De geldkraan is een slecht beleidsinstrument

Overal ter wereld probeert de politiek haar doelen te bereiken met de geldkraan. Het onderwijs voorop. Meestal mislukt dat. Vertrouwen in docenten is een betere investering

Onderwijs - perverse financiering 3Subsidie komt altijd met voorwaarden. Neem de universiteiten. Tot voor kort was accreditatie voldoende. Daar kwamen enkele jaren geleden prestatieafspraken bij. Een nieuw element, want met prestatieafspraken, zoals studieduurverkorting, beperking van de uitstroom en toename van het aantal promoties wil de overheid haar eigen beleid uitvoeren.

Er rijzen nu twee vragen: werkt deze aanpak en is deze wenselijk.

Werkt het? De geldkraan als beleidsinstrument

De VS heeft de afgelopen 50 jaar vier uiteenlopende vormen van bekostiging van de publieke universiteiten gekend. Het is dus een ideale plek om hun impact te bestuderen[1].

Jarenlang werden universiteiten beleidsarm gefinancierd. Zij ontvingen elk jaar een vast bedrag, soms aangepast aan de inflatie. De ongelijke groei van het aantal studenten leidde tot een systeem dat uitgaat van het aantal instromende studenten. Dit heeft lange tijd gefunctioneerd totdat het probleem van de studiestakers hoog op de agenda kwam. In sommige instellingen liep dit aantal op tot 70%. De volgende stap was daarom toevoegen van prestatiecriteria aan de financiering op basis van instroom. Deze betroffen overigens zelden meer dan 10% van de totale geldstroom.

Onderwijs - perverse financiering 6

Het effect van de invoering van een prestatiecomponent is uitvoerig onderzocht. Vast staat dat instellingen er hun beleid door aanpasten, bijvoorbeeld door invoering van een student-volgsysteem en verbetering studieadvisering. Het effect van deze maatregelen op het studierendement bleek minimaal[2]. De reactie vanuit de politiek is herkenbaar: Als beleid niet werkt wordt het versterkt. Outcomes-based funding is de nieuwe mantra. Vooralsnog gaat het om een beperkt aantal staten, zoals Indiana, Tennessee en Ohio. De resultaat-gebonden component kan hier oplopen tot 100% van de gehele financiering. Harnisch spreekt van a shift from state inputs to campus outcomes, and from institutional needs to state priorities.[3]

Voorstanders wijzen op de dalende kwaliteit van het publiek gefinancierde onderwijs, in het bijzonder binnen de community colleges en nog meer in het bijzonder ten behoeve van de gekleurde bevolkingsgroepen. Zij willen dat er serieus werk wordt gemaakt van drop-out, participatie, betekenisvol leren en doorstroom naar betaalde banen. Ze hopen dat outcomes-based funding hiertoe zal leiden Er zijn incidentele successen geboekt maar grootschalig onderzoek – voor zover thans reeds mogelijk – heeft deze vooralsnog nog niet kunnen bevestigen[4].

Moet je het willen: Wat motiveert professionals?

Voorstanders van prestatiegerichte bekostiging van het onderwijs combineren over-optimistisch maakbaarheidsdenken met fixatie op planning & control. Ze denken dat zij wenselijk geachte resultaten kunnen bereiken via budgettaire instrumenten en snel ook. Dat dit lastig is, bewijst de praktijk in de VS. Erger nog, van dergelijke instrumenten gaan vaak perverse prikkels uit. Zo stelt Laurence D. Richards, vice chancellor van de Universiteit van Indiana East: The biggest allocation in the state’s funding formula is tied to graduation rates, so we put resources into those things that help students be successful, because that’s what we’re rewarded on. De kwaliteit van het onderwijs is in het geding[5].

Onderwijs - perverse financiering 5

De vooralsnog beperkte resultaten van prestatiegerichte bekostiging in de VS maken de vraag actueel of de samenleving ook zonder prestatieafspraken ervan verzekerd kan zijn dat investeringen in onderwijs goede resultaten opleveren. Misschien is het veel beter om de budgettering vooral te baseren op de onderwijsvraag en te vertrouwen op de professionaliteit van de docenten als het gaat over de inrichting van het onderwijs. Met vertrouwen, een hoge mate van autonomie en waardering valt bij professionals veel meer te bereiken dan met financiële prikkels.

[1] De volgende publicatie beschrijft de verschillende systemen uitvoerig en analyseert hun voor- en nadelen: James Hearn: Outcomes-based funding in historical and comparative context: https://www.luminafoundation.org/files/resources/hearn-obf-full.pdf

[2] Tandberg, D.A., Hillman, N.W. & Barakat, M. (2014). State higher education performance funding for community colleges: Diverse effects and policy implications. Teachers College Record, 116 (12), 1-31.

[3] Harnisch, T.L.: Performance-Based Funding: A Re-Emerging Strategy in Public Higher Education Financing (policy brief). American Association of State Colleges and Universities, (July 2011) www.aascu.org/uploadedFiles/AASCU/Content/Root/PolicyAndAdvocacy/PolicyPublications/

[4] Zie voor de resultaten: Dougherty, K.J. and Reddy, V. (2013). Performance Funding for Higher Education: What Are the Mechanisms? What Are the Impacts? ASHE Higher Education Report, Volume 39, Number 2. Wiley.

[5] Een zorgvuldige invoering van outcomes-based funding kan deze nadeligen effecten mitigeren: Alison: Kadlec: Outcomes-based funding and stakeholder engagement: https://www.luminafoundation.org/files/resources/kadlec-shelton-ofb-full.pdf

 

Moet je blij zijn als je tot de top 100 van innovatieve universiteiten behoort?

De hoeveelheid verworven patenten speelt een belangrijke rol om hoog te scoren als innovatieve universiteit. Dit is een perverse prikkel, waaraan je beter niet kunt toegeven.

Reuters heeft onlangs de wereldwijde top 100 van innovatieve universiteiten bekend gemaakt. Je kunt die hier bekijken.  Voor alle duidelijkheid: Het gaat niet om het innovatieve karakter van hun onderwijs, maar om de bijdrage aan innovatie in het algemeen[1].

Onderwijs - Stanford
De Stanford campus

Stanford University torent hoog boven alle andere universiteiten uit. Voor Nederland vallen de TU Delft (73) en de Erasmusuniversiteit (92) in de prijzen. De Belgen doen het iets beter: Leuven (16) en Gent (65). Aan de hand van een interactieve tabel kun je de 100 betrokken universiteiten paarsgewijs vergelijken[2]

Maar moet je als universiteit blij zijn met deze uitverkiezing? Om deze vraag te beantwoorden is het belangrijk om te weten hoe de scores worden bepaald[3]. Er zijn 10 criteria en 7 daarvan hebben te maken met  geregistreerde patenten. Hier wringt de schoen. Patenten – en de daarop gebaseerde licenties in het bijzonder – is maar één van de manieren waarop universiteiten kunnen bijdragen aan innovatie. Elders bespreek ik er vier: (1) patenten, (2) spin-offs, (3) onderzoekssamenwerking en (4) onderwijs[4]. Er is lang niet altijd sprake van een betaalde bijdrage vanuit universiteiten. In tegendeel; veel universiteiten delen kennis met lokale bedrijven, de politiek en maatschappelijke groeperingen ‘om niet’.

Geen van de genoemde methoden is bij voorbaat beter dan een andere; het gaat om de balans. Als de rol van patenten bij de berekening van het innovatieve karakter van universiteiten doorslaat, wat mijns inziens het geval is, wordt de titel ‘meest innovatieve universiteit’ een perverse prikkel. Bekend is immers dat het overgrote deel van die patenten nooit wordt gebruikt.

Louis Pasteur
Louis Pasteur

Er is nog een fundamenteler vraagstuk. Het gebruik van wetenschappelijke kennis voor brede maatschappelijke doelen is een goede zaak en universiteiten hebben zich veel te lang in hun ivoren toren verschanst. Maar noch bedrijven, noch de samenleving in het algemeen hebben er baat bij dat universiteiten steeds meer toegepast onderzoek gaan doen, bijvoorbeeld om patenten te scoren. Dit lijkt nu te gebeuren. De unieke bijdrage van universiteiten schuilt in het verrichten van fundamenteel onderzoek. Pasteur bewijst dat dit tevens geïnspireerd kan zijn door de wens maatschappelijke noden aan te pakken[5]. Het is voor universiteiten wereldwijd steeds moeilijker om hiervoor het benodigde geld vrij te maken.

De oplossing voor dit probleem is een organisatorische scheiding tussen meer fundamenteel – bij voorkeur maatschappelijk geëngageerd – onderzoek aan de ene kant en toegepast onderzoek aan de andere kant. De WRR heeft hier indertijd ook voor gepleit. Laat universiteiten met behulp van de eerste geldstroom – zo nodig – langlopende onderzoeksprojecten uitvoeren door teams van professionele onderzoekers. Zorg er ook voor dat de omvang van de eerste geldstroom niet verder verschraalt. Het meer toegepaste onderzoek kan het beste worden ondergebracht in autonome instituten, die – waar wenselijk – samenwerken met het bedrijfsleven. Zo’n model bloeit aan de Universiteit van Leuven. Maar ook valt te denken aan TNO en instituten als de Duitse Fraunhofer Instituten.

Duurzaamheid - bloemenDe ultieme maatstaf om de bijdrage van universiteiten aan innovatie te meten is de mate waarin bedrijven, instellingen en beleidsmakers gebruik maken van hun onderzoek. Zo zou ik trots kunnen zijn op de titel meest innovatieve universiteit.

 

[1] Mijn recente blogpost Waarin de twee meest innovatieve universiteiten van de Verenigde Staten zich onderscheiden gaat wel over de vernieuwing van het onderwijs http://wp.me/p32hqY-fg

[2] De tabel tref je via aan via deze link: http://www.reuters.com/most-innovative-universities/compare#

[3] Zie voor de berekeningswijze: http://www.reuters.com/most-innovative-universities/methodology#jsvI0t1BA3tip0R3.97

[4] Herman van den Bosch: Universiteit en bedrijfsleven: een moeizame relatie in:Robert Kok e.a.:Versterking van innovatie, Boom2013, p. 201-215.

[5] In mijn blogpost Is uw onderzoek ‘actionable’ http://wp.me/p32hqY-Z bepleit ik het belang van wetenschappelijk onderzoek dat zowel fundamenteel als maatschappelijk geëngageerd is, met als grote voorbeeld het werk van Pasteur.

Het doorgeslagen rendementsdenken van de babyboomers. Nieuwjaarswens

Het rendementsdenken in het hoger onderwijs is doorgeslagen. Het middel is tot doel verheven. Wie beter naar de context kijkt komt met andere oplossingen dan die welke alleen geldig zijn voor een niet bestaande nominale student

Onderwijs - babyboomers

De generatie van de babyboomers – ik spreek uit ervaring – heeft het niet al te moeilijk gehad. We zijn opgegroeid in een tijd van toenemende welvaart en van banengroei. Velen van ons zijn in beleids- en bestuursfuncties terechtgekomen. Mooie banen waarin je wordt betaald om voor anderen te denken en te doen.

Dat heeft de samenleving geweten! Onze medeburgers zuchten al jaren onder het juk van de ontelbare praatstukken, nota’s, plannen, maatregelen, procedures, decreten, circulaires en wetten, die we over hen hebben uitgestort.

Vrijwel alle leden van visitatiecommissies, het student-lid daargelaten, zijn babyboomer. Tijdens het diner of daarna bij een glas wijn, mogen we graag herinneringen ophalen aan onze eigen studententijd in de jaren ’60 en ’70. Een mooie tijd, die we dan ook flink hebben opgerekt. Ik heb zeven jaar gestudeerd, wat voor die tijd zeker niet lang was. Nominaal afstuderen bestond nog niet. Dat moesten wij immers nog gaan uitvinden.

Eenmaal werkzaam als beleidsmedewerker of bestuurder, raakten we onder de indruk van de doelmatigheid waarmee bedrijven hun zaakjes aanpakken, althans dat kwam zo over. Het leek een goed idee om de manier waarop bedrijven werken over te hevelen naar de overheid. Zo ontstond het ‘new public management’. We wisten donders goed dat er tussen overheid en bedrijfsleven ook principiële verschillen zijn. Bedrijven moeten winst maken en de overheid niet. Maar het duurde niet lang of we hadden een verleidelijk alternatief gevonden: Het behalen van een zo hoog mogelijk rendement uit de middelen die voor de publieke zaak besteed worden.

Onderwijs - Rendementsdenken 9

Neem de studieduur. We vonden het volstrekt normaal dat de samenleving die studenten financiert, een zo hoog mogelijk rendement wil halen uit het geïnvesteerde geld. We hebben daarom een onafzienbare reeks maatregelen bedacht om studenten aan te zetten tot nominaal studeren. Dat is tot op heden overigens nog niet echt gelukt. Een dankbaar onderwerp dus om vertegenwoordigers van opleidingen tijdens visitaties aan de tand te voelen. In onze generatie is maar weinig begrip voor studenten en medewerkers die zich tegen het rendementsdenken keren. Dat is jammer.

Onderwijs - Rendementsdenken 10

Rendement is – net als winst – een middel en wij hebben dat tot doel verheven. De achterliggende legitimiteitsvragen zijn hierdoor uit het beeld geraakt. Waarom leveren studenten die in vier jaar afstuderen, het hoogste rendement op? Voor hun levensonderhoud lOnderwijs - rendementsdenkenenen zij geld, of ze werken ervoor. Ze betalen collegegeld, waarmee een instelling het variabele deel van de studiekosten bekostigt. Onderzoek heeft uitgewezen dat instellingen voor hoger onderwijs eerder verdienen aan studenten die langer over de studie doen dan dat het ze geld kost[1]. Bovendien, zijn studenten die werken naast de studie, buitenlandervaring opdoen, in een bestuur zitten, stage lopen, extra vakken volgen, vrijwilligers werk doen en een sociaal netwerk opbouwen misschien niet veel beter gekwalificeerd als academicus? En ook, is uitstel van het moment waarop studenten de arbeidsmarkt betreden geen zegen voor de werkgelegenheid? Tenslotte, de nominale student bestaat niet. Steeds meer studenten combineren studie met werk, huishouden, actieve sport of muziekbeoefening, vrijwilligerswerk en zo voort.

Waartoe leiden deze overwegingen?

Het antwoord is een stelsel dat uitgaat van de competenties die studenten moeten verwerven en waarin zij zelf kunnen bepalen hoeveel tijd ze daarvoor nodig hebben. Het collegegeld is flexibel; studenten betalen uitsluitend voor het gevolgde onderwijs [2].

De nieuwjaarsboodschap voor 2016 aan alle babyboomers? Handen uit de mouwen! Er is nog heel wat reparatiewerk aan de winkel, voordat we ons pensioen hebben verdiend.

[1] In 2014 is in opdracht van het Ministerie onderzocht wat het verschil is in kosten en baten voor universiteiten van studenten die langer dan nominaal studeren. De conclusie was, voor zowel Wo als Hbo, dat de extra baten voor studenten die langer studeren hoger zijn dan de extra kosten. Je kunt de desbetreffende rapporten hier downloaden: https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-onderwijs-cultuur-en-wetenschap/documenten/kamerstukken/2015/04/30/aanbiedingsbrief-bij-rapporten-de-prijs-van-snelheid

[2] De uitwerking van dit principe zal nog wel de nodige stof tot discussie geven. Een belangrijke vraag is bijvoorbeeld wat het maximale bedrag is dat een student kan lenen.

Hoe kunnen publieke onderzoeksmiddelen het best worden besteed?

Onderzoeksbeleid moet niet uitgaan van een lineaire relatie tussen fundamenteel en toegepast onderzoek. Uitgaan van een matrix met als ingangen de mate waarin onderzoek fundamenteel is en de mate waarin het toegepast is, levert betere uitgangspunten op om beleid te maken.

In mijn blogpost van 9 december ben ik uitvoerig ingegaan op het initiatiefvoorstel van Kamerlid Jasper van Dijk om tot wezenlijke verbeteringen te komen van het bestuur van universiteiten[1]. Ik kondigde daarbij aan in een volgende blogpost in te gaan op wat deze nota opmerkt over wetenschappelijk onderzoek [2].

Jasper van Dijk verzet zich tegen het feit dat de financiering van het wetenschappelijk onderzoek een steeds meer voorwaardelijk karakter krijgt, bijvoorbeeld door de koppeling van het topsectorenbeleid. Dit mag voor hem worden afgeschaft en de universiteiten zouden meer geld moeten krijgen voor het doen van fundamenteel onderzoek. Immers – volgens Van Dijk – komen de grootste ontdekkingen voort uit fundamenteel onderzoek.

Stokes_In zijn boek Pasteurs quadrant[3] heeft Donald Stokes de betekenis van fundamenteel onderzoek grondig onderzocht. Het gaat dan met name om de vraag of resultaten van fundamenteel onderzoek min of meer vanzelf doorsijpelen naar de samenleving. Dat blijkt maar voor een deel het geval te zijn. Het overgrote deel van dit onderzoek is geen ander lot beschoren dan vergetelheid. En wat grote ontdekkingen betreft, dat zijn vaak ‘bijvangsten’ van overige vormen van wetenschap, toegepast onderzoek inclusief.

Toch is dit volgens Stokes geen reden om niet meer te investeren in fundamenteel onderzoek. Daarvoor moet eerst afgezien worden van het bestaan van een lineair verband tussen ‘fundamenteel onderzoek’ en ‘toegepast onderzoek’. In plaats daarvan plaatst hij een matrix, waarin hij laat zien dat fundamenteel onderzoek zowel voort kan komen uit de wens de wetenschap te ontwikkelen (zuiver fundamenteel onderzoek) als gericht kan zijn op maatschappelijke vraagstukken (toepassingsgericht fundamenteel onderzoek).Dia1Het werk van Louis Pasteur is het grote voorbeeld van toepassingsgericht fundamenteel onderzoek. Pasteur heeft – achteraf gezien – een baanbrekende bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de microbiologie. Dat was echter niet zijn voornaamste drijfveer. Hij wilde als medicus vooral het grote aantal sterftegevallen door infectieziekten verminderen. Hij vermoedde dat er een nog niet gekende relatie was tussen deze ziekten en de werking van micro-organismen. Hij heeft dit onderzoek volgehouden tot dit bruikbare resultaten opleverde voor de therapie die hij zocht.

van de ven

Stokes’ conclusie – die ik volmondig onderschrijf – is dat de maatschappelijke betekenis van de wetenschap aanzienlijk verhoogd kan worden, als het voorbeeld van Pasteur meer navolging krijgt. Ik vind dat de samenleving van de universiteiten mag vragen door middel van toepassingsgericht fundamenteel onderzoek een bijdrage te leveren aan een beter begrip van de problemen waar de samenleving mee kampt. Dit pleidooi komt ook terug in het lezenswaardige boek Engaged scholarship van Andrew van de Ven. Ik ben het eens met Van Dijk eens als hij universiteiten zelf wil laten bepalen hoe ze dit onderzoek invullen. Daarbij is wat mij betreft ook ruimte voor zuiver fundamenteel onderzoek.

Naast een voldoende omvangrijke publieke geldstroom voor zuiver en toepassingsgericht fundamenteel onderzoek, dient de overheid sterk in te zetten op de financiering van zuiver toegepast wetenschappelijk onderzoek (Edison’s quadrant). Van dit type onderzoek mag op de kortere termijn een bijdrage aan innovatie en aanpak van maatschappelijke vraagstukken worden verwacht. Zeker als dit onderzoek gevoed wordt door meer fundamenteel probleemgestuurd onderzoek.

Ik betwijfel echter of de universiteiten de aangewezen plaats zijn voor dit type onderzoek. Er is – wellicht afgezien van de technische universiteiten – naar mijn gevoel te weinig bewezen expertise voor. Het gevaar is bovendien groot dat de toegekende middelen voor het meer fundamentele onderzoek wordt gebruikt. Beide geldstromen dienen daarom gescheiden te blijven[4].

 

Middelen voor zuiver toegepast onderzoek kunnen het best worden toegedeeld aan TNO en aan instituten, vergelijkbaar met de Duitse Fraunhofer Instituten. Deze kunnen op hun beurt kunnen samenwerken met onderzoekers binnen universiteiten, hogescholen en bedrijven[5]. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid pleitte enige tijd geleden ook al voor Third Places als de aangewezen plaats voor dit type onderzoek[6].

Kortom geef universiteiten middelen voor fundamenteel onderzoek, vraag ze in ruil voor overheidsbekostiging daarbij een belangrijke plaats in te ruimen voor toepassingsgericht fundamenteel onderzoek en gebruik de uitkomsten van onderzoek-visitaties om na te gaan of zij dit geld goed besteden. Organiseer zuiver toegepast onderzoek los daarvan en creëer een strak regime om te stimuleren dat deze middelen worden gebruikt voor van overheidswege vastgestelde innovatiedoelen, bijvoorbeeld aansluitend bij de grand challenges van de EU. [7]

[1] Initiatiefnota Jasper van Dijk (SP): Op naar de nieuwe universiteit: Voorstellen voor hoogwaardig en democratisch onderwijs en onderzoek. Deze nota kan hier worden gedownload: http://www.tweedekamer.nl/vergaderingen/commissievergaderingen/details?id=2015A05007

[2] Met de voorstellen op het gebied van onderzoek ben ik veel minder ingenomen met de voorstellen van Jasper van Dijk. Ik ga hier in een volgende blogpost op in. Daarom gaat de aandacht in deze blogpost vooral naar het onderwijs uit.

[3] Stokes, D.E. (1997). Pasteurs Quadrant: Basic Science and Technological Innovation: Brookings Institution Press 1997.

[4] Opzoeken van de raakvlakken tussen beide vormen van fundamenteel onderzoek maar ook tussen fundamenteel en toepassingsgericht onderzoek is van wezenlijk belang, maar vereist weld at de betrokken typen onderzoek zich tevens vanuit hun eigen kracht en binnen daarvoor maximal geschikte voorwaarden kunnen ontwikkelen.

[5] Universiteiten zullen dit geld besteden ter versterking van hun eigen onderzoeksprioriteiten en naar buiten mooie verhalen vertellen over het maatschappelijke belang daarvan. Voorkom deze maskarade.

[6] Het WRR-rapport Innovatie vernieuwd, Amsterdam University Press 2008 is een van de beste rapporten over aanjagen van innovatie en de rol van de overhead daarbij.

[7] Zie mijn blogpost: Geen kleinere maar een sterkere overheid http://wp.me/p32hqY-9q

 

Democratisering van universiteiten kan niet zonder zelfbestuur

Problemen met het bestuur van instellingen voor hoger onderwijs zijn het gevolg van een discrepantie tussen de arbeidsorganisatie en de besturingsorganisatie. Voor het oplossen van deze problemen is meer medezeggenschap voor de raden niet voldoende. Invoering van zelfbestuur moet serieus worden overwogen.

Onderwijs - studentenprotestIn februari 2015 kwam jarenlang sluimerende onvrede over het bestuur van de Universiteit van Amsterdam (UvA) tot uitbarsting. Buitenstaanders verbazen zich hierover: Nederlandse universiteiten doen het op het gebied van onderwijs en onderzoek immers goed. Insiders weten dat dit eerder ondanks dan dankzij het bestuur het geval is. De problemen zijn talrijk en gecompliceerd[1]. Onderzoek onder studenten en personeel van de UvA leverde 27 knelpunten op[2], zoals:

– Aanhoudende bezuinigingen, mede door schulden als gevolg van onroerend goed transacties.

– Gebrek aan transparantie bij de verdeling van middelen.

– Stijgend percentage tijdelijk personeel zonder enig uitzicht op een vaste aanstelling[3].

– Hoge werkdruk, mede door onrealistische normen voor onderwijsactiviteiten en onderzoekoutput.

– Centralisatie van de macht bij het College van bestuur en de decanen van faculteiten.

– Gecompliceerde organisatie met een versnipperde medezeggenschap.

– Verschraling van het onderwijs door overmatige nadruk op studierendement.

– Budgetteringssysteem vol perverse prikkels.

Deze knelpunten zijn zeker niet uniek voor de UvA[4].

Kamerlid Jasper van Dijk heeft de Tweede Kamer een initiatiefvoorstel voorgelegd met als doel het bestuur van universiteiten wezenlijk te verbeteren[5]. Dit voorstel omvat 40 beslispunten waarvan je hier een korte samenvatting kunt lezen[6].

IMG_1606Uitvoering van de voorstellen van Jasper van Dijk, die deels teruggrijpen op de in 1970 ingevoerde Wet Universitaire Bestuurshervorming (WUB), versterken zonder meer de medezeggenschap van studenten en medewerkers. Daarmee worden echter niet alle problemen opgelost. Dat komt omdat Jasper van Dijk vooral uitgaat van de principes van vertegenwoordigende democratie. Voor de versterking van het democratisch gehalte van organisaties is tevens invoering van zelfbestuur onmisbaar.

Om duidelijk te maken waarom bij democratisering van universiteiten meer komt kijken dan toekennen van meer bevoegdheden aan medezeggenschapsorganen, ga ik 50 jaar terug in de tijd en wel naar de eerste Maagdenhuisbezetting in 1969. Studenten keerden zich met succes tegen de almacht van de hoogleraren. De ongekend snel ingevoerde WUB leidde tot de invoering van min of meer paritair samengestelde universiteits- en faculteitsraden, die op een aantal gebieden medebeslissingsrecht hadden. Ook nieuw was de invoering van vakgroepen, ook wel gedemocratiseerde leerstoelen genaamd. In vakgroepen kon het wetenschappelijke personeel op basis van gelijkwaardigheid beslissen over de uitvoering van onderwijs en onderzoek. Studenten hadden in vakgroepen overigens geen stem van betekenis.

De waarde die medewerkers hechtten aan universiteiten- en faculteitsraden daalde met de jaren. Zij voelden zich niet in deze raden vertegenwoordigd en animo om in raden zitting te nemen ontbrak. Toen de Wet Modernisering Universitair Bestuursorganisatie (MUB) in 1997 de invloed van de raden verder inperkte, liet vrijwel geen lid van het wetenschappelijk personeel daar een traan om. Verzet kwam nog wel van studentenzijde.

IMG_1605Zo lang onderwijsprogramma’s uit losse vakken bestonden,  functioneerde de  vakgroepstructuur goed.  Het inzicht groeide  echter dat opleidingen méér zijn dan een optelsom van vakken. De MUB creëerde daarom voor onderwijs en onderzoek eigen organisaties. Er kwamen opleidingsdirecteuren die verantwoordelijk waren voor het onderwijs en die het budget beheerden. De vakgroepen ‘kantelden’ en werden afdelingen of capaciteitsgroepen[7]. Zij raakten – althans op papier – een groot deel van hun invloed kwijt.

De structuur die de MUB in het leven heeft geroepen, was van meet af aan gekenmerkt door conflicten tussen afdelingen en onderwijsdirecteuren. Veel plannen van onderwijsdirecteuren waren op zich niet slecht, maar deze werden meestal top-down doorgedrukt. Docenten pasten deze plannen overigens vaak naar eigen goeddunken aan en hun impact bleef daardoor beperkt.

Zoals uit het bovenstaande blijkt, zijn veel van de problemen waarmee universiteiten kampen het gevolg van discrepantie tussen wat in de sociotechniek heet ‘arbeidsorganisatiestructuur’ en ‘besturingsstructuur’. De arbeidsorganisatie heeft betrekking op de dagelijkse werkzaamheden van medewerkers, zoals ontwikkelen van onderwijs, samen met collegae een project begeleiden, lidmaatschap van een curriculumcommissie et cetera. De besturingsorganisatie staat voor de manier waarop over de werkzaamheden van docenten wordt beslist. Arbeidsorganisatiestructuur en besturingsstructuur zijn ver uit elkaar gegroeid ook als de besturingsstructuur min of meer democratisch is. De leden van een faculteitsraad die beslissen over bijvoorbeeld een nieuw curriculum in een van de (vele) opleidingen van een faculteit, zijn meestal maar beperkt op de hoogte van wat er in die opleiding speelt. Zelfbestuur voorkomt dit.

IMG_1607Volgens de principes van zelfbestuur, die in steeds meer organisaties met succes worden ingevoerd, moeten degenen die betrokken zijn bij de ontwikkeling en uitvoering van het onderwijs – wetenschappelijk personeel en studenten – tevens een doorslaggevende rol spelen bij het nemen van besluiten hierover. Dit kan op allerlei manieren. In mijn Nijmeegse tijd vormden docenten semesterteams, die verantwoordelijk waren voor het ontwerp en de uitvoering van het onderwijs in dat semester[8]. Studenten waren daar ook bij betrokken. Vertegenwoordigers van de verschillende teams bespraken geregeld de samenhang tussen de semesters en andere opleidingsaangelegenheden. Integratie van dit overleg met de opleidingscommissie was overigens een volgende stap geweest.

Essentieel in deze aanpak is dat de bevoegdheden op de hogere niveaus zijn afgeleid van wat op een lager niveau geregeld wordt en niet andersom. Gesteld dat de docenten en studenten voor de opleiding binnen een vorm van zelfbestuur organiseren, dan ligt het voor de hand dat er op ditzelfde niveau – afdeling of departement – een orgaan is dat aangelegenheden op het gebied van onderwijs- en onderzoek afstemt.

Het eerstvolgende niveau is het niveau van de faculteit. Hier overleggen vertegenwoordigers van de afdelingen (personeel en studenten) over zaken van gezamenlijk belang – bijvoorbeeld kwaliteitszorg – en zij buigen zich over budgettering, personeelsbeleid, gezamenlijke voorzieningen en huisvesting.

De taak van decaan wijzigt. Deze is deels een visionair die nieuwe impulsen geeft aan de beleidsontwikkeling en bijvoorbeeld aandacht vraagt voor samenwerking tussen de vakgebieden. Deels is er sprake van een dienstbare en coachende taak, mede gericht op voorkomen van (belangen)conflicten tussen afdelingen en hun vertegenwoordigers.

In mijn visie is de universiteit een complex van samenwerkende faculteiten. Het ligt voor de hand om op het universitaire niveau een Raad van Decanen te hebben, met een voorzitter, die oog heeft voor aangelegenheden die de universiteit als geheel betreffen en beschikt over voldoende bindend vermogen om de decanen samen op een lijn te krijgen en te houden. Daarnaast zie ik een universiteitsraad, bestaande uit vertegenwoordigers van de faculteiten[9]. Veel taken die thans op universitair niveau worden uitgevoerd kunnen worden gedecentraliseerd naar faculteiten en afdelingen. De ambtelijke organisatie op universiteitsterrein kan dan ook vrij klein zijn.

Universiteiten leggen eenmaal in de vier jaar aan de Minister een Instellingsplan voor. Idealiter keurt de minister zo’n plan goed nadat ze zich heeft vergewist of de voorwaarden voor goed onderwijs, onderzoek en democratisch bestuur aanwezig zijn. Vervolgens stemt ze in met de financieringsgrondslag voor de komende vier jaar. Een door de Minister ingesteld orgaan kan haar hierbij adviseren.

Utopie? Steeds meer grote bedrijven denken na de invoering van zelfbestuur en parallel hieraan vermindering van het aantal managers[10]. Waarom zouden de instellingen met zo veel knappe koppen aan boord – studenten en personeelsleden – dat dan niet kunnen?

[1] Veel van wat in deze blog staat over universiteiten is ook toepasbaar op hogescholen.

[2] Het betreft Rapport inventarisatie knelpunten medewerkers en studenten UvA. Dit rapport kan hier gelezen worden: https://www.dropbox.com/s/99jt8avnapous74/Rapport-Inventarisatie-Knelpunten-UvA.pdf?dl=0

[3] Uit een zeer recent gepubliceerd rapport blijkt dat 2/3 van alle medewerkers van de UvA een tijdelijke aanstelling heeft.

[4] Het navolgende artikel uit de Guardian geeft een levendige beschrijving van de baanonzekerheid aan universiteiten in het VK.

[5] Initiatiefnota Jasper van Dijk (SP): Op naar de nieuwe universiteit: Voorstellen voor hoogwaardig en democratisch onderwijs en onderzoek. Deze nota kan hier worden gedownload: http://www.tweedekamer.nl/vergaderingen/commissievergaderingen/details?id=2015A05007 Hier tref je ook de reactie van de Minister aan op deze initiatiefnota.

[6] de voorstellen op het gebied van onderzoek ben ik veel minder ingenomen met die op het terrein van onderwijs. Ik ga hier in een volgende blogpost op in. deze blogpost gaat over de besturing van het onderwijs.

[7] In feite bundelen capaciteitsgroepen vaak meer oude vakgroepen, die de facto bleven bestaan als ‘leerstoelgroepen

[8] Dit voorbeeld heeft betrekking op de invoering van nieuwe programma’s in zeven opleldingen van de Faculteit Beleidswetenschappen van de Katholieke Universiteit (thans Radboud Universiteit) in 1999.

[9] Ik laat vooralsnog in het midden of deze gekozen worden via verkiezingen of dat het om afgevaardigden van de universiteitsraden gaat.

[10] Veel denkbeelden over zelfbestuur en zijn varianten komen samen in het veelbesproken en alom geprezen boek van Frederic Laloux, Reinventing Organizations. Nelson Parker 2014.

Informeel leren met collega’s: begin van innovatie

Medewerkers van bedrijven en instellingen leren het meeste van informeel leren. Tot voor kort hadden organisaties vooral oog voor opleidingen en trainingen. daar lijkt veranderingen in te komen. Ook omdat medewerkers die samen praten over problemen sneller toekomen aan het bedenken van innovatieve oplossingen.

Ik vraag nieuwe deelnemers aan mijn programma Innovatiemanagement altijd welke kennisbronnen zij op hun werk gebruiken en hoe vaak[1]. Twee bronnen scoren doorgaans ‘zeer frequent’, te weten collega’s en het Internet. Boeken, tijdschriften, cursussen, universiteiten en hogescholen moeten met meestal doen met de score ‘af en toe’ of ‘zelden’.Jane Hart heeft vergelijkbaar onderzoek uitgevoerd, maar dan op veel grotere schaal en met deelnemers uit een groot aantal landen[2]. De tabel hieronder geeft het resultaat weer.

Kennis - kennisbronnenZij vroeg ook welke sociale media binnen bedrijven en instellingen het meest worden gebruikt als bron van informatie. Twitter, Google Drive/Docs en YouTube scoorden het hoogste.

Onderwijs - Toptien sociale leernetwerken

Het raadplegen van zowel collega’s als het opzoeken van informatie op het Internet zijn onderdelen van informeel leren. Informeel leren is verreweg de belangrijkste manier waarop medewerkers van bedrijven en instellingen bij blijven. Dit staat in schril contract met de aandacht van HRM-afdelingen en chief learning officers voor informeel leren. Verreweg het meest opleidingsgeld gaat naar formele opleidingen en trainingen. Medewerkers vinden de bruikbaarheid daarvan voor de eigen praktijk vaak beperkt.

Onderwijs - Modern workplace learningTeleurstelling over de resultaten van formele opleidingen, de aanwezigheid van een vrijwel oneindige hoeveelheid leermiddelen op internet en de aanwezigheid van steeds meer goede voorbeelden leiden ertoe dat de belangstelling voor informeel leren toeneemt. Een reeks nieuwe publicaties getuigt daarvan.

Bedrijven en instellingen doen er verstandiger aan om informeel leren te faciliteren, zonder het te institutionaliseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om medewerkers aan te moedigen oOnderwijs - Informal learning 2nderling lastige problemen te bespreken. Organisaties kunnen daarbij ervaren medewerkers tijd te geven om hieraan een bijdrage te leveren.

Onderwijs - informal learningAls medewerkers eraan gewend raken om geregeld in een ongedwongen sfeer te praten over problemen en hun oplossing, ontstaat een klimaat waarin innovatie gedijt. De basis voor innovatie is immers een betrokkenheid van de medewerkers bij wat een bedrijf maakt en hoe.

Er zijn diverse vormen van informeel leren. Het onderstaande schema onderscheidt er vier.

Onderwijs - Workplace learning practicesTer toelichting:

  • Training: aanleren van specifieke vaardigheden. Heeft de meeste raakvlakken met formeel leren maar het gebruik van e-learning maakt het mogelijk ‘just-in-time’ en ‘just enough’ te selecteren.
  • Connected learning: het verzamelen en ontwikkeling van kennis in teamverband, bijvoorbeeld door deelname aan een innovatieproject.
  • Workforce collaboration: Uitwisselen van kennis en inzichten, bijvoorbeeld delen van oplossingen van veel voorkomende problemen. Intervisie hoort hier ook bij.
  • Professional learning: Persoonlijke verdieping en ontwikkeling met behulp van speciaal ontwikkelde materialen maar ook door buiten het bedrijf een opleiding te volgen.

Vooral connnected learning en workforce collaboration zijn sociale processen. Hun welslagen hangt ervan af of de betrokkenen kunnen en willen samenwerken en van de steun vanuit bedrijf of instelling.

Bij al deze vormen van informeel leren speelt een afdeling Leren en Ontwikkeling een belangrijke rol. Deze rol is drieledig:

  • Aanstellen van leercoaches Zij helpen medewerkers bij het in kaart brengen van ontwikkelbehoeften
  • Begeleiden van ervaren medewerkers die geregeld voorgaan in de bespreking van complexe problemen met collega’s, zonder dat zij een formele rol als docent hebben
  • Zorgen voor een digitale ondersteuning Deze verschilt voor elk van de vier genoemde vormen. In veel gevallen is bestaand materiaal beschikbaar. Medewerkers moeten echter leren om sociale media ook te gebruiken als leermiddelen. Maken van een lijst met handige YouTube filmpjes kan al voldoende zijn.

Onderwijs - social learning Jane HartHet succes van het informele leren staat of valt met de verbondenheid daarvan met de bedrijfsstrategie. Het moet normaal zijn dat medewerkers tijd nemen om een bespreking in te lassen en dat zij ervaren collega’s kunnen vragen daarbij een helpende hand te bieden.

Het rendement op korte termijn van bedrijfsopleidingen is niet te meten. Zeker is wel dat betrokkenheid en expertise van betrokken medewerkers zal toenemen.

[1] Dit programma bestaat uit een mix van vormen van e-learning: http://www.ou.nl/innovatie

[2] Zie voor een beschrijving van dit onderzoek: http://c4lpt.co.uk/litw-results/

 

Europa raakt achter op het gebied van innovatie

Het aandeel van Europa in de investeringen die wereldwijd plaatsvinden in R&D daalt aanzienlijk. Europese bedrijven investeren steeds liever in R&D buiten Europa. De reden is dat het zwaartepunt van de markt zich verplaatst naar Azië en buiten Europa veel meer technici en ingenieurs zijn.

De uitgaven voor R&D verschuiven wereldwijd aanzienlijk. Je mag R&D niet gelijk stellen aan innovatie, maar deze verschuiving heeft wel vergaande gevolgen voor innovatie.

In 2015 hebben de 1000 bedrijven die het meest aan R&D uitgeven samen $680 miljard geïnvesteerd in R&D[1]. Dat was 5,1% meer dan het jaar daarvoor. Daarmee lijkt de dip tijdens de economische crisis voorbij. Het grootste deel van deze investeringen (86%) is gedaan door bedrijven met hoofdkantoren in Europa, de VS en Japan. Dat is een daling van 10% ten opzichte van 2005.

Innovatie - R&D landen 2007-2015In 10 jaar tijd is de geografische voetafdruk van R&D wezenlijk veranderd. De forse verschuivingen tussen continenten en landen worden inzichtelijk gemaakt met een interactieve tabel, die je hier kunt bekijken[2]. De belangrijkste conclusie is dat in 2015 wereldwijd de meeste investeringen in R&D plaatsvonden in Azië (35%), vervolgens in N. Amerika (33%) en ten slotte in Europa (28%). Tien jaar geleden lag dit nog precies omgekeerd. De nevenstaande tabel toont de omvang van de investeringen in R&D van in de tien landen die het meest in R&D investeren.

De investeringen in R&D door bedrijven in Azië stegen tussen 2007 – 2015 van $96 miljard naar $166 miljard. Alleen al de investeringen door bedrijven in China namen tussen 2007 – 2015 toe met 120% naar $55 miljard. Van dit bedrag komt 88% van buiten China; vooral bedrijven uit de VS, Japan en Duitsland investeren graag in China. De $2 miljard aan investeringen door Chinese bedrijven in R&D in het buitenland steken daarbij schril af.

De investeringen door bedrijven in R&D in de VS in 2015 bedroegen $145 miljard. $53 miljard kwam van bedrijven uit het buitenland. Amerikaanse bedrijven investeerden tevens $121 miljard buiten de VS. Vooral in India en China.

De investeringen in R&D in Europa stegen tussen 2007 – 2015 verreweg het minst, namelijk van $121 miljard naar $131 miljard. In Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk was er zelfs sprake van een daling. In 2007 vond 75% van investeringen in R&D door Europese bedrijven plaats in Europa; in 2015 was dit aandeel gedaald naar 48%. Europese bedrijven zijn veel meer in Azië en in de VS gaan investeren. De investeringen door Europese bedrijven buiten Europa zijn in die periode met 352% gegroeid. Het gaat dan vooral om bedrijven uit Duitsland, Zwitserland, Frankrijk en Zweden.

Deze gigantische wereldwijze verschuiving heeft twee oorzaken.

Marktontwikkeling

Veel bedrijven vinden het belangrijk dat een substantieel deel van hun R&D plaats vind in de nabijheid van de markt. In de periode 1980 – 2013 groeide de binnenlandse afzet van de geïndustrialiseerde landen snel[3]. Deze groei werd veroorzaakt door toenemende welvaart en stijgende arbeidsproductiviteit. Ook de afzet in het buitenland nam snel toe. In 2014 kwam bijvoorbeeld 50% van alle inkomsten van de industrie in de VS uit export. Deze groeiperiode loopt ten eind. De industrialisatie in de opkomende landen maakte zelf een snelle groei door. In 1990 kwam nog slechts 5% van de bedrijven uit de Fortune 500 uit opkomende landen. In 2013 was dat 26%. Deze bedrijven groeien gemiddeld twee maal sneller dan bedrijven in westerse landen. Hun kostenniveau ligt lager, niet in de eerste plaats vanwege de lagere loonkosten, maar vooral omdat ze ondanks de groei ‘lean’ zijn gebleven. Een ton aluminium kost in China $1900. In de VS bedraagt de prijs $2500. Het aandeel van China in de productie van aluminium is tussen 1990 en 2014 gestegen van 4% naar 52%. Dit geldt in wat mindere mate voor veel andere producten.

Organisatie - inkomsten bedrijven per werelddeel

Vanwege de enorme groei van de markten in Azië vinden alle westerse bedrijven het belangrijk een aanzienlijk deel van hun R&D naar dat continent te verplaatsen. Bedrijven als DSM en Philips zijn hier lichtende voorbeelden van.

Beschikbaarheid van bètawetenschappers en ingenieurs

De tweede oorzaak van de wereldwijze verschuiving van R&D activiteiten is de toenemende schaarste van goed gekwalificeerde bètawetenschappers en ingenieurs in Europa en van  een omvangrijk aanbod  in de rest van de wereld. Voor Azië geldt daarbij tevens een gunstige prijs-kwaliteitverhouding. Siemens deelt zijn kennis in Aziatische researchlaboratoria met jonge wetenschappers en geeft aan dat als gevolg hiervan vele innovatieve producten gemaakt konden worden, ook ten behoeve van de Europese markt. Bedrijven uit de VS investeren in India omdat het tijdsverschil met de VS hen in staat stelt om laboratoria dan 24 uur per dag te laten werken. De voornaamste reden voor Europese bedrijven om onderzoekscentra in de VS te vestigen is de aanwezigheid van talrijke andere researchcentra, van jonge creatieve ontwikkelaars en van willig venture capital. Sillicon Valley, Boston en andere centra van innovatieve activiteit zijn bij Nederlandse bedrijven zeer in trek. Het gaat niet alleen om ICT; ook het innovatie ecosysteem voor farmaceutische industrie staat hoog aangeschreven. Het door de overheid gesubsidieerde National Institute of Health is grootste biomedische onderzoeksinstituut ter wereld.

Investeringen in R&D staan altijd onder druk. Geen enkel bedrijf kan met ‘harde cijfers’ een relatie aantonen tussen de omvang van investeringen in R&D en de groei van de verkoop, de bruto winst, de marktkapitalisatie en de aandeelhouderswaarde. Bedrijven in de VS en Europa ervaren deze druk sterker dan bedrijven in Azië. Aandeelhouders vragen om resultaten op korte termijn. In Azië, waar meer staats- en familiebedrijven zijn, is meer ruimte voor ontwikkelingen op lange termijn.

Organisatie - Eigendomsvormen

Eigenlijk zijn er maar twee dingen zeker. De kans op een hoger bedrijfsresultaat als gevolg van R&D neemt toe, indien R&D tot meer innovatie leidt en verstandig over de hele wereld is gespreid: It is not how much you spend on research and development, but how you spend it. Now also where you spend it.

Bedrijven moeten daarom goed nadenken over de volgende kwesties:

  • Wat moet R&D opleveren?
  • Wat is de relatie tussen de keuze van een vestigingsplaats van een nieuw R&D centrum en de doelen die daarmee bereikt moeten worden?
  • Hoe verhoudt R&D zich tot  innovatie?

Bedrijven moeten zich blijven realiseren hoe hun overall-strategie en hun innovatiestrategie zich tot elkaar verhouden.

Voor de ontwikkeling van nieuwe (product)ideeën – de ideation stage – zijn relatief kleine teams dicht bij de markt aan te bevelen. De rol van crowdsourcing neemt overal toe en bedrijven kunnen hierdoor tevens beter zicht krijgen op overeenkomsten en verschillen tussen de klantvraag in verschillende landen. Productontwikkeling zelf kan beter geconcentreerd plaatsvinden, uitgaande van aanwezigheid van hoogwaardig technisch personeel en vergelijkbare R&D laboratoria.

Slechts 27% van alle bedrijven geeft aan – als het om innovatie gaat – klaar te zijn voor de komende tien jaar[4]. Er is nog veel te doen.Hierbij staat voor innovatie in Europa veel op het spel: Europese bedrijven investeren steeds liever buiten Europa. Investeringen in R&D in Europa door bedrijven van buiten Europa compenseren dit maar ten dele.

[1] De blogpost maakt gebruik van de gegevens van deze 1000 bedrijven. Deze zijn ontleend aan de volgende bron: http://www.strategy-business.com/feature/00370?preview=1&psid=0&ph=0dff. Als wordt gesproken over het jaar 2015, betreft het de periode medio 2014 – medio 2015.

[2] Een interactieve versie van deze tabellen is te zien op: http://www.strategy-business.com/interactive/Where-Companies-Spend-Their-RD-Money?preview=1&psid=0&ph=0dff. Deze interactieve table geeft tevens gedetailleerde informatie over de spectaculaire verandering in de omvang van de investeringen vanuit en in de betrokken landen.

[3] Zie voor een gedetailleerde weergave van de ontwikkeling van de markten wereldwijd, de factoren die hebben geleid toy de groei van de multinationale ondernemingen en de omstandigheden die nu het einde van deze groei inluidenhet Harvard Business Review artikel: The future and how to survive it. https://hbr.org/2015/10/the-future-and-how-to-survive-it

 

[4] Zie hiervoor en voor andere gegevens over hoe bedrijven aankijken tegen hun eigen innovatiestrategie: http://www.strategy-business.com/article/00295?preview=1&psid=0&ph=0dff

 

Groei moet, maar dan wel inclusief

Bij de presentatie van de Global Competitiveness Index (GCI) 2014-2015 heeft het World Economic Forum (WEF) een poging gedaan om de duurzaamheid van afzonderlijke landen in sociaal opzicht en met betrekking tot de omgeving te verbinden met hun concurrentiekracht. Het inzichtelijk willen maken van de (negatieve) bijwerking van economische groei is zeer terecht. Op de uitvoering ervan heb ik in mijn vorige blogpost commentaar gegeven.

Ik heb het gevoel dat het WEF zelf ook van mening is dat een doodlopende weg is ingeslagen met de berekening van een sustainability-adjusted GCI. Al enige tijd geleden is gestart met een nieuw project, namelijk inclusieve groei. In Nederland wordt gediscussieerd over een breed welvaartsbegrip. Beide begrippen zijn sterk verwant.

Naar de mening van het WEF dienen alle inwoners van een land baat te hebben van economische groei. Deze dient zich bovendien over een lange periode uit te strekken en alle sectoren van de economie te omvatten. Onderstaande figuur toont de 7 pijlers waarop inclusieve groei rust[1]. Elke pijler is bestaat uit twee à drie groepen van indicatoren, 140 in totaal.

Samenleving - competitiveness 5

Van 112 landen is een landenprofiel opgemaakt. Dit maakt een gefundeerd oordeel mogelijk over het inclusieve karakter van de groei van dat land. De onderstaande afbeelding geeft het profiel van Nederland weer.

Samenleving - inclusive growth Netherlands

Voor elk van de zeven pijlers (en hun componenten) is een score berekend, variërend van 0 – 7.

  • De kleur van de blaadjes is een indicatie van de score van een land binnen een van de vier groepen van landen die onderscheiden zijn op basis van hun inkomen. Binnen elke groep staat donker groen voor een hoge score en donderrood voor een lage.
  • De grootte van de blaadjes geeft de absolute score weer. Hierdoor is vergelijking mogelijk tussen alle landen.

Uit het profiel van Nederland kan in een opslag worden gezien dat het met de toegankelijkheid en de kwaliteit van het onderwijs, met spreiding van eigendom en ondernemerschap, (asset building) en met voorzieningen op het gebied van verkeer, transport en gezondheidszorg (basic services) wel goed zit. Verbetering is mogelijk in de wijze waarop banken fungeren als financiers van economische activiteiten (financial intermediation of real economy investment) en in de herverdelende rol van het belastingstelsel (fiscal transfers).

Samenleving - inclusive growth 2

De afbeelding hierboven geeft een beeld van de mate van inclusieve groei in de 30 meest welvarende landen. Enkele zaken vallen op:

  • In alle landen zijn verbeteringen mogelijk. Landen die het ideaal van inclusieve groei het dichtst benaderen zijn: Australië, Canada, Finland, Noorwegen en Zwitserland (uit de groep meest ontwikkelde landen) en Hongarije, Maleisië en Mauritius (uit de groep landen met bovengemiddelde inkomens).
  • Economische groei hoeft niet in strijd te zijn met inclusieve groei
  • Omvangrijke belastingafdracht gaat niet ten koste van economische groei, maar is niet het meest effectieve middel om inclusieve groei te bereiken.

Wat de validiteit van de rekening betreft: De mate van inclusieve groei van een land wordt niet in één index uitgedrukt en er is ook geen rating gemaakt. Landen met hoge scores betreuren dit wellicht. De manier waarop de gegevens worden gepresenteerd maakt daarentegen een inhoudelijke beoordeling mogelijk van die landen op de hoofdpijlers en zelfs onderdelen daarvan. De betrokken landen kunnen de uitkomsten van deze analyse gebruiken bij hun beleid.

[1] De berekening van de mate waarin een reeks landen waarvoor cijfers beschikbaar waren (112) zijn te vinden in het Inclusive Growth and Development Report, dat hier gedownload kan worden. http://reports.weforum.org/inclusive-growth-report-2015/

 

Vooruitgang is meer dan concurrentiekracht en innovatie

Het World Economic Forum (WEF) heeft behalve concurrentiekracht ook de duurzaamheid van de ontwikkeling van landen gemeten. De berekening is verdienstelijk, maar de manier waarop het WEF concurrentiekracht en duurzaamheid in elkaar schuift is conceptueel onjuist.

Het World Economic Forum (WEF) – de instelling achter de Global Competitiveness Index – mag een brede kijk op de wereld niet worden ontzegd. Het is nog niet lang geleden dat bijeenkomsten van het WEF zich naast de komst van de top van het bedrijfsleven, tevens kon verheugen op die van duizenden demonstranten. Tegenwoordig zijn de demonstranten vervangen door honderden vertegenwoordigers van NGO’s die de discussie over welzijn en duurzaamheid voeden. Misschien zijn het wel dezelfde personen.

De berekening van de Global Competitiveness Index 2014 – 2015 ging vergezeld van een poging om de duurzaamheid van landen in kaart te brengen. Een jaar later is een proeve gedaan met een nieuwe maat: Inclusieve groei. Deze blogpost gaat over de verhouding tussen concurrentiekracht en duurzaamheid. De volgende blogpost zal gaan over inclusieve groei.

Voor het WEF is het een uitgemaakte zaak dat concurrentiekracht nodig is voor economische groei én voor een duurzame samenleving in sociaal opzicht en met betrekking tot het milieu. Vandaar wordt gesproken over sustainable competitiveness: institutions, policies and factors that make a nation productive over the longer term while ensuring social and environmental sustainability.

Samenleving - social and environmental sustainability;Er is meer nodig dan concurrentiekracht voor de ontwikkeling van sustainable competitiveness. Daarvan is volgens het WEF nog onvoldoende sprake: Vervuiling, aantasting biodiversiteit en klimaatverandering gaan nog steeds door en wereldwijd nemen binnen de landen de sociale tegenstellingen toe.

De box hierboven beschrijft hoe het WEF beide duurzaamheidspijlers operationaliseert[1]. Er zijn voor 112 landen gegevens verzameld en aan de hand daarvan zijn voor deze landen indexen opgesteld.

Samenleving - sustainability enhanced GCIDe cruciale vraag was hoe deze indexen gekoppeld kunnen worden aan de Global Competitiveness Index. Daartoe heeft men anale landen op de social sustainability index en de environmental sustainability index een waarde toegekend tussen 0,8 – 1,2. Deze waarden zijn vermenigvuldigd met de GCI van dat land. Deze vermenigvuldiging leidde tot twee nieuwe indexen: een Social sustainability adjusted GCI en een Environmental sustainability adjusted GCI. Door deze te middelen ontstond de Sustainability adjusted GCI. Zie bovenstaand model.

De hele operatie leidt tot weinig verschuivingen in de oorspronkelijke index[2].

Het ontbreekt het WEF niet aan verbeeldingskracht en ook niet aan politieke moed, al is het zonneklaar dat de beide duurzaamheidsindexen politieke compromissen zijn.

Met deze berekening slaat men de plank helaas volledig mis. Alle landen danken hun concurrentiekracht aan aantasting van het milieu en hun bewoners profiteren nergens ter wereld in gelijke mate mee van de vruchten van de groei. De Sustainability adjusted GCI kan daarom onmogelijk hoger zijn dan de oorspronkelijke GCI. Denkbaar is een vermindering die van land tot land verschilt.

De winst van zo’n negatief bijgestelde GCI is dat de kosten van de economische groei zichtbaar worden.

Hier schuilt tevens het probleem; een bijgestelde GCI maakt in feite niets zichtbaar. De index blijft een resultaat van het optellen en vermenigvuldigen van sub-indexen, die elk op hun beurt ook een cocktail van indicatoren zijn. Ik pleit er daarom voor om de drie indexen Global competitiveness, Social sustainability en de Environmental sustainability gewoon naast elkaar te presenteren. Hetzij in de vorm van een rating, hetzij als indexcijfers, variërend van 1 – 7 per land. Alleen dan is de negatieve bijwerking van concurrentiekracht in een oogopslag duidelijk.

[1] Zie voor beschrijving en berekening van de parameters: http://reports.weforum.org/global-competitiveness-report-2014-2015/appendix-a/

[2] Zie voor het resultaat: http://reports.weforum.org/global-competitiveness-report-2014-2015/the-measurement-of-sustainable-competitiveness/ Table 1, p. 68.

De volatiliteit van innovatierankings

Deze blogpost laat zien dat de plaats van landen in Europa op innovatieranking aanzienlijk verandert als niet naar voorwaardenscheppende activiteiten wordt gekeken maar naar de hoeveelheid innovatieve producten en diensten.

In mijn vorige blogpost uitte ik twijfels over de manier waarop het Global Competitiveness Rapport 2015-2016 de innovatieprestatie van landen berekent. De samenstellers van het rapport delen deze twijfels en ze zijn van plan het aantal indicatoren – nu zeven – volgend jaar drastisch uit te breiden[1]. Het is maar zeer de vraag of dit een oplossing is.

Innovatie - Innovation Scoreboard 2015De makers van een andere innovatieranking, het European Innovation Union Scoreboard (zie boven), kampen met hetzelfde probleem[2]. Zij hanteren 25 indicatoren, verdeeld in drie groepen: enablers, firm activities en outputs.

Enablers verwijst naar voorwaardenscheppende activiteiten. Deze liggen onder andere op het gebied van de hoeveelheid academisch afgestudeerden, de wetenschappelijke output en de financieringsmogelijkheden.

Firmactivities verwijst onder andere naar activiteiten van bedrijven die verband houden met innovatie, zoals investeringen in R&D, samenwerkingsactiviteiten en voortgebrachte patenten.

Outputs verwijst naar het meest naar tastbare resultaten activiteiten, waartoe onder andere behoren het aantal bedrijven dat innovatieve producten vervaardigt, de hoeveelheid innovatieve producten en het aandeel daarvan in de export.

Elk van de drie groepen is gebaseerd op een reeks indicatoren (zie onderstaand overzicht).

Innovatie - Innovation Scoreboard 2015 2Het valt onmiddellijk op dat geen enkele indicator van innovatie op de Global Competitiveness Index behoort tot de categorie ‘outputs’ (Zie overzicht daarvan in mijn vorige blogpost). De ranking van landen is daardoor uitsluitend gebaseerd op voorwaarden om te innoveren en bedrijfsactiviteiten die daar mogelijk toe kunnen leiden.

Dit roept de vraag op hoe een ranking uitziet die uitsluitend op output is gebaseerd, bijvoorbeeld de hoeveelheid innovatieve producten en diensten van een land. Voor dit doel heb ik de afzonderlijke scores berekend van alle Europese landen met betrekking tot enablers, firmactivities en output aan de hand van data die het European Innovation Union Scoreboard gebruikt. Zie daarvoor de onderstaande tabel. De tabel bevat opmerkelijk resultaten.

Innovatie - Europese landen eigen berekening 2Ierland en Luxemburg zijn de meest innovatieve landen, als je in tegenstelling tot de bovenstaande tabel alleen naar de output kijkt. Hun scores op het gebied van enablers en firmactivities behoren tot de middelmaat. Duitsland scoort hoog op output en firmactivities, maar veel lager op enablers. Bij Zwitserland, Zweden, Noorwegen en Finland en in zekere zin ook Nederland en België is het tegenovergestelde het geval. Deze landen danken hun hoge score – ook op de Global Competitiveness Index – aan de kwaliteit van hun enablers en/of firmactivities. Hun score ligt duidelijk lager als je uitsluitend kijkt naar de hoeveelheid innovatieve goederen en diensten die ze produceren.

Deze cijferexercitie leidt tot twee conclusies.

De waarde van een ranking die is gebaseerd op een cocktail van heterogene indicatoren, is twijfelachtig. Het gaat vooral om een pr-instrument, vooral als het resultaat goed uitpakt. Publiceren van clusters van indexcijfers die verwijzen naar verwante indicatoren, zoals enablers, firmactivities en output, is in elk geval voor beleidsmakers veel waardevoller.

Een wetenschappelijk gefundeerd model van onafhankelijke, intermediërende en afhankelijke variabelen wordt node gemist. Zo’n model zou uitsluitsel kunnen geven over de rol die enablers, firmactivities en mogelijk andere variabelen spelen en ook wat we precies dienen te verstaan onder output. Nu vullen beleidsmakers en politici deze relatie op opportunistische wijze in; bijvoorbeeld door te verwijzen naar het belang van wetenschappelijk onderzoek voor innovatie. De bovenstaande gegevens wijzen op de betrekkelijkheid van dit verband.

Veel belangrijker voor innovatie dan de ‘enablers’ zijn mijns inziens de capaciteit van bedrijven om kennis te absorberen, de beschikbaarheid van technisch afgestudeerden, de hoeveelheid R&D door bedrijven en de samenwerking op onderzoeksgebied tussen universiteiten en bedrijven.

[1] Zie hoofdstuk 2 uit het Global Competitiveness Report 2015-2016: http://reports.weforum.org/global-competitiveness-report-2015-2016/introduction-2/

[2] In 2013 heeft de Europese Unie een herberekening gepubliceerd van het innovatieve gehalte van de landen van Europa. Deze bevatte alleen indicatoren die rechtstreeks met innovatie verwant waren. Het resultaat was een sterk afwijkende ‘rating’, waarbij Nederland naar de middenmoot tuimelde. Het is bij een eenmalige exercitie gebleben. Weaarvan de resten zelfs van de websiute zijn verdwenen. Geïnteresseerden zijn daarom aangewezen op de blogpost die ik indertijd aan deze exercitie heb gewijd: http://wp.me/p32hqY-5d