De bazen voorbij…..

Mijn laatste post ‘Ontbazen moet!’ ging over de ideologie van het managerialisme: De wijd verbreide opvatting dat het bedrijfsresultaat in de eerste plaats afhangt van de kwaliteit van het management. Ik stelde daar twee feiten tegenover:

  • Een groot aantal organisaties met duurbetaalde managers functioneert helemaal niet goed.
  • Het innovatieve vermogen van organisaties is gebaat bij meer autonomie en zeggenschap van medewerkers maar managers frustreren dit.
Managers; een klasse apart?

Om het verschijnsel management beter te begrijpen moeten we onze tijdshorizon verbreden. Door de eeuwen heeft de feitelijke macht in Europa gelegen bij de elite. Aanvankelijk bestond deze groep vooral uit de geestelijkheid en de adel, later voegde zich hierbij de dankzij de koloniale handel rijk geworden kooplieden. Hoge militairen en een enkele wetenschapper en kunstenaar vonden eveneens aansluiting. Deze groep verdeelde de belangrijkste bestuurlijke functies en lette er goed op dat geen van de leden iets tekort kwam.

De elite poseert
De elite poseert

De industriële revolutie vormde een belangrijke voedingsbodem voor de opkomst van het ondernemerschap. Opnieuw werd veel rijkdom geaccumuleerd, soms met het familiebezit als inzet, soms door hard te werken en meestal met een hoop geluk. Succesvolle ondernemers werden – zij het met de nodige aarzeling – toegelaten tot de elite en verwierven hierdoor invloed op wat er in het land gebeurde.

Geleidelijk droegen de eigenaren van de nieuwe industriële bedrijven de zeggenschap over aan professionele managers. In het begin was management een professie, maar naarmate het eigendom van bedrijven minder persoonsgebonden raakte, werd de rol van het management belangrijker. Topmanagers namen de posities van de ‘captains of industry’ in de elite over. Zij eisten – net als de eigenaren dat hadden gedaan – een aandeel in de opbrengst van die steeds groter en machtiger wordende bedrijven.

De elite is tot de dag van vandaag een informele groep gebleven die elkaar topposities toespeelt en ervoor zorgt dat het de leden aan niets ontbreekt. Zij oefent nog steeds een hoge mate van invloed uit op hetgeen op de wereld gebeurt.

Het managerialisme kent twee belangrijke uitgangspunten: winstmaximalisatie en ‘being in control’. Economie en bedrijfskunde hebben een verfijnd instrumentarium ontwikkeld om deze uitgangspunten te realiseren zonder de ideologische lading ervan te expliciteren of zich daar zelfs nog van bewust te zijn. Deze die uitgangspunten kunnen echter even goed worden omgekeerd: Winstmaximalisatie is dan het instrument waarmee de elite zich verrijkt en ‘controlling’ is het systeem waarmee managers hun aanwezigheid rechtvaardigen. Voor de plausibiliteit van deze zienswijzen is de nodige evidentie.

Het is economen en bedrijfskundigen die vanuit deze ‘alternatieve’ zienswijzen werken door de vakbroeders nooit makkelijk gemaakt. Daarom is er veel minder kennis van hoe economische ontwikkeling, rechtvaardige verdeling en duurzaamheid verenigd kunnen worden dan van de manier waarop bedrijven de fiscale wetgeving kunnen ontduiken of vermijden. We weten ook nog weinig over hoe werknemers persoonlijke ontplooiing en samenwerking binnen de besturing van organisaties kunnen verenigen. We weten daarentegen veel meer van competentiemanagement, prestatiemeting en variabele beloning en alle andere manieren waarmee het management ‘in control’ probeert te blijven.

Een nieuwe economie?

Het bovenstaande maakt duidelijk dat ‘ontbazen’ niet makkelijk zal gaan. Het hogere management en in zijn kielzog de lagere echelons zullen hun lucratieve posities in bedrijven en organisaties en hun informele lidmaatschap van de elite niet zo maar prijsgeven en de economische en bedrijfswetenschappen helpen hen daarbij. Ik zie echter andere krachten aan het werk.

all-is-an-illusion
all-is-an-illusion

In welvarende landen is een overduidelijke beweging die het gehad heeft met consumentisme, winstmaximalisatie en betutteling. Veel burgers hebben er genoeg van om voortdurend waakzaam te moeten zijn op de kwaliteit van het voedsel. Zij zien banen verdwijnen als sneeuw voor de zon, dankzij veelgeprezen innovaties. Werkomstandigheden verslechteren als gevolg van steeds hogere productiviteitseisen en aanhoudende reorganisaties. De CO2-uitstoot wordt voorlopig alleen maar groter, de congestie in het verkeer houdt aan en huisvesting is voor jongeren onbereikbaar. Maatschappelijke tegenstellingen in zowel economisch als sociaal opzicht nemen toe.

In reactie hierop stellen steeds meer (jonge) mensen de kwaliteit van het leven voorop en zij denken bij groei vooral aan welzijn.

Een groot deel van deze jongeren is ondernemend. Zij gaan niet in de eerste plaats voor de winst: De wens om een bedrijf op te bouwen dat goed is voor medemens en natuur op langere termijn komt vóór geldelijk gewin op korte termijn. Deze snel groeiende groep ondernemers zal samen met een groeiende groep consumenten de contouren van nieuwe werk- en consumptiepatronen uitvinden. Gelukkig is er ook een groeiende groep ‘gevestigde managers’ en eigenaren van familiebedrijven die in deze beweging meegaat.

Het perspectief is dat bedrijven maatschappelijke ondernemingen worden die ook zorgtaken van overheden overnemen, dat zelforganisatie de rol van management vermindert en verandert en dat afstemming in netwerken tot nieuwe marktplaatsen leidt voor goederen en diensten.

In deze ontwikkeling verliest de ‘oude economie’ haar betekenis. Dat geldt ook voor de wetenschap die de gedragsregels van de oude economie dicteerde. Het is verleidelijk om te spreken van nieuwe economische en bedrijfswetenschappen die uitgangspunten van winstmaximalisatie en ‘control’ verruilen voor premissen van kwaliteit, duurzaamheid, zelfbestuur en welbevinden. Beter is echter om wetenschappelijke reflectie van meet af aan te laten plaatsvinden in een breed interdisciplinair perspectief ver van de verkokerde structuren van de huidige wetenschappelijke disciplines.

In mijn laatste post in de reeks ‘ontbazen’ ga ik dieper in op wat de ‘nieuwe economie’ voor wetenschap en opleiding betekent met de titel “Van management- naar arbeidswetenschappen”

 

Nieuwe wijn in oude zakken. De PvdA over welvaart, duurzaamheid en gelijkheid

screenshot7Onlangs heeft een commissie van prominente PvdA-leden, onder leiding van Ad Melkert, een plan gepubliceerd om uit de crisis te komen[1]. Dit plan “De bakens verzetten” streeft onder andere naar beheersing van de schuldenlast (3%, of lager) én begrenzen van de werkloosheid (5% of lager). Economische groei zal mede zijn gebaseerd op duurzame productie, meer inkomensgelijkheid en sociale vernieuwing. Welvaart wordt gedreven door ondernemerschap en daarom wordt de belasting op arbeid verminderd, onderzoek en onderwijs gestimuleerd en toegang tot investeringskapitaal verruimd, zeker voor groene investeringen. Om enkele punten te noemen.

Wie ook het onlangs verschenen rapport van de WRR “Naar een lerende economie” kent, ziet verrassend veel overeenkomsten tussen beide publicaties[2]. Precies om deze reden voel ik  onbehagen bij het PvdA-rapport.

De wereld van vandaag is het onmiskenbare resultaat van ruim een eeuw strijd tussen kapitalisme en socialisme. Beide bewegingen hebben mooie leerstellingen geponeerd: Vrije markt en liberalisme tegenover staat en gelijkheid. Maar zodra een van beide stromingen het voor het zeggen kreeg, betekende dit uitbuiting en onderdrukking voor de massa en zelfverrijking en corruptie door de elite.

capitalism-socialismKapitalisme en socialisme hebben beide de natuur aan de rand van de afgrond gebracht, schrijnende maatschappelijke tegenstellingen en oorlogen veroorzaakt en uiteindelijk hun bevolking aan zich verbonden met materiële welvaart.

Tegenwoordig keren velen zich af van de oude politieke denkbeelden en de daaraan verbonden politieke partijen: De VVD, die moeilijk afstand deed van haar imago als de partij van de rijken en de PvdA, die wordt gezien als de aanstichtster van doorgeschoten nivellering en mislukte integratie.

De werkelijkheid is inmiddels dat binnen de VVD krachtige voorstanders zijn van beheerste inkomenspolitiek en duurzaamheid en dat binnen de PvdA solide monetair beleid, ondernemerschap en gecontroleerde immigratie hoog op de agenda staan. Maar binnen beide partijen denkt tegelijkertijd menigeen met weemoed terug aan de identiteit die ze aan ‘links’ of ‘rechts’ ontleenden.

De problemen die Nederland en vele andere landen teisteren, kunnen niet met het oude denken opgelost worden. Veel ingrediënten van het nieuwe denken, zoals beperking schuldenlast, sociale cohesie, versterken ondernemerschap, inzetten op onderzoek en ontwikkeling, innovatie, gecontroleerde immigratie  en ‘corporate governance’ zijn niet ‘links’ en ook niet ‘rechts’. Zij konden ontstaan omdat een groeiende groep die zich niet (meer) met het oude politieke denken kon identificeren, bruggen ging slaan. Het voornoemde WRR-rapport is hiervan een voorbeeld en kreeg dan ook veel waardering. De commissie Melkert lijft een deel van dit gedachtengoed in onder het motto  “Linksom uit de crisis” en dat is misplaatst. Het gevolg kan zijn dat anderen zich van dit gedachtengoed distantiëren en dat het draagvlak voor een nieuwe politiek verdampt.

Ik hoop dat diegenen die vorm willen geven aan een visie die welvaart, welzijn en duurzaamheid verenigt, dat blijven doen buiten de oude politieke scheidslijnen om. Maar eerlijk is eerlijk, “De Bakens verzetten” is een inspirerende tekst.

De bom onder onze banen

1. Telemarketeer

2. Bibliotheekmedewerker

3. Verzekeringstussenpersoon

4. Belastingadviseur

5. Winkelbediende

6. Administrateur

7. Operator

8. Chauffeur

9. Magazijnbediende

10. Financieel analist

1. Speltherapeut

2. Choreograaf

3. Chirurg

4. Leraar

5. Diëtist

6. Therapeut

7. ICT specialist

8. Verkoopmanager

9. Priester

10. Tandarts

Houd je je baan de komende tien à twintig jaar? Als deze in de linker kolom staat, moet je vrezen van niet. In de rechterkolom zit je beter[1].

Het ontstaan van nieuwe en het verdwijnen van oude banen is van alle tijden, maar de industriële revolutie heeft dat proces aanzienlijk versneld. Weinig jongeren kennen nog de ‘stoker’ op de trein en ook de aanwezigheid van een machinist is niet meer vanzelfsprekend. Tot nu toe zijn banen die verdwenen ruimschoots gecompenseerd door nieuwe. Dit gaat – als we niets doen – veranderen!

De mechanisatie in de 19de eeuw leidde tot het verdwijnen van vrijwel alle ambachten, maar grootschalige productie leidde ook tot het ontstaan van een grote groep arbeiders en kantoorklerken. De omvang van die groep daalde weer als gevolg van de automatisering in de 20ste eeuw. In plaats daarvan nam de werkgelegenheid in de dienstensector aanzienlijk toe, vooral door stijging van onze welvaart.

We staan aan de vooravond van een nieuwe substitutiegolf van menselijke arbeid.  Op zich verandert weinig aan het gegeven dat vooral routinematige taken in aanmerking komen voor substitutie door robots en computers.  Echter, nieuwe technologieën zoals ‘internet of things’, kunstmatige intelligentie, ‘big data’ en lerende machines, resulteren in een wezenlijke verschuiving van de grens tussen routinematig en niet-routinematige arbeid.

Vertaalcomputers worden gevoed met ‘big data’ en de verwachting is dat zij over enkele jaren feilloze producten afleveren. Vliegtuigen vliegen nu al vrijwel de hele route op de automatische piloot en voertuigen zonder bestuurder rijden ook al. De prijs van deze nieuwe technologieën daalt bovendien elk jaar met 10%.

Auto's zonder bestuurder hebben al 100duizenden kilometers schadevrij gereden
Auto’s zonder bestuurder hebben al 100duizenden kilometers schadevrij gereden

Het gevolg van deze ontwikkeling is, dat ongeveer de helft van de huidige banen kan verdwijnen. Banen waarin menselijke waarneming, intuïtie, creatieve en sociale intelligentie en improvisatievermogen een belangrijke rol spelen – de rechterkolom – blijven voorlopig bestaan. Hun productiviteit neemt echter toe als gevolg van de toepassing van moderne ICT-hulpmiddelen en daarmee staat de werkgelegenheid daar eveneens onder druk.

Wat mij bij deze toekomstverwachtingen tegenstaat, is dat ze als onvermijdelijk worden gepresenteerd. Het volgende voorbeeld laat zien dat het anders kan: In 1589 toog ene William Lee met een door hem uitgevonden weefgetouw naar Koningin Elisabeth in afwachting van eer, roem en geld. De koningin riep echter uit “Consider thou, what the invention could do to my poor subjects!”  William Lee moest onmiddellijk het land verlaten.

Dat koningin Elisabeth had bedacht dat zij de machtige gilden maar beter te vriend kon houden, doet weinig ter zake. Waar het om gaat is dat de hedendaagse samenleving blijkbaar géén governance mechanismen kent, die in staat zijn de waarde van verdere inzet van ICT af te wegen tegen de negatieve maatschappelijke effecten ervan, zoals massale werkloosheid en ongelijkheid. Als een politiek antwoord uitblijft en bedrijven deze kwestie evenmin oppakken, zal de eerste steen door een auto van Google niet de laatste zijn.

Echter, niemand wordt beter van herhaling van de vernietiging van machines door arbeiders in de 19de eeuw. Wat nodig is een sociaal primaat van technologische innovatie, dat zo nodig ook kan leiden tot een fundamentele herverdeling van werk.


[1] De gegevens in deze post zijn gebaseerd op een onderzoek van Carl Benedikt Frey en  Michael A. Osborne (University Oxford, UK), “The future of employment: how susceptible are jobs to computerization” (September 2013). De auteurs berekenen op basis van een algoritme voor 702 beroepen de kans dat deze de komende 20 jaar gaan verdwijnen. Zij relateren de uitkomst van deze berekening aan het aantal beoefenaars van die beroepen in 2010. Als deze beroepen inderdaad verdwijnen is daar 47% van de bestaande werkgelegenheid mee gemoeid. Het onderzoeksverslag kan hier worden gedownload: http://www.oxfordmartin.ox.ac.uk/downloads/academic/The_Future_of_Employment.pdf

De beerput gaat open: De rol van banken onderzocht

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) start dit jaar met een studie naar de gevolgen van de financialisering van de economie[1]. Financialisering heeft betrekking op de groei van het aandeel van de financiële sector in de totale economie[2] en geldt als de voornaamste oorzaak van de financiële crisis. De complexiteit van de onderliggende processen maakt de aangekondigde studie van wezenlijk belang.

Het proces van financialisering is in de VS is op gang gekomen in de jaren ’70 toen dat land het ‘Bretton Woods’ verdrag, of te wel de ‘gouden standaard’ opzegde. Dit legde de basis voor ongelimiteerd aangaan van leningen door particulieren, bedrijven, de staat en vooral door banken. Deze leningen hoefden immers niet meer met goud te worden gecompenseerd.

Leningen, ook als het geleende geld niet wordt gedekt, zijn niet bij voorbaat slecht. Bedrijven kunnen geld lenen om te investeren en met de vruchten daarvan de schuld terug betalen. Onderstaande tabel laat echter zien dat door de jaren het effect van geleend geld op de economie vrijwel nul (o,o8%) is geworden. Dat komt omdat geleend geld steeds meer gebruikt wordt om eerdere leningen af te betalen en om lopende verplichtingen in plaats van investeringen te financieren.

Effect op reële economie van geleend geld
Effect op reële economie van geleend geld

Banken zagen steeds meer mogelijkheden om grote winsten te behalen met de verkoop van financiële producten, zoals ‘swaps’ en andere derivaten. Onderstaande grafiek laat zien hoe de winsten van de banken in de VS zijn gestegen ten opzichte van de winsten in de ‘reële economie’ en het BNP als geheel.

Groei winst financiële sector t.o.v. reële economie
Groei winst financiële sector t.o.v. reële economie

De winsten leidden in de vorm van dividenden, aandelen en salarissen tot waanzinnige verrijking van de bankiers[3]. Ze gingen echter gepaard met een spectaculaire stijging van de schulden van de financiële sector. Deze vereffende ze met nieuwe leningen. De onderstaande tabel geeft een beeld van de ontwikkeling van de schulden van de financiële sector in de VS, in de periode na het opzeggen van het verdrag van ‘Bretton Woods’.

jaar

Schulden financiële sector VS (in miljarden dollars)
1979 505
1989 2399
1999 7607
2006

14184

Ik heb geen meer recente gegevens gevonden, maar aangenomen mag worden dat de schuld van de banken rond 2010 rond de $ 20.000 miljard lag, een tikkende tijdbom De volgende tabel laat de groei van de schuld van alle sectoren in de VS samen zien, namelijk bijna $60.000 miljard.

Groei schulden sectoren economie VS
Groei schulden sectoren economie VS

De bovenstaande ontwikkeling kon plaatsvinden omdat de baten van het aangaan van schulden en de lasten (risico’s) daarvan niet meer bij dezelfde instantie lagen. De baten van het proces van financialisering kwamen terecht bij de financiële wereld zelf, inclusief de aandeelhouders. De risico’s werden afgewenteld op de samenleving. In het klein zien we dat in Nederland, waar de staat tientallen miljarden heeft betaald om de ABN Amro bank en de SNS bank voor faillissement te behoeden, terwijl ex-bankiers nog volop profiteerden van allerlei regelingen. Deze uitgaven drukken op het  overheidsbudget en ze dwingen de Staat te bezuinigen in plaats van te investeren. Iets vergelijkbaars geldt voor andere Europese staten en voor de VS in nog hogere mate. De Centrale bank aldaar pompt wekelijks vele (ongedekte) miljarden in de economie door waardeloze ‘papieren’ (hypotheken, schuldbekentenissen, swaps) op te kopen.

Credit Default Swaps 09222008

Volgens Haldane heeft de bankencrisis in 2009 50 miljard pond onttrokken aan het overheidsbudget van het Verenigd Koninkrijk,  bovenop een daling dat jaar van het BNP met 140 miljard pond [4]. Dat de samenleving opkomt voor de risico’s van het het proces van financialisering is overal zichtbaar: Het besteedbaar inkomen in Griekenland is per huishouden is min of meer gehalveerd, dat in de VS met enkele tientallen procenten gedaald en in Nederland zijn we ten opzichte van 2000 gemiddeld 10% armer geworden. Daarnaast zijn wereldwijd honderdduizenden mensen hun baan kwijt geraakt en is de jeugdwerkeloosheid in de EU opgeklommen naar 25%.

Het gaat te ver om alles uitsluitend toe te schrijven aan het op geld beluste, onverantwoordelijke gedrag van de bankiers. Echter, het proces van financialisering heeft het ‘normale’ effect van een economische crisis aanzienlijk versterkt.

Ik heb enkele dringende vragen aan de WRR, die in het nog te verschijnen rapport over financialisering beantwoord zouden moeten worden:

1. Geef een cumulatief overzicht van inkomsten en uitgaven van de Nederlandse banken vanaf 1980 en laat zien waar de winsten gebleven zijn en hoe groot de door de Staat gecompenseerde verliezen zijn. Bereken welke bijdrage de financiële sector uiteindelijk heeft geleverd aan het BNP.

2. Breng in kaart hoe de Nederlandse Bank het proces van financialisering heeft aangemoedigd dan wel afgeremd en de negatieve gevolgen ervan heeft trachten te compenseren.

3. Onderzoek in welke mate het proces van financialisering aandacht van economen heeft gekregen, zulks als een kritische evaluatie van de rol van de economische wetenschap.

4. Beschrijf de voorwaarden van een duurzame financiële sector, waarbij de risico’s van financiële transacties door de sector zelf opgevangen worden – of beter – worden voorkomen. Breng daarbij de voor- en nadelen van volledige nationalisering van de financiële sector in kaart.

5. Ga na hoe toekomstige winsten in de financiële sector deels aangewend kunnen worden om de negatieve gevolgen van het proces van financialisering in de periode 2000 – 2015 voor de overheidsuitgaven te compenseren.


[1] Een eerste poging om de gevolgen van financialisering in kaart te brengen is gedaan in het FINOV project (Finance, Innovation and Growth) onder auspiciën van de EU (2009 – 2012)

[2] In 1980: 15%; in 2000 20%

[3] In 2003 bedroeg het inkomen van John Reed, CEO van de Citybank 290 miljoen dollar per jaar en dat van tweede man Sander Weil, 225 miljoen.

[4] Andrew Haldane: The contribution of the financial sector – miracle or mirage? London School of Economics 2010.

De miskende overheid

Het is handig als er een goed verhaal over je in omloop is. Waarheid is het punt niet, het gaat erom dat mensen erin geloven. Het is ook belangrijk dat je verhaal een held kent; diens grootheid straalt ook op jou af. Een van de hedendaagse verhalen (‘discoursen’) is dat van vrije markt en  ondernemerschap met Steve Jobs in de heldenrol: Dankzij hem en zijn ondernemende vrienden is de VS tot de innovatieve wereldtop gaan behoren. Dankbaar gebruikmakend van de diensten van welwillende ‘venture capitalists’. De overheid, in dit verhaal het sufferdje,  liep hen daarbij niet voor de voeten. Althans, zo wordt de Silicon Valley Story wel verteld.

Gelukkig betreden er soms mensen het toneel, die geliefde verhalen aan diggelen gooien: Een van deze storykillers is Mariana Mazzucato. Zij is hoogleraar in de economie aan de Universiteit van Sussex én aan de Open Universitity. Ook adviseert ze verschillende overheden, waaronder de Chinese. Haar meest bekende boek is ‘The Entrepreneurial State’ (2013), waaraan veel van wat hier staat is ontleend. Zij heeft dit boek gepresenteerd in een wervelende TED-presentatie.  Je treft deze hieronder aan(1).

Terug naar het succesverhaal van Steve Jobs. Steve Jobs heeft goed begrepen wat Schumpeter bedoelde toen hij schreef dat innovaties vooral ‘Neue Kombinationen’ zijn: Beter goed gejat dan slecht bedacht. Neem de iPhone. Apple heeft geen enkele component van dit apparaat zelf ontwikkeld. Alle onderdelen, het Internet in de eerste plaats, zijn het resultaat van fundamenteel onderzoek……door of in opdracht van de Amerikaanse overheid. Dit geldt overigens ook voor de zoekalgoritme van Google en vele andere ‘general purpose’ technologieën. 

Dit doet natuurlijk niets af aan de prestatie van Steve Jobs. Het is echter onhoudbaar om te doen voorkomen dat het de slimheid van de uitvinders uit California en het geld van de ‘venture capitalists’ zijn, die van Silicon Valley gemaakt hebben wat het (nog) is. Om ‘Neue Kombinationen’ te kunnen maken heb je in de eerste plaats baanbrekende ideeën nodig en die moeten ergens vandaan komen.

Waar komen de componenten van de iPhone vandaan?
Waar komen de componenten van de iPhone vandaan?

Dat er in de VS zo veel baanbrekende ideeën zijn, komt in hoge mate door de rol van de federale overheid in het innovatiesysteem. Zij investeert al jaren meer dan 2,5% van het BNP in onderzoek. Dat geld wordt overwegend ‘mission oriented’ toebedeeld. Maar ze doet veel meer: Ze verschaft op grote schaal kapitaal aan veelbelovende projecten of bedrijven. Zelfs Apple heeft nog ooit een subsidie van 500.000 dollar gehad. Van alle investeringen in nog jonge projecten (‘early stage financing’) is acht maal zo veel kapitaal afkomstig van de overheid dan van ‘venture capitalists’. Van alle wezenlijk vernieuwende medicijnen is 75% met staatsgeld ontwikkeld.

De federale overheid in de VS is niet zo slim geweest om een deel van de winsten die gemaakt zijn met het verschafte kapitaal, terug te laten stromen. Was dat het geval, dat zou er van een staatsschuld geen sprake zijn. De desbetreffende bedrijven betalen zelfs nauwelijks belasting! Andere landen, zoals Brazilië, hebben dit beter bekeken. Hier heeft de Staats Ontwikkelingsmaatschappij onlangs 52 miljard dollar geïnvesteerd in clean-tech in ruil voor (winstgevende) aandelen. in Finland heeft SITRA een aanzienlijk deel van de investeringen in Nokia gedaan en daaraan in de goede tijd veel verdiend. De Duitse Staatsinvesteringsbank (WfW) heeft vorig jaar 3 miljard winst gemaakt op basis van deelnames aan innovatieve bedrijven. Overigens is vandaag bekend geworden dat we in Nederland een soortgelijke ‘bank’ krijgen.

Uiteraard is er meer nodig om te innoveren dan fundamentele ‘mission oriented’ research en investeringskapitaal. In nauwe samenhang hiermee moeten bedrijven zelf investeren in het tot ontwikkeling brengen van goede ideeën. Naast ‘Research’ is er ook ‘Development’ nodig. Daarom investeren Samsung en Nokia bijna 10% van hun omzet in onderzoek. Overigens is dat bij Apple maar  2 á 3%.

The Entrepreneurial State
The Entrepreneurial State

Mariana Mazzucato heeft het verhaal over innovatie opnieuw geschreven. Er zijn sterke bedrijven nodig, die bereid zijn op lange termijn te denken en er is een krachtige overheid nodig, die bereid is om prioriteiten te stellen, innovatiezwaartepunten te kiezen en te versterken. Dus geen generieke (belasting) maatregelen, waarvan ook niet-innovatieve bedrijven kunnen profiteren en ook niet méér lumpsum financiering van wetenschappelijk onderzoek. In plaats daarvan; lenen van kapitaal aan veelbelovende takken van bedrijvigheid en subsidiëren van onderzoeksinstituten, die deze bedrijvigheid ondersteunen. Het Amerikaanse Defense Advanced Research Projects Agency (DARPA) geldt als lichtend voorbeeld.

Het voorafgaande laat zien waarom we het in Nederland slechter doen dan we zouden kunnen. De overheid voert een hybride investeringsbeleid: Enkele miljarden voor gerichte steun aan topsectoren, zonder kaders te stellen en verder veel generieke steun in de vorm van belastingvermindering en investeringsaftrek en van onderzoeksmiddelen voor universiteiten. Het bedrag dat de overheid investeert is ook nog eens veel te laag. Te laag zijn ook de investeringen van bedrijven, enkele uitzonderingen daargelaten. Elk bijna 1% van het BNP.

Het nieuwe verhaal biedt toch nog uitzicht op een happy end: Er is een kans dat overheid en bedrijfsleven elkaar vinden in lange termijn programma’s gericht op de ontwikkeling van nanotechnologie en van groene technologie. Maar ook hier liggen andere landen, in het bijzonder de VS en China, jaren voor: Wederom dankzij de stuwende rol van de overheid.

1. Een gelijknamig rapport dat de voorloper is van het boek ‘The Entrepreneurial State’ kun je trouwens hier gratis downloaden: http://www.finnov-fp7.eu/sites/default/files/FINNOV_DP2.8.pdf

Ondernemerschap 2.0

Leest als een roman….
Leest als een roman….

Ik heb weer het boek “Op zoek naar het DNA van de Brabantse topondernemer” van Ger Post[1] voor me liggen. Deze week als aanleiding voor wat gedachten over ondernemerschap[2].

Een ondernemer is volgens Ger Post iemand die:

  • vanuit persoonlijke motivatie en kunde
  • richting, vorm en inhoud geeft aan (nieuwe) bedrijvigheid
  • en daarmee (potentiële) waarde creëert voor zichzelf, zijn organisatie en zijn omgeving.

Een prima omschrijving, althans dat vind ik. Vooral ook omdat zij een aantal aspecten uitsluit, namelijk of het al dan niet gaat om een ‘zelfstandige’, een ‘corporate entrepreneur’, een franchisenemer of een intrapreneur (p. 25).

Ik was overigens wél verbaasd dat het boek bij het zoeken naar de potentiële Brabantse topondernemers als eerste criterium ondernemen “voor eigen rekening en risico” hanteert. Dat laat de genoemde definitie juist nadrukkelijk buiten beschouwing. Maar daar gaat het nu niet over.

De voornoemde definitie benadrukt het feit dat een ondernemer iets tot stand brengt; nieuwe muziek (Tijs Michiel Verwest, alias Tiësto), een theater (Giel Pastoor) of een winkelformule (Frits van Eerd), maar ook iets in stand houdt, bijvoorbeeld een groot bedrijf in crisistijd (Wim van der Leegte). Daar  tegenover staat de benadering die de heroïek van het ondernemerschap benadrukt: je eigen zaak, waarin je je spaargeld investeert en waarvoor je 24/7 in touw bent.

De eerste benadering is vooral van belang omdat – de groei van het aantal ZZP’ers ten spijt – verreweg de meesten van ons géén nieuw bedrijf zullen vestigen. Met de definitie van Ger Post kunnen we toch allemaal ondernemer zijn. Zover is het bij lange na nog niet. Dit brengt mij tot drie opmerkingen

Iedereen ondernemer; en het management dan?

Bestaande bedrijven en andere organisaties maken voorzichtige stappen naar ‘work place innovation’ met de bedoeling personen in loondienst meer ruimte te geven om te ‘ondernemen’.  Soms denk ik dat ‘het nieuwe werken’, waarvan meer autonomie een onderdeel is, een nieuwe “management fad’ is en alleen dient om de productiviteit te verhogen. Want meer ondernemerschap aan de onderkant van een bedrijf heeft vergaande gevolgen voor het management aan de top. Daar hoor je weinig over bij de adepten van ‘performance management’. Het is waarschijnlijk dat bedrijven waar werknemers werkelijk ruimte voor ondernemerschap krijgen zullen evolueren in de richting van coöperatieve organisatievormen.

Waarde ‘heroverwogen’; niet om geld alleen

Ondernemers creëren zoals de definitie terecht opmerkt waarde. Voor sommigen is dat geld maar voor velen is dat een goed product. Waarde is sterk cultuurbepaald en het is te hopen dat met de ontwikkeling van ondernemerschap ook de opvattingen over waarde evolueren. Het is bemoedigend om te zien hoe Hans Duisters (Sioux) “waarden en normen” centraal stelt en wil gaan voor “duurzame oplossingen”.  “People, Profit & Planet” oftewel de ‘triple bottomline” zouden in het DNA van toekomstige ondernemers onverbrekelijk moeten vergroeien. Niemand zit te wachten op nog meer zakkenvullers.

Opleidingen moeten kantelen

‘Hogere’ managementopleidingen (MBA) zijn nog sterk geënt op het beeld van middelgrote en grote ondernemingen en zij besteden onevenredig veel aandacht aan ‘strategy’ en ‘leadership’ met als gevolg dat veel studenten zich vooral als een toekomstige CEO zien, gemodelleerd door het beeld van nu. Veel hogescholen gaan gelukkig al een andere kant op; zij verzorgen ‘minors’ in ondernemerschap, terecht als onderdeel van een opleiding in de techniek, logistiek, verpleging of muziek. Ik zie management als vak nog niet verdwijnen, maar het zal steeds meer faciliterend zijn en op MBA’s zouden studenten vooral moeten leren hoe ze ervoor kunnen zorgen dat in ‘hun’ bedrijven ondernemerschap kans krijgt om te ontluiken.

Ik zou graag zien dat in een volgende editie van ‘Brabantse topondernemers’ iemand genomineerd kan worden die binnen Fontys, Avans of in een van beide universiteiten het bedrijfskundeonderwijs wezenlijk in deze richting heeft helpen veranderen. Ger, iets voor jou?


[1] Uitgave Fontys Hogescholen in samenwerking met Brabants-Zeeuwse Werkgeversvereniging, Eindhoven 2013 ISBN 978-946226-012-2

[2] In mijn vorige post ‘Hoe kwantitatief onderzoek kwaliteit verhult’ uitte ik kritiek op één onderdeel van het boek, namelijk de vergelijking tussen de competenties van ervaren en startende ondernemers.

Hoe kwantitatief onderzoek kwaliteit verhult….

Voor mij ligt een prachtig boek: Op zoek naar het DNA van de Brabantse topondernemer[1] van Ger Post.  De kern – en tevens het sterkste deel van het boek – zijn de portretten van 25 ondernemers waarop Brabant trots mag zijn.  Er valt veel over dit boek te zeggen. In de eerste plaats; lees het! Raadpleeg dan wel de onderstaande bijsluiter[2].

Scores op competentieschalen van ervaren en onervaren ondernemers
Scores op competentieschalen van ervaren (blauw) en startende (rood) ondernemers

Ik geneer me als wetenschapper voor een onbedoelde consequentie van dit boek. Dat is de vergelijking tussen de geportretteerde ondernemers met startende ondernemers. De auteur heeft – als lector business entrepreneurship – terecht gezocht naar een wetenschappelijk kader voor de gesprekken met ondernemers. Daarvoor heeft hij aan alle geïnterviewde ondernemers gevraagd de E-scan van Driessen en Zwart in te vullen, en wel dezelfde versie die ook voor startende ondernemers wordt gebruikt. Invullen van deze scan resulteert in een score op tien voor ondernemerschap relevante competenties. Uit het nevenstaande overzicht blijkt dat de scores elkaar niet veel ontlopen.

De auteur had de vergelijking tussen ervaren en startende ondernemers beter niet kunnen maken. Zij is methodologisch onjuist. Je mag personen die zichzelf beoordelen alleen met elkaar vergelijken, als je weet dat zij ongeveer hetzelfde referentiekader hebben. Dat weet je overigens zelden en daarom is het gebruik van schalen, ook al zijn ze gevalideerd, tricky.

Als je aan een ervaren en aan een startende ondernemer vraagt hoe zij in risicovolle situaties handelen dan weet je zeker dat ze die situaties geheel verschillend beoordelen. Dat geldt ook bij elk van de andere competenties. Vergelijk het maar met het stellen van de vraag of er een Elfstedentocht gehouden kan worden aan een overenthousiaste jonge schaatser of aan een Friese ijsmeester.

Ik heb in verschillende fasen van mijn leven deelgenomen aan competentietests. Ik merkte dat ik ernaar tendeerde mezelf steeds lager in te schalen. Met ervaring neemt het aantal nuances binnen je referentiekader toe. Ervaring leidt ook tot het besef dat competenties vaak polair van aard zijn: tegenover risicobereidheid staat verantwoordelijkheid, tegenover flexibiliteit staat vasthoudendheid. Hoe meer je je van dergelijke spanningsvelden bewust wordt, hoe meer je neigt naar het midden. Tenminste, als je generieke antwoorden moet geven. In concrete gevallen waarvan je de context kent, tendeer je vaker naar een van de polen: Je kent de omstandigheden die het verschil maken tussen aanvaardbaar risico en roekeloos handelen.

Competent gedrag is met andere woorden context-specifiek. Hoe ervarener je als ondernemer bent, hoe beter je de context kunt ‘lezen’ en hoe groter de kans is dat je een goede keuze maakt. En dat gaat nog vaak genoeg fout. Ook geluk speelt een belangrijke rol.

Met mijn commentaar wil ik vooral wijzen op de grenzen van het gebruik van kwantitatieve methoden bij onderzoek als dit. De rijkdom van 25 ondernemerslevens wordt samengeperst in tien of zelfs één samengestelde score.

Ik zou hebben gekozen voor een kwalitatieve analyse van de interviews. Ik had dan uit elk gesprek een aantal kritieke succes- en faalfactoren gehaald en – indien mogelijk – daarbij ook de context vermeld[3]. Vervolgens had ik deze factoren gegroepeerd en bekeken of zij paarsgewijs polen zijn van één dimensie. Om dit mogelijk te maken is informatie over de context van belang: In de ene situatie is een acquisitie een aanvaardbaar risico; in de andere een onverantwoorde daad. Tenslotte had ik gekeken naar overeenkomsten en verschillen tussen ondernemers. Ik hoopte dan dat ik bij vergelijkbare context meer overeenkomsten dan verschillen zou vinden. Hiermee had ik een profielschets van de ervaren ondernemer kunnen maken.

De betrokken ondernemers
De betrokken ondernemers

Kwantitatief onderzoek lijkt nog steeds een hoger aanzien te hebben dan kwalitatief onderzoek. Het wordt daarom te pas en te onpas gebruikt. In dit geval levert het geen inzicht in de levensgrote verschillen tussen startende en ervaren ondernemers.


[1] Uitgave Fontys Hogescholen in samenwerking met Brabants-Zeeuwse Werkgeversvereniging, Eindhoven 2013 ISBN 978-946226-012-2

[2] In een volgende post reflecteer ik op het begrip ondernemerschap, mede naar aanleiding van dit boek

[3] Een analyse zoals hier beschreven wordt in de praktijk uitgevoerd door enkele onafhankelijke beoordelaars, die achteraf hun resultaten vergelijken en bespreken.

Hoe langzaam mag het gaan?

Wordt CSR onderwerp van disruptieve innovatie?

Wayne Visser
Wayne Visser

Corporate Social Responsibility (CSR) heeft gefaald. Dit is althans de strekking van een artikel van Wayne Visser, oprichter en directeur van CSR International. Het artikel heet “CSR 2.0: Reinventing Corporate Social Responsibility for the 21st Century.”[1] Bedrijven spreken de laatste decennia steeds vaker uit dat ze hun maatschappelijke verantwoordelijkheid serieus nemen. Gelijktijdig is echter de globale ‘ecologische footprint’ verdrievoudigd, is het aantal planten en dierensoorten met 1/3 verminderd. leven 2,5 miljard mensen beneden de absolute armoedegrens (2$ per dag), betaalt wereldwijd een op de tien personen steekpenningen om diensten geleverd te krijgen, bloeit de graaicultuur als nooit te voren en nemen binnen geïndustrialiseerde landen de tegenstellingen tussen arm en rijk sneller toe.

Bedrijven komen geregeld in het nieuws met voorbeelden van hoe goed ze met CSR bezig zijn en een aantal van deze voorbeelden is inderdaad indrukwekkend. Tempo en schaal waarop deze voorbeelden worden ontwikkeld staan echter in geen verhouding tot activiteiten van diezelfde bedrijven die niet duurzaam en verantwoordelijk zijn, de aanhoudende schaamteloze zelfverrijking van het topmanagement inbegrepen. CSR is perifeer en een deel van wat voor CSR doorgaat zijn zuivere groenwas-praktijken.

Mate van duurzaamheid van supermarktketens

Hoopgevende voorbeelden komen onder andere van bedrijven als Unilever[1], Puma[2] en ook Albert Heijn, onlangs uitgeroepen tot de meest duurzame supermarkt van Nederland[3]. Hierbij dient zich de vraag aan hoe langzaam mag het gaan. Neem Albert Heijn; het assortiment duurzame producten groeit, maar de omvang daarvan blijft ver achter bij het aantal producten waarvan dat niet het geval is. Uitgangspunt is dat de consument mag kiezen. Een ‘voorrecht’ dat kennelijk niet geldt als het om sociale verantwoordelijkheid gaat. Kleding waaraan kinderarbeid te pas is gekomen is van de schappen verbannen, althans dat wordt ons verzekerd.

Het kan ook anders: enkele jaren geleden kondigde Lee Scott, toen nog CEO van Wal-Mart aan dat er alleen nog organische katoen en MCS-gecertifieerde vis verkocht zou worden. Dit laatste doet Albert Heijn nu trouwens ook.

Doorgaan met het beleid van kleine stapjes op de weg naar CSR kan bedrijven opbreken. Er is groeiend wantrouwen tegen de kwaliteit van het voedsel in het algemeen. Steeds meer consumenten willen ‘eerlijk’ geteelde groenten en fruit en vis en vlees van dieren die fatsoenlijk zijn behandeld. Ze willen zonder schaamte kunnen winkelen en niet steeds in de verleiding komen om toch maar de goedkope kipfilet boven de dure biologische variant te kiezen

Als Albert Heijn nalaat CSR centraal te stellen in zijn bedrijfsvoering, ligt het gevaar voor disruptieve innovatie op de loer. Er hoeft maar één andere supermarktketen te zijn die als eerste de stap naar uitsluitend duurzame levensmiddelen zet. Als ik in de directeur van Jumbo was, zou ik het wel weten. Maar goed, ik ben nu eenmaal klant bij Albert Heijn en daarom dit gratis advies: Kondig aan dat het huismerk vanaf Kerstmis 2015 alleen nog maar eerlijke producten omvat en werk daarna alle producten de deur uit die niet aan de daarvoor geldende normen voldoen. Dit is uiteraard een majeure actie die vergaande consequenties heeft voor de supply chain omdat er geen schijn van groenwassen mag zijn. Ook forse prijsverhogingen zijn uit den boze. Laat dit beleid niet gaan ten koste van de boeren, tuinders en vissers, maar doe het mét ze.

Uiteraard gaat het bij CSR om méér dan alleen eerlijke producten. Er horen ook goede arbeidsverhoudingen bij, beperking van de inkomstenverschillen, diversiteitsbeleid et cetera.

First mover advantage
First mover advantage

Deze post gaat niet over Albert Heijn in de eerste plaats. Het hele bedrijfsleven moet zich realiseren dat de traagheid en kleinschaligheid van de invoering van CSR niet kan voortduren. Misschien houdt de aarde het nog wel even vol, maar een snel groeiende groep van bewoners wil ándere banken, ándere winkels en ándere bedrijven en gewoon eerlijk en gezond voedsel. Het bedrijf dat dit als eerste begrijpt en oprecht toepast zal een gigantisch ‘first mover’ voordeel hebben. Trouwens, als we er in Nederland in slagen een ‘Nieuw Rijnlandse Model’ te implementeren, hebben we op het gebied van innovatie wereldwijd eveneens een ‘first mover’ voordeel. Een succes dat we goed kunnen gebruiken.

 


[1] http://goo.gl/f6iyTK Op de inhoud van CSR 2.0 kom ik binnenkort terug

[2] Bijvoorbeeld het Sustainable Living plan en de samenwerking met Unicef

[3] Dit bedrijf hanteert een system van full cost accounting om alle externe kosten zichtbaar te maken

[4] Dit vanwege de omvang van het assortiment van ‘duurzame’ producten en de activiteiten gericht op verbetering van de werkomstandigheden van boeren in ontwikkelingslanden (zie: http://goo.gl/CHECBm)

Zonder sociaal kapitaal geen ontwikkeling

Er waren tijden dat overheden achtergebleven gebieden tot ontwikkeling wilden brengen door forse investeringen. Deze investeringen herken je aan verrassend rustige snelwegen, beangstigend lege industriegebieden in afgelegen gebieden en veel te grote winkelcentra. Kortom, het rendement van deze investeringen was laag.

Bij wijze van contract: in sommige regio’s bloeien de bedrijven en er lijken ‘als vanzelf’ nieuwe bij te komen. In tijden van tegenspoed werken de gevestigde bedrijven samen aan de oplossing van de problemen. Emilia Romagna in Noord-Oost Italië is een voorbeeld van zo’n regio. Wat maakt het verschil? Dit gebied kent een eeuwenoude geschiedenis van zelfstandig ondernemerschap, solidariteit, hechte samenwerking tussen afzonderlijke bedrijven en ondersteunende familiebanden. Het heet dan dat door de eeuwen heen een grote hoeveelheid sociaal kapitaal is opgebouwd: “a set of all relationships (market, power, cooperation) between firms, institutions and people that stem of strong sense of belonging and highly developed capacity of cooperation.” Een gebied met veel social kapitaal is in staat voorkomende problemen zelf op te lossen.

trust1

In dit opzicht is er bijna geen grotere tegenstelling mogelijk met Zuid-Italië. Vanwege de invloed van de maffia zijn sociale instituties zwak ontwikkeld en heerst angst en wantrouwen. De voorraad aan sociaal kapitaal is klein. Vestiging van nieuwe bedrijven en samenwerking tussen bedrijven zijn vrijwel onmogelijk, ongeacht de aanwezige ‘resources’.

In zulke gevallen lijkt weinig te kunnen doen: investeringen leveren weinig op. Wat wel helpt kost veel minder geld: ontwikkeling in onderwijs, inclusief ‘ouderwets’ ambachtsonderwijs, de zorg voor de veiligheid en basale voorzieningen in de infrastructuur gericht op de interne ontsluiting van het gebied. De overheid kan via een regionaal ontwikkelingsbureau lokale initiatieven ondersteunen gericht op de exploratie en exploitatie van regionale hulpbronnen. Ondersteunen van nieuwe bedrijven en tewerkstelling hierin van jongeren kan emigratie verminderen. Hierbij valt te denken aan (biologische) landbouw, kleine nijverheid en toerisme. Al deze investeringen hebben eerder tot doel dat bewoners meer gaan samenwerken en dat de ontwikkeling van sociaal kapitaal wordt gestimuleerd dan dat de economische groei onmiddellijk aantrekt. Pas als er voldoende sociaal kapitaal is, komt economische ontwikkeling binnen bereik.

Een heel ander voorbeeld, waar bij sociaal kapitaal ook een rol speelt zijn de oude industriële regio’s. Hier vond aan het einde van de 19de eeuw grootschalige industrialisatie plaats die honderd jaar later abrupt tot een einde kwam. De meeste van deze gebieden kennen een zwakke economische structuur, een arme bevolking, een betrekkelijk lage scholingsgraad en een beperkte koopkracht. Een voorbeeld is de oostelijke mijnstreek in Limburg. De vestiging van rijksdiensten in de jaren ’80 is bij lange na niet voldoende geweest om voor hernieuwde vitaliteit te zorgen. Ook hier geldt dat externe investeringen weinig rendement hebben als ze niet aansluiten bij reeds aanwezig potentieel, samenwerking bevorderen en de bevolking zijn trots teruggeven. In de oostelijke mijnstreek kan dit gebeuren door versterking van de dienstverlening en door uitbouw van de fijnmechanische industrie, mede gericht op de behoeften van Chemelot en de regio Aachen.

Wat voor Zuid Italië en Zuid Limburg geldt voor tal van andere gebieden: stem ontwikkelingsimpulsen van buiten af op het aanwezige potentieel in de regio en leg sterk de nadruk op de ontwikkeling of de versterking van sociaal kapitaal.

 

 

Van consuminderen naar consubeteren

De huidige stagnatie van de detailhandelsomzet roept gemengde reacties op. Voor de economische crisis steeg de afzet van consumptiegoederen jaarlijks met enkele procenten. Lang niet iedereen was daar blij mee wat leidde tot de vergeefse oproep tot ‘consuminderen’. Nu consuminderen opeens een ongekend succes is, zijn er nieuwe zorgen. Onze economie is gebouwd op het principe dat huishoudens een bepaalde hoeveelheid middelen ontvangen en deze ook weer uitgeven.  Op dit moment stagneren de inkomsten voor een deel van de bevolking, maar vrijwel iedereen geeft minder uit. Dit draagt ertoe bij dat de Nederlandse huishoudens samen ruim 300 miljard aan slecht renderende spaarcenten hebben. Het geld rolt langzamer en de gevolgen daarvan voor de economie zijn alom bekend. Om deze te verzachten zouden er economisch gezien twee dingen kunnen gebeuren:

De eerste actie is  sparen ontmoedigen, bijvoorbeeld door een heffing op spaartegoeden boven – pakweg – 50.000 euro per huishouden en terugpompen in de economie van de aldus verkregen inkomsten. Het gevolg van deze extra bestedingsimpuls is dat er vele tienduizenden banen bijkomen, dat de Btw-inkomsten van de overheid fors toenemen en dat bezuinigingen op de overheidsuitgaven minder noodzakelijk zijn.

De tweede actie is burgers aan te zetten tot extra bestedingen. Maar hier begint de schoen te wringen, immers een van de oorzaken van de stagnerende uitgaven is dat modaal plus langzaam maar zeker verzadigd is. Eigenlijk is het goed is dat de kooplust zich niet uit in de aanschaf van overbodige goederen.

Dia12Toch zijn er mogelijkheden om de consumptieve uitgaven te vergroten, natuur en milieu niet verder te belasten en de kwaliteit van het leven te verbeteren. Kern is om meer producten aan te bieden als diensten. Drie voorbeelden.

Eén voorbeeld kent iedereen, het leasen van auto’s. Je koopt dan geen auto maar de dienst ‘gebruik maken van een auto’. Dit is eigenlijk een slecht voorbeeld, omdat gebruikers van leaseauto’s veel meer kilometers maken dan strikt nodig is en ook in alle gevallen waar het openbaar vervoer en prima alternatief is, het gebruik van de lease auto goedkoper is. Een constructie waarbij de dienst ‘vervoer’ wordt aangeboden die alle vormen van zich verplaatsen omvat zou in dit verband ideaal zijn. Ik haal dan met dezelfde kaart waarmee ik in de trein stap op loopafstand van vijf minuten van mijn huis mijn deel-auto op.

Het tweede voorbeeld is van heel andere aard. Het oppervlak aan vaste vloerbedekking wereldwijd komt aardig in de buurt van de omvang van het tropisch regenwoud. Het produceren, leggen en na gemiddeld zeven jaar afvoeren van dit tapijt is sterk milieuvervuilend. Het is geen probleem om vloerbedekking te maken die 100% herbruikbaar; maar het is wel een probleem om ervoor te zorgen dat dit aan het einde van de levenscyclus ook gebeurt. Vandaar dat in de VS een keten van fabrikanten en leveranciers de dienst woonconfort verkoopt in plaats van het product vloerbedekking. Je betaalt elk jaar een bepaald bedrag en eens in de zo veel jaar mag je vernieuwen en wordt de oude vloerbedekking vakkundig afgevoerd met oog op hergebruik van alle componenten.

Een derde voorbeeld: Een PC is zo gekocht, maar dan begint de ellende. Ik ben als ervaren computergebruiker jaarlijks veel tijd kwijt aan de oplossing van de meest uiteenlopende problemen. De dienst ‘computergebruik’ zou voor velen een oplossing zijn. Deze houdt in dat een bedrijf bij je thuis de computer neerzet– niet noodzakelijk en nieuwe – en het onbezorgde gebruik daarvan garandeert. Dit houdt onder andere in dat de computer in geval van een defect onmiddellijk wordt vervangen en er een perfect toegankelijk servicecentrum is dat de werking van elk apparaat volledig kan monitoren. Ook hier betaalt de gebruiker per maand een vast bedrag.

Van product naar dienstConsubeteren draagt bij aan de kwaliteit van het leven en de milieubelasting wordt teruggedrongen. In elk van de drie voorbeelden worden niet meer producten verkocht maar wel meer inkomsten gegenereerd met alle macro-economische effecten dan dien. Toch een mooi vooruitzicht.