De wankele basis van de innovatie-ranking

De berekening van de pijler innovatie binnen de GCI is gebaseerd op een beperkt aantal variabelen, maar geeft niettemin een beeld van de sterke en zwakke landen van Nederland en andere landen

Samenleving - competitiveness 3

Vorige week ging deze post over de Global Competitiveness Index 2015-2016. Nederland neemt daarop een vijfde plaats in. Deze score is berekend door de gemiddelde scores te nemen van 122 indicatoren verspreid over 12 onderwerpen (‘pijlers’), die te maken hebben met concurrentiekracht. Een van deze pijlers is innovatie. Op deze pijler neemt Nederland een 8ste plaats in. De tabel hiernaast laat de 25 hoogstscorende landen zien[1]. De berekening van de ‘ranking’ is niet zonder haken en ogen. Ook daarover gaat deze post, maar ik wil vooral achterhalen hoe dit soort scores Nederlandse (en andere) beleidsmakers kunnen helpen.

De score op de pijler innovatie is – net als alle andere scores – een cocktail. In dit geval van 7 indicatoren. Zes van de zeven indicatoren corresponderen met telkens een van de onderstaande vragen. Deze worden voorgelegd aan managers van bedrijven en deze antwoorden op een 7-puntschaal.

  1. Beschikken bedrijven in uw land over de capaciteit om te innoveren?
  2. Hoe beoordeelt u de kwaliteit van de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek in uw land?
  3. In welke mate investeren bedrijven in uw land in R&D?
  4. In welke mate werken in uw land bedrijven en universiteiten samen op het gebied van R&D
  5. In welke mate stimuleert het inkoopbeleid van de overheid in uw land innovatie?
  6. In hoeverre zijn er in uw land voldoende technisch geschoolde hoger opgeleiden aanwezig?

De zevende indicator betreft het aantal patenten per 1.000.000 inwoners en hiervoor zijn bestaande statistieken gebruikt. Een brede basis voor de meting van innovatie zijn deze zeven indicatoren niet echt.

Wat leren we van de innovatiescore?

De innovatiescore is vooral geschikt om te bekijken hoe één land zich ontwikkelt over een wat langere periode of om landen onderling te vergelijken. Voor dit laatste doel heb ik 15 landen uitgezocht (zie onderstaande tabel). Ik heb aan de zeven bovenstaande indicatoren nog enkele toegevoegd, die zijn ondergebracht in andere pijlers dan innovatie. Het gaat om kwaliteit onderwijs, gemak om geld te lenen, absorptiecapaciteit bedrijven en bereidheid om de macht te delen (horizontaal georganiseerde bedrijven zijn vaak meer innovatief).

Met deze gegevens heb ik de berekening opnieuw uitgevoerd, wat tot een aantal verschuivingen in de ranking leidt. De VS, Zweden en Noorwegen scoren dankzij de toegevoegde variabelen een stuk beter. Voor Zwitserland, Israël en Denemarken geldt het omgekeerde. Ook dit wijst problemen met de stabiliteit van de innovatiescore.

De kleuren van de cellen corresponderen met de oorspronkelijke scores van de desbetreffende indicator binnen de GCI: Donkergroen, 1 t/m 5; lichtgroen, 6 t/m 19; geel, 20 t/m 49; oranje, 41 t/m 89 en rood, 90 t/m 140[2].

Innovatie - Europese landen eigen berekening 1De tabel geeft aanleiding tot een reeks conclusies met betrekking tot mogelijke verbeteringen van het innovatieve gehalte van de getoonde landen. Ik kijk naar Nederland in het bijzonder. Hier zijn de belangrijkste:

  • Nederland scoort uitgesproken zwak op het gebied van de financiering van innovatieve bedrijven. Van de geselecteerde landen scoort overigens alleen Noorwegen zeer goed. Ook Zwitserland scoort matig.
  • De kwaliteit van het onderwijs kan overal beter. Finland, Zwitserland en België zitten aan de top.
  • Nederland scoort hoog op de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek, maar de aansluiting tussen wetenschappelijk onderzoek en innovatie in bedrijven kan beter. De scores op de punten absorptiecapaciteit van bedrijven en beschikbaarheid van technisch afgestudeerden zijn duidelijk lager dan die van omliggende landen.
  • In zowel Nederland als België kan de overheid innovatie verder stimuleren met een actief aankoopbeleid van innovatieve producten.
  • Opvallend is de zwakke positie van Italië. Een land als Ghana blijkt nog innovatiever.

Wat is de waarde van de innovatiescores

De score voor innovatie van een land hangt sterk af van de gekozen variabelen: Israël duikelt maar liefs 6 posities, nadat ik vier variabelen had toegevoegd. De samenstellers van de GCI realiseren zich dit en hebben uitbreiding van het aantal variabelen aangekondigd met ingang van de editie 2016-2017. Het is de vraag of meer indicatoren alleen het probleem oplost.

Een betrouwbare maatstaf voor innovatie komt niet tot stand door alles wat met innovatie te maken kán hebben bij elkaar op te tellen. Inzicht in de samenhang van de variabelen is van veel groter belang. Het aantal indicatoren kan eerder kleiner worden als er een onderscheid gemaakt wordt tussen onafhankelijke, mediërende en afhankelijke variabelen en als co-variatie wordt uitgefilterd, bijvoorbeeld met een factoranalyse.

De bovenstaande tabel leert ons hoe Nederland zijn score kan verbeteren op de pijler innovatie van de GCI. Dat is mooi, maar komen daardoor ook meer innovatieve producten op de markt? Trouwens, hoeveel innovatieve producten en diensten komen er eigenlijk uit topscoorder Zweden, afgezien van Spotify?

Volgende week ga ik verder in op de vraag wat de innovatiescore eigenlijk meet.

[1] Ga voor een volledig overzicht naar het interactieve rapport: http://reports.weforum.org/global-competitiveness-report-2015-2016/competitiveness-rankings/ Kies kier de pijler innovatie. Je kunt hier ook de andere pijlers en zelfs elk deelaspect ervan voor alle landen bekijken.

[2] Ik heb bewust gekozen voor ongelijke intervallen om meer variatie te forceren. De geselecteerde landen behoren overwegend tot de hoogst scorende landen en zouden anders weinig onderlinge verschillen tonen.

Global competitiveness. Nederland staat er goed voor, maar waarvoor precies?

Deze en de twee volgende blogposts gaan over de ‘rating’ van concurrentiekracht, innovatie en welzijn van (bijna) alle landen ter wereld. Aanleiding is een nieuwe aflevering van het jaarlijkse rapport van het World Economic Forum (WEF)[1]. Vanaf 2004 berekent het WEF de competitiveness index (concurrentiekracht) van (bijna) alle landen ter wereld. Competitiveness is a set of institutions, policies, and factors that determine the level of productivity of an economy. Nederland eindigt op de 5de plaats en staat er goede voor[2]. Maar waarvoor?

Eerst de ranking.

Samenleving - competitiveness 6

Wat is concurrentiekracht

De concurrentiekracht is een getal dat wordt berekend door het (gewogen) gemiddelde te nemen van 122 indicatoren, die verdeeld zijn over 12 pijlers (zie onderstaande figuur)[3]. De indicatoren zijn grotendeels afkomstig uit jaarlijkse enquêtes onder leidinggevenden van bedrijven uit alle betrokken landen. Deze krijgen vragen voorgelegd als In your country, to what extent are property rights, including financial assets, protected [1 = not at all; 7 = to a great extent]. Een aantal indicatoren is gebaseerd op statistische gegevens.

Samenleving - competitiveness 4

Vergelijking van de scores over een reeks van jaren maakt het mogelijk conclusies te trekken over de ontwikkeling van de economieën van de betrokken landen. De auteurs spreken over de huidige tijd als ‘het nieuwe normaal’. Er blijkt vooral in de ontwikkelde landen tevredenheid te bestaan over de hervatting van beperkte groei, ondanks het feit dat de werkloosheid onverminderd hoog blijft en dat productiviteit en koopkracht eerder dalen dan stijgen. De vierde industriële revolutie is aarzelend gestart (automatisering, robotisering) en tegelijkertijd resulteert de opkomende deeleconomie in aftopping van de groei van de vraag naar consumptiegoederen en diensten.

Ontwikkeling van concurrentiekracht wereldwijd

Een vergelijking van de ontwikkelingen wereldwijd over de periode 2008 – 2015 levert het volgende beeld op:

Noord-Europese landen scoren onverminderd hoog op factoren als instituties, infrastructuur, technologie, onderwijs en innovatie. Ze blijven achter bij de ‘koplopers’ door geringe flexibiliteit op de arbeidsmarkt en matig functionerende financiële markten. Zwitserland scoort hier wel hoog en staat daardoor al jarenlang op de eerste plaats. Overigens lopen Zuid-Europese landen op dit punt in.

China en Zuidoost Azië hebben 30 jaar onverminderd groei laten zien. De economie van China is in die periode 18 maal groter geworden en het aantal armen is van 60% (1990) naar 6% (2011) gedaald . De betrokken landen verdienen inmiddels 30% van het BNP van de wereld (waarvan alleen China de helft).

De Chinese groei remt mede door een verzwakte Yuan, ingezakte beurs, snelle groei van schulden en inkrimpende onroerend goed markt. Van een structurele verzwakking is geen sprake gezien enorm sterke positie en omvang markt.

Wel zijn marktgerichte hervormingen nodig zoals versterking van de financiële sector, sanering slechte leningen; verbetering verhouding tussen grote en kleine bedrijven, stimuleren innovatie, bestrijden corruptie en vermindering bureaucratie.

In Latijns America en het Caribisch gebied treedt stagnatie op door daling van de grondstoffenprijzen en een laag niveau van handel, investeringen en besparingen. Chili doet het goed.

De hoge score van de VS is het gevolg van een combinatie van grote markt, sterk innovatief vermogen en hoge productiviteit. De lonen van een groot deel van de bevolking zijn relatief laag en ook in andere opzichten is er veel te doen: verbetering van de kwaliteit van het onderwijs, de macro-economische omgeving en de instituties

Afrika beneden de Sahara heeft 15 jaar van stabiele groei achter de rug, maar de economie is fragiel, de afhankelijkheid van grondsloffen is groot, en de productiviteit is laag. De instituties zijn zwak (corruptie), de infrastructuur, gezondheidszorg en educatie zijn gebrekkig.

In het oordeel van leidinggevenden doet zich wereldwijd een belangrijke verschuiving voor. In 2007 was de overheidsbureaucratie wereldwijd de belangrijkste klacht. In ontwikkelde economieën staan nu de afgenomen financieringsmogelijkheden op de eerste plaats. In ontwikkelende landen staat corruptie onverminderd op de tweede plaats.

Interessant is het om wereldwijd een vergelijking te maken tussen de omvang van het BNP, economische groei en de GPI. Uit onderstaande figuur blijkt een sterk verband tussen economische groei en GCI en economische groei, maar dat dit verband afzwakt als het BNP van de betrokken landen lager is. Vermoedelijk komt dit omdat in die landen slechts een beperkt aantal variabelen uit de GCI verantwoordelijk is voor de groei die relatief hoog kan zijn, maar in absoluut opzicht beperkt.

Samenleving - competitiveness 7

Validiteit en betrouwbaarheid

De jaarlijkse publicatie van de Global Competitiveness Index is een rijke bron van gegevens. Er doen zich echter drie problemen voor

Onevenwichtigheid

De index is een cocktail van 122 variabelen, waarvan de selectie en de weging vragen oproept: Waarom is er bijvoorbeeld maar één indicator voor de kwaliteit onderwijs en vijf indicatoren voor tropische ziekten. Welvaartsziekten komen niet aan de orde. De pijler instituties bevat verwijzingen naar verspilling in overheidsuitgaven en kosten van misdaadbestrijding maar er is geen enkele variabele die betrekking heeft op de kosten van milieuvervuiling en klimaatsverandering.

In wezen is competitiveness daarmee gedefinieerd als de optelsom van een niet nader gemotiveerde selectie van indicatoren. Dit is onbevredigend omdat deze indicatoren elkaar overlappen, hun invloed zal verschillen en zij onderling oorzaak-gevolg relaties hebben.

Competitiveness wordt echter ook gelijkgesteld aan productiviteit en deze kan makkelijk worden berekend[4] De indicatoren zijn dan de onafhankelijke variabelen en productiviteit is de afhankelijke variabele. In dit geval ontbreekt een theoretisch model dat inzicht geeft in de wijze hoe de onafhankelijke variabelen elkaar en de afhankelijke variabele beïnvloeden.

Veroudering

De 122 indicatoren lopen steeds minder in de pas met recente inzichten in productiviteit en economische groei. Dit leidt tot onderwaardering van de zwakte van de financiële markten, het ontstaan van nieuwe consumptiemodellen, de snelheid van technologische verandering en de rol van ICT. Het arbeidsmarktbeleid en andere sociaaleconomische variabelen worden vooral vanuit een werkgeversstandpunt benaderd. Zoals ik nog zal laten zien, wordt innovatie wordt gebrekkig gemeten. De auteurs van het rapport zijn zich van deze gebreken deels bewust en volgend jaar zal een groot aantal indicatoren worden aangepast, verwijderd of toegevoegd.

Subjectiviteit

Meningen van werkgevers drukken een krachtig stempel op de GCI. Dit kan in het bijzonder bij de beantwoording van vragen over arbeidsmarkt flexibiliteit, bureaucratie en corruptie tot een bias leiden. Bovendien is de betrouwbaarheid van de antwoorden op vragen op het gebied van beleid, sociaaleconomische ontwikkelingen en instituties twijfelachtig. Het ware gewenst om voor meer vragen een beroep te doen op statistische gegevens. Probleem is uiteraard dat deze voor veel landen ontbreken.

Mijn volgende blogpost onderwerpt de pijler innovatie aan een nader onderzoek. De hiervoor geformuleerde kritiek zal daarin nog duidelijker naar voren komen.

[1] Het rapport kan worden gedownload van http://reports.weforum.org/global-competitiveness-report-2015-2016/ Hier kan ook een interactieve webversie van het rapport worden bekeken, die meer informative bevat. Ook bevat de webversie eerdere rapporten, aanvullend statistisch materiaal en commentaren

[2] Wie een snelle blik wil werken op de scores voor elk van de 122 indicatoren van een land naar keuze, kiest dit land op de voornoemde wabpagina: http://reports.weforum.org/global-competitiveness-report-2015-2016/ In de ‘papieren versie’ zijn de overzichten per land te vinden vanaf p. 87.

[3] Op de webversie kunnen per land de scores voor elk van de pijlers en voor elk van de afzonderlijke indicatoren worden bekeken op http://reports.weforum.org/global-competitiveness-report-2015-2016/competitiveness-rankings/ Klik aan wat van toepassing is.

[4] Productiviteit is de verhouding tussen het bruto national product en de daarvoor benodigde productiefactoren (arbeid, kapitaal).

Waarin de twee meest innovatieve universiteiten van de VS zich onderscheiden

Alle Amerikaanse universiteiten – Stanford, Harvard, MIT en nog enkele andere uitgezonderd – staan onder financiële druk. De instroom daalt en het collegegeld kan niet verder stijgen. Innovatie moet een uitweg bieden. Wie zijn daar het best in geslaagd?[1]

De Arizona State University (ASU) bekleedt de toppositie al jaren, in het bijzonder vanwege de kwaliteit van haar online onderwijs. Het gaat daarbij om 13.000 van de in totaal 83.000 studenten. De afstandscursussen hebben een hoog multimediaal gehalte en dankzij het gebruik van data heeft elke cursus adaptieve elementen. Mede hierdoor is het aantal uitvallers minder dan gebruikelijk.

Onderwijs - Global Freshmen Academy 1Een innovatieve instelling rust echter nooit op haar lauweren. Onlangs heeft de ASU haar afstandsonderwijs een nieuwe impuls gegeven door op een slimme manier aan te sluiten bij de MOOCs-beweging.[2] ASU wilde dat MOOCs een expliciet onderdeel zouden worden van haar opleidingsprogramma. Daartoe is in samenwerking met MOOCs-aanbieder edX de Global Freshmen Academy opgericht[3]. Studenten die aan de Global Freshmen Academy zijn ingeschreven kiezen uit een reeks geselecteerde MOOCs van EdX. Nadat zij een cursuscertificaat hebben ontvangen, betalen ze $200. Een afgerond programma van de Global Freshmen Academy geeft onvoorwaardelijke toegang tot het reguliere onderwijs (campus óf online) van ASU. Deze instelling heeft op deze wijze haar recruteringsgebied significant vergroot. Ze stelt studenten bovendien in staat om te wennen aan e-learning zonder daar zelf grote sommen geld in te hoeven investeren.

De Southern New Hampshire University zou allang gesloten zijn als ze er niet in was geslaagd om – naast haar 3000 campusstudenten – 60.000 studenten online aan zich te binden. Ze is daarmee een van de snelst groeiende universiteiten van de VS. Ze ontleent haar status van meest innovatieve regionale universiteit aan het innovatieve karakter van het e-learning aanbod. Dit is afgestemd op werkende volwassenen.

Onderwijs - College for America 3De instelling heeft voor haar volwassen studenten het College for America opgericht. De cursussen zijn gebaseerd op het behalen van competenties en bestaan uit projecten die studenten in hun eigen werkomgeving uitvoeren. Na afronding van een project bekijkt een van de vele tutoren of studenten blijk geven de beoogde competenties te hebben verworven. Studenten betalen $2500,– per jaar en kunnen daarvoor zo veel onderwijs volgen als ze willen. Het business model van het College for America is echter gebaseerd op gratis onderwijs voor medewerkers van bedrijven waarmee voor dit doel contracten worden afgesloten. Meer dan 100 bedrijven hebben dit inmiddels gedaan.

Onderwijs - College for America 2

Wat maakt bovengenoemde instellingen innovatief?

  1. Kwalitatief hoogwaardig afstandsonderwijs (adaptief en multimediaal);
  2. Integratie van bestaande MOOCs in het reguliere onderwijs;
  3. Met succes aanboren van nieuwe doelgroepen;
  4. Afstemming van inhoud onderwijs op de leerwensen en mogelijkheden van volwassenen;
  5. Bijdrage aan verlaging studiekosten, mede door gebruik van budgetten voor bedrijfsopleidingen;
  6. Gepersonaliseerde studiebegeleiding
  7. Stichting van nieuwe ondernemingen voor specifieke doelen .

Deze twee Amerikaanse voorbeelden zijn een bron van inspiratie voor Nederlandse instellingen.

[1] In deze blogpost behandel ik twee de twee instellingen die in het US News and World Report zijn uitgeroepen tot de meest innovatieve universiteiten in 2015 in de categorieën national en regionaal.

[2] Voor wie het nog niet weet: MOOC staat voor massive open online courses. Kwalitatief hoogwaardige cursussen voor afstandsonderwijs die gratis beschikbaar worden gesteld. MOOCs zijn zelden onderdeel van een opleiding omdat het lastig is om deelnemers te beoordelen.

[3] Opmerkelijk is dat edX voortkomt uit Harvard en MIT. Een mooi voorbeeld van co-creatie dus.

The day Corporate Social Responsibility died

Samenleving - C$RVorige week heb ik Corporate Social Responsibility (CRS) begraven. Dat Volkswagen – nota bene net uitgeroepen tot meest duurzame autofabrikant[1] en elfde op de Global CRS Reputation Ranking[2] – ons allemaal zou belazeren, had ik niet voor mogelijk gehouden. Naïef, dat zeker, want dagelijks zijn er nieuwe voorbeelden van greenwashing. Ook heb ik twee jaar geleden met instemming het nieuwe boek van Wayne Visser besproken, waarin hij afrekent met CSR[3].

Ik heb desondanks vertrouwen gehouden in CSR omdat er talrijke voorbeelden zijn van bedrijven die investeren in duurzame energie en vermindering van hun CO2-uitstoot en die menswaardige werkomstandigheden nastreven in hun hele supply-chain.

Ik realiseer me nu dat er sprake is van een misverstand. Ik beschouwde de activiteiten van deze bedrijven op het gebied van duurzaamheid en sociale innovatie als een doel; voor de bedrijven zelf waren het middelen – om winst en reputatie te vergroten.

De ‘naked truth’ van de kapitalistische productiewijze is dat het management van bedrijven drie doelen nastreeft, waarvan de prioriteit kan wisselen:

  • Zo hoog mogelijke winst op korte en op langere termijn.
  • Zo hoog mogelijke waarde voor de aandeelhouders.
  • Zo hoog mogelijk inkomen voor zichzelf.

Om deze doelen te bereiken staan er vier soorten middelen ter beschikking:

  • Maken van kwalitatief goede producten en diensten en succesvol vermarkten daarvan (doing things good).
  • Innovatie van het productportfolio en het productieproces om de marges en het marktaandeel te vergroten.
  • Verminderen van de kosten door de productiviteit te vergroten en het productieproces te verduurzamen.
  • Zoeken van de mazen in de wet (bijvoorbeeld ontwijken van belastingen) en zo nodig overtreden daarvan.

In wezen zijn alle bestuurders van grote bedrijven onverkort adepten van de econoom Milton Friedman die op 13 september 1970 in de New York Times schreef : The sole purpose of the firm is to make money for its shareholders. Friedman voegde daaraan overigens toe: while conforming to the basic rules of the society, both those embodied in law and those embodied in ethical custom. Dit laatste wordt geregeld vergeten.

Recht doen aan de ‘naked truth’ van de kapitalistische productiewijze heeft twee consequenties:

  • Duurzaamheid - Greenwashing2Bedrijven moeten zich toeleggen op de realisering van hun doelen en dat op de bedrijfseconomisch beste manier doen. Dat zal hen vaak doen besluiten om uit duurzame oplossingen te kiezen. Ze moeten ophouden met het gebruik van CSR als rookgordijn.
  • Overheden zorgen voor stringente wetgeving (inclusief doelmatige handhaving) met gespecifieerde eisen op het gebied van arbeidsomstandigheden in de hele keten, energieconsumptie, CO2-uitstoot, belastingafdracht, inkomen van het management et cetera.

Gelukkig zijn er ook bedrijven die afstand nemen van de kapitalistische productiewijze. Het gaat deze bedrijven niet alleen om doing things good maar ook om doing good things. Ik vertrouw er nog steeds op dat bedrijven als Patagonia, Grameen Bank en Interface sociaal verantwoord en duurzaam opereren. De essentie is dat zij hiervoor kiezen ook als dat geen geld opbrengt maar geld kost. Het is geen middel maar een doel.

Hier ligt de waterscheiding tussen ondernemingen met een kapitalistische productiewijze en de groeiende groep van maatschappelijke ondernemingen[4].

De nieuwe groep van maatschappelijke ondernemingen is de aangewezen groep om inhoud te geven aan wat Wayne Visser CSR 2.0. noemt. Het gaat daarbij om de kenmerken en activiteiten, die wat mij betreft ook wettelijk verankerd moeten worden:

  • Duurzaamheid - Age of responsibility Wayne VisserInzetten van innovatief vermogen om bij te dragen aan de oplossing van maatschappelijke problemen en aan de verbetering van het welzijn van mensheid, bijvoorbeeld door garanderen van guild-free shopping.
  • Duurzaamheid is opgeschaald naar alle aspecten bedrijfsvoering in plaats van zich tot kleine onderdelen te beperken. CSR is geen aparte afdeling.
  • Geen standaarden (ISO 140001) maar absolute doelen (carbon neutral) en volledige transparantie bij de verantwoording daarvan. Bijvoorbeeld deelname aan Global Reporting Initiative en Carbon Disclosure Project).
  • Incalculeren van de lokale en globale effecten van de bedrijfsvoering, bijvoorbeeld door full-cost accounting.
  • Maximale bijdrage aan circulaire productie, onder andere door life-cycle impact assessment, service lease en take-back.
  • Geen charitatieve acties, maar faire beloning op alle niveaus en volledige belastingafdracht.
  • Geen aandelen maar leningen via crowdsourcing.

Ik kijk ernaar uit dat ondernemingen als Unilever, Philips en DSM openlijk verklaren maatschappelijke onderneming te willen zijn met alle rechten en plichten van dien. Ik vrees dat moment nog ver verwijderd is.

[1] Volkswagen is als eerste geplaatst op de Dow Jones Sustainability Index, sector automotive

[2] Zie mijn blogpost van 23 september jl. “Vertrouwen in Volkswagen: Total loss’: http://wp.me/p32hqY-eU

[3] The Age of Responsibility: CSR 2.0 and the New DNA of Business. Zie voor een beknopte Engelstalige samenvatting: http://mvonederland.nl/sites/default/files/2013/engelse_samenvatting_boek_wayne_visser.pdf

[4] Mintzberg zet verschillende vormen van maatschappelijke ondernemingen op een rij. Erg nuttig mintzberg.org/blog/ownership… Hij laat zien dat er weliswaar een vloeiende overgang is tussen bedrijven met een kapitalistische productiewijze en ‘community enterprises’ maar dat het fundamentele verschil erin zit dat de eerste een (collectieve) eigenaar hebben met een economisch doel en dat de tweede van iemand (of van iedereen) zijn. Niettemin is het definiëren van een aantal varianten van belang.

Vertrouwen in Volkswagen: Total loss

Op de dag dat het emissie-schandaal van Volkswagen bekend werd, werden ook gegevens over de reputatie van VW bedrijf gepubliceerd. Wereldwijd rond de top 10. Dit fraaie resultaat ligt nu aan diggelen. De schade daarvan is mogelijk nog groter dan de ook al gigantische materiële schade.

Op dezelfde dag dat de kolossale fraude van Volkswagen in het nieuws kwam, verscheen de 2015 Global CSR RepTrak 100. Dit is de jaarlijkse ranking van de reputatie van multinationale bedrijven op het gebied van CSR. Het gaat daarbij om duurzaamheid van producten, positieve impact op de samenleving (‘citizenship’), governance en kwaliteit van de arbeidsomstandigheden[1].

Jaarlijks spreken 100.000den personen zich wereldwijd uit over de reputatie van een groot aantal bedrijven. Het onderstaande overzicht toont de top tien van dit jaar en – ter vergelijking – de resultaten van de twee voorafgaande resultaten.

Organisatie - reputatie 4

Voor het moment gaat de interesse vooral uit naar de ranking van Volkswagen. Dit bedrijf stond jarenlang in de top tien; in 2015 was het naar de elfde plaats gezakt. Niet zo zeer vanwege lagere scores maar als gevolg van hoge scores van nieuwkomers. Na het emissie-schandaal is de waarschijnlijkheid groot dat het bedrijf volgend jaar niet eens meer in de top 100 staat.

De verkoop van Volkswagen zal ongetwijfeld een gevoelige klap krijgen. Ik heb serieus overwogen om mijn oude Toyota Prius in te ruilen voor een Golf Blue Motion. Dat gaat zeker niet door. Maar de reputatieschade heeft veel verder gaande gevolgen, die het bedrijf eveneens hard zullen treffen. De rapportage van de globale CSR reputatie geeft een goed beeld van welke deze gevolgen zullen zijn.

Uit de onderstaande tabel blijkt dat er een sterke samenhang is tussen reputatie en sympathie, de bereidheid om hun producten te kopen, er te werken of erin te investeren. Overigens, gemiddeld behoren alle bedrijven in de bovenstaande tabel (inclusief Volkswagen in 2015) tot de categorie ‘strong’. De sterkte van deze relatie moet overigens met een korreltje zout genomen worden. Attitude en gedrag kunnen immers aanzienlijk verschillen: Respondenten die zeggen dat ze eerder bij bedrijven kopen met een goed CSR-image, doen dat lang niet altijd.

Organisatie - reputatie 3

Het rapport baseert uitspraken over de relatie tussen reputatie en gedrag tevens op aanvullend statistisch onderzoek. Zo blijkt dat de gemiddelde waardestijging van de aandelen na 2008 van bedrijven die tot de top 100 op de reputatie-ranking behoren, twee maal zo groot is dan die van het gemiddelde van bedrijven op de S&P 500. Ook blijkt dat het publiek veel meer vertrouwen heeft in bedrijven met een hoge reputatie dan in andere bedrijven.

Daarmee zijn we bij de kern. Het vertrouwen in Volkswagen is weg. Alle uitspraken over veiligheid, duurzaamheid, degelijkheid en spaarzaamheid worden vanaf nu gewantrouwd. Dit maakt dat de immateriële schade van de verloren reputatie vele malen groter dan de overigens onafzienbare materiële schade (boetes en inzakkende verkoop).

Voorlopig wantrouw ik alle verhalen van multinationals over hun CSR. Ik denk dat ik niet de enige ben. Dit is misschien wel het ergste.

[1] Dit rapport, inclusief een overzicht van de volledige top 100, kan hier worden gedownload. Bedrijven scoren op zeven dimensies, waarvan drie ruimer zijn dan CSR alleen, namelijk leiderschap, resultaat en innovatie.

De startup revolutie: Amsterdam bij de top 20

Organisatie - verschil oude en nieuwe bedrijvenVolgens de onlangs gepubliceerde Global Startup Ecosystem Ranking[1] was het nog nooit zo makkelijk om een nieuw bedrijf te beginnen. Het gaat dan met name om high tech startups. Dit zijn bedrijven waar informatie- en communicatieprocessen een vooraanstaande rol innemen bij de inrichting van het bedrijfsproces. Denk aan Amazon. Deze nieuwe bedrijven werken wezenlijk anders dan de ‘oude’: Minder hiërarchie, hoogopgeleid personeel en een informele bedrijfscultuur (zie het overzicht hiernaast). De opkomst van high tech startups is een wereldwijd verschijnsel; gedurende de laatste twee jaar is hun waarde[2] verdubbeld.

Voor de snelle groei van deze bedrijven zijn verschillende redenen:

– het is betrekkelijk gemakkelijk om aan kapitaal te komen, zeker in de VS;

– producten en diensten worden via Internet aangeboden waarmee het traditionele voordeel van gevestigde merken deels te niet wordt gedaan;

– startups zijn innovatief in tegenstelling tot gevestigde bedrijven, die zijn ingesteld op ‘operational excellence’;

– veel startups zijn opgericht door voormalige medewerkers van gevestigde bedrijven en zij brengen veel kennis, ervaring (en klanten) mee;

– het prijsniveau van startups ligt gunstig en dankzij nieuwe technieken kunnen ze direct op klantenwensen inspelen.

Nu is er met hightech startups nog iets bijzonders aan de hand. Ze zijn in veel opzichten op elkaar aangewezen. Ze brengen één of enkele producten of diensten voort en ze betrekken componenten van elkaar. Ze wisselen onderling nieuwe technieken en kennis over afzetmogelijkheden uit. Geldschieters kennen de meeste oprichters en vaak is er sprake van een vertrouwensrelatie. Dit geldt ook voor mentoren die in ruil voor goede adviezen een deel van de opbrengt krijgen. Met andere woorden; startups vormen clusters en deze zijn een soort ecosysteem.

Tot voor een jaar of tien waren er enkele van deze clusters, waarvan Silicon Valley en de omgeving van Boston de belangrijkste waren. De laatste jaren is het aantal clusters wereldwijd aanzienlijk toegenomen. Onlangs is er voor de derde maal een wereldwijde ranking van startup ecosystemen gepubliceerd. Bij de bepaling van de score golden vijf criteria:

Performance; de hoeveelheid geïnvesteerd kapitaal en de totale waarde van de betrokken bedrijven

Funding: de hoeveelheid en beschikbaarheid van investeringskapitaal

Talent; het gemak waarmee technisch personeel kan worden gerekruteerd en de kosten daarvan

Market; de nabijheid van een omvangrijke afzetmarkt

Startup experience; de ervaring die oprichters en medewerkers hebben met het oprichten van nieuwe bedrijven

Hier is de ranking van augustus 2015:

Organisatie - Ranking startup ecosystemen

Een paar zaken vallen op:

– Silicon Valley staat met kop en schouders bovenaan. De waarde van alle daar gevestigde bedrijven is even groot als die van de andere 19 clusters samen. De andere startups lopen echter in.

– Ecosystemen in China ontbreken omdat niet alle data voorhanden zijn. Op basis van een schatting zou Beijing tot de top vijf en Shanghai tot de top 15 behoren.

– Amsterdam komt voor het eerst voor op de ranglijst en wel op de 19de plaats. Daarover zo dadelijk meer.

Het rapport bespreekt de top 20 van startup ecosystemen uitgebreid. Hieruit blijkt overduidelijk dat de belangrijkste reden waarom iemand zich in een van de betrokken locaties zou moeten vestigen, het ecosysteem zelf is. De aanwezigheid van collegae, concurrenten, onderzoekers en financiers, die elkaar veelal kennen en fysiek kunnen ontmoeten, is van wezenlijk belang. Clusters als Amsterdam, Londen en Berlijn bieden een vibrerende stedelijke omgeving, maar de mogelijkheid om aan geld te komen is minder. In Londen zijn technisch opgeleiden daarentegen weer schaarser en het prijspeil stijgt er snel.

Ook opvallend is dat betrokkenen in vrijwel alle gevallen de rol van de overheid eerder belemmerend dan stimulerend vinden. Het gaat dan om wetgeving, facilitering en in mindere mate om subsidiëring.

De onderstaande afbeelding plaats een aantal kencijfers van Amsterdam naast die van Silicon Valley. Deze geven duidelijk het verschil in omvang aan. De grootte van de regio ‘Amsterdam’ is me niet duidelijk geworden. Het rapport spreekt op van de driehoek Amsterdam – Den Haag – Eindhoven en ook het BNP wijst op een omvangrijk gebied. De citaten van betrokken ondernemers verwijzen naar de gemeente Amsterdam.

Organisatie - vergelijking startup ecosystemenDe oprichting van een startup mag dan makkelijker zijn dan ooit; dit betekent niet dat het bedje van elke starter is gespreid:

– de kans voor een technische startup om te overleven ligt rond de 10%;

– vooral in de beginfase zijn business angels in plaats van banken en venture capitalists onmisbaar als kapitaalverschaffers;

– de aanwezigheid van een ervaren mentor (soms ook kapitaalverschaffer) verhoogt de kans om te overleven 2 à 3 maal;

– persoonlijke relaties spelen een belangrijke rol.

Overheden kunnen gericht bijdragen aan de ontwikkeling van een ecosysteem:

– financiering van relevant fundamenteel onderzoek;

– matching van de bijdrage van business angels;

– kopen van innovatieve producten;

– vereenvoudigen van regelgeving.

In Nederland dreigt versnippering; elke gemeente en provincie heeft wel middelen waarmee in hubs, campussen of clusters wordt geïnvesteerd. Bureaucratie ligt op de loer. De belangrijkste les is dat de kans op ontwikkeling van innovatieve bedrijven vooral groot is waar al innovatieve bedrijven zijn. Creëren van aantrekkelijke faciliteiten om innovatieve bedrijven aan te trekken is daarmee een van de belangrijkste overheidstaken.

[1] Het rapport kan via deze link worden gedownload: Het bevat boeiend datamateriaal. Deze blogpost maakt voor een deel gebruik van de gegevens uit dit rapport.

[2] Het betreft de ‘exit value’, het bedrag dat bij overname contant of in aandelen wordt bepaald.

Vergeet de beurs

Samenleving - beurs 3De uitwassen van het kapitalisme krijgen steeds meer aandacht: groeiende ongelijkheid, materialisme, slechte werkomstandigheden bij toeleveringsbedrijven, verandering van het klimaat, exorbitante beloningen van managers et cetera. Onder de critici zijn maar weinigen die wachten op de omverwerping van het kapitalisme als ‘systeem’. Uitwassen komen in communistisch geregeerde staten minstens even veel voor. Dus zijn er terecht levendige discussies over een meer humaan kapitalisme, een nieuwe economie of een derde weg.

Eén uitwas van het kapitalisme krijgt naar verhouding weinig aandacht; de beurs. Dat de beurs een soort loterij lijkt, is tot daar aan toe. Wat zorgen baart, zijn de beperkingen die aandeelhouderskapitalisme oplevert voor duurzaam ondernemen.

Van lange- naar (ultra) korte-termijn perspectief

De afgelopen eeuw is het karakter van de beurs wezenlijk veranderd. Aanvankelijk was de aanschaf van aandelen en middel om bedrijven van kapitaal te voorzien. Bij een goed resultaat keerden deze dividend uit, een soort deling in de winst. Vertrouwen in de winstgevendheid van bedrijven op langere termijn speelde daarom een voorname rol bij de wijze waarop beleggers hun aandelenportefeuille samenstelden. Verhandelen van aandelen gebeurde met terughoudendheid.

Samenleving - beursHet besef dat er ook geld te verdienen valt met de handel in aandelen groeide. De intrinsieke waarde van de aandelen speelt daarbij geen rol. Profijt wordt behaalt door in te spelen op koersschommelingen. De transactiesnelheid is daarbij cruciaal. Daarom is de handel in aandelen steeds meer geautomatiseerd. De omvang van ‘high frequency trading’ (HFT), die gebruikt maakt van computeranalyses, bedroeg in 2009 60% van alle transacties. Tijdens de crisis is dit percentage sterk gedaald als gevolg van lagere volatiliteit, groeiende onzekerheid en strengere regelgeving. Op dit moment neemt HFT weer toe: Een nieuwe generatie computers verzamelt niet alleen financiële data, maar analyseert ook ‘stemmingen’ en ‘sociale bewegingen’. Deze computers nemen – vanwege de gewenste snelheid – zelf beslissingen met behulp van ‘kunstmatige intelligentie’. Aan deze ontwikkeling zitten talloze gevaren, zoals manipulatie via Twitter. Een vals bericht over explosies in het Witte Huis zorgde ervoor dat in enkele minuten $136 miljard aan beurswaarde verloren ging.

Dat op de beurs de werkelijke waarde van een bedrijf geen rol speelt, blijkt vooral bij bedrijven die voor het eerst naar de beurs gaan, de zogenaamde ‘initial public offerings’ (IPO). De koers van het aandeel wordt bepaald door vraag en aanbod. Recente voorbeelden zijn de beursgang van Facebook en Twitter, die inmiddels tientallen miljarden dollar ‘waard zijn’. Niemand begrijpt hoe zij ooit een rendement kunnen opleveren dat bij deze waarde hoort.

Wat heeft een eeuw speculeren op de beurs opgeleverd? Onder deze LINK zit een uitermate boeiende matrix, afkomstig van de New York Times[1]. Indien het tijdsbestek tussen de aanschaf van een aandelenpakket en de verkoop ervan minimaal 20 jaar is, neemt de waarschijnlijkheid toe van een een netto rendement van ruim 4% per jaar, dus na aftrek van kosten, inflatie en belasting maar inclusief dividend. Hoe korter de periode hoe groter de kans op positieve en negatieve uitschieters.

Gorilla Jacko kiest portefeuille
Gorilla Jacko kiest portefeuille

De koers van de AEX-index is vanaf 2000 gemiddelde koersdaling met 3% per jaar gedaald. Dit is het resultaat van alle transacties van individuele beleggers samen, inclusief computergestuurde aankopen. Je zou nu verwachten dat ‘slimme’ beurshandelaars een veel hoger rendement behalen. Dat kan niet worden aangetoond. De luis in de pels van alle beurshandelaars, de aap Jacko wist over deze periode een positief rendement van 4,5% te behalen[2].

Met andere woorden, winst uit aandelen is meer geluk dan wijsheid, maar de kans op positief rendement neemt toe naarmate een belegger een langere adem heeft. Bij de winst uit aandelenbezit op lange termijn speelt dividend overigens een belangrijke rol.

Het effect van aandeelhouderskapitalisme

De conclusie tot nu toe zou kunnen zijn dat speculeren op de beurs een soort loterij is met wisselende resultaten voor individuele beleggers. Het probleem is dat deze loterij ernstige gevolgen heeft voor de strategie van beursgenoteerde ondernemingen. De voornaamste oorzaak is de verschuiving van de nadruk van rendement op de lange naar de korte termijn. Beleggers en in het bijzonder hedge funds oefenen druk uit op bedrijven om een strategie te voeren gericht op zo hoog mogelijke beurswaarde. Het topmanagement is bovendien gecommitteerd omdat zijn inkomsten voor het grootste deel uit prestatiebonussen, opties en aandelen afkomstig is. Het gevolg is dat bij investeringen steeds meer naar het effect op korte in plaats van op lange termijn wordt gekeken. Dit betekent minder investeringen in onderzoek en innovatie, met name op het gebied van duurzaamheid. Daarentegen wordt meer geld besteed aan de aanschaf van productierobots om de personeelskosten te verminderen.

Een ander effect met negatieve gevolgen is dat bedrijven hun eigen aandelen opkopen. De verleiding om de strategie sterk af te stellen op de beurswaarde daarvan wordt daarmee wel erg groot.

Crowdfunding

Organisatie - crowdfundingVoor de ontwikkeling van een duurzaam bedrijfsleven is minder afhankelijkheid van de aandelenkoersen noodzakelijk. Echter, ook om duurzaam te investeren hebben bedrijven ‘vreemd kapitaal’ nodig. Banken bieden enig soelaas, maar crowd funding is een veel beter alternatief. Een groep personen identificeert zich daarmee tevens met een bedrijf en zijn doelstellingen. ‘Leners’ van kapitaal worden beloond met deling in de winst, deels op jaarbasis en deels na afloop van de looptijd. Het bedrijf maakt voor dit doel jaarlijks een reservering.

Een alternatief is de oprichting van stichtingen die geld beschikbaar stellen, bijvoorbeeld aan bedrijven die binnen vijf jaar CO2-neutraal willen zijn. In dat geval zijn het de stichtingen die een deel van hun geld ontvangen via crowd funding. Zij kunnen tevens aanvullende fondsen verwerven via subsidies en institutionele beleggers.

Er wordt in brede kring gesproken over alternatieven voor de huidige banken. Het is wenselijk om hierbij tevens na te denken over een andere opzet van de kapitaalmarkt. Laten we daarom beginnen met de beurs links te laten liggen.

[1] Zie ook de bijdrage van Hendrik Oude Nijhuis in Z24 over ‘het echte rendement van aandelen’ http://www.z24.nl/ondernemen/hendrik-oude-nijhuis-het-echte-rendement-van-aandelen%E2%80%8F

[2] Zie de bijdrage van Leo Koomen in Geld en Recht, getiteld ‘Gorilla’s beleggen beter dan experts. http://www.geldenrecht.nl/artikel/2012-09-04/gorillas-beleggen-beter-dan-experts

Waarom de Universiteit van Aalborg haar doelstellingen wel realiseert

Onderwijs - Aalborg 3In mijn blogpost van 5 augustus verdedigde ik de stelling dat universiteiten de eigen doelen slechts ten dele realiseren. Ik refereerde aan vijf doelen die elk zijn verwoord in een van de vijf Dublin descriptoren . Mijn kritiek betrof vooral de verwaarlozing van de derde doelstelling cq. Dublin descriptor. Verschillende lezers hebben me gevraagd het verschil tussen de tweede (toepassing van kennis) – die meestal wel uit de verf komt –  en de derde doelstelling (oordeelsvorming) te verduidelijken.

Ik doe dit door twee opdrachten te vergelijken, die karakteristiek zijn voor de tweede resp. de derde doelstelling.

Opdracht 1: Het Progress Principle

In haar gelijknamige boek (2011) beschrijft de Harvard hoogleraar Teresa Amabile het Progress Principle. Zij relateert tevredenheid van werknemers met hun baan en hun betrokkenheid bij het bedrijf of de instelling aan de organisatie van het werkproces.

Construeer na lezing van het boek een ‘mind map’ van hoe zij deze relatie ziet. Onderzoek daarna voor één specifiek(e) bedrijf of instelling in hoeverre het werkproces aldaar voldoet aan de criteria die Teresa Amabile onderscheidt.

Deze opgave past volledig binnen doelstelling 2. Studenten maken zich een theorie eigen en gaan na of de relaties die deze theorie veronderstelt in de praktijk terug te vinden zijn. Samen verzamelen de studenten gegevens van diverse bedrijven. Daarom kunnen ze vaststellen of de veronderstelde relatie tussen kenmerken van het werkproces en tevredenheid van werknemers aangetoond kan worden. Opdrachten als deze komen in de meeste opleidingen geregeld aan de orde.

Projectgroep Aalborg
Projectgroep Aalborg

Opdracht 2: De kracht van kleine teams

Consultants zijn vaak van mening dat kleine innovatieteams betere resultaten boeken dan grotere. Uw projectgroep gaat onderzoeken of deze claim terecht is. Vervolgens gaat u bij een aantal bedrijven een advies uitbrengen. Een zestal bedrijven heeft medewerking aan dit onderzoek toegezegd.

Vorm allereerst een beeld van de manier waarop deze bedrijven innovatie hebben georganiseerd en ‘duik’ daarna in de literatuur.

De wetenschappelijke literatuur levert minder eenduidige uitspraken op over de relatie tussen teamomvang en resultaat. Vergelijk daarom een aantal wetenschappelijke publicaties en vorm een mening waarop hun verschillen berusten. Let daarbij in elk geval op omgevingskenmerken van de onderzochte bedrijven (zoals sector en omvang).

Kijk met deze kennis opnieuw naar de zes bedrijven die u onderzoekt. Formuleer voor elk van deze bedrijven een advies over de omvang van de innovatieteams, waarbij u de voor dit bedrijf typerende omgevingskenmerken meeweegt.

Deze opdracht is typerend voor doelstelling 3. Net als bij doelstelling 2 wordt een relatie gelegd tussen theorie en praktijk. Studenten moeten echter zelf op zoek gaan naar bruikbare theorieën. Ze moeten bovendien bepalen hoe ze met verschillen tussen deze theorieën omgaan, alvorens deze aan de praktijk te relateren. Dit zijn andere vaardigheden dan studenten in ‘type 1’-opdrachten leren. ‘Type 2’-opdrachten zijn ook omvangrijker: Ze bevatten zowel de analyse van wetenschappelijke literatuur als de organisatie, uitvoering en presentatie van onderzoek.

Projectgroep Aalborg
Projectgroep Aalborg

De consequentie is dat een opleiding die werk maakt van álle Dublindescriptoren, afzonderlijke leerlijnen moeten ontwerpen waarin studenten de verschillende vaardigheden verwerven. Dit is precies wat in Aalborg gebeurt.

De leerlijn voor ‘type 2’ opdrachten bestaat eruit dat studenten elk semester een project uitvoeren. Daarbij neemt de complexiteit door de jaren toe en de begeleiding vermindert. Uitgangspunt voor een project is vaak een ‘eenvoudige’ vraag uit de praktijk (‘hoe richt ik mijn innovatieomgeving in’), die bij nader inzien allesbehalve eenvoudig te beantwoorden is. Studenten in het bovenstaande voorbeeld beseffen bijvoorbeeld dat een goed advies meer is dan de toepassing van een theorie. De componenten van een project zijn literatuurstudie, specificeren van de onderzoeks- en adviesvraag samen met een externe ‘probleemeigenaar’ alsmede opzetten, uitvoeren, rapporteren en presenteren van het resultaat.

Studenten in Aalborg besteden ongeveer de helft van hun studietijd aan de leerlijn gericht op doelstelling 3 (opdrachten ‘type 2’) Overigens is daarbij ook aandacht voor de Dublindescriptoren 4 (communiceren) en 5 (leren hoe te leren).

Projectgroep Aalborg
Projectgroep Aalborg

De andere helft van de tijd is bestemd voor de doelstellingen 1 en 2 (verwerven en toepassen van relevante kennis). Elk semester heeft een thema; vakinhoud en projecten zijn daarop afgestemd.

In deze leerlijn gaat het nadrukkelijk om meer dan alleen ‘kennisoverdracht’. Daarom zijn er geen massale hoorcolleges, maar werkcolleges. Docenten laten studenten kennismaken met relevante theoretische inzichten en wetenschappelijke methoden en studenten doen onder andere ‘type 1’- opdrachten om deze toe te passen.

In de toetsing aan het einde van het semester komt alles samen. De docenten die voor het desbetreffende semester verantwoordelijk zijn ‘ondervragen’ een dag lang de leden van een projectgroep. Deze docenten hebben in dit semester een vak gedoceerd en ze hebben opgetreden als projectbegeleider. Deze ‘ondervraging’ gaat zowel over het project, maar ook over de mate waarop studenten vakinhoudelijke kennis ‘paraat’ hebben en deze in het project hebben gebruikt. Het resultaat kan zijn dat de beoordeling van de projectleden verschilt. Meestal is de beoordeling geen verrassing omdat de betrokken docenten en studenten al een semester lang met elkaar hebben gewerkt. Overigens worden ook externe examinatoren uitgenodigd. Ik heb die eer ook een keer gehad.

In de praktijk van het wetenschappelijk onderwijs staan de Dublindescriptoren 1 en 2 centraal. Ik heb gemerkt dat veel docenten de Dublindescriptors 3, 4 en 5 desondanks belangrijk vinden. De vraag wat de consequenties zijn voor het curriculum komt echter zelden op. Die consequenties zijn niet gering en om die reden is kennismaking met het Aalborgse model een eerste stap[1].

Projectgroep Aalborg
Projectgroep Aalborg

[1] Bekijk hier brochure die een goed beeld geeft van het Aalborgse onderwijsmodel: http://www.en.aau.dk/digitalAssets/66/66555_pbl_aalborg_modellen-1.pdf

Hoger onderwijs: meer kwaliteitszorg; minder toezicht

Een onderwijs terriër, zo beschreef het Nijmeegse Universiteitsblad mij bij mijn afscheid in 2001. Ik begreep dat het vlijend bedoeld was. Verbeteren van onderwijs was de rode draad in de dertig voorafgaande jaren als docent en onderwijsdirecteur. Wat me zoal bezig hield, had ik een paar jaar daarvoor in tien korte essays beschreven: Over de vonken en het vuur[1]. Nog steeds actueel.

Personen - Herman van den BoschAls onderwijsdirecteur van de Faculteit beleidswetenschappen (later managementwetenschappen) te Nijmegen ben ik meer dan tien keer betrokken geweest bij onderwijsvisitaties[2]. Bij de oprichting van deze faculteit in 1988 was probleemgestuurd onderwijs naar Maastrichts model ingevoerd. Tijdens de eerste visitatieronde – begin jaren negentig – bleek dat commissies kritisch waren tegenover nieuwe onderwijsvormen. Vanaf dat moment had mijn inzet bij visitaties maar één doel, een positief oordeel verkrijgen. Dat is gelukt. De vele visitaties zorgden voor routine en ik moet zeggen, tijdens de tweede visitatieronde toonden commissies oprecht begrip voor de inrichting van ons onderwijs.

Slap gelulVisitatie heette netjes ‘externe kwaliteitszorg’ maar niemand geloofde in de bijdrage hiervan aan de verbetering van de opleidingskwaliteit[3]. Toch hebben externe deskundigen een doorslaggevende rol gespeeld bij de invoering van het nieuwe onderwijsconcept. Dit waren niet de leden van visitatiecommissies, maar ‘sparring partners’, bestaande uit collegae van de Universiteit Maastricht, aangevuld met enkele interne ‘critical friends’.

Kwaliteitszorg kan niet serieus genoeg worden genomen. Een enthousiaste groep docenten met hart voor het onderwijs doet dat. Maar het is bij kwaliteitszorg precies gesteld als bij veel andere praktijken met op zich goede intenties. Denk aan competentiemanagement, opleidingsmanagement en innovatiemanagement. In plaats van ruggensteun verworden ze tot blok aan het been op het moment waarop institutionalisering plaatsvindt. Een autoriteit – bij kwaliteitszorg is dat de overheid – neemt dan het initiatief over. De zorg voor onderwijskwaliteit wordt vastgelegd in wetten en procedures en de verantwoordelijkheid bij speciale organen of commissies. In plaats van enthousiaste docenten te prijzen, worden deze bejegend met een systeem gebaseerd op wantrouwen.

visitatieNa het visitatiesysteem heeft nu ook het accreditatiesysteem afgedaan. Vrijwel iedereen is van mening dat zijn opbrengst in geen verhouding staat tot de kosten. Het denken over een nieuw ‘systeem’ is al in volle gang. Een vaak gehoorde mening is dat we ons moeten beperken tot de accreditatie van instellingen. Als de huidige instellingsaudit daar model voor staat, dan vrees ik het ergste. De instellingsaudit is een krachtig instrument gebleken om de macht van de colleges van bestuur te versterken, om regelingen binnen de instellingen te ‘stroomlijnen’ en vooral om talloze nieuwe procedures in te voeren op het gebied van kwaliteitszorg, personeelsbeleid, planning en control[4]. Dan liever terug naar de opleidingsvisitatie uit de jaren ’90.

Maar, ik zie kansen voor een sprong voorwaarts. Daarvoor moeten we terug naar de vragen waar het allemaal om ging. Dat zijn er twee:

– Welke ondersteuning van buitenaf helpt opleidingen bij de verbetering van hun kwaliteit (externe kwaliteitszorg)

– Hoe kan de samenleving erop vertrouwen dat een opleiding of instelling overheidsgeld goed gebruikt (toezicht)

Een ding weten we inmiddels zeker: Een ‘systeem’ dat antwoord geeft op beide vragen bestaat niet. Consequentie is, dat voor elk een eigen voorziening nodig is. Aan te raden is om bij het denken hierover een frisse start te maken en even alle bestaande criteria, procedures, commissie en organen te vergeten.

Externe kwaliteitszorg

Te regelen op opleidingsniveau: De basis is een heterogene groep personen van buiten de opleiding (‘critical friends’) waarin de docenten vertrouwen hebben. Deze groep kijkt geregeld mee daar de uitvoering en de evaluatie van het onderwijs en naar verbeterings- en vernieuwingsplannen. Commentaar hoeft niet altijd in alle openbaarheid. Wel geregeld nieuwe personen aantrekken.

Toezicht

Te regelen op instellingsniveau: Het college van bestuur weet hoe opleidingen hun kwaliteit bewaken en hoe zij zwakke punten aanpakken. Dat opleidingen daarbij onderling verschillen is geen probleem. Het college spreekt geregeld met de opleidingen over hun kwaliteitszorg. Eventueel laat het zich hierbij ondersteunen door een ‘internal reviewer’[5]. Een keer per jaar jaar doet het college uitgebreid verslag aan de minister of daartoe aangewezen personen (‘external reviewers’). De Minister rapporteert aan de Kamer.

Het lijkt te eenvoudig; geen dikke nota’s, commissies en accreditatieorganen. De aanpak levert daarom veel geld op voor goed onderwijs. Dat is pas echte kwaliteitszorg.

[1] Dit boekje kan worden gedownload op: https://www.researchgate.net/publication/257926635_Over_de_Vonken_en_het_Vuur_tien_smeedproeven_van_wetenschappelijk_onderwijs

[2] Deze faculteit had zeven opleidingen die elk afzonderlijk warden gevisiteerd, ondanks het geïntegreerde opleidingsconcept.

[3] Het accreditatiestelsel, dat het visitatiestelsel verving vanaf begin 2000, pretendeerde dan ook niet meer om bij te dragen aan de opleidingskwaliteit.

[4] Er wordt wel gezegd dat het hoger onderwijs de laatste instellingen zijn die het slachtoffer zijn van het New public management.

[5] Veel organisaties denken over deze functie na. Het is een soort ‘controller’, maar met een veel ruimer blikveld dan financiën. Het is ook een luis in de pels, die tegenspraak ontlokt en vertolkt. Er is daarom soms sprake van een ‘corporate jester’ (hofnar).

Universiteiten realiseren hun eigen doelen niet

Underachieving collegesHet wetenschappelijk onderwijs in Nederland realiseert zijn eigen doelen niet. Het gaat overigens om een wereldwijd probleem. Maar het verschil tussen Nederland en bijvoorbeeld de Verenigde Staten is dat aldaar het probleem wordt erkend – zie bijvoorbeeld Derek Bok’s boek Underachieving colleges (2008). Hiermee is de weg naar verbetering geopend[1]. Universiteitsbestuurders in Nederland tonen zich tamelijk zelfgenoegzaam, waar volgens de NVAO lang niet altijd reden toe is.

De doelstellingen

Wat is het probleem? Alle universiteiten in de Europese onderwijsruimte zeggen dat studenten aan het einde van de opleiding over vijf competenties beschikken (de Dublin descriptoren): Ze kunnen:

(1) kennis van een vakgebied tonen,

(2) deze kennis toepassen,

(3) complexe problemen op kritische wijze beoordelen,

(4) over het geleerde communiceren,

(5) reflecteren en zelfstandig verder leren.

In de meeste opleidingen speelt de eerste competentie een dominante rol. Tijdens mijn vele visitatiebezoeken heb ik kunnen vaststellen dat het aandeel van reproductievragen in tentamens erg groot is. Ook competentie 2 krijgt aandacht. Studenten krijgen dan een cases voorgelegd en moeten deze aan de hand van een gegeven theorie verduidelijken. Of ze moeten zelf praktijkvoorbeelden van een theorie zoeken. De aandacht voor beide competenties blijkt ook uit de meest voorkomende onderwijsvormen: hoor- en werkcolleges.

Van systematisch ontwikkelen van competentie 3 is tijdens de opleiding zelden sprake. Dit geldt ook voor de competenties 4 en 5, die hierna buiten beschouwing blijven.

Onderwijs - critical thinking 1De tweede en de derde competentie verschillen wezenlijk van elkaar. De tweede competentie houdt in dat (net) afgestudeerden de werking van een gegeven theorie in de praktijk kunnen demonstreren. Onderwijskundigen spreken van near transfer. De derde competentie houdt in dat (net) afgestudeerden een realistisch probleem kritisch kunnen beoordelen. Ze weten op voorhand niet welke kennis zij daarvoor nodig hebben. Ook moeten zij vaak aanvullende gegevens verzamelen. Onderwijskundigen spreken in dit geval van far transfer.

Ik ben zelden docenten en opleidingsmanagers tegengekomen met een duidelijk plan voor de ontwikkeling van de derde competentie (en evenmin voor de vierde en de vijfde). Sommige docenten verwijzen naar het eindwerkstuk. Dit is echter bedoeld om aan te tonen dat studenten over de beoogde kennis en vaardigheden beschikken, niet om deze aan te leren. Het niveau van de meeste scripties is dan ook navenant, ondanks de intensieve begeleiding. Gefundeerde oordelen over een realistisch probleem zijn meestal ver te zoeken[2].

Het gebrek aan visie op de realisering van de derde, vierde en vijfde competentie komt tot uitdrukking in de afwezigheid van werkvormen die hier potentieel geschikt voor zijn. Het beste is om elk semester de nodige tijd te besteden aan het analyseren van een probleem, het verzamelen van data en het beschrijven en presenteren van de uitkomsten daarvan, kortom het leren bedrijven van wetenschap. Een soort rode draad door het hele curriculum dus.

Projectgroep Universiteit Aalborg
Projectgroep Universiteit Aalborg

De Universiteit van Aalborg (Denemarken) is een van de weinige instellingen die consequent op deze manier werkt. Studenten besteden ongeveer de helft van de tijd aan projecten en tijdens de resterende tijd volgen ze hoor- en werkcolleges, die het projectwerk inhoudelijk en methodisch ondersteunen. Naarmate de opleiding volgt worden de projecten complexer en vereisen ze meer eigen onderzoek. Bijna alle projecten gaan uit van realistische problemen, die vanuit de samenleving worden aangedragen. Studenten onderhouden intensieve contacten met de probleemeigenaars en ontwikkelen al doende inzicht in de maatschappelijke rol van wetenschappelijke kennis en de beperkingen daarvan[3]. De Technische Universiteit Twente past het ‘Aalborgse model’ gedeeltelijk toe. Overigens zijn er in de andere technische universiteiten steeds meer aanzetten te zien van de realisering van de derde competentie.

De eerste drie hiervoor genoemde competenties hangen nauw samen. Ze kunnen worden opgevat als de hoekpunten van een driehoek. De onderstaande afbeelding geeft op schematische wijze weer hoe de competenties in de praktijk worden gerealiseerd. Het zwaartepunt daarbij ligt aan de linkerzijde, terwijl idealiter sprake moet zijn van een gelijkmatige vulling van de ruimte.

competentiedriehoek
competentiedriehoek

In mijn ruim 40-jarige carrière als docent en opleidingsmanager heb ik veel veranderingen de revue zien passeren. Achteraf moet ik zeggen dat daarbij vaak ontbrak aan een goede probleemanalyse. Een uitzondering daarbij was de invoering van probleemgestuurd onderwijs aan de Universiteit van Maastricht. Probleemgestuurd onderwijs heeft een belangwekkende bijdrage geleverd aan de realisering van de tweede competentie. Wat opleidingen nu te doen staat is belangrijke stappen te zetten die ertoe leiden dat studenten kritischer leren oordelen, beter leren communiceren en beter vorm kunnen geven aan hun eigen ontwikkeling na de studie. Kortom: Een inhaalslag met betrekking tot de competenties drie, vier en vijf.

Bok, Derek. (2008). Our underachieving colleges. A candid look at how much students learn and what they should be learning more. Princeton: Princeton University Press.

Fischer, Karin. (2013). A college degree sorts job applicants, but employers wish it meant more Chronicle of Higher Education.

Sledge, Linsey, & Fishman, Tiffany Dovey. (2014). Reimagining higher education: How colleges, universities, businesses, and governments can prepare for a new age of lifelong learning. http://dupress.com/articles/reimagining-higher-education/

Van den Bosch, H.M.J., & Kieft, M. (2001). The hybrid curriculum; the acquisition of academic competencies in the university curriculum. In W. Gijselaers (Ed.), Educational innovation in economics and business administration, part VII. (pp. 41-56). Dordrecht: Kluwer, Academic Press.

[1] Werkgevers vinden graduates “woefully underprepared. In hun ogen hebben studenten te weinig taalvaardigheid, analytisch en probleem-oplossend vermogen (Fischer, 2013; Sledge & Fishman, 2014)

[2] De kritiek van Derek Bok, president van de universiteit van Harvard. ging veel verder dan die van werkgevers. Van universiteiten mag worden verwacht dat ze studenten opleiden tot kritisch denken en moreel oordelen en besef hebben van wat zich in de wereld afspeelt. Uit zijn uitvoerig gedocumenteerd boek blijkt dat universiteiten dit doel in de naoorlogse periode niet realiseren. Hij hekelt bovendien dat onderwijs vaak wordt overgelaten aan weinig ervaren docenten en dat deze nauwelijks interesse hebben in de verbetering van hun eigen lesmethoden.

[3] Zie voor een beschrijving van het Aalborgse model: Van den Bosch and Kieft (2001)