Subsidie komt altijd met voorwaarden. Neem de universiteiten. Tot voor kort was accreditatie voldoende. Daar kwamen enkele jaren geleden prestatieafspraken bij. Een nieuw element, want met prestatieafspraken, zoals studieduurverkorting, beperking van de uitstroom en toename van het aantal promoties wil de overheid haar eigen beleid uitvoeren.
Er rijzen nu twee vragen: werkt deze aanpak en is deze wenselijk.
Werkt het? De geldkraan als beleidsinstrument
De VS heeft de afgelopen 50 jaar vier uiteenlopende vormen van bekostiging van de publieke universiteiten gekend. Het is dus een ideale plek om hun impact te bestuderen[1].
Jarenlang werden universiteiten beleidsarm gefinancierd. Zij ontvingen elk jaar een vast bedrag, soms aangepast aan de inflatie. De ongelijke groei van het aantal studenten leidde tot een systeem dat uitgaat van het aantal instromende studenten. Dit heeft lange tijd gefunctioneerd totdat het probleem van de studiestakers hoog op de agenda kwam. In sommige instellingen liep dit aantal op tot 70%. De volgende stap was daarom toevoegen van prestatiecriteria aan de financiering op basis van instroom. Deze betroffen overigens zelden meer dan 10% van de totale geldstroom.

Het effect van de invoering van een prestatiecomponent is uitvoerig onderzocht. Vast staat dat instellingen er hun beleid door aanpasten, bijvoorbeeld door invoering van een student-volgsysteem en verbetering studieadvisering. Het effect van deze maatregelen op het studierendement bleek minimaal[2]. De reactie vanuit de politiek is herkenbaar: Als beleid niet werkt wordt het versterkt. Outcomes-based funding is de nieuwe mantra. Vooralsnog gaat het om een beperkt aantal staten, zoals Indiana, Tennessee en Ohio. De resultaat-gebonden component kan hier oplopen tot 100% van de gehele financiering. Harnisch spreekt van a shift from state inputs to campus outcomes, and from institutional needs to state priorities.[3]
Voorstanders wijzen op de dalende kwaliteit van het publiek gefinancierde onderwijs, in het bijzonder binnen de community colleges en nog meer in het bijzonder ten behoeve van de gekleurde bevolkingsgroepen. Zij willen dat er serieus werk wordt gemaakt van drop-out, participatie, betekenisvol leren en doorstroom naar betaalde banen. Ze hopen dat outcomes-based funding hiertoe zal leiden Er zijn incidentele successen geboekt maar grootschalig onderzoek – voor zover thans reeds mogelijk – heeft deze vooralsnog nog niet kunnen bevestigen[4].
Moet je het willen: Wat motiveert professionals?
Voorstanders van prestatiegerichte bekostiging van het onderwijs combineren over-optimistisch maakbaarheidsdenken met fixatie op planning & control. Ze denken dat zij wenselijk geachte resultaten kunnen bereiken via budgettaire instrumenten en snel ook. Dat dit lastig is, bewijst de praktijk in de VS. Erger nog, van dergelijke instrumenten gaan vaak perverse prikkels uit. Zo stelt Laurence D. Richards, vice chancellor van de Universiteit van Indiana East: The biggest allocation in the state’s funding formula is tied to graduation rates, so we put resources into those things that help students be successful, because that’s what we’re rewarded on. De kwaliteit van het onderwijs is in het geding[5].

De vooralsnog beperkte resultaten van prestatiegerichte bekostiging in de VS maken de vraag actueel of de samenleving ook zonder prestatieafspraken ervan verzekerd kan zijn dat investeringen in onderwijs goede resultaten opleveren. Misschien is het veel beter om de budgettering vooral te baseren op de onderwijsvraag en te vertrouwen op de professionaliteit van de docenten als het gaat over de inrichting van het onderwijs. Met vertrouwen, een hoge mate van autonomie en waardering valt bij professionals veel meer te bereiken dan met financiële prikkels.
[1] De volgende publicatie beschrijft de verschillende systemen uitvoerig en analyseert hun voor- en nadelen: James Hearn: Outcomes-based funding in historical and comparative context: https://www.luminafoundation.org/files/resources/hearn-obf-full.pdf
[2] Tandberg, D.A., Hillman, N.W. & Barakat, M. (2014). State higher education performance funding for community colleges: Diverse effects and policy implications. Teachers College Record, 116 (12), 1-31.
[3] Harnisch, T.L.: Performance-Based Funding: A Re-Emerging Strategy in Public Higher Education Financing (policy brief). American Association of State Colleges and Universities, (July 2011) www.aascu.org/uploadedFiles/AASCU/Content/Root/PolicyAndAdvocacy/PolicyPublications/
[4] Zie voor de resultaten: Dougherty, K.J. and Reddy, V. (2013). Performance Funding for Higher Education: What Are the Mechanisms? What Are the Impacts? ASHE Higher Education Report, Volume 39, Number 2. Wiley.
[5] Een zorgvuldige invoering van outcomes-based funding kan deze nadeligen effecten mitigeren: Alison: Kadlec: Outcomes-based funding and stakeholder engagement: https://www.luminafoundation.org/files/resources/kadlec-shelton-ofb-full.pdf


De ultieme maatstaf om de bijdrage van universiteiten aan innovatie te meten is de mate waarin bedrijven, instellingen en beleidsmakers gebruik maken van hun onderzoek. Zo zou ik trots kunnen zijn op de titel meest innovatieve universiteit.


enen zij geld, of ze werken ervoor. Ze betalen collegegeld, waarmee een instelling het variabele deel van de studiekosten bekostigt. Onderzoek heeft uitgewezen dat instellingen voor hoger onderwijs eerder verdienen aan studenten die langer over de studie doen dan dat het ze geld kost
In zijn boek Pasteurs quadrant
Het werk van Louis Pasteur is het grote voorbeeld van toepassingsgericht fundamenteel onderzoek. Pasteur heeft – achteraf gezien – een baanbrekende bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de microbiologie. Dat was echter niet zijn voornaamste drijfveer. Hij wilde als medicus vooral het grote aantal sterftegevallen door infectieziekten verminderen. Hij vermoedde dat er een nog niet gekende relatie was tussen deze ziekten en de werking van micro-organismen. Hij heeft dit onderzoek volgehouden tot dit bruikbare resultaten opleverde voor de therapie die hij zocht.
In februari 2015 kwam jarenlang sluimerende onvrede over het bestuur van de Universiteit van Amsterdam (UvA) tot uitbarsting. Buitenstaanders verbazen zich hierover: Nederlandse universiteiten doen het op het gebied van onderwijs en onderzoek immers goed. Insiders weten dat dit eerder ondanks dan dankzij het bestuur het geval is. De problemen zijn talrijk en gecompliceerd
Uitvoering van de voorstellen van Jasper van Dijk, die deels teruggrijpen op de in 1970 ingevoerde Wet Universitaire Bestuurshervorming (WUB), versterken zonder meer de medezeggenschap van studenten en medewerkers. Daarmee worden echter niet alle problemen opgelost. Dat komt omdat Jasper van Dijk vooral uitgaat van de principes van vertegenwoordigende democratie. Voor de versterking van het democratisch gehalte van organisaties is tevens invoering van zelfbestuur onmisbaar.
Zo lang onderwijsprogramma’s uit losse vakken bestonden, functioneerde de vakgroepstructuur goed. Het inzicht groeide echter dat opleidingen méér zijn dan een optelsom van vakken. De MUB creëerde daarom voor onderwijs en onderzoek eigen organisaties. Er kwamen opleidingsdirecteuren die verantwoordelijk waren voor het onderwijs en die het budget beheerden. De vakgroepen ‘kantelden’ en werden afdelingen of capaciteitsgroepen
Volgens de principes van zelfbestuur, die in steeds meer organisaties met succes worden ingevoerd, moeten degenen die betrokken zijn bij de ontwikkeling en uitvoering van het onderwijs – wetenschappelijk personeel en studenten – tevens een doorslaggevende rol spelen bij het nemen van besluiten hierover. Dit kan op allerlei manieren. In mijn Nijmeegse tijd vormden docenten semesterteams, die verantwoordelijk waren voor het ontwerp en de uitvoering van het onderwijs in dat semester
Zij vroeg ook welke sociale media binnen bedrijven en instellingen het meest worden gebruikt als bron van informatie. Twitter, Google Drive/Docs en YouTube scoorden het hoogste.
Teleurstelling over de resultaten van formele opleidingen, de aanwezigheid van een vrijwel oneindige hoeveelheid leermiddelen op internet en de aanwezigheid van steeds meer goede voorbeelden leiden ertoe dat de belangstelling voor informeel leren toeneemt. Een reeks nieuwe publicaties getuigt daarvan.
nderling lastige problemen te bespreken. Organisaties kunnen daarbij ervaren medewerkers tijd te geven om hieraan een bijdrage te leveren.
Als medewerkers eraan gewend raken om geregeld in een ongedwongen sfeer te praten over problemen en hun oplossing, ontstaat een klimaat waarin innovatie gedijt. De basis voor innovatie is immers een betrokkenheid van de medewerkers bij wat een bedrijf maakt en hoe.
Ter toelichting:
Het succes van het informele leren staat of valt met de verbondenheid daarvan met de bedrijfsstrategie. Het moet normaal zijn dat medewerkers tijd nemen om een bespreking in te lassen en dat zij ervaren collega’s kunnen vragen daarbij een helpende hand te bieden.
In 10 jaar tijd is de geografische voetafdruk van R&D wezenlijk veranderd. De forse verschuivingen tussen continenten en landen worden inzichtelijk gemaakt met een interactieve tabel, die je 








