Universiteiten: leren van ‘lean’

Veel bedrijven streven naar ‘lean’: Volledige afstemming van het bedrijfsproces op de levering van een zo goed mogelijk product of dienst. Universiteiten kunnen hiervan nog wel wat leren. Ik bezoek in het kader van visitaties heel wat faculteiten en daarbij vallen steeds weer twee zaken op: De ingewikkelde organisatie en de versnippering van de taken van het personeel.

Wie is de baas?

Organogram matrixorganisatie
Organogram matrixorganisatie

Vraag een willekeurige universitaire docent wie de baas is. Sommigen – waarschijnlijk degenen met de meeste dienstjaren – halen hun schouders op, alsof het antwoord er iets toe doet. Anderen kunnen zo tien bazen noemen: de voorzitter van de leerstoelgroep, het hoofd van vakgroep of departement, de directeur beheer, de opleidingsdirecteuren, de directeur onderwijs, de directeur onderzoek, de voorzitter van de faculteitsraad en de decaan. Niet te vergeten de voorzitters van de opleidings- en de examencommissie. En dan is er ook nog het bestuursgebouw, de binnenstad, de bovenste verdieping of hoe het College van bestuur ook wordt genoemd.

In de jaren ’80 voerden veel faculteiten een matrixstructuur in. Organisatiekundigen waarschuwden toen al voor het complexe karakter daarvan. Inmiddels hebben we drie- of vierdimensionale matrixen nodig om het bestuur te visualiseren. Merkwaardig genoeg lijkt niemand veel last van te hebben van de ingewikkeldheid van het bestuur. Desgevraagd, antwoorden medewerkers steevast dat de lijnen kort zijn en dat geen van de managers ooit hard ingrijpt. Dat zou best waar kunnen zijn, gegeven doorzeurende problemen rond onderwijsevaluaties, klachten over werkdruk en lage rendementen.

De taken van de medewerkers

grote betrokkenheid medewerkers bij veelheid van zaken
grote betrokkenheid medewerkers bij veelheid van zaken

Vraag ook eens aan medewerkers op te schrijven wat ze allemaal doen. Daar zijn ze wel even mee bezig: lesgeven in drie tot vijf vakken in bachelor en master, ontwikkelen van nieuwe cursussen, bachelor- en masterscripties begeleiden, lidmaatschap van diverse commissies, begeleiden van promovendi, externe voorlichting geven, deelnemen aan docententrainingen, vergaderingen bijwonen en veel bilateraal overleg, overleggen met partijen in de regio, contacten onderhouden met buitenlandse universiteiten, de deur openzetten voor studenten en onderzoek doen. Medewerkers kunnen zich zelden gedurende langere tijd op één taak concentreren.  Vanwege de hoge ‘omstelkosten’ betwijfel ik of deze werkwijze productief is. Bovendien valt mij altijd op hoe zeer men betrokken is bij de eigen vakken en hoe weinig met de opleiding als geheel.

Kan het anders?

Universiteiten kunnen leren van ‘lean’. In essentie betekent dit dat de hoofdprocessen worden benoemd en dat de medewerkers in principe gedurende een bepaalde tijd betrokken zijn bij slechts één hoofdproces, bijvoorbeeld de bacheloropleiding, de masteropleiding of de MBA.[1] Afgezien van het feit niet alle universiteiten researchuniversiteiten hoeven te zijn, vind ik dat medewerkers van een researchuniversiteit niet altijd onderzoek hoeven te doen. Een afwisseling van periodes van voltijds onderzoek en voltijdse onderwijs stelt hun in staat zich veel beter op hun taak te concentreren. Ik zou wel één ‘vrije’ dag in de week invoeren die medewerkers zelf kunnen invullen.

De medewerkers die voor een specifiek hoofdproces verantwoordelijk zijn, bijvoorbeeld de bacheloropleiding, krijgen wat mij betreft ook vergaande bevoegdheden bij de inrichting van de opleiding. Ook hierdoor kan het management worden vereenvoudigd.

Ik heb grote waardering voor het personeel van de faculteiten die ik vanuit mijn eigen ervaring ken en waarmee ik de afgelopen jaren kennis heb gemaakt. Met hun harde werken bereiken ze heel wat. De organisatie van universiteiten is echter ondoelmatig en vaak is er te weinig aandacht voor de opleidingen als geheel. Een wezenlijk andere organisatie, gekoppeld aan een hoge mate van zelfsturing kan hieraan veel verbeteren.


[1] Ik heb al eerder een in mijn ogen passende organisatie van faculteiten geschetst:  http://wp.me/p32hqY-4B

De armoede van de kamergeleerde

In zijn recente boek – ‘Engaged Scholarship’ – wijst Andrew van de Ven ( afkomstig uit ‘ons’ Schijndel)  op de noodzaak dat wetenschappers een aanzienlijk deel van hun tijd doorbrengen buiten de ivoren toren van de universiteit.

Bericht vanuit de Ivoren Toren
Bericht vanuit de Ivoren Toren

De samenleving is terecht kritisch over wat zij terugkrijgt voor de miljarden belastinggeld voor ‘ongebonden’ wetenschappelijk onderzoek.  Vrijwel niemand – afgezien van universitaire bestuurders – gelooft nog dat de resultaten van fundamenteel onderzoek via ‘toegepast’ onderzoek vanzelf naar de praktijk doorsijpelen. De wenselijkheid van meer betrokkenheid van ‘stakeholders’ bij wetenschappelijk onderzoek ligt dus voor de hand.

Prof. Van de Ven wijst er bovendien op dat meer maatschappelijk engagement ook invloed heeft op de status van de wetenschappers zelf. Veel wetenschappers beschouwen hun taak volbracht zodra een wetenschappelijk tijdschrift een artikel van hun hand accepteert. Behalve het feit dat dit steeds lastiger wordt, is ook de kans dat iemand dit artikel leest – laat staan – citeert klein. Een wetenschappelijke publicatie in de VS wordt gemiddeld minder dan één maal geciteerd. De kans om gehoord te worden – ook binnen de academische gemeenschap – neemt echter toe naarmate een wetenschapper meer publieke bekendheid heeft.

De betrekkelijk geringe impact van wetenschap op het doen en laten van ondernemers, docenten, bestuurders, planologen en andere beroepsgroepen komt deels voort uit communicatiebarrières. Maar de belangrijkste reden ligt volgens Van de Ven in het feit dat de thematiek van veel wetenschappelijk onderzoek nauwelijks aansluit bij vragen waarop deze beroepsgroepen een antwoord willen hebben. Zo hebben bijvoorbeeld veel bedrijfskundigen weinig kennis uit de eerste hand van wat in de bedrijven omgaat. Hun hoofden zitten daarentegen boordenvol theorieën over processen in bedrijven, waarover ze in allerlei wetenschappelijke publicaties hebben gelezen. Ze zijn in de eerste plaats geïnteresseerd in het doen van uitspraken over de geldigheid van deze theorieën. Hiervoor hoeven ze hun studeerkamer nauwelijks te verlaten. Ze regelen wat interviews of – liever nog – ze versturen via internet een reeks enquêtes[1]. Ik ben als leidinggevende ik geregeld doelwit geweest van dit soort onderzoek en ik heb al heel wat plaatsvervangende schaamte gevoeld bij de vragen die werden gesteld.

Er is niets mis met onderzoek dat streeft naar toetsing van theorieën. Het is dan wel zaak dat de onderzoeksvragen voortvloeien uit een leerproces dat wetenschappers en mensen uit de praktijk samen doorlopen.  ‘Betrokken wetenschappers’ besteden een substantieel deel van hun tijd aan observaties, interacties en conversaties met mensen in bedrijven, scholen, buurten of waar dan ook.

Van de Ven: Engaged Scholarship: aanbevolen!
Van de Ven: Engaged Scholarship: aanbevolen!

Een aantal ‘practitioners’ heeft na vele jaren praktijkervaring, behoefte aan reflectie en zij zoeken deze in een wetenschappelijke promotie. De huiver vanuit de universitaire wereld tegenover deze personen is volstrekt onterecht. Het wegwerken van hun deficiënties op inhoudelijk en methodisch gebied is veel makkelijker dan een kamergeleerde wegwijs te maken in wat er in de samenleving omgaat. Deze ‘buitenpromovendi’ – het woord zegt al genoeg – moesten tot nu toe een eenzame en lange weg bewandelen. En dan nog was er nauwelijks plaats voor hun belangrijkste ‘asset’, namelijk kennis van de praktijk.  Dit ligt andere in het PhD-programma van de Open Universiteit dat inmiddels al 100 deelnemers (‘scientist-practitioners’) uit 16 landen telt. Dit programma streeft op zorgvuldige manier naar samengaan van theorie en praktijk en van ‘rigor’ en ‘relevance’.

Het zou de waarde van het wetenschappelijk onderzoek ten goede komen als alle kamergeleerden – laten we zeggen, onderzoekers die meer dan 75% van hun onderzoekstijd binnen de universiteit doorbrengen –  zich van hun beperking bewust worden en leren hoe ze ‘stakeholders’ systematisch bij het onderzoek kunnen betrekken.

 

[1] Ik heb dit thema uitgewerkt in een eerdere ‘post’, getiteld: Over verhalenvertellers, wetenschappers en de babbelbox http://wp.me/p32h

Innoveren voor sociaal kapitaal

Zonder sociaal kapitaal is er geen samenleving. Sociaal kapitaal zorgt ervoor dat individuen elkaar respecteren en samenwerken, creëert vertrouwen en solidariteit en voedt de waarde van een gemeenschappelijk verleden.

Sociaal kapitaal rust op vier pijlers, ook wel instituties genoemd: de rechtsstaat, de democratie, de mogelijkheid tot participatie en de verdeling van de welvaart. Dankzij deze instituties kennen we vrijheid, besturen we mee, voelen we ons gewaardeerd en hebben we toegang tot goederen en diensten.

In mijn vorige post schreef is dat ons sociaal kapitaal erodeert en er innovaties nodig zijn om dit proces te keren. Hieronder illustreer ik voor elk van de instituties waaraan ik daarbij denk.

De rechtsstaat: steeds meer regels

Bedreigingen van de rechtsstaat
Bedreigingen van de rechtsstaat

De rechtsstaat vrijwaart burgers voor ongewenst gedrag, willekeur en corruptie, beschermt onze belangen en eigendommen en garandeert vrijheid binnen wettelijke kaders.

Nederlanders hebben niet te klagen, maar er gevaren liggen op de loer: Het aantal regels groeit en hun draagvlak, zeker als zij van ‘Brussel’ komen, is gering. Onbehagen over de handhaving neemt toe; veel burgers ervaren de pakkans voor criminelen gering en de strafmaat te laag.

Innovatie

Vereenvoudiging van het recht en verlaging van de regeldruk hebben prioriteit, waarbij afstemming van wetten tussen landen de voorkeur heeft boven Europese wetgeving.

De democratie: politiek en burgers zijn van elkaar vervreemd

Voor velen is de democratie nietszeggend
Voor velen is de democratie nietszeggend

Slechts een minderheid van de burgers identificeert zich nog met het overheidsbeleid. Partijvorming en kiesrecht ten spijt, het democratisch gehalte van de samenleving wordt als gering ervaren. De politiek heeft zelf bijgedragen aan de overschatting van de impact van het openbaar bestuur. Nu het minder goed gaat ervaren de burgers de kloof tussen wat politieke partijen beloven en wat ze tot stand brengen als onaanvaardbaar breed.

Innovatie

Een breed maatschappelijk debat is nodig over alternatieven voor de inrichting van het democratische stelsel. Ik denk aan:

  • Een gekozen minister-president, die een regering samenstelt;
  • Vervanging van het parlement door een groep van willekeurig geselecteerde Nederlanders die met de regering in debat gaat over wetsvoorstellen;
  • Bekrachtiging van alle belangrijke wetten via volksraadpleging.

Iets dergelijks kan ook op plaatselijk niveau.

De participatiesamenleving: Uitsluiting en marginalisering dreigen

Mogelijkheid tot participatie geldt voor iedereen
Mogelijkheid tot participatie geldt voor iedereen

De mogelijkheid om zinvolle taken te verrichten is een van de grondslagen van ons bestaan. Door talloze arbeidsbesparende maatregelen – vaak met trots innovaties genoemd – is er voor laaggeschoolden steeds minder werk. Maar ook hoger geschoolden ervaren belemmeringen als gevolg van het groeiende ‘managerialisme’, een cultuur van steeds meer voorschriften, regulering en afrekening. Gevolg medewerkers van organisaties leren ‘bukken’, vertonen risicoarm gedrag en als de omstandigheden dat toelaten beginnen ze voor zichzelf.

Innovatie

Garanderen van mechanismen die zorgen voor een aanbod van zinvol werk op alle niveaus heeft topprioriteit. Zo lang er een grote groep is voor wie beroepen als kassière en lokettist het hoogst bereikbare is, ondermijnen ‘innovaties’ als zelf-scankassa’s en automaten de mogelijkheden tot zinvolle participatie aan de samenleving. Verder bepleit ik het op grote schaal ingang doen vinden van coöperatie organisatievormen en een drastische vermindering van het aantal leidinggevenden.

Verdeling van goederen en diensten: steeds schever

Een eerlijke verdeling van de welvaart
Een eerlijke verdeling van de welvaart

De meeste Europeanen hebben weinig reden tot te klagen over hun materiële welvaart. Hierbij blijft voor het moment buiten beschouwing dat we onze welvaart mede danken aan het toe-eigenen van een onevenredig deel van de rijkdommen van de aarde ook ten koste van onze eigen kinderen. In het algemeen wordt het als een goede zaak ervaren dat burgers in inspanning moeten leveren om toegang te krijgen tot deze goederen en diensten. De verzorgingsstaat heeft deze relatie helaas vertroebeld en hierover bestaat breed onbehagen. De samenleving ontwikkelt zich nu de andere kant op. De rijken hebben alle gelegenheid om zich verder te verrijken en de mogelijkheden voor de armen om een menswaardig bestaan op te bouwen nemen af.

Innovatie

De economische instituties zijn hard toe aan innovatie. Bedrijven behartigen – ondanks mooie praatjes over CSR – eerder de belangen van de kapitaalverschaffers dan die van de samenleving als geheel. Velen denken dat alleen wetgeving bedrijven tot maatschappelijk verantwoord handelen kan bewegen. Dit is echter in strijd met de noodzaak van minder regulering. Ik koester vooralsnog de hoop dat bedrijven, aangevoerd door een nieuwe generatie ondernemers en medewerkers,  zelf besluiten  ‘sociale ondernemingen’ te worden. Essentieel daarbij is uiteraard het afbouwen van de cultuur van zelfverrijking die thans dominerend is in de top van het bedrijfsleven maar ook in andere organisaties.

Alle hiervoor benoemde innovaties resulteren in hernieuwde groei van sociaal kapitaal met als resultaat: vrije, tevreden en betrokken burgers, die zich in te zetten voor hun eigen ontwikkeling en die van hun medemensen, die diversiteit op zijn waarde weten te schatten en die elkaar opzoeken omdat vooruitgang alleen samen realiseerbaar is.

Innovatie en geluk

Innovatie moet uiteindelijk leiden tot meer menselijk geluk, of – wat minder theatraal – tot betere ontplooiingskansen. Dat is méér dan verbetering van de arbeidsproductiviteit waarvoor de meeste innovaties tot nu zijn geïnitieerd. Daar hebben we veel baat bij gehad, maar de negatieve gevolgen voor mens en milieu zijn gaan overheersen. In mijn vorige post stelde ik daarom dat innovatie moet leiden tot drie gelijkwaardige doelstellingen: welvaart, duurzaamheid en ontplooiing.

Deze ‘post’ zoomt in op innovaties die tot behoren de laatste categorie. In wezen gaat het om drie groepen:

  • Innovatie gericht op arbeidsverhoudingen (internationaal: workplace innovation)
  • Innovatie gericht op levensomstandigheden (internationaal: social inovation)
  • Innovatie gericht op de samenleving (internationaal: institutional innovation)

Innovatie gericht op arbeidsverhoudingen

Workplace innovation: hot item binnen de EU
Workplace innovation: hot item binnen de EU

Dankzij Henk Volberda weten we dat innovatie van de arbeidsverhoudingen (hij spreekt van sociale innovatie) de impact van technische innovatie verdrievoudigd. Het gaat om uitdagend werk, autonomie en dienend leiderschap. Gepaard aan minder hiërarchische verhoudingen, teamwork, verantwoordelijkheid en vertrouwen[1]. Volgens ruwe schattingen voldoet hoogstens 25% van het werk in Nederland aan deze eisen. Daarbij komt dat twee van de drie werknemers vinden dat hun leidinggevende de belangrijkste oorzaak is van gebrek aan arbeidssatisfactie. Een vergelijkbaar cijfer is ook voor de VS vastgesteld. Er is hier dus nog een wereld te winnen.

Innovatie gericht op levensomstandigheden

We hebben het er niet meer zo vaak over, maar het grootste deel van de wereldbevolking leeft op en onder het bestaansminimum en mist elementaire voorzieningen op het gebied van water, sanitair, zorg en onderwijs. Deze situatie lijkt langzaam te verbeteren. Dichtbij huis is er eerder sprake van snelle verslechtering: Ongeschoolde arbeid is er bijna niet meer dankzij technische innovatie. Het aantal werkelozen onder de ongeschoolde arbeiders neemt snel toe; velen zijn jong en allochtoon, leven in stedelijke getto’s; broedplaatsen van criminaliteit. Een ander deel gaat behoren tot de nieuwe kasten van ‘slaven’, waarvan de omvang in Europa op 900.000 wordt geschat.

Van werkplaats-leren  vind je alleen maar oude foto's
Van werkplaats-leren vind je alleen maar oude foto’s

Innovatie hier is vooral onderwijs. Geen ‘burgerlijk’ algemeen vormend onderwijs, maar ambachtsonderwijs en werkplaatsleren. Daarvoor moeten er wel werkplaatsen zijn en dit vereist stimuleren van de informele economie. Vooral door drastische vermindering van wettelijke belemmeringen. De ontwikkelende informele economie in arme stedelijke gebieden in rijke landen zal geleidelijk verbonden moeten raken met de formele economie.

Innovaties gericht op samenleving

De term ‘sociaal kapitaal’ slaat op wat een groep individuen weet te presteren dankzij onderlinge samenwerking. Sociaal kapitaal op het niveau van de staat neemt snel af. Het aanhoudende onvermogen van de politieke partijen in de VS om een begroting vast te stellen toont aan hoe sterk het deel-belang het collectieve belang overschaduwt. Gevolg is dat iedereen zijn eigen hachje veiligstelt, in navolging van de leiders van het bedrijfsleven en hun exorbitante zelfverrijking.

Wat als de relatie tussen stemmen en meebeslissen verdwijnt?
Wat als de relatie tussen stemmen en meebeslissen verdwijnt?

Welke vorm van innovatie help hier? In vroegere jaren waren oorlogen probate middelen om de nationale eenheid te versterken. Een middel dat erger is dan de kwaal. Ik denk dat er een reeks innovaties gaat plaatsvinden die de nationale instituties zelf gaan vervangen. Al dan niet territoriaal gebonden burgerinitiatieven, decentralisatie van de macht, alternatieven voor politieke partijen…. In mijn volgende ‘post’ ga iki hierop in, uitgaande van de fundamentele waarden waarvoor sociale instituties behoren te staan.


[1] Ik heb dit onderwerp behandeld in een oudere post: http://wp.me/p32hqY-2T

 

Innovatie: geen doel op zich!

Volgens recente EU-cijfers hoort Nederland op het gebied van innovatie in Europa eerder bij de achterblijvers dan bij de koplopers. Het wekt misschien verbazing, maar ik heb de neiging te reageren met “Nou, en?”

Innovatiedoelen
Innovatiedoelen

Innovatie is geen doel op zich. Innovatie kan leiden tot realisering van drie doelen: welvaart, ontplooiing en duurzaamheid. Gedurende de achter ons liggende jaren is innovatie in de eerste plaats voortgekomen uit het streven naar hogere productiviteit: met minder mensen meer doen. Meer welvaart was daarvan het gevolg. Dit gold voor brede lagen van de bevolking zo lang overbodige arbeidskrachten elders aan het werk konden. Dit is thans niet meer het geval en voor de steeds grotere groep waarvoor in onze samenleving geen plaats is, betalen we een hoge prijs (discriminatie, criminaliteit, no-go area’s). Maar er ligt ook een groeiende stapel onbetaalde rekeningen. Onze (klein)kinderen moeten niet alleen fors gaan betalen voor onze doktersrekening; ook de bescherming tegen de stijging van de zeespiegel en remediëren van andere (neven)effecten van 100  jaar misbruik van de natuurlijke hulpbronnen gaan een aanzienlijk deel van de collectieve uitgaven opeisen.

Meer innovatie om de productiviteit te verhogen hoeft voor mij niet. Toch is tot op de dag van vandaag is het merendeel van de investeringen in innovatie wereldwijd hierop gericht. Het net verschenen Rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving “Vergroenen en verdienen” schat dat ‘groene investeringen” in Nederland 2% bedragen van het BNP. Groene investeringen hebben tot doel om aanzienlijk zuiniger om te springen met natuurlijke hulpbronnen en de aantasting van het leefmilieu wezenlijk te verkleinen. In Duitsland ligt het percentage groene investeringen op 10%. In absolute cijfers is China koploper.

De relatieve omvang van groene investeringen in Nederland
De relatieve omvang van groene investeringen in Nederland

‘Groene’ investeringen hoeven niet ten koste te gaan van welvaartsdoelen, maar zij kunnen deze versterken. Wereldwijd groeit de markt op het gebied van duurzame energie, ‘biobased’ materialen en schone technologie jaarlijks met 12%. Landen die erin slagen het aandeel van deze producten én diensten in hun uitvoer te vergroten hebben daarvan profijt. Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken doen dit aanzienlijk beter dan wij.

Vergroening van onze productie vereist een krachtige rol van de overheid. Daarbij gaat het vooral om drie zaken:

  • Aanscherpen van het topsectorenbeleid. Méér geld voor topsectoren maar bovenal binnen topsectoren meer investeren in ‘biobased economy’, gebouwde omgeving en circulaire economie;
  • Meer publieke investeringen in (wetenschappelijk) onderzoek dat gericht is op de drie voornoemde sectoren;
  • Zelf meer producten kopen die het resultaat zijn van ‘groene innovatie’.

In mijn volgende ‘post’ ga ik in op de noodzaak om gelijktijdig eveneens de ontplooiings- (of welzijns-)doelen te bereiken of om sociale innovatie in de ruimste zin van het woord.

Nederland innovatieland? Vergeet het!

Het European Innovation Scoreboard was tot voor kort de belangrijkste graadmeter van innovatie binnen Europa. Nederland staat weliswaar niet bij de top, maar in de nieuwste uitgave[1] van het ‘Scoreboard’ neemt ons land de eerste plaats in van de ‘innovation followers’, zeg maar de subtop;  ruim boven het EU gemiddelde. Op deze lijst staat (niet-EU land) Zwitserland stevig aan de top; Zweden voert dit jaar de rij van EU-landen aan; Finland zakt. Afbeelding 1 toont de score van alle Europese landen.

Afbeelding 1: European Innovation Scoreboard
Afbeelding 1: European Innovation Scoreboard
Bij de berekening van de scores worden 25 indicatoren gehanteerd. Deze variëren van aantal wetenschappelijke promoties, deel van de bevolking met een hoger onderwijs-diploma, hoeveelheid wetenschappelijke publicaties, bestedingen voor wetenschappelijk onderzoek tot  aantal patenten, hoeveelheid innovatieve MKB-bedrijven, werkgelegenheid in kennisintensieve bedrijven tot de export van innovatieve diensten.

Binnen de Europese Commissie is er al enige tijd sprake van enig ongenoegen over het European Innovation Scoreboard.  Dit komt voort uit de heterogeniteit van de indicatoren. Een groot aantal van deze indicatoren zegt namelijk niets over innovatie, maar wordt beschouwd als voorwaardenscheppend. De commissie heeft daarom het initiatief genomen tot de ontwikkeling van een nieuwe index, die weergeeft hoeveel innovatie er feitelijk in een land plaatsvindt. Deze nieuwe index telt slechts vier indicatoren, die deels ook voorkomen in het Scoreboard[2]:

– het vermogen van een land om kennis te vermarkten (patenten);

– het aantal personen dat werkzaam is in kennisintensieve bedrijven;

– het aantal van innovatieve goederen en diensten in de totale productie;

– het aantal snel-groepende innovatieve bedrijven.

Afbeelding 2: Innovatieve activiteiten per land
Afbeelding 2: Innovatieve activiteiten per land

Afbeelding 2 toont het resultaat van deze operatie. Dit is in bepaalde opzichten spectaculair. Zweden verdringt Zwitserland van de troon als meest innovatieve land in Europa. Het meest opvallend is echter dat Nederland en België onder het EU27-gemiddelde zakken, waarbij België één plaats hoger komt te staan dan Nederland. De verklaring ligt voor de hand. Nederland – en in wat mindere mate België – danken hun hoge plaats op het European Innovation Scoreboard aan de aanwezigheid van voorwaardenscheppende activiteiten. In het bijzonder de kwaliteit van de wetenschapsbeoefening speelt in liefst vier indicatoren mee. Als we ons beperken tot een registratie van wat er in innovatief opzicht in Nederland gebeurt, dan scoren we matig, zeker in relatie tot onze pretenties.

De nieuwe index geeft beter dan het European Innovation Scoreboard aan wat er moet gebeuren om innovatie in Nederland te stimuleren. Géén ongeclausuleerde uitbreiding van geld voor het hoger onderwijs, zoals D’66 met veel verve bepleit[3]. Wél méér investeringen door bedrijven in R&D (hier presteert Nederland ver onder het Europees gemiddelde) en méér investeringen in de ontwikkeling van innovatieve goederen en diensten. Het topsectorenbeleid is in dit opzicht nog maar een begin, waarover in de volgende post meer. Wat ook nodig is, is meer inzicht in de werkelijke bijdrage alle afzonderlijke voorwaardenscheppende factoren aan innovatie.

Meer geld voor onderwijs en wetenschap? Ja, maar dan selectief!

Er wordt druk getwitterd over de manier waarop de overheid de crisis aanpakt. Mijn stelling is dat overheden beperkte invloed hebben op de conjunctuur en dat geen enkel kabinet daarom in staat zou zijn afdoende maatregelen  te nemen tegen een recessie. Zelfs als er meer geld was of nog snellere stijging van de staatsschuld werd geaccepteerd.

Vooral D’66 maakt zich sterk voor forse verruiming van de begroting voor onderwijs en wetenschappen omdat dit innovatie zou stimuleren. Ik betwijfel dit, tenzij deze investeringen zeer selectief zijn.

Wetenschappelijk onderzoek

Meer geld voor wetenschappelijk onderzoek zal innovatie nauwelijks stimuleren. Nederland hoort op dit gebied al tot de wereldtop, bijvoorbeeld als het gaat om het aantal wetenschappelijke publicaties. Er doen ze echter twee problemen voor die deels wél met extra geld kunnen worden aangepakt.

1. We scoren veel minder op het gebied van samenwerking tussen universiteiten en bedrijfsleven. Om dit doel te bereiken is op zich geen extra geld nodig;  oormerken van een deel van de onderzoeksgelden volstaat. Samenwerkingsonderzoek kan ook fundamenteel  zijn. Universiteiten hoeven daarom niet te vrezen dat deze maatregel op zich hen in de richting van toepassingsgericht (‘hbo’-) onderzoek drijft. Extra geld kan eventueel worden gebruikt voor versterking van de topsectoren.

2. De financiering van het wetenschappelijk onderzoek is deels studentafhankelijk. Dit werkt in het nadeel van techniek en exacte wetenschappen. Juist in deze sector is de relatie met innovatie het meest zichtbaar. Ik pleit er daarom voor dat méér geld die kant op gaat. Zowel structureel, als in het kader van programmafinanciering.

Technisch vakonderwijs

Techniek: Leuk!
Techniek: Leuk!

De ‘ambachtschool’ van vroeger moet terug, maar dan uiteraard in een modern jasje. Voor innovatie is het van levensbelang dat we meer maakindustrie krijgen en ook daarvoor zijn goed opgeleide vakmensen nodig. In de moderne ambachtschool staat de praktijk centraal en theorie wordt alleen onderwezen voorzover deze hiermee verbonden is. Leerlingen en hun ouders moeten er trots op zijn dat deze scholen de ‘makers’ van Nederland vormt. Ik denk dat er ook een stevige inspanning nodig is op de basisschool om kinderen warm te maken of te houden voor techniek.

Minoren ondernemerschap

Studenten van alle universiteiten en hogescholen moeten in staat worden gesteld om een minor ondernemerschap te volgen. Hier ontwikkelen studenten een ondernemende ‘mindset’ en ze verwerven alle kennis en vaardigheid die nodig is om zelf een bedrijf te beginnen, alleen, samen, of in netwerkverband. Verwacht kan worden dat grotere bedrijven steeds meer een beroep doen op de ‘flexibele schil’ en daar kun je als student maar beter op voorbereid zijn.

In vergelijking met andere landen schaft de Nederlandse overheid zelf veel te weinig innovatieve apparatuur aan. Dit ten nadele van de bedrijven die deze maken. De tegenstanders moeten zich daarom troosten met de gedachte dat de aanschaf van de JSF in elk geval wél een majeure bijdrage is aan technische innovatie. Hieraan dient met het nodige cynisme toegevoegd te worden dat de meeste innovatie in de voorbije eeuw het directe gevolg was van de oorlogsindustrie….