De miskende overheid

Het is handig als er een goed verhaal over je in omloop is. Waarheid is het punt niet, het gaat erom dat mensen erin geloven. Het is ook belangrijk dat je verhaal een held kent; diens grootheid straalt ook op jou af. Een van de hedendaagse verhalen (‘discoursen’) is dat van vrije markt en  ondernemerschap met Steve Jobs in de heldenrol: Dankzij hem en zijn ondernemende vrienden is de VS tot de innovatieve wereldtop gaan behoren. Dankbaar gebruikmakend van de diensten van welwillende ‘venture capitalists’. De overheid, in dit verhaal het sufferdje,  liep hen daarbij niet voor de voeten. Althans, zo wordt de Silicon Valley Story wel verteld.

Gelukkig betreden er soms mensen het toneel, die geliefde verhalen aan diggelen gooien: Een van deze storykillers is Mariana Mazzucato. Zij is hoogleraar in de economie aan de Universiteit van Sussex én aan de Open Universitity. Ook adviseert ze verschillende overheden, waaronder de Chinese. Haar meest bekende boek is ‘The Entrepreneurial State’ (2013), waaraan veel van wat hier staat is ontleend. Zij heeft dit boek gepresenteerd in een wervelende TED-presentatie.  Je treft deze hieronder aan(1).

Terug naar het succesverhaal van Steve Jobs. Steve Jobs heeft goed begrepen wat Schumpeter bedoelde toen hij schreef dat innovaties vooral ‘Neue Kombinationen’ zijn: Beter goed gejat dan slecht bedacht. Neem de iPhone. Apple heeft geen enkele component van dit apparaat zelf ontwikkeld. Alle onderdelen, het Internet in de eerste plaats, zijn het resultaat van fundamenteel onderzoek……door of in opdracht van de Amerikaanse overheid. Dit geldt overigens ook voor de zoekalgoritme van Google en vele andere ‘general purpose’ technologieën. 

Dit doet natuurlijk niets af aan de prestatie van Steve Jobs. Het is echter onhoudbaar om te doen voorkomen dat het de slimheid van de uitvinders uit California en het geld van de ‘venture capitalists’ zijn, die van Silicon Valley gemaakt hebben wat het (nog) is. Om ‘Neue Kombinationen’ te kunnen maken heb je in de eerste plaats baanbrekende ideeën nodig en die moeten ergens vandaan komen.

Waar komen de componenten van de iPhone vandaan?
Waar komen de componenten van de iPhone vandaan?

Dat er in de VS zo veel baanbrekende ideeën zijn, komt in hoge mate door de rol van de federale overheid in het innovatiesysteem. Zij investeert al jaren meer dan 2,5% van het BNP in onderzoek. Dat geld wordt overwegend ‘mission oriented’ toebedeeld. Maar ze doet veel meer: Ze verschaft op grote schaal kapitaal aan veelbelovende projecten of bedrijven. Zelfs Apple heeft nog ooit een subsidie van 500.000 dollar gehad. Van alle investeringen in nog jonge projecten (‘early stage financing’) is acht maal zo veel kapitaal afkomstig van de overheid dan van ‘venture capitalists’. Van alle wezenlijk vernieuwende medicijnen is 75% met staatsgeld ontwikkeld.

De federale overheid in de VS is niet zo slim geweest om een deel van de winsten die gemaakt zijn met het verschafte kapitaal, terug te laten stromen. Was dat het geval, dat zou er van een staatsschuld geen sprake zijn. De desbetreffende bedrijven betalen zelfs nauwelijks belasting! Andere landen, zoals Brazilië, hebben dit beter bekeken. Hier heeft de Staats Ontwikkelingsmaatschappij onlangs 52 miljard dollar geïnvesteerd in clean-tech in ruil voor (winstgevende) aandelen. in Finland heeft SITRA een aanzienlijk deel van de investeringen in Nokia gedaan en daaraan in de goede tijd veel verdiend. De Duitse Staatsinvesteringsbank (WfW) heeft vorig jaar 3 miljard winst gemaakt op basis van deelnames aan innovatieve bedrijven. Overigens is vandaag bekend geworden dat we in Nederland een soortgelijke ‘bank’ krijgen.

Uiteraard is er meer nodig om te innoveren dan fundamentele ‘mission oriented’ research en investeringskapitaal. In nauwe samenhang hiermee moeten bedrijven zelf investeren in het tot ontwikkeling brengen van goede ideeën. Naast ‘Research’ is er ook ‘Development’ nodig. Daarom investeren Samsung en Nokia bijna 10% van hun omzet in onderzoek. Overigens is dat bij Apple maar  2 á 3%.

The Entrepreneurial State
The Entrepreneurial State

Mariana Mazzucato heeft het verhaal over innovatie opnieuw geschreven. Er zijn sterke bedrijven nodig, die bereid zijn op lange termijn te denken en er is een krachtige overheid nodig, die bereid is om prioriteiten te stellen, innovatiezwaartepunten te kiezen en te versterken. Dus geen generieke (belasting) maatregelen, waarvan ook niet-innovatieve bedrijven kunnen profiteren en ook niet méér lumpsum financiering van wetenschappelijk onderzoek. In plaats daarvan; lenen van kapitaal aan veelbelovende takken van bedrijvigheid en subsidiëren van onderzoeksinstituten, die deze bedrijvigheid ondersteunen. Het Amerikaanse Defense Advanced Research Projects Agency (DARPA) geldt als lichtend voorbeeld.

Het voorafgaande laat zien waarom we het in Nederland slechter doen dan we zouden kunnen. De overheid voert een hybride investeringsbeleid: Enkele miljarden voor gerichte steun aan topsectoren, zonder kaders te stellen en verder veel generieke steun in de vorm van belastingvermindering en investeringsaftrek en van onderzoeksmiddelen voor universiteiten. Het bedrag dat de overheid investeert is ook nog eens veel te laag. Te laag zijn ook de investeringen van bedrijven, enkele uitzonderingen daargelaten. Elk bijna 1% van het BNP.

Het nieuwe verhaal biedt toch nog uitzicht op een happy end: Er is een kans dat overheid en bedrijfsleven elkaar vinden in lange termijn programma’s gericht op de ontwikkeling van nanotechnologie en van groene technologie. Maar ook hier liggen andere landen, in het bijzonder de VS en China, jaren voor: Wederom dankzij de stuwende rol van de overheid.

1. Een gelijknamig rapport dat de voorloper is van het boek ‘The Entrepreneurial State’ kun je trouwens hier gratis downloaden: http://www.finnov-fp7.eu/sites/default/files/FINNOV_DP2.8.pdf

De terugkeer naar Victoriaanse tijden

Het World Economic Forum (WEF) noemt de oplopende sociale ongelijkheid in de westerse landen, gepaard aan toenemende inkomensverschillen, een van de vijf ontwikkelingen die de wereld het meest bedreigen[1].

De tabel hieronder illustreert dit fenomeen aan de hand van de GINI-index.[2] Overigens zijn Nederland en Duitsland een van de weinige uitzonderingen[3].

screenshot 3

Het is boeiend om de ontwikkeling van de inkomstenverdeling in een breder perspectief te plaatsen. Daarvoor leent zich de volgende tabel. Deze geeft een beeld van de veranderende inkomensverhoudingen wereldwijd in de periode 1988 – 2008. Er blijken twee groepen ‘losers’ te zijn: De armste bevolking op aarde, met name in Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara en de middengroepen in de westerse landen en daarbinnen nog eens extra degenen die jonger zijn dan 40. Bij de laatstgenoemde groep is de werkloosheid structureel hoger, zij hebben torenhoge studieschulden, komen lastig aan een eigen huis en als ze dat al hebben is de kans groot dat dit ‘onder water’ staat en zij betalen voor de pensioenen van de oudere generatie. De ‘winners’ daarentegen zijn de middengroepen in de opkomende landen en de meest verdienende 10% (in het bijzonder het meest verdienende percentiel) binnen de rijke landen.

screenshot 4

De meest verdienende 10% in de westerse landen heeft niet te klagen. In de VS is hun aandeel in het totale inkomen in 25 jaar toegenomen van 33% naar 50%. Deze groep bestaat vooral uit de hogere managementlagen van de Fortune 500 bedrijven, bankiers en advocaten. Het meest opzienbarende cijfer komt uit Het Verenigd Koninkrijk: Van de totale – overigens bescheiden – inkomensgroei in de periode 2008 – 2012 is 95% terechtgekomen bij de 1% topverdieners.

Al spreken de cijfers boekdelen, het achterliggende patroon en de gevolgen voor de toekomst zijn belangrijker. Kort door de bocht heeft de groep mensen die de financiële en economische crisis heeft veroorzaakt goed voor zichzelf gezorgd en doet dat nog steeds. De arbeidsmarktpositie van de middengroepen is drastisch verslechterd. Productiviteitsstijging heeft de banengroei beperkt en veel banen zijn verplaatst naar de ‘opkomende’ landen. Het aanbod van arbeid is wereldwijd overvloedig en dit drukt de lonen[4]. Tweeverdieners is pure noodzaak. De arbeid zelf wordt gekenmerkt door toenemende automatisering en versimpeling, althans voor de meeste werknemers. Daarnaast beschikt het management over een groot arsenaal fysieke, elektronische en  psychologische  middelen tot control.

De ‘winners’ in de opkomende landen moeten overigens oppassen dat hen niet hetzelfde overkomt: Wereldwijd verplaatsen grote ondernemingen (ook Chinese) nu al de productie naar goedkopere landen (Noord Korea, Eritrea, Madagaskar!) of robots vervangen arbeiders (innovatie zij geprezen).

Wereldwijd is de ontwikkeling van de arbeid gekenmerkt door aanzienlijke schaalvergroting, die in de VS de hele traditionele middenstand heeft weggevaagd. Iets soortgelijks gebeurt ook in andere rijke landen en gaat in de opkomende landen gebeuren. De werkgelegenheid staat hierdoor onder druk, terwijl alleen al om het huidige niveau van werkgelegenheid te handhaven wereldwijd 600 miljoen nieuwe banen nodig zijn voor 2030. Waar die vandaan moeten komen is een raadsel.

De laatste tabel, de ontwikkeling van de topinkomens gedurende de laatste 100 jaar, plaatst het bovenstaande in een nog breder perspectief. Deze tabel laat zien dat het aandeel van de topinkomens in de periode 1945 – 1990 relatief laag was. We zien het aandeel thans weer groeien in de richting van het niveau van de Victoriaanse tijd, het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw. Ook de hiervoor geschetste globalisering van de economie toont veel overeenkomsten met het kolonialisme van toen. Er zijn ook parallellen op het sociale vlak; zelfvoldaanheid, intolerantie, egoïsme, alle resulterend in verdamping van sociaal kapitaal. Het is niet verbazingwekkend dat het WEF deze ontwikkeling als uitermate bedreigend ziet

screenshot 5

Een prominent kenmerk van de Victoriaanse tijden is nog niet genoemd: de opkomst van het socialisme en het communisme, waarvoor de asociale verhoudingen uit die tijd een goede voedingsbodem waren. Persoonlijk zit ik niet te wachten op een herhaling van wat dit teweeg heeft gebracht, althans niet in zijn autoritaire en bloedige vorm. Maar het moge wél duidelijk zijn dat –  eufemistisch gesproken – een trendbreuk noodzakelijk is.  Het gaat daarbij niet in de eerste plaats om een ombuiging van de inkomensverdeling; deze is een symptoom en geen oorzaak. Nodig is bovenal ingrijpende sociale innovatie: arbeid moet worden teruggegeven aan de mensheid. Mensen moeten weer nuttige dingen kunnen maken en daar zelf verantwoordelijkheid voor krijgen. Om dat mogelijk te maken is een economie nodig die is gericht op menselijke ontplooiing in plaats van op zelfverrijking van het topmanagement.


[1] De andere vier zijn: de opwarming van de aarde, de problematiek van de wereldwijd veranderende leeftijdsopbouw, het toenemende watertekort (mede als constraint voor de voedselproductie) en de bekostiging van de collectieve lasten, waartoe ook de grootschalige belastingvermijding door bedrijven wordt gerekend) Bron: Rapport Global Compatitiveness Index 2013.

[2] Stijging van de index-cijfers wijst op toenemende ongelijkheid.

[3] De drie tabellen zijn afkomstig uit de Financial Times van 24 december 2013.

[4] President Barack Obama verklaarde onlangs: “As good manufacturing jobs automated or headed offshore, workers lost their leverage, and jobs paid less … The top 10 per cent no longer takes one-third of our income – it now takes half. Whereas in the past, the average chief executive made about 20 to 30 times the income of the average workers, today’s CEO makes 273 times more” 

Ondernemerschap 2.0

Leest als een roman….
Leest als een roman….

Ik heb weer het boek “Op zoek naar het DNA van de Brabantse topondernemer” van Ger Post[1] voor me liggen. Deze week als aanleiding voor wat gedachten over ondernemerschap[2].

Een ondernemer is volgens Ger Post iemand die:

  • vanuit persoonlijke motivatie en kunde
  • richting, vorm en inhoud geeft aan (nieuwe) bedrijvigheid
  • en daarmee (potentiële) waarde creëert voor zichzelf, zijn organisatie en zijn omgeving.

Een prima omschrijving, althans dat vind ik. Vooral ook omdat zij een aantal aspecten uitsluit, namelijk of het al dan niet gaat om een ‘zelfstandige’, een ‘corporate entrepreneur’, een franchisenemer of een intrapreneur (p. 25).

Ik was overigens wél verbaasd dat het boek bij het zoeken naar de potentiële Brabantse topondernemers als eerste criterium ondernemen “voor eigen rekening en risico” hanteert. Dat laat de genoemde definitie juist nadrukkelijk buiten beschouwing. Maar daar gaat het nu niet over.

De voornoemde definitie benadrukt het feit dat een ondernemer iets tot stand brengt; nieuwe muziek (Tijs Michiel Verwest, alias Tiësto), een theater (Giel Pastoor) of een winkelformule (Frits van Eerd), maar ook iets in stand houdt, bijvoorbeeld een groot bedrijf in crisistijd (Wim van der Leegte). Daar  tegenover staat de benadering die de heroïek van het ondernemerschap benadrukt: je eigen zaak, waarin je je spaargeld investeert en waarvoor je 24/7 in touw bent.

De eerste benadering is vooral van belang omdat – de groei van het aantal ZZP’ers ten spijt – verreweg de meesten van ons géén nieuw bedrijf zullen vestigen. Met de definitie van Ger Post kunnen we toch allemaal ondernemer zijn. Zover is het bij lange na nog niet. Dit brengt mij tot drie opmerkingen

Iedereen ondernemer; en het management dan?

Bestaande bedrijven en andere organisaties maken voorzichtige stappen naar ‘work place innovation’ met de bedoeling personen in loondienst meer ruimte te geven om te ‘ondernemen’.  Soms denk ik dat ‘het nieuwe werken’, waarvan meer autonomie een onderdeel is, een nieuwe “management fad’ is en alleen dient om de productiviteit te verhogen. Want meer ondernemerschap aan de onderkant van een bedrijf heeft vergaande gevolgen voor het management aan de top. Daar hoor je weinig over bij de adepten van ‘performance management’. Het is waarschijnlijk dat bedrijven waar werknemers werkelijk ruimte voor ondernemerschap krijgen zullen evolueren in de richting van coöperatieve organisatievormen.

Waarde ‘heroverwogen’; niet om geld alleen

Ondernemers creëren zoals de definitie terecht opmerkt waarde. Voor sommigen is dat geld maar voor velen is dat een goed product. Waarde is sterk cultuurbepaald en het is te hopen dat met de ontwikkeling van ondernemerschap ook de opvattingen over waarde evolueren. Het is bemoedigend om te zien hoe Hans Duisters (Sioux) “waarden en normen” centraal stelt en wil gaan voor “duurzame oplossingen”.  “People, Profit & Planet” oftewel de ‘triple bottomline” zouden in het DNA van toekomstige ondernemers onverbrekelijk moeten vergroeien. Niemand zit te wachten op nog meer zakkenvullers.

Opleidingen moeten kantelen

‘Hogere’ managementopleidingen (MBA) zijn nog sterk geënt op het beeld van middelgrote en grote ondernemingen en zij besteden onevenredig veel aandacht aan ‘strategy’ en ‘leadership’ met als gevolg dat veel studenten zich vooral als een toekomstige CEO zien, gemodelleerd door het beeld van nu. Veel hogescholen gaan gelukkig al een andere kant op; zij verzorgen ‘minors’ in ondernemerschap, terecht als onderdeel van een opleiding in de techniek, logistiek, verpleging of muziek. Ik zie management als vak nog niet verdwijnen, maar het zal steeds meer faciliterend zijn en op MBA’s zouden studenten vooral moeten leren hoe ze ervoor kunnen zorgen dat in ‘hun’ bedrijven ondernemerschap kans krijgt om te ontluiken.

Ik zou graag zien dat in een volgende editie van ‘Brabantse topondernemers’ iemand genomineerd kan worden die binnen Fontys, Avans of in een van beide universiteiten het bedrijfskundeonderwijs wezenlijk in deze richting heeft helpen veranderen. Ger, iets voor jou?


[1] Uitgave Fontys Hogescholen in samenwerking met Brabants-Zeeuwse Werkgeversvereniging, Eindhoven 2013 ISBN 978-946226-012-2

[2] In mijn vorige post ‘Hoe kwantitatief onderzoek kwaliteit verhult’ uitte ik kritiek op één onderdeel van het boek, namelijk de vergelijking tussen de competenties van ervaren en startende ondernemers.

Hoe kwantitatief onderzoek kwaliteit verhult….

Voor mij ligt een prachtig boek: Op zoek naar het DNA van de Brabantse topondernemer[1] van Ger Post.  De kern – en tevens het sterkste deel van het boek – zijn de portretten van 25 ondernemers waarop Brabant trots mag zijn.  Er valt veel over dit boek te zeggen. In de eerste plaats; lees het! Raadpleeg dan wel de onderstaande bijsluiter[2].

Scores op competentieschalen van ervaren en onervaren ondernemers
Scores op competentieschalen van ervaren (blauw) en startende (rood) ondernemers

Ik geneer me als wetenschapper voor een onbedoelde consequentie van dit boek. Dat is de vergelijking tussen de geportretteerde ondernemers met startende ondernemers. De auteur heeft – als lector business entrepreneurship – terecht gezocht naar een wetenschappelijk kader voor de gesprekken met ondernemers. Daarvoor heeft hij aan alle geïnterviewde ondernemers gevraagd de E-scan van Driessen en Zwart in te vullen, en wel dezelfde versie die ook voor startende ondernemers wordt gebruikt. Invullen van deze scan resulteert in een score op tien voor ondernemerschap relevante competenties. Uit het nevenstaande overzicht blijkt dat de scores elkaar niet veel ontlopen.

De auteur had de vergelijking tussen ervaren en startende ondernemers beter niet kunnen maken. Zij is methodologisch onjuist. Je mag personen die zichzelf beoordelen alleen met elkaar vergelijken, als je weet dat zij ongeveer hetzelfde referentiekader hebben. Dat weet je overigens zelden en daarom is het gebruik van schalen, ook al zijn ze gevalideerd, tricky.

Als je aan een ervaren en aan een startende ondernemer vraagt hoe zij in risicovolle situaties handelen dan weet je zeker dat ze die situaties geheel verschillend beoordelen. Dat geldt ook bij elk van de andere competenties. Vergelijk het maar met het stellen van de vraag of er een Elfstedentocht gehouden kan worden aan een overenthousiaste jonge schaatser of aan een Friese ijsmeester.

Ik heb in verschillende fasen van mijn leven deelgenomen aan competentietests. Ik merkte dat ik ernaar tendeerde mezelf steeds lager in te schalen. Met ervaring neemt het aantal nuances binnen je referentiekader toe. Ervaring leidt ook tot het besef dat competenties vaak polair van aard zijn: tegenover risicobereidheid staat verantwoordelijkheid, tegenover flexibiliteit staat vasthoudendheid. Hoe meer je je van dergelijke spanningsvelden bewust wordt, hoe meer je neigt naar het midden. Tenminste, als je generieke antwoorden moet geven. In concrete gevallen waarvan je de context kent, tendeer je vaker naar een van de polen: Je kent de omstandigheden die het verschil maken tussen aanvaardbaar risico en roekeloos handelen.

Competent gedrag is met andere woorden context-specifiek. Hoe ervarener je als ondernemer bent, hoe beter je de context kunt ‘lezen’ en hoe groter de kans is dat je een goede keuze maakt. En dat gaat nog vaak genoeg fout. Ook geluk speelt een belangrijke rol.

Met mijn commentaar wil ik vooral wijzen op de grenzen van het gebruik van kwantitatieve methoden bij onderzoek als dit. De rijkdom van 25 ondernemerslevens wordt samengeperst in tien of zelfs één samengestelde score.

Ik zou hebben gekozen voor een kwalitatieve analyse van de interviews. Ik had dan uit elk gesprek een aantal kritieke succes- en faalfactoren gehaald en – indien mogelijk – daarbij ook de context vermeld[3]. Vervolgens had ik deze factoren gegroepeerd en bekeken of zij paarsgewijs polen zijn van één dimensie. Om dit mogelijk te maken is informatie over de context van belang: In de ene situatie is een acquisitie een aanvaardbaar risico; in de andere een onverantwoorde daad. Tenslotte had ik gekeken naar overeenkomsten en verschillen tussen ondernemers. Ik hoopte dan dat ik bij vergelijkbare context meer overeenkomsten dan verschillen zou vinden. Hiermee had ik een profielschets van de ervaren ondernemer kunnen maken.

De betrokken ondernemers
De betrokken ondernemers

Kwantitatief onderzoek lijkt nog steeds een hoger aanzien te hebben dan kwalitatief onderzoek. Het wordt daarom te pas en te onpas gebruikt. In dit geval levert het geen inzicht in de levensgrote verschillen tussen startende en ervaren ondernemers.


[1] Uitgave Fontys Hogescholen in samenwerking met Brabants-Zeeuwse Werkgeversvereniging, Eindhoven 2013 ISBN 978-946226-012-2

[2] In een volgende post reflecteer ik op het begrip ondernemerschap, mede naar aanleiding van dit boek

[3] Een analyse zoals hier beschreven wordt in de praktijk uitgevoerd door enkele onafhankelijke beoordelaars, die achteraf hun resultaten vergelijken en bespreken.

Hoe gaan we in de toekomst onze boterham verdienen?

Leest als een roman….
Leest als een roman….

Het net verschenen rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) “Naar een lerende economie” is een absolute aanrader. Je kunt dit ruim 400 pagina’s tellende rapport het beste van kaft tot kaft lezen, want de inhoud is een samenhangend geheel. Geen probleem, want het rapport is een toonbeeld van leesbaarheid. Complementen. Desondanks is het boekwerk grondig gedocumenteerd. Vrijwel alle literatuur die ertoe doet, is gelezen. De literatuurlijst telt 36 pagina’s en er zijn 800 (!) personen geïnterviewd[1].

Het rapport is een bron van inspiratie voor een blogger. Ik zal er de komende maanden herhaaldelijk naar verwijzen. Eigenlijk maait de WRR veel gras voor mijn voeten weg. Mijn vorige post “Stop de innovatiegekte” was een pleidooi om innovatie te zien als een antwoord op maatschappelijke uitdagingen[2]. Ik had het WRR-rapport toen nog niet gelezen. Ik zie deze visie terug in het WRR-rapport (p. 343). Het rapport rekent bovendien af met de hardnekkige misvatting van een lineair verband tussen wetenschap en innovatie. Ook dat is een stokpaardje dat ik graag berijd.

Het rapport plaatst verdienvermogen, innovatie, kennis en leren in een krachtige samenhang. Ik vat deze samenhang in vijf punten samen.

1. Verdienvermogen is meer dan innovatie

Het WRR-rapport geeft een antwoord op de vraag hoe we ons verdienvermogen kunnen vergroten. Doen we dat niet, dan neemt de productiviteit af en daalt ons inkomen. De WRR pleit voor een weerbare, adaptieve en proactieve opstelling  tegenover de veranderingen die zich in de wereldeconomie voltrekken. Het rapport spreekt in dit verband over een toenemende responsiviteit (blz. 123). Deze krijgt vorm in een ‘lerende economie’. Hier is nog een wereld te winnen voor wetenschap, onderwijs en  arbeidsorganisaties (p. 257). De WRR stelt dus NIET dat onze toekomstige welvaart in de eerste plaats afhangt van innovatie (p. 119 e.v.). Innovatie speelt ontegenzeglijk een rol, maar het is ook mogelijk dat kennis die we nu al hebben een aanzienlijke bijdrage levert aan ons inkomen. Denk bijvoorbeeld aan de export van kennis op het gebied van weterbeheersing, melkproductie of stedenbouw.

2. Innovatie is niet in de eerste plaats gebaseerd op onderzoek of R&D

Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek heeft in het verleden een belangrijke rol gespeeld bij innovatie. Een goed voorbeeld is het Amerikaanse Manhattanproject, dat de basis legde voor de atoombom en daarna voor tal van andere innovaties met een civiele toepassing (ruimtevaart, computer, internet). Voor een deel van de innovaties, bijvoorbeeld de ontwikkeling van bio-based materialen, is dat nog steeds het geval.

In een aanzienlijk deel van de innovaties van de afgelopen 30 jaar, speelt wetenschappelijk onderzoek aan universiteiten of in bedrijven een ondergeschikte rol (201 e.v.). Veel innovaties zijn gebaseerd op slim gebruiken en combineren van bestaande kennis, waaraan overigens nog heel wat inzicht en handigheid te pas komen. Bij innovaties in de dienstensector gaat het om nieuwe verdienconcepten en marketingformules. Bovendien, sociale innovatie heeft een grotere impact dan technische innovatie (p. 304). Van enig relativeren van het belang van R&D is in het gangbare topsectorenbeleid weinig te merken (blz. 221) en evenmin in de opstelling van de universiteiten.

3. Veel bestaande kennis blijft onbenut

Het rapport betreurt de groeiende eenvormigheid van de universiteiten, die alle het ideaal van de researchuniversiteit najagen. We beschikken inmiddels over een grote hoeveelheid resultaten van recent onderzoek waar (nog) niemand iets mee doet (p. 244). Een onderwijsuniversiteit die zich  toelegt op groeperen en ontsluiten van bestaande kennis wordt node gemist, met name door volwassenen (p. 295). Nederlandse universiteiten zouden aan deze doelgroep toch al veel meer aandacht moeten besteden. Met zo veel woorden geeft het rapport aan van de Open Universiteit op dit punt weinig te verwachten (p. 309).

4. Geen valorisatie maar kenniscirculatie

De samenleving zit niet te wachten op kennisvalorisatie zoals universiteiten die voorstaan, namelijk verspreiden van resultaten van hun onderzoek (p. 245). De WRR ziet meer in kenniscirculatie. Hierbij gaat het om het organiseren van betrokkenheid van externe stakeholders in alle fasen van het onderzoek. Mede daardoor kan onderzoek van de grond komen naar vraagstukken waarmee de samenleving worstelt (p. 232). Dit geldt voor alle vormen van praktijkgericht onderzoek en deels ook voor fundamenteel onderzoek. Het rapport geeft tal van voorbeelden hoe universiteiten zich lokaal, regionaal of sectoraal aan partners kunnen binden

5. Kenniscirculatie betreft veel meer dan wetenschappelijke kennis

Een lerende economie begint met beter opgeleide kleuterleidsters en leraren in het basis-, secundair  en hoger onderwijs (p. 273 e.v.). Zij is gebaat bij secundair onderwijs dat algemeen vormend én praktisch is (p. 283). Nodig is een breed scala van bachelors dat studenten voorbereidt op hun eerste beroep. Voorts selectieve en langere masters voor degenen die echt een wetenschappelijke of ‘hogere’ beroepsopleiding willen (p. 288). Verder ruimt het rapport een belangrijke plaats in voor ‘werkend leren’ en ‘lerend werken’ in bedrijven en organisaties (p. 301 e.v.).

Dus

Een ‘lerende economie’ moet leiden tot vergroting van ons verdienvermogen. Dit maakt ons responsiever voor wat in de veranderende wereld op ons afkomt. Responsiviteit kan resulteren in innovatie en innovatie kan een beroep doen op de grenzen van onze kennis, maar veel vaker op gezond verstand, creativiteit en ondernemerschap.

Stop de innovatiegekte

Om nog lang en gelukkig op deze planeet te kunnen leven is innovatie vereist. Toch – of beter daarom – zeg ik “Stop de innovatie-gekte”. De term innovatie is uitgehold; veel zogenaamde innovaties zijn veranderingen  – soms verbeteringen – aan producten of diensten of zij zijn  bedacht door de verkoopafdeling. ‘Echte’ innovaties, in de zin van wezenlijk vernieuwende én op de markt aanvaarde producten, diensten of verdienmodellen, zijn verreweg in de minderheid[1].

Ook overheden omarmen het begrip innovatie. Grote sommen geld worden uitgetrokken om de concurrentiekracht van de economie te verbeteren. De wereld heet een kenniseconomie en aanzienlijke investeringen in R&D zijn nodig om een voortrekkersrol te spelen, althans zo wordt beweerd. Maar waarom?

Hebben we aan hun toekomst gedacht?
Hebben we aan hun toekomst gedacht?

De vraag die onbeantwoord blijft, is welke problemen innovatie oplost. In het verleden hebben mechanisering en automatisering geleid tot grote stijging van de productiviteit en daarmee van inkomen en welvaart. Maar ook – tot op de dag van vandaag – tot mensonterende arbeidssituaties in zogeheten lage-lonen landen en tot een ongekende aanslag op onze natuurlijke omgeving. Hiervoor gaan toekomstige generaties de rekening krijgen. Geen onverdeeld succes, dus.

We kunnen beter stoppen met het gebruik van de term innovatie als panacee en ons afvragen welke problemen we de komende decennia moeten aanpakken. Dan kunnen we – waar nodig – werken aan de technische en sociale innovaties om deze problemen op te lossen. Dat zou écht innovatief beleid zijn[2].

Ik pleit ervoor dat innovatie wereldwijd is gericht op de volgende negen uitdagingen:

 1. Voedsel.
Innovatie no. 1: wereldwijd goedkope duurzame energie
Innovatie no. 1: wereldwijd goedkope duurzame energie

De capaciteit van de wereld om voedsel te produceren kan vele malen worden vergroot. Vereist zijn zoet water en hiervoor is energie nodig. De uitdaging waarvoor we staan is een enorme opschaling van de productie van goedkope duurzame energie. Er is op zich niet veel research voor nodig om dit doel te bereiken. Politieke wil des te meer.

2. Gezondheidszorg.

Basis voorwaarden zijn ook hier drinkwater, zorg en voeding. Een land als India boekt op het gebied van medische zorg vooruitgang door medicijnen en medische apparatuur te produceren tegen een fractie van de kosten hier. De uitdaging voor de rijke landen is om de kosten voor de gezondheidszorg drastisch te verminderen, ook door terugdringen van welvaartsziekten en de medicalisering van de zorg.

3. Grondstoffen.

Een van de grootse innovaties waarvoor nog veel onderzoek nodig is, is de vervanging van fossiele door duurzame grondstoffen als onderdeel van een biobased economy.  Ook van belang  hierbij is volledig hergebruik van materialen van fossiele oorsprong.

4. Vervoer
Vervoer kost behalve energie ook ruimte
Vervoer kost behalve energie ook ruimte

De beschikbaarheid van goedkope duurzame energie vergemakkelijkt transport en vervoer. Massaal gebruik van elektrische auto’s leidt echter tot onaanvaardbare belasting van de ruimte. Stromen van personen en goederen moeten dus deels ‘gepoold’  blijven, maar niet door de (spoorweg)infrastructuur uit de 19de eeuw te blijven moderniseren. Een uitdaging dus.

5. Ouder worden

Mensen worden ouder, blijven langer vitaal en ze zullen door voortgaande stijging van de productiviteit minder hoeven te werken. Maar werken blijft een onmisbaar middel tot ontplooiing. Dit betekent verdeling van de beschikbare arbeid en een aanzienlijk kortere werkweek en een aanzienlijk langer werkzaam leven.

6. Ontplooiing

De steeds hogere scholingsgraad en de behoefte aan zinvol en uitdagend werk maken ingrijpende veranderingen nodig in de arbeidsverhoudingen. De autonomie van werknemers zal toenemen; management krijgt een dienende functie en een daarbij passende beloning en een groot aantal personen zal werken in kleine eenheden prefereren. Bedrijven en andere organisaties zullen meer dan nu netwerken vormen.

7. Kwaliteit
Iets nieuws moet ook iets beters zijn
Iets nieuws moet ook iets beters zijn

Er valt nog een wereld te winnen aan verbetering van de kwaliteit van producten en diensten. Technische en andere innovaties kunnen ons leven ontegenzeglijk aangenamer maken. Ook productieprocessen kunnen aanzienlijk worden verbeterd. Bij het realiseren van deze uitdaging is veel aandacht nodig voor sociale en milieueffecten.

8. Samenleven

Mensen zullen meer van elkaar afhankelijk worden. Tegelijkertijd zal een betere verdeling van de welvaart tot minder migratie leiden. Globalisering en deelname van mensen in internationale netwerken betekenen ook dat staten de vrijheid van hun burgers minder kunnen inkapselen. Sociale vernieuwing moet leiden tot een duurzame balans tussen cohesie en diversiteit.

9. Overheid en markt

De markt belichaamt de vrijheid van mensen om te ondernemen; de overheid belichaamt de noodzaak om het vrije verkeer van geld, goederen en diensten waar nodig in goede banen te leiden. De uitdaging is om de grenzen van de markt aan te geven. Energie, water, collectief vervoer, gezondheidszorg én geld kunnen beter géén commerciële goederen of diensten zijn.

Overheden laten na om innovatiebeleid te formuleren aan de hand van deze of soortgelijke doelstellingen. Als zij dat deden, konden konden zij een gerichte stimulerende, coördinerende en waar nodig ondersteunende rol spelen. Nu is hun rol opportunistisch, ad-hoc en gericht op de korte termijn.

Een zinvol debat over het doel van innovatie vereist om te beginnen dat we ophouden met deze term te pas en te onpas te gebruiken.


[1] Een ‘uitvinding’ die niet succesvol is geïmplementeerd is volgens gangbare definities geen innovatie

[2] Ik vind dat het innovatiebeleid van de Europese Unie nog het dichtst bij deze benadering komt. De EU heeft 30 beleidsterreinen geformuleerd die samen zeven ‘societal challenges’, moeten realiseren, varierend van energie tot voedsel problemetief en van ouder worden tot sociale cohesie.

Universiteiten: leren van ‘lean’

Veel bedrijven streven naar ‘lean’: Volledige afstemming van het bedrijfsproces op de levering van een zo goed mogelijk product of dienst. Universiteiten kunnen hiervan nog wel wat leren. Ik bezoek in het kader van visitaties heel wat faculteiten en daarbij vallen steeds weer twee zaken op: De ingewikkelde organisatie en de versnippering van de taken van het personeel.

Wie is de baas?

Organogram matrixorganisatie
Organogram matrixorganisatie

Vraag een willekeurige universitaire docent wie de baas is. Sommigen – waarschijnlijk degenen met de meeste dienstjaren – halen hun schouders op, alsof het antwoord er iets toe doet. Anderen kunnen zo tien bazen noemen: de voorzitter van de leerstoelgroep, het hoofd van vakgroep of departement, de directeur beheer, de opleidingsdirecteuren, de directeur onderwijs, de directeur onderzoek, de voorzitter van de faculteitsraad en de decaan. Niet te vergeten de voorzitters van de opleidings- en de examencommissie. En dan is er ook nog het bestuursgebouw, de binnenstad, de bovenste verdieping of hoe het College van bestuur ook wordt genoemd.

In de jaren ’80 voerden veel faculteiten een matrixstructuur in. Organisatiekundigen waarschuwden toen al voor het complexe karakter daarvan. Inmiddels hebben we drie- of vierdimensionale matrixen nodig om het bestuur te visualiseren. Merkwaardig genoeg lijkt niemand veel last van te hebben van de ingewikkeldheid van het bestuur. Desgevraagd, antwoorden medewerkers steevast dat de lijnen kort zijn en dat geen van de managers ooit hard ingrijpt. Dat zou best waar kunnen zijn, gegeven doorzeurende problemen rond onderwijsevaluaties, klachten over werkdruk en lage rendementen.

De taken van de medewerkers

grote betrokkenheid medewerkers bij veelheid van zaken
grote betrokkenheid medewerkers bij veelheid van zaken

Vraag ook eens aan medewerkers op te schrijven wat ze allemaal doen. Daar zijn ze wel even mee bezig: lesgeven in drie tot vijf vakken in bachelor en master, ontwikkelen van nieuwe cursussen, bachelor- en masterscripties begeleiden, lidmaatschap van diverse commissies, begeleiden van promovendi, externe voorlichting geven, deelnemen aan docententrainingen, vergaderingen bijwonen en veel bilateraal overleg, overleggen met partijen in de regio, contacten onderhouden met buitenlandse universiteiten, de deur openzetten voor studenten en onderzoek doen. Medewerkers kunnen zich zelden gedurende langere tijd op één taak concentreren.  Vanwege de hoge ‘omstelkosten’ betwijfel ik of deze werkwijze productief is. Bovendien valt mij altijd op hoe zeer men betrokken is bij de eigen vakken en hoe weinig met de opleiding als geheel.

Kan het anders?

Universiteiten kunnen leren van ‘lean’. In essentie betekent dit dat de hoofdprocessen worden benoemd en dat de medewerkers in principe gedurende een bepaalde tijd betrokken zijn bij slechts één hoofdproces, bijvoorbeeld de bacheloropleiding, de masteropleiding of de MBA.[1] Afgezien van het feit niet alle universiteiten researchuniversiteiten hoeven te zijn, vind ik dat medewerkers van een researchuniversiteit niet altijd onderzoek hoeven te doen. Een afwisseling van periodes van voltijds onderzoek en voltijdse onderwijs stelt hun in staat zich veel beter op hun taak te concentreren. Ik zou wel één ‘vrije’ dag in de week invoeren die medewerkers zelf kunnen invullen.

De medewerkers die voor een specifiek hoofdproces verantwoordelijk zijn, bijvoorbeeld de bacheloropleiding, krijgen wat mij betreft ook vergaande bevoegdheden bij de inrichting van de opleiding. Ook hierdoor kan het management worden vereenvoudigd.

Ik heb grote waardering voor het personeel van de faculteiten die ik vanuit mijn eigen ervaring ken en waarmee ik de afgelopen jaren kennis heb gemaakt. Met hun harde werken bereiken ze heel wat. De organisatie van universiteiten is echter ondoelmatig en vaak is er te weinig aandacht voor de opleidingen als geheel. Een wezenlijk andere organisatie, gekoppeld aan een hoge mate van zelfsturing kan hieraan veel verbeteren.


[1] Ik heb al eerder een in mijn ogen passende organisatie van faculteiten geschetst:  http://wp.me/p32hqY-4B

De armoede van de kamergeleerde

In zijn recente boek – ‘Engaged Scholarship’ – wijst Andrew van de Ven ( afkomstig uit ‘ons’ Schijndel)  op de noodzaak dat wetenschappers een aanzienlijk deel van hun tijd doorbrengen buiten de ivoren toren van de universiteit.

Bericht vanuit de Ivoren Toren
Bericht vanuit de Ivoren Toren

De samenleving is terecht kritisch over wat zij terugkrijgt voor de miljarden belastinggeld voor ‘ongebonden’ wetenschappelijk onderzoek.  Vrijwel niemand – afgezien van universitaire bestuurders – gelooft nog dat de resultaten van fundamenteel onderzoek via ‘toegepast’ onderzoek vanzelf naar de praktijk doorsijpelen. De wenselijkheid van meer betrokkenheid van ‘stakeholders’ bij wetenschappelijk onderzoek ligt dus voor de hand.

Prof. Van de Ven wijst er bovendien op dat meer maatschappelijk engagement ook invloed heeft op de status van de wetenschappers zelf. Veel wetenschappers beschouwen hun taak volbracht zodra een wetenschappelijk tijdschrift een artikel van hun hand accepteert. Behalve het feit dat dit steeds lastiger wordt, is ook de kans dat iemand dit artikel leest – laat staan – citeert klein. Een wetenschappelijke publicatie in de VS wordt gemiddeld minder dan één maal geciteerd. De kans om gehoord te worden – ook binnen de academische gemeenschap – neemt echter toe naarmate een wetenschapper meer publieke bekendheid heeft.

De betrekkelijk geringe impact van wetenschap op het doen en laten van ondernemers, docenten, bestuurders, planologen en andere beroepsgroepen komt deels voort uit communicatiebarrières. Maar de belangrijkste reden ligt volgens Van de Ven in het feit dat de thematiek van veel wetenschappelijk onderzoek nauwelijks aansluit bij vragen waarop deze beroepsgroepen een antwoord willen hebben. Zo hebben bijvoorbeeld veel bedrijfskundigen weinig kennis uit de eerste hand van wat in de bedrijven omgaat. Hun hoofden zitten daarentegen boordenvol theorieën over processen in bedrijven, waarover ze in allerlei wetenschappelijke publicaties hebben gelezen. Ze zijn in de eerste plaats geïnteresseerd in het doen van uitspraken over de geldigheid van deze theorieën. Hiervoor hoeven ze hun studeerkamer nauwelijks te verlaten. Ze regelen wat interviews of – liever nog – ze versturen via internet een reeks enquêtes[1]. Ik ben als leidinggevende ik geregeld doelwit geweest van dit soort onderzoek en ik heb al heel wat plaatsvervangende schaamte gevoeld bij de vragen die werden gesteld.

Er is niets mis met onderzoek dat streeft naar toetsing van theorieën. Het is dan wel zaak dat de onderzoeksvragen voortvloeien uit een leerproces dat wetenschappers en mensen uit de praktijk samen doorlopen.  ‘Betrokken wetenschappers’ besteden een substantieel deel van hun tijd aan observaties, interacties en conversaties met mensen in bedrijven, scholen, buurten of waar dan ook.

Van de Ven: Engaged Scholarship: aanbevolen!
Van de Ven: Engaged Scholarship: aanbevolen!

Een aantal ‘practitioners’ heeft na vele jaren praktijkervaring, behoefte aan reflectie en zij zoeken deze in een wetenschappelijke promotie. De huiver vanuit de universitaire wereld tegenover deze personen is volstrekt onterecht. Het wegwerken van hun deficiënties op inhoudelijk en methodisch gebied is veel makkelijker dan een kamergeleerde wegwijs te maken in wat er in de samenleving omgaat. Deze ‘buitenpromovendi’ – het woord zegt al genoeg – moesten tot nu toe een eenzame en lange weg bewandelen. En dan nog was er nauwelijks plaats voor hun belangrijkste ‘asset’, namelijk kennis van de praktijk.  Dit ligt andere in het PhD-programma van de Open Universiteit dat inmiddels al 100 deelnemers (‘scientist-practitioners’) uit 16 landen telt. Dit programma streeft op zorgvuldige manier naar samengaan van theorie en praktijk en van ‘rigor’ en ‘relevance’.

Het zou de waarde van het wetenschappelijk onderzoek ten goede komen als alle kamergeleerden – laten we zeggen, onderzoekers die meer dan 75% van hun onderzoekstijd binnen de universiteit doorbrengen –  zich van hun beperking bewust worden en leren hoe ze ‘stakeholders’ systematisch bij het onderzoek kunnen betrekken.

 

[1] Ik heb dit thema uitgewerkt in een eerdere ‘post’, getiteld: Over verhalenvertellers, wetenschappers en de babbelbox http://wp.me/p32h

Innoveren voor sociaal kapitaal

Zonder sociaal kapitaal is er geen samenleving. Sociaal kapitaal zorgt ervoor dat individuen elkaar respecteren en samenwerken, creëert vertrouwen en solidariteit en voedt de waarde van een gemeenschappelijk verleden.

Sociaal kapitaal rust op vier pijlers, ook wel instituties genoemd: de rechtsstaat, de democratie, de mogelijkheid tot participatie en de verdeling van de welvaart. Dankzij deze instituties kennen we vrijheid, besturen we mee, voelen we ons gewaardeerd en hebben we toegang tot goederen en diensten.

In mijn vorige post schreef is dat ons sociaal kapitaal erodeert en er innovaties nodig zijn om dit proces te keren. Hieronder illustreer ik voor elk van de instituties waaraan ik daarbij denk.

De rechtsstaat: steeds meer regels

Bedreigingen van de rechtsstaat
Bedreigingen van de rechtsstaat

De rechtsstaat vrijwaart burgers voor ongewenst gedrag, willekeur en corruptie, beschermt onze belangen en eigendommen en garandeert vrijheid binnen wettelijke kaders.

Nederlanders hebben niet te klagen, maar er gevaren liggen op de loer: Het aantal regels groeit en hun draagvlak, zeker als zij van ‘Brussel’ komen, is gering. Onbehagen over de handhaving neemt toe; veel burgers ervaren de pakkans voor criminelen gering en de strafmaat te laag.

Innovatie

Vereenvoudiging van het recht en verlaging van de regeldruk hebben prioriteit, waarbij afstemming van wetten tussen landen de voorkeur heeft boven Europese wetgeving.

De democratie: politiek en burgers zijn van elkaar vervreemd

Voor velen is de democratie nietszeggend
Voor velen is de democratie nietszeggend

Slechts een minderheid van de burgers identificeert zich nog met het overheidsbeleid. Partijvorming en kiesrecht ten spijt, het democratisch gehalte van de samenleving wordt als gering ervaren. De politiek heeft zelf bijgedragen aan de overschatting van de impact van het openbaar bestuur. Nu het minder goed gaat ervaren de burgers de kloof tussen wat politieke partijen beloven en wat ze tot stand brengen als onaanvaardbaar breed.

Innovatie

Een breed maatschappelijk debat is nodig over alternatieven voor de inrichting van het democratische stelsel. Ik denk aan:

  • Een gekozen minister-president, die een regering samenstelt;
  • Vervanging van het parlement door een groep van willekeurig geselecteerde Nederlanders die met de regering in debat gaat over wetsvoorstellen;
  • Bekrachtiging van alle belangrijke wetten via volksraadpleging.

Iets dergelijks kan ook op plaatselijk niveau.

De participatiesamenleving: Uitsluiting en marginalisering dreigen

Mogelijkheid tot participatie geldt voor iedereen
Mogelijkheid tot participatie geldt voor iedereen

De mogelijkheid om zinvolle taken te verrichten is een van de grondslagen van ons bestaan. Door talloze arbeidsbesparende maatregelen – vaak met trots innovaties genoemd – is er voor laaggeschoolden steeds minder werk. Maar ook hoger geschoolden ervaren belemmeringen als gevolg van het groeiende ‘managerialisme’, een cultuur van steeds meer voorschriften, regulering en afrekening. Gevolg medewerkers van organisaties leren ‘bukken’, vertonen risicoarm gedrag en als de omstandigheden dat toelaten beginnen ze voor zichzelf.

Innovatie

Garanderen van mechanismen die zorgen voor een aanbod van zinvol werk op alle niveaus heeft topprioriteit. Zo lang er een grote groep is voor wie beroepen als kassière en lokettist het hoogst bereikbare is, ondermijnen ‘innovaties’ als zelf-scankassa’s en automaten de mogelijkheden tot zinvolle participatie aan de samenleving. Verder bepleit ik het op grote schaal ingang doen vinden van coöperatie organisatievormen en een drastische vermindering van het aantal leidinggevenden.

Verdeling van goederen en diensten: steeds schever

Een eerlijke verdeling van de welvaart
Een eerlijke verdeling van de welvaart

De meeste Europeanen hebben weinig reden tot te klagen over hun materiële welvaart. Hierbij blijft voor het moment buiten beschouwing dat we onze welvaart mede danken aan het toe-eigenen van een onevenredig deel van de rijkdommen van de aarde ook ten koste van onze eigen kinderen. In het algemeen wordt het als een goede zaak ervaren dat burgers in inspanning moeten leveren om toegang te krijgen tot deze goederen en diensten. De verzorgingsstaat heeft deze relatie helaas vertroebeld en hierover bestaat breed onbehagen. De samenleving ontwikkelt zich nu de andere kant op. De rijken hebben alle gelegenheid om zich verder te verrijken en de mogelijkheden voor de armen om een menswaardig bestaan op te bouwen nemen af.

Innovatie

De economische instituties zijn hard toe aan innovatie. Bedrijven behartigen – ondanks mooie praatjes over CSR – eerder de belangen van de kapitaalverschaffers dan die van de samenleving als geheel. Velen denken dat alleen wetgeving bedrijven tot maatschappelijk verantwoord handelen kan bewegen. Dit is echter in strijd met de noodzaak van minder regulering. Ik koester vooralsnog de hoop dat bedrijven, aangevoerd door een nieuwe generatie ondernemers en medewerkers,  zelf besluiten  ‘sociale ondernemingen’ te worden. Essentieel daarbij is uiteraard het afbouwen van de cultuur van zelfverrijking die thans dominerend is in de top van het bedrijfsleven maar ook in andere organisaties.

Alle hiervoor benoemde innovaties resulteren in hernieuwde groei van sociaal kapitaal met als resultaat: vrije, tevreden en betrokken burgers, die zich in te zetten voor hun eigen ontwikkeling en die van hun medemensen, die diversiteit op zijn waarde weten te schatten en die elkaar opzoeken omdat vooruitgang alleen samen realiseerbaar is.

Innovatie en geluk

Innovatie moet uiteindelijk leiden tot meer menselijk geluk, of – wat minder theatraal – tot betere ontplooiingskansen. Dat is méér dan verbetering van de arbeidsproductiviteit waarvoor de meeste innovaties tot nu zijn geïnitieerd. Daar hebben we veel baat bij gehad, maar de negatieve gevolgen voor mens en milieu zijn gaan overheersen. In mijn vorige post stelde ik daarom dat innovatie moet leiden tot drie gelijkwaardige doelstellingen: welvaart, duurzaamheid en ontplooiing.

Deze ‘post’ zoomt in op innovaties die tot behoren de laatste categorie. In wezen gaat het om drie groepen:

  • Innovatie gericht op arbeidsverhoudingen (internationaal: workplace innovation)
  • Innovatie gericht op levensomstandigheden (internationaal: social inovation)
  • Innovatie gericht op de samenleving (internationaal: institutional innovation)

Innovatie gericht op arbeidsverhoudingen

Workplace innovation: hot item binnen de EU
Workplace innovation: hot item binnen de EU

Dankzij Henk Volberda weten we dat innovatie van de arbeidsverhoudingen (hij spreekt van sociale innovatie) de impact van technische innovatie verdrievoudigd. Het gaat om uitdagend werk, autonomie en dienend leiderschap. Gepaard aan minder hiërarchische verhoudingen, teamwork, verantwoordelijkheid en vertrouwen[1]. Volgens ruwe schattingen voldoet hoogstens 25% van het werk in Nederland aan deze eisen. Daarbij komt dat twee van de drie werknemers vinden dat hun leidinggevende de belangrijkste oorzaak is van gebrek aan arbeidssatisfactie. Een vergelijkbaar cijfer is ook voor de VS vastgesteld. Er is hier dus nog een wereld te winnen.

Innovatie gericht op levensomstandigheden

We hebben het er niet meer zo vaak over, maar het grootste deel van de wereldbevolking leeft op en onder het bestaansminimum en mist elementaire voorzieningen op het gebied van water, sanitair, zorg en onderwijs. Deze situatie lijkt langzaam te verbeteren. Dichtbij huis is er eerder sprake van snelle verslechtering: Ongeschoolde arbeid is er bijna niet meer dankzij technische innovatie. Het aantal werkelozen onder de ongeschoolde arbeiders neemt snel toe; velen zijn jong en allochtoon, leven in stedelijke getto’s; broedplaatsen van criminaliteit. Een ander deel gaat behoren tot de nieuwe kasten van ‘slaven’, waarvan de omvang in Europa op 900.000 wordt geschat.

Van werkplaats-leren  vind je alleen maar oude foto's
Van werkplaats-leren vind je alleen maar oude foto’s

Innovatie hier is vooral onderwijs. Geen ‘burgerlijk’ algemeen vormend onderwijs, maar ambachtsonderwijs en werkplaatsleren. Daarvoor moeten er wel werkplaatsen zijn en dit vereist stimuleren van de informele economie. Vooral door drastische vermindering van wettelijke belemmeringen. De ontwikkelende informele economie in arme stedelijke gebieden in rijke landen zal geleidelijk verbonden moeten raken met de formele economie.

Innovaties gericht op samenleving

De term ‘sociaal kapitaal’ slaat op wat een groep individuen weet te presteren dankzij onderlinge samenwerking. Sociaal kapitaal op het niveau van de staat neemt snel af. Het aanhoudende onvermogen van de politieke partijen in de VS om een begroting vast te stellen toont aan hoe sterk het deel-belang het collectieve belang overschaduwt. Gevolg is dat iedereen zijn eigen hachje veiligstelt, in navolging van de leiders van het bedrijfsleven en hun exorbitante zelfverrijking.

Wat als de relatie tussen stemmen en meebeslissen verdwijnt?
Wat als de relatie tussen stemmen en meebeslissen verdwijnt?

Welke vorm van innovatie help hier? In vroegere jaren waren oorlogen probate middelen om de nationale eenheid te versterken. Een middel dat erger is dan de kwaal. Ik denk dat er een reeks innovaties gaat plaatsvinden die de nationale instituties zelf gaan vervangen. Al dan niet territoriaal gebonden burgerinitiatieven, decentralisatie van de macht, alternatieven voor politieke partijen…. In mijn volgende ‘post’ ga iki hierop in, uitgaande van de fundamentele waarden waarvoor sociale instituties behoren te staan.


[1] Ik heb dit onderwerp behandeld in een oudere post: http://wp.me/p32hqY-2T