NEOM: Het begin van een Saoedi-Arabische lente?

De Saoedi-Arabische kroonprins Salman bin Salman heeft de ontwikkeling van een reusachtige smart city aangekondigd. Grote groepen wetenschappers en ondernemers uit de rest van de wereld zouden zich hier moeten vestigen. Het land zelf zal een culturele wending doormaken die hier de voorwaarden voor schept

screenshotTijdens een recente bijeenkomst in Riyad, kondigde de 32-jarige kroonprins van Saoedi-Arabië, Mohammed bin Salman, de bouw aan van NEOM aan, een smart city. De omvang zal 25.000 km2 worden, dat is 30 keer het oppervlak als New York. De benodigde investering – $ 500 miljard – zal worden gefinancierd door de verkoop van 5% van de aandelen van het nationale oliebedrijf Aramco. Klaus Kleinfeld, voormalig CEO van Siemens AG en Alcoa Inc. zal het project leiden. Overigens is een eerdere poging om een nieuwe wereldstad te bouwen in Saoudi-Arabië op niets uitgelopen[1].

De stad NEOM is bedoeld om de afhankelijkheid van olie te verminderen. De verwachting is bovendien dat meer lokale investeringsmogelijkheden kapitaalvlucht zullen doen afnemen. Tegelijkertijd wijst het plan op mogelijke fundamentele veranderingen in de Saoedi-Arabische samenleving. Daarover aanstonds meer.

Impuls voor de economie

De nieuwe stad zal uitsluitend gebruik maken van hernieuwbare energie, geavanceerde energieopslag toepassen en in de eigen waterbehoefte voorzien. De nadruk zal liggen op biotechnologie, voedseltechnologie, maakindustrie, creatieve industrie en de ontwikkeling van digital content. Er zullen verschillende universiteiten komen, met een focus op kunstmatige intelligentie en ICT. De bijdrage aan het bruto nationaal product van het Koninkrijk zal naar verwachting in 2030 minstens $ 100 miljard bedragen.

Smart city

NEOM zal CO2-neutraal zijn. Autonome auto’s en elektrische bussen verzorgen het personentransport. Ook zal de stad functioneren als een laboratorium voor innovatieve bouwtechnieken en materialen. Internet is gratis, andere vormen van connectiviteit zijn state-of-the-art. Stedelijke functies worden gemengd, zodat een deel van de bewoners lopend zijn bestemming kan bereiken. Zo draagt de stad eveneens bij aan een ​​gezondere levensstijl. Overheidsdiensten zullen volledig geautomatiseerd zijn en gemakkelijk toegankelijk zijn voor alle bewoners.

61DE4A3C-EFE3-4602-8267-8CC03AA5EE17

Leefbare stad

De stad ligt in een rijke natuurlijke omgeving met een kustlijn van 450 km. Midden in de stad zal een enorm park worden aangelegd. In alle aspecten staat de mens centraal, aldus het planningsdocument, dat ik hierna verder parafraseer. Het culturele leven, de gezondheidszorg en de onderwijsinstellingen zullen zich kunnen meten aan de beste van de wereld. De stad kent moderne architectuur, diversiteit, groene ruimte, welvaart, hoge kwaliteit van leven, veiligheid en technologie in dienst van de bewoners. De multiculturele stad heeft een levensstijl vergelijkbaar met die van andere wereldsteden. Hierdoor zal zij de beste wetenschappers en ondernemers van de wereld aantrekken, vooral jongere.

Autonome status

NEOM krijgt de status van een autonome economische zone en kan haar eigen wetten maken, uitgezonderd aangelegenheden met betrekking tot soevereiniteit. Dankzij deze status kan de stad zich in vrijheid ontwikkelen en kan de industrie goederen en diensten produceren en leveren tegen globaal concurrerende prijzen. Dit is hard nodig want op het punt van zaken doen met het buitenland is Saoedi-Arabië een van de minst toegankelijke landen.[2]

Een culturele wending

Bij de presentatie van de plannen zei kroonprins Mohammed bin Salman: This project is not a place for any conventional investor … This is a place for dreamers who want to do something in the world…[3] Hij voegde hieraan toe dat de jonge bewoners van Saoedi-Arabië en een gematigde Islam de sleutels zijn tot de modernisering van het land: We are only going back to how we were: to the tolerant, moderate Islam that is open to the world, to all the religions and traditions of its people.[4]

In het voorafgaande verwijzen enkele cursief gedrukte passages al naar culturele veranderingen die Saoedi-Arabië mogelijk te wachten staan, niet in de laatste plaats de woorden van de kroonprins zelf. De video die een onderdeel is van de presentatie van de plannen[5] is hier nog explicieter in. Ik raad aan daar nu even naar te kijken.

Je ziet een modern land, meisjes die ballet dansen, jonge mannen en vrouwen die samenwerken, lachen en feesten, meestal ongesluierd[6]. De kroonprins zal begrepen hebben dat een dergelijke culturele verandering alleen maar kan als NEOM een autonome status heeft, maar het is duidelijk dat hij wil dat de stad een ​​rolmodel is voor het land als geheel.

De realisering van de infrastructuur van NEOM, het aantrekken van nieuwe industrieën en van bekwame wetenschappers en ondernemers, zal een enorme operatie zijn. Rekening houdend met de beschikbaarheid van financiële middelen en de macht van bin Salman, heeft het project zeker kans van slagen. Het zal echter tijd kosten. Gevraagd naar het aantal bewoners van NEOM, zei bin Salman – terecht – dat de bevolking organisch moet groeien. Maar hetzelfde geldt ook voor de stad als geheel, waardoor een schatting van haar bijdrage aan het Saoedi-Arabisch nationaal product onmogelijk is.

saudi-economy-oil-energy-investments_21272928De culturele wending zal nog moeilijker zijn, al is deze een noodzakelijke voorwaarde voor het welslagen van het project. De intentie van bin Salman om het land te liberaliseren, inclusief de islam, wordt gesteund door de jongere generatie, vrouwen in de eerste plaats. Het breken van de weerstand binnen de elite is van een andere orde. Nadat ik voor het eerst over de ontwikkeling van NEOM geschreven had, kwam Mohammed bin Salman opnieuw in het nieuws met zijn campagne tegen corruptie (en tegen zijn tegenstanders). Honderden zijn inmiddels gearresteerd en bevinden zich in een – zij het uiterst luxe – gevangenis.

Bij de realisering van zijn plannen kan bin Salman het voorbeeld nemen aan de almachtige en populaire leider van de communistische partij van China Xi Jinping. Xi staat echter op de schouders van machtige voorgangers zoals Deng Xiaoping en hoeft geen rekening te houden met conservatieve religieuze leiders[7].

Nog belangrijker dan de vraag of NEOM daadwerkelijk zal uitgroeien tot een ‘smart city’ is de vraag of de stad dan ook een katalysator wordt van culturele en sociale verandering in Saoedi-Arabië en wellicht ook elders in de Arabische wereld. Mohammed bin Salman is zich van de enormiteit van zijn missie bewust als hij zegt: This is a double-edged sword. If they (young Saudis) work and go the right way, with all their force, they will create another country, something completely different … and if they go the wrong direction it will be the destruction of this country[8].

[1] https://www.citylab.com/design/2017/11/saudi-arabias-latest-planned-city-costs-500-billion-and-is-insanely-huge/544748/

[2] https://www.bloomberg.com/news/articles/2017-10-24/saudi-arabia-s-neom-oasis-or-sand-castle

[3] http://www.reuters.com/article/us-saudi-economy/saudi-arabia-seeks-new-economy-with-500-billion-business-zone-with-jordan-egypt-idUSKBN1CS2PL?il=0

[4] Bradley Hope , Margherita Stancati and Nicolas Parasie: Saudi Prince Pushes Greater Tolerance, Unveils Development Project. Wall Street Journal October 24, 2017: https://www.wsj.com/articles/saudi-prince-pushes-greater-tolerance-unveils-development-project-1508870120?mod=Evernote_wsj

[5] http://discoverneom.com

[6] In een interview gaf hij overigens aan tegen het gebruik van alcohol te blijven: https://www.bloomberg.com/graphics/2017-neom-saudi-mega-city/

[7] Deze verwijzing naar China is niet toevallig. Een van mijn volgende blogposts zal gaan over een andere mega nieuwe stad, Xiongan. Deze stad op 100 km afstand van Beijing is bedoeld als overloopgebied van de hoofdstad en moet de groei daarvan voor een deel overnemen en daardoor de druk op het verkeer, de luchtkwaliteit en de beschikbare huisvesting in de hoofdstad verminderen. De stad valt in het niet bij NEOM; ze is ‘maar’ drie maal zo groot als New York, en de investering zal liggen om en nabij de $250 miljard.

[8] http://www.reuters.com/article/us-saudi-economy/saudi-arabia-seeks-new-economy-with-500-billion-business-zone-with-jordan-egypt-idUSKBN1CS2PL?il=0

Bedrijfsleven en milieu: een moeizame relatie

Financieel gewin is de belangrijkste reden van bedrijven om beleid op gebied van duurzaamheid te ontwikkelen

Duurzaamheid - smelten ijskapBij het realiseren van de Parijse klimaatsdoelen kunnen bedrijven een sleutelrol spelen. Sommige grote ondernemingen zijn hiervan doordrongen en handelen navenant. Dat daarbij altijd verwezen wordt naar Unilever met ceo Paul Polman en Patagonia met ceo Yvon Chouinard geeft te denken[1]. De vraag dringt zich dan ook op hoe het met andere bedrijven zit.

Dankzij een 8 jaar durend onderzoek onder 60.000 leidinggevenden door MIT Sloan Management Review in samenwerking met de Boston Consulting group is het antwoord op deze vraag een stuk duidelijker geworden[2].

Onderzocht is welke omstandigheden bevorderlijk zijn voor duurzaamheid in bedrijven.

  1. De aanwezigheid van een expliciete strategie met betrekking tot duurzaamheid

60% van de bedrijven heeft het strategisch belang van duurzaamheid geformuleerd. De chemie en de energiesector lopen daarbij voorop. Een goed voorbeeld is BASF. Dit bedrijf heeft kansen en bedreigingen op het gebied van daarzaamheid onderzocht voor zijn hele product-portfolio. Producten met een relatief hoge milieubelasting worden opnieuw ontwikkeld.

screenshot 5

Australië, Europa en Zuid Amerika hebben de meeste bedrijven met een duurzamheids-strategie. Noord Amerika de minste. Hoe groter het bedrijf, hoe groter de kans op de aanwezigheid van zo’n strategie. Echter van de 15 grootste bedrijven ter wereld, samen berantwoordelijk voor 10% van alle broeikasgassen, hebben er maar enkele een expliciet strategisch plan om de uitstoot te verminderen[4].

Wereldwijd hebben 9000 bedrijven het UN Global Compact onderschreven om het belang van duurzaamheid te onderstrepen. Van alle grote bedrijven volgt 74% de richtlijnen van het Global Reporting Initiative om over prestaties op gebied van duurzaamheid te rapporteren.

  1. Rechtstreekse koppeling van een duurzaamheidsstrategie aan het primaire proces

Veel bedrijven vertalen een duurzaamheidsvisie in filantropische activiteiten, bijvoorbeeld sponsoring van natuur- en milieuorganisaties. Vooral bedrijven die duurzaamheid consequent doorvertalen naar het primaire proces rapporteren positieve effecten op omzet en winst. Patagonia heeft in de periode 2008 – 2015 een jaarlijkse omzetgroei van 14% gekend en over de totale periode een winststijging van 300%.

  1. Doelen op het gebied van duurzaamheid op dezelfde wijze formuleren andere doelstellingen (key performance indicators)

Doelen op het gebied van duurzaamheid gelijk stellen aan andere ‘targets’ is een goed middel om middenmanagement mee te krijgen. Slechts 31% van alle middenmanagers kende de duurzaamheidsdoelen van het bedrijf. Unilever dat duurzaamheidsdoelen al decennia heeft geïncorporeerd, geldt als het grote voorbeeld, Maar het aantal navolgers is vooralsnog gering.

  1. Doelen op het gebied van duurzaamheid laten doorklinken in alle facetten van het business model

Bijna de helft van alle bedrijven heeft het business model vernieuwd als gevolg van activiteiten op gebied van duurzaamheid. Zij zien de grootste kansen op het gebied van verhoging van de doelmatigheid binnen de supply-chain en het gebruik van duurzame energie.

screenshot 3

  1. Ontwikkelen van een heldere business case

Slechts 25% van alle bedrijven heeft de duurzaamheidstratgie doorgerekend in business cases. Timberland (schoenen en kleding) heeft een green index ontwikkeld die de impact van alle producten op klimaat en grondstoffen (inclusief chemicaliën) zichtbaar maakt. Deze gegevens worden gerelateerd aan de prijs van artikelen en hun marge. Andere bedrijven, bijvoorbeeld Hilton hebben de implicaties van een duurzame bedrijfsvoering op de prijsstelling berekend en doen onderzoek naar de bereidheid van gasten om hieraan mee te betalen.

  1. Steun vanuit de Raad van Bestuur

Uit het onderzoek blijkt dat bijna de helft van alle CEO’s betrokken is de ontwikkeling van een beleid op het gebied van duurzaamheid, maar dat nog geen derde van de raden van bestuur een helder overzicht heeft daarvan.

Het grootste probleem is short termism: De leiding van de meeste bedrijven laat het oor hangen naar de wensen van aandeelhouders en investeerders. Deze willen doorgaans een zo hoog mogelijke waarde voor de aandeelhouders op zo kort mogelijke termijn[5].

Het Zweedse bedrijf Atlas Copco heeft een business code geformuleerd waarin staat dat er een significante relatie is tussen doelstellingen van het bedrijf en het welzijn van alle stakeholders.

  1. Aandeelhouders overtuigen van de kansen van duurzaamheid voor waarde-creatie

75% van leidinggevenden denkt dat overwegingen mbt duurzaamheid een rol kunnen spelen bij investeringsbeslissingen en dat 60% van de investeerders daar oor naar heeft. Maar in de praktijk nemen overwegingen op het gebied van duurzaamheid maar in 20% van alle gevallen deel uit van het overleg met investeerders

screenshot 2

  1. Samenwerken met uiteenlopende stakeholders

De meeste leidinggevenden zijn het erover eens dat steun vanuit vakbonden, consumentenorganisaties en overheden helpt bij de implementatie van een strategie op het gebied van duurzaamheid. In minder dan de helft van alle bedrijven wordt zo’n samenwerking actief opgezocht.

Volgens de auteurs van het rapport bevindt corporate sustainability zich op een kritiek punt. De realisering van de doelstellingen van het Bruntlandrapport (Our Common Future) moet grotendeels nog plaatsvinden en de urgentie daarvan wordt steeds groter. Dit vergt een actieve rol van bedrijfsleven. De meeste bedrijven vinden het echter in de eerste plaats een overheidstaak.

De meeste bedrijven en investeerders die doelen op het gebied van duurzaamheid omarmen doen dat vanwege hun bijdrage aan de winstgevendheid.

Het is evident dat het gebruik van duurzame energiebronnen op korte termijn tot belangrijke besparingen kan leiden; het zelfde geldt voor het hergebruik van veel grondstoffen.

Voor slechts een minderheid van de bedrijven is duurzaamheid een doel ook als dit op korte termijn géén extra rendement oplevert.

Pas als bedrijven werk maken van hun maatschappelijke taak (‘purpose’) en kapitaalverschaffers opnieuw oog krijgen voor het langetermijnperspectief kan er sprake zijn van een ‘duurzame’ relatie tussen bedrijfsleven en milieu.

Duurzaamheid - carbon pollution_1

[1] Beide waren betrokken bij het schrijven van het rapport Better Business, Better World onder auspiciën van de Business and Sustainable Development Commission, opgericht tijdens de WEF-bijeenkomst in Davos in 2016. Deze wil de actieve betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de bestrijding van blobal warming vergroten.

[2] D. Kiron, G. Unruh, N. Kruschwitz, M. Reeves, H. Rubel, and A.M. zum Felde, “Corporate Sustainability ata Crossroads: Progress Toward Our Common Future in Uncertain Times,” MIT Sloan Management Review,May 2017.

[4] https://www.duurzaam-ondernemen.nl/top-250-firms-emit-third-co2-few-have-strong-goals-to-cut-study/

[5] Uit een recente blogpost blijkt dat er redenen zijn om aan te nemen dat aandeelhouders en financiers hun streven naar winstgevendgeid van bedrijven op de korte termijn alleen maar aanscherpen: https://wp.me/p32hqY-1hW

 

Zelfsturende auto’s boeien niet. Autonome auto’s des te meer

De zelfsturende auto is vooral een gadget. Maar als auto’s autonoom kunnen rijden staan ons ingrijpende veranderingen in mobiliteit en ruimtelijke ordening te wachten.

Unknown

In de verkoop van elektrische auto’s zit weinig schot. Begrijpelijk. Wie geen ton wil neerleggen komt niet eens zonder tussentijds op te laden vanuit Amsterdam in Maastricht. Een paar jaar wachten loont; de capaciteit van de accu’s zal dan wezenlijk groter zijn en de oplaadtijd significant lager. Wie vooral aan het milieu denkt, moet langer wachten. Voordat je er zeker van kunt zijn dat alle openbare laadpalen groene stroom leveren, zijn we minstens 10 jaar verder. Maar de echte verandering – een vervoerssysteem gebaseerd op autonome auto’s – kan makkelijk tot halverwege de eeuw op zich laten wachten. Maar de impact zal groot zijn. Hieronder zet ik de verschillende verandering in verkeer en vervoer op een rijtje[1].

Auto’s: rijdende computers

De afgelopen jaren is de hoeveelheid elektronica in auto’s drastisch toegenomen. Eerst katalysatoren, daarna ATB en andere systemen die auto’s op koers houden en niet te vergeten navigatie. Automatisch parkeren was het begin van een reeks technische hulpmiddelen die de basis legden voor de zelfrijdende auto. Technisch kom je er een eind mee, maar de bestuurder blijft in control. Overigens blijkt de ‘king of the road’ er niet veel voor te voelen om voor joker achter een stuurwiel te zitten[2].

Het is nog lang niet zover dat zelfsturende auto’s veilig autonoom kunnen rijden, dus zonder dat er zelfs nog plaats is voor een bestuurder. Voor het zover is zal de communicatie met de omgeving (gebouwen, andere auto’s, fietsen, voetgangers, dieren en objecten) aanzienlijk moeten verbeteren. Hiervoor is navigatie nodig die tot op de meter nauwkeurig is mede gevoed wordt met ‘real time’ informatie. Verder dienen sensoren, camera’s en radar elkaar naadloos aan te vullen. Het kan makkelijk nog decennia duren voordat fabrikanten voor de volle 100% instaan voor de veiligheid van hun autonome auto’s.

Mobiliteit als dienst

De laatste jaren wordt ‘Mobility as a service (MaaS)’ sterk gepropageerd. In plaats van een auto koop je dan een pakket aan vervoersdiensten. De markt wordt hier langzaam rijp voor: De auto als statussymbool is op zijn retour, al blijft het autobezit per huishouden nog onverminderd hoog. Het zijn vaak tweede auto’s die worden ingewisseld voor een deel-auto. Ook het delen van auto’s met een of meer buren neemt toe. De automobielindustrie doet er overigens alles aan om de aanschaf van auto’s aantrekkelijk te maken, bijvoorbeeld via het private leaseconcept.

Belangrijker is dat werkgevers – de overheid voorop – ‘passend vervoer’-constructies aanbieden, waarbij met één kaart een taxi gebruikt kan worden, een deel-auto beschikbaar is of met het openbaar vervoer kan worden gereisd. Het aantal personen dat op een of andere manier gebruikt maakt van ‘mobility as a service’ groeit op dit moment met ruim 20% per jaar, al blijft het absoluut gezien nog om een kleine groep gaan.

Zero emissie

Elektrische auto’s zorgen nog steeds (indirect) voor een grote hoeveel broeikasgassen. De meesten rijden hoofdzakelijk op grijze stroom. Onderstaande afbeelding toont de voetafdruk van een auto die op fossiele brandstof rijdt (niet hybride) en elektrische auto’s die op grijs dan wel groen opgewekte elektriciteit rijden[3]. Daarbij is het hele productieproces van de betrokken auto’s ingecalculeerd. In essentie zorgt iemand die een elektrische auto rijdt en grijze stroom gebruikt maar(?) voor ongeveer 22% minder uitstoot van broeikasgassen dan iemand met een benzineauto.

screenshot 3

Als particulier kun je verantwoord bezig lijken door je auto ’s avond thuis te laden met groene stroom. Tegenover een groeiende afname van het groene stroomverbruik door particulieren staat een stagnatie van het groene stroomgebruik door bedrijven. Voor energiebedrijven is het dus alleen een beetje draaien aan de knoppen[4]. Cruciaal is een wezenlijke uitbreiding van de productie van groene stroom. Dit gaat nog vele jaren duren.

694Wat de ontwikkeling van emissieloos elektrisch rijden kan versnellen, is de auto die op zonnecellen rijdt. Dit type auto’s kan tevens de Nederlandse auto-industrie een boost kan geven. Nederlanders zijn namelijk erg goed in het maken van zonneauto’s. De raceauto’s op zonne-energie van de TU Delft winnen alle prijzen, maar ze hebben een broodmagere bestuurder nodig die geen last heeft van claustrofobie. Studenten van de TU Eindhoven houden zich vooral bezig met een op zonnecellen rijdende personenauto, de Stella, die eveneens geregeld in de prijzen valt. Een aantal afgestudeerden heeft een bedrijf opgericht, Atlas technologies, dat de komende jaren een beperkt aantal exemplaren zal maken van een topmodel, de Lightyear en van plan is vervolgens een middenklasser op de markt te brengen. Deze auto’s hebben een accu die nog slechts zelden opgeladen hoeft te worden. Van de Lightyear One (€ 119,000 excl. btw) is al een aantal exemplaren verkocht.

Hierboven een promotiefilmpje van de Lightyear One, de zonneauto die op de autobeurs van Frankfurt onthuld gaat worden.

De vervoersrevolutie

Wie doordenkt over de mogelijkheden van autonoom rijdende auto’s, ziet bijna vanzelf een drastische verandering van verkeer en vervoer en van de hele ruimtelijke ordening aankomen. Het is immers volstrekt onlogisch om zelf permanent een of meer eigen auto’s voor de deur te hebben staan, als een auto op afroep binnen enkele minuten voor komt rijden om een door jou gewenste rit te maken.

Snelle berekeningen wijzen uit dat het aantal voor het personenvervoer benodigde auto’s met een factor 20(!) kan dalen, gegeven het mobiliteitspatroon van nu. Maar niemand weet hoe de vraag naar mobiliteit zal veranderen: Zal er ook nog sprake zijn van openbaar vervoer en hoe ziet dat uit? Vermoedelijk zal snel massatransport in en tussen steden deze eeuw nog wel blijven bestaan en wellicht steeds sneller worden (hyperloop).

Waar je niet aan wil denken is dat buiten de spits de meer dan de helft van de vloot van autonome auto’s ergens op parkeerterreinen werkloos stil staat. Maar misschien is er geen spits meer. Wellicht werken we overwegend thuis of in kleine fysieke units met collega’s uit de buurt van waaruit we virtuele contacten onderhouden met de rest van de wereld. De bouwers van de hoofdkantoren van hedendaagse ondernemingen zouden wel eens de geschiedenis in kunnen gaan als de laatste kasteelheren.

Unknown

Een andere vraag is of er naast autonome voertuigen nog gestuurde auto’s zullen zijn. Denkbaar is, dat dit op enig moment uit veiligheidsoverwegingen verboden wordt. Paarden worden immers nu ook al uit het verkeer geweerd. Ook het vrachtvervoer zal veranderen. Worden het zelfsturende karavanen van elektrische trucs (truck platooning) of gewoon containers over het spoor. Wat het vervoer binnen steden betreft, de nu al op gang zijnde ontwikkeling zal doorzetten: Aan de rand van steden komen hubs waar bulkgoederen overgeladen worden op autonome wagentjes met deels eigen routes onder de grond. Denkbaar is trouwens ook dat de op truck van Albert Heijn gewoon 20 van die vooraf beladen wagentjes staan en dat die aan de rand van de stad losgelaten worden.

Sidewalk Labs - Sustainability VisionVoor de automotive industrie zijn het op het ogenblik onzekere tijden. Vrijwel alle fabrikanten zetten in op elektrisch rijden en ze investeren terecht grote sommen in vergroting van de batterijcapaciteit. Grote aarzeling is er nog of op elektriciteit of op waterstof moet worden ingezet en daarnaast begrijpen ze ook dat met de komst van de autonome auto de verkoop van auto’s drastisch zal dalen en er naar nieuwe business modellen moet worden gezocht. Troost is dat het de komende jaren niet zo’n vaart zal lopen en dat er nog heel veel te verdienen aan mensen – zoals ik – die een emissieloze auto willen kopen, zodra de actieradium groot genoeg is en de oplaattijd acceptabel is.

[1] Het was al langer mijn bedoeling om te schrijven over de ontwikkeling van verkeer en vervoer. Extra inspiratie daarvoor heb ik opgedaan tijdens de Innotep (Innovatie in theorie en praktijk) bijeenkomst op 29 september in Nijmegen waar een achttal sprekers onder leiding van mijn collega prof. Ben Dankbaar een reeks veranderingen in de automobiliteit belichtten.

[2] Uit recent onderzoek van Connecting Mobility blijkt dat de meeste automobilisten systemen die ervoor zorgen dat auto’s steeds meer zelf kunnen rijden maar bovenal gevaarlijke situaties tijdig herkennen en daarin kunnen ingrijpen, niet gebruiken, ook al zijn ze beschikbaar. Het gaat onder andere om Lane Departure Warning, Emergency Brake of Adaptive Cruise Control https://goo.gl/F2wH2v

[3] De afbeelding is ontleend aan een bijzonder helder artikel van çorrespondent’ Thalia Verkade: Waarom de elektrische auto nu al groener rijdt. Dit artikel is mede gebaseerd op berekeningen van TNO: https://decorrespondent.nl/6601/waarom-de-elektrische-auto-nu-al-groener-rijdt-maar-er-betere-argumenten-zijn-om-over-te-stappen/694075842075-4e3a4cf5

[4] Zie Volkskracht-artikel over de illusie van ‘groene stroom’. https://goo.gl/6Bjpcj

Zelforganisatie en –bestuur leiden tot betere prestaties

Het recente HOW-report geeft sterke aanwijzingen dat bedrijven en instellingen met zelforganisatie en -bestuur het best presteren.

screenshot 2Krachtige pleidooien voor zelforganisatie en -bestuur zijn er volop, denk maar aan Frederic Laloux, wiens boek Reinventing Organizations nu al managementboek van de eeuw wordt genoemd[1]. Er waren vooralsnog weinig gegevens die deze pleidooien cijfermatig ondersteunen. Het recente HOW report heeft hierin verandering gebracht[2]

Het HOW-report onderscheidt drie typen organisaties op basis van hun governance, cultuur en leiderschap: informed acquiescence, blind obedience en self-governance.

Ongeveer 62% van alle organisaties behoort tot het eerste type. We treffen hier doorgaans een raad van bestuur met daaronder enkele managementlagen aan. Aansturing gebeurt overwegend op basis van strategische plannen en een hieraan gerelateerd systeem van planning en control. Centraal daarin staan prestatie-indicatoren (KPI’s) en kwartaalrapportages op basis vanvan een hogere managementlaag een lagere ‘afrekent’. Medewerkers worden ‘gemotiveerd’ door financiële prikkels en bonussen.

30% van alle bedrijven en instellingen kent een bevelstructuur. Hierbij draait het om de uitvoering van (meestal gestandaardiseerde) opdrachten en niet om de levering van ‘afgesproken prestaties’.

Beide typen bedrijven en instellingen voldoen niet meer. Zij reageren veel te traag op technologische ontwikkelingen, veranderingen op de markten en ze houden onvoldoende rekening met het groeiend aandeel van hoog gekwalificeerde medewerkers. De C-suite loopt met zijn strategische plannen voortdurend achter de feiten aan.

Het antwoord is het derde type, organisaties waar medewerkers zelf in hoge mate verantwoordelijk zijn voor organisatie en bestuur. Het aandeel van dit type organisaties is toegenomen van 3% in 2012 tot 8% in 2016.

screenshot 7

Presteren bedrijven getypeerd door zelforganisatie en -bestuur ook beter?

Om deze vraag te beantwoorden is grootschalig onderzoek gedaan in bedrijven in 17 landen (waaronder Nederland, Duitsland, VS, India, Rusland, China, Japan). Daarbij is gekeken naar de prestaties van deze bedrijven en naar een aantal kenmerken op het gebied van arbeidsverhoudingen en governance.

De prestaties zijn gemeten aan de hand van onderstaande indicatoren.

Business performance

  • Groei marktaandeel
  • Groei bedrijfsresultaat
  • Klanttevredenheid

Innovatie

  • Systematische innovatie van producten en diensten
  • Externe erkenning als innovatief bedrijf
  • Bereidheid to adoptie van goede ideeën

Betrokkenheid van medewerkers

  • Loyaliteit
  • Bereidheid om inspanning te vergroten
  • Bereidheid om bedrijf aan te bevelen

Duurzaamheid

  • Duurzaamheid als onderdeel van bedrijfsstrategie
  • Commitment met samenleving en milieu
  • Reputatie

Ongewenst gedrag

  • Waargenomen wangedrag
  • Gerapporteerd wangedrag
  • Afwezigheid van pesten

Onderstaande afbeelding geeft voor elk de drie typen bedrijven de scores weer op bovenstaande indicatoren. Bedrijven met zelforganisatie en -bestuur scoren op alle indicatoren beter.

screenshot 4 kopie

Het human operating system

Maar waarom zijn de prestaties van bedrijven met zelforganisatie en –bestuur over de hele linie beter? Hiervoor is volgens het HOW rapport het human operating system verantwoordelijk. Het human operating system kan worden getypeerd door drie groepen met samen negen variabelen, de zogenaamde HOW-indices.

De HOW-indices

Karakter (Character)

De instelling van medewerkers van een organisatie ten opzichte van elkaar en de omgeving. Indices zijn:

  • Waarden, zoals respect, integriteit en nederigheid
  • Significantie, de impact op samenleving en natuur
  • Bewustzijn (consciousness), tot uitdrukking komend in empathie, compassie en zorgzaamheid

Vertrouwen (Trust)

De vanzelfsprekendheid waarmee medewerkers van een organisatie uitgaan van de bijdrage van anderen en de vrijheid men men elkaar hierbij toekent.

Gedrag (Key enabling behaviour)

Een reeks handelingsdisposities, die rechtstreeks de prestaties van de organisatie beïnvloeden, zoals:

  • Bereidheid om risico’s te nemen
  • Vieren van gezamenlijke successen en erkennen van ieders bijdrage daaraan
  • Samenwerken en hulpvaardigheid
  • Delen van informatie
  • Behoud van eigen oordeelsvermogen tegenover groepsdruk

Onderstaande figuur toont dat bedrijven met zelforganisatie en bestuur wezenlijk hoger scoren op bovenstaande indices en daarmee een superieur human operating system hebben. Uit het onderzoek kwam tevens naar voren dat bedrijven waarvan medewerkers elkaar in hoge mate vertrouwen veel innovatiever zijn.

screenshot 5 kopie

Leidinggevenden die het belang van bovenstaande indices uitdragen – karakter en vertrouwen in het bijzonder – blijken het sterkst vertegenwoordigd te zijn in bedrijven met zelfbestuur en -organisatie. Het is vermoedelijk gerechtvaardigd om te stellen dat de aanwezigheid van dit type leidinggevenden een kritieke succesfactor is voor de ontwikkeling van gedreven en ondernemende medewerkers en daarmee van dit type organisaties.

Het HOW-report bevat sterke aanwijzingen dat bedrijven die zijn gekenmerkt door zelforganisatie en –bestuur beter presteren en dat dit komt door de instelling, het vertrouwen en het gedrag van de medewerkers.

Het (consultance)bedrijf dat dit onderzoek uitvoert, LRN[3], ondersteunt al decennia bedrijven die ethische principes een centrale plaats toekennen[4]. Het bedrijf is in 1993 opgericht door Dov Seidman, een prominent voorvechter van ethisch leiderschap.

Wie meer wil weten over ethisch leiderschap zal geboeid kijken naar het bovenstaande interview met Dov Seidman (32 minuten) opgenomen tijdens het Fortune-Time Global Forum in 2016.

[1] Reinventing organizations van Frederic Laloux, Nelson Parker 2014.

[2] http://howmetrics.lrn.com/wp/wp-content/uploads/2016/05/HOW-REPORT-5-6-16.pdf Het rapport bevat tevens een methodologische verantwoording. Het woord HOW loopt als een rode draad door het rapport. De visie van de opstellers is namelijk dat de prestaties van een organbisatie niet afhangen van wat deze doet, maar hoe ze dat doet.

[3] LRN betekende oorspronkelijk Legal Research Network, maar het acroniem heeft later verschillende andere betekenissen gekregen, waaromder Legal Knowledge Company.

[4] http://lrn.com/about/people/

Jeremy Rifkin: Weg met de economische wetenschap vanwege medeplichtigheid aan uitputting hulpbronnen

De economische wetenschap heeft door groei van productie en en productiviteit als apriori’s te aanvaarden in belangrijke mate bijgedragen aan de uitputting van de grondstoffen

In een vorige blogpost besprak ik het boek De derde industriële revolutie van Jeremy Rifkin[1]. in zijn visie op de toekomst spelen hernieuwbare grondstoffen, internettechnologie en kleinschaligheid de hoofdrol. Het zijn alsmaar toenemende consumptie, groeiende productiviteit en stijging van het nationaal product waarvoor de economie als wetenschap zich inspant, die dit toekomstbeeld in de weg staat.

Het selectieve gebruik van natuurwetenschappelijke analogieën

Unknown-4 kopieDe grondleggers van de economische wetenschap, Adam Smith en Jean-Baptiste Say zochten naar wetmatigheden achter het economisch handelen. Ze meenden deze gevonden te hebben in een analogie met de mechanica, de wetten van Newton in het bijzonder: Zoals de deeltjes in het heelal elkaar aantrekken en afstoten en uiteindelijk in een positie van evenwicht komen, zo gedragen mensen zich op de markt gedreven door hun eigenbelang. Als iedereen zijn eigenbelang nastreeft zorgt de ‘onzichtbare hand’ ervoor dat vraag en aanbod in een evenwichtstoestand raken.

De analogie was slecht gekozen: In de mechanica zijn processen omkeerbaar, maar in de economie niet. Dat komt door de rol van energie. De thermodynamica was daarom een veel geschiktere bron geweest voor analogieën van economische processen: De totale hoeveelheid energie in het heelal is constant, maar bij het gebruik van energie treedt entropie op. In elke economische activiteit verandert hoogwaardige energie in energie met een lagere waarde. Hierbij komt een reeks schadelijke stoffen vrij: Bijvoorbeeld, onze veestapel is verantwoordelijk voor 18% van de uitstoot van broeikasgassen, 65% van alle lachgas (stikstofoxide; 300 maal schadelijker dan CO2) en 37% van alle methaan (23% schadelijker is dan CO2).

Economen hebben vanouds een blinde vlek voor de neveneffecten van de transformatie van grondstoffen naar eindproducten, zij zagen alleen de waarde die hierdoor werd gecreëerd[2]. De weinige economen die de gelijkenis tussen economische en thermodynamische processen wel zagen, waren dan ook de grondleggers van het duurzaamheidsdenken[3].

De vanzelfsprekendheid van groei en stijging van de productiviteit

De economische wetenschap gaat uit van de wenselijkheid van groei van het nationale product en van stijging van productiviteit. Beide resulteren uit de inzet van (extra) arbeid en in het bijzonder van kapitaal[4]. Toch was het alom bekend dat arbeid en kapitaal samen maar maximaal 14% van de groei van de productiviteit verklaren. Het waren de natuurkundige Reiner Kümmel (Universitität Würzburg) en de hoogleraar milieu en management Robert Ayres (INSEAD) die op basis van groeigegevens in de periode 1945 – 2000 aantoonden dat de ontbrekende 86% vrijwel geheel kan worden verklaard uit de groei van het energiegebruik. Economische groei is dus voor het overgrote deel het resultaat van het steeds meer energie-intensieve karakter van productie, dienstverlening en consumptie. Groei en entropie met al zijn negatieve gevolgen voor het milieu zijn onlosmakelijk verbonden.

Het is daarom niet alleen noodzakelijk om fossiele door herbruikbare brandstoffen te vervangen maar ook dat de efficiëntie van het gebruik van energie en van grondstoffen drastisch toeneemt. Bij gevolg is een aanpassing van ons consumptiepatroon meer dan gewenst. In het bijzonder afstand doen van bezit en omarmen van de deel-economie leveren hieraan een cruciale bijdrage[5]. Een deel-auto vervangt minstens 20 privéauto’s.

Het belang van consumptie en bezit

Unknown-3 kopiePleiten voor de deeleconomie staat echter haaks op een ander leerstuk van de economische wetenschap. Volgens John Locke is privébezit een natuurrecht omdat het mensen motiveert om te werken. Immers grondstoffen zijn nutteloos; waarde ontstaat pas als de mens deze bewerkt.

De opvatting dat bezit de motor is achter het verrichten van arbeid staat overigens haaks op de meeste studies van antropologen en historici. Zij wijzen op de waarde van samenwerking en gemeenschappelijk eigendom (‘commons’) in de geschiedenis. Het waren vooral de adel en kooplieden die zich toeëigenden wat agrariërs en ambachtslieden meer produceerden dan ze zelf nodig hadden.

Het verderfelijke karakter van het economie onderwijs

In het onderwijs komt heden ten dage de milieuproblematiek uitvoerig aan de orde en de meeste leerlingen vinden het milieu erg belangrijk. Maar tegelijkertijd – zo stelt Rifkin – doordringen de lessen economie hen van de denkbeelden van de neoklassieke economie: Mensen handelen primair uit eigenbelang, de markt schept een natuurlijke ordening, bezit is ultieme motivatie van arbeid en de noodzaak van groei van het nationaal product en van arbeidsproductiviteit staan niet ter discussie. Daarmee wordt de weg naar een fundamentele oplossing van het ‘milieuprobleem’ geblokkeerd. Economieonderwijs in zijn huidige vorm moet daarom op zo kort mogelijke termijn van scholen verdwijnen[6].

Tot zover de aanklacht van Rifkin. Ik ben benieuwd wat ter verdediging van de waarde van economische wetenschap kan worden opgemerkt.

 

[1] The Third Industrial revolution: How lateral power is transforming energy, economy and the world. Palgrave MacMillan, 2011. Vertaald in Nederlands: De derde Industriële revolutie. Naar een transformatie van economie en samenleving, Nieuw Amsterdam Uitgevers (2014)

[2] Economen besteden tegenwoordig aandacht aan de externe kosten, maar dan gaat het uitsluitend om dat deel van de kosten van het productieproces dat door ‘derden’ wordt betaald.

[3] Nobelprijswinnaar: Frederick Soddy (1911), Nicolaas Georgescu-Roegen: ‘The entropy law and the economic proces’(1971) en zijn leerling: Herman Daly: Toward a steady state economy (1973). Jeremy Rifkin is door deze laatste auteur geïnspireerd bij zijn nieuwste The Zero Marginal Cost Society: The internet of things, the collaborative commons, and the eclipse of capitalism (2014).

[4] De rol van arbeid in de stijging van de productiviteit neemt alleen maar af: De productiviteit groeit de laatste 20 jaren zonder dat er veel nieuwe banen ontstaan.  Tussen 1995 – 2002 verdwenen in 20 grootste economieën meer dan 31 miljoen industriebanen. De productiviteit steeg met 4,3% en productie groeide met 30%. De staalindustrie in de VS groeide tussen 1982 en 2012 70 tot 102 miljoen ton terwijl de werkgelegenheid daalde van 289.000 tot 74.000.

[5] Zie hiervoor McLaren & Agyeman: Sharing Cities. Ik heb aan dit boek onlangs een blogpost gewijd; http://wp.me/p32hqY-1sm

[6] Dit is ook de strekking van een wat oudere blogpost: Economieonderwijs vernieuwen of afschaffen http://wp.me/p32hqY-cO

De profeten van een nieuwe industriële revolutie

Volgens Jeremy Rifkin kan de derde industriële revolutie de oplossing betekenen voor veel hedendaagse problemen. Maar kleinschalige productie van energie en decentrale distributie daarvan zijn voorwaarden.

Unknown-4
In 2011 baarde Jeremy Rifkin opzien met zijn boek The Third Industrial Revolution[1]. Ten tijde van de publicatie van het boek was menigeen bezig de wonden te likken die de (financiële) crisis had veroorzaakt. De prijs voor brandstof was op zijn hoogst en politici overal ter wereld zochten naar een uitweg. De derde industriële revolutie was een welkom perspectief. Zij verenigt internettechnologie, duurzame energie en het een kleinschalige samenleving.

Een grote schare wereldleiders klopte voor advies bij Jeremy Rifkin aan, zoals Barosso, Merkel en Cameron. Ook besturen van grote steden waaronder Rome, San Antonio, Parijs Utrecht en Rotterdam vroegen hem om raad. Overal leefde het besef dat het roer om moet en zijn boodschap deed de hoop op een betere samenleving gloren.

images-3Alle wereldleiders is wat te veel gezegd. De autoriteiten van zijn moederland, de VS, moeten niet veel van de voormalige activist hebben. Hij verzette zich tegen de plannen van de regering Obama om op grote schaal elektrische energie te produceren in de woestijngebieden en die met een superhoogspanningsnet naar de rest van de VS te transporteren. Over zijn relatie met de huidige president zullen we het maar niet hebben.

Rifkin schrijft de voorliefde voor grootschalige oplossingen in de VS toe aan de vergaande vervlechting van overheid en bedrijfsleven. Er is niet alleen sprake van een omvangrijke lobby, maar regeringsfunctionarissen schuiven tevens moeiteloos door naar het bedrijfsleven en omgekeerd. Bovendien spekt het bedrijfsleven de kassen van hem welgevallige politici royaal.

De 5 peilers van de derde industriële revolutie

De derde industriële revolutie zoals Rifkin die ziet, rust op vijf peilers die nauw samenhangen:

– Volledige vervanging van fossiele door hernieuwbare brandstoffen en zuinig gebruik en maximale recycling van grondstoffen.

– Decentrale opwekking van duurzame energie; alle gebouwen worden mini-energiecentrales en koolstofneutraal.

– Inzet van waterstof om gewonnen energie op te slaan.

– Gebruik van internet om het hele gedistribueerde systeem te beheren.

– Omvorming van de transportvloot tot elektrische en brandcelvoertuigen die energie verkopen, kopen en opslaan.

Unknown-1

De derde industriële revolutie zal een vergaande impact hebben op de samenleving en het einde inluiden van de logge multinationale bedrijven en hun autocratisch leiderschap. Hiervoor in de plaats komt een kleinschalige democratische organisatie van de samenleving, althans volgens Rifkin. Aan de ene kant zal (duurzame) energie royaal beschikbaar zijn, aan de andere kant zullen schaarse grondstoffen aanzetten tot hergebruik en delen van goederen en diensten[2]. Elke deelauto vervangt minimaal 20 particuliere auto’s. Als producten in bezit blijven van de makers, kunnen deze de productie ervan maximaal afstemmen op hergebruik van materialen.

In de loop van de 21ste eeuw verdwijnen de meeste banen die we nu kennen. De overblijvende en nieuwe banen zullen worden verdeeld en daarnaast is er een arbeidsloos inkomen. Verder is er genoeg te doen. Het gaat dan om activiteiten in de sfeer van ambacht, kunst en cultuur, zorg en natuur. Deze zullen de kwaliteit van ons bestaan aanzienlijk vergroten. Er is weer hoop op een aards paradijs.

Rifkin, Schwab en Vermeend

Rifkin is niet de enige met visionaire verhalen over op handen zijnde veranderingen. Ik denk aan het essay van Klaus Schwab, de voorman van het World Economic Forum, die een beeld neerzet dat in plaats van op een aards paradijs meer lijkt op science fiction. Dit blijkt overduidelijk ook uit de effecten in het fimpje dat het World Economic Forum heeft laten maken en dat vooral lijkt te willen imponeren[3].

Een ander visionair betoog is de oratie van Willem Vermeend ter geledenheid van zijn benoeming tot bijzonder hoogleraar aan de Open Universiteit[4]. Hij hamert op de noodzaak voor bedrijven om te innoveren, gebruik makend van alle mogelijkheden die nieuwe technologieën bieden. Zo niet, dan zullen de steeds kritischer consumenten hen links laten liggen. Waar Schwab nog vreest voor de groeiende sociale ongelijkheid, het verlies aan banen en aan privacy, bij Vermeend is er sprake van een onomkeerbaar proces waarin een ieder zich heeft aan te passen.

De waarde van toekomstvisies

Bij elk van deze publicaties rijst de vraag welke waarde we eraan kunnen hechten. Ik juich het toe dat wetenschappers deelnemen aan discussies over de toekomst van de samenleving. Maar wat me bij elk van de drie auteurs tegen de borst stuit is elk gebrek aan relativering. De drie auteurs zijn erg van zichzelf overtuigd; een eigenschap die eerder bij een profeet dan bij academus past. Van een wetenschapsbeoefenaar verwacht je een nauwkeurige beschrijving van actuele trends en een inschatting van de verschillende ontwikkelingen die hieruit kunnen voortvloeien. Het gebrek aan exactheid blijkt pijnlijk als Rifkin het heeft over de derde industriële revolutie en de andere auteurs over de vierde. Ik denk overigens dat Rifkin gelijk heeft. Hij heeft tevens het meeste oog voor de samenhangen tussen de mogelijkheden van de technologie, de omwenteling in de productie van energie, de beperkingen die we ons moeten opleggen in de groei van de productie en de gevolgen die dat heeft voor de samenleving.

Ik een volgende blogpost ga ik in op een onderdeel van het boek van Rifkin dat me intrigeerde, namelijk het verband tussen de opkomst van de economische wetenschap, de grootschalige industriële productie en de vernietiging van de leefomgeving. Ook hier geldt ‘van dik hout zaagt men planken’, maar zijn betoog biedt zeker stof tot nadenken.

[1] The Third Industrial revolution: How lateral power is transforming energy, economy and the world. Palgrave MacMillan, 2011. Vertaald in Nederlands: De derde Industriële revolutie. Naar een transformatie van economie en samenleving, Nieuw Amsterdam Uitgevers (2014)

[2] Zie mijn recente post over de verschillende aspecten van de deeleconomie: http://wp.me/p32hqY-1sm

[3] https://www.weforum.org/agenda/2016/01/the-fourth-industrial-revolution-what-it-means-and-how-to-respond/

[4] https://www.emerce.nl/wire/oratie-willlem-vermeend-ou-revolutie-economie-40

Aftreden leden studentenraad Open Universiteit: uiteenlopende visies op onderwijs voor volwassenen

Een deel van de studenten van de Open Universiteit is het niet eens met de keus van de instelling voor een vaste studieduur als norm

images

Het aftreden van de meerderheid van de leden van de studentenraad van de Open Universiteit openbaart langdurige onvrede bij een deel van de studenten van deze instelling.

De Open Universiteit heeft zich vanaf haar oprichting van andere instellingen voor wetenschappelijk onderwijs onderscheiden door het feit dat studenten konden studeren waar en wanneer ze wilden, op elk moment met een studie mochten beginnen en hun studietempo zelf konden bepalen. Deze kenmerken zijn – zeker op het eerste gezicht – ideaal voor de doelgroep van de Open Universiteit. Dit zijn volwassenen die een studie combineren met een baan, een gezin en een sociaal leven. De verschillen tussen deze studenten onderling zijn groter dan die tussen ‘reguliere’ studenten . Dit geldt voor de tijd die ze per week beschikbaar hebben, voor de spreiding van de beschikbare tijd over het jaar, voor de snelheid waarmee ze studeren én voor de kennis en vaardigheden die ze inmiddels hebben verworven.

Onderwijs - volwassen studenten 3

Toch had dit systeem een nadeel. Juist omdat studenten aan de Open Universiteit het zo druk hebben, leidde de afwezigheid van een prikkel om de studie blijvend hoge prioriteit toe te kennen geregeld tot uitstelgedrag. Het staat onomstotelijk vast dat naarmate het studietempo daalt, de kans toeneemt op voortijdig staken van de studie. In tijden van opkomend rendementsdenken bleef dit niet onopgemerkt. Mede onder druk van de politiek werden de principes van het vrije startmoment en de vrije studieduur opgegeven en een vaste doorlooptijd werd de norm. Een deel van de studenten heeft zeker baat bij deze maatregel, wat ook blijkt uit verbeterde rendementscijfers. Voor anderen heeft de Open Universiteit haar aantrekkelijkheid verloren.

Om studenten te motiveren geregeld te studeren, waren er ook andere middelen beschikbaar, die meer recht doen aan de grote verscheidenheid van de studenten aan de Open Universiteit. Daarover aanstonds meer.

Onderwijs - Collegezaal3
Het wo is een schoolvoorbeeld van ontwerp volgens het batch principe

Bij het organiseren van onderwijs kunnen twee fundamenteel verschillende principes worden onderscheiden, ‘batch’ en ‘flow’. Batch komt het meeste voor; het gaat ervan uit dat studenten gelijktijdig deelnemen aan de geplande onderwijsactiviteiten. Studenten worden overwegend als zijnde overeenkomstig beschouwd. In wezen is dit het zelfde principe dat ook voor massaproductie van goederen wordt gehanteerd. Flow betekent dat studenten een gepersonaliseerd programma volgen en dat de tijd die ze nodig hebben om de doelen te bereiken kan verschillen. De verschillen tussen studenten wordt als uitgangspunt genomen. Vrijwel iedereen zal de voordelen van flow inzien, maar zal denken dat de organisatie erg lastig is. Bovendien moet er in het geval van flow een voorziening zijn om studenten te motiveren de beschikbare tijd daadwerkelijk te gebruiken. Bij batch is hiervoor een duidelijke prikkel ingebouwd: Wie niet meekomt blijft zitten.

Ontwerpers van onderwijs staan dus voor twee vragen. Kan (hoger) onderwijs op doelmatige manier volgens het flow principe worden ontworpen en hoe help je studenten om – gegeven de vrijheid van studietempo – zich optimaal voor de studie in te zetten.

Vrijheid van studietempo

Organisatie - autonomie1Een hele reeks instellingen voor afstandsonderwijs in de VS brengt het principe learning outcomes are fixed; time is variable in praktijk. Het gebruik van ICT speelt hierbij een belangrijke rol. In een eerdere blogpost heb ik besproken hoe deze instellingen dit aanpakken. In essentie werken studenten individueel aan een reeks opdrachten met behulp van online beschikbaar gesteld materiaal. Ook de selectie van de opdrachten kan per student verschillen, afhankelijk van reeds aanwezige kennis en vaardigheden. De opdrachten worden becommentarieerd door reviewers (vaak promovendi). Deze ontvangen wekelijks een vastgesteld aantal uitwerkingen. Op basis van hun commentaar maken studenten indien nodig een volgende versie. Het feit dat deze opdrachten verspreid over het hele jaar binnenkomen maakt de taak van een reviewer aantrekkelijker dan die van een docent die in korte tijd honderden identieke opdrachten moet beoordelen.

Optimale inzet van studenten

De Open Universiteit maakte het studenten wel heel verleidelijk om de studie op een laag pitje te zetten ten gunste van andere prioriteiten. Niet alleen was de studieduur flexibel; studenten betalen bovendien voor elke cursus afzonderlijk. Studenten aan de Amerikaanse universiteiten die het studietempo van studenten vrij laten, betalen per semester een vast bedrag volgens de formule learn as much as you can. Dit blijkt een krachtige stimulans om voldoende aandacht aan de studie te besteden. Mentoren helpen daarbij.

De Open Universiteit kan nog steeds kiezen voor flow in plaats van voor batch. Het aanwezige onderwijsmateriaal leent zich hier uitstekend voor. Veel cursussen zijn opgebouwd uit opdrachten die door docenten worden beoordeeld. Niet zij, maar de mentor houdt dan de studievoortgang van studenten bij en kan deze erop aanspreken als het moet.

Volwassenen kunnen alleen gemotiveerd blijven studeren, als de onderwijsinstelling hen in staat stelt een persoonlijke balans te vinden tussen leven, werken en studeren. Bovendien willen zij dat de onderwijsinstelling de inspanning respecteert die het elke week opnieuw inplannen van studietijd kost, ongeacht of het gaat om 5, 10, 15 of meer studie-uren.

Amsterdam Smart City, Amsterdam Sharing City; missie of marketing?

Het begrip deel-paradigma is aanzienlijk breder dan dat van deel-economie. Dit artikel illustreert dit aan de hand van voorbeelden uit diverse steden

gluqiqn47f9d0tv4
Ook in Seoul is steeds meer openbare ruimte ingericht voor ontmoeting

Behalve smart cities en resilient cities[1] is er ook een groeiend aantal steden dat zich sharing city noemt. De eerste stad die deze benaming gebruikte was Seoul in 2013. Twee jaar later afficheerde Amsterdam zich als de eerste sharing city in Europa, na al enige tijd als smart city door het leven te zijn gegaan. Ik vind dit strooien met adjectieven niet echt handig, of het nu om het uitdragen van een missie of om markening gaat. Daarover later. Maar eerst wat zijn sharing cities?

San Francisco

De meest opvallende initiatieven met betrekking tot delen zijn afkomstig uit San Francisco, de thuishaven van iconen van de deeleconomie zoals Twitter, Dropbox, Lyft en Airbnb. De geneigdheid om te delen kenmerkt de levensstijl van veel millennials uit deze stad: Samen een bedrijf oprichten, samen een huis betrekken, auto als vervoermidddel en niet als statussymbool zien en prefereren dicht bij het stadscentrum te wonen en te werken.

De deel-economie die we aantreffen in San Francisco is commercieel gemotiveerd en kent naast winnaars ook verliezers, bijvoorbeeld de bestuurders van Uber, Lyft en andere taxibedrijven.
Volgens Duncan McLaren & Julian Agyeman[2] is de deel-economie een onderdeel van een veel meer omvattend deel-paradigma. Het gaat daarbij om het gebruik van goederen en diensten door verschillende personen, zonder deze (exclusief) te bezitten. Bij voorbeeld, medegebruik van fietsen, auto’s, huizen, gereedschappen, patenten en boeken. Maar ook recycling, gemeenschappelijke faciliteiten voor sportboefening, de opwekking van energie en transport en coöperaties en netwerken (Zie afbeelding).

Vormen van Sharing
The sharing paradigm. Uit: McLaren & Agyeman, Sharing Cities, p. 15

Sharing kan gemotiveerd zijn als middel tot kostenreductie maar ook vanuit sociale motieven en omwille van duurzaamheid. McLaren & Agyeman illustreren al deze facetten aan de hand van voorbeelden afkomstig uit steden als Seoul, Medellin, Kopenhagen en Amsterdam.

Seoul

De stad Seoul kent talrijke vormen van delen vanuit sociale motieven[3]. Het begrip jeong speelt hierbij een sleutelrol: Mensen geloven dat elkaar vriendelijk en coöperatief bejegenen een ieder op termijn zal baten. Bewoners houden gezamenlijk de appartementsgebouwen leefbaar waarin ze dicht opeengepakt wonen. Het gemeentebestuur hecht veel waarde aan de mening van burgers.

screenshot
Het luisterend oor voor het stadhuis van Seoul

Mensen kunnen klachten, verzoeken en ideeën inspreken in het ‘luisterende oor’ voor het stadhuis. Het gemeentebestuur ondersteunt start-ups onder andere door de Dreambank, een financieel loket in samenwerking met 20 banken.

Medellin

images-5 kopie
Biblioteca de Espagna

Een ander opvallend voorbeeld is Medellin, de tweede stad in Colombia en het voormalige centrum van drugshandel en ooit de meest moordadige stad ter wereld. Nadat het leger de beruchte bendeleider Pablo Escobar had doodgeschoten, begon het stadsbestuur aan het herstel van het verwoeste sociale weefsel van de stad. Grote bedragen zijn geïnvesteerd in onderwijs en welzijnsvoorzienigen. Hiervoor verrezen diverse qua architectuur opvallende gebouwen zoals de Biblioteca de Espagna, meestal midden in arme gebieden om de bewoners een gevoel van trots te geven.

 

Tegelijkertijd werden alle delen van de op heuvels gebouwde stad verbonden door een nieuw stelsel van metrolijnen, kabelbanen en liften. Bewoners kregen inspraak bij de prioritering van gemeentelijke projecten.

Kopenhagen en Amsterdam

Unknown kopie
Fietsinfrastructuur Kopenhagen

McLaren & Agyeman zien ook in Kopenhagen en Amsterdam talrijke voorbeelden van sociaal gemotiveerd delen. Kopenhagen heeft het delen van ruimte in het stadscentrum verbeterd met een infrastructuur gebaseerd op het gebruik van fietsen. Amsterdam deed hetzelfde met zijn dichte openbaar vervoersnetwerk. Daarnaast heeft het Amsterdamse huisvestingsbeleid geleid tot een betere integratie van migranten dan in menige andere stad.

In het licht van de bovenstaande gevallen vragen een paar begrippen om verheldering.

Delen en samenwerking

Samenwerking (collaboration) wordt ten onrechte gebruikt als synoniem voor delen. Samenwerking betekent samen iets doen, maar delen leidt doorgaans tot een opeenvolging van individuele activiteiten. Het is dus eerder een aanvulling op het begrip delen. Samenwerking vindt plaats in het economische domein, bijvoorbeeld een coöperatie, maar ook in het sociale domein, bijvoorbeeld gemeenschappelijke activiteiten als tuinieren, koken en gemeenschappelijk wonen.

Delen en mediatie

Commerciële vormen van delen bestaan veelal bij de gratie van mediërende IT-platforms, denk aan Airbnb en Uber. Maar mediatie is soms ook van belang voor overwegend sociaal geïnspiteerde vormen van delen. Een mooi voorbeeld is een app waarop bewoners van Jakarta direct schade melden in geval van overstroming of extreme neerslag. Hiermee kunnen reddings- en herstelacties veel sneller op gang komen[4].

Delen en smart

Smart cities hoeven geen sharing cities te zijn. Smart is een veel breder begrip dan delen; in sommige smart cities kan delen echter een belangrijke rol spelen. Dit is het geval in de steden die ik reken tot de categorie smart city 3.0[5].

screenshot 2 kopie
Opvattingen van Amsterdammers over delen

Amsterdam profileert zich al enkele jaren als smart city. Onlangs eigende de stad zich ook de adjectieven sharing en collaborative toe. Uitgaande van de voorbeelden van McLaren & Agyeman zijn daarvoor goede inhoudelijke redenen die verder gaan dan city marketing. Toch vind ik het naast elkaar gebruiken van beide termen niet verstandig. De missies van Amsterdam Smart City[6] en Amsterdam Sharing City[7] verschillen weinig en onder de burgers leven ze nauwelijks. Vanuit een communicatieoogpunt had ik ervoor gekozen om eenduidig te kiezen voor Amsterdam Smart City en dit begrip te verhelderen aan de hand van een beperkt aantal trefwoorden. Een daarvan zou samen delen (sharing) zijn. Uitgaande van de voornoemde missies zou mijn keuze van de andere zijn: De burger centraal (citizen-based), iedereen telt (inclusive), ondernemend (entrepreneurial), samenwerkend (collaborative),  duurzaam (sustainable) en digitaal verbonden (IT-enabled). Wie weet heeft alsnog iemand wat aan mijn advies.

[1] Zie mijn artikel over smart versus resilient steden: http://smartcityhub.com/collaborative-city/smart-cities-resilient-cities-make-difference/

[2] Sharing Cities, A case for truly smart and sustainable cities (MIT Press, 2015)

[3] Zie ook de volgende infographic: [3] http://english.sharehub.kr/infographic-sharing-city-seoul-4-years-achievements/

[4] Het volgende filmpje geeft hier een beeld van: https://www.youtube.com/watch?v=O7VDjjeEdN8&feature=youtu.be

[5] Dit artikel geeft een overzicht van de betekenissen die aan het begrip smart city worden toegekend: http://smartcityhub.com/collaborative-city/smart-cities-1-0-2-0-3-0-whats-next/

[6] https://amsterdamsmartcity.com

[7] http://www.sharenl.nl/amsterdam-sharing-city/

‘Commoning’ als middel om gemeenschapsvoorzieningen te behouden

Het is van grote waarde als burgers zelf het beheer van gemeenschappelijke voorzieningen ter hand nemen

 

images
De Polfermolen in Valkenburg aan de Geul

De gemeente waarin ik woon, Valkenburg aan de Geul, exploiteert een schitterende sport- en theateraccomodatie, inclusief een 25-meterbad en verschillende recreatieve baden. Het complex – de Polfermolen – is in 2001 opgeleverd. Sloop ligt echter in het verschiet. De gemeente wil om begrijpelijke redenen de kosten (gemiddeld € 1,5 miljoen per jaar) niet langer dragen.

Vrijwel elke gemeente heeft hoofdpijndossiers als de Polfermolen. De meeste daarvan hebben een vergelijkbare voorgeschiedenis.

De nadagen van de verzorgingsstaat

Vooropgesteld, ik vind dat de overheid naast de zorg voor openbare orde en veiligheid verantwoordelijk is voor de beschikbaarheid van nutsvoorzieningen, onderwijs, zorg en openbaar vervoer. Dit betekent niet dat de overheid deze voorzieningen ook zelf zou moeten exploiteren. Dit geldt in nog veel mindere mate voor voorzieningen waarvan incidenteel of door slechts een deel van de bevolking gebruik wordt gemaakt, zoals sportcomplexen, schouwburgen, musea, bibliotheken en zwembaden. In de hoogtijdagen van de verzorgingsstaat werd hier anders over gedacht met de voornoemde hoofdpijndossiers als gevolg.

Van welvaartsstaat naar burgerinitiatieven

De idee dat de burger in de eerste plaats consument is en dat de overheid moet voorzien in alle welzijnsvoorzieningen die commercieel niet of  tegen een te hoge prijs aangeboden kunnen worden, is aan het veranderen.

Overal ter wereld nemen burgers zelf het initiatief om samen zaken van gemeenschappelijke waarde te creëren en nemen zij de verantwoordelijkheid voor de exploitatie ervan. De deeleconomie is onderdeel van dit streven. Het is inmiddels heel gewoon dat huiskamerrestaurants ontstaan, gemeenschappelijke (groenten)tuinen worden aangelegd, speeltuinen worden beheerd, vervoersoplossingen worden bedacht, ouderen samen voor passende huisvesting zorgen en ga zo maar door[1]. Drijfveer is niet alleen het beschikbaar komen van ontbrekende voorzieningen en het op afstand houden van betutteling door de overheid, maar ook de voldoening die het samen creëren en in stand houden ervan schenkt. In dit verband is vaak sprake van sociaal kapitaal [2].

De vraag ligt daarom voor de hand of het een optie is dat de gebruikers van voorzieningen als het sportcomplex de Polfermolen in Valkenburg aan de Geul, de exploitatie daarvan samen overnemen in plaats van te berusten in de sluiting ervan.

zwembad jekerdal 41
Het Jekerbad in Maastricht

Op korte afstand van Valkenburg – in Maastricht – speelde in de jaren ’80 een vergelijkbaar probleem. De gemeente vond de exploitatie van het Jekerbad te duur en wilde het sluiten. Dit leidde tot een burgerinitiatief met als doel het bad te behouden. Er werd een vereniging opgericht, die inmiddels 6000 leden heeft en een wachtlijst van 10 jaar (sic) kent. De leden kunnen onbeperkt zwemmen voor een bedrag van € 55 per jaar en ze verrichten af en toe werkzaamheden. Gerard Peters, een van de leden van het eerste uur: “De grote aantrekkingskracht van het bad is dat het van de leden is. Dat is zo’n bindende factor dat mensen zich verantwoordelijk voelen. Het is je eigen bad en daar zet je je graag voor in.”[3]  Dat kun je helaas niet zeggen van menige overheidsvoorziening.

De oprichting van een vereniging van gebruikers van de Polfermolen – en vergelijkbare gevallen – kan een alternatief bieden voor sluiting, al gaat het vaak om meer complexe projecten dan het Jekerbad. Een onderzoek naar de haalbaarheid is echter alleszins de moeite waard. Ik benadruk dat het  – net als bij het Jekerbad – om meer gaat dan de vervanging van betaalde arbeidskrachten door vrijwilligers. namelijk het verwerven van zeggenschap – niet per se juridische eigenaarschap – en de verantwoordelijkheid voor de exploitatie.

De civil society

Poortje_gevangenis_-_Amsterdam_-_20017122_-_RCE
Ingang Heiligewegbad in Amsterdam

Eigenlijk is er niets nieuws onder de zon. De tweede helft van de 19de eeuw en de eerste helft van de 20ste eeuw staan bekend vanwege de opkomst van de civil society. Burgers onttrokken zich geleidelijk aan patriachale en autoritaire verbanden en hun gevoelens van eigenwaarde en onderlinge solidariteit groeiden. Dit had onder andere een ongekende bloei van het verenigingsleven tot gevolg en bevorderde ook de opkomst van coöperaties, spaarkassen, onderlinge verzekeringen en sportfondsen. Deze laatste maken de cirkel rond: Zwemmen deed je vroeger niet in een commercieel of in een gemeentebad, maar in een sportfonsenbad, voortgekomen uit burgerinitiatieven[4].

Terug naar het heden. Ik zou het fantastisch vinden als gebruikers van de Polfermolen samen het beheer en de exploitatie ervan ter hand nemen. Wie weet, gaat ‘de Molen’ draaien als nooit te voren en wordt zij een voorbeeld voor vergelijkbare gevallen.

[1] Creëren van gezamenlijke voorzieningen wordt doorgaans ‘commoning’ genoemd. Engeland loopt hierin voorop, mede ook vanwege de kaalslag van openbare voorzieningen de afgelopen decennia. Zie voor een verslag van een grootschalig project in de Londense wijk West Noorwood: https://drive.google.com/file/d/0B28SOnHQM5HVV0pyT2p1NGNvQk0/view

[2] Een schitterende studie van ‘sociaal kapitaal’ is het boek Bowling Alone, The Collapse and Revival of American Community van Robert Putman. Deze studie onderzoekt het verdwijnen en weer deels herstellen van het gemeenschapsgevoel in de VS.  Zij is gebaseerd op 500.000 interviews die Putman en zijn studenten afnamen over een reeks van vele jaren. Het feit dat burgers samen iets opzetten en beheren schept gemeenschapsgevoel, dat zich volgens de auteur uit in meer onderling vertrouwen, meer sociale betrokkenheid, meer tevredenheid in het leven en zelfs een betere gezondheid. Zie http://bowlingalone.com

[3] Zie: https://verenigingflevoparkbad.wordpress.com/2014/11/02/succesverhaal-buitenbad-jekerdal-al-30-jaar-van-buurtbewoners/

[4] Sportfondsenbaden zijn eind 19de eeuw ontstaan uit een voorloper van crowd funding:  https://nl.wikipedia.org/wiki/Sportfondsenbad. Het eerste Sportfondsenbad in Nederland was het Heiligewegbad in Amsterdam, dat in 1987 ondanks protest van de bewoners van Amsterdam-Centrum plaats moest maken voor een nieuw winkelcentrum.

 

Smart cities of resilient cities. Maakt het wat uit?

De begrippen smart city en resilient city hebben een verschillende achtergrond maar ze worden tegenwoordig als synoniemen gebruikt.

Wereldwijd leeft 55% van alle mensen in steden en hun aantal neemt snel toe. Steden bedekken 4% van het landoppervlak, gebruiken 67% van alle geproduceerde energie en zorgen voor 70% van alle broeikasgassen.

Steden zijn niet alleen de belangrijkste economische centra van de wereld, ook hun politieke macht groeit. Waarnemers geloven dat duurzaamheid eerder zal voortvloeien uit beleid van steden dan uit maatregelen van nationale overheden. Voor sommige landen een hele opluchting!

Om hun intenties duidelijk te maken, gebruiken veel steden adjectieven als smart, resilient, sustainable, sharing en meer.

Athene resilient city

Smart city

Een inventarisatie van wetenschappelijke artikelen leverde meer dan 30 verschillende definities op van smart city.[1] De definitie van Caragliu uit 2009 is het meest geciteerd: We believe a city to be smart when investments in human and social capital and traditional (transport) and modern (ICT) communication infrastructure fuel sustainable economic growth and a high quality of life, with a wise management of natural resources, through participatory governance.

screenshot 16

Resilient city

De eerste maal dat het begrip resilience (weerbaarheid) werd gebruikt in de context van stedelijke beleid dateert van 2002. Echter, pas in 2012 begon de frequentie van de zoekopdrachten in Google naar het begrip resilient city snel toe te nemen. In tegenstelling tot smart city is het aantal definities van resilient city beperkt. Steden die zich resilient noemen, zoals Rotterdam en Den Haag, claimen dat ze het vermogen van alle inwoners, bedrijven en instellingen om zich te ontwikkelen versterken, ook als deze worden blootgesteld aan chronische spanningen en acute schokken.

Voorbeelden van chronische spanningen zijn hoge werkloosheid, overbelast of inefficiënt openbaar vervoer, aanhoudend geweld en voedsel- en watertekort. Acute schokken zijn aardbevingen, overstromingen, uitbraken van ziekten en terrorististische aanslagen.

Oorsprong en ontwikkeling van de smart city en de resilient city

De begrippen smart city en resilient city hebben verschillende wortels.

Technologiebedrijven, zoals Cisco, IBM, Siemens en Philips zijn tijdens de economische crisis het begrip smart city gaan propageren als onderdeel van hun strategie om nieuwe markten te vinden en nieuwe klanten aan te trekken.

Het gebruik van het begrip resilient city is daarentegen bevorderd door internationale organisaties en samenwerkingsverbanden van steden en drukt de wil uit zich beter voor te bereiden op gevaren zoals de orkanen Katarina in de New Orleans regio (2005) en Sandy langs de oostkunst van Noord-Amerika (2012).

screenshot 8
De bij de 100 Resilient Cities Challenge aangesloten steden

Zoals blijkt uit de bovenstaande definitie, is het begrip gevaar inmiddels opgerekt naar externe bedreigingen in het algemeen, variërend van klimaatverandering en milieuvervuiling tot armoede en congestie.

Het begrip smart city is ook geëvolueerd. Elders heb ik een onderscheid gemaakt tussen smart cities 1.0, 2.0 en 3.0[2]. Deze typering wijst op de ontwikkeling van het denken over smart cities van de inzet van ICT als een instrument om de economische groei en het concurrentievermogen te versterken naar een brede en participatieve strategie gericht op de oplossing van problemen met betrekking tot milieu, sociale gelijkheid en versterking van sociaal kapitaal in het algemeen.

De 100 Resilient Cities Challenge

De resilient city-beweging heeft in 2014 een krachtige stimulans gekregen toen de Rockefeller Foundation 100 miljoen dollar investeerde in de 100 Resilient Cities Challenge[3]. Mede door deze vorm van institutionalisering toont het beleid van de steden die zijn toegelaten tot deze beweging meer overeenkomsten dan dat van de zelf-benoemde smart cites. Het zogenaamde City Resilence Framework, speelt een sleutelrol in elke strategie van elk van de deelnemende steden.

screenshot 2

Met behulp van het City Resilience Framework kunnen steden een analyse maken van hun veerkracht op verschillende terreinen en vervolgens een strategie ontwikkelen om zwakke punten te verbeteren. Het resultaat van de analyse in Rotterdam is hieronder aangegeven[4]. Op dit moment hebben al 30 steden strategische rapporten gepubliceerd met doel om hun veerkracht in het komende decennium te vergroten. Onder hen zijn Rotterdam[5] en Athene[6], een stad die een briljant uitgewerkte actieplan heeft gepubliceerd. Een gloednieuw rapport, Cities Taking Action, geschreven ten behoeve van de onlangs gehouden Resilience Summit in juli 2017 te New York, biedt een bloemlezing van wat de 100 betrokken steden in het recente verleden hebben bereikt[7].

screenshot 7

Beschrijving van smart city en resident city convergeert

De reeds aangehaalde publicatie van Rocco Papa e.a. laat zien dat actuele omschrijvingen van smart en resilient cities vrijwel gelijke termen hanteren (zie onderstaande inventarisatie).

screenshot 9

Bijgevolg neigen sommige publicaties ertoe het begrip resilience als een kenmerk van smart cities te zien. Andere auteurs vragen zich af of het begrip resilient city voor smart city in de plaars zal komen. Ik ben geen voorstander van de assimilatie van een van deze termen door de andere. Beide concepten hebben hun eigen wortels en krijgen gaandeweg betekenis voor de betrokken burgers. Daarom kunnen ze beter als vergelijkbaar worden beschouwd, zoals dat goed wordt begrepen door een van de Internet platforms[8]. Overigens is het City Resilence Framework vanwege zijn gedetailleerde uitwerking ook voor smart cities een zeer nuttig beleidsinstrument.

Een gezamenlijke omschrijving tot slot

Zowel smart cities als resilent cities hanteren idealiter een breed instrumentarium om chronische en acute stedelijke problemen aan te pakken en te voorkomen, waarbij ICT een passende rol speelt. Zij maken het mogelijk dat alle actoren deelnemen aan de tot standkoming en de uitvoering van het beleid. Zij investeren in de groei van sociaal kapitaal door bevordering van onderwijs, werkgelegenheid, samenwerking en delen als basis van een goed bestaan voor alle burgers.

[1] Rocco Papa. Adrina Galderisi, Maria Christina Vigo Majello, Erica Saretta: Resilient cities: A systematic approach for developing cross-sectoral strategies in the face of climate change. TeMA Journal of Land Use Mobility and Environment 1 (2015)

[2] http://smartcityhub.com/collaborative-city/smart-cities-1-0-2-0-3-0-whats-next/

[3] http://www.100resilientcities.org

[4] http://lghttp.60358.nexcesscdn.net/8046264/images/page/-/100rc/Blue%20City%20Resilience%20Framework%20Full%20Context%20v1_5.pdf

[5] http://www.100resilientcities.org/wp-content/uploads/2017/06/strategy-resilient-rotterdam.pdf

[6] http://www.100resilientcities.org/wp-content/uploads/2017/06/Athens_Resilience_Strategy_-_Reduced_PDF.compressed.pdf

[7] http://100resilientcities.org/wp-content/uploads/2017/07/WEB_170720_Summit-report_100rc-1.pdf

[8] https://www.smartresilient.com