De onmacht van de economen

Economen hebben het verbruid. Iedereen weet inmiddels het antwoord op de vraag waaraan je een econoom herkent: Ze zijn het nooit met elkaar eens.

Adam Smith
Adam Smith

Wat is er met deze ooit gezaghebbende wetenschap gebeurd? Oorspronkelijk hielden economen zich bezig met fundamentele vraagstukken over de oorsprong en de betekenis van rijkdom en groei. Denk aan Adam Smth’s meesterwerk “An inquiry into the nature and causes of the wealth of nations” (1766 – 1776).

Reflectie heeft in de moderne economie plaatst gemaakt voor wiskundige modellen. Over het feit dat stijgende prijzen tot dalende vraag leiden, zijn economen het nog wel eens. De onenigheid begint als zij hun modellen gaan toepassen binnen de actuele context. Economen met een socialistische achtergrond komen dan tot andere conclusies dan liberaal gezinde collegae.

Arthur Laffer
Arthur Laffer

Een goed voorbeeld van die laatste is Arthur Laffer, de denker achter Ronald Reagan. Vandaag de dag adviseert hij republikeinse presidentskandidaten in de VS. Zijn aantrekkingskracht schuilt in het feit dat hij ‘bewezen’ heeft dat minder inkomstenbelasting voor de rijken leidt tot meer economische groei.

Het zijn echter niet alleen politieke stromingen die tot uiteenlopende standpunten leiden. Bijvoorbeeld, economen die ‘geloven’ in het belang van een krachtig Europa hebben een andere visie op de wenselijkheid van een gezamenlijke munt dan economen die tot de eurosceptici behoren. Deze tegenstelling loopt dwars door het politieke spectrum heen.

De kakafonie van opvattingen onder economen illustreert de invloed van instituties op het denken. We zien ons zelf graag als autonome individuen, die zelf bepalen wat goed en slecht voor ons is. Dit geldt voor wetenschappers in het bijzonder. In plaats daarvan worden onze denkbeelden grotendeels gevormd door de instituties waarmee we verbonden zijn: Organisaties, instellingen, groeperingen, religies en stromingen. Ze confronteren ons met gedachtengoed over hoe de wereld in elkaar zit en wat we daarvan kunnen vinden. Wij maken daar onze eigen mix van.

Daniël Bell
Daniël Bell

Herhaaldelijk komt de vraag op of een bepaald gedachtengoed beter is dan een ander. In de jaren ’60 poneerde Daniël Bell in zijn boek ‘The end of ideology” de stelling dat de politieke instituties uit de 19de eeuw hebben afgedaan en dat vooruitgang vooral het gevolg is van wetenschap. We kunnen ruim 50 jaar later vaststellen dat niet de wetenschap de instituties stuurt maar omgekeerd, dat het de instituties zijn die de wetenschap sturen. Overigens zonder dat de meeste wetenschappers zich dit realiseren.

De reden dat rechtse Amerikaanse politici Arthur Laffer opzoeken is niet dat hij zulke briljante ideeën heeft. Die schrijven de politici aan zichzelf toe. Hij geeft deze ideeën echter een wetenschappelijke status. Het neoliberale denken – de aanvaarding van de markt als het hoogste goed – is onderdeel geworden van de mainstream van de economie. Andersdenkenden, bijvoorbeeld evolutionaire economen, werden lange tijd gemarginaliseerd. Dat gold tevens voor collegae die andere onderzoeksmethoden prefereren, bijvoorbeeld kwalitatief in plaats van kwantitatief.

Kennis - economen2De koers van Daniël Bell is onbegaanbaar: Niemand kan zijn verbondenheid met maatschappelijke instituties uit zijn denken verbannen. Dit geldt ook voor wetenschappers. Wat deze wel kunnen is reflecteren op de invloed van de instituties op hun denken en het ‘cognitief conflict’ met andersdenkende collegae aangaan. Hetzelfde geldt voor de aanhangers van uiteenlopende methodologische stromingen. De huidige universiteiten zijn ver van dit ideaal verwijderd geraakt. Zij zijn een archipel van eilanden waarop gelijkgezinden zich verzamelen in plaats van een smeltkroes van uiteenlopende ideeën. Was dit wel het geval, dan kon uit deze smeltkroes een hernieuwde gezaghebbende bijdrage van economen én andere wetenschappers voortkomen aan het maatschappelijke debat over welvaart en welzijn.

Overheid besteedt innovatiemiddelen eenzijdig. Tien aanbevelingen

De Nederlandse overheid stelt miljarden beschikbaar voor innovatie. Het rendement van deze investeringen kon hoger zijn, als beter was geluisterd naar onderzoekers, bijvoorbeeld van het MERIT-UNU te Maastricht[1].

Innovatie - citaat René WintjesOverheden hebben in 2002 afgesproken om 3% van het BNP te investeren in R&D. Deze afspraken zijn nooit gehaald en dat is maar goed ook. Achter deze afspraken schuilt namelijk een fixatie op het ‘lineaire innovatiemodel’. Dit is het geloof dat innovatie vooral afhangt van publieke en private investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Dit model heeft in de periode 1950 – 1980 zijn vruchten afgeworpen. Daarna begonnen in het bijzonder vraagfactoren een steeds belangrijkere rol te spelen. De meest innovatieve bedrijven ter wereld (Apple, Google, Facebook) onderscheiden zich niet door de hoogte van hun R&D investeringen maar door de manier waarop ze vraag naar hun producten en diensten hebben weten te creëren[2].

Hieronder volgen tien aanbevelingen aan de overheid om het innovatiebeleid effectiever te maken.

  1. Geef fundamenteel onderzoek vrij baan

Kennis - Toepassingsgericht en fundamenteelGeef universiteiten een ‘lumpsum’ bedrag om fundamenteel onderzoek te doen. Vertrouw erop dat moderne wetenschappers daarbij tevens oog hebben voor maatschappelijke toepassingen. Het bedrag daarvoor hoeft niet hoger te zijn dan thans beschikbaar is, maar hef alle voorwaarden op die aan de besteding worden gesteld. Beëindig ook alle geldverslindende herverdelingsactiviteiten via NWO. Zorg wel voor een pot om jaarlijks een handvol werkelijk excellente onderzoeksgroepen een impuls te geven.

  1. Stimuleer samenwerkingsonderzoek

Innovatie - TNO en Daf ecotwinInvesteer krachtig in praktijkgericht onderzoek en betrek daarbij zowel universitaire onderzoekers als onderzoekers vanuit het bedrijfsleven. Breng dat NIET onder in universiteiten maar in instellingen naar het voorbeeld van de Duitse Fraunhofer Instituten of het Nederlandse TNO[3]. Neem een voorbeeld aan het strakke projectbegeleidingsregime van het Amerikaanse DARPA[4]. Bouw het topsectorenbeleid om naar een beleid dat consequent is gericht op de ‘grand challenges’ zoals benoemd door de EU (water, energie, voedsel, vergrijzing e.a.). Test potentiële innovatieve producten en diensten uit onder zo realistisch mogelijke omstandigheden (fieldlabs).

  1. Verhoog kenniscirculatie en absorptiecapaciteit

Innovatie - innovatievoucherBedrijven en organisaties benutten slechts een deel van de wereldwijd aanwezige kennis om te innoveren en hun productie duurzamer en maatschappelijk meer verantwoord te maken. Grotere bedrijven moeten daarom een of meer generalisten in dienst hebben die in staat zijn de link met kennisinstituten te leggen. Projectsubsidies kunnen hier een handje helpen. Regionale of sectorale innovatiecentra, zoals het Technologiecentrum Noord Nederland, kunnen deze rol voor kleine bedrijven vervullen. Ook hier zijn gerichte subsidies welkom; de innovatievoucher is hiervan een goed voorbeeld.

  1. Richt vestigingsbeleid op innovatieve bedrijven

big shiftIn mijn blogpost van 27 mei[5] heb ik al opgemerkt dat stimuleren zonder meer van clusters, ‘valleys’ of campussen, weggegooid geld is. Voorop moet staan aantrekken, stimuleren en behouden van innovatieve bedrijven en vergemakkelijken van vestiging daaromheen van andere bedrijven. Het is uiteraard een voordeel als daarbij wordt aangesloten bij sterke kanten van de regio (smart specialization) Het is dan vooral zaak om het proces van organische groei te ondersteunen.

  1. Organiseer demonstratieprojecten

Innovatie - demonstratieprojectHet grootste probleem van innovatieve bedrijven is dat veel potentiële afnemers terugschrikken om innovatieve technologieën aan te schaffen. Risicomijdend gedrag of puur conservatisme zijn daar debet aan. Overheden kunnen innovatieve bedrijven ondersteunen door demonstratieprojecten op te zetten. Aarzelende afnemers kunnen hiermee over de streep worden getrokken.

  1. Koop meer innovatieve producten

Innovatie - energy procurementDe Nederlandse overheid geeft slechts 3,8 miljard uit voor de aanschaf van innovatieve producten en diensten. Dit is maar een fractie van het totale bedrag dat beschikbaar is voor overheidsinkopen en kan makkelijk twee of drie keer hoger zijn. Aanbestedingen zouden best wat duurder mogen uitvallen als het uiteindelijk resultaat (bouwwerk, weg, spoorwegverbinding) een duidelijke demonstratiefunctie als innovatief product of dienst heeft.

  1. Maak (financieel) voordeel van innovatie zichtbaar

Innovatie - subsidie zonnepanelenBedrijven schrikken terug voor het aanschaffen van energiebesparende technologieën of overschakeling op zonne-energie. Dit komt niet alleen vanwege de hoge aanschafkosten maar ook door de lange terugverdientijd. Integrale subsidies waarbij de installatie wordt geleaset en men van meet af aan een lagere energieprijs betaalt, bieden dan een oplossing.

Een vergelijkbaar beleid kan ook worden gevoerd naar consumenten: Uit handen nemen van rompslomp bij de aanschaf van zonnepanelen en financieel voordeel onmiddellijk voelbaar maken.

  1. Bemiddel bij aantrekkelijke vormen van financiering

Innovatie - koploper project MKBHet is nergens voor nodig dat alle bedrijven innovatieve producten en diensten aanbieden. Wél zouden ze alle moeten overschakelen op energiebesparende machines, gebruik maken van schone technologieën en gebruik maken van bio-grondstoffen. De meeste daarvan liggen al ‘op de plank’ . De aanschaf daarvan zou met leaseconstructies, garantieleningen, laag btw-tarief en desnoods subsidies gestimuleerd moeten worden.

  1. Bevorder gewenst gedrag met wetgeving

De beste bijdrage van de overheid aan de energietransitie is het zwaar belasten van de uitstoot van CO2 en alle vormen van subsidie op fossiele energie en grondstoffen stopzetten. Kost weinig en levert – althans tijdelijk – veel op. Andere juridische stappen om bedrijven en consumenten te ‘helpen’ innoveren zijn minimumeisen op gebied van dierenwelzijn, minder maar strenge eisen aan voedselkwaliteit en verbieden van investeringen in aanleg van centrales die fossiele brandstoffen gebruiken.

  1. Onderwijs en educatie

Onderwijs - Financiële- en accountantsopleidingenDe inhoud van het onderwijs moet wezenlijk veranderen. Het gaat er NIET in de eerste plaats om dat jongeren voor technische vakken kiezen of enthousiast worden voor innovatie. Centraal staat een transitie met doel om de wereld toekomstbestendig te maken en leerlingen te mobiliseren de handen daarvoor uit de mouwen te steken. Het onderwijs zal in elk geval leiden tot een herwaardering van verantwoord ondernemerschap en vakkundigheid.

Innovatie met als doel de grote problemen van deze tijd aan te pakken kan toe met minder, maar andere, investeringen in R&D en meer investeringen die voorwaarden scheppen (onderwijs, vestigingsbeleid) en vooral investeringen die ervoor zorgen dat de beschikbare kennis en de daaruit resulterende producten en diensten ook worden gebruikt.

Innovatie - model aanbod en vraagfactoren

[1] Zie bijvoorbeeld het rapport dat dr. René Wintjes schreef voor de EU: Un-locking the potential of business and societal innovation; how to scale-up successful new business and production models? European Union Enterprise and Industry, September 2013. Downloden via http://www.merit.unu.edu/how-to-maximize-innovation-potential/

[2] Mijn blogpost van 27 mei laat zien dat tot top tien van bedrijven op het gebied van R&D allesbehalve samenvalt met de top tien van innovatieve bedrijven: http://wp.me/p32hqY-cT

[3] Universiteiten zullen dit geld besteden ter versterking van hun eigen onderzoeksprioriteiten en naar buiten mooie verhalen vertellen over het maatschappelijke belang daarvan. Voorkom deze maskarade.

[4] Zie mijn blogpost: Geen kleinere maar een sterkere overheid http://wp.me/p32hqY-9q

[5] Valleys, clusters en campussen: hoe overheden geld verspillen http://wp.me/p32hqY-cT

Hoger Onderwijs voor volwassenen: schenk klare wijn!

Zes principes van leren door volwassenen
Zes principes van leren door volwassenen

Het hoger onderwijs heeft weinig interesse voor verschillen tussen studenten. Dat is de strekking van een reeks posts die ik onlangs heb gepubliceerd[1]. Was dit wel het geval, dat zou onderwijs voor volwassenen werkende studenten anders uitzien dan onderwijs voor voltijdse initiële dagstudenten. Maar ook één type opleiding voor volwassenen is onvoldoende. Daarvoor bestaan er te veel verschillen tussen hun leerbehoeften en -mogelijkheden. Een ding is duidelijk: opleidingen die duidelijke keuzen maken en communiceren zijn het meest succesvol.

Om te beginnen de Open University, verreweg de grootste universiteit van het UK. Het succes van deze instelling voor afstandsonderwijs vloeit voort uit vier alom bekende karakteristieken: voortreffelijk materiaal voor zelfstudie, tutoren die ingeleverde opdrachten van commentaar voorzien en beoordelen, indien nodig aanvullend contactonderwijs en een vaste cursusduur.

Onderwijs - volwassen studenten 3Het venijn zit in de staart; de vaste cursusduur. Aangenomen wordt dat een vaste cursusduur studenten stimuleert de studie een vanzelfsprekende plaats in hun leven te geven en elke week ruim 10 uur te studeren. Dit zou leiden tot een betere doorstroming en een hoger rendement. Veel volwassen studenten geven echter de voorkeur aan een flexibele cursusduur, liefst in combinatie met de mogelijkheid om op elk gewenst tijdstip aan een cursus te kunnen beginnen. Studenten kunnen op deze manier de studie aanpassen aan de tijd waarover ze beschikken naast een drukke baan en activiteiten in de privésfeer. Aangenomen wordt dat deze kenmerken leiden tot meer studievertraging en -uitval[2]. Toen de Nederlandse Open Universiteit vorig jaar deze vorm van flexibiliteit afschafte en tevens het aantal startmomenten beperkte tot twee per jaar, brak er een storm van protest uit. Dit leidde tot de invoering van allerlei keuzemogelijkheden.

Het bovenstaande schetst een van de dilemma’s waarmee instellingen voor volwassenenonderwijs te maken hebben. Veel studenten opteren voor maximale flexibiliteit maar zij lopen mogelijk verhoogd risico van studievertraging en -uitval. Instellingen die voor flexibiliteit kiezen, doen er dus verstandig aan na te denken over een ‘prikkel’ die ertoe leidt dat studenten de studie permanent hoog op de prioriteitenlijst zetten, ook als de wekelijkse studietijd varieert.

Onderwijs - volwassen studentenDe Capella Universiteit in de VS heeft dit goed begrepen. Deze instelling voor afstandsonderwijs bestaat ruim 30 jaar en heeft thans 37.000 studenten. De inrichting van het onderwijs lijkt sterk op die van de Britse OU. Vanwege de aanhoudende vraag naar een meer flexibel onderwijsaanbod, is zij tien jaar geleden gestart met FlexPath. Het gaat om nieuw ontworpen én geaccrediteerde bachelor- en masterprogramma’s, vooralsnog alleen voor studenten bedrijfskunde, psychologie en informatietechnologie[3]. Deze programma’s bestaan uit geschakelde activiteiten (geen cursussen) waarvan de eindtermen rechtstreeks zijn afgeleid van de competenties die het programma wil ontwikkelen. Elke activiteit wordt afgesloten met een opdracht (adviesnota, onderzoekverslag, presentatie), die docenten binnen 48 uur van commentaar voorzien en beoordelen. Beoordelingscriterium is de mate waarin de gewenste eindtermen zijn behaald. De studieduur wordt niet uitgedrukt in uren. Aangenomen wordt dat de ene student meer tijd nodig heeft dan de andere, afhankelijk van voorkennis en -opleiding. Er is ook voorzien in een stok achter de deur om de vaart erin te houden; studenten betalen een vast bedrag per maand. Opmerkelijk is dat studenten die voor FlexPath kiezen, aanzienlijk korter over de studie doen dan ‘reguliere’ afstandsstudenten van Capella University.

Hier kun je een korte promotievideo zien

De casus is om minstens twee redenen interessant: in de eerste plaats vanwege het feit dat de programma’s consequent zijn opgebouwd vanuit de competenties waarover afgestudeerden moeten beschikken. In de tweede plaats vanwege de transparantie van het aanbod. Studenten volgen het standaardprogramma óf FlexPath. Deze laatste optie wordt aanbevolen aan studenten met méér voorkennis, ervaring en discipline. Alvorens ze worden toegelaten tot FlexPath doorlopen ze een intake-procedure.

Het hoger onderwijs voor volwassenen heeft baat bij diversiteit aan studiemogelijkheden. Bij een hoge mate aan diversiteit hoort dat aanbieders een helder profiel hebben. Studenten weten dan waaraan ze toe zijn. De Britse Open University én Capella University zijn hiervan goede voorbeelden.

[1] Zie onder andere: Wetenschappelijk onderwijs kent zijn studenten niet http://wp.me/p32hqY-cc

[2] Op basis van schaarse en onvolledige gegevens heb ik echter kunnen vaststellen dat de verschillen in studie-uitval tussen de open universiteiten in het UK en Nederland kleiner zijn dan wordt gedacht.

[3] Overzicht van de FlexPath programma’s en hun kenmerken: http://www.capella.edu/flexpath-self-paced-learning

Rumbling on performativity: Proefschrift over rendementsdenken

Onderwijs - OnderwijsfabriekOp talloze universiteiten in Europa en de VS vinden discussies plaats over de groeiende rol van de bedrijfsmetafoor. Kritiek – ook van binnenuit – op de schadelijke gevolgen van doorgeslagen rendementsdenken is er echter al lang. Frits Simon, adviseur van het College van Bestuur van Zuyd Hogeschool promoveert vrijdag 12 juni op een proefschrift getiteld Rumbling on performativity. The complex practice of policy development in a University of Applied Sciences. Promotoren zijn Thijs Homan en ondergetekende; copromoter is Rob Zuijderhoudt[1]. Het proefschrift is om drie redenen van belang.

Ten eerste.
Personen - Frits Simon
Frits Simon

De auteur heeft gekozen om ontwikkelingen in het hoger onderwijs te bekijken vanuit een complex responsieve proces benadering[2]. In deze benadering komt ‘de werkelijkheid’ tot stand door talloze interacties tussen mensen. Het uiteindelijke resultaat is dan ook moeilijk te voorspellen. Een College van bestuur moet ministeriële richtlijnen volgen, maar de manier waarop dat gebeurt is het gevolg van lokale dialogen, kleine stappen en reacties daarop en toevallige gebeurtenissen. Ook als een College van bestuur beslissingen doorvoert, gebruik makend van zijn macht, pakt het resultaat doorgaans anders uit dan bedoeld. Het is best wel mogelijk om (achteraf) een aantal omstandigheden te benoemen die van invloed zijn geweest op de gang van zaken, maar deze voorspellen is onmogelijk.

Ten tweede.

Onderwijs - Rumbling on performativityHet krijgen van diepgaand inzicht in wat er in een organisatie gebeurt, door iemand die er ook zelf werkt, kan worden geplaatst in de traditie van sociaal constructivistisch, auto-etnografisch of insider onderzoek. De auteur heeft drie belangrijke beleidsprocessen binnen Zuyd Hogeschool vastgelegd in narratives. Hij deelt wat hij ziet voortdurend met degenen op wiens handelingen hij reageert en omgekeerd. Vervolgens reflecteert hij op de narratives door zijn eigen veronderstellingen zo expliciet mogelijk te maken en uit te diepen met wetenschappelijke literatuur. Anders dan het geval is bij interview en surveys, ontstaat er al doende een rijk gedocumenteerd doorwrocht beeld van de bestudeerde organisatie. Medewerkers, bestuurders en beleidsmedewerkers van de eigen en andere organisaties zullen zich deels wel en deels niet in de beschrijvingen herkennen. Het helpt hen in elk geval om hun eigen handelen en de effecten daarvan beter te doorzien. Voor andere wetenschappers bevatten de beschrijvingen van beleidsprocessen, waaronder de totstandkoming van de prestatieafspraken, uniek casusmateriaal.

Ten derde.
Ralph Stacey
Ralph Stacey

Wetenschappers voeren al eeuwen een discussie over het spanningsveld tussen abstractie en ‘werkelijk-getrouwheid’ (ecologische validiteit). Abstraheren is nodig om te kunnen generaliseren. Echter, abstraheren impliceert reductie van de werkelijkheid tot enkele variabelen met als gevolg verlies aan betekenis. Zie bijvoorbeeld de economische wetenschap. Wetenschappers zoeken al eeuwen naar alternatieve methoden om ‘de werkelijkheid’ beter te vatten, maar velen zijn tevens van mening dat de daaruit voortvloeiende ‘beelden’ in de eerste plaats constructies zijn. Het combineren van een complex responsieve procesbenadering en een narratieve methode lost dit probleem deels op. De onderzoeker komt immers niet als geïsoleerd individu tot een beschrijving van de werkelijkheid, maar legt de interacties waarbij hij/zij zelf is betrokken, steeds voor aan de andere betrokkenen. Voor het wetenschappelijke debat is het van groot belang dat er niet alleen over onderzoeksmethoden wordt gesproken, maar dat deze tevens worden beproefd, ook als ze niet mainstream zijn. Het is daarom mooi dat dit proefschrift aan de Open Universiteit tot stand is kunnen komen[3]. [1] Voor wie deze link volgt is het proefschrift als e-pub of pdf beschikbaar: http://www.zuyd.nl/onderzoek/proefschrift-frits-simon [2] Deze benadering heeft vooraf bekendheid gekregen dankzij het werk van Ralph Stacey, verbonden aan de Universiteit van Hertfortshire. [3] Het proefschrift is tot stand gekomen in intensieve dialoog binnen de ‘complexiteitsgroep’ die een onderdeel is van de PhD-school van de Faculteit MST van de Open Universiteit. De komende jaren zullen meer leden van de groep promoveren op vergelijkbare proefschriften. Vergelijkbaar omdat ze alle gebruik maken van de complex responsieve proces benadering en een insidersperspectief opleveren van de organisatie waaraan de auteurs verbonden zijn. De belangrijkste ‘trekkers’ (Thijs Homan en Nol Groot) hebben overigens de Open Universiteit verlaten. Wie meer over de complexiteitsgroep wil weten kan het beste contact opnemen met Jos Roemer, de coördinator van de groep: directie@sol-identiteitsbegeleiders.nl

Het nieuwe economieonderwijs komt er aan…

Onderwijs - Financiële- en accountantsopleidingenHet economieonderwijs moet fundamenteel veranderen of verdwijnen. Dat was de strekking van mijn blogpost van 20 mei jl[1]. Laat nu enkele dagen daarvoor het inspiratiedocument Financiële en accountancyopleidingen voor de nieuwe economie zijn verschenen[2]. Een aantal vertegenwoordigers van banken, accountantskantoren en opleiders – verenigd in een community of practice – heeft er een jaar aan gewerkt op initiatief van Het Groene Brein. Het rapport maakt de grond bouwrijp voor ingrijpende veranderingen. Het laat ons bovendien kennismaken met vernieuwingen van opleidingen die al vorm krijgen, bijvoorbeeld in de Hogeschool van Amsterdam en in de Hanzehogeschool.

Degenen die aan het rapport hebben meegewerkt zijn het erover eens dat bedrijven verantwoordelijkheid moeten nemen voor de problemen die de wereld bedreigen. Soms hebben zij daar al op korte termijn baat bij, maar op langere termijn is het niet minder dan van levensbelang. Het écht nemen van maatschappelijke verantwoordelijkheid heeft vergaande gevolgen voor het financieel management en dus ook voor de opleidingen van financieel-managers en controllers.

De community of practice heeft als uitgangspunt voor het denken over de toekomstige beroepspraktijk van financieel-specialisten gekozen voor het rapportage raamwerk van de International Integrated Reporting Council (IIRC). Aan dit raamwerk ligt een nieuwe manier van denken over bedrijven en bedrijfsresultaat ten grondslag: Waardecreatie binnen bedrijven is het resultaat van de integrale inzet van een zestal verschillende ‘kapitalen’ en niet van geld en arbeid alleen (zie afbeelding 1). Een geïntegreerde benadering van de zes kapitalen moet voorkomen dat concentratie op een soort kapitaal leidt tot vernietiging van een ander soort. Het ‘Integrated Reporting Framework’ is een uitgangspunt voor zowel strategieontwikkeling als verslaglegging. Gelet op de steun die ‘IR’ heeft vanuit de wereld van de accountancy, komt dat laatste wel goed[3].

Organisatie - zes kapitalenHet probleem is wel hoe de zes kapitalen gemeten moeten worden. Dat moet worden ontwikkeld en geleerd. Binnen de financiële en accountancyopleidingen is daarvan nog nauwelijks sprake. Het is niet de bedoeling dat er aparte vakken komen, maar er zal een vernieuwing plaatsvinden van de leerinhoud van de bestaande vakken of thema’s. Het vakgebied risicomanagement zal bijvoorbeeld gaan over de beheersing van risico’s met betrekking tot elk van de zes kapitalen.

Terecht wordt er van uitgegaan dat het niet alleen gaat om nieuwe leerinhoud, maar ook om een andere manier van denken over kapitaal. Ik was daarom erg enthousiast over de ‘cultuurkaart’ financiële sector (afbeelding 2), die een tot de verbeelding sprekende beschrijving geeft van het nieuwe denken[4]. Zij is het resultaat van gezamenlijk werk van 100 jonge bankiers, die doordrongen zijn van de noodzaak van wezenlijke (mentaliteits)verandering in de financiële sector.

Afbeelding 2
Afbeelding 2

De opleiding Financieel Service Management van de Hogeschool van Amsterdam is druk bezig te onderzoeken of de zes kapitalen voldoende aan bod komen in de thematische blokken waaruit deze opleiding nu bestaat. Dit is – uiteraard – niet het geval en de komende jaren wordt de inhoud van het onderwijs aangepast. Terecht wordt opgemerkt dat de opleiding tot competenties moet leiden voor de beroepspraktijk in de toekomst. Dat studenten in de praktijk nog niet veel merken van  duurzaam gedrag in bedrijven waar ze stage lopen, moet op de koop toegenomen worden.

Ik ben erg onder de indruk van de wijze waarop het lectoraat Duurzaam Financieel Management maatschappelijk verantwoord ondernemen integreert in de opleiding bedrijfseconomie aan de Hanzehogeschool in Groningen. Ook hier vormen de zes kapitalen van IR het uitgangspunt. Men is gestart met een fundamentele bezinning over wat de opleiding moet bereiken. Van daaruit worden de competenties van de bestaande opleiding aangevuld en verrijkt met competenties van de integraal werkende financieel specialist. Dit resulteert uiteindelijk in een leerlijn over een viertal jaren (afbeelding 3). Deze is dermate gedetailleerd uitgewerkt, dat het ontwerp van bijbehorende onderwijsactiviteiten geen onoverkomelijke problemen zal opleveren (p. 30-31).

Afbeelding 3
Afbeelding 3

De werkzaamheden zijn nog lang niet afgerond. Ook de pioniers in Amsterdam en Groningen hebben nog veel te doen. Andere opleidingen moeten nog beginnen. Eveneens een omvangrijke klus is de nascholing van werkende professionals.

De invoering van een integrale visie op verslaglegging is één ding; het als uitgangspunt van de bedrijfsstrategie hanteren van de zes kapitalen is iets anders. Ik zie dit laatste nog niet onmiddellijk omarmd worden door het (top)management van bedrijven. Het is te hopen dat de bedrijfskunde opleidingen en de MBA’s in het bijzonder hier even voortvarend mee aan de slag gaan als de financiële en accountancyopleidingen dat doen voor rapportage. Ik hoop op afzienbare termijn hierover te kunnen berichten.

[1] Economieonderwijs vernieuwen of afschaffen? http://wp.me/p32hqY-cO

[2] http://cdn.hetgroenebrein.nl/wp-content/uploads/2015/05/HGB_Inspiratiedocument_CoP_FAN.pdf

[3] De Nederlandse Bond van Accountants heeft in 2014 een brochure geschreven over Integrated reporting in het grootbedrijf. Voornaamste insteek is de integratie van inspanningen op het gebied van duurzaamheid in de verslaglegging: https://www.nba.nl/Documents/Nieuws/2014/pdfs/Artikel%20integrated%20reporting%20in%20het%20grootbedrijf%20NBA-AIB%20juli%202014.pdf

Deloite doet al drie jaar op rij onderzoek naar de geleidelijke vorderingen die Nederlandse bedrijven maken op het gebied van geïntegreerde rapportage, waarbij de NS koploper is. http://www2.deloitte.com/content/dam/Deloitte/nl/Documents/audit/deloitte-nl-audit-integrated-reporting-in-the-netherlands.pdf

[4] Zie over de totstandkoming van de cultuurkaart voor de financiële sector: https://www.nvb.nl/nieuws/2014/2752/jonge-bankiers-doordrongen-van-de-maatschappelijke-rol-van-banken.html

Valleys, clusters en campussen: hoe overheden geld verspillen

Al in 1880 schreef Alfred Marshall dat gelijksoortige bedrijven voordeel kunnen hebben van elkaars nabijheid. Er kan dan een gespecialiseerde arbeidsmarkt ontstaan en kennis kan zich makkelijker verspreiden. De belangstelling voor clustervorming is de laatste jaren sterk toegenomen omdat wordt aangenomen dat clusters ook een voedingsbodem zijn voor innovatie. Sillicon Valley en ook onze eigen Brainport gelden daarbij als voorbeeld. Samenleving - campussen in NederlandVoor provinciale overheden is de vermeende rol van clustervorming als aanjager van innovatie aanleiding geweest om miljoenen te investeren in valleys, clusters of campussen, waarvan er in Nederland inmiddels tientallen het licht hebben gezien. Helaas hebben zij de relatie tussen clustervorming en innovatie niet goed begrepen en veel investeringen zijn daarom weggegooid geld.

Personen - Steven Klepper
Steven Klepper

De recent overleden Amerikaanse hoogleraar Steven Klepper heeft op basis van een reeks case studies twee populaire aannames onderuit gehaald[1]. In de eerste plaats: Clusters leiden niet tot innovatie, maar innovatie leidt tot clusters. Honderd weinig innovatieve bedrijven, hoe dicht ook opeen gepakt, bewerkstelligen geen innovatie. Wel kunnen er – bij voldoende schaalgrootte – agglomeratievoordelen ontstaan.

Stel, een provinciale overheid wil innovatie stimuleren in een aangewezen gebied. Het zet geen zoden aan de dijk om bedrijven over te halen zich daar te vestigen, collectieve voorzieningen te creëren en te hopen dat er innovatie ontstaat. In plaats daarvan zou ze zich moeten inzetten om een of enkele innovatieve bedrijven naar die regio toe te halen en faciliteiten te bieden aan andere bedrijven, die vestiging nabij deze innovatieve bedrijven belangrijk vinden.

De tweede onjuiste aanname is dat de nabijheid van (research)universiteiten innovatie stimuleert. Stanford University heeft inderdaad een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van Sillicon Valley. Er zijn ook talrijke voorbeelden van universiteiten die hoegenaamd géén rol spelen bij het aanjagen van innovatie en van regio’s die innoveren zonder dat er een universiteit in de buurt is. De bijdrage van innovatie van een universiteit aan de omliggende regio hangt vooral af van de wederzijds positieve instelling van onderzoekers van die universiteit en onderzoekers in omliggende bedrijven. Hoe simpel het ook klinkt, het moet gewoon klikken.

Innovatie - Top RD spendersInnovatie - tot innovatieve bedrijvenIk voeg hier nog een derde misverstand aan toe. Uit het jaarlijkse onderzoek van Booz & Company – The Global Innovation 1000 – blijkt keer op keer dat er géén rechtstreeks verband is tussen uitgaven voor R&D en innovatie: Spending more on R&D won’t drive (innovation vdB) results. The most crucial factors are strategic alignment and a culture that supports innovation. Overheden hebben het lastig met deze conclusie. Er liggen immers miljarden klaar om innovatie te stimuleren, maar overheden besteden dit geld het liefst aan sectoren of via generieke (belasting)maatregelen. Beter is om bedrijven die al bewezen hebben innovatief te zijn – zo nodig – te steunen, bijvoorbeeld door samen projecten op te zetten een of meer van die bedrijven en universiteiten. Dat het neoliberale denken hiervoor geen beletsel hoeft te zijn, bewijst de succesvolle aanpak van innovatie door aan de overheid gerelateerde ontwikkelingsorganisaties als DARPA in de Verenigde Staten[2].

[1] Zie een publicatie van Anne Marie Knott In Harvard Business Review 2014: https://hbr.org/2014/12/what-the-two-most-innovation-friendly-states-have-in-common?utm_campaign=Socialflow&utm_source=Socialflow&utm_medium=Tweet

[2] zie mijn blogpost ‘Geen kleinere maar een sterkere overheid’ van 23 oktober 2014.

Economieonderwijs vernieuwen of afschaffen?

Wereldwijd komen studenten in opstand tegen het eenzijdige neoliberale karakter van het economie-onderwijs[1]. Kritiek van studenten – en van medewerkers die niet bang hoeven te zijn voor hun baan – is niet nieuw [2] en is wetenschappelijk goed onderbouwd [3]. Het academische establishment reageerde tot nu toe overwegend honend en misprijzend. De totale afwezigheid van economen bij het duiden – laat staan voorspellen – van de economische crisis én hun geringe bijdrage aan het debat over armoede en milieuproblemen, lijken de tijd te hebben rijp gemaakt voor verandering.

Samenleving - Joris LuyendijkVoordat ik hierop inga, moet ik zeggen dat ik de afgelopen dagen Joris Luyendijks’ boek over de financiële crisis heb gelezen[4]. Ik kende de inhoud en zijn conclusies, maar lezing van de interviews met bankiers, bezorgde me toch wel kippenvel en dit leverde extra motivatie op bij het schrijven van deze blogpost. Ik kan me vinden in Luyendijk’s visie dat bankiers in meerderheid geen booswichten zijn. Het gaat me echter te ver om hun kortzichtige, amorele en op geld beluste houding alleen te herleiden op het systeem waarin ze werken.

Bankiers zijn bovengemiddeld intelligente personen, die vaak een dure economie- of MBA-opleiding achter de rug hebben. De autistische ‘quants’ laat ik maar even buiten beschouwing. Op hun opleiding hebben zij het neoliberale verhaal over de economie gehoord, ze zijn daar vertrouwd geraakt met het waardevrije (amorele) paradigma van het economisch denken en ze hebben er veel-verdienende rolmodellen ontmoet. Ze hebben geleerd om met het geld van de bank (lees: de burgers) zelf ook veel geld te kunnen verdienen. Zonder enige kritiek. Hun opleiding en degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn, treffen daarom evenzeer blaam.

Neo-liberale economie onderwijs
Neo-liberale economie onderwijs

Nog steeds drukt de neoliberale visie een dominant stempel op het universitaire economieonderwijs. Hier en daar klinken voorzichtig alternatieve geluiden door; vooral de evolutionaire school is populair. Het economie-onderwijs in het voortgezet onderwijs loopt daarbij ver achter. Het meest progressieve geluid in de economie-les zijn fragmenten uit de gedragseconomie zoals de behandeling van het prisoner’s dilemma. Toen ik laatst een leraar Organisatie en Management (het vroegere boekhouden) vroeg of hij ook vertelde hoe bedrijven de jaarrekening kunnen manipuleren, zei hij geïrriteerd dat hij slechts objectieve kennis overdroeg en niet aan politiek deed.

Op dit moment gaat er een breed gedragen oproep door het land om een petitie te tekenen voor revisie van het universitaire economie onderwijs. Wat mij betreft wordt deze terstond uitgebreid naar het voortgezet onderwijs. Ik heb deze oproep getekend, maar zou graag een stap verder gaan: Niet revisie maar opheffing van het economieonderwijs en vervanging daarvan door het vakgebied ‘Duurzame ontwikkeling’. Hierin komen samen elementen uit de psychologie, de (politieke) economie, de internationale betrekkingen, de geografie en de ecologie. Het gaat over welvaart, welzijn, innovatie, ondernemen en (over)leven nu en in in de toekomst. De focus is zowel lokaal, nationaal als wereldwijd. Pas als het monodisciplinaire economische gedachtengoed in een interdisciplinaire context wordt geplaatst, kan het waardevolle inzichten opleveren. De mogelijkheid daartoe moet nu worden benut.

Niettemin: teken de petitie: http://www.rethinkingeconomics.nl

Onderwijs - Rethinking economics screenshot

[1] Een toevallig voorbeeld uit de krant van dinsdag 19 mei 2015: http://www.theguardian.com/education/2013/nov/18/academics-back-student-protests-neoclassical-economics-teaching

[2] Enkele jaren geleden kwamen studenten uit Harvard in verzet tegen het gebruik van ‘poisoned books’, waaronder de veelgebruikte inleiding in de economie van Mankiw, die overigens ook in Harvard doceert, wat leidde tot een boycot van zijn colleges. http://www.businessinsider.com/harvard-students-plan-walk-out-of-greg-mankiws-class-to-show-solidarity-with-occupy-movement-2011-11?IR=T

[3] Dieter Plehwe , Bernhard Walpen and Gisela Neunhöffer: Neoliberal Hegemony: A Global Critique, Routledge, 2006

[4] Joris Luyendijk: Dit kan niet waar zijn. Atlas Contact Uitgeverij, 2015.

Universiteiten en bedrijven hebben baat bij leernetwerken

Een van de redenen dat wetenschappelijk onderwijs zijn doelstellingen niet realiseert is dat het er onvoldoende in slaagt de kloof tussen theorie en praktijk te overbruggen. In mijn blogposts van de afgelopen weken heb ik uitgelegd waarom dit alleen mogelijk is als initiële voltijdse studenten en volwassen werkende studenten een ander soort onderwijs krijgen. De eerste groep heeft nog weinig kennis van de praktijk, maar wil deze tijdens de opleiding verwerven om zich beter op een toekomstig beroep te kunnen voorbereiden. De tweede groep heeft uitgebreide kennis van de praktijk, maar het onderwijs doet er te weinig aan om nieuw te verwerven theoretische inzichten daaraan te relateren.

Leernetwerk voor levenswetenschappen
Leernetwerk voor levenswetenschappen

Het probleem ligt dieper dan de keuze van onderwijsarrangementen alleen. De meeste docenten hebben weinig kennis van en affiniteit met de praktijk. Onderwijsarrangementen die de praktijk naar de onderwijsinstelling brengen en omgekeerd kunnen daarom alleen worden ontwikkeld als bedrijven en instellingen daarbij worden betrokken.

Overigens geldt de noodzaak van meer samenwerking tussen universiteiten en het maatschappelijke veld ook op het gebied van onderzoek. Samenwerkingsonderzoek is een belangrijke ‘driver’ voor innovatie, maar komt zeker in faculteiten die op dit gebied geen traditie hebben, moeilijk van de grond (Van den Bosch, 2013).

Leren vereist netwerken.
Leren vereist netwerken.

Er is dus alle reden om de samenwerking tussen bedrijven en andere organisaties en onderwijsinstellingen vanuit een meer holistisch perspectief te bekijken. Dit is het perspectief van zich ontwikkelende regionale clusters, kenniscentra, campussen, lerende regio’s of hoe ze ook mogen heten. Bedrijven en instellingen, universiteiten en hogescholen én overheden – de triple helix – hebben daar een complementair belang bij.

Bedrijven en instellingen hebben op grote schaal bedrijfsacademies of andere scholingsafdelingen opgezet omdat het opleidingsaanbod van de bestaande onderwijsvoorzieningen niet aan hun verwachtingen beantwoordde. Overigens vaak zonder een uitgesproken visie op de vraag hoe de scholingsbehoefte van de eigen medewerkers vorm moet krijgen. Deze academies vervielen daarom vaak in de aankoop van cursussen bij gevestigde aanbieders. Hierdoor werd de kans om theorie en praktijk dichter bijeen te brengen opnieuw niet benut. De effectiviteit van bedrijfsopleidingen hangt af van hun afstand tot de praktijk en de plaats die ze inruimen voor informeel leren. Bedrijven en andere organisaties hebben behoefte aan korte én langere programma’s met een sterke praktijkcomponent en zouden erbij gebaat zijn als deze stapelbaar zijn ze ook tot diplomering kunnen leiden. Samenwerking met universiteiten en hogescholen is hierbij noodzakelijk.

LeernetwerkenUniversiteiten moeten voor volledige realisering van hun doelstellingen initiële studenten kennis laten maken met hoe het er in bedrijven en andere organisaties aan toe gaat. Lezingen verzorgd door medewerkers van deze organisaties en bedrijfsbezoeken helpen, stages ook, maar het doen van onderzoek binnen bedrijven en organisaties en in dat verband de ogen en oren leren gebruiken is verreweg het effectiefste. Volwassen werkende studenten leren ook veel van (onderzoek)projecten. Zij kennen de praktijk weliswaar van haver tot gort maar zij moeten leren hoe ze hun praktijkkennis kunnen verdiepen met wetenschappelijke inzichten.

Bedrijven en organisaties enerzijds én universiteiten anderzijds hebben elkaar nodig bij de realisering van hun scholingsbehoeften en opleidingsdoelen. Een vergelijkbare afhankelijkheid is er ook op het gebied van onderzoek. Universitaire opleiders zullen hun werk deels binnen de muren van bedrijven en instellingen doen en professionele scholingsmedewerkers vanuit bedrijven en andere organisaties raken betrokken bij de opleiding van studenten. De totstandkoming van deze samenwerking vereist arrangementen waaraan lokale of regionale kennisinstellingen en een aantal bedrijven en andere organisaties participeren en ook de overheid meedoet. Het is een aantrekkelijke gedachte om te bezien ‘regionale kenniscentra’ (overigens slechts licht geïnstitutionaliseerd) zowel voor opleidings- als onderzoeksdoelen gerealiseerd kunnen worden. Dit ligt voor de hand omdat de samenwerking op onderwijsgebied in belangrijke mate gestalte krijgt in de vorm van leeronderzoek.

In de komende weken ga ik dieper in op de manier waarop samenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen en de overheid vorm kan krijgen.

Van den Bosch, H.M.J. (2013). Universiteit en bedrijfsleven: Een moeizame relatie. In R. Kok, H. Lekkerkerk & P. Vermeulen (Eds.), Versterking van innovatie. Liber Amicorum, voor Ben Dankbaar (pp. 201 – 216). Amsterdam: Boom / Lemma.

Kwaliteitszorg hoger onderwijs moet doorstart maken

In mijn vorige blogposts stelde ik dat het wetenschappelijk onderwijs zijn doelen maar ten dele waarmaakt. Voor de VS haalde ik een tweetal toonaangevende publicaties aan; voor Nederland memoreerde ik mijn eigen ervaringen als lid van een tiental visitatiecommissie.

Station_Maastricht_tegels_visitatieIk heb mezelf tijdens en na het schrijven van deze posts herhaaldelijk afgevraagd of ik als lid van visitatiecommissies tekortgeschoten ben. Ik heb immers tijdens visitaties zelden de noodzaak gevoeld om tegen het overwegend positieve oordeel van mijn collega-leden in te gaan.

Hierover nadenkend. herinnerde ik me een voorzitter die een opleiding ‘up to par’ noemde, waar anderen over voldoende spreken. ‘Up to par’ komt uit de golfwereld en betekent ruwweg dat je score overeenkomt met het gemiddelde. Het oordeel ‘voldoende’ is dus relatief en komt overeen wat een commissie gangbaar vindt.

visitatieHet relatieve karakter van de beoordeling is inherent aan het system van ‘peer review’. Medewerkers van gevisiteerde opleidingen en leden van visitatiecommissies behoren tot dezelfde ‘community’ en zitten geregeld aan beide kanten van de tafel. Ze hebben een overeenkomstig beeld van wat redelijkerwijs verwacht mag worden van een opleiding. De overheersende visie is dat de Dublin descriptoren 1 en 2 (kennis en toepassing) belangrijker zijn dan de nummers 3, 4 en 5 (oordeelsvorming, communicatieve vaardigheid en leervermogen). Visitatiecommissies vragen daarom zelden door over de realisering van de laatste drie.

In de blogposts van de afgelopen weken heb een poging gedaan om meer in absolute zin te beoordelen of het hoger onderwijs zijn eigen doelen waarmaakt. Dit oordeel was kritisch.

Ik heb me vaak afgevraagd wat de invloed van 25 jaar visiteren en accrediteren is op de kwaliteit van het wetenschappelijk onderwijs. Ik kom niet verder dan beperkt. Wel is de kwaliteitszorg vergaand geïnstitutionaliseerd. Cursussen worden geëvalueerd en er worden jaarlijks opleidings- en toetsingsplannen gemaakt. Ook is er een groot aantal commissies actief, die veel vergaderen.

kritische universiteitEen aantal medewerkers en studenten geeft de laatste tijd uiting aan hun kritiek op de eenzijdigheid van rendementsdenken. De betrokkenen wijzen er terecht op dat het rendementsdenken heeft geleid tot een veel normen, procedures, verslaglegging en momenten van verantwoording. Deze stimuleren calculerend gedrag van studenten en maar ze dragen nauwelijks bij aan de vormende waarde van de studie. De kritiek op het rendementsdenken kan makkelijk worden uitgebreid tot het geïnstitutionaliseerde kwaliteitsdenken. in het algemeen.

Afschaffen van opleidingsvisitaties en de kwaliteitszorg ophangen aan een instellingsaccreditatie biedt géén soelaas. Bij instellingsaccreditaties staat de vraag centraal of een college van bestuur ‘in control’ is. Om dit bevestigend te kunnen beantwoorden zullen colleges de planning- en control cyclus intensiveren, alle faculteiten aan vergelijkbare procedures onderwerpen en instellingsbrede prestatienormen opleggen. In plaats van een keer in de zes jaar, zullen faculteiten en opleidingen jaarlijks een zelfonderzoek moeten verrichten en vooral heel veel gegevens moeten verzamelen.

Een alternatief? Stop met instellingsaccreditaties en laat opleidingen zelf bepalen wat kwalitatief goed onderwijs is. Verplicht ze om één keer in de drie jaar hun onderwijs grondig laten doorlichten door een externe commissie, die niet alleen bestaat uit ‘peers’. Deze commissie rapporteert door middel van een openbaar rapport. Daarnaast is er een onderwijsinspectie die optreedt bij eventuele uitwassen.

We moeten terug naar de het gesprek vorm en inhoud van het onderwijs en ophouden met het overwegend procedureel discours daarover.

Hoe kan wetenschappelijk onderwijs zijn doelstellingen wél realiseren?

Realisering van de doelstellingen van het wo – zo stelde ik in een vorige blogpost – vereist onderwijs op maat voor volwassen ervaren deeltijdstudenten en voor initiële dagstudenten. Ik illustreer deze zienswijze hieronder aan de hand van drie Dublin descriptoren: kennis, toepassing en oordeelsvorming.

Kennis en toepassing

De slechtste manier om leren bij volwassenen te ondersteunen
De slechtste manier om leren bij volwassenen te ondersteunen

Verwerven van wetenschappelijke kennis door volwassen studenten dient nauw aan te sluiten bij hun ervaringskennis (Knowles, 1990). De realisering van de eerste en de tweede Dublin descriptor moet daarom in nauwe samenhang plaatsvinden. Een voorbeeld daarvan is verdiepen van aanwezige kennis van een praktijkprobleem met theoretische begrippen. Dit kan gebeuren aan de hand van realistische cases of met probleemgestuurd onderwijs. Alleen zo wordt voorkomen dat zich een theoretisch cognitief systeem ontwikkelt naast en grotendeels los van de reeds aanwezige praktijkkennis.

Maar ook voor initiële dagstudenten is de relatie tussen theorie en praktijk van essentieel belang. Zij klagen er vaak over dat hun opleiding te theoretisch is. Anders dan bij volwassen ervaren studenten, moet de opleiding voor deze groep de praktijkvoorbeelden zelf aandragen.

Oordeelsvorming (inclusief kritisch denken en probleemoplossing)

De derde Dublin descriptor vereist een heel andere aanpak. Oordeelsvorming betreft de analyse van een complex vraagstuk, waarbij het niet op voorhand duidelijk is, welke kennis een rol speelt. Ook is vaak aanvullende dataverzameling nodig.

Projectgroep Universiteit Aalborg
Projectgroep Universiteit Aalborg

Volwassen ervaren studenten kennen dit soort problemen maar al te goed en ze lossen ze op met behulp van hun praktijkkennis. Het onderwijs moet aansluiten bij deze problemen en vervolgens laten zien dat het gebruik van wetenschappelijke inzichten en methoden leidt tot een dieper inzicht, een meer gefundeerd oordeel en een betere oplossing. Hierbij speelt een ervaren ‘coach’ een belangrijke rol. Deze kent de praktijk, is in staat is studenten te helpen bij het selecteren en toepassen van wetenschappelijke begrippen en ondersteunt hen het doen van onderzoek. Helaas geen alledaags profiel op een doorsnee-universiteit.

Ook voor initiële studenten zijn projecten, die gekoppeld zijn aan praktijkproblemen, wenselijk. Deze projecten verlopen via een iteratief proces. Verdiepen van kennis van de praktijk – bijvoorbeeld door observaties en interviews – en opzoeken van relevante theoretische inzichten, wisselen elkaar af. In de Universiteit van Aalborg (Denemarken) voeren studenten elk semester zo’n project uit. Deze universiteit heeft wereldwijd een voorbeeldfunctie voor menige instellingen voor hoger onderwijs (Kjearsdam & Enemark, 1994).

Leersituatie

Naast ervaring speelt de leersituatie eveneens een belangrijk rol bij de inrichting van onderwijs voor initiële en volwassen studenten.

Availability onlineVoor initiële studenten is de studie een essentieel onderdeel van hun leven. Voor de meesten gaat dit samen met zelfstandig wonen in een universiteitsplaats en deelnemen aan het leven op de campus. Voor werkende studenten moet de studie zich voegen naar het werk en het privéleven. Leven op een campus en contactonderwijs zijn dan ook niet aan de orde. Een combinatie van afstands- en contactonderwijs (blended learning) heeft de voorkeur. Projecten kunnen in de werksituatie worden uitgevoerd. Initiële studenten zijn het meest gebaat bij projectruimten in de campus, van waaruit ze geregeld bedrijven en organisaties bezoeken.

Praktijkopleiding

Het blijft een illusie om te denken dat projecten alleen voldoende zijn om initiële studenten te laten beschikken over voldoende praktijkkennis. Er dringt zich hier een parallel op met de universitaire lerarenopleidingen. Een aantal decennia geleden werd er nog tamelijk lichtzinnig gedacht over de voorbereiding tot het vak van leraar. Nu weten we dat één jaar extra studie, eventueel verdeeld over bachelor en master, minimaal noodzakelijk is om voldoende startcompetentie te verwerven.

Ik pleit daarom voor een vergelijkbare onderwijsvoorziening voor een ieder die vanuit een universiteit in een bedrijf of instelling gaat werken. Uiteraard dient ook hier, naar analogie van de lerarenopleiding, de praktijkcomponent zeer zwaar te wegen.

Kjearsdam, Finn , & Enemark, Stig. (1994). The Aalborg experiment. Project innovation in University Education. Aalborg: Aalborg University Press.

Knowles, M.S. (1990). The adult learner. A neglected species. Houston TX: Gulf Publishing.