Interdisciplinair: Het nieuwe normaal?

Het kankeronderzoek illustreert het moeizame proces van onderzoek naar commerciële toepassing. Samenwerking tussen wetenschappers van verschillende disciplines kan dit proces verkorten en goedkoper maken. Vanaf de opleiding moet interdisciplinaire samenwerking meer in praktijk worden gebracht. Nu zoeken vooral vakgenoten elkaar op.

De samenleving heeft nog steeds hoge verwachtingen van wetenschap. Toch blijven veel knellende problemen onopgelost. Echter de weg van wetenschappelijk onderzoek naar waardevolle maatschappelijke toepassingen is lang. Te lang. Een van de sleutels is interdisciplinaire samenwerking. De ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen illustreert dit.

De ontwikkeling van Yervoy, een vernieuwende geneesmiddel tegen kanker, dat in 2014 op de markt kwam is, gaat terug naar 1987. Pas in 1996 kon James Allison in een artikel melding maken van positieve resultaten op muizen. In 2011 werd het middel goedgekeurd door de FDA. De ontwikkelingskosten waren inmiddels tot $ 250 miljoen opgelopen. Een kuur met Yervoy kost in de VS $120.000 voor een persoon. Farmaceutische industrieën halen zich vaak de woede van het publiek op de hals met dit soort prijzen. Toch verdient Bristol Myers Squibb die dit geneesmiddel op de markt bracht, niet bovenmatig veel (rendement van 22%, tegenover Apple 30%). Veel nieuwe medicijnen vallen tijdens het lange ontwikkelingstraject af, ook nadat er al vele tientallen miljoenen in zijn geïnvesteerd[1]. Onderstaande afbeelding geeft het ontwikkelingstraject van een medicijn weer.Samenleving - ontwikkeling geneesmiddelen

Het lijkt er alleen maar moeilijker op te worden. Volgens EATRIS (European Advanced Translational Research Infrastructure in Medicine) zijn in de periode periode 1989 – 2008 de uitgaven voor kanker onderzoek verdubbeld, het aantal nieuw uitgebrachte nieuwe medicijnen is daarentegen gehalveerd.

Wat is er aan de hand[2]?

Onderwijs - ivoren toren 4Lange tijd waren veel wetenschappers vooral bezig met hun eigen onderzoek. Ze publiceerde hier van tijd tot tijd over, bezochten congressen en hadden persoonlijk contact met vakgenoten vaak op basis van persoonlijke sympathieën. Van Geenhuizen onderzocht in 2010 het resultaat van valorisatieactiviteiten van een viertal Nederlandse universiteiten en stelde vast dat in 60% van de gevallen uitblijven van resultaat was te wijten aan het feit dat onderzoekers noch instellingen happig waren op externe samenwerking, in het bijzonder met de industrie[3]. Dit verandert snel.

Universiteiten begrijpen steeds beter hoe ze onderzoek te gelde kunnen maken. Ze willen daarom snelle resultaten, ondanks het gevaar van perverse effecten daarvan. Een daarvan is de publicatiedwang. Promovendi worden geacht vier artikelen te publiceren en het komt vaak voor dat zij wachten met de verspreiding van hun data totdat ze denken een publicabel artikel te kunnen indienen. Voor de voortgang van het onderzoek naar geneesmiddelen kan dit funest zijn. Ook zijn zij minder geneigd samen te werken omdat voor hun promotie alleen artikelen gelden waarvan zij de eerste auteur zijn.

De wenselijkheid van snelle resultaten stimuleert ‘evidence based’ onderzoek. Dit is onderzoek naar de significantie van het effect van geneesmiddelen. Zo’n geneesmiddel hoeft dan lang niet voor iedereen effectief te zijn. Deze keuze gaat ten koste van meer fundamenteel biologisch onderzoek naar processen in het menselijk lichaam op moleculair niveau. Gebleken is dat verschillende patiënten soms totaal anders reageren op werkzame stoffen, ook bij hetzelfde type kanker.

Samenleving - interdisciplinair kankeronderzoekMeer samenwerking, in het bijzonder tussen verschillende disciplines is nodig. Ook onderzoeker Ron de Pigno had vastgesteld dat experimenten van klinische onderzoekers vaak faalden door gebrek aan biochemische kennis. Hij richtte het Institure of Applied Cancer Science op en introduceerde een multidisciplinaire werkwijze, die hij Teams of teams noemde. Biologen die fundamenteel onderzoek doen, klinische onderzoekers en ontwikkelaars van geneesmiddelen communiceren hier dagelijks. Dankzij de afstemming tussen uiteenlopende disciplines (zie afbeelding) konden de kosten voorafgaand aan het Fase 1 onderzoek (zie boven) met 2/3 worden teruggebracht.

Binnen Nederland zijn belangrijke stappen voorwaarts gemaakt door de samenwerking tussen artsen en onderzoekers binnen universitaire medische centra. De valorisatie van de kennis die dit oplevert kan verder worden verbeterd door samenwerking met de farmaceutische industrie. Dit gebeurt – vooralsnog op kleine schaal – in science parks in de nabijheid van academische ziekenhuizen De toekomst ligt in een geïntegreerde aanpak die verschillende vormen van onderzoek (moleculair en effectonderzoek), verschillende therapieën en diverse geneesmiddelen combineert. Zie onderstaande video[4].

Tegelijker is het belangrijk om uitwisseling van gegevens en onderzoekssamenwerking over de grenzen heen te verbeteren. Een voorbeeld daarvan is het International Cancer Genome Consortium (ICGS) dat grootschalige Europse onderzoeksprojecten coördineert. Alle beschikbare data zijn direct beschikbaar voor onderzoekers. Ze mogen gedurende een  bepaalde periode alleen worden gepubliceerd door degenen die deze data verzameld hebben.

Binnen Europa werkt de ESFRI aan het opzetten van research infrastructuren op uiteenlopende terreinen, bij voorkeur vanuit maatschappelijke themavelden en multidisciplinair[5]. Een goed voorbeeld is Eatris, de in Amsterdam gevestigde European infrastructure for translational medicine[6]. Hierin werken medische faculteiten en farmaceutische bedrijven samen aan het leggen van een effectieve verbinding tussen de vele stappen ‘from bench to bedside’.

Deze projecten kunnen plaatsvinden dankzij de miljoenen van Horizon 2020. Voor hun welslagen is het noodzakelijk dat toekomstige generaties onderzoekers het ‘normaal’ gaan vinden om samen te werken met collegae van verschillende disciplines. Onderzoeksleiders moeten misschien hun honger naar het snelle geld enigszins temperen door ruimte te maken voor interdisciplinaire samenwerking die meestal meer tijd kosten. Uiteindelijk zal de samenleving de wetenschap alleen blijven financieren als deze tot fundamentele nieuwe inzichten en een beter leven leidt.

[1] Zie: We Need to Innovate the Innovation Process; https://shar.es/1YeGn7

[2] Zie het onderzoek van Wessel Nijsse uit 2014 dat leidde tot diens MSc thesis aan de Open Universiteit: De kwaliteit van het translationeel onderzoek en de succesgraad van de medicijnontwikkeling naar kanker: https://www.dropbox.com/s/3ttydr0sh2rieke/Scriptie_2014-02-5_V2.docx?dl=0

[3] Geenhuizen, M. van, (2010). Valorisation of knowledge: preliminary results on valorisation paths and obstacles in bringing university knowledge to market. The Eighteenth. Annual High Technology Small Firms Conference. Enschede: Universiteit Twente.

[4] https://youtu.be/d9ouk_46xA8

[5] http://ec.europa.eu/research/infrastructures/index_en.cfm?pg=esfri

[6] http://www.eatris.eu

Hoe kom ik aan geld voor mijn start-up?

Deze blogpost geeft een uitgebreid overzicht van mogelijkheden om een startup te financieren

 

Organisatie - zorg 29Het starten van een onderneming biedt mooie kansen maar er zijn ook afbreukrisico’s. Die betreffen je reputatie en je portemonnee. Je zult vrijwel altijd geld nodig hebben. Banken zijn bijna altijd terughoudend bij de financiering van startups. Gelukkig zijn er meer mogelijkheden om aan geld te komen. Bekijk het onderstaande overzicht[1].

Schijf op waarom je denkt dat je startup een succes wordt, maar laat je niet meteen verleiden om een businessplan te maken als je alle gegevens (afzet, kosten, verkoopprijs) uit je duim moet zuigen. Geldschieters met verstand van financiering van startups prikken hier meteen doorheen. Maar eerder een aantrekkelijke presentatie/pitch.

Je komt vaak een paar indelingen tegen van de kapitaalbehoefte van een bedrijf. Het is handig om deze te kennen als je met investeerders praat.

Seed capital

Er is nog geen businessplan en geen product (of dienst). Er is een financiering behoefte om product samples te produceren, markt onderzoek te doen en klanten te vinden. Deze fase wordt gekenmerkt door een betrekkelijk geringe financiering behoefte en een heel hoog risico.

Startup capital (A capital)

In deze fase is er tenminste één persoon in dienst (meestal de startende ondernemer zelf). Financiering is nodig om het product verder te ontwikkelen en daadwerkelijk in de markt te introduceren.

Early stage capital (B capital)

De onderneming bestaat twee tot drie jaar en er is succesvolle verkoop. Investeringen zijn nodig om de onderneming voorbij het ‘break-even point’ te krijgen.

Expansion capital (C capital)

Bedrijf staat inmiddels op zijn eigen benen, maar heeft financiële middelen nodig om naar het volgende ‘niveau’ te groeien en nieuwe markten aan te boren.

Later stage capital (D capital)

Bedrijf is succesvol gegroeid. Financiële middelen zijn nodig om de capaciteit van het bedrijf te vergroten, marketing activiteiten uit te breiden en het werkkapitaal te vergoten.

Onderwijs - perverse financiering 1Bijna altijd beschouwen kapitaalverschaffers je behoefte aan geld als een vraag naar durfkapitaal. Durfkapitaal (beter bekend als venture capital) is de financiering van ondernemingen die hoge risico’s lopen.

Verstrekkers van durfkapitaal kunnen we opdelen in drie groepen: De formele, informele en de overige kapitaal verstrekkers. Hieronder volgt een gedetailleerd overzicht van de diverse verstrekkingsvormen van durfkapitaal.

Formele durfkapitaal verstrekkers

Investeringsmaatschappijen:

Verstrekken van risico kapitaal in de vorm van eigen vermogen, waarbij het risico dragend is in de onderneming. Er zijn verschillende soorten investeringsvormen.

Seed capital:

Investeringen in jonge of startende ondernemingen, om deze te (laten groeien). Winst voor de investeringsmaatschappij zit hier in het verschil tussen de aan- en verkoop van de aandelen.

Groeifinanciering:

Aandelen kopen van bestaande onderneming om groei onderneming te versnellen. Ook hier is het verdien model het verschil tussen aan- en verkoop aandelen.

Turnaround:

Het kopen van aandelen in ‘slecht’ lopende ondernemingen die vervolgens reorganiseren, om de dan (verwachte) hoger gewaardeerde aandelen te verkopen.

Goedlopende bedrijven:

Hier spreekt men ook niet meer van durfkapitaal. Het kopen van aandelen van goedlopende bedrijven. Het verdien model zit minder in de aan- en verkoop van aandelen maar in het dividend dat aan de aandeelhouders wordt uitgekeerd.

Participatiemaatschappij (private equity)

Actieve aandeelhouder die tijdelijke (3-7 jaar) aandelen in een bedrijf met een hoger risico profiel koopt. Overwegend interessant in de grotere investeringen en daardoor minder interessant in kleine ondernemers en start-ups, snelle groeiers of innovatieve bedrijfjes.

Bijvoorbeeld: H2 Equity Partners, Waterland private equity investments

Banken

Participaties:

Investeren in grotere winstgevende bedrijven, investeringen liggen tussen de 5-30 miljoen euro.

Achtergesteld vermogen:

Krediet verlening met als voorwaarde voorspelbare en stabiele cashflow minimaal operationeel resultaat 5 miljoen euro.

Informal Investments Services:

Bank gebruikt zijn netwerk voor het matchen vraag en aanbod, investeringen vaak tussen de 75k€ – 3.000k€. Meestal gaat het om een minderheidsbelang.

Zakelijk krediet:

Gewone krediet verlening aan bedrijven. De bank stelt hoge eisen. Zoals de omvang, organisatie graad, risico en historisch rendement van bedrijf. Daarnaast moet er een onderpand (zekerheidsstellingen) zijn en worden eisen gesteld aan het verwachte rendement over het verleende krediet voor het bedrijf (gezien alle zekerheidsstellingen lijkt dit in nog weinig nog durfkapitaal).

Leveranciers krediet

Dit zijn kredieten die verleend worden door de toeleveranciers. Doordat er een betalingstermijn (vaak tussen 30-60 dagen) gehanteerd wordt. Het is maar de vraag of veel bedrijven bereid zijn dit risico te lopen bij startup klanten.

Informele durfkapitaal verstrekkers

Angel Investors (Informal Investor)

Investeerders (vaak uit eigen middelen) die niet alleen kredieten maar ook kennis ter beschikking stellen. Vaak wordt een minderheid aandeel verkregen in de start-up onderneming.

voorbeeld: Business Angels Netwerk Nederland (BAN Nederland)

Crowd Funding

voorbeeld: Kickstarter.com:

Door het online verkopen van de toekomstige producten, of donaties, wordt durfkapitaal verkregen voor de nieuwe onderneming.

voorbeeld: MKB Crowdfunding (symbid):

Crowd Funding door investeren in het eigen vermogen van de startup door het bij elkaar vinden van ondernemers en investeerders (aandeelhouders).

Door bijvoorbeeld een product pitch te maken op Kickstarter.com kan er gekeken worden hoeveel geld er gegenereerd wordt en of het product idee aanslaat bij een iets groter publiek. Voordeel voor de startup is het zeer geringe financiële risico en 1ste markt toetsing van het idee.

Friend, family and (other) fools

Het informele ‘venture capital’ circuit, waarbij vrienden en/of familie en bekende kredieten verlenen aan de start-up ondernemer.

Overige kapitaal vertrekkers (overheden, subsidies etc.)

Bijstand zelfstandige:

Wordt er minimaal 1.225 uur per jaar gewerkt in de onderneming en is deze levensvatbaar en leeft de ondernemer onder bijstandsniveau, dan verleent de gemeente financiële hulp.

Borgstelling MKB kredieten

Regeling was gelding tot 31-12-2015. Ministerie van Economische zaken staat borg (voor 67,5%) voor een maximaal krediet van 266 k€. Eén van de voorwaarde is dat men elders al een krediet verlening heeft verkregen.

Starten vanuit arbeidsongeschiktheid

Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV) verleent financiële assistentie voor ondernemers die een onderneming starten vanuit een arbeidsongeschiktheid situatie. Subsidie verlenging kent strikte voorwaarden.

Starten vanuit Wet Werkloosheid uitkering

UWV verleent financiële assistentie voor ondernemers die een onderneming starten vanuit een werkloze situatie, ook deze regeling kent strikte voorwaarden.

Innovatiefonds MKB+

Ministerie van Economische zaken geeft in voorkomende gevallen een zakelijk krediet van tussen de 50k€-250k€. Deze regeling is bestemd voor start-up en MKB bedrijven die werken aan een innovatie die nog geen verkopen genereren. Alleen als de ontwikkeling slaagt moet de financiering worden terugbetaald. Verlening gebeurt op basis van een sterke business case.

Seed Capital Technostarters

Onderdeel van het Innovatie MKB+ fonds (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland), waarbij een 20-tal fondsen investeren in jonge snelgroeiende bedrijven en start-ups. De op dit moment aangesloten fondsen richten zich op bedrijven die ‘early stage’ en ‘expansion stage capital’ financiering nodig hebben in de werkvelden; energie, life science, ICT, gezondheidszorg en high tech.

Innovatie krediet

Onderdeel van het Innovatie MKB+ fonds, waarbij het Ministerie van Economische zaken krediet verstrekt dat alleen moet worden terugbetaald nadat ontwikkelingen succesvol zijn.

Dutch Venture Initiative

Onderdeel van het innovatie MKB+, dat opereert als participatie maatschappij voor snelgroeiende innovatieve ondernemingen.

Microfinanciering

Kredieten tot maximaal 250k€ (bv.:qredits.nl en MicrokredietNL) voor startende ondernemers met een gezond ondernemingsplan. Zakelijke financiering voor start-ups en bestaande MKB bedrijven van maximaal €250k. Looptijd van 10 jaar die maandelijks wordt terugbetaald inclusief rente.

Starters aftrek

Belasting voordeel tijdens de eerste 5 jaar van een nieuwe onderneming

 

 

Succes!

[1] Het overzicht van financieringsmogelijkheden is gemaakt door Paul Grolle, een van mijn studenten in het programma Innovatiemanagement van de Open Universiteit

Van reputatie naar competentie

Voor wie reputatie het belangrijkste motief is om een opleiding te kiezen, is Harvard een optie. Wie voor de ontwikkeling van zijn competenties gaat, heeft een veel breder scala, inclusief het combineren van verschillende universiteiten en het volgen van niet-universitaire cursussen.

Een jaar studeren in Harvard kost vlug een ton. Voor dat geld koop je een goede opleiding – niet de beste – maar vooral reputatie. Hiermee leg je de basis voor een carrière nabij de elite van de VS. Het overgrote deel van de studenten kan zich zo’n dure opleiding niet veroorloven of heeft een andere toekomst voor ogen. Het onderwijsaanbod voor deze groep maak een wezenlijke verandering door.

Onderwijs - Global Freshmen Academy 2Die verandering is eigenlijk tweeledig. De eerste stap is dat steeds meer – nu al 500 – opleidingen worden aangeboden met een competentiegericht profiel. De meeste daarvan zijn online of ‘blended’. Zij mikken  – zoals het College for America – vooral op de groep studenten in de VS die ouder zijn dan 25 en geen gelegenheid hebben om te studeren op een campusuniversiteit. De tweede stap vloeit hier logisch uit voort. Als het doel van het onderwijs is dat studenten competenties ontwikkelen, dan doet het er minder toe hoe en waar ze dat doen. Gesproken wordt over de unbundling van het onderwijs.

Competentiegericht hoger onderwijs

In competentiegerichte curricula verwerven studenten helder geformuleerde competenties (Zie onderstaande tabel). Er zijn geen studiepunten, vakken, jaarklassen of credit hours. De opleiding is pas afgelopen als studenten zich de gestelde competenties hebben eigen gemaakt. Toetsing vindt meestal plaats aan de hand van een werkstuk, dat door getrainde tutoren wordt beoordeeld.Onderwijs - WGU1

De Western Governors University heeft inmiddels meer dan 10 jaar ervaring met de ontwikkeling van competentiegerichte curricula en hun toetsing[1]. De tutoren hebben kennis van de sector waar studenten werken. Hierdoor, plus door een actief mentoraat, behaalt 70% van de studenten aan deze universiteit een bachelor- of mastertitel. De studieduur loopt – per definitie – sterk uiteen.

De meeste instellingen die flexibele curricula aanbieden, hanteren een model waarbij studenten een vast bedrag per maand betalen: learn as much as you can. Dit blijkt het studietempo te stimuleren en garandeert de instelling regelmatige inkomsten. Desondanks blijven dit soort programma’s naar Amerikaanse begrippen goedkoop[2]

Competentiegerichte curricula worden inmiddels door een aantal accreditatie-instanties geaccepteerd, waardoor studenten mondjesmaat in aanmerking komen voor studiefinanciering.

Unbundling

Onderwijs - unbundling 1Als eenmaal de stap is gezet naar het bouwen van een curriculum op basis van competenties, dan is unbundling de volgende stap. De idee is dat studenten competenties kunnen verwerven door gebruik te maken van diverse aanbieders, niet per se alleen colleges of universiteiten. Craik verwacht dat unbundling tot een wezenlijke verandering van het aanbod van opleidingen gaat leiden[3]. Het aanbod van buiten-universitaire opleidingsmogelijkheden op hoger niveau groeit zienderogen. Voorop lopen de aanbieders van bootcamps. Dat zijn zeer intensieve trainingen op het gebied van IT, zowel theoretisch als praktisch. Maar ook het aanbod van nanodegrees van Udacity – in zekere zin de opvolgers van de MOOCs – is in dit opzicht interessant[4].

De discussie gaat nu vooral over twee vragen:

– Nemen werkgevers genoegen met een portfolio van cursussen en trainingen, zonder afrondend universitair examen? Tot voor kort gold in de VS voor alle banen op middelbaar niveau een bachelor als ondergrens. Bedrijven als Google en Ernst & Young hebben inmiddels met deze traditie gebroken. Zij kijken vooral naar persoonlijke kenmerken en naar de verworven competenties.

Onderwijs - Workplace learning practices– Kunnen deelnemers aan niet-universitaire hogere opleidingen ook een studietoelage krijgen?[5]

De vraag is verder wat bovenstaande ontwikkelingen voor ons hoger onderwijs betekenen. Opmerkelijk is dat al in 1994 de Adviesraad voor het Onderwijs (ARO) in zijn rapport Van hoger onderwijs naar hoger Leren, het bovenstaande scenario beschreef. Sindsdien heeft competentiegericht onderwijs een opmars gemaakt in het MBO en HBO, maar veel minder in het WO.

De situatie in Nederland is in veel opzichten ook anders dan die in de VS. De meeste van de studenten zijn jonger dan 25 jaar en studeren voltijds. Bovendien zijn de kosten van een opleiding veel lager dan in de VS. Het aantal volwassenen dat een baan combineert met een studie is klein. De verwachting is wel dat steeds meer jongere studenten zich aangetrokken zullen voelen tot flexibele vormen van hoger leren. In dit opzicht bieden ontwikkelingen in de VS een goed zicht op de mogelijkheden.

[1] Tara Garcia Mathewson: 5 Steps to successful competency based programs http://www.educationdive.com/news/5-steps-to-successful-competency-based-programs/410971/

[2] Zie: http://www.universitybusiness.com/article/competency-programs-reimagine-college-credit. Educause roept instellingen aan de mogelijkheid te bieden om voor $5000 een bacheloropleiding te kunnen halen.

[3] Ryan Craig: (2015) College Disrupted: The Great Unbundling of Higher Education. St. Martin’s Press. Zie voor een bespreking van dit boek: https://campustechnology.com/articles/2016/01/06/will-unbundling-kill-higher-ed-as-we-know-it.aspx

[4] In nano-degrees worden studenten persoonlijk begeleid. Ze zijn relatief goedkoop, de cursusduur is flexibel en ze worden ontwikkeld in samenwerking met begrijven als Google en een reeks andere overwegend in Sillicon Valley gevestigde technologiebedrijven: https://www.udacity.com/nanodegree

[5] Michael Horn, Andrew Kelly: (2015) Moving beyond college: Rethinking higher education regulation for an unbundled world: http://www.aei.org/wp-content/uploads/2015/08/Moving-Beyond-College.pdf

Nederland mist innovatiebeleid

Innovatiebeleid in Nederland komt te veel neer op het stimuleren van vernieuwende producten en diensten. In plaats daarna zou innovatiebeleid gericht moeten zijn op bewerkstelligen van fundamentele veranderingen in de manier waarop we produceren en consumeren.

Dagelijks tonen trotse beleidsmakers en ondernemers op Twitter honderden voorbeelden van #innovatie. Deze blogpost laat de nodige voorbeelden zien. Innovatie - tweet 6Het probleem is dat het losse gebruik van de term innovatie ook het begrip innovatiebeleid heeft uitgehold. De stoommachine zou nu een innovatie heten, maar beter is om van uitvinding te spreken. Innovatie was de opkomst van de industriële productiewijze, die is mogelijk gemaakt door de stoommachine, meer dan 50 jaar na haar uitvinding.

Innovaties moeten dus worden onderscheiden van uitvindingen en uitvindingen kunnen na een geslaagde invoering leiden tot vernieuwende producten en diensten. Het begrip uitvinding mag wel ruim worden opgevat: goede ideeën of nieuwe combinaties van bestaande producten en diensten horen er ook bij.

Innovatie - tweet 9Bij innovaties gaat het om ingrijpende veranderingen in de productie en consumptie en niet te vergeten in de manier waarop we denken. Deze veranderingen kunnen overigens plaatsvinden op verschillende schaalniveaus. Een bedrijf dat zelforganiserende teams invoert, doorloopt een ingrijpende procesverandering dat na verloop van tijd als innovatief kan worden gekenschetst.

Vast staat dat vrijwel alle innovaties te herleiden zijn op een of meer uitvindingen en dat het vaak jaren heeft geduurd tot er ingrijpende veranderingen uit voortvloeien, die later als innovatie werden betiteld. Bij die veranderingen waren veel personen, bedrijven, instellingen en overheidsinstanties betrokken.

Innovatie - tweet 4Dit onderscheid maakt het mogelijk kritisch te kijken naar het vlaggenschip van het hedendaags innovatiebeleid, het topsectorenbeleid. De overheid stimuleert bedrijven binnen een zevental sectoren om samen te werken aan ‘innovaties’. Onderling en met kennisinstellingen. Daar is niets mis mee, maar deze samenwerking leidt in het beste geval tot uitvindingen, waarvan een aantal op de markt komt als vernieuwende producten en diensten.

Innovatie - tweet 5Om van innovatiebeleid te spreken komt veel meer kijken. In mijn vorige blogpost stelde ik dat onze samenleving te maken krijgt met een reeks transities: De overgang van fossiele naar duurzame grondstoffen, ontwikkeling van zinvolle banen, het scheppen van een goede leefomstandigheden voor de hele wereldbevolking, de ontwikkeling van een duurzaam en efficiënt transportsysteem, humane gezondheidszorg en zo voort[1].

Innovatie - tweet 2Het scheppen van de voorwaarden voor deze transities is bij uitstek een taak van de overheid. In een onlangs door Buck Consultants International gehouden symposium[2] zei Bert Pauli, gedeputeerde N. Brabant: We moeten de cross-overs tussen beleidsterreinen actief oppakken om belangrijke maatschappelijke uitdagingen op te lossen. Dit vraagt enerzijds afstemming tussen verschillende beleidsterreinen als economie, arbeidsmarkt, onderwijs, milieu, infrastructuur en zorg en anderzijds nieuwe business modellen voor disruptieve innovaties, zoals circulaire economie.

De Amsterdam Green Campus is volgens Michel Haring, hoogleraar plantenfysiologie aan de Universiteit van Amsterdam een voorbeeld van zo’n cross-over tussen de domeinen milieu, water, life en chemie, gericht op de valorisatie van groene kennis in de metropoolregio Amsterdam.

Innovatie - tweet 1In plaats van de bedrijvigheid in topsectoren te stimuleren, zou de Nederlandse overheid in de eerste plaats aandacht moeten hebben voor het gericht bijeenbrengen van bedrijven, burgers en kennisinstellingen om de voornoemde transities tot stand te brengen. Het zijn deze transities die het nageslacht wellicht als innovatie zal bestempelen. Of ze geslaagd zijn, blijkt immers pas later.

Innovatie - tweet 8Een voorbeeld is de mobiliteit. Autofabrikanten storten zich op de ontwikkeling en productie van zelfsturende of elektrische auto’s. Vanuit het perspectief van productontwikkeling zijn dat belangrijke uitvindingen. Maar er is pas sprake van innovatie als deze uitvindingen bijdragen aan een wezenlijke verbetering van onze mobiliteit. Bijvoorbeeld als het particuliere autobezit op substantiële wijze plaatsmaakt voor systeem van deelauto’s die op afroep voorrijden en die, nadat zij de inzittenden naar de plaats van bestemming hebben gebracht, doorrijden naar een volgende gebruiker. Het aantal personenauto’s op de weg wordt hierdoor aanzienlijk verkleind en de congestie neemt af.

Innovatie - tweet 7Een transitie op het gebied van mobiliteit vereist dat de overheid een regierol vervult en dat zij betrokken bedrijven, kennisinstellingen, lagere overheden en burgers op gerichte wijze faciliteert[3].

Innovatiebeleid is met andere woorden het stimuleren van gewenste maatschappelijke transities. Subsidies vanuit overheden zouden in de eerste plaats aan bedrijven en kennisinstellingen ten goede moeten komen die expliciet een bijdrage leveren aan een of meer transities. Dat bedrijven daarnaast ook andere producten en diensten willen ontwikkeling is vanzelfsprekend. Maar daar hoeft de overheid niet financieel aan bij te dragen met veredeld industriebeleid.

[1] Niet innovatie maar kwaliteit missie bepaalt of bedrijven overleven: http://wp.me/p32hqY-sA

[2] Debat Topsectoren en regio’s, Utrecht 17 december 2015.

[3] Lees hierover mijn blogpost over de denkbeelden van Mariano Mazzucato: http://wp.me/p32hqY-6p

 

Niet innovatie maar kwaliteit missie bepaalt of bedrijven overleven

Multinationals zien hun positie afbrokkelen. Ze investeren veel in innovatie, maar zijn daar lang niet altijd succesvol in. Ze konden beter een missie ontwikkelen hoe ze vanuit hun eigen sterkte bij kunnen dragen aan de grote veranderingen die er in de wereld gaande zijn.

Amerikaanse en Europese multinationals hebben de afgelopen 30 jaar goudgeld verdiend. In 2013 bedroeg hun winst $3,6 triljoen[1]. De sterk toegenomen afzet in de opkomende landen speelde hierbij een belangrijke rol. Maar, de geldmachine begint te haperen. Dat komt niet door de economische crisis maar omdat de opkomende landen zelf steeds meer in hun behoeften voorzien. Bovendien, ze exporteren steeds meer hoogwaardige technologische producten naar Europa en de VS in plaats van omgekeerd.

Uit een onderzoek van KPMG blijkt dat CEO’s van de meeste bedrijven de nadruk leggen op groei, uitbreiding van afzetmarkten en beperking van de kosten. Dit doen ze al jaren. Ze weten dat veranderingen nodig zijn, maar de weerstand daartegen is groot[2].

 

Innovatie - stand per bedrijfUiteraard horen zij ook de roep dat ze moeten innoveren om hun voortbestaan veilig te stellen[3] en innovatie staat inmiddels hoog op de agenda. Probleem is dat dit soort bedrijven hier niet goed in zijn. Het zit niet in hun DNA. CEO’s spreken zelfs van een corporate disease[4]: Multinationals zijn groot geworden door schaalvergroting, massaproductie en verhoging van hun productiviteit. Het zijn gesmeerde top-down georganiseerde organisaties. Zij zijn gericht op ‘exploitatie’ en hebben moeite daarnaast ruimte te maken voor ‘exploratie’, de belangrijkste voorwaarde voor innovatie[5]. De ondervraagde leidinggevenden geven aan dat dit mede komt door een gebrek aan focus.
Chief innovation officers vinden dat het gebrek aan afstemming tussen innovatie en bedrijfsstrategie en het gebrek aan steun voor innovatie vanuit de bedrijfsleiding de grootste obstakels voor innovatie zijn[6].

Niettemin, leidinggevenden hebben gelijk als ze uitspreken dat doorgaan op de bestaande koers geen uitzicht biedt. Ze verwachten daarom dat er op afzienbare termijn ingrijpende keuzen gemaakt moeten worden (zie afbeelding hieronder ). Ze zijn vooral bang de loyaliteit van de klanten te verliezen en terecht. Ze zien klanten veeleisender worden en ze raken van hun klanten vervreemd. Hun reflex is meer marktonderzoek en koortsachtig zoeken naar innovatieve producten. Wat ze niet zien is dat de wereld verandert, hun klanten voorop.

Innovatie - houding vs gedrag

Wat bedrijven moeten doen is zich verdiepen in de veranderingsprocessen die zich in de samenleving voordoen: De overgang van fossiele naar duurzame grondstoffen, het scheppen van een goede leefomstandigheden voor de hele wereldbevolking, de ontwikkeling van een duurzaam en efficiënt transportsysteem en humane gezondheidszorg.

In plaats van obsessioneel te zoeken naar innovaties, moeten bedrijven zich afvragen hoe ze substantieel kunnen bijdragen aan de genoemde transities (Zie onderstaande vragen).
Innovatie - Belangrijkste vragen

Met andere woorden, het gaat om het formuleren, legitimeren en consequent doorvoeren van een missie voor de toekomst. Geen loze kreet, maar de keuze van een richting die organisatie fundamenteel raakt[7].

Een supermarktketen zou kunnen kiezen gekend te worden vanwege de wezenlijke bijdrage aan de kwaliteit van onze dagelijkse voeding, een energiebedrijf zou kunnen kiezen voor thuisproductie van elektriciteit en een automobielfabriek zou kunnen gaan voor duurzame mobiliteit.

Bij moderne multinationale bedrijven als Apple, Google en Tesla is zo’n missie in aanzet aanwezig. Apple  bewijst dit bedrijf de juistheid van de stelling dat de missie belangrijker is dan zogenaamde innovaties. Apple’s missie was de verbetering van het gebruiksgemak en de toepassingsmogelijkheden van ICT. Het bedrijf heeft dit tot dusver overwegend gedaan door reeds bestaande uitvindingen op vernuftige wijze samen te brengen[8].

Ik sluit overigens niet uit dat enkele ‘traditionele’ multinationale bedrijven de komende jaren de stap zetten van ‘geldmachine’ naar missie-gedreven organisatie. Kandidaten? Unilever, DSM, General Motors, 3M en heel misschien Ahold of -wie weet- Lidl.

[1] Overzicht van de groei van de omzet en de winst van de grote multinationale ondernemingen tussen 1980 en 2010: https://hbr.org/2015/10/the-future-and-how-to-survive-it

[2] Global CEO Outlook 2015 : https://www.kpmg.com/Global/en/IssuesAndInsights/ArticlesPublications/ceo-outlook/Documents/global-ceo-outlook-2015-v2.pdf

[3] Bij het maken van deze blogpost heb ik mede gebruik gemaakt van een compilatie door Paul Hobcraft van een aantal recent verschenen rapporten, getiteld: The state of innovation management in 2015:

https://cdn2.hubspot.net/hubfs/314186/Collateral/Papers_Reports_Booklets/Hobcraft_State_of_Innovation_White_Paper/Hobcraft_The_State_of_Innovation_Management_in_2015_webversion.pdf

[4] Innosight: “Leading Transformation: 2015 CEO Summit”

http://www.innosight.com/innovation-resources/strategy-innovation/upload/2015-CEO- Summit-Highlights-Discussion.pdf

[5] PA consultants: Innovation As Unusual:

http://www.paconsulting.com/our-thinking/innovation-research/#form1

[6] BPI Business Performance Innovation Network: “Innovation the new Competitive Equation”

http://www.bpinetwork.org/thought-leadership/studies/52/download-report-innovation-the-new-competitive-equation

[7] Anderen spreken van strategie. Ik vermijd dit woord omdat dit te veel suggereert het maken em implementeren van concrete plannen. Een missie duidt op een koers waarvan de concretisering voortdurend bijgesteld moet worden.

[8] Lees hierover mijn blogpost over de denkbeelden van Mariano Mazzucato: http://wp.me/p32hqY-6p

Wie bestuurt de Universiteit van de Toekomst?

Dertig jaar New Public management heeft de universiteiten geen goed gedaan. Schaalvergroting blijkt veel duurder dan gedacht, kwantitatieve prestatie indicatoren bedrijven de kwaliteit van het onderzoek en de ontevredenheid van het personeel is groot. Een radicale verandering is nodig.

Het is 30 jaar geleden begonnen, maar de gevolgen worden steeds zichtbaarder: Een nieuwe groep van ‘professionele bestuurders’ nam de zeggenschap over de Onderwijs - schaalvergroting ROC Leidenuniversiteit van docenten en studenten over.  Ze hadden grootse plannen: Meer goed betalende  buitenlandse studenten, hoge scores op internationale rankings, een massa derde-geldstroom inkomsten. Een stroom van fusies – zogenaamd om redenen van efficiency – en imponerende gebouwen waren het gevolg. Het New Public Management bood bruikbaar bestuurlijke instrumentarium: Eenhoofdig leiderschap en kwantitatieve prestatie-indicatoren om het middenmanagement, docenten en studenten op af te rekenen [1].

Anno 2015 tekenen de gevolgen zich af: Torenhoge schulden door uit de hand gelopen Onderwijs - gebouwen 2onroerend goedprojecten, aanhoudende bezuinigingen, calculerende en consumptieve studenten, overbelaste docenten, vrij gemaakte onderzoekers die de ‘ratings’ omhoog moeten stuwen, snel gegroeide overheadkosten en veel ontevredenheid. Het fijne en effectieve weefsel van tot over de grenzen bekende opleidingen – vaak in karakteristieke stadspanden – waar docenten en studenten een hechte gemeenschap vormden, is verloren gegaan.

Een kentering lijkt in zicht, al is veel kwaad geschied. Overal ter wereld steken protesten van studenten en docenten de kop op. Er is inmiddels een lange reeks wetenschappelijke publicaties die aantoont dat de ingezette schaalvergroting geleid heeft tot kostenstijging, in plaats van tot besparing[2]. Het NPW-instrumentarium heeft vooral perverse effecten gehad.

Onderwijs - gebouwenDe oplossing van de problemen komt niet alleen van uitbreiding van de medezeggenschap, waarover thans in Den Haag wordt gesproken. Het overgrote deel van studenten en docenten merkt weinig van de deliberaties in raden en besturen. Wat mij betreft is de oplossing vooral de organisatie van de universiteit figuurlijk op zijn kop te zetten.

Centraal in de Universiteit van de Toekomst staan autonome eenheden op het laagst mogelijke niveau. Te denken valt aan een vakgebied en/of een of meer

exam

samenhangende opleidingen. Ik noem deze eenheden voor het gemak instituten: Het Instituut voor wijsbegeerte van de Universiteit van Amsterdam, de Mintzberg School of Management’ van de Open Universiteit, het Instituut voor stedenbouw en planologie van de Universiteit van Utrecht, en zo voort. Elk Instituut kiest een decaan, die niet de baas is,  maar die als taak heeft inspireren en faciliteren. Dat betekent ervoor zorgen dat zo veel mogelijk docenten en studenten samen de verantwoordelijkheid nemen voor alles wat er in het instituut gebeurt. Zelfbestuur dus.

Onderwijs - Lege collegezaalUiteraard zullen de instituten onderling van alles willen afstemmen, bijvoorbeeld en samenwerking op het gebied van onderzoek. Deze afstemming vindt plaats in wat nu faculteiten zijn. Een belangrijke rol is weggelegd voor het afstemmingsoverleg, waarin docenten en studenten van de betrokken instituten zijn vertegenwoordigd. Denkbaar is ook dat instituten op termijn samenwerken in een soort netwerkstructuur

De belangrijkste taken die resten voor het centrale niveau zijn aangelegenheden met betrekking tot identiteit en allocatie van middelen (aan de instituten; dus niet aan de faculteiten). Overwogen kan worden op dit niveau te kiezen voor een soort parlement, dat de gekozen Rector en diens bureau aanstuurt.

De transformatie van een hiërarchische en gelaagde organisatie naar een Onderwijs - rendementsdenken 8netwerkstructuur, waarvan instituten de kernen vormen, zal jaren in beslag nemen. Er is genoeg bekend over transitiemanagement om dit in goede banen te leiden.

Het uiteindelijke doel van het hiervoor geschetste transitieproces is beter onderwijs en onderzoek, waarvoor de verantwoordelijkheid ligt bij docenten, onderzoekers en studenten. Minder bureaucratie en overhead leidt tot meer geld voor onderwijs en onderzoek.

De komende jaren zullen voor alle betrokkenen zeker niet makkelijker worden, maar het hernieuwde eigenaarschap zal veel goed maken.

 

[1] illustraties bij deze blogpost  getuigen van de soms megalomane bouwprojecten en de daarmee geïnitieerde schaalvergroting.

[2] Ben Martin: What is Happening to our Universities? Science Policy Research Uit Working Paper Series, University of Sussec 2016. https://www.sussex.ac.uk/webteam/gateway/file.php?name=2016-03-swps-martin.pdf&site=25

Zie ook: David Matthews: Centralising Universities ‘ignores evidence of what works best’ in Times Higher Education February 15th 2016 https://www.timeshighereducation.com/news/centralising-universities-ignores-evidence-what-works-best

 

 

 

 

Incubators: kweekvijvers voor gebruik van wetenschappelijke kennis

Incubators helpen de kloof tussen universiteiten en bedrijven overbruggen, Om te slagen moeten zij startende ondernemingen vooral toegang tot kennis bieden en hen helpen met vergaren van kapitaal.

Innovatie - landen met meeste startupsHet uiteindelijke maatschappelijke belang van wetenschap is dat we wijzer worden. Dat kan op veel manieren; een daarvan is het gebruik van kennis voor commerciële doeleinden. Overigens leidt het gebruik van kennis in de context van toepassing – bijvoorbeeld bij het maken van een apparaat of een toepassing in de sfeer van beleid – tevens tot verdieping van deze kennis. Mede vanwege deze wisselwerking werkt een aantal universiteiten actief mee aan incubators: kweekvijvers voor het gebruik van wetenschappelijke kennis[1].

Het is boeiend om een kijkje te nemen in de wereld van de incubators. Op 25 november jl. heeft UBI Global, zijn jaarlijkse top 25 bekend gemaakt[2]. Ik val niet erg op ‘rankings’ maar de bijbehorende motivatie geeft inzicht in de werkwijze van een incubator en in de omstandigheden die deze succesvol maken.

Boven aan de ranglijst van 2015 staat SETsquared Partnership. Dit is een samenwerkingsverband tussen vijf universiteiten in het zuidelijk deel van Engeland: Bath, Bristol, Exeter, Southampton en Surrey[3].

Innovatie - Incubators SETsquared

Deze incubator voert in essentie vier taken uit: (1) ondersteunen en huisvesten van startende bedrijven, vaak afkomstig van buiten de betrokken universiteiten, (2) studenten oriënteren op ondernemerschap, (3) onderzoekers helpen hun vindingen commercieel te benutten, onder andere via een omvangrijk platform voor open innovatie en (4) bemiddelen bij financiering. Net als bij de meeste incubators houdt de ondersteuning niet op bij een geslaagde start. Er is een versnellingsprogramma dat bedrijven begeleidt bij hun verdere groei. Externe investeerders hebben de afgelopen 10 jaar ruim 120 miljoen Britse ponden geïnvesteerd. Opmerkelijk is dat 90% van alle ondersteunde startups succesvol is.

Innovatie - Incubators Rice Alliance

In 2014 werd de ranglijst aangevoerd door Rice Alliance for Technology and Entrepreneurship. De werkzaamheden lijken op die van SETsquare. Sinds 2000 zijn 305 startups gelanceerd, die $2,5 miljard startkapitaal hebben weten te verzamInnovatie - Incubator ontwikkeling investeringen Rice Allianceelen. Ongeveer 40% daarvan is nog actief; twee daarvan hebben een omzet van meer dan $100 miljoen. Rice University onderscheidt zich van veel andere incubators door de aanwezigheid van een eigen investeringsfonds. De vergelijking met SETsquare is illustratief voor de aanzienlijk grotere schaal van startups in de VS. Om een indruk te geven: een gemiddelde spin-off van MIT zet 100 maal meer om dan een gemiddelde spin-off in Nederland. De jaaromzet van alle spin-offs van Stanford University is ruim $2,5 triljoen.

Innovatie - Incubators Yesdelft
Het gebouw van Yes!Delft

Nederlandse incubators doen het voor Europese maatstaven niet slecht. Op de 2015 Global UBI 25 zijn twee Nederlandse incubators binnengekomen, Yes!Delft en UtrechtInc op de plaatsen 9 en 11[4]. In 10 jaar tijd heeft YES!Delft 140 bedrijven helpen starten en groeien. 85% daarvan bestaat nog steeds. Het totaal geïnvesteerde bedrag is € 120 miljoen. UtrechtInc. Heeft de afgelopen 5 jaar 125 startups ondersteund op het gebied van klimaat, gezondheid en educatie. De gezamenlijke omzet in 2014 bedroeg €39 miljoen en het aantal banen in dat jaar bedroeg 630. Het totale geïnvesteerde bedrag is €118 miljoen.

Kritieke succesfactoren

Uit de succesverhalen kunnen verschillende aanwijzingen worden gedestilleerd over kritieke succesfactoren:(1) goede vakinhoudelijke en commerciële begeleiding, die (2) meebeweegt met de levensfase van het bedrijf (3) een sterk gevoel voor klantbehoeften (4) een relatie met wetenschapsgebieden waarvan toonaangevende wetenschappers bereid zijn startups en spin-offs te begeleiden; (5) scouting in de eigen universiteit van potentieel te commercialiseren kennis en (6) last but not least eigen financieringsmogelijkheden of actieve bemiddeling richting kapitaalverstrekkers. De winnaars van de Global UBI 2014 en 2015 excelleerden beide op dit gebied.

In een vorige blogpost besprak ik de Reuters rating van de 100 meest ‘innovatieve’ universiteiten ter wereld[5]. Deze rating bleek vooral gebaseerd op het aantal verworven patenten. Ik schat de bijdrage van incubators aan de ontwikkeling van nieuwe producten hoger in dan die van patenten. Daarom denk ik dat universiteiten hier sterker op zouden moeten inzetten[6].

[1] In een eerdere  blogpost heb ik voor een duidelijkere scheiding gepleit voor wetenschappelijke instituten voor meer fundamenteel onderzoek en wetenschappelijke instituten voor meer toepassingsgericht onderzoek. Incubators zijn in deze benadering een onderdeel van laatstgenoemde.

[2] Voor geïnteresseerden: hier is de meest recente ‘rating’: http://ubi-global.com/ubi-global-presents-the-top-university-business-incubator-and-accelerator-world-rankings-in-london/ Voor een goed begrip: het gaat niet om de absolute top; de rating is gebaseerd op 220 incubators die zich voor deze benchmark hadden aangemeld.

[3] Zie de website voor meer informatie: http://www.setsquared.co.uk/setsquared-partnership

[4] Op de Europese lijst staan deze incubators bij de top 5: http://siliconcanals.nl/accelerators/universitaire-tech-incubators-yesdelft-en-utrechtinc-bij-top-van-europa/#.VljV2KTEt-Q.twitter

[5] Zie: http://wp.me/p32hqY-n1

[6] Een lijst met (bijna?) alle Nederlandse incubators tref je hier aan: http://dutchincubator.nl/incubator/lijst-business-incubators/ Deze zijn niet alle verbonden aan een kennisinstelling.

Niet innoveren omwille van de innovatie

Het begrip innovatie wordt te pas en te onpas gebruikt en verliest daardoor zijn betekenis

Innovatie - tweet 2De term innovatie begint me de keel uit te hangen. Of beter, de schijn van innovatie en het te pas en te onpas gebruik van de term. Marketeers hebben in menig bedrijf innovatie gegijzeld met als doel consumenten te verleiden tot de aanschaf van de nieuwste gadgets.

De nieuwe iPhone 7 is een mooi voorbeeld. Bekend is dat deze in technisch opzicht weinig nieuws zal bieden. Apple doet daarom zijn uiterste best om met veranderingen in het uiterlijk voldoende nieuwe kopers te kunnen trekken om daarmee zijn aandeelhouderswaarde op peil te houden.

Innovatie - tweet 4De hype rond innovatie neemt onzinnige proporties aan. Alleen al in het Verenigd Koninkrijk hebben bedrijven in 2014 64,7 miljard pond weggegooid aan mislukte innovatieprojecten[1]. Reken maar dat bij dat geld een hoop overheidssteun zat. Want ook voor veel politici hangt onze toekomstige welvaart af van innovatie[2]. Onzin, voor onze welvaart is het belangrijk dat we ons wereldwijd profileren met hoogwaardige producten en kennis en ons concentreren op wat de wereld écht nodig heeft.

Wat dat is, is niet zo moeilijk te bedenken. Daarom een klein gedachten-experiment:

Bedenk vijf veranderingen waardoor de wereld een betere plek wordt voor ons en onze kinderen

Dit zijn antwoorden die de meeste mensen geven:

– minder oorlog, waardoor mensen niet hoeven te vluchten;

– minder zorgen over de kwaliteit van je voeding;

– overschakelen op duurzame energie en grondstoffen;

– een betrouwbaar transportnetwerk;

– een onbezorgde oude dag;

– minder stress op mijn werk;

– een effectief middel tegen kanker.

Innovatie - EU Grand challenges
Ter vergelijking: De ‘Grand challenges’ waarvan de EU uitgaat

Innovatie - tweet 1De meesten van ons willen dat de manier waarop we met elkaar en met onze leefomgeving omgaan verandert. Stel nu dat we het in Nederland of in Europa eens worden over een lijst met de tien meest wenselijke veranderingen.

Met zo’n lijst kunnen we aan de slag gaan. Waar ontbreekt het nog aan kennis? Welke belangentegenstellingen spelen een rol? Is de politieke wil aanwezig?

Innovatie - tweet 3Zodra bekend is wat de belangrijkste omissies in onze kennis zijn, kan er gericht worden geïnvesteerd in onderzoek om de gewenste veranderingen mogelijk te maken. Overheden moeten daarbij een sturende rol vervullen; het bedrijfsleven sluit aan en benut zijn kansen.

Het woord innovatie is tot dusver niet gevallen en wie heeft het gemist? Of iets een innovatie is kan immers pas na jaren worden vastgesteld. Of de wereld er beter van wordt, dan weten we al veel eerder.

[1] Dit is 50% van hun totale innovatiebudget. PA Consulting: “Innovation As Unusual”: http://www.paconsulting.com/our-thinking/innovation-research/#form1

[2] Ook NETH-ER, het lobbykantoor namens Nederlandse kennisinstellingen in Brussel bedient zich van turbo-taal om de zegeningen van innovatie te beschrijven: http://www.neth-er.eu/nl/nieuws/Beren-op-weg-naar-innovatiesamenleving

Docenten; kijk verder dan je vak!

In het voortgezet en hoger onderwijs staan de vakken te veel centraal. Docenten moeten meer samenwerken en daartoe ook in staat worden gesteld.

Het aantal competence-based education programma’s aan universiteiten in de VS bedraagt inmiddels meer dan 500. Onlangs hebben zij samen een manifest gepubliceerd met de tien belangrijkste ontwerpregels voor dit soort programma’s[1]. Ik licht daar enkele uit; vooral omdat ze eigenlijk opgaan voor alle vormen van onderwijs.

Onderwijs - competentiegerichtheid ontwerpprincipes

De belangrijkste regel is Docenten denken en discussiëren diepgaand over de manier waarop afgestudeerden zich professioneel, intellectueel, maatschappelijk en sociaal gedragen. Of met andere woorden, over welke competenties studenten bij hun afstuderen moeten beschikken. Als referentiekader daarbij geldt de wereld waarin zij zullen leven.

Zo’n set van competenties vormt de basis voor een gedachtewisseling over hoe het onderwijs waarin deze competenties stapsgewijs tot ontwikkeling komen eruit ziet. Het curriculum dus.

Koning, keizer, admiraal; de docent is de baas in het klaslokaal

Onderwijs - koning-keizer-admiraalDe bovenstaande ontwerpregel ligt zo voor de hand, dat het onbegrijpelijk is dat de praktijk van curriculumontwikkeling meestal totaal anders is: Vrijwel altijd zijn de vakken waarvan de docenten al in huis zijn, het uitgangspunt. Vervolgens roept elke docent welke leerstof studenten aan het einde van de opleiding gehad moeten hebben. Deze leerstof staat beschreven in handboeken die meestal aan hun zesentwintigste druk toe zijn. Wat soms varieert is manier waarop docenten de leerstof brengen om de vakinhoud er bij de studenten in te krijgen.

Eigenlijk weet elke docent dat tegen de tijd dat studenten afstuderen weinig kennis is blijven hangen. Maar – zo wordt vergoelijkt – ze hebben er wel door leren denken. Wat dat inhoudt is onduidelijk en ook waaruit dat zou moeten blijken.

In het voortgezet onderwijs in Finland zijn alle vakken afgeschaft met de bedoeling een discussie te forceren waarover het onderwijs zou moeten gaan. Universiteiten in de VS die competentie-gerichte curricula aanbieden doen hetzelfde. Toen er in de jaren ’70 aan de universiteit Maastricht een nieuwe medische opleiding van start ging is dat ook gebeurd. Het zou een zegen zijn als docenten zelf het initiatief nemen om samen hun opleiding te herontwerpen: Daarmee leggen ze de basis voor de claim dat zij samen eigenaar zijn van de opleiding, of dit nu het basis-, voortgezet of hoger onderwijs is.

Torentje, Kremlin, Capitool; docenten zijn de baas van de school

[1] Het rapport heet: Shared design elements and emerging practices of competency-based education programs.

http://www.cbenetwork.org/sites/457/uploaded/files/Shared_Design_Elements_Notebook.pdf

 

Pak nu door als het om accreditatie van het hoger onderwijs gaat

Accreditatie is een vorm van verantwoording van hoger onderwijs naar samenleving. Daarom het gerealiseerde eindniveau van opleidingen centraal stellen.

Onderwijs - Academically adrift 4In de Tweede Kamer vindt een interessante discussie plaats over de toekomstige accreditatie van het hoger onderwijs[1]. Het aardige is dat zich daarbij een ongebruikelijke coalitie aftekent: VVD, SP en Groen Links versus de Minister, die  PvdA en CDA aan haar zijde heeft. Het belangrijkste discussiepunt is of het zwaartepunt van accreditatie op instellings- dan wel op opleidingsniveau moet liggen.

VVD, SP en Groen Links willen accreditatie op opleidingsniveau. Daarbij staat de vraag centraal of het niveau van de afgestudeerden aan de maat is. Deze partijen vinden ook dat accreditatie tot beter onderwijs moet leiden.

Alle betrokkenen zijn overigens van mening dat de lastendruk aanzienlijk minder moet.

Het zijn de instellingen die worden gesubsidieerd, dus het ligt op het eerste gezicht voor de hand om op instellingsniveau te beoordelen of de toegewezen middelen doelmatig worden besteed. Ook kan daarbij worden vastgesteld of de opleidingen van die instelling adequate voorzieningen hebben, variërend van docenten, huisvesting tot systemen voor kwaliteitszorg. Hiervoor is echter geen accreditatie nodig. De Minister kan volstaan met de instellingen te vragen deze informatie op te nemen in het jaarverslag. Ze kan vervolgens hierover met elke instelling in gesprek gaan.

Onderwijs - Academically adrift 7VVD, SP en Groen Links hebben gelijk als ze stellen dat de samenleving in de eerste plaats wil weten of het niveau van de afgestudeerden aan de maat is en wat de waarde van een diploma is. Visitatiecommissies keken hier in het verleden ook naar, maar ze verzamelden tevens gedetailleerde informatie over onderwijs en toetsing. Beperking van de beoordeling tot het gerealiseerde niveau, zal de lastendruk aanzienlijk verminderen.

Onderzoek naar het gerealiseerde eindniveau kan overigens nog aanzienlijk worden verbeterd. Visitatiecommissies kijken nu vooral naar het afstudeerwerkstuk. Dat dekt lang niet alle doelen van de opleiding af. Een portfolio ter aanvulling kan waardevolle informatie opleveren. De visitatiecommissie moet ook kunnen nagaan of de inhoud van het onderwijs naadloos op de beoogde doelen is afgestemd. Ook kan het afnemende veld meer betrokken worden bij de beoordeling van het eindniveau.

Zowel voor opleidingen als voor de visitatiecommissies is het wenselijk dat een opleiding met een onvoldoende een ‘herstelperiode’ krijgt. Dus niet, zoals in het voorstel van VVD, SP en Groen Links, een volledige opleidingsaccreditatie moet ondergaan. Zo’n opleiding kan de beschikbare tijd beter besteden aan de verbetering van het onderwijs dan aan de voorbereiding van een tijdrovende volledige visitatie.

Onderwijs - visitatie 4VVD, SP en Groen Links moeten één stokpaardje opgeven. Een opleidingsaccreditatie kan niet tegelijkertijd vaststellen of het eindniveau aan de maat is én een bijdrage leveren aan de verbetering van het onderwijs. Om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren moeten docenten en studenten vrijuit kunnen spreken over tekortkomingen in het niveau van afgestudeerden en hoe het onderwijs beter kan. Dat zullen ze zeker niet doen tijdens het bezoek van een commissie die komt oordelen of de opleiding accreditatie verdient.

Een goede gelegenheid om dat wél te doen is een midterm review. Dit is een discussie tussen docenten en externe deskundigen over de verbetering van kwaliteit van de opleiding, tussen twee visitaties in. De Minister kan deze eventueel verplicht stellen. Hiermee spreekt de Minister tevens uit dat de primaire verantwoordelijkheid voor de inrichting van het onderwijs bij de opleiding zelf ligt. Tegelijkertijd kan de Minister er via de jaarverslagen op toezien dat er voor een opleiding voldoende gekwalificeerde docenten en andere voorzieningen aanwezig zijn, waaronder een kwaliteitszorgsysteem.

Onderwijs - visitatiejpgHet heeft weinig zin om te streven naar verbeteringen van een kostbaar maar weinig effectief stelsel waaraan in 30 jaar voortdurend is gesleuteld. Dit is het moment om te kiezen welke informatie noodzakelijk is voor de verantwoording naar de samenleving en waar deze vandaan moet komen.

Door de nadruk te leggen op de competenties waarover afgestudeerden moeten beschikken, geeft de politiek tevens het signaal af dat het de taak van de opleidingen zelf is om te bepalen hoe die competenties het best ontwikkeld kunnen worden. Op zo’n signaal wordt gewacht.

Naschrift: 

Enkele dagen nadat ik deze blogpost schreef heeft de Tweede Kamer een compromis bereikt. Er komt een experiment met een instellingstoets (wens van de Minister) in drie universiteiten en drie hogescholen. In de instellingen die aan deze toets meedoen wordt de accreditatie van opleidingen ingericht volgens de ideeën van VVD, SP en Groen Links die hierboven staan beschreven. Voor de instellingen die niet aan de pilot meedoen blijft het huidige visitatiestelsel bestaan. Als de resultaten van de pilot bekend zijn, wordt beslist over de wijze waarop het accreditatie stelsel de jaren daarna gaat uitzien.

[1] Zie hiervoor de volgende publicaties in ScienceGuide: Liberalen halen OCW links in http://scienceguide.nl/201512/liberalen-halen-ocw-links-in.aspx en Twee sporen naar kwaliteit HO http://scienceguide.nl/201512/twee-sporen-naar-kwaliteit-ho.aspx