Hoe beperken we de opwarming van de aarde tot 3,2C in 2100?

Beperking van de opwarming van de aarde tot 3,2C in 2100 zal de wereld de nodige moeite kosten. Dat geldt ook voor de aanpassing aan de gevolgen daarvan. Daarover gaat deze post.

Gemiddelde stijging van de temperatuur van de aarde in 2021

In mijn vorige blogpost ben ik ingegaan op de conclusie van het laatste rapport van het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change), namelijk dat de temperatuur van de aarde vrijwel zeker opgelopen zal zijn tot 3,2oC of hoger in 2100

Had het anders gekund?

Er zijn het afgelopen decennium minstens drie kansen (‘windows of opportunity’) geweest om de opwarming van de aarde te consolideren op 2oC. In 1½oC heeft volgens mij geen enkele partij die het Parijse akkoord ondertekende, ooit geloofd. 

– Onmiddellijk beginnen met wereldwijde vermindering van de winning en het gebruik van fossiele energie, gepaard aan krachtige vermindering van het gebruik van energie en andere grondstoffen. Geen investeringen meer in fossiele brandstoffen.

– Meer geleidelijke vermindering van de uitstoot van CO2 tot 2035 en gigantische uitbreiding van de capaciteit om CO2 af te vangen, uit te lucht te halen en op te slaan

– Volledig stoppen met ontbossing en herbebossing met minstens 400 miljoen bomen.

De eerste optie zou alleen mogelijk zijn geweest als de welvarende landen de rest van de wereld krachtig financieel hadden ondersteund met de uitvoering van zo’n beleid.

De tweede optie – de voorkeursoptie van ‘Big Oil’ en de zware industrie – was gebaseerd op onbewezen technologie, waardoor deze optie een zware wissel op de toekomst had getrokken.

– De derde optie – met name herbebossing – werpt pas na tientallen jaren vruchten af; bomen hebben immers tijd nodig om te groeien, en CO2 op te slaan.

In feite is ‘de wereld’ de tweede weg ingeslagen, maar dan zonder de middelen om de CO2-uitstoot af te vangen, uit te lucht te halen en op te slaan. Niettemin zal de uitstoot van CO2 in de welvarende landen de komende decennia afnemen. In landen als India en China is er daarentegen sprake van forse toename door economische groei, ook dankzij de productie van consumptiegoederen voor de rest van de wereld. 

Het had anders gekund als regeringen krachtdadig en eensgezind hadden gehandeld en de intenties van het verdrag van Parijs hadden uitgevoerd.

Hoe ziet de wereld er in 2100 uit?

Aan het beantwoorden van deze vraag komt geen glazen bol te pas.  Alle symptomen zijn er al en die zullen alleen maar erger worden. Bovendien, 3,2oC zal een gemiddelde zijn. Uit de bovenstaande kaart blijkt dat de temperatuur aan de westkust van de VS nu al bijna met 2,5oC is gestegen. De gevolgen zijn bekend: droogte, afgewisseld met perioden van hevige neerslag, mega-bosbranden, mislukte oogsten, tekort aan voedsel en (drink)water. Maar ook landen rond de evenaar, in het Verre Oosten en niet te vergeten de poolgebieden gaan al in de richting van 3oC.

Welke temperatuur kunnen mensen aan? Als het heet en vochtig is, zoals in de moessonlanden, is 35oC een fatale grens.  Bij die temperatuur kan het lichaam niet meer transpireren en koelt dus niet meer af. Bewoners zullen deze gebieden verlaten en een omvangrijke stroom klimaatvluchtelingen komt op gang. Nu al wordt de grens van 35oC plaatselijk benaderd in het zuidwesten van de VS, Mexico, Noord Afrika, de moessongebieden in het Verre Oosten en de noordkust van Australië. Bekijk hier een interactieve kaart.

In Nederland komt weliswaar meer en meer heftige neerslag en de temperatuur stijgt, maar we blijven buiten de risicozone.

Wat we wel gaan merken is de stijging van het zeeniveau (waarschijnlijk een halve meter in 2050 en een meter in 2100) en daarmee samenhangend ook van het peil van de rivieren. De huidige dijken – op deltahoogte – zijn te laag. Ook krijgen we in de steden te maken met steeds heftiger hitte-eilanden. Er zal vaker sprake zijn van smogvorming. Zoet water wordt schaars.

Wat nu?

De enige (theoretisch) mogelijkheid een temperatuurstijging van gemiddeld 3,2oC of meer alsnog af te wenden is wereldwijd met onmiddellijke ingang de volgende maatregelen in te voeren:

– afname van de productie van fossiele brandstoffen met minstens 10% per jaar;

– invoering van een forse CO2-taks, die kan worden afgekocht door CO2 af te vangen;

– vermindering van de hoeveelheid runderen jaarlijks met 7,5% en vlees belasten als alcohol; 

– invoeren van een maximumsnelheid van 80 km/u; de snelheid van auto’s begrenzen op 100 km/u. Verder beprijzen van kilometers in stedelijke gebieden;

 – verdubbelen van de bouw van windmolens, ook op land; eigenaren van huizen en gebouwen verplichten op alle bruikbare daken zonnepanelen te leggen. Als dat nog onvoldoende is, kerncentrales bouwen

– alleen nieuwbouw toe te staan als hergebruik van bestaande gebouwen niet mogelijk is; huizentekort opheffen door splitsing van woningen.

Dit alles gaat niet gebeuren, dus zal de aarde geleidelijk opwarmen met minimaal 3,2oC in 2100. We moeten ons daarom voortaan concentreren op twee concrete doelen: matiging van de CO2-uitstoot en aanpassing van onze manier van leven aan de gevolgen van de opwarming van de aarde. Wat het eerste doel betreft, de hiervoor beschreven maatregelen gelden daarbij in afgezwakte evenzeer als uitgangspunt. 

Aanpassing aan het veranderende klimaat

Aanpassing van ons leven, onze levensstandaard en de inrichting van het land zullen veel meer dan nu in het teken komen te staan van aanpassing aan de klimaatverandering. Daarbij gelden de volgende maatregelen:

– Bezien welk deel van het land eventueel aan het stijgende niveau van de zee en rivieren aan het water kan worden prijsgegeven en waar met hogere dijken steden, industriegebieden en essentiële infrastructuur kan worden beschermd.

 – Tegengaan van de hittestress in stedelijke gebieden door een drastische uitbreiding van het aantal bomen in en rond de steden, gecombineerd met plassen voor waterberging en verkoeling, deels op vrijkomende landbouwgrond; 

– Veiligstellen van de drinkwatervoorziening, die ook wordt bedreigd door verzilting van bodems in de kuststreek en beperking van het gebruik van drinkwater door aanleg van een afzonderlijke waterleiding voor dit doel;

– Vergroten van de zelfvoorziening van steden op het gebied van voedsel, door bosgebieden rond steden af te wisselen met landbouw en om in steden stadslandbouw te initiëren;

– Isolatie van huizen, nu ook om warmte buiten te houden; koele interieurs opnemen als eis bij -bouwplannen;

– Verminderen van de noodzaak van mensen om zich te verplaatsen, door 15-minutensteden krachtig te stimuleren.

– Afstemmen van de planning van buitensporten op de te verwachten weersgesteldheid

Voor Nederland hoeft een temperatuurstijging van de aarde tot 3,2oC niet dramatisch te zijn; voor grote delen van de wereld is dat wel het geval. Het is daarom hoognodig om een humaan immigratiebeleid voor klimaatvluchtelingen te initiëren en daarvoor financiële middelen vrij te maken.

In mijn e-boek over duurzame energie lees je alles over de vervanging van fossiele energie door duurzame energiebronnen. Je kunt het dossier Duurzame energie hier downloaden 

Vergeet dat de opwarming van de aarde beperkt blijft tot 1,5 graad Celsius

Het is nu vrijwel zeker dat de opwarming van de aarde in 2050 minstens 2oC zal zijn. De temperatuur zal daarna onvermijdelijk oplopen tot 3,2oC of hoger in 2100.  Op beperking van de temperatuurstijging tot 3,2oC, heeft ‘de wereld’ nog invloed. In deze en de volgende post licht ik deze conclusie toe.

Mijn post van 14 dagen geleden was een beknopte samenvatting van het laatste rapport van het ICPP (Intergovernmental Panel on Climate Change) getiteld Final Synthesis Report: Climate Change 2023_. Ons rest a rapidly closing window of opportunity to secure a livable and sustainable future for all.

De afgelopen dagen heb ik drie dagen in Sauerland gewandeld. Op weg erheen en terug werd ik met mijn snelheid van 120 km/u voortdurend ingehaald, met een snelheid die vaak hoger dan 200 km/h moet liggen. Zorg voor het klimaat leeft niet bij de mensen, denk ik dan. 

Toch moeten we iets doen met de conclusie van het IPCC rapport dat de 1,5oC in 2050 inmiddels zo goed als onbereikbaar is. Sterker nog, 1,5oC opwarming wordt al in de jaren ’30 bereikt. Vanaf het begin van de industriële revolutie heeft de wereld 1600 miljard ton CO2 in de atmosfeer gebracht. De laatste jaren komen hier jaarlijks 40 miljard ton bij. In Europa, Australië, de VS en Canada is er sprake van een lichte daling, mede ‘dankzij’ de oorlog in Oekraïne. In opkomende landen – India en China voorop – neemt de uitstoot van CO2 voorlopig sterk toe. Ook hier helpt de die oorlog een handje, omdat deze landen in Rusland spotgoedkoop olie kunnen kopen.

Nu de 1,5oC vrijwel zeker niet wordt gehaald in 2050, gaat alle aandacht uit naar wat er in de periode na 2050 gaat gebeuren.  Zeker is dat als gevolg van de aanhoudende CO2-uitstoot in de eerste helft van deze eeuw, de opwarming van de aarde in de tweede helft verder zal stijgen. William Nordhaus heeft de Nobel-prijs gekregen voor zijn berekeningen van de klimaatverandering. 

De bovenstaande figuur vat de essentie van zijn berekeningen samen. Het geeft vier scenario’s weer.  Met het groene en het rode kan de opwarming van de aarde lager uitkomen dan 2,5oC in 2100. Daarvoor moet de uitstoot van CO2 al in 2040 uitkomen op nul. Bovendien moeten we onmiddellijk starten met ‘negatieve emissie’, het uit de lucht halen van de miljarden tonnen aanwezige broeikaskassen. Dat gaat honderden miljarden kosten.

Hij ziet – en vele anderen – dat niet gebeuren, ook al omdat opschalen van de daarvoor vereiste technologie zo goed als onmogelijk is. De ‘baseline’ in de figuur geeft de hoeveelheid uitstoot aan als wereldwijd de groei van emissies tijdens het afgelopen decennium aanhoudt.  De blauwe lijn (‘optimal’) geeft het meest waarschijnlijke scenario weer. De emissies stijgen dan minder snel dan in de ‘baseline’, vooral dankzij het beleid dat de laatste jaren is ingezet. Dan piekt de CO2– uitstoot in 2050 en neemt hij langzaam af. Het ‘baseline’-scenario en ook dit scenario hebben grote gevolgen voor de aarde.

Die heeft een op economische groei gerichte wereld  vooral de laatste 40 jaar over zich afgeroepen, alle waarschuwingen ten spijt.

Velen zullen bij het zien van Nordhaus’s projecties uitroepen dat het toch allermaal veel sneller moet kunnen. Het had ook sneller gekund, maar de kans dat dit alsnog gaat gebeuren is minimaal. Recente gegevens illustreren dit. Ik doel op de jaarlijkse Energy Outlook , een publicatie van de Energy Information Administration, een bureau van de federale overheid van de VS.

De bovenstaande grafiek laat zien hoe de Energy Information Administration de verandering in het gebruik van primaire energiebronnen wereldwijd tot 2050 inschat. Dit zou uitkomen op een aandeel van 25% hernieuwbare energiebronnen. Dit percentage zal in Europa, Canada, Australië en zelfs de VS veel hoger zijn; diverse analisten denken aan 50%, maar in veel andere landen – denk aan India, is het aandeel van hernieuwbare energie voorlopig minimaal.

Uitvoering van het huidige beleid, een voorwaarde om de opwarming van de aarde in 2100 tot 3,2oC te beperken, zal al moeilijk genoeg zijn.  Neem als voorbeeld maar hoe lastig het is het is om in Nederland de stikstofuitstoot te beperken, nu de (virtueel) grootste politieke partij van Nederland de boeren zowat heilig heeft verklaard. Maar ook de weerstand tegen uitbreiding van zonneakkers en windmolenparken op land spreekt boekdelen.

En dan kom ik weer terug op het autogebruik, een van de grootse bronnen van broeikasgassen. Als ik in Nederland in mijn hybride met 100 km/u over de snelweg rijd, dan lijk ik zowat de enige.  Bekeuren van overtreders van de snelheidsbeperking lijkt geen prioriteit te hebben.  

Kortom; ik geloof er niet meer in dat de opwarming van de aarde tot 1,5oC beperkt blijft. Op wat dit betekent, ga ik in de volgende blogpost in.

Nota bene: Vanwege de actualiteit van deze en de volgende post onderbreek ik de reeks van posts over natuur in de stad. 

Die arme bomen

Deze en de volgende vier posts gaan over natuur in de stad, een levensnoodzaak. Maar ondertussen hebben stadsbomen het zwaar te verduren. Daarover gaat deze post.

Bomen in de stad staan er zelden zo florissant bij als deze.

Bomen mogen in geen enkele buurt ontbreken en daarom zijn er op veel plaatsen plannen om hun aantal fors uit te breiden.  Daarbij wordt lang niet altijd aandacht geschonken aan wat gezonde levensomstandigheden zijn voor bomen.

Dat bomen voor steden belangrijk zijn, is al eeuwen bekend. Eerst, vooral uit overwegingen van sier en status, later steeds meer vanuit het besef dat ze bijdragen aan het welzijn van mensen en het herstel van een gezond leefmilieu. Een volwassen grote boom absorbeert door opslag en productie van zuurstof, 5,4 ton CO2 en 20 kg fijnstof per jaar.

Milaan, Barcelona en London willen de komende decennia honderdduizenden nieuwe bomen plaatsen. Zowel met het doel CO2 te absorberen, maar ook om het ontstaan van hitte-eilanden tegen te gaan. 

Maar bomen hebben het zwaarStadsbomen worden zelden ouder dan 100 jaar en leiden aan uiteenlopende ziekten. Veel recent aangeplante bomen sterven binnen enkele jaren. De belangrijkste oorzaken zijn droogte, de stenige omgeving en de harde ondergrond. Bij de aanleg van straten wordt de grond met trilplaten verhard en het verkeer doet daar nog een schepje bovenop. De bomen hebben daardoor te weinig mogelijkheden om te wortelen waardoor ze te weinig water krijgen én makkelijk omwaaien. De 2,5 miljoen Nederlandse honden doen bovendien een voortdurende aanslag op de kwaliteit van de boomschors.

Een Nederlands bedrijf levert TreeTanks. Dit zijn ondergrondse kunststoffen kratten ter grootte van een parkeerplek waarin bomen ruim kunnen wortelen.  Via slangen kan de lucht- en watertoevoer worden geregeld. Deze kratten kunnen ook voor ondergrondse waterberging zorgen. Toch roept deze oplossing vragen op.  

In zijn boek The hidden life of trees (2016) schrijft Peter Wohlleben dat bomen onderling communiceren via mycelium (schimmeldraden).

Hij baseerde zich op het werk van de Amerikaanse biologe Suzanne Simard, die sprak van een wood wide web. De ecotoop waarin bomen staan zou bepalend zijn voor hun weerstandsvermogen. Daarom rijzen er ook twijfels aan de duurzaamheid van de zogenaamde verticale bossen, die in geen enkel opzicht een bos mogen heten. 

Bomen zijn bovendien geen wondermiddelen; ze leiden onder het kwaad dat ze moeten bestrijden.  

Er zijn inmiddels verschillende studies die aantonen dat de opname van CO2 minder wordt naarmate het klimaat warmer is (en wordt). Ze slagen er dan minder in de bladeren koel te houden en dat remt het proces van fotosynthese.

Tenslotte, de keuze van de boomsoort luistert steeds nauwer. De idee wordt verlaten dat vooral inheemse soorten geplant moeten worden zoals als de iep. In plaats daarvan gedijen bomen uit warmere en drogere streken in Nederland steeds beter, zoals de Japanse els en de Kaukasische beuk. 


Beviel deze post? In het e-boek Leven mét de natuur tref je veel vergelijkbare informatie over natuurinclusieve oplossingen voor de inrichting van de ruimte. Je kunt het e-boek hier downloaden

IPCC: Opwarming aarde in 2100 eerder 3,2°C dan 1,5°C

“Our final warning”. heet het laatste rapport van het IPCC. Een wezenlijke trendbreuk in de uitstoot van broeikasgassen moet de komende jaren plaatsvinden. Zo niet zal de opwarming van de aarde in 2100 eerder 3,2% zijn dan 1,5%.

Enkele weken geleden heeft het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) de zesde reeks onderzoeksrapporten (Assessment Reports) afgerond met de publicatie van het Final Synthesis Report: Climate Change 2023. Het IPCC  is een onderzoeksinstituut van de VN met als doel de aangesloten landen te informeren over de stand van het onderzoek naar klimaatverandering en de gevolgen daarvan. Dit rapport is de laatste waarschuwing.

Deze post bevat een korte samenvatting en bespreking van deze synthese, die bijna 100 pagina’s omvat.

Het syntheserapport is door zijn compactheid en vele verwijzingen lastig leesbaar.  Ook al omdat bij elke bewering de mate van zekerheid wordt aangegeven. De meest toegankelijke officiële samenvatting van het rapport kan hier worden gelezen. Ik heb bij het schrijven de samenvatting voor beleidsmakers en het volledige rapport gebruikt.

Het syntheserapport bestaat uit drie delen. Het eerste deel zet alle bekende feiten over de klimaatsverandering uiteen. Die geven weinig reden tot optimisme. Opmerkelijk is dat de pers hiervoor de afgelopen weken nauwelijks aandacht heeft gehad.  

Ik vrees dat de ‘ongemakkelijke waarheden’waarmee het IPCC ons herhaaldelijk confronteert weinig nieuwswaarde meer hebben.

Het tweede deel geeft een samenvatting van de veranderingen die de komende decennia in alle sectoren zijn vereist om opwarming van de aarde onder 2oC te houden. Het laatste deel gaat in op de sociale en politieke voorwaarden om deze veranderingen wereldwijd te realiseren.

Deel 1: De opwarming van de aarde en de gevolgen daarvan

De gemiddelde temperatuur van het aardoppervlak was in de periode 2011 -2020 gemiddeld 1,09°C hoger dan in de periode 1850–1900. De toename boven land was 1,59°C en boven de oceanen 088°C. 

58% van de totale emissie sinds 1850 vond plaats tussen 1850 en 1989 en ongeveer 42% tussen 1990 en 2019. In 2019 was de CO2-concentratie in de atmosfeer hoger dan in ten minste 2 miljoen voorafgaande jaren. Het staat vast dat de opwarming van de aarde het gevolg is van menselijke activiteiten.

Stijging van de gemiddelde jaarlijkse temperatuur van het aardoppervlak van 1,1oC in de periode 1850 – 2020

De wereldwijde broeikasgasemissies in 2019 bedroeg 59 GtCO2-eq en dat is 12% meer dan in 2010 en 54% meer dan in 1990. 79% van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen is afkomstig van de sectoren energie, industrie, transport en gebouwen samen en 21% van landbouw, bosbouw en ander landgebruik.

Het groeitempo van de uitstoot van broeikasgassen (CO2-equivalenten) tussen 2010 en 2019 bedroeg 1,3% per jaar, lager dan dat tussen 2000 en 2009 (2,1% per jaar jaar). 

In 2019 woont ongeveer 35% van de wereldbevolking in landen die meer dan 9 tCO2-eq per hoofd van de bevolking produceren en 41% in landen die minder dan 3 tCO2-eq per hoofd van de bevolking uitstoten.

De 10% huishoudens met de hoogste uitstoot per hoofd van de bevolking draagt 34-45% bij aan de wereldwijde, op consumptie gebaseerd emissie van huishoudens, terwijl het aandeel van de onderste 50% 13-15% is. 

Aanpassing

Op veel plaatsen in de wereld worden beschermende maatregelen genomen om de gevolgen van de klimaatverandering te beperken. Voorbeelden zijn herstel van wetlands en venen, bovenstroomse bebossing, duurzaam bodembeheer en systemen van vroegtijdige waarschuwing. Op sommige plaatsen worden plannen gemaakt om de dijken te verhogen.

Beperkte financiële middelen, vooral in ontwikkelende landen, leiden tot een groeiende kloof tussen deze gevolgen van klimaatveranderingen en het effect daarop van deze maatregelen. De meeste adaptatiemaatregelen zijn gefragmenteerd, incrementeel, sectorspecifiek en ongelijk verdeeld over regio’s, waarbij lagere inkomensgroepen er het minste profijt van hebben. 

Matiging

Net als op het gebied van de aanpassing aan klimaatverandering hebben veel landen beleid geïnitieerd om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, zoals zonne- en windenergie en andere vormen van duurzame energie, elektrificatie, stedelijke groene infrastructuur, energie-efficiëntie en minder voedselverspilling en -verlies. Zonder deze maatregelen was de emissie sneller gestegen en in 2019 ongeveer 5,9 GtCO2-eq hoger geweest dan in werkelijkheid.

Desondanks gaat het huidige beleid en de daarin vastgelegde intenties bij lange na niet ver genoeg om de opwarming van de aarde tot 1,5°C te beperken. Ook 2°C raakt buiten bereik. Zonder een ingrijpende trendbreuk van het beleid wereldwijd, acht het rapport opwarming van de aarde rond 3,2oC tegen 2100 het meest waarschijnlijk.

Uitstoot groeikasgassen (CO2-equivalenten) onder vier verschillende scenario’s

Waargenomen veranderingen en effecten

3,3 – 3,6 Miljard mensen leven in gebieden waar klimaatverandering het meest merkbaar is. Ongeveer de helft van de wereldbevolking ervaart momenteel gedurende ten minste een deel van het jaar ernstige waterschaarste door een combinatie van klimatologische en niet-klimatologische factoren. Vaak wisselen een tekort en een overschot aan water elkaar in dezelfde gebieden af. Het zijn vooral, maar niet uitsluitend, ontwikkelingslanden en wereldwijd het armere deel van de bevolking dat hiervan de gevolgen ondervindt. 

Navrant is dat landen die het minst hebben bijgedragen aan de klimaatverandering onevenredig zwaar getroffen worden.

De zeespiegel 

Wereldwijd steeg het zeeniveau in de periode 1901 – 2018 met 20 cm. Het tempo van de zeespiegelstijging was 1,3 mm per jaar tussen 1901 en 1971, oplopend tot 1,9 mm tussen 1971 en 2006 en tot 3,7 mm tussen 2006 en 2018. Het is aannemelijk dat de stijging van de zeespiegel in 2050 50 cm zal bedragen en in 2100 een meter. In de komende 2000 jaar zal het zeeniveau tot 3 m stijgen als de opwarming beperkt zou blijven blijft tot 1,5 °C en tot 6 m bij 2 °C .

Bij aanhoudende opwarmingsniveaus tussen 2°C en 3°C gaan de ijskappen van Groenland en West-Antarctica in de loop van enkele millennia bijna volledig en onomkeerbaar verloren, waardoor de zeespiegel vele meters verder kan stijgen. 

Deel 2: Urgentie van klimaatactie op korte termijn

De schade van de klimaatverandering zal aanzienlijk groter zijn dan de kosten die een beperking van de klimaatverandering tot 2oC met zich mee zou brengen. Er zijn de komende 10 jaar snelle en vergaande transities in alle sectoren nodig om de stijging van de opwarming van de aarde alsnog tot 2oC te beperken en een leefbare en duurzame toekomst veilig te stellen. 

Energiesystemen
  • Halvering van het totale gebruik van fossiele brandstoffen voor 2030, de afvang en opslag van CO2 in de resterende fossiele brandstofsystemen; wijdverbreide elektrificatie; alternatieve energiedragers in toepassingen die minder vatbaar zijn voor elektrificatie; energiebesparing en efficiëntie.
  • Verder: diversificatie van energieopwekking (bijv. via wind, zon, kleinschalige waterkracht) en beheer van de vraagzijde (bijv. opslag en energie-efficiëntieverbeteringen).
Industrie en transport
  • Vergaande reductie van de uitstoot van broeikasgassen door de industrie door vraagbeheer, energie- en materiaalefficiëntie, circulaire materiaalstromen, reductietechnologieën en transformationele veranderingen in productieprocessen . 
  • Vermindering van de CO2-emissies van de scheepvaart, de luchtvaart en het zware landtransport met behulp van duurzame biobrandstoffen, waterstof en derivaten, waaronder ammoniak en synthetische brandstoffen. 
  • Vooruitgang in batterijtechnologieën die resulteert in de elektrificatie van alle auto’s, zware vrachtwagens inclusief en een aanvulling is op conventionele elektrische railsystemen. 
Steden, nederzettingen en infrastructuur
  • Rekening houden met de gevolgen en risico’s van klimaatverandering bij het ontwerp en de planning van de stedelijke bebouwing en de infrastructuur, waaronder verdichting, co-locatie van banen en huisvesting; ondersteuning van openbaar vervoer en actieve mobiliteit (lopen en fietsen),
  • Verminderen van energie- en materiaalverbruik en elektrificatie in combinatie met het gebruik van emissiearme bronnen.
  • Uitbreiding van de groenblauwe infrastructuur om de opname en opslag van koolstof te versnellen en de risico’s van extreme gebeurtenissen zoals hittegolven, overstromingen, hevige neerslag en droogte te verminderen.
Land, oceaan, voedsel en water
  • Behoud, verbeterd beheer en herstel van bossen en andere ecosystemen 
  • Maatregelen aan de vraagzijde (overgang naar duurzame, gezonde voeding en vermindering van voedselverlies/-verspilling) en verandering van de landbouw die resulteert in substantiële vermindering van de uitstoot van CO2, methaan en stikstof en land vrijmaakt voor herbebossing en herstel van ecosystemen. 
  • In de natuurlijke staat behouden en terugbrengen van ongeveer 30 – 50% van de land-, zoetwater- en oceaangebieden op aarde.
Gezondheid en voeding
  • Aanzienlijke uitbreiding van programma’s om de gezondheidssituatie en consumptie van grote delen van de wereldbevolking te verbeteren, 
  • Verbetering van de toegang tot drinkwater, verminderen van de blootstelling van water- en sanitaire systemen aan overstromingen, verbetering van vroegtijdige waarschuwingssystemen

Deel 3: Beleid en financiering

Om de opwarming van de aarde te beperken tot 2oC zijn het komende decennium en daarna investeringen nodig die een factor drie tot zes hoger zijn dan het huidige niveau.

Om deze investeringen mogelijk te maken zijn vereist politiek engagement, draagvlak bij de bevolking en maatschappelijk verantwoord ondernemen, minder gericht op winst dan op beperking van de eigen ecologische voetafdruk.

Noodzakelijk is verder meer internationale samenwerking en een aanzienlijke verhoging van de financiële steun vanuit ontwikkelde landen aan ontwikkelingslanden.

In regio’s die sterk afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen voor onder meer het genereren van inkomsten en werkgelegenheid, zijn hoge investeringen nodig voor diversificatie van de economie en de energiesector.  

Een substantieel deel van de bevolking in lage-emissielanden heeft geen toegang tot moderne energiediensten. Ontwikkeling, financiering en overdracht van duurzame technologie zijn noodzakelijk om significante emissiegroei te vermijden. 

Ambitieuze klimaatdoelstellingen impliceren grote veranderingen in de economische structuur, met aanzienlijke verdelingsgevolgen, binnen en tussen landen.

Verdelingsgevolgen binnen en tussen landen zijn onder meer grote verschuivingen van inkomen en werkgelegenheid tijdens de overgang van emissiearme naar emissiearme activiteiten. 

Na lezing…..

Het bovenstaande is gebaseerd op een vergaande compilatie maar ook vrij letterlijke vertaling van het syntheserapport. Ik vond het schokkend…

Wat Nederland betreft; alleen de inhoud van de verkiezingsprogramma’s van de meest klimaatbewuste partijen komt in de buurt van de klimaatacties en de daarvoor vereiste maatschappelijke veranderingen die volgens dit rapport. nodig zijn. De kans op een substantiële trendbreuk om alsnog de 1,5% te halen is vrees ik nihil.

Het meest realistische scenario is mijns inziens daarom het huidige beleid om de uitstoot van broeikasgassen te beperken in stand te houden. Dat zal een hele opgave zijn.

Beperking van de opwarming van de aarde tot 3,2oC (en niet nog hoger) hoort daarmee tot de mogelijkheden. Tegelijkertijd zal er veel meer aandacht moeten uitgaan naar aanpassing aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals de stijging van de zeespiegel, de kans op overstromingen door meer heftige en frequente neerslag, hittestress en niet te vergeten toename van klimaatmigratie. 

Wie kan de klimaatverandering afremmen?

In deze post ga ik in op de verantwoordelijkheid van ons – consumenten – maar vooral die van Big Oil voor het afremmen van de klimaatverandering.

Als boeren voor 25% aansprakelijk zijn, voor de klimaatverandering, wie is dat dan voor het resterende deel?

Kijken we eerst naar onszelf, de consumenten: De vermindering van de uitstoot van broeikasgassen raakt ons allemaal: Wereldwijd moeten burgers besluiten om minder kinderen te krijgen, meisjes te laten studeren, energiebesparende apparaten te gebruiken, onze daken te bedekken met zonnepanelen, te investeren in isolatie en warmtepompen, doelmatiger te reizen en vooral dichter bij huis te blijven en ons consumptiepatroon te veranderen. Veel mensen in ontwikkelende mensen doen die laatste twee zaken al.

Maak van vlees desnoods een delicatesse en drink plantaardige zuivel!

Echter, de impact van deze beslissingen valt in het niet bij beslissingen die op bedrijfsniveau moeten worden genomen. In een tot nadenken stemmend artikel benadrukt Derrick Jensen dat in de VS het huishoudelijke energieverbruik in de periode 1994 – 2009 minder dan 25% van het totale energieverbruik bedroeg, dat 90% van het zoet water naar de landbouw en de industrie gaat en dat huishoudelijk afval slechts 3% van de totale afvalproductie omvat. 

Hij concludeert dat als alle Amerikanen er alles aan zouden doen om hun ecologische voetafdruk te verkleinen door geen auto te rijden en veganist te worden, de emissie van broeikasgassen in de VS met slechts 22% zou verminderen.

Een recent rapport van het Carbon Disclosure Project onthult dat 100 wereldwijd opererende olie- en gas producerende bedrijven direct of indirect verantwoordelijk zijn voor 71% van alle broeikasgasemissies sinds 1988. Het zijn uiteraard deze bedrijven die de belangrijkste sleutel in de hand hebben voor vermindering van de productie van koolstofhoudende brandstoffen. Dankzij de onderzoeksjournalistiek van Follow the Money weten we dat – net als andere oliemaatschappijen – Shell al vele jaren op de hoogte is van de desastreuze gevolgen van het gebruik van fossiele brandstoffen, zonder daaruit enige conclusie te trekken voor zijn investeringsbeleid.

Te denken geeft overigens ook dat in de jaren na de ondertekening van het Parijse akkoord financiële instellingen meer dan $478 miljard hebben geïnvesteerd in de exploitatie van kolen. Big-oil werd altijd gespaard gespaard vanwege zijn grote economische belang 

In de komende weken kom ik nog verschillende malen terug op wat er mijns inziens mis is in het hedendaagse boerenbedrijf en wat boeren hier zelf aan kunnen doen. En soms ook doen.


iel deze post? In het e-boek Leven mét de natuur tref je veel vergelijkbare informatie over natuurinclusieve oplossingen voor de inrichting van de ruimte. Je kunt het e-boek hier downloaden. 

De uitstoot van stikstof moet fors omlaag

Er is over weinig onderwerpen zo veel kennis beschikbaar als over de klimaatverandering.  Desondanks lijkt het er soms op dat deze kennis de status begint te krijgen van iets waarover je kan stemmen: 

“De stikstofuitstoot van het agrarisch bedrijf schaadt de biodiversiteit op ernstige wijze” Eens of niet eens?

Hoe zeer ik er ook voor pleit dat wetenschappers en politici het gesprek met klimaatontkenners open houden en invoelend te zijn naar de boeren; marchanderen met onomstotelijke waarheden mag niet de prijs zijn die politici daarvoor willen betalen.

Ik benoem hier voor de zekerheid nog maar even wat die onomstotelijke waarheden zijn.

Broeikasgassen

De opwarming van de aarde staat rechtstreeks in verband met de uitstoot van CO2 en van andere gassen, samen broeikasgassen genoemd. 76% van de opwarming over een periode van 100 jaar wordt veroorzaakt door koolstofdioxide (CO2) afkomstig van verbranding van fossiele brandstoffen, landgebruik (ontbossing, ploegen) en industriële processen (respectievelijk 62, 11 en 3 procent van totale opwarming). Methaan (CH4) is afkomstig van vee, verbranding van biomassa en rijstvelden (16% van de totale opwarming), stikstofoxide (NO2) en ammoniak (NH3) is afkomstig van meststoffen (6%). Gefluoreerde gassen zijn afkomstig van koelmiddelen en industriële processen (2 %).

De gevolgen van de opwarming van de aarde

De gevolgen van de opwarming van de aarde zijn op veel plaatsen zichtbaar: heftige natuurbranden, orkanen gevolgd door overstromingen, mislukken van oogsten door overmatige warmte. In steden is er vooral sprake van het ontstaan van hitte-eilanden, afgewisseld met stormen en langdurige hoosbuien waartegen de vaak verouderde riolering niet is opgewassen. De gevolgen zijn nog aanzienlijk versterkt door de onverstandige manier waarop de leefruimte is ingericht, zoals het bouwen van huizen op plaatsen met een hoog overstromingsrisico en de ‘verstening’ van grote delen van het stedelijk gebied.

Stikstof

Stikstof komt in de atmosfeer in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxide (NOx). Een deel daarvan slaat neer. Als een bepaalde concentratie van neergeslagen stikstof – de kritische depositiewaarde – wordt overschreven dat leidt dat tot zijn verstoring van de mineralenbalans in de bodem, sterk afgenomen vitaliteit van gewassen, hogere frequentie van ziekten, verstoring van de voedselketen en uiteindelijk afname van de dier- en plantensoorten.

In 2018 vond in Nederland overschrijding van de kritische depositiewaarde plaats in 118 van de 163 Natura 2000-gebieden.

Kritische depositiewaarden anders meten?

Dit een belangrijk discussiepunt, dat wellicht tot een opening leidt.  Volgens velen, ook Johan Remkes,  is de kritische depositiewaarde geen goede manier om natuurschade te meten. Het kabinet is dus op zoek naar een alternatieve meetmethode, die ook acceptabel is voor de EU.  Mogelijk leidt een andere meetmethode althans tijdelijk tot een wat grotere tolerantie ten opzichte van de uitstoot van stikstof. Hierdoor kan wellicht weer bouwactiviteit toegelaten worden krijgen boeren enige ruimte. 

De natuurschade is overigens inmiddels al vele malen aangetoond. De biodiversiteit in Natura 2000-gebieden vermindert snel; eikenbossen sterven af, brandnetels en bramen overwoekeren de heide. Dus dat de uitstoot omlaag moet staat onomstotelijk vast.

Beviel deze post? In het e-boek Leven mét de natuur tref je veel vergelijkbare informatie over natuurinclusieve oplossingen voor de inrichting van de ruimte. Je kunt het e-boek hier downloaden. 

Moet het klimaatbeleid veranderen? 

De uitslag van de verkiezingen voor de provinciale roept de vraag op of het klimaatbeleid moet veranderen. Hier mijn antwoord, dat ik toelicht aan de hand van drie begrippen ‘kennis’, ‘democratie’ en ‘legitimiteit’.

Wat weten we van de klimaatsverandering

Dat het klimaat verandert als gevolg van de uitstoot van broeikasgassen is net zo zeker als dat de aarde om de zon draait. Maar hoe snel die verandering gaat en de gevolgen ervan merkbaar zijn (bijvoorbeeld de stijging van de zeespiegel), is veel lastiger te voorspellen. 

Veel mensen vertrouwen klimaatwetenschappers niet en denken dat het niet zo’n vaart loopt. Het is een bekend psychologisch verschijnsel dat mensen ‘geloven’ wat in hun kraam te pas komt. Zo zegt de voorman van de Farmers Defence Force’ dat het afgelopen moet zijn met die ‘stikstof flauwekul’. Dat zegt hij niet omdat hij enige studie heeft gemaakt van klimaatsverandering, maar omdat hij deze kennis (terecht) ziet als een bedreiging voor het voortbestaan van de agrarische sector in zijn huidige vorm. De BBB doet dat anders. Ze stelt eveneens de belangen van de boeren voorop en ziet deze als de helden van de Nederlandse voedselproductie. Maar de partij rept met geen woord over de bijdrage van de agrarische sector aan de productie van broeikasgassen en de afname van de biodiversiteit. 

Er is geen enkele reden om op basis van de verkiezingsuitslag anders over het klimaat te gaan denken:

Vijf sectoren – elektriciteit, voedsel en grondgebruik, industrie, transport en de bebouwde omgeving – veroorzaken het probleem en moeten erop aangesproken worden een evenredige bijdrage te leveren aan de oplossing ervan.

Hoe democratisch is het regeringsbeleid?

De uitslag van de statenverkiezingen heeft de verhouding tussen voor- en tegenstanders van het klimaatbeleid niet veranderd. De tegenstanders hebben wel een naam gekregen. Maar in de Eerste Kamer wordt het (uitgedunde) regeringsblok ter linkerzijde geflankeerd door een aantal linkse partijen en samen kunnen deze voor een meerderheid zorgen.  BBB zal dan wel over een ‘grof schandaal’ spreken, maar in een parlementaire democratie gaat het om het aantal stemmen dat vóór een wetsvoorstel wordt uitgebracht.  De linkse partijen zullen mogelijk tegen het beleid stemmen omdat het niet ver genoeg gaat.  Dan is er geen beleid meer en zal de regering aftreden. Ik weet zeker dat klimaatbeleid van de dan volgende rechtse regering (met BBB!) nog maar een schim is van wat het nu belooft te zijn.

Mochten de linkse partijen tegen het klimaatbeleid stemmen, dan is dat in elk geval niet slim.

Hoe ‘legitiem’ is het huidige beleid?

Legitimiteit betekent dat beleid draagvlak heeft. Een bestuur verwerft draagvlak door los van de vertegenwoordigende organen te luisteren naar wat er onder de bevolking leeft en daarmee rekening te houden bij het maken van beleid. Dit wordt ook wel met het woord ‘governance’ aangeduid. Het leek er even op dat Johan Remkes voor dit draagvlak had gezorgd, maar als dat er al was, is het vervolgens weer snel verdampt. Draagvlak leunt op drie zaken: de grondslag van het beoogde beleid uitleggen, het standpunt van anderen invoelend benaderen en tegenstanders een aanvaardbaar alternatief bieden. In dit geval zonder toe te geven aan de noodzaak om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, wat niet wil zeggen dat elk tussendoel in beton gegoten is. 

Wat betekent dit? 

 Ik zou er als regering niet voor kiezen om het huidige beleid met een kleine meerderheid te bekrachtigen, maar een brede parlementaire werkgroep in te stellen die samen met klimaatdeskundigen voorstellen doet om draagvlak in de samenleving voor het klimaatbeleid te vergroten. Een beleid dat recht doet aan alles wat we (zeker) weten over klimaatverandering en de wijze waarop deze ons allemaal, de boeren incluis, zal raken.

Afbeelding met tekst, gebouw

Automatisch gegenereerde beschrijving
Beviel deze post? In het e-boek Leven mét de natuur tref je veel vergelijkbare informatie over natuurinclusieve oplossingen voor de inrichting van de ruimte. Je kunt het e-boek hier downloaden. 

Leven met de natuur en niet van de natuur

De komende maanden tref je hier korte en zo nodig geactualiseerde fragmenten uit mijn e-boek Leven met de natuur. Leven met de natuur staat tegenover leven van de natuur. In deze eerste aflevering lees je wat het verschil is.

De kap van oerbossen gaat gewoon door

In zijn magistrale boek Homo sapiens beschrijft Yuval Noah Harari hoe overal op aarde waar mensen verschenen een regionale uitsterfgolf van dierlijk leven heeft plaatsgevonden. Meestal was overmatige jacht daar de oorzaak van. Het zoeken naar nieuwe jachtgebieden is dan ook een van de redenen dat de homo sapiens zich snel over de aarde verspreidde. 

Vanaf de industriële revolutie nam de impact van mensen op ecosystemen niet alleen exponentieel toe, maar de aard ervan kreeg een wereldwijd karakter. Hierdoor werd het voortbestaan van de mensheid zelf op het spel gezet: Als de opwarming van de aarde ertoe leidt dat de bodems in de permafrostgebieden ontdooien, komt er zoveel CO2 vrij dat menselijk leven in grote delen van de aarde onmogelijk zal zijn door overstroming en temperatuurstijging. 

Lange tijd gingen mensen ervan uit dat ze de natuur met technische middelen naar hun hand konden zetten om al doende de schijnbaar onuitputtelijke natuurlijke bronnen te exploiteren. Veel van deze technische middelen blijken na verloop van tijd veronachtzaamde effecten te hebben. Stuwdammen houden bijvoorbeeld niet alleen het water tegen, maar ook het kostbate slib dat stroomafwaarts voor de bodemvruchtbaarheid zorgde. 

Milieuwetenschappers zien ecosystemen als natuurlijk kapitaal; ‘leveranciers’ van ‘diensten’. Deze maken menselijk bestaan mogelijk. De enige voorwaarde is dat de onderliggende ecosystemen intact worden gelaten. Deze bepalen ‘de grenzen van de groei’.  De uitstoot van CO2 had beperkt moeten blijven tot wat bodems, bossen en zeeën kunnen opslaan en het gebruik van fossiele brandstoffen had daarop afgestemd moeten zijn. Dat weten we, ook de bazen van Big Oil, allang. Vooral om redenen van winstbejag zijn de grenzen van de groei genegeerd. Dat eist nu zijn tol. Het repareren en herstel ervan wereldwijd gaat duizenden miljarden kosten. Dit is overigens minder de aardoliemaatschappijen al die jaren hebben verdiend met aanhoudend misbruik van ecosystemen. Helaas worden zij nauwelijks aangesproken om de rekening te betalen.

De blogposts die hier de komende maanden te lezen zijn gaan over wat het betekent om bij de inrichting van stedelijk en landelijk gebied beter aan te sluiten bij de werking van ecosystemen.

Daarvoor moeten ze eerst hersteld worden: Niet alleen de uitstoot van CO2 moet verminderen, COmoet ook uit de lucht worden gehaald. Dit vraagt grote inspanningen, inclusief veranderingen in de verdeling van de materiële welvaart. 

Deze visie komt overeen met de beginselen van de donuteconomie. Kate Raworth stelt dat de mensheid de aarde naar eigen inzicht kan inrichten zolang rekening wordt gehouden met de sociale ondergrens en de ecologische bovengrens.  Daartussenin ligt de humane ruimte. Eerdere publicaties van mijn hand waren pogingen om de grenzen van de humane ruimte in het vizier te krijgen. Dat geldt ook voor de posts die je de komende maanden hopelijk met interesse zult lezen.

Afbeelding met tekst, gebouw

Automatisch gegenereerde beschrijving
Beviel deze post? In het e-boek Leven mét de natuur tref je veel vergelijkbare informatie over natuurinclusieve oplossingen voor de inrichting van de ruimte. Je kunt het e-boek hier downloaden. 

Lang niet alle kinderen zijn hetzelfde, maar buiten spelen willen ze (bijna) allemaal

Hoe gaat het met spelen op straat door kinderen? In deze post lees je er het een en ander over.

Kinderspel legt in hoge mate de omgangsvormen vast, of beter, door te spelen leer je omgaan met elkaar. Hele jonge kinderen spelen vaak alleen of met een vriendje of vriendinnetje vlak bij huis. Het kan knikkeren zijn of stoepkrijten. Naarmate ze ouder zijn gaan ze ook met andere kinderen spelen. De actieradius neemt geleidelijk toe van de eigen straat naar de omliggende straten en pleintjes voor zover ouders dat toestaan (en anders vaak ook). Favoriet zijn verstoppertje, wat rondfietsen en een partijtje voetbal als de ruimte het enigszins toelaat. 

Soms doen tieners volop mee, soms trekken deze zich met leeftijdgenoten terug op plekken die zich daarvoor lenen en waar meer jongeren samenkomen.

Rond de leeftijd van negen à tien doen jongens het liefst regelspelen, waarbij een groot deel van de tijd vaak zit in het bediscussiëren, aanvechten en vaststellen van spelregels.  Meisjes zijn wat meer op zoek naar avontuur en zijn gecharmeerd van klimmen, schommelen en spannende glijbanen. Hun spel gaat snel over in lekker kletsen, in eerste instantie nog liefst onder mekaar. Zelf geven ze aan geen eigen voorzieningen te willen – ze vinden zich even stoer als jongens – als er maar voldoende plekken zijn want ze voelen zich soms wel door ‘grote’ jongens uitgesloten.  Ze gaan ook minder snel naar plekken die ze niet kennen of het moet met een groep vriendinnen zijn.

Bij tieners gaan spel, kletsen en chillen makkelijk in elkaar over. Ze kruipen bijvoorbeeld nog graag op een (schotel)schommel. Ouderen hebben het dan vaak over ‘rondhangen’, maar jongeren zelf over socializen of chillen. Naarmate er meer plekken zijn die zich daarvoor lenen – een fantasievol ontworpen zitkuil in plaats van een gore keet – slaat de verveling minder snel toe en daalt de kans op overlast. Voorzieningen speciaal voor tieners kunnen het beste wat afgelegen zijn gesitueerd, maar niet geïsoleerd. In wezen willen ze er gewoon bij horen. 

Hoe ontwikkelt zich het buiten spelen. 

De Stichting Kind & Samenleving heeft in 2018 spelende kinderen geobserveerd en geteld in zeven verschillende woonwijken en vergelijkt het resultaat met eerder onderzoek uit 2008 in dezelfde wijken[1]. De conclusie is dat buitenspelen sinds dat jaar met 37% is gedaald. Oorzaken: verkeer, groeiend angstgevoel bij ouders, meer conflicten tussen kinderen onderling en schermtijd.

Grote speelpleinen met uiteenlopende mogelijkheden voor sport en spel doorbreken deze trend. Bovendien is hier doorgaans ook een groep ouders aanwezig. Gemiddeld 60% van alle spelende kinderen in de buurt was hier tijdens het onderzoek te vinden. Speelpleinen zijn aantrekkelijk door hun gevarieerd aanbod en omdat kinderen er altijd wel vriendjes tegenkomen of maken. Voorwaarde is wel dat deze terreinen langs veilige wegen bereikbaar zijn. Een aantal Nederlandse steden creëert als onderdeel van stadsvernieuwing zogenaamde kindlinten.  Dat zijn autoluwe routes waarover kinderen zich veilig kunnen bewegen van huis naar school, bibliotheek en speelplein, Het kindlint is hier en daar voorzien van speeltoestellen, kinderkunst en andere objecten. De foto’s hierboven tonen het Amsterdamse Spaarndammerplein, dat in 2009 is ingericht als speelplein voor oudere en jongere kinderen en ook bereikbaar is via een kindlint (foto rechtsonder).

Maar wat kinderen écht het liefst hebben als ze mochten kiezen?

Uit onderzoek[2] bleek dat dit sterk overeen kwam met wat Astrid Lindgren beschrijft in De kinderen van Bolderburen. Dit ‘ideale’ Zweedse dorp biedt volop mogelijkheden om te spelen en van alles te beleven, er zijn genoeg kinderen en deze mogen gaan en staan waar ze willen. Speeltoestellen zijn niet nodig.

Stedenbouwkundige moeten dus naar mogelijkheden zoeken om in veel dichtere bebouwing dan Bolderburen een vergelijkbare veilige actieradius en een minstens even groot aantal belevings- en speelmogelijkheden te creëren. Zoals uit de vorige blogposts bleek zal dat niet meevallen.

Dit was de laatste post in de reeks Leefbaar wonen.  Ik hoop dat het lezen van deze korte stukjes je beviel en dat het je heeft gestimuleerd het e-boek Leefbaar wonen (gratis) te downloaden. Dat kun je hier doen. 

Volgende week begint een nieuwe reeks korte posts rond het thema Leven mét de natuur (en niet ván de natuur). Dat valt niet altijd mee, want de natuur is nogal verminkt. Dus leven mét de natuur bestaat deels uit herstel ervan. Ook deze reeks is gebaseerd op een e-boel dat je kunt downloaden.


[1] Johan Meire, Sabine Miedema en Marlies Miedema: Het grote buitenspeelonderzoek. Buiten spelen in de buurt geobserveerd. Kind en samenleving, Mechelen 2020.

[2] Kyttä, Marketta. 2004. The extent of children’s independent mobility and the number of actualized affordances as criteria for child-friendly environments.  Journal of Environmental Psychology 24, 179-198.

Wat vinden kinderen van hun woonomgeving?

Hoe weten we wat kinderen van hun omgeving vinden? Deze post gaat over onderzoek naar de voorkeuren van kinderen.  

In 1989 geeft een groep onderzoekers de verkenning van de belevingswereld van kinderen een boost.  Ze maken gebruik van gesprekken met kinderen in de klas of tijdens wandelingen en van tekeningen en foto’s waarop deze hun waardering kenbaar maken. Dat doen ze bijvoorbeeld met een rood of groen kader of het op- of naar beneden steken van hun duim (zie foto’s hierboven). Deze studies geven informatie over een veelheid van aspecten van de belevingswereld van kinderen, zoals natuur, milieu, directe woonomgeving, mogelijkheden om te spelen, voorzieningen, zich verplaatsen. I

Ik vat hieronder samen wat ik in een vijftal van deze studies gevonden heb.

Natuur

Bij alle kinderen staat ‘groen’ hoog aangeschreven. Ze verblijven graag in een parkachtige omgeving. Ze zien daarin eindeloos veel mogelijkheden om te spelen: Water, omgevallen bomen, materiaal om hutten te bouwen, struiken om zich achter te verstoppen. Ze zouden in het park graag wc’s hebben en een overdekte ruimte om bij regen in te schuilen.

Vrijwel unaniem waarderen ze spelen in de natuur hoger dan het gebruik van speeltoestellen. 

Maar ze waarderen de natuur ook om te wandelen, te fietsen en te kijken naar dieren. Ze betreuren het als een park slecht bereikbaar is vanuit hun huis. Hierdoor mogen ze er alleen onder begeleiding naar toe.  Kleine parken in de directe woonomgeving zouden een oplossing zijn, vinden ze.

Milieu

Kinderen willen dat het op straat netjes uitziet. Uitgesproken negatief zijn ze over zwerfafval, lampen die kapot zijn en vandalisme. Dit geldt voor de straat, maar ook voor semipublieke ruimten (gangen, galerijen en trappen) in flatgebouwen. Ze hebben een hekel aan verkeersdrukte en -lawaai en fietsen liever niet op straten waar ook auto’s rijden. Ze weten al op jonge leeftijd dat auto’s CO2 uitstoten (‘niet goed voor het milieu en voor onze gezondheid’). 

Ze waarderen kunst op straat en zijn geboeid door graffiti, maar alleen als het mag, anders noemen ze het vandalisme!

Directe woonomgeving

Kinderen én volwassenen willen allemaal wat Talja Blokland publieke familiariteit noemt. Deze begint met thuisgevoel op de stoep.  De kleintjes kunnen daar stoepkrijten, er staan wat banken en de ouders onderhouden het speelveldje in de straat. Idealiter kennen de meeste buurtbewoners elkaar van naam of van gezicht. Samen letten ze dan ook een beetje op de kinderen van anderen.

Spelen

Kinderen willen brede stoepen en een plek (minstens 10 x 10 m) dicht bij huis die zich leent voor (fantasie)spellen en waar eventueel ook aantrekkelijke speeltoestellen staan. Ook ruimte om te voetballen en andere sporten te beoefenen staat hoog aangeschreven. 

Een groter speelplein (minstens 50 x 50 m) trekt veel kinderen aan uit de omliggende straten en leidt ertoe dat de kinderen in wisselende combinaties met elkaar spelen. Met veilige loop- en fietspaden neemt hun actieradius aanzienlijk toe en daarmee ook de keus van speelplekken. Naarmate dat er minder zijn, blijven kinderen vaker thuis en spreken daar af met vriendjes. Computerspelletjes zijn dan favoriet. 

Voorzieningen

Veel kinderen zeggen een wijk- of buurtcentrum te waarderen, als de activiteiten maar afgestemd zijn op de eigen leeftijdsgroep en er ook een bibliotheekvoorziening is. Ze zoeken plezierige ‘reuring’ op: Samen dansen, een toneelvoorstelling maken, een (zaal)voetbaltoernooi, een spellenmarathon, mogelijkheden om iets te kopen en te snoepen en soms mogen de ouders meedoen. De tieners willen wat rondhangen – socialiseren en chillen – maar ook zij zoeken een plezierige atmosfeer en geen gore keet die volwassenen neerzetten op een afgelegen stuk grond.

Iedereen vindt het plezierig als er in de buurt of wijk activiteiten worden georganiseerd. Het onderscheid in leeftijden wordt dan ineens een stuk minder belangrijk.

Zich verplaatsen

Vrijwel alle kinderen willen alleen of bij voorkeur in groepjes naar school gaan en zich veilig door de buurt kunnen verplaatsen.  Slechts een kleine minderheid van de kinderen onder de 10 jaar mag dat. De meeste kinderen doen dit niet omdat hun ouders de schoolweg – vaak terecht – te onveilig vinden. Oudere kinderen gaan met de fiets of met de bus; degenen die met de bus gaan vinden het wachten vaak vervelend en zouden veel frequentere verbindingen willen zien. Wie niet trouwens! Een groep ouders is ook bang dat kinderen met ‘vreemden’ in contact komen. Deze angst slaat over op de kinderen. 

Vergelijkbaar onderzoek onder jongere kinderen en oudere jeugd voegt interessante gegevens toe over de ontwikkeling van voorkeuren. De jongste kinderen spelen het liefste thuis of op de stoep, in de tuin of op het balkon. Vanaf een jaar of acht neemt de behoefte aan uitbreiding van de actieradius snel toe. Een groene omgeving blijft onverkort aantrekkelijk. Vooral jongens – maar ook steeds meer meisjes – willen voetballen of andere sporten doen, meisjes hebben op jongere leeftijd dan jongens behoefte aan ‘chillen’ Naarmate ze ouder worden neemt bij allen de behoefte daaraan toe 

Volgende week lees je hier de laatste post in de reeks ‘Leefbaar wonen’.  Daarna begint een nieuwe reeks van enkele tientallen wekelijkse blogposts onder het motto ‘leven mét de natuur’

Beviel deze post? In het e-boek Dossier Leefbaar wonen tref je veel vergelijkbare informatie aan op het gebied van wonen en de woonomgeving. Je kunt het e-boek hier downloaden.