Het uitdijende management

Wereldwijd neemt het aantal management functies verder toe. De invloed op de productiviteit is negatief. Hedendaagse bedrijven zouden beter af zijn met minder hiërarchie, gedeeld management en een veel hogere mate van zelfsturing.

Destroy the concept of CEO (Veneet Nayar, CEO HCL Technologies)

organisatie-uitdijend-managementDe nevenstaande grafiek toont de groei van het aantal managers vergeleken met die van de rest van de werkgelegenheid in de VS. De VS kent op een totale beroepsbevolking van 135 miljoen (exclusief agrarische sector en zzp’ers) 18,5 miljoen managers en bestuurders. Daarbij komt 5,3 miljoen fte ondersteunend personeel. Samen goed voor 30% van de totale salariskosten. Managers zijn bovendien verantwoordelijk voor ontelbare regels, procedures, formulieren, vergaderingen en een onophoudelijke stroom van berichten[1]. Deloitte schat dat de gemiddelde werknemer zonder managementtaken hiermee 6,5 uur in de week bezig is[2].

Het zou kunnen dat de bureaucratie noodzakelijk is om bedrijven en organisaties goed te laten functioneren. Immers doordachte structuren, planning & control systemen en procedures kunnen de productiviteit verhogen en de kwaliteit verbeteren. Om dit te onderzoeken hebben Gary Hamel en Michele Zanini een vergelijking gemaakt met een aantal post-bureaucratische bedrijven en organisaties. Deze hebben bewust het aantal managers verminderd en gekozen voor een vergaande mate van zelforganisatie. Het gaat onder andere om: Morning Star (voeding), Nucor (staal), WL Gore (vezels), Svenska Handelsbanken, Sun Hydraulics en Buurtzorg Nederland. Gemiddeld besteden deze bedrijven en organisaties 50% minder tijd aan management en administratieve ondersteuning. Bovendien boeken zij uitstekende (financiële) resultaten.

organisatie-overheadHamel en Zanini hebben een berekening gemaakt wat het halveren van het management en het afschaffen van overbodige procedures oplevert[3]. Zij komen alleen al voor de VS uit op een bedrag van $3 triljoen per jaar, dat gebruikt kan worden voor productieve arbeid. Hiermee zou de jaarlijkse stijging van de productiviteit opgevoerd kunnen worden van 1,3% naar ongeveer 2,5%.

Hoe komt het dat traditionele bedrijven en organisaties zo veel meer managers lijken nodig te hebben dan moderne post-bureaucratische organisaties?

De meeste bedrijven zijn in de 20ste eeuw groot geworden dankzij massaproductie tegen zo laag mogelijke kosten in een relatief stabiele markt. Voor dit doel was functionele differentiatie (afzonderlijke units voor onderzoek, inkoop, productie, verkoop en service) het meest geschikt. De rol van management was afstemming van de productie binnen de units en zorgdragen dat exact volgens de specificaties werd gewerkt. Planning & control systemen, strikte toedeling van taken, competentiemanagement en centralisering droegen bij aan dit doel.

organisatie-zelfbestuur-buurtzorg-2Tegen het einde van de 20ste eeuw veranderen de markten steeds sneller en differentiatie van de vraag leidt tot productdifferentiatie en kort-cyclische productieprocessen. De vraag naar kwaliteit, design stijgt en de wens van klanten on zich te onderscheiden leidt tot meer vraag naar technologisch hoogwaardige en innovatieve producten en diensten. De ontwikkeling daarvan is niet meer overwegend afhankelijk van R&D: Klanten worden bij het ontwerp (en de financiering) van nieuwe producten en diensten betrokken. Het kennisniveau van de medewerkers én hun mondigheid neemt toe.

In deze situatie kan worden gekozen voor geïntensiveerde coördinatie vanuit de top of vergaande decentralisering van verantwoordelijkheden.

Voor de eerste weg is verdere groei van managementfuncties onvermijdelijk. Voorts is het nodig aanvullende structuren in het leven te roepen zoals matrixorganisaties, cross-units afdelingen en share service centers. Verder veel vergaderingen en emailverkeer. Tegelijkertijd zal ook de spanning toenemen tussen de eisen die planning & control stellen en de wensen van creatieve en innovatieve medewerkers die met een vernieuwend aanbod van producten en diensten, deels experimenterend (‘minimal viable solutions’) houvast in de dynamische markt zoeken.

organisatie-sociale-innovatie-2

De tweede weg is de ontwikkeling van relatief autonomie bedrijven en instellingen of van units daarbinnen, die zorgdragen voor een passend aanbod voor specifieke markten, gegeven het feit dat deze markten zelf ook weer snel veranderen. Sleutelwoorden zijn aanpassingsvermogen, creativiteit en flexibiliteit, volgens sommigen samengevat als een ‘agile’ productorganisatie.

Ondanks allerlei verschillen zijn de gemeenschappelijke kenmerken van deze organisaties:

  • Kleine autonome teams die sleutelbeslissingen kunnen nemen.
  • Medewerkers ontvangen een (vaak gelijke!) winstuitkering. Er is geen systeem van bonussen.
  • Functies zijn slechts globaal beschreven. Taken en rollen worden tijdelijk vastgesteld.
  • Veel investeringen in kennis en vaardigheden van personeelsleden, ook leidinggevende competenties.
  • Sterk beroep op gedeelde normen en gevoel voor verantwoordelijkheid.
  • Vereenvoudigd budgetteringssysteem.

Gaat het bestaande systeem ooit veranderen?

organisatie-ceo-boardroomDe bureaucratie was functioneel voor de bedrijfsvoering in de vorige eeuw. De functionaliteit thans schuilt vooral in het belang dat het hogere management er zelf bij heeft (macht, rijkdom, invloed en status). Een belangrijke impuls tot verandering zal uitgaan van de ontwikkeling van post-bureaucratische organisaties. Naarmate deze winstgevender worden, aantrekkelijker zijn voor medewerkers en sympathieker zijn in de ogen van de klanten, neemt de roep om verandering vin binnenuit (ondernemingsraden en aandeelhouders) toe. Ook slaat de stemming in het business ecosysteem om: Business scholen wijzen steeds meer op de noodzaak van flexibele productie en autonome units en verlichte CEO’s met een langetermijnvisie worden champions van verandering, zoals Veneet Nayar (HCL technologies) die stelt We need to destroy the concept of the CEO en Zhang Ruimin, eigenaar van Haier: Everybody will be a CEO.

De bestaande managementcultuur is op lange termijn niet alleen slecht voor de winstgevendheid van bedrijven, ze maakt de werknemers nog ziek ook. Daarover in een volgende post.

[1] Het kan nog erger: Volgens het CBS kent alleen Nederland 2,5 miljoen managers. Het aantal algemeen directeuren is tussen 2004 en 2014 met 63% gestegen. https://decorrespondent.nl/3209/waarom-er-meer-managers-zijn-dan-ooit-ondanks-alle-powerpoints-die-het-tegendeel-beweren/123370005-7121165d

[2] Deze post is voor een belangrijk deel gebaseerd op en paper van Gary Hamel en Michele Zanini: The $3 Trillion Prize for Busting Bureaucracy: http://www.garyhamel.com/sites/default/files/uploads/three-trillion-dollars.pdf. Dit paper bevat tevens veel informatie over een aantal post-bureaucratische bedrijven. Een hiervan afgeleide kort maar krachtige column is te vinden op: https://goo.gl/u3n3zs

[3] Onderzoek van Deloitte wijst uit dat van alle administratieve procedures waarmee medewerkers zich bezighouden, 25% zonder enig bezwaar afgeschaft kan worden. Volgens het management zelf!

Van concurrentiekracht naar vitaliteit: onderwijs, ondernemerschap en innovatie

De Global Competitiveness Index wordt vernieuwd. Er komt een reeks nieuwe indicatoren en bestaande indicatoren worden herberekend. Deze post geeft een inkijkje in het effect hiervan. Tevens wordt de vraag gesteld of de nieuwe index meer meet dan concurrentiekracht, namelijk vitaliteit.

Hoe concurrerend zijn landen ten opzichte van elkaar? Vanaf 2005 gaf de Global Competitiveness Index (GCI) – gepubliceerd door het World Economic Forum – het meest gezaghebbende antwoord op deze vraag. Na ruim tien jaar is het fundament van de GCI sleets aan het worden: Veel indicatoren zijn achterhaald en voor andere zijn betere cijfers beschikbaar. Vandaar het besluit om de GCI 2017 – 2018 grondig te herzien. De onderstaande figuur toont de pijlers waarop de nieuwe GCI is gebouwd. Na een bespreking van enkele onderdelen van de nieuwe GCI die nu al bekend zijn, sta ik stil bij vraag of deze index wellicht iets anders meet dan concurrentiekracht.

screenshot-6De samenstellers van de nieuwe GCI hebben enkele pijlers alvast opnieuw ontworpen en berekend[1]. Het betreft de pijlers onderwijs en vaardigheden, dynamiek bedrijven en innovatie capaciteit.

Onderwijs en vaardigheden

De huidige berekening van onderwijs en vaardigheden maakt overwegend gebruik van kwantitatieve maatstaven zoals de instroom in verschillende typen onderwijs en de beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs naar internationale maatstaven. Onderstaand overzicht toont de nieuwe indicatoren. Deze leunen op twee gedachten: De kwaliteit van de huidige beroepsbevolking en de manier waarop het onderwijs leerlingen voorbereidt op hun toekomstig functioneren. Hierbij wordt veel waarde gehecht aan ICT-vaardigheden, ontwikkelen van kritisch denken en minder aan het memoriseren van leerstof.

screenshot-5

Een vergelijking van beide typen indicatoren toont de dynamiek van de ontwikkeling die verschillende landen in dit opzicht doormaken. Ook de meest ontwikkelde landen kunnen hun voorsprong verliezen als het onderwijs niet meegroeit met de veranderende eisen die vanuit de samenleving worden gesteld.

Onderstaande tabel toont de hoogst scorende landen. Denemarken staat op de eerste plaats. De gerichtheid kennis en vaardigheden op de toekomst blijkt onder andere uit het feit dat informatiekunde onderdeel is van het curriculum van de basisschool.

screenshot-4

De vergelijking van de scholingsgraad van de huidige beroepsbevolking met die van de toekomst levert boeiende inzichten op. Een aantal landen gaat hierbij (fors) achteruit: Zwitserland (1 resp. 12), Duitsland (2 resp. 15) en de VS (5 resp. 18). Maar ook: Luxemburg (14 resp. 52!) en de Russische Federatie (28 resp. 40). De nieuwe manier van berekenen maakt het behoudende karakter van deze landen op het gebied van onderwijs pijnlijk duidelijk.

Andere landen vertonen een tegenovergestelde beeld; in het bijzonder Finland (23 resp. 1) en IJsland (24 resp. 3). Deze landen hebben meer geïnvesteerd in onderwijsvernieuwing dan welk Europese land ook en zij verschijnen beide in de top drie. Daar komen ze Nederland tegen dat een goede beurt maakt door op te schuiven van de 9de plaats als het gaat over de beroepskwalificaties van de huidige werknemers naar de 2de plaats als het de werknemers van de toekomst betreft. Andere landen die in dit verband opvallen zijn de verenigde Arabische Emiraten (50 resp. 14) en Nieuw Zeeland (17 resp. 4). China opereert in de achterhoede, maar maakt wel progressie (85 resp. 58).

Innovatie

Hierna sta ik stil bij de pijlers dynamiek bedrijven en innovatiecapaciteit. De pijler dynamiek bedrijven verwijst naar een ondernemende en adaptieve (‘agile’) wijze van denken en doen. Illustratief in dit opzicht zijn het gemak om nieuwe bedrijven te stichten, financiering te krijgen en de houding ten opzichte van ondernemersrisico.

screenshot-3

Bij innovatie capaciteit gaat het om de vraag of deze houding ook tot innovatief ondernemen leidt. Indicatoren hierbij zijn de hoeveelheid R&D en patenten alsmede de bereidheid van bedrijven om innoverende producten op de markt te brengen. Maar ook het stimuleren van creativiteit en samenwerking tussen individuen en organisaties.

screenshot-10
Dynamiek bedrijven

 

Innovatie vindt plaats waar deze pijlers elkaar versterken. Immers innovatie vereist niet alleen een klimaat waar nieuwe ideeën kunnen ontstaan, maar ook de bereidheid en het vermogen deze in te praktijk te realiseren. De neven- en onderstaande figuren geven een overzicht van de indicatoren voor beide pijlers.

Landen die op beide pijlers hoog scoren zijn Zweden (2 resp. 2), Nederland (4 resp. 3), Denemarken (5 resp. 5) en ook Finland op een lager niveau dan enige tijd geleden (11 resp. 8)

screenshot-9
Innovatie-capaciteit

De VS staan op de eerste plaats als het gaat om dynamiek bedrijven, maar blijven achter op het gebied van innovatiecapaciteit (6). Hetzelfde geldt voor Noorwegen (3 resp. 15), Verenigd Koninkrijk (6 resp. 12) en Nieuw Zeeland (7 resp. 21). Op aanzienlijke achterstand volgt de Russische federatie (37 resp. 59). De landen die hoog scoren op het gebied van dynamiek bedrijven, maar waar de innovatiecapaciteit achterblijft, kennen wetgeving die vestiging van bedrijven stimuleert en ondernemerschap bevordert. Ze tonen verder aan dat ondernemingen om succesvol te zijn niet altijd innovatief hoeven te zijn.

Het omgekeerde is het geval bij Zwitserland. Dit land scoort op de eerste plaats als het gaat om innovatiecapaciteit, maar bij dynamiek bedrijven komt dit land op plaats 9. Een vergelijkbaar verschil geldt voor Duitsland (4 resp. 10), Luxemburg (7 resp. 40!) en op flinke achterstand China (36 resp. 68). Voor deze groep geldt dat er kennelijk is voldaan aan de voorwaarden om te innoveren, maar dat de stap naar innovatief ondernemerschap lastiger is.

In landen die op beide pijlers hoog scoren, gedijt innovatief ondernemerschap. Dit is zeker voor Nederland het geval.De vooruitzichten voor Nederland zijn nog beter als de gegevens over opleiding en vaardigheden bij de beschouwing worden betrokken. Immers Nederlandse scholieren en studenten behoren na de Finnen tot degenen die het best op de toekomst worden voorbereid. Althans voor wie meegaat in de berekeningsmethode van het World Economic Forum.

Het positieve beeld van Nederland hoeft niet te verbazen. In enkele decennia is de aantrekkingskracht van ondernemerschap opmerkelijk toegenomen. In alle hoeken en gaten verschijnen startups, waarvan vele met een innovatief karakter. Hun financiering is beter geregeld dan vijf jaar geleden. Maar ook, in veel traditionele bedrijven leidt sociale innovatie langzaam tot nieuwe vormen van management en zelfsturing, waardoor ook daar innovatief ondernemerschap wortel kan schieten.

Het begrip concurrentiekracht dekt maar ten dele de dynamiek van landen als Denemarken, Nederland, Finland en Zweden. Dat deze landen een hoog concurrerend vermogen hebben is zonneklaar, maar dat is eerder het gevolg van een vitaliteit die veel verder rijkt dat het streven naar productiviteitsverbetering. Deze vitaliteit heeft te maken met andere waarden en normen, kwaliteit boven kwantiteit en groeiend langetermijnperspectief. De nieuwe GCI neemt veel van dit soort indicatoren mee. Ondanks het feit dat dit proces zeker nog niet is afgerond lijkt de nieuwe GCI te evalueren naar een maatstaf voor de vitaliteit van landen in plaats van de veel beperktere concurrentiekracht. Dit kan belangrijke en positief te waarderen consequenties hebben voor het beleid.

[1] Zie: https://www.weforum.org/reports/the-global-competitiveness-report-2016-2017-1/

Moedig besluit World Economic Forum: De ‘global competitiveness index’ wordt herzien.

De Global Competitiveness Index is in de ogen van de opstellers (World Economic Forum) aan herziening toe. Deze post beschrijft waarom en geeft de richting aan van de gewenste en verwachte richting

Onlangs publiceerde het World Economic Forum de global competitiveness Index (GCI) 2016-2017[1]. Voor wat het waard is: Nederland stijgt van de vijfde naar de vierde plaats. De score is berekend door de gemiddelde scores te nemen van 122 indicatoren verspreid over 12 onderwerpen (‘pijlers’), die in verband gebracht kunnen worden met concurrentiekracht. Een van deze pijlers is innovatie. Op deze pijler nam Nederland een 8ste plaats in; dit jaar een 7de. De onderstaande afbeelding laat de 12 pijlers en de afzonderlijke indicatoren zien.Samenleving - competitiveness 4Bij de presentatie van de vorige editie van het rapport toonden de opstellers van de GCI zich kritisch over de berekening van de index. Dit jaar is aangekondigd dat in de nabije toekomst een groot aantal indicatoren wordt verwijderd en vervangen. Er zijn thans maar liefst 5 indicatoren van diverse tropische ziekten. Er komen daarnaast nieuwe indicatoren die onder andere verwijzen naar de rol van de financiële markten, het ontstaan van nieuwe consumptiemodellen en de snelheid van technologische verandering.

Samenleving - competitiveness 3
GCI 2015-2016

Het grootste bezwaar tegen de huidige GCI gaat over de manier waarop innovatie wordt gemeten. Ik sta hier kort bij stil en ga vervolgens in op de nieuwe aanpak.

De score op de pijler innovatie is – net als de scores op andere pijlers – een cocktail van indicatoren. In dit geval zijn er dat zeven. Zes daarvan corresponderen de onderstaande vragen. Deze zijn voorgelegd aan en op een zevenpuntsschaal beantwoord door managers van bedrijven in de afzonderlijke landen.

  1. Beschikken bedrijven in uw land over de capaciteit om te innoveren?
  2. Hoe beoordeelt u de kwaliteit van de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek in uw land?
  3. In welke mate investeren bedrijven in uw land in R&D?
  4. In welke mate werken in uw land bedrijven en universiteiten samen op het gebied van R&D?
  5. In welke mate stimuleert het inkoopbeleid van de overheid in uw land innovatie?
  6. In hoeverre zijn er in uw land voldoende technisch geschoolde hoger opgeleiden aanwezig?

De zevende indicator betreft het aantal patenten per 1.000.000 inwoners en hiervoor zijn bestaande statistieken gebruikt.

Deze zeven vragen zijn uitermate willekeurig en de betrouwbaarheid van de antwoorden is twijfelachtig. De score op de pijler innovatie verandert dan ook meteen als andere indicatoren worden gebruikt. Dat bleek nadat ik een herberekening had gemaakt voor 15 landen, waarbij aan de zeven indicatoren werd toegevoegd: De kwaliteit van het onderwijs, het gemak om geld te lenen, de absorbtiecapaciteit van bedrijven en de bereidheid om de macht te delen (horizontaal georganiseerde bedrijven zijn meestal meer innovatief). Het resultaat was een forse verschuiving binnen de rangorde. De VS, Zweden en Noorwegen scoorden dankzij de toegevoegde indicatoren een stuk beter. Voor Zwitserland, Israël en Denemarken gold het omgekeerde. Nederland bleef stabiel op de 8ste plaats.

Het fundamentele probleem ligt echter dieper dan de selectie van de juiste indicatoren. Geen enkele ranking is namelijk gebaseerd op een rechtstreekse meting van innovatie[2]:

The implementation of a new or significantly improved product (good or service), a new process, a new marketing method or a new organizational method in business practices, workplace organization, or external relations[3].

Gegevens om deze definitie op het niveau van landen te operationaliseren zijn er blijkbaar niet. Hiervoor in de plaats verzamelt men zo veel mogelijk ‘proxi’s’. In dit geval zijn dat gegevens over ‘het klimaat’ waarin innovatie gedijt en ‘de infrastructuur’ die voor innovatie nodig is. Om deze aanpak enig realiteitsgehalte te geven, is het nodig op zijn minst te expliciteren op grond waarvan de indicatoren zijn geselecteerd.

Innovatie - Europese landen eigen berekening 2Een stap in de goede richting is het European Innovation Union Scoreboard. Hier worden 25 indicatoren gebruikt die worden gegroepeerd in drie categorieën: enablers, firm activities en outputs. In een andere post[4] heb ik laten zien dat geen van de indicatoren van de pijler innovatie in de Global Competitiveness Index hoort tot de categorie ‘outputs’, die de definitie van innovatie nog het meest benadert. Ik heb vervolgens de afzonderlijke scores berekend van alle Europese landen met betrekking tot enablers, firmactivities en output aan de hand van data die het European Innovation Union Scoreboard gebruikt. Zie daarvoor de nevenstaande tabel.

De tabel bevat opmerkelijk resultaten. Ierland en Luxemburg zijn – uitgaande van output – de meest innovatieve landen en niet Zwitserland en Zweden. Hun scores op het gebied van enablers en firmactivities behoren tot de middelmaat. Duitsland scoort hoog op output en firmactivities, maar veel lager op enablers. Bij Zwitserland, Zweden, Noorwegen en Finland en in zekere zin ook Nederland en België is het tegenovergestelde het geval. Deze landen danken hun hoge score – ook op de Global Competitiveness Index – aan de kwaliteit van hun enablers en/of firmactivities.

Zo lang innovatie niet rechtstreeks kan worden gemeten, blijven we aangewezen op gebruik van proxi’s. Maar dan moeten deze wel beredeneerd worden geselecteerd en evenwichtig worden verdeeld over een aantal hoofdcategorieën. Dit is precies wat het World Economic Forum gaat doen bij de herberekening van de Global Competitiveness Index.

Een belangrijke overweging is dat de gekozen indicatoren meer recht doen aan nieuwe inzichten en gebruik maken van de nieuwste data. Na de financiële crisis zijn er bijvoorbeeld gegevens beschikbaar gekomen over de gezondheid van de bancaire sector. Bovenal moeten de indicatoren een sterkere oriëntatie op de toekomst krijgen. Om deze reden krijgt de ICT-infrastructuur maar ook het verwerven van beroepsvaardigheden in het onderwijs een sterker gewicht.

Onderstaande figuur toont de nieuwe structuur voor de berekening van de GCI. Het meest in het oog springt is de herziening van de berekening van innovatie.

screenshot-6De selectie van indicatoren is minder dan voorheen ingegeven door de idee dat innovatie het gevolg is de omzetting van technische kennis in vernieuwende producten. Daarentegen vindt innovatie plaats in een ecosysteem waarin bedrijven, wetgeving, waarden en normen het aangaan van verbindingen, creativiteit ondernemerschap, samenwerking en het gebruik van de nieuwste technieken bevorderen. Dit met het oog op de ontwikkeling van nieuwe ideeën en het naar de markt brengen van nieuwe producten en diensten. Ook de vernieuwing van het onderwijssysteem speelt daarbij een rol: Leven lang leren en nadruk op kritisch denken, meer diversiteit, minder hiërarchie.

Er zijn ook al nieuwe berekeningen gemaakt op basis van deze nieuwe inzichten. Deze bieden een boeiend perspectief. Hierop ga ik mijn volgende post op in.

[1] Zie voor een kritische bespreking van de waarde van deze index: De wankele basis van de innovatieranking: http://wp.me/p32hqY-fB

[2] Zie overigens ook mijn recente post over het innovatiespook, waarin ik de tot dusver meest valide innovatieranking bespreek: De ‘Global innovation index 2016’ kan hier ingezien of gedownload worden: https://www.globalinnovationindex.org/gii-2016-report

[3] Definitie ontleend aan de Oslo manual, die ook de makers van de Global Innovation Index gebruiken.

[4] De volatiliteit van innovatierankings: http://wp.me/p32hqY-fH

Staat de Universiteit van Amsterdam aan de vooravond van ingrijpende veranderingen?

De commissie Democratisering en Decentralisering heeft een viertal voorstellen ontwikkeld om de problemen binnen de UvA duurzaam op te lossen. Veel van deze oplossingen zijn ook voor andere universiteiten relevant.

optochtwebBijna een jaar geleden begon de commissie Democratisering en Decentralisering (commissie D&D) van de Universiteit van Amsterdam (UvA) haar werkzaamheden. Ze heeft zojuist jaar eindrapport gepresenteerd[1]. De instelling van deze commissie was een van de afspraken die college van bestuur, actiegroepen en medezeggenschap na de bezetting van het Maagdenhuis hebben gemaakt. Doel was te komen tot een meer democratisch functionerende en minder top-down bestuurde universiteit. Het zou niet zo maar een commissie moeten zijn; ze zou zich breed moeten oriënteren op wat onder medewerkers en studenten leeft en de hele universitaire gemeenschap zou zich in een referendum moeten kunnen uitspreken over de voorstellen van de commissie. Het college van bestuur zegde toe zich aan de uitslag te committeren, mits deze eenduidig is en binnen de wet blijft.

Probleemanalyse

De commissie heeft bij de aanvang van haar werkzaamheden met honderden medewerkers en studenten gesproken en ze heeft zich verdiept in alles wat er voor tijdens en na de bezettingsacties is geschreven. Ze heeft enig onderzoek laten verrichten en een tweetal projecten uitgevoerd. Uit dit alles bleek dat de universiteit inderdaad veel problemen heeft maar dat er ook grote verschillen zijn in de weging en de benoeming daarvan. Deze verschillen bestaan tussen maar vooral ook binnen faculteiten.

downtopwebDe problemen binnen de UvA kunnen worden verdeeld in twee categorieën: Problemen met betrekking tot beleid en problemen met betrekking tot organisatie en bestuur. Wat de problemen met beleid betreft, hiertoe horen onder andere het feit dat meer dan de helft van het personeel in tijdelijke dienst is en weinig uitzicht heeft. Maar het gaat ook om het sterk doorgevoerde rendementsdenken en de weinig gelukkige activiteiten van achtereenvolgende colleges van bestuur op het gebied van fusie en samenwerking met de Hogeschool van Amsterdam en de Vrije Universiteit.

De bestuurs- en organisatieproblemen betreffen een tekort aan medezeggenschap en een tekort aan autonomie. Het tekort aan medezeggenschap verwijst onder andere naar de beperkte bevoegdheden van ondernemings- en studentenraden, het gebrek aan communicatie met de achterban en het als zodanig ervaren gebrek aan ondersteuning en informatie. Overigens vindt een aantal medewerkers en studenten dat de medezeggenschap gewoon slecht functioneert. Het tekort aan autonomie heeft betrekking op de vergaande mate van bemoeienis met onderzoek en met name onderwijs door het college van bestuur en de decanen van faculteiten en de door hen aangestelde directeuren. Dit probleem werd nagenoeg door alle medewerkers en studenten beaamd.

topdowntafelDe commissie is ingesteld om voorstellen te doen om problemen met betrekking tot organisatie en bestuur aan te pakken, maar gaandeweg raakte ze ervan overtuigd dat beleidsproblemen en bestuursproblemen nauw samenhangen en deels een gemeenschappelijke oorzaak hebben. De medezeggenschap is in de afgelopen jaren niet bij machte geweest om het beleid dat op centraal en facultair niveau bij te sturen. Tegelijkertijd ontaardden veel discussies tussen bestuurders en medezeggenschap in proceduredebatten in plaats dat men zich gezamenlijk beraadde over de koers die de universiteit zou moeten varen. Sommigen spreken in dit verband over een slechte bestuurscultuur. De commissie concludeert daarom dat haar voorstellen een perspectief moeten bieden op de oplossing van zowel beleids-, bestuurs- en organisatieproblemen. Daartoe doet de commissie vier voorstellen.

  1. Senaat nieuwe stijl

De meeste universiteiten hebben een senaat. Deze  adviseert het college van bestuur over onderwijs en onderzoek. De samenstelling gebeurt doorgaans door coöptatie. Haar adviezen zijn daarom vooral representatief voor de senaat zelf. De New York City University (40.000 studenten en 10.000 medewerkers) heeft ook een senaat, maar die representeert alle geledingen van de universiteit, inclusief college van bestuur en decanen. Het aantal leden is dan ook meer dan honderd. De senaat adviseert over belangrijke beleidsuitgangspunten en stelt commissies in om deze adviezen voor te bereiden. De commissie D&D adviseert zo’n soort senaat ook in te stellen aan de UvA. Het is een deliberatief forum dat zich uitspreekt over de koers van de universiteit, de waarden en doelen die aan het beleid ten grondslag liggen en die de huidige problemen tegen het licht houdt. De commissie D&D vraagt in het referendum aan de universitaire gemeenschap zich uit te spreken over de wenselijkheid van een senaat nieuwe stijl.

  1. Charter van de Universiteit van Amsterdam

diversiteitwebHet is de taak van de senaat nieuwe stijl om de belangrijkste waarden en doelen van de UvA te bediscussiëren en vast te leggen. De commissie heeft D&D heeft voorzet gegeven door een achttal kernwaarden te formuleren, te motiveren en met voorbeelden te adstrueren hoe deze kunnen bijdragen aan de oplossing van de huidige problematiek. Het charter bevat normerende uitspraken over de relatie tussen universiteit en samenleving, over de relatie tussen onderwijs en onderzoek, over het versterken van de universiteit als academische gemeenschap en over de manier waarop de universiteit bestuurd en georganiseerd zou moeten worden. De commissie D&D legt deze eerste aanzet tot een charter aan de universitaire gemeenschap voor met de vraag of dit een bruikbaar uitgangspunt vormen voor het beleid en bestuur in de toekomst.

screenshot

  1. Een nieuw bestuursmodel

De commissie heeft drie modellen uitgetekend van een meer democratische en gedecentraliseerde bestuursstructuur dan de huidige. Deze laatste vormt het vierde model (zie bovenstaande afbeelding). De verschillen tussen de modellen zijn te herleiden op keuzen binnen zes verschillende thema’s, zoals democratisering van het centrale niveau, de organisatie van het decentrale niveau, democratisering op het decentrale niveau maar ook het voortbestaan van faculteiten. Deze keuzen binnen de zes thema’s hangen samen met het feit dat sommige waarden die in het charter beschreven staan, belangrijker worden geacht dan andere. Wie binnen elk van de onderscheiden thema’s dezelfde accenten legt komt uit bij een van de vier modellen. Wie meer eclectisch te werk gaat ontwerpt zelf een ‘regenboogmodel’. De commissie D&D legt de zes thema’s aan de universitaire gemeenschap voor en vraagt binnen elk van deze thema’s een keuze te maken.

  1. Verbeteringen op korte termijn

Onderwijs - democratisering organogramDe democratie binnen de universiteit zou al gebaat zijn met de doorvoering van een reeks relatief kleine veranderingen, zoals tegengaan van stapelen van functies in de medezeggenschap, opnemen van rollen in de medezeggenschap in het functieordeningsysteem, gebruik van digitale hulpmiddelen om besluiten snel te communiceren en vaststelling van onderwijs- en examenreglementen op opleidingsniveau. De commissie adviseert aan alle esturen en raden  om deze voorstellen op korte termijn te bespreken en in te voeren. Ze maken geen deel uit van het referendum.

Hoe verder?

De commissie kijkt met spanning uit naar de discussie die haar rapport zal losmaken en naar de uitkomst van het referendum. Wil het referendum van enigerlei waarde zijn dan moet de opkomst onder studenten rond de 10% zijn. Als dat het geval is, blijkt onder andere hoe groot het draagvlak binnen de universitaire gemeenschap is voor verandering en welke koers daarbij de voorkeur heeft.

Maar de commissie verwacht ook dat het rapport binnen andere universiteiten en door de politiek wordt gelezen. Het mag in andere universiteiten meestal minder heftig toe gaan dan aan de UvA; veel van de beschreven problemen zijn ook daar aan de orde. Het belang van de oplossingen die de commissie D&D aandraagt reikt daarom veel verder dan de UvA alleen.

Het lidmaatschap van de commissie D&D was een boeiend proces. Dit betrof in de eerste plaats het kennisnemen van de veelheid aan denkbeelden vanuit de universitaire gemeenschap maar zeker ook het ontwikkelen van een eensluidend standpunt binnen de commissie over de interpretatie van wat we allemaal hoorden en lazen. Uit het feit dat het rapport er ligt mag iedereen terecht afleiden dat dit is gelukt.

[1] Het eindrapport, getiteld Een universiteit van waarde(n) is te vinden op de website van de commissie Democratisering & Decentralisering: http://commissiedd.nl/wp-content/uploads/2016/10/Eindrapport-Commissie-Democratisering-Decentralisering-1.pdf

 

Herontwerpen van organisaties. Van bovenaf of van onderop?

De overgrote meerderheid van leidinggevenden wil naar een nieuw organisatiemodel, maar staat niet te trappelen om de eigen functie te verliezen. Daarom hebben de voorstellen van Deloite in hun nieuwe rapport Human Capital trends een wat gespleten karakter

Elk jaar publiceert Deloitte University een nieuwe editie van Human Capital Trends[1], waarvoor dit jaar 7000 leidinggevenden uit 140(!) landen een enquête invulden. Thema is de nieuwe organisatie. Norganisatie-leiderschap-3a jarenlang vruchteloos proberen om de betrokkenheid van het personeel te vergroten, leiderschap te versterken en te bouwen aan een nieuwe cultuur, is maar liefst 92% van de leidinggevenden overtuigd van de noodzaak om hun bedrijf of instelling zelf te
herontwerpen. De reden die ze daarvoor opgeven is dat millennials zich lastig zouden voegen in een traditionele functionele en hiërarchische organisatie (en zij niet alleen). Ook de nieuwe mogelijkheden van ICT en de noodzaak om veel sneller op externe veranderingen te reageren spelen een rol.

De nieuwe organisatie is gebaseerd op genetwerkte teams waarvan zowel het takenpakket als de samenstelling geregeld veranderen. Terecht benadrukt het rapport dat voor deze organisaties een ander soort leidinggevenden nodig is en het vertelt met instemming het verhaal van een bedrijf dat zijn 500 directeuren naar een intensieve training stuurde. Toen ik dat las, sloeg de twijfel toe.


Organisatie - Laloux reinventing organizationOver de noodzaak om de organisatie van instellingen te veranderen zijn talloze min of meer wetenschappelijke publicaties verschenen. Een kleine selectie: Als eerste noem ik het boek van Ricardo Semler over diens Braziliaanse bedrijven[2]. In 2014 verscheen Unboss, een boek vol praktische aanwijzingen om de rol van het management te verminderen en de regelbevoegdheid van medewerkers op de werkvloer uit te breiden[3]. Het meest gelezen boek op dit ogenblik is Frederic Laloux’ Reinventing Organizations[4]. De auteur laat zien dat alle voorgaande organisatievormen functioneel waren in hun tijd, maar door de ontwikkeling van de samenleving achterhaald zijn. Het boek Holacracy is het meest technisch; het behandelt tot in detail hoe zelforganisatie kan worden georganiseerd[5]. Tenslotte, Freedom, Inc. van Isaac Getz en Brian Carney[6]. Dit boek is gebaseerd op vijf jaar veldwerk in 25 bedrijven met een vergaande mate van zelforganisatie en –sturing.

organisatie-zelfmanagement-2Alle genoemde boeken benadrukken de noodzaak van een ander soort leiderschap. Zij zoeken dit vooral in de vervanging van gepersonaliseerd door gedistribueerd leiderschap. Daarbij verdelen teamleden leidinggevende taken en iedereen doet waar hij of zij goed in is. Een van de medewerkers neemt bijvoorbeeld beheerstaken op zich, een ander treedt op als coach en weer iemand anders vertegenwoordigt het team extern[7]. Het zetten van deze stap vraagt uiteraard meer dan alle directeuren op cursus te sturen. Immers, de meeste zullen geen directeur meer zijn.

organisatie-zelfmanagement-1In het ontwerpen van organisaties zijn grofweg twee benaderingen mogelijk. De eerste start onderop vanuit de taken die geklaard moeten worden en bouwt daarop verder. Uitgangspunt is dat medewerkers zo veel mogelijk zelf kunnen beslissen. De tweede start vanuit het (top)management en gaat na hoe de ‘bestuurbaarheid’ van de organisatie kan worden verbeterd. Ook deze aanpak heeft gevolgen; het middenmanagement wordt vaak weggestreept, en daarvoor in de plaats komen nieuwe leidinggevenden die – zoals dat heet – de teams moeten mobiliseren, organiseren, motiveren en coachen.

Beide benaderingen vertegenwoordigen verschillende vormen van denken. Het lijkt erop dat Deloitte ze gelijktijdig toepast. Design thinking wordt gebruikt om nieuwe teams in te richten en tegelijkertijd wordt daar overheen een leiderschapsstructuur geprojecteerd uitgaande van het ‘oude’ planning & control denken. Taken en verantwoordelijkheden worden gedecentraliseerd; bevoegdheden veel minder.

Mogelijk kan Deloitte ook niet veel anders. Het geven van organisatieadviezen is voor deze organisatie spitsroeden lopen. Het zijn immers de directeuren die Deloite opdrachten geven en je kunt deze groep daarom niet zo maar wegdefiniëren. Toch hoop ik dat Deloite’s adviezen weerklank krijgen in bedrijven en instellingen waar zelfmanagement een stap te ver is.

In essentie is het herontwerp dat Deloitte voorlegt is gebaseerd op onderstaande principes:

  • Groepen van medewerkers vormen klant-, product-, markt- of missie-georiënteerde teams, geleid door experts in plaats van professionele managers.
  • Teams formuleren eigen doelen en ze nemen eigen beslissingen binnen de context van een overkoepelend plan of strategie
  • Aan functiegroepen gekoppelde informatie wordt vervangen door integrale informatie.
  • Werken in teamverband wordt intensief begeleid en getraind; tussen teams worden liason officers benoemd
  • Functiebeschrijvingen vermelden geen takenpakket maar competenties
  • Boventallige managers verrichten taken op het gebied van planning, strategie en communicatie

organisatie-intrepreneurship-2

Deze aanpak kan een stap zijn richting zelfmanagement, maar er schuilen minstens vier gevaren in:

  • De nadruk op teamleiders met veel inhoudelijke ervaring kan er toe leiden dat medewerkers altijd naar ‘Het Grote Voorbeeld’ kijken en initiatieven achterwege laten. Als gezegd, leiderschap heeft vele facetten en die hoeven niet door een persoon te worden vervuld.
  • Ontwikkeling van ‘ondernemende’ en initiatiefrijke teams veronderstelt een ruime mate van bewegingsvrijheid. Zij moeten zelf hun doelen stellen en daarover overeenstemming bereiken met de leiding van de organisatie. Nog beter is als zij zelf invloed hebben op de strategie van het bedrijf of de instelling.
  • Voorkomen moet worden dat ‘boventallige’ leidinggevenden een vijfde colonne vormen en – net als voorheen – de strategie van een bedrijf of instelling bepalen. Beter is als zij taken zoeken binnen de teams en daar hun expertise inbrengen.
  • De keuze voor een organisatie met teams die zelfs maar ten dele autonoom zijn, heeft grote gevolgen voor de rest van de organisatie. CEO’s die 50 tot 100 maal meer verdienen dan de gemiddelde werknemer zijn uit den boze.

In een volgende blogpost ga ik in op de gevolgen voor de leiderschapsindustrie en om het nog één keer zo te noemen, het human resource management.

[1] Je kunt het rapport hier lezen of downloaden: https://goo.gl/Lp2gVF. Deze site bevat tevens verschillende korte filmpjes. Het rapport bevat veel meer facetten dan hier worden besproken.

[2] Ricardo Semler: Semco stijl, Boekerij 2013

[3] Lars Kolind & Jacob Botter: Unboss, Vakmedianet Management, 2014

[4] Frederic Laloux: Reinventing organizations (ook in het Nederlands): Het Eerste Huis, 2015

[5] Brian Robertson: Holacracy, Atlas Contact, 2015

[6] Isaac Getz & Brian Carney: Freedom, Inc. Die Keure, 2014.

[7] Zie het recente boek van de TUe-hoogleraar Sjoerd Romme: The Quest for Professionalism; the case of management and entrepreneurship, Oxford University Press 2016.

Het innovatiespook

Onlangs is de Global Innovation Index 2016 verschenen. Ik leg uit dat het instrument niet valide is, weinig zegt over innovatie en onbruikbaar is voor beleid.

In verschillende blogposts, zoals Stop de innovatiegekte[1], Vooruit en achteruit innoveren[2] en Niet innovatie maar missie bepaalt of bedrijven zullen overleven[3] heb ik mij kritisch uitgelaten over innovatie. Ik zie overigens het belang van de ontwikkeling van nieuwe of verbeterde goederen terdege in. In deze blogpost sta ik – ook niet voor het eerst – stil bij innovatieratings. Dit naar aanleiding van de publicatie van de Global Innovation Index 2016[4]. De validiteit van deze en soortgelijke ratings is naar mijn mening vrijwel nihil; ze verklaren niets en ze zijn ongeschikt als basis voor beleid.

images-2

In de Achterhoek wordt soms met enige huiver over ‘witte wieven’ gesproken. Dat zijn flarden grondmist, waarin onze voorouders spoken zagen. Innovatieratings lijken daarop: Ze zijn niet wat je denkt. Je denkt dat je met innovatie te maken hebt, maar het gaat om iets anders.

Innovation is …..the implementation of a new or significantly improved product (good or service), a new process, a new marketing method or a new organizational method in business practices, workplace organization, or external relations[5].

Echter, zo stellen de makers van de Global Innovation Index, gegevens om deze definitie op het niveau van landen te operationaliseren ontbreken. Jammer, denk je dan. Dan maar geen rating. In plaats daarvan gebruiken de makers gegevens over ‘het klimaat’ waarin innovatie gedijt en ‘de infrastructuur’ die voor innovatie nodig is. In totaal ruim 80 variabelen, die geordend zijn in een aantal pijlers en sub-pijlers (Zie de onderstaande figuur).

screenshot-2

Het manco van deze werkwijze is dat voor elke variabele wel een relatie met innovatie te bedenken is. Zo’n relatie kan echter net zo goed worden beredeneerd tussen elk van deze variabelen en concurrentiekracht, groeipotentieel of zelfs welzijn. Het is niet toevallig dat een andere prestigieuze rating, de Global Competitiveness Index 2015 – 2016[6] deels dezelfde variabelen gebruikt, maar dan als indicatoren van de concurrentiekracht van landen. Maar hoe die beïnvloeding precies gaat, hoe de variabelen op elkaar inwerken, en welke het meeste gewicht in de schaal leggen, blijft buiten beschouwing. De innovatierating zegt nog het meest over de welvaart van landen. Uit onderstaande figuur blijkt dat de innovatie-indices sterke samenhang vertonen met het bruto nationaal product. Dat ligt voor de hand: Hoe welvarender een land is, hoe meer middelen er zijn om nieuwe producten en diensten te ontwikkelen en deze leiden op hun beurt weer tot toename van de welvaart.

screenshot

Een opvallende uitzondering op de regel dat innovatie-indices en welvaart nauw samenhangen is China. Dit land is opgeklommen naar de 25ste plaats van de index, terwijl het tot de landen met een hoger-middeninkomen behoort. Alle andere landen op de plaatsen 1 – 34 behoren tot de hoogste inkomensgroep. China heeft deze hoge score te danken aan de omvang van leningen aan de private sector (een bedenkelijk gegeven!), de hoeveelheid verhandelde aandelen, de omvang van de thuismarkt, de investeringen in R&D, de import en export van technisch-geavanceerde producten (niet noodzakelijkerwijs innovatief, denk aan de export naar Afrika) en de hoeveelheid in eigen land geregistreerde patenten. Niet onmiddellijk zaken waaraan je denkt bij innovatie.

Een ander voorbeeld is Nederland. Dit land neemt de 9de plaats in. Vorig jaar was dat nog de 4de plaats. De teruggang komt vooral doordat een aantal nieuwe indicatoren nadelig voor Nederland  uitpakt. Deze plaats is toe te schrijven aan hoge scores op de volgende indicatoren: De effectiviteit van onze overheid, de naleving van de wet, de efficiëntie van transport en vervoer, het grote aantal domeinregistraties, het aantal uploads op youtube (sic), de kennisintensieve werkgelegenheid (hiertoe behoren managers, ambtenaren en alle vormen van professionals), de samenwerking tussen universiteiten en bedrijven en de rol van ICT bij nieuwe business- en organisatiemodellen. Typerend voor een postindustriële samenleving, maar ook weer niet hetzelfde als innovatie.

Het bezwaar tegen het rapport is dat het innovatieve karakter van een land gelijk wordt gesteld aan de optelsom van scores op een reeks indicatoren van uiteenlopende aard, waarvan de keuze niet nader wordt beredeneerd. De processen die schuilgaan achter de score van China zijn echter van totaal andere aard dan die achter de score van Nederland en dat geldt voor alle landen. De enige zekerheid is dat hoe welvarender een land is, hoe hoger de score.

Wie door de bossen in de Achterhoek loopt en witte flarden ziet, twijfelt er niet aan dat het mist is. Wie innovatieratings ziet, doet er verstandig aan hetzelfde te doen.

[1] 14 november 2013: http://wp.me/p32hqY-61

[2] 5 maart 2015: http://wp.me/p32hqY-bs

[3] 25 februari 2016: http://wp.me/p32hqY-sA

[4] De ‘Global innivation index 2016’ kan hier ingezien of gewownload worden: https://www.globalinnovationindex.org/gii-2016-report

[5] Gangbare definitie ontleend aan de Oslo Manual, die ook de makers van de Global Innovation Index gebruiken.

[6] Bekijken en downloaden: http://reports.weforum.org/global-competitiveness-report-2015-2016/

Engels in het hoger onderwijs. Een twijfelachtig marketing instrument

Universiteiten breiden het aantal Engelstalige opleidingen uit om meer studenten aan te trekken. Dat kan erg nadelig uitpakken voor Nederlandse studenten.

 

Verschillende kranten hebben onlangs aandacht besteed aan het gebruik van Engels als voertaal in het onderwijs. Een goede zaak, als aan stringente voorwaarden is voldaan. Dat is zelden het geval.

Er zijn twee redenen om Engels als voertaal in te voeren: Aantrekken van meer studenten en creëren van een meer diverse studentenpopulatie.

images

Aantrekken van meer studenten is voor veel opleidingen aantrekkelijk omdat in de financiering van het hoger onderwijs het aantal ingeschreven studenten en het aantal behaalde diploma’s een belangrijke rol spelen. Om meer studenten aan te trekken is het wenselijk dat een instelling voor hoger onderwijs in een aantrekkelijke stad ligt (daar valt beleidsmatig weinig aan te doen) en dat de opleiding aantrekkingskracht uitoefent. Daarvoor worden vooral in het hbo, maar steeds meer ook in universiteiten, verleidelijke namen bedacht (sport management, business communication). Aan de vorm van de opleiding wordt niet veel aandacht besteed; hoorcolleges domineren, wat erop neer komt dat er vooral en beroep wordt gedaan op de Engelse taalbeheersing van docenten, waarvan de kwaliteit zeer wisselend is.

images-1Vergroten van de diversiteit is een ander verhaal. Dat begint overigens niet met buitenlandse studenten, maar uit verbeteren van de instroom van capabele studenten uit minderheidsgroepen in Nederland zelf. In dat geval staat de meerwaarde van gemengde groepen voorop. Deze kan zijn dat studenten elkaars achtergronden beter te leren kennen, maar ook dat ze beter Engels (leren) spreken. Om dit doel te bereiken is het niet voldoende als er diverse nationaliteiten in de collegezaal zitten en de docenten zich verstaanbaar proberen te maken. In plaats daarvan dient de inrichting van het onderwijs zelf kleinschalig te zijn, bijvoorbeeld door veelvuldig in kleine groepen te werken.

Hier wringt echter de schoen. De gemiddelde Nederlandse student kent een of twee duizend Engelse woorden en sommigen gaan daar handig mee om. Kleinschalig hoger onderwijs verwacht van studenten dat ze verder komen dan het parafraseren van wat ze in een boek hebben gelezen. Ze moeten samenhangen zien, vragen stellen, een probleemstelling kunnen formuleren; kortom hogere denkvaardigheden verwerven en leren toepassen. Iets waar Nederlandstalige studenten veel moeite hebben. Logisch, want dit soort vaardigheden komt in het voortgezet onderwijs nauwelijks aan de orde. Het is daarom wenselijk dat studenten eerst academische vaardigheden verwerven in de moedertaal, parallel daaraan aan hun taalvaardigheden werken en pas daarna gaan participeren in Engelstalige groepen. Studenten die tweetalig middelbaar onderwijs hebben gehad zijn daar uiteraard eerder aan toe dan andere studenten.

images-3
Als eerstejaars bachelor studenten meteen bloot gesteld worden aan Engelstalige onderwijsgroepen, is het gevaar groot dat de ontwikkeling van hogere denkvaardigheden stagneert, maar ook dat hun woordenschat in het Engels niet groeit

images-4De oplossing is eenvoudig. Het kost opleidingen die vanwege hun kleinschaligheid een groot aantal parallelgroepen hebben niet veel moeite als studenten zelf een taal kunnen kiezen (eventueel na een taaltest). Studenten die Engels slecht beheersen kunnen enige tijd taalles volgen en geleidelijk aan Engelstalige groepen gaan deelnemen. Er is ook niets op tegen om zelfs méér talen aan te bieden. In het begin ligt dan de nadruk op de ontwikkeling van academische vaardigheden in de taal die studenten het best beheersen. Studenten zijn daarmee dan veel beter voorbereid op het volgen van Engelstalige masteropleidingen in binnen- en buitenland. Er is ook niets op tegen als studenten die zowel slecht Nederlands als slecht Engels spreken, langer doorgaan met Nederlandstalige groepen om al doende beter te integreren in de Nederlandse samenleving.

Opleidingen waar overwegend docenten Engels spreken en studenten zich hoeven te beperken tot het volgen van Engelstalige colleges zijn om veel redenen ongewenst. Zelfs uit oogpunt van marketing is kleinschalig onderwijs met de mogelijkheid om zelf een taal te kiezen verreweg superieur.

Hoeveel kennis hebben we nog nodig om de wereld te redden?

Er staat ons steeds meer kennis ter beschikking maar we ze speelt nauwelijks en rol bij de aantal van maatschappelijke problemen. Dit heeft te maken met de manier waarop kennis tot stand komt en hoe onderwijs deze denkt te moeten ‘overdragen’.

Kennis is alom vertegenwoordigd. Hetzelfde geld overigens voor stupiditeit, geldzucht, fundamentalisme en machtsmisbruik. Helaas niet voor vrede, geluk of wijsheid. Ondanks het feit dat de wereldgezondheid, het gemiddelde inkomen, het onderwijs en niet vergeten de techniek de laatste 50 jaar vooruit zijn gegaan, is de wereld is er niet beter op geworden, al onze wetenschap ter spijt.

De vraag is of we nog meer kennis nodig hebben om de problemen waarmee de wereld kampt op te lossen of dat we misschien anders met kennis moeten omgaan. Om deze vraag te beantwoorden ga ik in op vier onderwerpen: de productie, de verspreiding, het gebruik en het verwerven van kennis.

einsteinalbert-technology800px

De productie van kennis

Het aantal wetenschappelijke onderzoekers binnen en buiten universiteiten is nog nooit zo groot geweest als nu. De groei van al deze kennis overtreft ieders absorptievermogen. De tijd dat de kennis van afzonderlijke vakgebieden in handboeken kon worden weergegeven is voorbij. Die vakgebieden zijn zelf niet meer te overzien. In plaats daarvan vormen los verbonden groepen van maximaal 200 wetenschappers wereldwijde netwerken van tamelijk eensgezinde personen rond gespecialiseerde thema’s. Meestal binnen maar steeds vaker ook tussen vakgebieden. Ze voeren er hun discussies, publiceren in eigen tijdschriften en ze bepalen welke methoden goed zijn en welke niet. Voor de buitenwereld zijn deze netwerken amper toegankelijk en is hun betekenis gering. Weggegooid geld?

De verspreiding van kennis

Het aantal wetenschappelijke publicaties verdubbelt sinds 1950 elke negen jaar. Helaas zijn de resultaten van veel publicaties op hetzelfde onderwerp lastig te vergelijken vanwege uiteenlopende vooronderstellingen, axioma’s, variabelen, definities, methoden en omvang van de onderzochte populaties. We weten veel, maar tegelijkertijd ook weinig. Buitenstaanders die potentieel baat konden hebben bij het lezen van wetenschappelijke publicaties doen dit allang niet meer vanwege hun specialistische karakter en gebrek aan relevantie. Minder dan 1% van alle managers leest ooit een wetenschappelijk artikel. Wetenschappelijke publicaties zijn grotendeels verworden tot een duur middel om de pikorde binnen wetenschappelijke instituties vast te stellen.

hendersonlawrence-steam800x400px

Het gebruik van kennis

Gelukkig zijn er ook mensen in alle sectoren van de samenleving die hunkeren naar een betere wereld en daaraan een bijdrage willen leveren. Hetzelfde geldt voor een aantal wetenschapsbeoefenaren. Beide groepen moeten elkaar vinden en gaan samenwerken. Hiervoor is nodig dat wetenschappers hun netwerken uitbreiden en er ook vertegenwoordigers van bedrijven, instellingen NGO’s en burgerinitiatieven aan gaan deelnemen. Uitgangspunt is samen zoeken naar een ‘match’ tussen interessen van de onderzoekers en behoeften uit de praktijk. Vruchtbare samenwerking hangt af van de groei van wederzijds vertrouwen en samenwerking rond thema’s, ieder vanuit de eigen rol. Betekenisvolle kennis ontstaat in de context van haar toepassing[1]. Dat kunnen overigens ook fundamentele inzichten zijn. Kennis die op de plank ligt, is doorgaans onbruikbaar. Om deze reden is de term ‘valorisatie’ ook zo slecht gekozen.

Hoger onderwijs

Hoger onderwijs kan een bijdrage leveren aan het een andere manier ontwikkelen en verspreiden van wetenschappelijke kennis. Helaas denken veel docenten nog in termen van kennisoverdracht. Ze vinden dat het onderwijs eerst een stevige bodem van disciplinaire basiskennis moet leggen en dat studenten pas daarna kunnen leren om er iets mee te doen. Dit is misvatting; beschikken over zogenaamde basiskennis alleen, helpt nauwelijks bij de aanpak van ‘realistische problemen’. De oorzaak is de afwezigheid van een ‘match’ tussen de disciplinaire ordening van die kennis en het gesitueerde karakter van problemen. De vaardigheid om op analytische en kritische wijze met ‘realistische problemen’ om te gaan ontwikkelt alleen als het verwerven van kennis en het toepassen daarvan samengaan. Bij voorkeur vanaf de eerste dag dat studenten de universiteit betreden. Hiervoor bestaan inmiddels talloze methoden zoals project-, probleemgestuurd- en thematisch onderwijs. Om deze reden kunnen disciplinair georiënteerde bacheloropleidingen beter worden vervangen door thematische programma’s die studenten inleiden in de aanpak – met wetenschappelijke inzichten – van problemen op het gebied van energie en milieu, migratie en integratie, gezondheidszorg en meer.

Conclusie: kennis is overvloedig beschikbaar, maar het grootste deel daarvan is nutteloos om ‘de wereld te redden’. Tegelijkertijd is er een ernstig tekort aan kennis die is ontstaan en wordt bestudeerd in de context van haar toepassing en die wel een rol kan spelen bij de aanpak van prangende vragen.

[1] Het boek ‘Engaged scholarship’ van Andrew van de Ven is inspirerend gedachtengoed voor deze zienswijze.

Zelfmanagement: De (lange) weg naar het nieuwe normaal

De ontwikkeling naar zelfmanagement is onomkeerbaar maar gaat niet vanzelf. In deze post 5 kritieke succesfactoren. Maar het klein beginnen zet soms de toon.

De vorige blogpost ging over de opkomst van zelfmanagement in bedrijven en instellingen. Zelfmanagement kan het begin zijn van nieuwe arbeidsverhoudingen en van duurzame en sociaal verantwoorde organisaties, die tevens succesvol opereren. Maar die ontwikkeling zal niet zonder slag of stoot gaan.

Organisatie - complexity zwerm spreeuwen

Daarvoor heeft het huidige management te veel financiële en andere belangen bij de bestaande situatie. Maar ook voor werknemers kan de verandering te groot zijn. Er is niet veel bekend over initiatieven die in een pril stadium op niets uitlopen. Wel van bedrijven en instellingen waar zelfmanagement is gelukt (de meeste) of mislukt. Dit is bijna altijd het gevolg van de afwezigheid van enkele kritieke succesfactoren[1]. Hieronder volgen de belangrijkste.

  1. Onvoorwaardelijke steun van eigenaar of directie

De aap komt al meteen uit de mouw: De eigenaar, de ceo of de raad van bestuur moet sympathiseren met de idee van zelfmanagement. Dat is het geval bij FAVI, waar de directeur een belangrijke rol speelde bij de invoering van zelfmanagement. Bij Ideo was de oprichter enthousiast. Hetzelfde gold voor Buurtzorg Nederland. Er zijn ook de voorbeelden van beursgenoteerde bedrijven, maar in het geval van het Amerikaanse energieconcern AES (40.000 medewerkers) bleek ‘machtsgreep’ van een groep aandeelhouders fataal. Zij eisten naar aanleiding van enkele incidenten opnieuw ‘top down management’. Een klassiek voorbeeld van zelfmanagement uit Nederland – BSO/Origin, opgericht door Eckart Wintzen – raakte zijn identiteit kwijt na overname door Philips. Zelfmanagement is meer dan een ‘management tool’, zoals zelfsturende teams. Dit vanwege de ingrijpende gevolgen voor de omvang en de taak van het management. Zelfmanagement verandert niet alleen de rol van het management, maar ook de macht van gevestigde medezeggenschap. Daar zitten vakbonden niet op te wachten. Bij familiebedrijven, starters, onderwijsinstellingen en andere not-for-profit organisaties liggen de kansen het best.

  1. Geslaagde herpositionering van de leden van de raad van bestuur en het middenmanagement

Organisatie - overheadDe grootste weerstand tegen de invoering van zelfmanagement komt meestal van het hoger en het middenmanagement. Een missionaire ceo heeft er de handen mee vol om personen met managementtaken naar een voor hen passende plaats te begeleiden. Ook van managementfuncties die blijven bestaan, veranderen de bijbehorende bevoegdheden. Hun taak wordt begeleidend en dienend. Deze transitie is uiteindelijk vaak gelukt. Immers veel managers realiseren zich dat de keerzijde van hun macht en inkomen vaak eindeloze vergaderingen, besprekingen en conflicten zijn.

In een aantal gevallen bleven voormalige managers een aanhoudende stoorzender. Voor leden van het management die voortdurend obstructie plegen, is afscheid nemen de enige oplossing, al kost dat een paar centen. Overigens, bij FAVI is geen enkele manager vertrokken; zij zijn allen geïntegreerd in de minifabrieken en doen daar naar eigen leuker werk dan vroeger. Ze hebben wel hun oorspronkelijk salaris behouden en dat kan wringen.

  1. Afbreken symbolen van macht van het management

Meestal hebben ceo’s van bedrijven waar zelfmanagement is ingevoerd, een inkomen dat medewerkers als billijk ervaren. De ceo van FAVI[2] verdient vijf maal het salaris van de gemiddelde medewerker van dat bedrijf. Overigens verdienen medewerkers van bedrijven met zelfmanagement gemiddeld meer dan het cao-loon omdat het deze bedrijven vaak voor de wind gaat.

Uit den boze zijn speciale voorrechten voor het management als luxe bureaus, speciale eetgelegenheden en aparte parkeerplaatsen. Zuinigheid, kostenbewustzijn en een zekere mate van soberheid zijn wenselijk.

Organisatie - Parkeerplaats directieOmgekeerd, medewerkers hebben soms rechten waarvan collegae uit andere bedrijven versteld staan. Bij FAVI hebben alle medewerkers een creditkaart met een tegoed van €500 waarmee ze uitgaven mogen doen in het belang van het bedrijf. Hiertoe hoort ook een lunch onderweg. Er staan permanent enkele bedrijfsauto’s klaar waarvan ze de sleutel alleen maar hoeven te pakken. Vaak is het eten en drinken in de kantine gratis.

  1. Het gebouw

Voor welk type gebouw ook wordt gekozen, medewerkers dienen bij de inrichting ervan te zijn betrokken. Een kantoor heeft in dit opzicht meer mogelijkheden dan een fabriek, onderwijsinstelling of ziekenhuis. In de meeste gevallen is er sprake van een evolutionair proces waar een kale kantoortuin in een jaar tijd een spectaculair aanzien krijgt, inclusief faciliteiten die medewerkers zelf uitkiezen. Zelfmanagement vereist geregeld (informeel) overleg en dat stelt beperkingen aan thuiswerken, ondanks alle moderne communicatievoorzieningen. Om die reden is goede interne bereikbaarheid nodig. Zo werd een kantoorgebouw met traditionele etages en een losstaand trappenhuis grondig verbouwd door alle etages door te breken en er een atrium van de maken met inwendige trappen.

  1. Permanent onderhoud

De cultuur van zelfmanagement vergt permanent onderhoud. Dit gebeurt door participatie aan cursussen, trainingen, discussiebijeenkomsten. Bijna dagelijkse aanwezigheid, een plezierige werkomgeving, gezamenlijke uitstapjes, voordelen als gratis lunches, bedrijfsauto’s en niet in de laatste plaats goede bedrijfsresultaten zijn minstens zo belangrijk. Hierdoor blijven medewerkers de balans zoeken tussen het eigen belang, het belang van de eigen afdeling en dat van de organisatie als geheel. De zichtbare aanwezigheid bij van en deelname aan al deze activiteiten van ceo is van cruciaal belang, maar ook hun toegankelijke opstelling.

Het Deense bedrijf Opticon maakte onder leiding van ceo Lars Kolind – een van de auteurs van Unboss – een gigantische bloei door na de invoering van zelfmanagement. Geleidelijk kreeg Kolind het zo druk met het uitdragen van de ideeën achter zelfbestuur, dat hij Opticon wat uit het oog verloor. Het gevolg was dat het bedrijf weer steeds meer ging lijken op een hiërarchische organisatie. Kolind kon het tij niet keren en nam ontslag.

Organisatie - autonomie1Voorstanders van zelfmanagement moeten zich door het bovenstaande niet laten afschrikken. Het heeft wel degelijk zin om op kleine schaal met experimenten te beginnen[3]. Zulke experimenten vinden bijvoorbeeld plaats bij de nationale politie en zijn van onderop gestart. De invoering van zelfsturende teams kan een eerste stap zijn. Vertegenwoordigers van zulke teams kunnen vervolgens bij hun directie en ondernemingsraad aandringen in te stemmen met uitbreiding van hun bevoegdheden, eventueel na een periode van experimenteren. Aan te raden is om een buitenstaander dit proces te laten coachen. Na enige tijd kunnen kan gesproken worden over de gevolgen voor de rol van het management. De bereidheid van werknemers om initiatieven te nemen en verantwoordelijkheid te dragen staat of valt met het feit dat ze daarvoor ook de ruimte krijgen. Tegelijkertijd spreken we hier ook van het onderscheid tussen bedrijven en instellingen die op termijn succesvol zijn en niet. Managers hebben geen keuze om in deze trend mee te gaan, ongeacht welke gevolgen dat op termijn voor hen heeft.

[1] Het navolgende is gebaseerd op de publicaties die in de vorige blogpost zijn vermeld: http://wp.me/p32hqY-GV

[2] Zie eveneens mijn vorige blogpost voor een beschrijving van het Franse bedrijf FAVI

[3] Het Rijnland Praktijkboekje (2012), J. Peters en M. Weggeman; Nieuwe Tijden, anders organiseren (2014) e-book, J. Peters en H. Janssen

Zelfsturende teams en zelfmanagement: werelden van verschil

De ervaringen met zelfsturende teams zijn niet onverdeeld gunstig. Maar zelfmanagement is iets heel anders en neemt snel toe

Zelfsturende teams komen al geruime tijd voor. Een bedrijf of instelling geeft een team veel verantwoordelijkheid en de teamleden moeten daar samen naar zien te handelen. Wat doorgaans niet gebeurt, is dat dit team ook vergaande bevoegdheden krijgt. Net als voorheen moet periodiek aan het management worden gerapporteerd. De impact van het lidmaatschap van zelfsturend team op de medewerkers is groot (stress!), die op het management veel minder.

Maar als er nu eens minder managers waren de teams hun eigen werk konden doen zonder daar aan een manager over te hoeven rapporteren? We spreken dan niet langer over zelfsturing maar over zelfmanagement.

Idee fix? Een snel groeiend aantal bedrijven en instellingen ontwikkelt zich richting zelfmanagement. In deze bedrijven daalt het aantal voltijdse managers aanzienlijk. De medewerkers zijn in bijna alle gevallen enthousiast en de organisaties worden er beter van. De resterende leidinggevenden beseffen dat zij niet meer worden overspoeld door zaken die net zo goed, zo niet beter, op de werkvloer zelf opgelost kunnen worden.

Eerst drie voorbeelden

FAVI (Frankrijk)

FAVI is een fabriek die koperen onderdelen maakt voor kranen, versnellingsbakken, elektrische motoren, en medische apparatuur. Er werken 600 mensen. Tot 1983 was het een traditioneel middenbedrijf met 80 werknemers en vijf management lagen. De arbeiders werkten in ploegendienst, er waren prikklokken, ze kregen stukloon en er golden talrijke ge- en verboden. In 1983 besloot de toen net benoemde CEO Jean-Francois Zobrist de organisatie drastisch te veranderen.

Organisatie - zelfbestuur FaviIn enkele jaren tijd veranderde de fabriek in 21 minifabrieken waarvan de werknemers samen verantwoordelijk waren voor productie en verkoop. De voormalige stafmedewerkers en directieleden hadden zich bij zo’n eenheid kunnen aan te sluiten. De minifabrieken voerden na enige tijd vrijwel alle werkzaamheden uit die nodig waren om de productie draaiend te houden en te verbeteren. Dat wil zeggen dat de opdrachten rechtstreeks naar de eenheden gaan, dat deze zelf nieuwe medewerkers aannemen en machines aanschaffen wanneer dat nodig is. Medewerkers zijn autonoom in de uitoefening van hun taken, en wekelijks is er (informeel) overleg binnen de eigen minifabriek. Elke minifabriek wijst een afgevaardigde aan die geregeld informeel en formeel overleg heeft met collegae uit andere minifabrieken. Het gaat vaak over het oplossen van tijdelijke capaciteitsproblemen en om het samen aanschaffen van nieuwe apparatuur.

Het bedrijf is voortdurend gegroeid en is in Frankrijk marktleider in zijn segment. De CEO en enkele directieleden geven aan dat hun voornaamste taak is om ‘de cultuur’ te bewaken, medewerkers te coachen en discussies over de koers van het bedrijf te voeden.

Buurtzorg Nederland

Organisatie - zelfbestuur Buurtzorg 2Deze instelling bestaat pas vanaf 2008, maar is inmiddels de grootste organisatie in Nederland op haar gebied. De oprichter Jos de Blok was manager in de thuiszorg en zag hoe dit werk totaal uit de hand liep. Thuiszorgorganisaties hadden bedacht om een aantal thuiszorgproducten te onderscheiden. Deze werden afhankelijk van de moeilijkheidsgraad toegewezen aan lager dan wel hoger gesalarieerde wijkverpleegkundigen. Deze haalden elke ochtend hun rooster op en reden langs cliënten, die ze niet kenden en ook nooit zouden leren kennen. Het gevolg was dat er makkelijk drie verschillende wijkverpleegkundigen op een dag bij een cliënt langskwamen om een exact voorgeschreven taak in exact voorgeschreven tijd uit te voeren.

Jos de Blok is in 2008 voor zichzelf begonnen en heeft een organisatie opgebouwd die inmiddels bestaat uit 600 teams van gemiddeld 12 wijkverpleegkundigen. Zij regelen zelf hoe ze cliënten het best kunnen helpen. Elk team gaat zelf op zoek naar huisvesting in de wijk en neemt nieuwe medewerkers aan. Op het hoofdkantoor werken maar 30 personen. Mocht een team onoplosbare problemen hebben, dan is er een coach die ze om hulp kunnen vragen. Onderzoek van KPMG heeft uitgewezen dat Buurtzorg de kwaliteit van de zorg heeft verbeterd, de kosten heeft verlaagd en de tevredenheid onder de cliënten en de medewerkers wezenlijk heeft vergroot.

Het Montessoricollege in Nijmegen

Onderwijs - Montessoricollege Nijmegen 2Het Montessoricollege in Nijmegen is een school voor voortgezet onderwijs. Tot een aantal jaren geleden lag de autonomie vooral bij afzonderlijke leraren. De schoolleiding regelde klas-overstijgende zaken. Deze namen snel toe en het aantal buitenschoolse activiteiten steeg eveneens . Ook de aanpak van probleemleerlingen vroeg om de nodige afstemming.

De schoolleiding heeft toen samen met een aantal docenten het initiatief gekomen om de werkprocessen binnen de school opnieuw in te richten. Het resultaat was dat aan eenheden van 150 – 180 leerlingen een vaste groep van 6 à 7 docenten werd verbonden. Deze docententeams zijn bevoegd om alle maatregelen te nemen die ze nodig achten in het belang van de leerlingen in hun deelschool, bijvoorbeeld de onderbouw havo-vwo. Teams betrekken de leerlingen van hun klassen periodiek bij het overleg. Afgevaardigden van leerlingen uit de deelschool komen ook onderling geregeld bijeen. Elk team heeft een leider, wiens taak het in de eerste plaats is een bijdrage te leveren aan het functioneren van het team. De aanpak van het Montessoricollege in Nijmegen wordt thans landelijk uitgerold, mede door de inzet van zijn voormalige rector, Ben van der Hilst.

Wat hebben bedrijven en instellingen met zelfmanagement gemeen?

  1. Decentralisatie van taken en bevoegdheden naar teams

Vrijwel alle bedrijven die zelfmanagement invoeren delegeren taken, verantwoordelijkheden en (een substantieel) deel van de bevoegdheden naar kleine eenheden. De omvang van die eenheden vatiëert van 6 – 20 personen, wat mede afhangt van de intensiteit van het vereiste overleg. Doorgaans zijn de organisaties waarvan deze eenheden deel uit maken groter, wat leidt tot parallelle of gekoppelde eenheden.

  1. Taken van stafmedewerkers worden onderdeel van takenpakket van overige medewerkers

De laatste 40 jaar is het aantal staffunctionarissen in bedrijven en instellingen snel gegroeid. Staffuncties nemen zelden werk uit handen van medewerkers in de lijn. In tegendeel, ze creëren werkzaamheden, waarvan de toegevoegde waarde vaak ter discussie staat. In Buurtzorg worden specifieke disciplines (bijvoorbeeld ‘coaching’) ingehuurd mede om te voorkomen dat functionarissen hun eigen werk gaan maken. Veel werk dat eerst door specialisten werd gedaan wordt toevertrouwd aan lijnmedewerkers, die het als taak in hun pakket opnemen. FAVI heeft bij voorbeeld geen HRM-, inkoop- en verkoop afdeling. Productiemedewerkers die over de vereiste vaardigheden beschikken, nemen zelf onderhoud en reparaties voor hun rekening. In de praktijk leidt dit tot meer kennis van en betrokkenheid bij de processen in een minifabriek.

  1. Werkoverleg – informeel en kort

Bij een teamgrootte van 20 of minder zal overleg overwegend informeel zijn. Bij dit overleg geldt meestal de regel dat iedereen die een beslissing neemt die buiten zijn of haar afgesproken taken of rol valt, overlegt met degenen die advies kunnen geven of die te maken krijgen met de gevolgen van die beslissing. Daarnaast is er meestal een keer in de week overleg, voor of tijdens de lunch.Grotere eenheden zullen meer gestructureerd overleg kennen. Het komt ook voor dat er in zo’n geval een besluitvormende vergadering is.

  1. Leidinggevenden, teamleiders en coaches

Het aantal personen met de naam leidinggevende, manager of directeur in een bedrijf of instelling met zelforganisatie en -bestuur is beperkt en hun functioneren is wezenlijk anders dan elders. Ze sturen zelden medewerkers aan, maar ze hebben vooral ondersteunende, dienende en coachende taken. In een industriële omgeving zal het voorkomen dat een aantal ervaren medewerkers optreedt als ‘meewerkend voorman’, zeker als er veel nieuwe medewerkers worden opgeleid.

De taak van de CEO moet afzonderlijk worden vermeld. In veel voorbeelden is de groei van zelforganisatie en -bestuur het resultaat van missioneringswerk van een ‘verlichte’ topmanager. In de opbouwfase was hun autoriteit pregnant aanwezig; later namen ze vrijwel alle de rol van coach aan.

  1. Trainingen: besluitvorming, omgaan met conflicten

Medewerkers van zelforganiserende en –besturende organisaties nemen geregeld deel aan trainingen, die hun professionele ontwikkeling aangaan, maar ook gaan over besluitvorming en conflictbeheersing. Daarnaast wordt zeker in bedrijven die bezig zijn aan een transitie naar zelforganisatie en-bestuur trainingen verzorgd om de achtergronden duidelijk te maken en de medewerkers te betrekken bij het ontwerp van hun eigen afdeling.

  1. Financiën

Teams maken in de regel een maal per jaar een jaarplan en een begroting. In het jaarplan beschrijven ze hun voornemens, schatten ze de te realiseren inkomsten en doen zij een voorstel over de voorgenomen uitgaven, inclusief reserveringen voor onderhoud en vervanging. Ook kunnen er middelen voor salarisstijging worden gereserveerd. Bij FAVI worden alle deelplannen opgesteld en geconfronteerd met gegevens die op bedrijfsniveau aanwezig zijn. De CEO (of een financieel directeur) treeft vervolgens met de eenheden in overleg om knelpunten op te lossen. De besluitvormende vergadering keurt de begroting goed. In het geval van beursgenoteerde bedrijven verloopt deze procedure langs een meer formele weg.

Meer weten? Vijf boeken

Ik noem hier vijf boeken met veel meer voorbeelden van organisaties die zelfbestuur hebben ingevoerd, inclusief de problemen die daarvan het gevolg kunnen zijn. Een kort overzicht:

Organisatie - Semler 2Als eerste het boek van Ricardo Semler over diens Braziliaanse bedrijven, waar wat hem betreft het geluk van de werknemers de doorslaggevende factor was voor het succes van de bedrijven[1].

Organisatie - Unboss Lars KolindIn 2014 verscheen Unboss, een boek vol praktische aanwijzingen om de rol van het management te verminderen en de regelbevoegdheid van medewerkers op de werkvloer uit te breiden[2].

Organisatie - Laloux reinventing organizationHet meest gelezen boek op dit ogenblik is Frederic Laloux’ Reinventing Organizations[3]. Dit boek plaatst de ontwikkeling van zelfmanagement in een evolutionair perspectief. De auteur laat zien dat alle voorgaande organisatievormen functioneel waren in hun tijd, maar door de ontwikkeling van de samenleving achterhaald zijn. Verder benadrukt hij, net als Semler, dat werknemers zich in dit soort bedrijven beter kunnen ontplooien en – niet onbelangrijk – dat duurzaamheid een gelijkwaardig uitgangspunt is naast rentabiliteit.

Organisatie - HolacracyHet boek Holacracy is het meest technisch; het behandelt tot in detail hoe zelforganisatie kan worden georganiseerd[4]. Tot de bedrijven die holacratie hebben ingevoerd hoort ook Zappos (onderdeel van Amazon.com), onder leiding van de legendarische CEO Tony Hsieh.

Organisatie - Freedom Inc.Tenslotte, Freedom, Inc. van Isaac Getz en Brian Carney[5]. Dit boek is gebaseerd op vijf jaar veldwerk in 25 bedrijven met een vergaande mate van zelforganisatie en –sturing. De auteurs geven een kritisch verslag van wat ze aantroffen en ze verschaffen daarmee veel inzicht in de kritieke succes- en faalfactoren.

De ontwikkeling naar zelfmanagement gaat niet vanzelf. Er moeten vaak de nodige problemen worden overwonnen voor het wel goed. Er zijn ook voorbeelden van bedrijven waar het eerst wel goed ging en later niet meer. Daar valt veel van te leren. Hierover gaat de volgende blogpost.

[1] Ricardo Semler: Semco stijl, Boekerij 2013

[2] Lars Kolind & Jacob Botter: Unboss, Vakmedianet Management, 2014

[3] Frederic Laloux: Reinventing organizations (ook in het Nederlands): Het Eerste Huis, 2015

[4] Brian Robertson: Holacracy, Atlas Contact, 2015

[5] Isaac Getz & Brian Carney: Freedom, Inc. Die Keure, 2014.