidies die daarmee verbonden zijn, weinig effect hebben gehad op de ontwikkeling van de innovatiekracht van de regio’s.

screenshotEen meer gedetailleerde beschouwing van de subsidiestroom versterkt dit beeld. In de eerste plaats blijkt dat 71% van alle regio’s relatief weinig gebruik van de Europese subsidies. Dit geldt zowel voor innovatieleiders en -volgers als voor regio’s met matige of geringe innovatie.  Innovatieleiders en -volgers maken vooral gebruik van subsidies in Kaderprogramma’s. De regio’s die RTDI-gelden uit de structuurfondsen gebruiken, zijn overwegend innovatievolgers of matige innovators[4].

Van de eerste groep (26 regio’s) zijn in de periode 2000 – 2013 twee regio’s ‘gepromoveerd’ tot innovatieleider (Berlijn en ZO Ierland) en drie zijn ‘gedegradeerd’ tot innovatievolger (Vlaanderen, Övre Norrland en Londen). Alle andere zijn tot dezelfde categorie blijven behoren. Dit geldt in nog sterkere mate voor de tweede groep (17 regio’s). Hier zijn alle regio’s tot dezelfde categorie screenshot 2blijven behoren, op een na (Madeira), die ‘gedegradeerd’ is tot ‘modest innovator’. De conclusie is dat de regio’s die grootgebruikers waren van subsidies, in nog grotere mate dan alle regio’s samen, tot dezelfde categorie zijn blijven behoren. Erg tevreden met deze uitkomst zal de Europese Unie niet zijn. De oplossing zit niet in nog meer geld.

Regionale innovatie vereist een krachtige samenwerking binnen de regio, verstandig gebruik van regionale hulpbronnen en goed samenspel tussen regionale en nationale innovatiesysteem. Europa kan de rol van nationaal innovatiesysteem niet vervullen en als ooit gaat gebeuren, is dat pas over vele jaren. Geld bestemd voor regionale innovatie kan dus beter rechtstreeks van de nationale overheid komen; de omweg via Brussel kan de samenhang tussen regionaal en nationaal innovatiesysteem zelfs verzwakken. De afdracht van een deel van de voor innovatie bestemde middelen door nationale overheden aan de Europese Unie zou wat mij betreft achterwege kunnen blijven. Dit geld kan beter rechtstreeks worden gebruikt voor de versterking van nationaal en regionale innovatiesystemen.

Voor Europa resteert zonder meer een – zij het meer bescheiden – taak op het gebied van innovatie. Ik denk dan vooral aan stimulering van grensoverschrijdend onderzoek. Met name onderzoek aan de meer fundamentele kant van het spectrum heeft baat bij vergaande samenwerking op Europees niveau. Te denken valt aan onderzoek op het gebied van de kernfusie, bio-based economy en nanotechnologie; onderzoek dat te kostbaar is om te versnipperen over nationale staten. Voorbeelden van deze vormen van samenwerking zijn knowledge alliences[5], knowledge and innovation communities[6] en European innovation partnerships[7]. Ik denk ook aan innovatie in bedrijfstakken die een grootschalige aanpak vergen, zoals ruimtevaart, vliegtuigindustrie en  transport.

Denken in termen van Europa versus de nationale staten is contraproductief, maar er is alle aanleiding om voor wat betreft innovatie de taakverdeling tussen beide niveaus te herzien. Wat mij betreft ten gunste van het nationale niveau.


[1] Zie het gelijknamige boek van Mariana Mazzucato, waaraan ik op 13 januari 2014 een post heb gewijd: http://wp.me/p32hqY-6p

[2] Hoe groot deze som precies is, hangt af van welke uitgaven met innovatie in verband worden gebracht. Het betreft twee grote fondsen: de structuurfondsen en de kaderprogramma’s. Tussen 2000 – 2013 is ongeveer 60 miljard uit de structuurfondsen besteed aan investeringen op het gebied van RTDI. De totale uitgaven voor afzonderlijke kaderprogramma’s bedroegen ongeveer 75 miljard, een bedrag dat geheel op het conto van RTDI bestemd is.

[3] Dit rapport verschijnt om het jaar en is bevat een nuttige verzameling van data:  http://ec.europa.eu/enterprise/policies/innovation/files/ris/ris-2014_en.pdf

[4] Nota bene: Middelen voor RTDI omvatten slechts 10-15% van de structuurfondsen. Investeringen in infrastructuur en landbouwsubsidies zijn andere grootgebruikers van deze fondsen

MOOCs: The cutting announcement of the wrong revolution

5 Mrt

A litany of recent complaints shows that something is wrong with higher education: Cost are rising with 10% every year (US), content has lost track with the explosive development of new knowledge, alumni’s competences do not match with the requirements of the labour market, teachers deliver lectures in the same way as their predecessors did for centuries, revenues for society are unclear. 40% of all students are leaving without a grade. Universities are inside looking, fixed at ratings, complacent and self-confident and consequently do not consider any reason for change.

According to Christensen[1], universities are on the eve of disruptive innovation. Disruptive innovation is the fast acceptance by the public of affordable new products and services, which were disregarded by established companies and are mostly offered by new entrants.

MOOC producentenLess than one year ago, the first MOOCs (massive online open course) were launched. Their pros and cons are discussed in an uncountable number of blogs; presumably, papers in academic journals are still in the peer review stage. The appearance of MOOCs is pleasing me. Not because they are free of charge or massive, but because they open the gates towards uncountable sources of knowledge, which will allow students to customize their need for information. I am confident that MOOCs will displace lecture-based teaching at short notice

However, this is the wrong revolution.

The future of the lecture theatre

The future of the lecture theatre

The exchange of lectures for MOOCs does not question the dominance of the acquisition of knowledge in higher education. Yet broad agreement exist that higher education in the first place has to develop ‘readiness for society’. The attainment of this goal is encompassing three learning processes: (1) the acquaintance of relevant knowledge, (2) the application of knowledge and (3) and the exchange between codified and practical (or tacit) knowledge. The best way by far to organize these learning processes is by merging them.

Learning processes

Learning processes

A critical assessment of mainstream of higher education reveals that universities spent most energy on delivery of knowledge. Application of knowledge is dominated by ‘near transfer’, which means that students learn to give practical examples of theoretical concepts. ‘Far transfer’ originates from the analysis and solving of real problems, without prior exposure to cues regarding relevant knowledge. It occurs in Schools that deploy problem- or project-based learning. Exchange of codified and practical knowledge is absent in general. It might take place during internships, but projects outside the university are better and moreover, they offer opportunity for integration with other learning processes.

A balanced and integrated approach of the three learning processes mentioned above is occurring in only few universities. Elsewhere, students learn (and forget) lots of knowledge, have only limited experience with the application of knowledge and are ignorant of the clash between codified and practical knowledge. Consequently, the majority of our universities are disavowing their main goal, the development of ‘readiness for society’. It is this verdict that justifies a revolution in higher education.

Who will smash the first tomato and start the right revolution?

I guess, nobody will, and this brings me back to the topic of disruptive innovation. Corporate universities have the best chance to take over higher education for adults at short notice. They are in a perfect position to organize projects and to exchange codified and practical knowledge. Until now, they are incompetent to organize the delivery of knowledge. Still, the breakthrough of MOOCs will make the difference. Deploying MOOCs will enable corporate academies to organize the three educational processes mentioned above in an integrated fashion at relatively low cost. This will enable companies to scale up their learning programs and to improve the level of competence of their employees, which is badly needed in face of our society’s need for innovation.


[1] Clayton M. Christensen, Michael B. Horn, Louis Caldera, and Louis Soares: Disrupting College: How Disruptive Innovation Can Deliver Quality and Affordability to Postsecondary Education February 2011 http://goo.gl/ogr5r